CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel 'Integraal Ruimtelijk Perspectief (IRP) U16' - Bijlage 3 (Overzicht zienswijzen raden).pdf

Gemeenteraad 16 december 2021, gemeente OudewaterBij agendapunt: 9: Integraal Ruimtelijk Perspectief (IRP)38.799 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Behoeft geen beantwoording

IJsselstein

Het IRP is een regionale visie dat richting geeft en waarin nog een aantal onzekerheden bij de uitwerking en realisatie. Het IRP moet daarom ook worden gezien als onze gezamenlijke regionale basis voor het realiseren van uitvoeringskracht in allianties, het concretiseren van de scherpe hoofdkeuzes en het alloceren middelen voor de realisatie. Daaraan wordt in de vervolgfase parallel gewerkt door: a. de kwatiermakersfase uitvoering en organisatie uit te werken; b. concrete en vaak lopende projecten in beeld te krijgen en tevens wat er voor nodig is om tot uitvoering te komen (ontrafelen); c. een realisatiestrategie op te bouwen om middelen te alloceren en als regio/16 gemeenten daarin de regie te hebben; d. met gemeenten en stakeholders in gesprek te gaan om de uitvoering daar neer te leggen, op te starten en te ondersteunen. De capaciteit en middelen bij gemeenten is een zeer belangrijk onderdeel van deze fase. Het is aan de gemeenten en de U10 om in beeld te brengen wat er nodig is om opgaven uit te voeren en welke rol de gemeenten daarin kan spelen, wat er nodig is van de U10 in ondersteunende rol en anderzins.

1. Samenwerking, uitvoeringsstrategie en concrete uitvoering De uitvoeringsstrategie geeft richting aan de verdere concrete uitwerking van het IRP. Gezien de grote opgaven en vraagstukken die verdere uitwerking behoeven, bestaat het risico dat alle tijd en aandacht opgaat aan het verfijnen van de uitvoeringsstrategie en invullen van de bijpassende samenwerking. Dit gaat ten koste van de concrete uitvoering van de belangrijke ontwikkelopgaven die in het IRP zijn opgenomen. Juist deze concrete uitvoering is van groot belang om de regio toekomstbestendig te maken en toe te werken naar een gezond leven in een stedelijke regio voor iedereen. Niet alleen de samenwerkingsvorm en uitvoeringsstrategie, maar ook de veelheid aan opgaven is een bedreiging voor de concrete uitvoering. De realisatiekracht van onze gemeente is beperkt. Het inzetten op alle opgaven is gezien de vraag naar capaciteit en financiële middelen op dit moment niet haalbaar. Wij voorzien dat deze situatie zich in meerdere gemeenten voordoet. Een realistische planning is dan ook van groot belang. De voordelen die slimme samenwerkingen kunnen opleveren, zullen ten volle benut moeten worden om zo veel mogelijk van de opgaven te realiseren.

Voor IJsselstein betekent dit dat we in eerste instantie inzetten op de ontwikkeling van bedrijventerrein De Kroon, op onze binnenstedelijke woningbouwontwikkelingen en op de verdere uitwerking en ontwikkeling van het Kromme IJsselpark, van belang voor een vitale en gezonde regio. 56 Zienswijze

IJsselstein

2. Groen Groeit Mee en financiering In het IRP wordt aangesloten bij het initiatief van de Provincie Utrecht, Groen Groeit Mee. Hoewel wordt aangegeven dat gezamenlijk wordt gezocht naar de financiering die nodig is, is veel ook nog onduidelijk en afhankelijk van de uitwerking van de hoofdlijnen. Groen kan en moet in onze ogen meegroeien met andere ontwikkelingen, maar dan wel in het juiste perspectief. Passend bij de aard en schaal van de ontwikkelingen waar groen in mee groeit en passend in het landschap. Dit is een ontwerpopgave, daarom is het ook goed dat in het IRP geen scherpe afbakening is gegeven. Hierbij moet ook besef bestaan dat de balans met betaalbare woningen spannend is: investeren in groen moet niet ten koste gaan van de noodzakelijke betaalbare woningen. Leidend blijft: gezond leven in een stedelijke regio voor iedereen. Wij zien graag terug op welke wijze u dit uitgangspunt borgt. Naast de groenopgaven die mee kunnen groeien met ontwikkelingen, voorzien wij ook dat belangrijke onderdelen van de totale groenopgave niet direct zijn te koppelen aan een ontwikkeling. De totale groen-blauwe opgave die is geformuleerd vraagt een investering in geld en capaciteit die niet beschikbaar is bij de gemeenten. Daar komt bij dat grotere opgaven zoals de Groene Scheggen niet helder zijn gedefinieerd.

Wanneer zijn we tevreden? Het opleggen van een onmogelijke opgave moet voorkomen worden. Wij zien dan ook graag uw voorstel voor prioritering binnen de groenopgave tegemoet. 57 Zienswijze

Prioritering groenopgave per deelgebied toegevoegd.

Na oplevering van het concept IRP heeft het programma Groen Groeit Mee haar eindrapporten opgeleverd. Daarin is de opgave gekwanitficeerd, zijn de kosten in beeld gebracht en is er een overzicht gemaakt van financieringsstrategien. In de vierde fase REP en tweede fase GGM wordt de samenwerking gezocht. Nadrukkelijk zijn daarbij andere financieringsbronnen benoemd dat vanuit een plus op woningbouw. Het koppelen van de groen en rode opgave blijft essentieel en daarmee het gezamenlijk zoeke naar financiering. GGM geeft daar handvatten voor. In het hoofdstuk 'adaptief ontwikkelpad' is de groene opgave verdeeld in vier categorien en geeft daarmee antwoord op uw vraag over groene opgaven die niet direct te koppelen zijn aan rode ontwikkelingen. Dit vormt de basis voor uitwerking in fase 4, programmeren, waarbij groen inderdaad onderdeel van een ontwerpopgave is waarin de ambitie nader moet uitkristalliseren. Op voorhand is een eerste prioritering van de groene opgave per deelgebied aan het IRP toegevoegd.

IJsselstein

3. Nieuwe vormen van mobiliteit en Grote wiel Het IRP leunt voor de mobiliteitsopgaven sterk op onder meer het lopende MIRT traject voor de U16. Daarnaast is veel aandacht voor langzaamverkeerverbindingen als alternatief voor de auto. Daarmee is de aandacht voor de verbindingen op het schaalniveau tussen het hoofdnetwerk van wegen en rails, en het schaalniveau van langzaamverkeer, vrijwel afwezig in het IRP. Juist op dit schaalniveau zijn innovaties van belang om te komen tot betere OV oplossingen. Voor een goede bereikbaarheid van de kleinere, vitaal te houden kernen, zijn deze innovatieve OV oplossingen van groot belang. Wij willen dan ook een oproep doen om nader onderzoek te doen naar de mogelijkheden en kansen die nieuwe vormen van OV, zoals kleinschalige (zelfrijdende) voertuigen, maar ook andere modaliteiten met zich meebrengen.

58 Zienswijze

IJsselstein

59 Zienswijze

IJsselstein

60 Zienswijze

IJsselstein

61 Zienswijze

IJsselstein

Mogelijk bieden deze nieuwe vormen van OV ook een goede kans om het Grote wiel gestalte te geven. Dit Grote wiel is in de onderzoeken van MIRT en Uned komen te vervallen. De inzet op het kleine wiel met gangbare OV oplossingen, biedt vooral kansen voor de stad Utrecht. Het Grote wiel is van belang om de kernen verder van Utrecht af betere ontsluitingsmogelijkheden te geven en realistische alternatieven te bieden voor de auto. Hoewel het hier gaat om kleinere vervoersstromen, kan dit beter aansluiten bij nieuwe vormen van OV of bijvoorbeeld slimme inzet van regionale lijndiensten. De koppeling van een halte aan de Weg naar de Poort op een regionale verbinding tussen Utrecht en Gorinchem/Breda kan goed aanhaken op dit Grote wiel. Wij willen dan ook oproepen om vanuit het IRP nader te onderzoeken op welke wijze het Grote wiel een goede aanvulling is op het OV systeem in de regio, waarmee de belangrijkste doelen, ontlasting van Utrecht Centraal en het hoofdwegennet, behaald kunnen worden en tegelijk de vitaliteit en nabijheid van de kleine kernen wordt versterkt. 4. A12 zone en tram De ontwikkeling van de A12 zone met woningbouw is van groot belang om de ambities voor woningbouw waar te maken. Daarnaast speelt juist de A12 as een belangrijke rol in het hoofdwegennet rond Utrecht.

Vanzelfsprekend moet dit hoofdweggennet zo weinig mogelijk worden belast door nieuwe ontwikkelingen en een inzet op de tram als hoofdontsluiting voor de A12 zone is dan ook een logische gedachte. Maar het uitbouwen van het aantal haltes en mogelijk verleggen van de lijn om de A12 zone goed te bedienen, mag niet ten koste gaan van de snelheid van deze verbinding. Juist aan het einde van de tramverbinding, in IJsselstein, wordt elke vertraging opgemerkt.

In verschillende zienswijzen wordt meer aandacht gevraagd voor ‘dwarsverbanden’ in het OV systeem die rechtstreekse verbindingen creëren tussen kernen, zoals de vaak genoemde OV-verbinding tussen Houten, Nieuwegein en IJsselstein. Voor het verwerken van OV-verbindingen in het IRP sluiten wij aan op het Toekomstbeeld OV. In die argumentatie spelen het (beperkte) budget voor OV-exploitatie in combinatie met het afwegen van de vervoerswaarde van gewenste OV-lijnen een grote rol. Bovendien is het van belang dat gewenste verbeteringen aan relatief ‘dikke’ verbindingen als de OVVoor de ontwikkeling van het OV netwerk baseren we ons in de regio op het regionale verbinding tussen Houten, Nieuwegein en IJsselstein, hoewel op Toekomstbeeld OV. De OV-corridors die in dat document genoemd staan werken we samen met korte termijn niet levensvatbaar, voor de langere termijn wel de provincie uit tot OV-lijnen van hoge kwaliteit (vwb snelheid en frequentie) naar alle op het lijstje blijven staan als mogelijke netwerkverbeteringen. windrichtingen van de regio.

Hoge OV-kwaliteit is alleen mogelijk tussen plekken met hoge Tot slot geldt, zie het Regionaal Mobiliteitsprogramma, dat de concentraties van wonen en/of werken; we hebben er als overheden belang bij om de buslijnen zo regio inzet op verduurzaming van de mobiliteit door middel van vol mogelijk te laten rijden om belastinggeld effectief te spenderen. Voor vervoer naar kleine een zogenaamde mobiliteitstransitie; die transitie komt tot kernen en verbindingen tussen middelgrote kernen geldt dat ze zelfstandig geen hoge OV-kwaliteit stilstand als de pot geld voor OV-exploitatie op termijn niet kunnen genereren en daarom richt de visievorming in de regio zich op het aantakken van kernen groter wordt, want de gewenste extra OV-passagiers kosten op plekken (regiopoorten, multimodale hubs) met hoge OV-kwaliteit om een goede ketenreis hoe dan ook geld. mogelijk te maken.

In onze Mobiliteitsvisie 2040 hebben wij vastgelegd dat een versnelling van de huidige tramverbinding van groot belang is om een volwaardig alternatief te zijn voor de auto. De huidige reistijd vanaf halte Binnenstad naar Utrecht Centraal weegt niet op tegen de reistijd van een auto naar het centrum van Utrecht, laat staan wanneer een andere locatie in Utrecht het reisdoel is. Daarom vragen Overgenomen in het IRP in de uitwerking van deelgebied wij om ook in het IRP op te nemen dat wordt ingezet op een reistijd van 20 minuten van halte Binnenstad naar halte Utrecht Centraal. Centrale As 5. Circulaire economie In het IRP wordt ingezet op de circulaire economie. Gezien de noodzaak om te komen tot een toekomstbestendig economisch systeem, is dit een verstandige keuze waar wij volledig achter staan. Tegelijk zien wij hier wel enkele obstakels die de noodzakelijke transitie naar een circulaire economie in de weg staan. In het IRP wordt niet aangegeven welke instantie de circulaire economie gaat aanjagen, nog wat het plan hiertoe is of het benodigde budget. Deze elementen zullen vanzelfsprekend in de volgende fase van het IRP worden uitgewerkt, maar wij voorzien dat veel gemeenten, net als IJsselstein, niet de middelen hebben om hier een noodzakelijke trekkersrol te vervullen.

Wij lezen graag terug welke aanpak naar uw mening haalbaar zou moeten zijn, gelet op de positie van de gemeenten in de regio. Naast onze vragen over de noodzakelijke inzet, zien wij ook een discrepantie met de oproep om nieuwe bedrijventerreinen intensief te programmeren en bestaande terreinen te intensiveren. Voor de circulaire keten is voldoende (opslag)ruimte nodig op bedrijventerreinen om te kunnen functioneren. Wij willen dan ook oproepen om de ruimtebelangen van de circulaire ketens mee te wegen bij het maken van plannen voor intensivering van bedrijventerreinen.

Het is voor de bereikbaarheid van de A12-zone, Nieuwegein en Ijsselstein van belang dat de tram juist versneld wordt. Inzet is een kortere reistijd, ook vanuit Ijsselstein.

Het versnellen van de SUNIJ lijn is van belang voor de verstedelijking in De Centrale As. Het doel om binnen 20 minuten van IJsselstein Centrum naar Utrecht CS te reizen past daarbij.

In het IRP wordt aangegeven dat per terrein wordt uitgewerkt wat de bijdrage is aan de circulaire economie (p. 70). Voor de circulaire ambitie is inderdaad ook ruimte nodig. De intensiveringsopgave past hier goed bij, daar dit ook inzet op optimaal benutten van een terrein. Goed om frequent te monitoren hoe de circulaire ambites aansluiten bij de ambities voor intensivering.

62 Zienswijze

IJsselstein

6. Bedrijventerreinen Voor bedrijventerreinen wordt ingezet op een optimale benutting. Voor de bedrijventerreinen in IJsselstein zijn we bezig met een onderzoek naar de mogelijkheden, waaronder revitalisering. In het IRP wordt ook voor het bedrijventerrein Oudland aangegeven dat revitalisering nodig zou zijn, maar dit bedrijventerrein is van recente datum en hier wordt nog steeds gebouwd. 63 Zienswijze

Kaart is verwijderd uit IRP

IJsselstein

In ons onderzoek naar de mogelijkheden voor een optimale benutting van bestaande bedrijventerreinen zullen wij inzetten op een realistische rol voor onze gemeente. De grote ambities die in het IRP zijn benoemd, zijn niet haalbaar voor onze gemeente gezien de beschikbare capaciteit en middelen in relatie tot de benodigde capaciteit en middelen voor de intensivering en revitalisering van bedrijventerreinen, naast de inzet op de circulaire economie. Wel willen wij inzetten op binnenstedelijke ontwikkelingen, zoals bedrijventerrein De Kroon, maar ook de toekomstige terreinen Eastpoint en de afronding van bedrijventerrein Lagedijk. Daarbij gaan wij voor een passende invulling die recht doet aan de ambities die in het IRP zijn benoemd. 64 Zienswijze

De beoogde inzet van de gemeente zoals genoemd, lijkt passend bij de ambities van het IRP. De precieze uitwerking van de opgave voor verdichting van werklocaties zal in de vervolgfase nader worden uitgewerkt. Voor intensivering en verduurzaming is tevens samenwerking met en inzet van de Provincie Utrecht mogelijk, en zijn capaciteit en middelen beschikbaar vanuit de OMU.

IJsselstein

65 Zienswijze

IJsselstein

66 Zienswijze

IJsselstein

67 Zienswijze

Lopik

7. Rijnenburg Het gebied Rijnenburg is in het IRP neergezet als een toekomstige uitbreidingslocatie voor woningbouw, waarbij de locatie mogelijk eerder in beeld komt als andere woningbouwprojecten niet of niet tijdig tot ontwikkeling komen. Gezien de grote woningnood in de regio maar ook de aantallen woningen die in de andere projecten worden aangegeven, lijkt dit een logische stap. Maar het naar voren halen van een dergelijke grote uitbreiding die ook afhankelijk is van grootschalige infrastructurele ingrepen, zal niet gemakkelijk zijn. Daarom willen wij vragen om een heldere strategie voor het naar voren halen van Rijnenburg uit te werken, waarin rekening wordt gehouden met deze vertragende aspecten. Tijdig signaleren van vertraging of uitval van andere woningbouwprojecten moet hierin naar onze mening de basis vormen. Geen verwerking in IRP 8. Kaarten Bij twee kaarten willen wij opmerkingen plaatsen. Op pagina 56 is een schetsverbeelding opgenomen voor Centrale As waar de noodzakelijke uitbreiding van IJsselstein niet is opgenomen. Gezien het belang van deze uitbreiding die wordt onderschreven in het IRP, moet deze kaart aangepast worden. Op pagina 132 staat de schetsverbeelding landschappelijk raamwerk centrale as.

Hier is de ontwikkeling van IJsselstein Zuid niet in meegenomen, waar dit juist van belang is om het landschappelijk raamwerk te kunnen realiseren (noot: andere stedelijke ontwikkelingen (Vianen, A12 zone) zijn wel ingetekend). Verwerkt in IRP Zoals wij in het begin van onze zienswijze hebben aangegeven, zijn we trots op hetgeen nu bereikt is. Het IRP laat zien dat veel van de ambities van de deelnemende gemeenten kunnen passen in de regionale strategie en toekomstperspectief. Wij werken graag mee aan de noodzakelijke projecten en processen om tot realisatie van het IRP te komen, binnen de mogelijkheden die wij als gemeente IJsselstein tot onze beschikking hebben. Hoogachtend, BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN IJSSELSTEIN, de secretaris, de burgemeester, drs. P.C.M. van Elteren mr. P.J.M. van Domburg Geachte heer Verschuure, heer Jansen,

Lopik

70 Zienswijze

Lopik

De gemeenteraad wordt in deze fase van het proces in de gelegenheid gesteld aan de voorkant invloed uit te oefenen, alvorens het definitieve IRP definitief aan de raden ter besluitvorming wordt aangeboden. Met deze zienswijze geven de raden richting aan de inhoud van het IRP en aan de vraagstukken die nog geadresseerd moeten worden. De zienswijze van alle raden uit de regio worden verwerkt in een definitief IRP dat medio september ter besluitvorming wordt voorgelegd aan de colleges en raden uit de regio. Zienswijze concept IRP De gemeente Lopik dient de volgende zienswijze op het concept IRP in: • Het IRP is een regionaal toekomstperspectief, maar de uitvoering vindt vooral op lokaal niveau plaats. Gelijktijdig zijn de gemeenten op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling erg afhankelijk van de provincie Utrecht. Doordat de U16 een netwerkorganisatie is hebben wij zorgen dat de realisatie van de grote opgaven ingewikkeld wordt door een gebrek van wederkerigheid tussen partners maar ook tussen de opgaven. In de toekomst moet deze wederkerigheid meer geconcretiseerd worden.

Behoeft geen beantwoording

Behoeft geen beantwoording

Geen verwerking in IRP

Het IRP is een toekomstperspectief voor 2040, maar houdt daarin onvoldoende rekening met de veranderingen als gevolg van de coronacrisis. De coronacrisis heeft een impact op wonen én werken, wat afgelopen jaar minder tijd- en plaatsgebonden is gebleken. Wij verwachten dat dit een structureel effect gaat hebben. Dit zien wij niet terug in de thema’s wonen, werken en mobiliteit in het concept IRP. We begrijpen dat nu nog niet duidelijk is wat het structurele effect zal zijn, maar het is wenselijk om daarvoor nu al ruimte in te bouwen in het IRP. Een voorbeeld is een minder stringente koppeling tussen woningbouw en de toename van wegverkeer. Als de trend van thuiswerken blijvend is zal er meer behoefte ontstaan aan wat grotere woningen met voldoende mogelijkheden voor een thuiskantoor. Het thuiswerken zorgt ervoor dat de toename van het wegverkeer beperkt blijft. In het landelijk gebied kan bijvoorbeeld vrijkomende agrarische bebouwing voor deze woonmilieus worden herontwikkeld. Verwerkt in IRP. Tekst toegevoegd

72 Zienswijze

73 Zienswijze

Verwerkt in IRP

Lopik

69 Zienswijze

71 Zienswijze

Het naar voren halen van Rijnenburg als ontwikkellocatie zal inderdaad niet eenvoudig zijn. Het ontbreekt aan de nodige infrastructuur om de locatie goed te ontsluiten, waarbij vooral een goede OV-ontsluiting een grote uitdaging is. De Gemeente Utrecht heeft onderzocht wat er nodig is voor de ontwikkeling van Rijnenburg. Of en hoe hier eventueel uitwerking aan te geven zal onderdeel zijn van de uitwerking van het IRP.

Behoeft geen beantwoording

De afgelopen jaren hebben we met elkaar als 16 gemeenten stappen gezet en besluiten genomen naar een gedeeld beeld van onze regio. Beginnend bij de Ruimtelijk-Economische Koers uit 2017, het gezamenlijke uitgangspuntennotitie en eerste beoordelingskader vorig jaar en de vaststelling van de Contour REP met het aangescherpt Beoordelingskader. De afgelopen maanden is een stap gezet richting een concept Integraal Ruimtelijk Perspectief (IRP). 68 Zienswijze

Dit betreft het kaartbeeld van de ontwikkelrichtingen per bedrijventerrein gebaseerd op het adviesrapport toekomstbestendige werklocaties (Stec, 2020). Deze ontwikkelrichtingen komen voort uit de in dit adviesrapport opgestelde locatieprofielen en de toekomststrategie van de gemeenten. In de laatste versie van het IRP (juli) een toelichting aan deze figuur toegevoegd. In de update van september is deze kaart uit het IRP gehaald, aangezien er in de tekst ook niet naar wordt verwezen.

De stap naar realisatie zal inderdaad comlex worden. Het concretiseren van de wederkerigheid is een belangrijk onderdeel van de vervolgfase.

Bij hoofdstuk 1C (opgaven) is een paragraaf over de gevolgen van de coronapandemie opgenomen. Het is echter nog wel de vraag of de effecten die we tijdens de pandemie zien ook blijvend zullen zijn. De coronapandemie laat wel zien dat mobiliteit sterk beïnvloedbaar is. Gedragsverandering door mobiliteitsbeleid is dan ook een onderdeel van het pakket aan mobiliteitsmaatregelen in het IRP.

Lopik

Lopik

In het IRP wordt gesproken over de landbouwtransitie (“Transitie naar circulaire, biodiverse en economische rendabele landbouw”, p.19), maar wordt onvoldoende uitgewerkt. We vragen ten eerste aandacht voor de verdienmodellen van agrariërs, welke onlosmakelijk verbonden zijn met een dergelijke transitie. Ten tweede heeft een transitie in de landbouw effect op het ruimtegebruik: dit levert ons inziens een frictie op met andere opgaven zoals de energietransitie, de woningnood en de groenopgave voor het stedelijk gebied (en daarmee het gezond stedelijk leven). Ook dit is onvoldoende uitgewerkt in het IRP. Wij vragen in de uitwerking daarvan aandacht voor de financiering en de facilitering van ruilverkaveling als mogelijke oplossing. Met ruilverkaveling kunnen gebiedsprocessen worden geholpen om de juiste functie op de juiste plaats te krijgen in de toekomst. Dit kan ten goede komen aan het verdienmodel van de agrariër, natuurontwikkeling en recreatie-ontwikkeling. Verwerkt in IRP H2.3. Tekst toegevoegd Hoogachtend,

Montfoort

De Raad van de gemeente Lopik; De griffier, de voorzitter, MW. MR.G.M.G. DOLDERS DR. L.J. DE GRAAF Met veel interesse hebben wij kennisgenomen van het concept Integraal Ruimtelijk Perspectief (verder IRP), dat thans ter zienswijze voorligt.

In hoofdstuk 2.3 thematische verdieping is het onderwerp Landbouwtransitie /perspectief agrarische sector nader uitgewerkt. De landbouwtransitie is een landelijke opgave waarin de regio het transitiebeleid van de rijksoverheid volgt. Verdienmodellen zijn nadrukkelijker in deze tekst verwerkt. De druk op de ruimte is in de regio groot zoals u beschrijft en het zal onontkombaar zijn dat het areaal landbouwgrond kleiner wordt in de toekomst. Uw suggestie voor moderne ruilverkavelingen hebben we in de tekst verwerkt.

Behoeft geen beantwoording

Wij zijn U erkentelijk dat wij in deze fase van het proces in de gelegenheid worden gesteld aan de voorkant invloed uit te oefenen, alvorens het definitieve IRP aan ons ter besluitvorming wordt aangeboden. Met deze zienswijze geeft de raad richting aan de inhoud van het IRP en aan de vraagstukken die nog geadresseerd moeten worden. Behoeft geen beantwoording 74 Zienswijze

Montfoort

Door het college zijn wij op de hoogte gebracht van de informele consultatieronde IRP en zien dat een aantal bezwaren zijn weggenomen, waaronder - de status van het IRP (pag. 9 t.m. 13) - de Maakindustrie in Utrecht-West (pag.23) - de positie van de vitale kernen (pag. 51 t.m. 55) en - de routering en versnelling van buslijnen Lopikerwaard, waar een onderzoek naar zal worden gedaan (pag.127)

Behoeft geen beantwoording

75 Zienswijze

Montfoort

Het IRP is ambitieus en zal in de uitvoering veel vragen van alle gemeenten in de regio. De opgaven die benoemd zijn zijn regionale opgaven. De oplossingen zullen dus ook regionaal moeten zijn. Samenwerking in de uitvoering is belangrijk en daarbij hoort ook het gezamenlijk organiseren en bekostigen van de uitvoering. Voor Groen en Landschap zijn binnen het programma "Groen Groeit Mee" kostendragers in beeld gebracht.Hier is benadrukt dat gezamenlijk gezocht moet worden naar de kostendragers voor de verschillende opgaven, waaronder Groen en Landschap. En is een voorbeelduitwerking opgenomen. Ook staat hier voor de vervolgfase op hoofdlijnen de hoofdlijn voor programma en organisatie en die verdere uitwerking vorm krijgt in fase 4. Komende tijd wordt in de kwartiermakersfase de uitvoeringsstrategie verder uitgewerkt tot een Plan van Aanpak voor Fase 4.

Wij willen met onze zienswijze aandacht vragen voor de volgende vraagstukken: 1. Algemeen •Al hoewel wij het voorliggende IRP in hoofdlijnen als positief zien is er nog een weg te gaan waar het gaat om de balans tussen gemeenten en specifiek tussen stadse en plattelandsgemeenten. De gestelde doelen zijn zeer ambitieus en vergen veel van de hele U16. Een van de kernpunt van het programma is het behoud van het groen, daarnaast zijn er ook grote ambities op het gebied van water, natuur, energietransitie en recreatie. Een invulling te geven aan met name deze laatste categorieën zal met name de verantwoordelijkheid zijn van de kleine kernen. Dit vraagt bij deze gemeenten een onevenredig grote inspanning van zowel mankracht (denk aan bv participatie) als financiën. Binnen het IRP is onvoldoende garantie gegeven dat de kleine kernen financieel niet alleen verantwoordelijk gesteld worden om de investeringen te doen die het goed invullen van deze functies vereist. 76 Zienswijze

Montfoort

77 Zienswijze

Montfoort

•Wij zijn content met het onderschrijven van het gezamenlijke U16 belang voor een toekomstbestendige agrarische sector (pag. 125).

Deze teksten zijn nog nader aangescherpt. De groenopgave is net als de andere opgaven voor de regio ambitieus en voorwaardelijk voor de groei van de regio. Het klopt dat veel van deze ambities net als ambities uit andere thema's nog niet financieel gedekt zijn. We benadrukken dat het gaat om een gezamenlijke ambitie van de regio waarbij de oplossingen ook moeten passen bij deze gezamenlijkheid. In het hoofdstuk uitvoeringsstrategie is dit in het IRP omschreven en in de vier fase wordt dit verder uitgewerkt. Daarbij wordt nauw samengewerkt met het programma 'groen groeit mee' van provincie, gemeentes en waterschappen. De strategie en financiering van de groenopgave wordt in de vervolgfase verder uitgewerkt. Eeb hoge ambitie is belangrijk om de kwaliteit van de regio te versterken, en dient tevens om gezamenlijk te zoeken naar aanvullende middelen om deze opgave uit te voeren. Onder andere door geldstromen te koppelen aan elkaar en steun te vragen voor de ambities in het IRP bij andere overheidslagen.

2. Landschappelijke waarde •Wij zijn content met het prominent benoemen van de landschappelijke waarden in de regio (het wat), maar hoe dit moet worden vormgegeven en betaald (zie ook pagina 39 en 43 van het IRP) is nog onvoldoende uitgewerkt. 78 Zienswijze

Montfoort

79 Zienswijze

Montfoort

•De schaalsprong voor landschap, water en groen (pagina 41 e.v.) is ambitieus. U schrijft dat: De financieringsopgave een gezamenlijke opgave van 16 gemeenten en andere overheden en stakeholders is en dat de regio voor de benodigde investeringen zal samenwerken met Provincie, Gemeenten, het Rijk, Waterschappen, Natuurbeheerders, eigenaren en andere belanghebbenden.

Geen verwerking in IRP

Natuurinclusieve landbouw' werd al genoemd bij de gebiedsopaven groen en landschap in de thematische uitwerkingen. Onder het kopje 'perspectief agrarische sector' in hetzelfde hoofdstuk is 'natuurinclusieve landbouw' benoemd als onderzoekvraag: Wat houdt kringlooplandbouw en natuurinclusieve landbouw in elk deelgebied in en welk verdienmodel is het meest kansrijk? Uiteraard! We zien dit als onderdeel van de gebiedsuitwerkingen in de vierde fase om de ambitie verbetering biodiversiteit handen en voeten te geven.

Teksten in IRP aangepast

Het zal onontkombaar zijn dat de ontwikkelingen in de regio te kosten gaan van het landbouwareaal. In het IRP zijn de teksten rond het 'perspectief agrarische sector' aangescherpt. Zo is opgenomen dat 'transitie maatwerk vereist per deelgebied in nauwe samenwerking met de agrariers'. Een moderne ruilverkaveling kan daarbij een middel zijn. Ook is het mogelijk om agrarische functies te combineren met functies voor recreatie en natuur.

•Natuurinclusieve landbouw is het belangrijkste onderdeel van nieuwe natuur. Dit willen wij expliciet benoemd zien in het IRP. 80 Zienswijze

Montfoort

81 Zienswijze

Montfoort

•Voordat er een voorstel wordt gedaan voor nieuwe natuur, moet bij de huidige beheerder worden nagegaan welke activiteiten er nu plaatsvinden om de biodiversiteit te verbeteren.

•De 4110 hectare die benoemd wordt in het concept IRP voor nieuwe natuur en recreatie moet als laatste onttrokken worden aan de agrarische sector. Alle ideeën moeten in samenspraak en overleg met de agrarische sector opgepakt worden, zodat er echt een plan is om natuurdoelen te halen en de sector en de natuur er beiden op vooruit kunnen gaan. 82 Zienswijze

Montfoort

De groenopgave is net als de andere opgaven voor de regio ambitieus en voorwaardelijk voor de groei van de regio. Het klopt dat veel van deze ambities net als ambities uit andere thema's nog niet financieel gedekt zijn. We benadrukken dat het gaat om een gezamenlijke ambitie van de regio waarbij de oplossingen ook moeten passen bij deze gezamenlijkheid. In het hoofdstuk uitvoeringsstrategie is dit in het IRP omschreven en in de vier fase wordt dit verder uitgewerkt. Daarbij wordt nauw samengewerkt met het programma 'groen groeit mee' van provincie, gemeentes en waterschappen.

Op basis van het onderzoek naar een regionale investeringsagenda (pagina 147) kan een gezamenlijke (financiële) strategie worden gemaakt. Als uit de onderzoeken naar de regionale investeringsagenda en het traject groen groeit mee blijkt dat de ambitie onhaalbaar is het IRP dan bij te stellen. 83 Zienswijze

Montfoort

•Woonmilieus zijn geen kader of aanwijzing, maar gemeenten kijken wat passend is (pag. 81). Wij zullen als gemeente bezien welke woonmilieus bij onze lokale behoefte passen. Ook in de landelijke gebieden kan door (economische) veranderingen verbreding van functies en dus van functiemenging sprake zijn.

De teksten van het IRP gaan uitbereid in op automobiliteit, maar hebben als uitgangspunt dat we de capaciteit van het wegennet niet willen vergroten. Optimalisaties rond nieuwe verstedelijkingslocaties of lokale knelpunten, horen wel tot de mogelijkheden en opties zijn weergegeven in de teksten voor mobiliteit in het IRP. In het landelijk gebied blijft de auto een zeer belangrijke rol spelen in het mobiliteitssysteem. De uitdaging voor landelijke gebieden draait om de ontwikkeling die maakt dat het steeds moeilijker (in tijd of in geld) zal worden om met de auto naar belangrijke bestemmingen in het stedelijk gebied te reizen. Omdat forenzen in het landelijk gebied wel de auto gebruiken ligt de uitdaging er in om plekken te creëren waar de mobilist van de auto op andere modaliteiten over kan stappen, bijvoorbeeld op zogenaamde multimodale hubs en tegelijkertijd op het behouden en waar mogelijk optimaliseren van bestaande OV-verbindingen. De ambitie van het bouwen van 430 woningen komt vanuit de Gemeente Montfoort zelf en dient inderdaad met name voor het bouwen voor de lokale behoefte, waarbij doorstroming een belangrijke lokale behoefte is. Het type woonmilieu waar lokaal behoefte aan is kan de gemeente het beste zelf uitwerken. De woningcorporaties zijn in derdaad belangrijke partners in de uitvoering van de woningbouwopgave, vooral waar het gaat om betaalbare woningen.

Zij zullen in de uitvoering een belangrijke rol spelen. De regionale koepelorganisatie van woningcorporaties is betrokken als stakeholder bij de totstandkoming van het IRP, maar net als andere stakeholders zijn ze in het IRP niet benoemd. Voor Montfoort geldt inderdaad dat woningbouw met name de lokale behoefte bedient. Wat daarvoor de beste woonmilieus zijn kunt u als gemeente zelf het beste bepalen. Dit staat in het IRP onder de thematische uitwerking ook zo omschreven.

•Het strekken van de OV-lijnen impliceert het laten vervallen van in onze situatie een aantal bushaltes, wij zien dat daardoor de bereikbaarheid van het OV verslechteren terwijl hier een kans ligt om de automobiliteit te verminderen.

Het strekken van OV lijnen kan er juist voor zorgen dat de OV-kwaliteit van kernen sterk verbetert. Mitigerende maatregelen om het vervallen van haltes op te vangen (kleine knooppunten creëren rond OV-haltes zodat reizigers makkelijk met de fiets kunnen komen) zijn dan een voorwaarde, maar ontwikkelingen in andere delen van de regio laten zien dat focus op reistijd van essentieel belang zijn voor het stimuleren van OV-gebruik.

3.Woningbouw, werklocaties en mobiliteit •Wij onderschrijven dat de eerste prioriteit in de regio ligt bij het versneld uitvoeren en realiseren van alle reeds harde plannen voor zowel woningbouw als werklocaties (pag. 149), maar hebben zorg over de ov-verbindingen (o.a. Montfoort-Utrecht) en over het gebrek aan aandacht in het IRP voor versterking van de weginfrastructuur.

Geen verwerking in IRP 84 Zienswijze

Montfoort

85 Zienswijze

Montfoort

86 Zienswijze

Montfoort

87 Zienswijze

Montfoort

•Wij interpreteren het IRP en het bouwen van 430 woningen (tot 2030) zodanig dat wij bouwen voor (boven) lokale behoefte en werken aan doorstroming voor de (boven) lokale behoefte.

•Een belangrijke stakeholder om de woningbouwopgave te realiseren zijn de woningbouwcorporaties. Wij zien de corporaties met uitzondering van pagina 93 (thema energie) nog niet vermeld in het concept IRP.

88 Zienswijze

Montfoort

•Veel inwoners van Montfoort en Linschoten zijn op de auto aangewezen om zich te kunnen verplaatsen voor hun werk of andere activiteiten. Wij achten het onrealistisch dat dit voor 2040 significant zal verminderen, ondanks inspanningen op het vlak van fiets, OV en deelmobiliteit. Het IRP moet hiervan rekenschap geven door niet uitsluitend aandacht voor OV en fiets te hebben maar ook voor automobiliteit, die overigens steeds duurzamer wordt. Ruimtelijk beleid moet bestaande - en verwachte groei van - automobiliteit ondersteunen en tegelijkertijd de alternatieven verbeteren. 89 Zienswijze

De Ontwikkeling van het Wiel met Spaken biedt enorme kansen om in te zetten op een mobiliteitstransitie voor nieuwe verstedelijkingslocaties én het bestaand stedelijk gebied. De teksten van het IRP gaan uitbereid in op automobiliteit, maar hebben als uitgangspunt dat we de capaciteit van het wegennet niet willen vergroten. Optimalisaties rond nieuwe verstedelijkingslocaties, horen wel tot de mogelijkheden en opties zijn weergegeven in de teksten voor mobiliteit in het ontwerp IRP. In het landelijk gebied blijft de auto een zeer belangrijke rol spelen in het mobiliteitssysteem; de afstanden zijn vaak te groot voor de fiets, de dichtheden zijn niet gescvhikt voor meer OV en de beschikbare ruimte is zodanig dat de auto ook voldoende plek heeft. De uitdaging voor landelijke gebieden draait om de onwtikkeling die maakt dat het steeds moeilijker (in tijd of in geld) zal worden om met de auto naar belangrijke bestemmingen in het stedelijk gebied te reizen. Omdat forenzen in het landelijk gebied wel de auto gebruiken ligt de uitdaging er in om plekken te creëren waar de mobilist van de auto op andere modaliteiten over kan stappen, bijvoorbeeld op zogenaamde multimodale hubs"

Montfoort

4. Energie / Klimaat •Het onderdeel energie is in het IRP (pag. 93 e.v.) nog onderbelicht, dit is logisch gezien de nog niet vastgestelde RES (Regionale Energie Strategie). De ambities uit het RES zullen wel moeten stroken (niet verzwaren) in het IRP. •In het IRP geeft u ten aanzien van energie aan dat U voor de aanvullende opgave na 2030 de volgende ontwikkelingen gaat bijhouden: - Mogelijke landelijke ontwikkelingen in de elektriciteitsproductie. - Mogelijke technieken voor duurzame opwek aanvullend op zon-op-dak, zonnevelden en windmolens. Wij geven U in overweging om dit (na 2030) breder te trekken, immers de markt voor duurzame energietechnieken is sterk in beweging. Voor de langere termijn (2050) kunnen nu nog onbewezen RES 1.0 is geintegreerd in het IRP. duurzame bronnen of energiedragers een belangrijke rol gaan spelen in onze energiehuishouding. Denk daarbij aan thorium, waterstof, waterkracht, biogas en warmtebronnen als (ultradiepe) geothermie, TEO (thermische energie uit oppervlaktewater), TEA (Thermische energie uit afvalwater) en TED (Thermische energie uit diepte). •In het perspectief 4 en 7 (pag.33 en 35) gaat U uit van 2040 terwijl gemeenten met het RAS (Regionale Adaptie Strategie) het jaartal 2050 hebben opgenomen. Het uitgangspunt 2040 lijkt ons (hoe ambitieus ook) te optimistisch en financieel niet haalbaar. 90 Zienswijze

Montfoort

91 Zienswijze

Montfoort

Afsluitend: Randvoorwaarde voor realisatie in de 4e fase is de houding van de Provincie Utrecht. Inlichtingen Wellicht heeft u nog vragen of wilt u aanvullende informatie. In dat geval kunt u contact opnemen met F.J. Henseler via 0348-476400 of info@montfoort.nl.

Voor het concept IRP was de RES 1.0 nog niet gereed. De RES 1.0 is nu geintegreerd in het IRP. Ten aanzien van technieken na 2030 bedoelen we inderdaad juist andere technieken dan zon-opdak, zonnevelden en windmolens. Voor de warmtebehoefte maken de meeste van de door u genoemde technieken overigens tot 2030 al deel uit van de verkenning van (boven) lokale warmtebronnen. De Provincie Utrecht is ambtelijk en bestuurlijk nauw betrokken geweest bij de totstandkoming van het IRP. De Provinciale Omgevingsvisie is het ruimtelijke kader van waaruit de Provincie Utrecht handelt. In het vervolgproces, waaronder het Regionaal Programmeren zal nauw samengewerkt worden met de Provincie Utrecht.

Reactiebrief Wilt u zo vriendelijk zijn bij een reactie op deze brief te verwijzen naar ons zaaknummer. Hoogachtend, DE RAAD VAN DE GEMEENTE MONTFOORT de griffier,de voorzitter,

92 Zienswijze

Nieuwegein

93 Zienswijze

Nieuwegein

94 Zienswijze

Nieuwegein

95 Zienswijze

Nieuwegein

drs. M. Lucassenmr. P.J. van Hartskamp-de Jong Geachte opgavetrekkers van het Ruimtelijk Economisch Programma, De raad van Nieuwegein heeft het Concept Integraal Ruimtelijk Perspectief (IRP) met veel belangstelling gelezen. De raad van Nieuwegein wil in het vervolgproces om te komen tot een definitief Integraal Ruimtelijk Perspectief, enkele onderwerpen onder de aandacht brengen waar deze het Nieuwegeinse belang raken. Met onderstaande punten maken wij onze zienswijze kenbaar. Van Contour naar Perspectief De hoofdlijnen van het IRP, de redeneerlijnen, de opgaven en de ruimtelijke vertaling daarvan zijn in basis een goede uitwerking van de Contour REP en het IRP geeft daarmee invulling aan belangrijke doelstellingen als vastgelegd in het beoordelingskader. Het is een spannend traject om met 16 gemeenten te komen tot gezamenlijke visievorming, waarin alle opgaven en ambities bij elkaar worden gebracht in een product dat voor alle gemeenten voldoende aansluit bij de eigen ambities en belangen. Geen enkele andere regio van deze omvang heeft een dergelijke gezamenlijke integrale ruimtelijke visie. Er is een zorgvuldig proces doorlopen waarin gemeenten oog hebben voor elkaars opgaven en belangen. Gemeenten delen ook de inzet op het voor elkaar krijgen van gezond leven in een stedelijke regio, met het landschap als belangrijke basis.

Vanuit dat perspectief zijn lokale belangen en ambities en regionale opgaven en afwegingen bij elkaar gebracht. We herkennen hierin de boodschappen die vanuit de moties van de Nieuwegeinse raad zijn meegegeven voor zover deze nu in het IRP zijn verwerkt. De meeste doelstellingen uit het vastgestelde beoordelingskader kunnen hiermee van een invulling worden voorzien, zoals de opgaven op het gebied van wonen en werken, landschap, gezondheid en mobiliteit. Zorgpunten zijn er nog wel, met name op de invulling van de energieopgave en de uitvoerbaarheid en financiering. Energie: De RES 1.0 is nu geintegreerd in het IRP. Energie Een integrale afweging voor energie, waarbij voldoende in beeld is hoe dit zich verhoudt tot andere functies, ontbreekt in het perspectief. Parallel aan het Integraal Ruimtelijk Perspectief wordt in regionaal verband gewerkt aan de Regionale Energie Strategie (RES). De uitwerking van de RES om tot zoeklocaties voor zon- en windenergie te komen wordt door de gemeenten gedaan in regionale afstemming. Bij de totstandkoming van het Integraal Ruimtelijk Perspectief waren de zoekgebieden voor zon- en windenergie nog niet bekend. In het IRP heeft daarom een integrale afweging van energie nog niet volwaardig plaatsgevonden, waardoor onvoldoende in beeld is hoe de energieopgave zich verhoudt tot andere opgaven.

Wij zouden graag zien dat in het IRP meer inzicht komt over hoe de zoekgebieden voor energie zich verhouden tot, of mogelijk conflicteren met andere functies, bijvoorbeeld zoekgebieden voor bedrijventerreinen en woningbouw. Tegelijkertijd vragen wij ook om de druk niet te hoog op te voeren. Tijd kan soms helpen om samen tot betere resultaten te komen.

Behoeft geen beantwoording

Behoeft geen beantwoording

Energie: Voor het concept IRP was de RES 1.0 nog niet gereed. De RES 1.0 is nu geintegreerd in het IRP.

Wat daarnaast nog onvoldoende in het IRP tot uitdrukking komt is dat het landschap rondom de stedelijke gebieden wel eens flink kan veranderen in een meer nadrukkelijker energielandschap om in de energiebehoefte van de stedelijke gebieden te voorzien. RES 1.0 is geintegreerd in het IRP.

Voor het concept IRP was de RES 1.0 nog niet gereed. De RES 1.0 is nu geintegreerd in het IRP.

Groen en Landschap Er is in het perspectief nog onvoldoende zicht op de financiering van groen en landschap en hoe in de regio landschapsontwikkeling met verstedelijking gelijk met elkaar op kunnen lopen. Het belang van groen en landschap wordt door de hele regio onderschreven. Een grote uitdaging is de schaalsprong die voor groen en landschap nodig is. Voor de stedelijke groei van de regio is de groei van het landschappelijke kwaliteit met het groene en blauwe netwerk voor natuur en recreatie randvoorwaardelijk. Een belangrijke opgave wordt om te borgen dat landschapsontwikkeling en verstedelijking gelijk met elkaar op kunnen lopen. De druk op de woningmarkt is hoog en daarmee ook de druk op bouwen. Een verkenning op de mogelijk in te zetten instrumenten om ook de groenambities te realiseren en een bijbehorende investeringsagenda is nodig.

De groenopgave is net als de andere opgaven voor de regio ambitieus en voorwaardelijk voor de groei van de regio. Het klopt dat veel van deze ambities, net als ambities uit andere thema's, nog niet financieel gedekt zijn. We benadrukken dat het gaat om een gezamenlijke ambitie van de regio waarbij de oplossingen ook moeten passen bij deze gezamenlijkheid. In het hoofdstuk uitvoeringsstrategie is dit in het IRP omschreven en in de vier fase wordt dit verder uitgewerkt. Daarbij wordt nauw samengewerkt met het programma 'groen groeit mee' van provincie, gemeentes en waterschappen. Het programma GGM heeft reeds de eerste resultaten opgeleverd en biedt zo o.a. een reeks van financieringsstrategien voor de landschappelijke opgaven.

96 Zienswijze

Nieuwegein

97 Zienswijze

Nieuwegein

98 Zienswijze

Nieuwegein

In verschillende zienswijzen wordt meer aandacht gevraagd voor ‘dwarsverbanden’ in het OV systeem die rechtstreekse verbindingen creëren tussen kernen, zoals de vaak genoemde OV-verbinding tussen Houten, Nieuwegein en IJsselstein. Voor het verwerken van OV-verbindingen in het IRP sluiten wij aan op het Toekomstbeeld OV. In die argumentatie spelen het De Ontwikkeling van het Wiel met Spaken biedt voor Nieuwegein enorme kansen om in te zetten (beperkte) budget voor OV-exploitatie in combinatie met het op een mobiliteitstransitie voor nieuwe verstedelijkingslocaties én het bestaand stedelijk gebied. afwegen van de vervoerswaarde van gewenste OV-lijnen een Voorwaarde is dat Nieuwegeinse wijken snellere OV-verbindingen met Utrecht centrum, stations grote rol. Bovendien is het van belang dat gewenste Utrecht CS Lunetten-Koningsweg en USP krijgen. verbeteringen aan relatief ‘dikke’ verbindingen als de OVDe hierboven beschreven schaalsprong OV is essentieel om in het stedelijk gebied en de randen verbinding tussen Houten, Nieuwegein en IJsselstein, hoewel op daarvan (bijvoorbeeld Papendorp en de A12 zone) ook een volgende stap in de mobiliteitstransitie korte termijn niet levensvatbaar, voor de langere termijn wel te zetten waarbij we autogebruik in de spits voor reizigers met een goed OV- of fietsalternatief op het lijstje blijven staan als mogelijke netwerkverbeteringen.

gaan ontmoedigen. Op die manier willen we als regio bewerkstelligen dat we de huidige capaciteit Tot slot geldt, zie het Regionaal Mobiliteitsprogramma, dat de van het (hoofd)wegennet ook in de toekomst toereikend is. Daartoe zullen we niet alleen in de Schaalsprong mobiliteit en vervoer regio inzet op verduurzaming van de mobiliteit door middel van regio het autogebruik aan moeten pakken maar ook de landelijke stromen, voor reizigers met een We onderschrijven de benoemde noodzaak in het perspectief van een benodigde schaalsprong van mobiliteit en vervoer in de regio en zetten ons daar gezamenlijk voor in richting het rijk. een zogenaamde mobiliteitstransitie; die transitie komt tot goed OV- of multimodaal alternatief. Het concept wiel met spaken is duidelijk herkenbaar opgenomen in het IRP en biedt kansen om de verstedelijkingsopgaven waar te maken. Dit past bij de ambities die Nieuwegein heeft opgenomen stilstand als de pot geld voor OV-exploitatie op termijn niet Daarom is sterk inzetten op generiek mobiliteitsbeleid incl beprijzen en parkeermaatregelen een in de omgevingsvisie en mobiliteitsvisie om de ov-verbindingen van en naar te versterken en versnellen. Deze schaalsprong OV is wel randvoorwaardelijk om de verstedelijkingsambities waar te groter wordt, want de gewenste extra OV-passagiers kosten belangrijke hoeksteen van de beleidslijn voor mobiliteit in het IRP.

De vraag over mogelijke kunnen maken en dit vergt een gezamenlijke lobby richting het Rijk. hoe dan ook geld. effecten maakt onderdeel uit van vervolgonderzoek U Ned. Vervoer over water Om bij te dragen aan de bereikbaarheid van de regio hebben we ook aandacht voor vervoer over water. In overleg met de regio zoeken we naar mogelijkheden en maken ons hier samen sterk voor richting U10/16 gemeenten, provincie en rijk. Vervoer over water is voor personenvervoer altijd duurder en langzamer dan vervoer ‘met wielen’ In december 2020 hebben wij de motie M232 Vervoer over water aangenomen. De ambitie uit deze motie om vervoer over water te bevorderen heeft daarna een tenzij er grote barrières worden geslecht en dat is in de Utrechtse regio niet het geval. Wel willen plek gekregen in de Mobiliteitsvisie van Nieuwegein die in het voorjaar van 2021 is vastgesteld: 'Alternatieven over water. Nieuwegein ligt aan het water; de Lek in we in de regio nog een grote sprong maken in het verder ontwikkelen van het regionale het zuiden en het Lekkanaal in het oosten (dat aansluit op het Amsterdam-Rijnkanaal). De oversteekbaarheid van het water is een blijvend aandachtspunt.

fietsnetwerk en daarvoor is het zeker noodzakelijk om op diverse plekken barrières te slechten; De openingstijden van bruggen en het pontje naar Vianen bekijken we in samenhang met alle belangen en we kijken naar de noodzaak van nieuwe wensen voor diverse fietsverbindingen over het Amsterdam-Rijn kanaal en de Lek worden reeds kruisingen over water. Tegelijkertijd biedt dit water in potentie een alternatief voor verplaatsing over de weg. In de regio Rotterdam is een goedwerkend genoemd in het IRP. Tot slot zien we, door toenemende congestie in binnenstedelijke gebieden, systeem van waterbussen en watertaxi’s opgezet en ook in Utrecht wordt gekeken naar mogelijkheden voor vervoer over water (waaronder goederenvervoer) De wel degelijk een toenemende trend in fijnmazig goederenvervoer over water. Zowel voor het directe waterwegverbinding met Utrecht, het feit dat Utrecht in haar mobiliteitsvisie aangeeft meer met vervoer over water te willen doen en de grote bevoorraden van binnenstedelijke winkels en horeca als voor het aan- en afvoeren van materialen pendel tussen Nieuwegein en Utrecht bieden op termijn wellicht kansen aan de oostkant van de stad.

In overleg met buurgemeenten zoeken we de voor binnenstedelijke bouwlocaties is steeds meer markt en dat zal op bedrijventerreinen aan het mogelijkheden uit en maken ons hier sterk voor richting Provincie.’ Wij vragen aandacht voor vervoer over water in het IRP zodat verder wordt bijgedragen aan Merwede- en Amsterdam-Rijn kanaal ook leiden tot een ruimtevraag vanuit de logistieke sector deze ambitie van Nieuwegein. waarmee we in het uitwerken van het IRP rekening moeten houden.

De A12 zone We ondersteunen de in het perspectief benoemde ontwikkeling van de A12 zone als grootste regionale ontwikkellocatie met gezond stedelijk leven als uitgangspunt, en vragen daarbij commitment en steun van de regiogemeenten. De A12 zone heeft potentie om een stedelijke ontwikkellocatie te worden en een grote bijdrage te leveren aan de opgave die de regio heeft op het gebied van wonen en werken. Wij zien dit ook als grote opgave voor onszelf en de regio. Om hier gezond stedelijk leven te realiseren moeten veel condities op orde worden gebracht, waaronder het terugdringen van milieuhinder van de A12, het versterken van ov- en fietsverbindingen en investeringen in landschap en recreatiemogelijkheden. Voor ons is dit randvoorwaardelijk om de A12 zone tot ontwikkeling te kunnen brengen. De GGD is voor ons een belangrijke adviespartner in de planvorming van de A12 zone. Voor het realiseren van de gebiedsontwikkeling zijn echter ook grote investeringen nodig die niet door de individuele gemeenten gedragen kunnen worden. Zonder zicht op middelen kunnen we nog geen volledig commitment geven op de realisatie daarvan. De raad van Nieuwegein zal naar aanleiding van het MIRT gebiedsonderzoek nader besluiten over mogelijke functies en inrichting van het Nieuwegeinse deel van de A12-zone. 99 Zienswijze

100 Zienswijze

De ontwikkeling van de A12 zone zal een integrale ontwikkeling zijn, waarbij investeringen voor mobiliteit, groen en leefbaarheid van groot belang zijn voordat er een kwalitatief hoogwaardig woon-werkmilieu kan worden gerealiseerd. In de projectgroep A12-zone, waarin de Gemeente Nieuwegein deelneemt zijn dit belangrijke uitgangspunten. Ook in de gebiedsuitwerking voor de A12-zone in het kader van het MIRT onderzoek Utrecht Nabij zijn deze uitgangspunten belangrijk. De middelen om deze gebiedsontwikkeling mogelijk te maken zijn nog niet in beeld, omdat de ontwikkeling nog in de fase van onderzoek zit. Naarmate de ontwikkeling van het gebied dichterbij komt zal ook duidelijker worden welke middelen er precies nodig zijn en hoe voor dekking gezorgd kan worden. De teksten van het IRP zijn zo opgesteld dat we onderzoek, in het kader van U Ned, mogelijk maken, maar daarmee stralen we niet uit dat we vinden dat deze weg een optie is in het lange termijn verstedelijkingsperspectief.

Nieuwegein

Nieuwegein

Regionale bypass Een regionale bypass, welke in het perspectief opgenomen staat als uiterste keuze, staat op gespannen voet met de kwaliteit van leven in Nieuwegein en de verstedelijken A12 zone. We vragen steun van de regio in het vervolgproces. Uit het MIRT onderzoek van U Ned blijkt dat de bereikbaarheid van de Utrechtse regio in 2030 onder druk staat, zowel door de autonome groei van mobiliteit als door de verstedelijking, en dat de voorziene verbreding van snelwegen hier onvoldoende oplossing voor biedt. De regio ziet als oplossingsrichting vooral het versterken van het OV-gebruik, en een regionale en lokale modal shift van auto naar meer fiets en OV (onder andere door mobiliteitsbeleid zoals gedragsbeïnvloeding). In het MIRT Gebiedsonderzoek A12 zone dat deze periode start wordt onderzocht of er aanvullende infrastructuur, zoals een regionale ontsluitingsweg door het gebied (ten zuiden van de A12, door Rijnenburg, Galecopperzoom, Liesbosch/Laagraven en Houten), nodig is. Het toevoegen van extra auto-infrastructuur leidt tot meer sluipverkeer door Nieuwegein heen en een toename van autogebruik, waardoor het realiseren van de regionaal en lokaal gewenste modal shift onder druk komt te staan.

Een dergelijke extra regionale ontsluitingsweg zou voor de A12 zone kunnen betekenen dat er een nog sterkere barrièrewerking in het gebied ontstaat dat reeds zeer gefragmenteerd is door vele infrastructurele doorkruisingen. Dit maakt het ontwikkelen van een fijn woon- en werkmilieu in de bestaande stad en de A12 zone moeilijker en beperkt de ontwikkelruimte (zowel fysieke ruimte als beperkingen door hindercontouren). Het is voor ons ondenkbaar om in deze tijd nieuwe extra auto-infrastructuur aan te leggen in bestaand en te ontwikkelen stedelijk gebied. Regionaal programmeren We werken gezamenlijk met de provincie toe naar programmeren om de integraliteit en snelheid te borgen. De volgende fase van het REP betreft het integraal regionaal programmeren. Hierin worden in deelgebieden of per opgave allianties gesloten en toegewerkt naar afspraken over onder meer ruimtelijke invulling van bovenlokale opgaven, fasering, financieringsvraagstukken en bijdrage aan de regionale opgaven. De provincie ziet op basis van de in maart 2021 vastgestelde provinciale omgevingsvisie het instrumentarium van regionaal programmeren als een nieuwe manier om flexibeler en adaptiever invulling te geven aan de ruimtelijke vraagstukken, te beginnen met wonen en werken.

Wanneer regio en provincie hierin goed kunnen samenwerken en in de programmering de vraagstukken integraal bekeken worden zien we goede kansen om hiermee zowel gemeentelijke als provinciale belangen te behartigen. Richting programmeren blijven we aandacht vragen voor leefbaarheid, klimaatadaptatie en klimaatbestendigheid en voor de kwantitatieve en kwalitatieve woningbouwontwikkeling, waarbij we speciale aandacht vragen voor de gelijkere in- en uitstroom van hoge en lage inkomens, met als doel dat de toevoeging in de diverse segmenten goed over de gemeenten wordt verdeeld. In het concept IRP is daarnaast te lezen dat Rijnenburg pas vanaf 2035 in beeld is als ontwikkellocatie voor woningbouw. We pleiten ervoor dat het IRP voldoende adaptief blijft om Rijnenburg indien nodig eerder dan 2035 te programmeren als ontwikkellocatie om op die manier in de regionale woningbouwbehoefte te voorzien.

Als regio wordt gekozen voor compacte verstedelijking georiënteerd op duurzame vormen van mobiliteit. Gezond leven in een stedelijke regio is het bovenliggende doel. Dit betekent dus dat de kwaliteit van leven in de regio randvoorwaardelijk is. Een regionale bypass voor autoverkeer past daar alleen bij als alle andere inzet op mobiliteit onvoldoende effect heeft. Indien de bypass toch noodzakelijk mocht blijken, dan blijft vanuit de regio de inzet dat de kwaliteit van leven randvoorwaardelijk is, wat betekent dat de inpassing van de bypass geen negatief effect op de omgeving mag hebben.

De aandachtspunten zullen worden meegenomen in de vervolgfase van het REP en het Regionaal Programmeren.

101 Zienswijze

Nieuwegein

Uitvoerbaarheid en haalbaarheid We vragen voor de volgende fase aandacht om te komen tot afspraken met diverse partners over de uitvoerbaarheid en haalbaarheid van verstedelijkingsopgaven, mobiliteitsmaatregelen en landschapsinvesteringen. Hoewel de ambities in het IRP goeddeels aansluiten bij de ambities uit de Nieuwegeinse omgevingsvisie is er nog relatief weinig zicht op uitvoerbaarheid, haalbaarheid en financiering. Het IRP is niet integraal doorgerekend, maar de verwachting is dat een dergelijke doorrekening een miljardentekort zal kennen. Binnenstedelijk bouwen met de daarbij beoogde kwaliteiten, zoals betaalbaarheid duurzaamheid, leidt vaak tot een publiek tekort en biedt daarmee weinig tot geen ruimte om bovenplanse kosten te financieren. Dit betekent niet dat de ambities losgelaten moeten worden, wel dat in de komende fase veel aandacht nodig is voor mogelijkheden om het gesprek te voeren met partners die een bijdrage kunnen leveren in de realisatie van de ambities, aandacht voor prioritering en fasering in de ambities en een sterke lobby. 102 Zienswijze

In IRP Hoofdstuk 4 is de uitvoeringsstrategie voor het IRP beschreven. Hier staat op hoofdlijnen de organisatie van het vervolg beschreven en de belangrijkste stappen waarin de verdere uitwerking vorm krijgt. Komende tijd wordt de de kwartiermakersfase de uitvoeringsstrategie verder uitgewerkt tot een Plan van Aanpak voor Fase 4. In het Plan van Aanpak wordt verder uitgewerkt hoe in de toekomst zal worden samengewerkt met stakeholders en ontwikkelpartners en hoe de gezamenlijke ambitie zal worden gebruikt voor het steviger op de kaart zetten van de regio en de bijbehorende lobby.

Nieuwegein

Tot slot Wij realiseren ons dat de totstandkoming van het IRP een majeure opgave is en constateren dat er met dit concept een stevige basis ligt, waarin nog wel witte vlekken zijn opgenomen. Het is van belang om in de regio tot goede afspraken te komen hoe we bij de invulling van deze witte vlekken vast blijven houden aan een integrale afweging van het ruimtelijk perspectief. Hoogachtend, De gemeenteraad van Nieuwegein

103 Zienswijze

Oudewater

Jan Karens - griffier. Frans Backhuijs - voorzitter Geachte heer Hoeve,

Behoeft geen beantwoording

Op 30 maart 2021 deelde u het concept Integraal Ruimtelijk Perspectief (IRP) met de colleges van de gemeenten van de U16. U deelde het concept IRP om gemeenteraden de mogelijkheid te bieden om een zienswijze op het document te geven. Via deze brief sturen wij u de zienswijze van de gemeenteraad van Oudewater. Informele consultatieronde colleges Voorafgaand aan het concept IRP heeft u het ontwerp IRP aan de colleges van de U16-gemeenten voorgelegd. Colleges kregen de mogelijkheid om via een informele consultatieronde een reactie te geven. De reactie van het college van Oudewater is als bijlage aan deze raadszienswijze toegevoegd. Wij verzoeken u om deze raadszienswijze in samenhang met de collegereactie te bezien. Beide reacties liggen namelijk in elkaars verlengde. Overigens zijn wij u erkentelijk voor de in het IRP gemaakte aanpassingen op basis van de collegereactie. Het standpunt over automobiliteit in de spits is genuanceerd, de directe financiële koppeling tussen groenontwikkeling en woningbouw losgelaten en de (potentiële) woningbouwlocatie Kerkwetering ingetekend. Daarnaast is Oudewater verbonden met het snelfietsroutenetwerk, heeft de Oude Hollandse Waterlinie een plek in het document gekregen en wordt Oudewater bij de Polderscheg genoemd. Kortom; veel van de aandachtspunten uit de collegereactie zijn in het concept IRP verwerkt. 104 Zienswijze

Wij hebben kennisgenomen van de zienswijze van de gemeente Oudewater op het concept Integraal Ruimtelijk Perspectief en bezien deze in samenhang met de collegereactie.

Oudewater

Status van het IRP Van nature bestaat er een spanningsveld tussen regionale samenwerking en democratische legitimiteit. Het IRP is een product van de U16. De U16 is geen bestuurslaag, maar een netwerksamenwerking. Het IRP heeft geen wettelijk juridische status zoals gemeentelijke omgevingsvisies en -plannen. Zowel de U16 als het IRP zijn voor hun waarde en legitimiteit afhankelijk van lokaal draagvlak en lokale besluitvorming. Vanuit deze realiteit is ervoor gekozen om het IRP van onderaf op te bouwen en te beschouwen als een adaptief document. Het IRP is hiermee een optelsom van lokale visies en de plek waar regionale afstemming plaatsvindt. Voortschrijdend inzicht, zowel op lokaal als regionaal niveau, kan leiden tot aanpassing van het IRP. Aan de andere kant vraagt belangenbehartiging richting Rijk en provincie wel om bepaalde mate van commitment op de inhoud. Gemeenten moeten elkaar als het ware vasthouden.

105 Zienswijze

106 Zienswijze

Het spanningsveld tussen regionale samenwerking en democratische legitimiteit is niet volledig weg te nemen. De keuzes die u maakt om de kracht van regionale samenwerking te benutten, zonder de lokale bestuurslaag tekort te doen, steunen wij. Wel vragen wij u om, zelfs na eventuele vaststelling van het IRP, als U16 zichtbaar te blijven zijn om zo het lokale draagvlak voor deze regionale samenwerking te behouden en te versterken. Enkel wanneer u hier voldoende aandacht aan besteedt, kan regionale samenwerking succesvol zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/429/documents/13417