CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel 'Integraal Ruimtelijk Perspectief (IRP) U16' - Bijlage 2 (Integraal Ruimtelijk Perspectief 2021 - 2040).pdf

Gemeenteraad 16 december 2021, gemeente OudewaterBij agendapunt: 9: Integraal Ruimtelijk Perspectief (IRP)29.866 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Regionale terreinen hebben een zodanige omvang en kavelgrootte dat ze niet concurrerend zijn met lokale terreinen. Nieuwe plannen stemmen we regionaal af en die afspraak leggen we vast in een regionaal uitgifteprotocol. We evalueren jaarlijks hoe breed en bindend die afstemming wordt. Aan regionale terreinen stellen we hoge ambities aan de integrale benadering van landschappelijke inpassing, mobiliteit en intensief ruimtegebruik. Daar waar de regionale bedrijventerreinen incidenteel geen oplossing zijn als vestigingsmogelijkheid voor grotere bedrijven (bijvoorbeeld door lokale binding en/ of bestaande investeringen en nabijheid) zoeken we op bovenlokaal niveau naar een geschikte oplossing om werkgelegenheid (en het bedrijf) te behouden. Indien mogelijk kan hierbij ook de samenhang worden gezocht met omliggende regio’s om tot een passende oplossing te komen. Winkelgebieden De hoofdwinkelstructuur U16 kent de volgende hiërarchie: • Binnenstad De binnenstad van Utrecht heeft de grootste reikwijdte in de U16, met een sterke bovenregionale/ landelijke aantrekkingskracht. Zij neemt daarmee een unieke positie in. • Regionale centra Deze winkelgebieden hebben een regionale aantrekkingskracht, hun reikwijdte overstijgt de gemeentegrenzen dus. Deze winkelgebieden zijn zeer divers in functioneren en ze hebben een omvang van circa 10.000 tot 45.000 m² benut winkelvloeroppervlak.

• Stadsdeelcentra Deze winkelgebieden bedienen de stadsdelen van de gemeente Utrecht en ze hebben naast het dagelijks aanbod een sterk profiel op mode- en vrijetijdswinkels. • Bovenlokale boodschappencentra Deze winkelgebieden zijn doorgaans de belangrijkste aankooplocaties binnen de kleinere gemeenten. Ze onderscheiden zich ten opzichte van kleinere dorpscentra en wijkcentra door hun functiemix: behalve winkels voor de dagelijks boodschappen bieden ze ook een beperkt recreatief winkelaanbod, horeca en maatschappelijke voorzieningen. De winkelgebieden hebben bovendien vaak een toeristisch profiel. De reikwijdte is bovenlokaal: ze overstijgen de stadskern waar ze liggen, soms zelfs de gemeente. De omvang varieert van circa 2.000 tot 10.000 m² benut winkelvloeroppervlak.

HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN

85

IJsselstein (beeld: UitinIJ).

•

Perifere concentraties Deze winkelgebieden richten zich op doelgerichte aankopen. Deze groep is zeer divers en omvat enkele winkelgebieden met een sterk regionale aantrekkingskracht zoals Woonboulevard Utrecht, Ravenswade en The Wall, maar ook winkelgebieden met een bovenlokale aantrekkingskracht zoals de Nijverheidsweg Maarsen en winkelcentrum De Maat (Houten). Voor deze groep winkelgebieden gelden branchebeperkingen om te zorgen dat ze het toekomstperspectief van reguliere winkelgebieden niet verstoren.

Uitgangspunten bij de hoofdwinkelstructuur U16 We stellen voor om de volgende uitgangspunten te hanteren bij de hoofdwinkelstructuur: 1. Inzet op een vitale, compacte winkelstructuur met naast winkels ook publieksgerichte functies als horeca, cultuur, sport en maatschappelijke functies. Concentratie van winkels in een beperkt aantal compacte gebieden is noodzakelijk. 2. Alle toekomstige winkelinitiatieven in de U16 dienen bij te dragen aan het versterken van de regionale hoofdwinkelstructuur. Toevoeging van dagelijkse winkelmeters buiten de hoofdwinkelstructuur is mogelijk bij forse woningbouw, ter versterking van de kwaliteit van het dagelijks aanbod en bij zeer kleinschalige lokale winkels. 3. Bij de afweging van winkelinitiatieven en eventuele uitbreidingsplannen houden we rekening met de positie en functie van winkelgebieden in de hiërarchie van de hoofdwinkelstructuur. Opschalen binnen de hoofdwinkelstructuur (bijvoorbeeld van lokaal boodschappencentrum naar regionaal centrum) is onwenselijk. Voor diverse winkelgebieden kan dit bijstelling van de ambitie vergen. 4. Solitaire winkelvestigingen zijn geen onderdeel van de regionale hoofdwinkelstructuur, met uitzondering van kleine winkels die van belang zijn voor de leefbaarheid van kleine kernen en het buitengebied, zoals landwinkels.

Onze inzet is erop gericht om deze solitaire winkelvestigingen te verleiden tot verhuizing naar winkelgebieden binnen de regionale hoofdwinkelstructuur en om bij leegstand de winkelbestemming te verwijderen (door transformatie).

Wij bepalen onze acties door winkelgebieden in te delen in: • Concentratiegebied Afgebakend thematisch of kern/hoofdwinkelgebied binnen de hoofdstructuur waar de sterkste winkelactiviteiten plaatsvinden en de toekomstpotentie het grootst is. Doel is het kwalitatief en kwantitatief versterken van deze gebieden. Nieuwe (innovatieve) uitbreidingsinitiatieven dienen te landen in deze gebieden. • Balansgebied Afgebakend winkelgebied binnen de hoofdwinkelstructuur waar sprake is van behoud van de huidige voorraad aan vierkante meters, al dan niet door middel van actieve sturing. Doel is het behouden van deze gebieden en kwalitatief versterken (niet in winkelmeters). Voor behoud van de winkelfunctie is de opgave doorgaans om het kernwinkelgebied compacter te maken. • Transitiegebied Een winkelgebied of locatie waar de winkelvoorraad mogelijk (grotendeels) wordt afgebouwd. Het kan gaan om actieve sturing of passieve sturing. Transitiegebieden kunnen onderdeel zijn van de hoofdwinkelstructuur, maar ook daarbuiten vallen. Uitwerking vervolgstrategie Met deze vervolgstrategie wordt zowel ingezet op goede afstemming van nieuwe initiatieven als het toekomstbestendig maken van bestaande winkelgebieden.

HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN

87

Zoekgebied zon Zoekzone zon Zoekzone zon - beperkt kansrijk Zoekgebied wind Zoekgebied wind en zon Gerealiseerde of vergunde windturbines Gerealiseerde of vergunde zonnevelden

Zoekgebieden duurzame energie 2040 (beeld: KuiperCompagnons).

88

HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN

THEMA 5 – ENERGIE In het Nationaal Klimaatakkoord (2019) is afgesproken de CO2-uitstoot in 2050 met 95% te hebben gereduceerd ten opzichte van 1990. Voor 2030 is 49% als tussendoel gesteld. Dit is ook vastgelegd in de Klimaatwet (2019). In het Klimaatakkoord zijn daarbij doelen gesteld en afspraken gemaakt over elektriciteit, (verwarming van) de gebouwde omgeving, industrie, landbouw en landgebruik, en mobiliteit. Wij nemen de landelijke doelstellingen als uitgangspunt. Natuurlijk kunnen gemeenten zelf aanvullende ambitieuzere doelstellingen vastleggen. Meerdere gemeenten hebben dit gedaan. Participatie is onontbeerlijk om bovenstaande doelen te halen. Niet alleen is het succes afhankelijk van heel veel individuele keuzes van inwoners en bedrijven over de verduurzaming van onder andere hun huis of bedrijf, ook wordt de transitie voor eenieder zichtbaar in de omgeving. Om de doelen te bereiken werken we samen met vele maatschappelijke partners. Van energiecoöperaties tot bedrijven die energiemaatregelen nemen, van huiseigenaren die hun woning isoleren tot woningcorporaties die gestaag hun hele woningvoorraad verduurzamen, van netbeheerder Stedin tot boeren die zonnepanelen op de daken van hun stallen leggen. Als U16-gemeenten werken we met de provincie Utrecht en de waterschappen in de Regionale Energiestrategie U16 (RES U16) samen aan de energietransitie.

De RES U16 is onderdeel van het Nationaal Programma en richt zich hoofdzakelijk op het realiseren van duurzame elektriciteitsopwekking en het verduurzamen van de gebouwde omgeving.

Onze strategie om aan deze doelen bij te dragen is: 1. Energie besparen. 2. Omschakelen naar duurzame technieken. 3. Benutten van duurzame energiebronnen in de regio. 1. Besparen De meest duurzame energie is energie die niet hoeft te worden opgewekt. Besparen is daarom een belangrijke pijler van de strategie, dat vereist isolatie van gebouwen, energiezuinigere productieprocessen en apparaten, en energiezuiniger vervoer. Energiebesparing komt dicht bij bewoners en bedrijven. Het ligt voor de hand dat gemeenten een belangrijke rol spelen richting bewoners en bedrijven. Bijvoorbeeld door ze kennis en ondersteuning aan te bieden via het regionale energieloket Jouw huis slimmer, door lokale acties op te zetten en door actief toezicht te houden op bedrijven. 2-3. Omschakelen naar duurzame technieken en daarbij benutten regionale duurzame energiebronnen Wanneer we spreken over energie dan hebben we het over elektriciteit en warmte. Het verwachte totale energieverbruik voor bijvoorbeeld het verwarmen van gebouwen, het gebruik van elektrische apparaten en mobiliteit in de U16 in 2050 is 27,4 TWh.Wanneer we maximaal isoleren en elektrificeren (denk aan elektrisch vervoer en verwarming van woningen met warmtepompen), dan kunnen we dat ruim halveren tot 13,5 TWh waarvan 10,8 TWh elektriciteit. Hieronder staat hoe we regionale energiebronnen willen benutten.

Ook al is de besluitvorming over de RES 1.0 nog niet afgerond, toch heeft ze al wel als bouwsteen gediend voor het thema Energie. Het Energiedeel van dit IRP is daarom opgesteld onder voorbehoud van besluitvorming over de RES 1.0 door de gemeenteraden. Lokale besluitvorming in aanvulling op, of afwijking van de RES verwerken we getrapt via de RES in het IRP. Lokale besluitvorming sinds de regionale oplevering van de RES 1.0 op 31 mei vindt u daarom nog niet in dit IRP terug.

HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN

89

Nieuwegein A27 (bron beeld: onbekend). 90

HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN

Zoekgebieden RES 1.0 voor duurzame opwekking De RES 1.0 bevat de onderbouwing voor 1,8 TWh duurzame elektriciteitsopwekking in 2030 en is als volgt opgebouwd:

De kaart geeft de gerealiseerde en ‘zekere’ projecten in de pijplijn (bouwblok 1) en de uitkomsten van de lokale zoekprocessen (bouwblok 3) weer. In de fase van het Regionaal Programmeren, die volgt op het IPR, geven we verder invulling aan de koppelingen met andere opgaven. Daarmee kan ook invulling worden gegeven aan een goede samenhang van lusten en lasten en wederkerigheid in de bestuurlijke verhoudingen.

HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN

91

Uitwerking lokale zoekprocessen Hieronder presenteren we de ambities per gemeente of subregio. Samen leveren die een ambitie op van 1,164 TWh, deze energie komt van circa 26 turbines en circa 800 hectare zonneveld. Dit is aanvullend op de 300 tot 500 hectare zon op dak. Bij de tabel vindt u een leeswijzer waarin we de ambities per gemeente duiden.

92

HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN

HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN

93

Ruimtevraag energie binnen zoekgebieden Op de kaarten op deze pagina worden de zoekgebieden en zoekzones voor de opwekking van duurzame energie verbeeld. Het gaat om de gebieden die in de RES d.d. 31 mei 2021 zijn benoemd. Besluitvorming over de RES en het IRP verloopt parallel. Het IRP zal op termijn indien nodig worden aangepast zodat het consistent is met de definitieve RES. De kaarten laten de zoekgebieden en zoekzones zien en de werkelijk benodigde ruimte binnen de zoekgebieden en zoekzones. Deze zijn namelijk aanzienlijk ruimer dan het gebied dat nodig is om de ambitie waar te maken. Dit is op twee manieren verbeeld: • Het grijze vierkantje geeft per gemeente een indicatie van de grootte van het benodigde gebied. • Het percentage geeft indicatief aan welk deel van het zoekgebied of de zoekzone werkelijk nodig is om de ambitie te realiseren. De zoekzones en zoekgebieden zijn binnen gemeenten op verschillende manieren tot stand gekomen: • Sommige gemeenten maken geen onderscheid tussen grootschalig zon-op-dak en zonnevelden. Een deel van de opgave in hectaren zonneveld kan ook op daken worden gerealiseerd. • In sommige gemeenten staat de verhouding tussen zon en wind niet vast. In die gevallen is de aanname overgenomen die hierover in de RES is gedaan. • De gemeenten Stichtse Vecht, De Bilt, Bunnik, Houten, Wijk bij Duurstede en Utrechtse Heuvelrug werken met zonnekaarten.

Op deze kaarten is de kansrijkheid of geschiktheid van gebieden voor het ontwikkelen van zonnevelden aangegeven in groen, oranje en rood. In deze gemeentes spreken we van zoekzones. • De Lopikerwaardgemeenten hebben een gezamenlijke ambitie van 0,26 TWh zonder onderverdeling per gemeente. Op de kaarten van deze gemeenten, aangegeven met een *, is daarom geen grijs blokje of percentage getoond.

*

*

Het grijze vierkantje geeft een indicatie van de grootte van het benodigde gebied

*

*Voor legenda zie de gemeentekaartjes op blz. 95.

94

HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN

Het grijze vierkantje geeft een indicatie van de grootte van het benodigde gebied

Het grijze vierkantje geeft een indicatie van de grootte van het benodigde gebied

Het grijze vierkantje geeft een indicatie van de grootte van het benodigde gebied

Het grijze vierkantje geeft een indicatie van de grootte van het benodigde gebied

Het grijze vierkantje geeft een indicatie van de grootte van het benodigde gebied

Het grijze vierkantje geeft een indicatie van de grootte van het benodigde gebied

689ha

*

*

Het grijze vierkantje geeft een indicatie van de grootte van het benodigde gebied

Het grijze vierkantje geeft een indicatie van de grootte van het benodigde gebied

Het grijze vierkantje geeft een indicatie van de grootte van het benodigde gebied

HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN

95

Aanvullende opgave na 2030 De RES-opgave stopt niet in 2030, de ontwikkeling naar duurzame opwekking én gebruik van duurzame warmtebronnen zal doorgaan. De verwachte elektriciteitsbehoefte in 2050 is 10,8 TWh (uitgaande van maximaal isoleren en elektrificeren). Er ligt dus nog een forse aanvullende opgave na 2030. Het is van belang daarmee ruimtelijk nu al rekening te houden. In de Ontwerp RES U16 is opgenomen dat voor de periode 2030-2040 onderzocht wordt hoe invulling gegeven kan worden aan nogmaals eenzelfde deel van de opgave. De uiteindelijke omvang van de aanvullende opgave tot 2040 en 2050 is nog niet te bepalen. Dat heeft een aantal redenen: • Er is landelijk een kwantitatief doel gesteld voor 2030, maar nog niet voor 2040 en 2050. • Een deel van de U16-gemeenten heeft vastgesteld eerder dan in 2050 klimaat- of energieneutraal te willen zijn. Dat kan leiden tot een opgave groter dan 1,8 TWh. • Het is nog niet duidelijk welke technieken we na 2030 kunnen toepassen. Voor de periode tot 2030 wordt gewerkt met bewezen technieken (zon-op-dak, zonnevelden en windturbines). Voor de periode na 2030 moet nog veel uitkristalliseren: • Hoe gaan we in de regio voorzien in de warmtevraag? Meer elektrificatie betekent meer elektriciteitsbehoefte.

• Hoe ontwikkelt (duurzame) mobiliteit zich? Er zal sowieso geëlektrificeerd worden, maar in hoeverre gaat waterstof (van buiten de regio) een rol vervullen? • Mogelijke landelijke ontwikkelingen in de elektriciteitsproductie. • Mogelijke technieken voor duurzame opwekking aanvullend op zon-op-dak, zonnevelden en windturbines. Duurzame warmte Ook voor onze warmtebehoefte gaan we gebruikmaken van duurzame bronnen. In de U16 zijn hiervoor de eerste stappen gezet. Alle gemeenten leggen in 2021 in hun Transitievisies Warmte (TVW) vast welke warmteoplossingen in welke wijk/buurt/gebied het meest voor de hand liggen, hoe zij dit willen gaan doen en in welk tempo. Regionaal werken we samen waar nodig en gewenst. In de warmteparagraaf van de RES, de Regionale Structuur Warmte (RSW), staan afspraken over hoe we de ontwikkeling en het gebruik van bovengemeentelijke warmtebronnen afstemmen.

96

We hebben ten behoeve van de TVW’s en de RSW onderzoek gedaan naar de potentiële warmtebronnen en de warmtevraag in de regio U16. Op deze manier is veel informatie beschikbaar gekomen over warmtebronnen die zich in de regio bevinden. We maken een onderscheid tussen warmtebronnen die beter lokaal ingezet kunnen worden en warmtebronnen die een bovengemeentelijke potentie hebben. De bronnen met bovengemeentelijke potentie zijn de bronnen waarover regionale afstemming nodig is. De U16 regio kent weinig bovengemeentelijke warmtebronnen. Alleen geothermie en nieuwe biowarmtebronnen hebben mogelijk potentie als regionale bron. Ook is gekeken op welke warmtethema’s regionale samenwerking wenselijk is. Daarbij gaat het om onderwerpen waarmee meerdere gemeenten bij de warmtetransitie te maken krijgen, zoals het isoleren van woningen of het opstellen van een businesscase voor een lokale warmtebron. Ook bedrijven maken de omschakeling naar andere warmtebronnen. Waar warmte wordt gebruikt voor het productieproces, is het aardgasvrij maken van bedrijventerreinen een uitdaging gezien de beperkte beschikbaarheid van hoge-temperatuurwarmte in de regio. Bij het intensiveren of uitbreiden van bedrijventerreinen moet de (toekomstige) warmtevraag onderdeel zijn van de plannen.

Ruimte voor energie-infrastructuur Elektriciteitsinfrastructuur Duurzame opwekking moet worden aangesloten op het elektriciteitsnetwerk. Dit vergt een verzwaring van het bestaande netwerk en fysieke ruimte voor tracés en stations. Uitbreiding van de energie-infrastructuur vraagt om langjarige voorbereiding en brengt grote investeringen met zich mee. Dit is een belangrijk reden om nu al planmatig samen te werken en de verschillende opgaven te clusteren. Zo kunnen we gebruikmaken van hogere netvlakken, tot aan het hoogspanningsnet van TenneT aan toe. De stroomproductie wordt afhankelijker van het weer. Dat vraagt om een flexibel energiesysteem om vraag en aanbod op elkaar af te stemmen. Dat kan met bijvoorbeeld opslag, back-up-productie, omzetting van stroom in waterstof of warmte, en koppeling met het buitenland (import en export van duurzaam opgewekte elektriciteit). Dit alles vraagt ruimte.

HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN

Warmte-infrastructuur

Mobiliteit

Vanuit de Transitievisies Warmte zal duidelijk worden aan welke warmte-oplossingen in welke wijken/buurten/ gebieden gewerkt gaat worden. De ruimtelijke impact hangt daarmee samen. Het gaat hoofdzakelijk om ruimte voor energie-infrastructuur. Denk daarbij aan de plaatsing van regelstations in wijken, warmteleidingen en opwekinstallaties (in wijken of daarbuiten). Dit vraagt aandacht in de ondergrond, die met name op verstedelijkingsknooppunten en in oude binnensteden toch al behoorlijk vol is.

De CO2-uitstoot van mobiliteit zal tot 2040 sterk worden gereduceerd. Vanaf 2030 zijn er bijvoorbeeld geen nieuwe benzine- en dieselauto’s meer te koop. Dat leidt tot een aanvullende elektriciteitsvraag waarvoor verzwaring van het bestaande netwerk nodig is. In 2030 moeten er 1,8 miljoen laadpalen in Nederland staan. Door laadinfrastructuur en duurzame energie op elkaar af te stemmen, kan efficiënter gebruik worden gemaakt van het elektriciteitsnetwerk.

Wanneer in de regio veel wordt gekozen voor allelectric-oplossingen als warmtepompen, dan neemt de elektriciteitsbehoefte sterk toe. Dit vraagt om netverzwaring en aanzienlijk meer grootschalige opwekking van duurzame elektriciteit. Infrastructuur voor opslag Welke vormen van opslag nodig en mogelijk zijn, is nog sterk in ontwikkeling. Het gaat daarbij om zowel korte- als lange-termijnopslag (seizoensopslag). Er zijn verschillende mogelijkheden van opslag: batterijen, opslag van energie in waterstof, opslag van zonnewarmte, thermische energieopslag. Samenhang met de andere thema’s Energie gaat meer ruimte vragen en wordt zichtbaarder in de stad en in het landschap. De nationale doelstellingen voor de CO2-reductie werken door in alle thema’s. Landschap en groen Elektriciteitsopwekking vraagt ruimte. Windmolens en zonnevelden hebben ontegenzeggelijk impact op het landschap en de ruimtelijke kwaliteit. Het vraagt aandacht om de impact te beperken en ingrepen goede inpassing. Er liggen ook kansen om de energieopgave te koppelen aan de landschappelijke opgave . Mogelijk kan de energieopgave een aanleiding en/of een financiële drager zijn voor landschapsontwikkeling, natuurontwikkeling en landbouwtransitie. In het Klimaatakkoord is speciaal aandacht voor de emissie van broeikasgassen uit veenweidegebieden.

Dit biedt kansen tot ontwikkeling, bijvoorbeeld verhoging van het waterpeil in combinatie met het plaatsen van zonnevelden of windturbines. In 2050 moeten de landbouw en het landgebruik klimaatneutraal zijn. Een ingewikkelde uitdaging, daar een deel van de uitstoot van broeikasgas niet te vermijden is: koeien produceren methaan en uit kunstmest komt lachgas vrij, beide broeikasgassen. Anderzijds legt de sector ook CO2 vast: in de bomen, de bodem en het gras.

Ook moet er rekening worden gehouden met piekbelasting als iedereen tegelijk gaat opladen. Tijdelijke opslag en zelfs teruglevering (vehicle to grid) helpt om het elektriciteitsnet in balans te houden. Wonen Gezond leven in een stedelijke regio vraagt om een duurzame woningvoorraad, duurzame elektriciteitsopwekking en duurzame warmtebronnen die bijdragen aan een gezonde leefomgeving. Om de energiebehoefte te beperken is het logisch om principes te ontwikkelen die de impact van verstedelijking op de energievraag zo klein mogelijk maken. Verstedelijkingslocaties zullen hun bijdrage moeten leveren aan de opwekking van duurzame energie. Nieuwe wijken en bedrijventerreinen kunnen energieneutraal of -positief zijn. De grootste opgave is het verduurzamen van de bestaande woningvoorraad. Gemeenten maken hiervoor zelf een Transitievisie Warmte en werken regionaal samen in de RES. Werken Ook bedrijven en industrie leveren een belangrijke bijdrage aan CO2-reductie. Een koppeling van opgaven is daarbij kansrijk. Bijvoorbeeld de koppeling tussen verdichting van bedrijventerreinen en energieopwekking en tussen circulaire landbouw en energieopwekking. Verder zijn marktpartijen nodig om de energietransitie vorm te geven. Bijvoorbeeld voor het isoleren van woningen en het aanleggen van warmtenetten en zonnepanelen. Dit biedt de komende decennia kansen voor bedrijven uit de regio.

En tegelijkertijd vraagt het om meer geschoold personeel. In 2050 is de industrie circulair en stoot ze vrijwel geen broeikasgas meer uit. De fabrieken draaien op duurzame elektriciteit uit zon en wind of energie uit aardwarmte, waterstof en biogas. De grondstoffen komen uit biomassa, reststromen en -gassen. De restwarmte gebruikt de industrie zelf, of ze levert die aan de tuinbouw of gebouwen en woningen. De industrie is dan naast gebruiker van energie, ook producent en buffer van energie.

HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN

97

98

HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN

2.4

TOEKOMST OP DE KAART - KEUZES VERTAALD NAAR EEN INTEGRALE PERSPECTIEFKAART 2040

Bestaande situatie Regio Utrecht 2020

100

Perspectiefkaart Regio Utrecht in 2040

102

Projectie zoekgebieden voor duurzame energie op Perspectiefkaart Regio Utrecht in 2040

104

HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN

99

Bestaande situatie Regio Utrecht 2020 (beeld: KuiperCompagno

Groenblauwe verbindingen Groene scheggen Landbouw Bosgebied / Utrechtse Heuvelrug Huidige steden Weg Fietsroute Spoor met treinstation 100

Tramlijn

HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/429/documents/13416