Raadsvoorstel 'Integraal Ruimtelijk Perspectief (IRP) U16' - Bijlage 2 (Integraal Ruimtelijk Perspectief 2021 - 2040).pdf
Tekst van het document
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
We gaan daarom programmeren in stedelijke en functionele terreinen (of werkmilieus), waarbij binnen functionele terreinen kleinschalige tot middelgrote locaties en grootschalige locaties worden onderscheiden (bron: Stec Groep, 2020). Per segment maken we hierin de volgende keuzes: • De vraag (ca. 30 hectare) naar nieuwe XXL-logistieke bedrijvigheid en grootschalige, extensieve bedrijvigheid met ondergemiddelde arbeidsintensiteit legt een te grote druk op ons mobiliteitssysteemen draagt onvoldoende bij aan onze werkgelegenheidsambities. De beschikbare ruimte voor bedrijvigheid wenden we liever aan voor lokale en regionale spelers die van specifieke regionale toegevoegde waarde zijn. Voor meer kleinschalige en stedelijk georiënteerde stadsdistributie kan wel ruimte worden gecreëerd. • De behoefte aan functioneel grootschalige werkmilieus (circa 60 ha) accommoderen we door nieuwe regionale terreinen te realiseren op de best mogelijke plekken voor functioneel grootschalige bedrijvigheid (kavelomvang gemiddeld vanaf ca 2 ha tot circa 5 ha indicatief en voor verdere uitwerking). Deze locaties bieden daarmee ruimte voor bedrijven die vanwege functionaliteit (o.a. beschikbare ruimte, kavelomvang, ontsluiting) en milieuhindercategorie op bedrijventerreinen gevestigd moeten worden en minder goed te mengen zijn. Hierbij gaat het bijvoorbeeld ook om circulaire bedrijven.
Daar waar de regionale bedrijventerreinen incidenteel geen oplossing zijn als vestigingsmogelijkheid voor grotere bedrijven (bijvoorbeeld door lokale binding en/of bestaande investeringen en nabijheid) zoeken we op bovenlokaal niveau naar een geschikte oplossing om werkgelegenheid (en het bedrijf) te behouden. Hierover kunnen in de regionale programmering wonen en werken van de provincie Utrecht, die jaarlijks wordt geactualiseerd, concrete afspraken worden gemaakt, passend binnen de behoefte. Voor deze uitzonderingsgevallen kunnen in het uitgifteprotocol ook regels worden opgenomen. • De behoefte aan functioneel kleinschalige en middelgrote werkmilieus (circa 60 hectare) accommoderen we door (kleinschalige) uitbreidingen van lokale terreinen. Deels wordt in die uitbreidingen voor de periode tot 2030 al voorzien door terreinen die door de provincie Utrecht geborgd zijn. Jaarlijks evalueren en monitoren we de regionale programmering wonen en werken samen met de provincie Utrecht, zodat ook langjarig voldoende (boven)lokale uitbreidingsruimte geborgd is.
•
De behoefte aan stedelijke werkmilieus (circa 60 hectare) accommoderen we via uitbreidingen en een mix van mengen en intensiveren op terreinen in of dicht tegen de stad Utrecht aan. Maar ook in andere regiogemeenten hebben we op lokaal niveau, daar waar dat passend is, ruimte voor bedrijfsruimte in de wijk.
Zoeklocaties functioneel grootschalige terreinen Voor de opgave van de functionele grootschalige terreinen zijn zoeklocaties benoemd langs de belangrijkste vervoersassen van de regio (A2 en A12), in zones die tevens redelijk tot goed met het ov ontsloten zijn en waar ruimtelijke opgaven te combineren zijn. We zoeken langs de A12 en de A2 omdat ze voor personeel en toeleveranciers op korte afstand van de woongebieden moeten liggen en de reisafstanden zo beperkt blijven. Op deze terreinen is vooral ruimte voor grote bedrijven met een sterke regionale binding. Voor de functioneel grootschalige terreinen zijn verschillende locaties in studie, waarvan een aantal op relatief korte termijn beschikbaar gemaakt kan worden (voor 2030) en een aantal andere locaties wat verder weg liggen in de tijd. Deze locaties liggen op enige afstand van een aantal regiopoorten (zie redeneerlijn 5). Op deze goed bereikbare locaties wordt op termijn gestreefd naar meervoudig ruimtegebruik en worden meekoppelkansen optimaal benut. Daarbij zijn combinaties met landschapsontwikkeling, energieopwekking, infrastructuur en mogelijk ook wonen denkbaar.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
61
Rijnvliet Utrecht (beeld: Triple Solar). 62
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
REDENEERLIJN 8 – DUURZAME ENERGIE IS EEN GEZAMENLIJKE OPGAVE In het Nationaal Klimaatakkoord (2019) is afgesproken de CO2-uitstoot in 2050 met 95% te hebben gereduceerd ten opzichte van 1990. Voor 2030 is 49% als tussendoel gesteld. De belangrijke doelstellingen zijn: • In 2030 komt 70% van alle elektriciteit uit hernieuwbare bronnen. Dat gebeurt met windturbines op zee en op land en met zonnepanelen op daken en in zonneparken. • In 2030 35 TWh duurzame elektriciteitsopwekking op land, 49 TWh op zee. • In 2050 zijn 7 miljoen woningen en 1 miljoen gebouwen van het aardgas af. Als tussenstap zijn in 2030 1,5 miljoen bestaande woningen verduurzaamd. • In 2050 zijn landbouw en landgebruik klimaatneutraal. • Al voor 2030 zijn personenauto’s en ov zonder uitstoot normaal. Vanaf 2030 zijn nieuw alleen nog elektrische personenauto’s te koop. Naast batterij-elektrische personenauto’s rijden er dan ook voertuigen op waterstof of zonnecellen. In de uitvraag voor de nieuwe ov-concessie (vanaf 2025) is elektrisch ov als één van de doelstellingen opgenomen. • De laadinfrastructuur groeit mee: in 2030 zijn er in heel Nederland 1,8 miljoen laadpalen beschikbaar. De uitwerking van het Nationale Klimaatakkoord voor duurzame elektriciteitsopwekking vindt regionaal plaats door gemeenten, waterschappen en provincie.
In 2018 zijn hiertoe dertig regio’s geformeerd, die ieder een doelstelling voor duurzame energie-opwekking formuleren, passend in de net-infrastructuur, maatschappelijk gedragen en ingebed in zoekgebieden met oog voor ruimtelijke inpassing, koppelkansen en kwaliteit. Als U16-gemeenten werken we met provincie Utrecht en de waterschappen in de Regionale Energiestrategie U16 (RES) samen aan de energietransitie. De RES richt zich hoofdzakelijk op het realiseren van duurzame elektriciteitsopwekking en het verduurzamen van de gebouwde omgeving. De plannen van de RES U16 worden landelijk beoordeeld op kwantiteit, ruimtelijke kwaliteit, net-efficiëntie en maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak. De RES U16 heeft in oktober 2019 uitgangspunten vastgesteld en beschikt sinds oktober 2020 over een bestuurlijk vastgestelde Ontwerp RES. In het derde kwartaal van 2021 vindt in alle gemeenteraden besluitvorming over de RES 1.0 plaats.
Onze strategie om aan deze doelen bij te dragen: 1. Energie besparen. 2. Omschakelen naar duurzame technieken. 3. Benutten van duurzame energiebronnen in de regio. Elektriciteit Als uitwerking van de landelijke doelstelling en in afstemming op onze eigen elektriciteitsbehoefte is onze ambitie in 2030 1,8 TWh duurzame energie op te wekken met zon-op-dak, zonnevelden en windturbines. Dat is 1/6 van de verwachte elektriciteitsbehoefte in 2050. Daar maken we ruimte voor. Ook na 2030 is er een substantiële opgave. Energie gaat meer ruimte vragen en het wordt zichtbaarder in de stad en in het landschap. De nationale doelstellingen voor CO2reductie werken door in alle opgaven. Bij het bepalen van locaties voor elektriciteitsopwekking zijn de leidende principes: 1. Maximaal inzetten op zon-op-dak, daarmee kan de opgave gedeeltelijk worden gerealiseerd. 2. Er is potentieel voor windturbines: a. vooral langs infrastructuur. b. bij bedrijventerreinen. c. in agrarische gebied en in combinatie met de groene scheggen. In alle gevallen met nadrukkelijke aandacht voor impact op ruimtelijke kwaliteit. 3. Vanuit net-efficiëntie en maatschappelijke kosten is clustering van elektriciteitsopwekking wenselijk. 4. Vanuit net-efficiëntie en maatschappelijke kosten is de juiste mix van zonnevelden en windturbines van belang.
De noodzakelijke elektriciteitsnetinfrastructuur voor windturbines is goedkoper dan voor zonnevelden (dat scheelt een factor 3). Daarnaast zijn tot 2030 op de hogere netvlakken (hoogspannings- en tussenspanningsstations) meer aansluitmogelijkheden dan op de lagere netvlakken (middenspanningsstations). Op de hogere netvlakken kunnen grotere projecten worden aangesloten. Kleinere projecten kunnen slechts geclusterd worden aangesloten. 5. Voor zonnevelden ligt de focus op meervoudig ruimtegebruik. 6. Wij streven naar een goede samenhang van lusten en lasten met: 50 procent lokaal eigenaarschap en wederkerigheid in de interbestuurlijke verhoudingen. De RES 1.0 bevat de onderbouwing voor 1,8 TWh duurzame elektriciteitsopwek in 2030 en is opgebouwd uit vier bouwblokken: gerealiseerde opwek en pijplijnstatus ‘zeker’, zon op dak, lokale zoekprocessen en continue samenwerking en ontwikkeling.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
63
Warmteleidingen (beeld: RES 1.0). 64
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
Warmte De ruimtelijke impact van de warmtetransitie hangt nauw samen met welke duurzame warmteoplossing in welke straat of wijk wordt gekozen. Het gaat hoofdzakelijk om ruimte voor energie-infrastructuur. Denk daarbij aan de plaatsing van regelstations in wijken, warmteleidingen, opwekinstallaties (in wijken of daarbuiten) en (thermische) opslag. De grootste opgave is het verduurzamen van de bestaande woningvoorraad. In de helft van de warmtevraag in onze regio kan – na isolatie van gebouwen – worden voorzien met midden-temperatuurwarmte (50 tot 70°C). Circa een kwart kan van lage-temperatuurwarmte komen (minder dan 50°C) en het laatste kwart heeft in 2050 nog steeds behoefte aan hoge-temperatuurwarmte (meer dan 70°C). De verdeling hangt sterk af van de mate waarin isolatie wordt gerealiseerd. Het is daarom van groot belang om in te zetten op energiebesparing door het toepassen van isolerende maatregelen bij de bestaande bebouwing. De overstap naar duurzame warmte lijkt met name plaats te gaan vinden op lokaal niveau. Uit onderzoek blijkt dat duurzame warmtebronnen in de U16 regio vooral lokaal worden ingezet. De U16 regio kent daarmee weinig bovengemeentelijke warmtebronnen. Alleen geothermie en nieuwe bio-warmtebronnen hebben mogelijk potentie als regionale bron.
Overige warmtebronnen zijn te klein of van te lage temperatuur om efficiënt over grotere afstanden te kunnen transporteren. Om de warmtebehoefte te beperken is het logisch om principes te ontwikkelen die de impact van verstedelijking op de energievraag zo klein mogelijk maken. Verstedelijkingslocaties zullen hun bijdrage moeten leveren aan de opwekking van hun eigen duurzame energie. Nieuwe wijken en bedrijventerreinen kunnen energieneutraal of -positief zijn.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
65
Groene Scheggen Landbouw Bosgebied / Utrechtse Heuvelrug Groenblauwe verbindingen
Groenblauwe netwerken 2040 (beeld: KuiperCompagnons).
2.3
WAT WE NOG MEER AFSPREKEN VERDIEPENDE AFSPRAKEN VOOR VIJF THEMA’S
Aanvullend op de redeneerlijnen is voor een vijftal thema’s inhoudelijke verdieping nodig om de keuzes te onderbouwen en de stap van opgave naar redeneerlijn te verduidelijken. De vijf thema’s komen overeen met de vijf Pijlers die al eerder zijn verkend in de Contour REP en die in een aantal Pijlerrapporten en onderzoeken verder zijn verdiept. De vijf thema’s zijn: 1. Landschap, water en groen 2. Mobiliteit 3. Wonen (woonmilieus en kwalitatieve woningbehoefte) 4. Werkmilieus 5. Energie
THEMA 1 – LANDSCHAP, WATER EN GROEN Het Pijlerraport Groen en Landschap geeft invulling aan de kwantitatieve en kwalitatieve invulling van de groene en landschappelijke opgave. Deze opgave is ruimtelijk vertaald in een opgavekaart en in een aantal algemene en zeven gebiedsgerichte opgaven. De gebiedsgerichte benadering biedt aangrijpingspunten voor gemeenten, provincie en andere belanghebbenden om samen te werken aan concrete opgaven in samenhang met opgaven voor verstedelijking, mobiliteit en/of energie. De zeven gebiedsopgaven zijn: 1. Blauwe Krans van de Stelling van Amsterdam 2. Polderscheg Lange Linschoten – Woerden – Breukelen 3. Hollandse IJsselscheg – Rijnenburg – A12-zone 4. Waterliniescheg 5. Groene zoom Vijfheerenlanden 6. Groenblauw raamwerk Heuvelrug – Lek 7. Agrarisch groenblauw netwerk In alle gevallen met nadrukkelijke aandacht voor impact op ruimtelijke kwaliteit. Alvorens de 7 gebiedsopgaven uit te werken wordt ingegaan op twee generieke opgaven. Water en klimaat in verstedelijking Water- en klimaatadaptiviteit spelen in alle groen- en landschapsopgaven een belangrijke rol. Het gaat om waterveiligheid, waterkwaliteit en waterhuishouding.
De drie waterschappen die in de regio actief zijn (Waterschap Amstel, Gooi en Vecht, Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden en Waterschap Rivierenland) hebben in de groen- en landschapsopgave een belangrijke bijdrage geleverd.
Waterbeheer en klimaatadaptatie maken daarnaast ook deel uit van de verstedelijkingsopgave. Een deel van de regio is kwetsbaar als het gaat om de waterhuishouding. Zo watert een groot deel van de regio af op het AmsterdamRijnkanaal, dat slechts beperkte capaciteit heeft voor het bufferen van water. Om te zorgen dat de piekbelasting van het systeem niet groter wordt, moet water dus zo lang mogelijk worden vastgehouden. Dit betekent dat klimaatadaptief en waterinclusief bouwen een voorwaarde is voor de stedelijke ontwikkeling van de regio. Perspectief agrarische sector De landbouwgebieden zijn onderdeel van de Utrechtse Trots. De landbouw heeft een groot deel van het gebied in gebruik en is naast producent van voedsel ook beheerder van het landschap. Maar decennia van intensivering hebben hun sporen in het landschap nagelaten. In de U16 blijft ook in de toekomst ruimte voor de landbouw als voedselproducent en landschapsbeheerder. Om de rol voor de landbouw in de toekomst te borgen, is echter wel een transitie nodig om de balans te herstellen tussen landschap, natuur, bodem en (nieuwe) verdienmodellen. Daarin onderscheidt de regio zich niet van andere delen van Nederland en daarom wordt het transitiebeleid van de Rijksoverheid gevolgd.
Nieuwe verdienmodellen voor de landbouw weten de verbinding te leggen tussen thema’s als natuur (waaronder stikstof), bodemkwaliteit, energieopwekking, bodemdaling (inclusief CO2-uitstoot), biodiversiteit en recreatie. Korteketenlandbouw kan daarbij zorgen voor bewustere relatie met ons voedsel. Natuurinclusieve landbouw levert een essentiële bijdrage aan het behouden van bestaande natuurwaarden en het vergroten van de natuurwaarden en de biodiversiteit. Het College van Rijksadviseurs noemt dit een transitie naar een landschapsinclusieve landbouw. ‘Sluit een New Deal tussen boer en maatschappij. Boeren ontvangen dan een eerlijk inkomen voor het produceren van gezond voedsel en een aantrekkelijk, toegankelijk, biodivers landschap, waarbij het zorgen voor schoon water, schone lucht en een vitale bodem vanzelfsprekende randvoorwaarden zijn. We noemen zo’n landbouw ‘landschapsinclusief’. Landschapsinclusieve landbouw is een intelligente, 21e-eeuwse vorm van landbouw, waarbij de productie van voedsel bijdraagt aan een aantrekkelijk, rijk, biodivers en toegankelijk landschap, waarin aandacht is voor erfgoed, schoonheid en voor de mensen die er in wonen, leven en werken. Landschapsinclusieve landbouw gaat uit van natuurlijke processen en een gezonde bodem. Kringlopen worden zo veel mogelijk op regionale
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
67
schaal gesloten. In een landschapsinclusieve landbouw zien we de landschappelijke diversiteit van Nederland terug in het voedselproductiesysteem en omgekeerd. Landschapsinclusieve landbouw is een verbreding van het begrip natuurinclusieve landbouw’. (New Deal tussen boer en maatschappij, juni 2020)
1. Blauwe Krans van de Stelling van Amsterdam
Landbouwtransitie is nadrukkelijk een onderdeel van de integrale opgave voor vrijwel alle deelgebieden in dit IRP. Maar er zijn vragen en dilemma’s waarop het IRP niet meteen een antwoord heeft. Bijvoorbeeld: is het remmen van bodemdaling te combineren met een rendabele bedrijfsvoering? Hoe ziet kringlooplandbouw en natuurinclusieve landbouw er in elk deelgebied uit, en welk verdienmodel is het meest kansrijk? Maar vooral: waar komen de financiële middelen vandaan om de tijd te overbruggen die de transitie van de huidige naar de nieuwe verdienmodellen vergt?
In dit gebied, dat de schakel vormt tussen U16 en de Amsterdamse Amstelscheg, neemt de recreatieve druk flink toe. De gebiedsopgave omvat een doorgaande fiets- en wandelroute langs het Unesco-erfgoed die wordt versterkt met groen en water zoals de Vecht en de Kromme Mijdrecht. Zo wordt gebouwd aan een krans van waterrijke landschappen in de inundatiegebieden van de Stelling van Amsterdam en de Nieuwe Hollandse Waterlinie.
Het realiseren van de transitie vereist maatwerk per gebied. Voor een realistische uitwerking is nauwe samenwerking met de agrariërs noodzakelijk, met ruimte voor innovaties in grondgebruik en voedselproductie. Agrarische bedrijven zonder opvolging kunnen een sleutel zijn in het transitieproces. Om de juiste functies in het landelijke gebied op de juiste plaats te krijgen, zou de overheid een ruilverkaveling-nieuwe-stijl kunnen financieren en faciliteren. Omdat de looptijd van de landbouwtransitie langer is dan die van het IRP zelf, is een onderzoeksvraag voor de volgende fase van het IRP hoe de regio de landbouwtransitie kan stimuleren en faciliteren in aansluiting op beleid van de Provincie, het Rijk en Europa. Ondertussen is de landbouwtransitie natuurlijk al volop op gang. Het is belangrijk aan te sluiten bij initiatieven waarbinnen de agrarische sector meewerkt aan de landschappelijke opgave. Het biedt kansen om vanuit de opgaven aansluiting te zoeken bij het Investeringsfonds Omschakeling Landbouw van het Ministerie van LNV. Daarnaast wordt in Nederland op diverse plekken geprobeerd om initiatieven van agrarische ondernemers te stimuleren die leiden tot transitie naar duurzamere landbouw, extra groen, waterberging en/of recreatie.
68
De landschappelijke zone rond de Stelling van Amsterdam (De Ronde Venen en Stichtse Vecht) met inbegrip van de Vinkeveense en Loosdrechtse Plassen en met de Vecht als regionale groenblauwe verbinding ontwikkelen zich tot een landschapspark.
De Blauwe Krans verbindt door middel van natte ecologische verbindingen ook de Vinkeveense en Loosdrechtse plassen. Dwarsverbindingen voor natuur en recreatie slechten de barrières van het Amsterdam-Rijnkanaal, het spoor en de A2. De N201 vormt nu nog een ecologische barrière: er moet een oplossing worden gevonden voor otters en andere diersoorten. De gebiedsopgave bestaat uit de volgende ingrediënten: • Extra recreatie: 38 hectare. • Groen contourgebied: 274 hectare. • Extra recreatieve verbindingen: 171 hectare. • Mogelijke meekoppelkans: versterking van de Amstelscheg (Metropoolregio Amsterdam), wateropgave en verstedelijking Mijdrecht. • Water: reservering waterberging in diepste deel van droogmakerij Mijdrecht, combinatie met natuurwaarden veenweidegebied, levendige boerensloten en toekomstbestendig AmsterdamRijnkanaal. • Landbouw: natuurinclusieve landbouw en mogelijkheden voor verbreding. • Cultuurhistorie: verhaallijn van de Stelling van Amsterdam (Unesco-erfgoed) en de Vecht (Gouden Eeuw).
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
2. Polderscheg Lange Linschoten – Woerden – Breukelen
3. Hollandse IJsselscheg – Rijnenburg – A12-zone
Het samenhangende, vitale landschap op de grens tussen de stroomruggen en het veengebied tussen Woerden, Linschoten, Oudewater, Harmelen en Breukelen. Het is een landschappelijke verbinding tussen de Heuvelrug en de veenweidepolders.
De landschappelijke zone aan de Hollandse IJssel tussen IJsselstein en De Meern. In dit gebied is de IJssel met alle cultuurhistorische en recreatieve waarden het verhaalmotief.
Deze zone bevat recreatieve en ecologische verbindingen tussen de Lopikerwaard, de groengebieden rondom Woerden en Haarzuilens, de veenweidepolders van Kamerik-Kockengen en de landschappen van Maarssen en Breukelen. De Vecht is een regionale groenblauwe verbinding met directe relaties met de gebiedsopgave Blauwe Krans van de Stelling van Amsterdam (1) en de Waterliniescheg (4). De polderscheg verbindt stad en land, versterkt de groene buffergebieden tussen de kernen en versterkt onderlinge ecologische relaties. Bij de uitwerking worden de mogelijkheden bestudeerd om de barrières van de A12, het spoor, de A2 en het Amsterdam-Rijnkanaal te slechten. De gebiedsopgave bestaat uit de volgende ingrediënten: • Extra recreatie: 45 hectare. • Groen contourgebied 155 hectare. • Mogelijke meekoppelkansen: extra (moeras) bossen, verstedelijking Breukelen en Woerden, energieopwekking, Oostelijke Randweg Woerden en project gekanaliseerde Hollandse IJssel. • Water: waterberging, tegengaan bodemdaling en voorkomen watertekort veenweidegebied, levendige boerensloten, zwemwater, toekomstbestendig Amsterdam-Rijnkanaal. • Landbouw: natuurinclusieve landbouw en mogelijkheden voor verbreding, tegengaan bodemdaling. • Cultuurhistorie: Limeszone, waardevolle veenweidelandschappen met cope-ontginning rond Kockengen-Kamerik, de Vecht (Gouden Eeuw), Nieuwe Hollandse Waterlinie.
Voortgebouwd wordt op de aanpak en verbetering van de rivierzone. Het IJsselpark van Nieuwegein wordt beter verbonden met het naastgelegen Kromme IJsselpark en de Nedereindse Plas. Natuurkernen en groene verbindingen versterken de natuurwaarden. In de zone Rijnenburg tot Laagraven wordt een recreatiegebied ontwikkeld in samenhang met de verstedelijkingsopgaven van de A12-zone. Bij groene verbindingen in en tussen Nieuwegein en Utrecht kunnen bijdragen aan het opheffen van infrastructurele barrièrewerking. Ten zuidwesten van IJsselsteinNieuwegein moet stedelijke ontwikkeling zorgvuldig met natuur worden gecombineerd. De gebiedsopgave bestaat uit de volgende ingrediënten: • Extra recreatiegebied: 255 hectare. • Extra natuurkerngebied: 30 hectare. • Extra recreatieve verbindingen: 71 hectare. • Mogelijke meekoppelkansen: ontwikkeling pauzelandschap Rijnenburg, verstedelijking A12-zone, energieopwekking en project gekanaliseerde Hollandse IJssel. • Water: toekomstbestendig Amsterdam-Rijnkanaal/ Noordzeekanaalgebied, waterberging, tegengaan bodemdaling en voorkomen watertekort veenweidegebied, levendige boerensloten, zwemwater, overstromingsveiligheid rivierengebied (Sterke Lekdijk) en wateraanvoer Groene Hart. • Landbouw: natuurinclusieve landbouw en mogelijkheden voor verbreding, bodemdaling.
• Cultuurhistorie: geschiedenis van de Nieuwe Hollandse IJssel, Oude Hollandse Waterlinie.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
69
4. Waterliniescheg
5. Groene zoom Vijfheerenlanden
De landschappelijke zone aan de zuid-, oost- en noordzijde van Utrecht, tussen Noorderpark, De Bilt, DriebergenZeist, Bunnik, Houten en Nieuwegein. Deze open landschappen hebben een hoge cultuurhistorische, recreatieve en ecologische betekenis, en de vormen van landbouw passen bij het landschap. Deze gebieden worden door de gebiedspartijen in samenhang beschermd en ontwikkeld. Door deze scheg te beschermen en te versterken, kan de recreatieve druk op andere gebieden zoals de Heuvelrug worden verminderd.
De landschappelijke zone die de Zouweboezem en Ameide omvat en de verbinding legt met de uiterwaarden van de Lek. Deze zone sluit aan op het gemengde landschap ten zuiden van Vianen en maakt via polder Bolgerijnen verbinding met de Lekuiterwaarden bij Hagenstein.
Het leidende verhaal is dat van linielandschappen: de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Limes. Dragers van deze scheg zijn bestaande groengebieden, zoals sport- en golfterreinen, en de vele forten en landgoederen, zoals Nieuw Wulven en Amelisweerd. Voor de landgoederen wordt specifiek gezocht naar nieuwe economische modellen voor behoud en versterking van cultuurhistorie, natuur en recreatie. In de Waterliniescheg worden ook nieuwe natuur- en recreatiegebieden ontwikkeld met aandacht voor het opheffen van barrièrewerking door infrastructuur. Dit zijn: Laagraven – A12-zone, Landschapspark Houtense Rijn, Lunetten (Maarschalkerweerd – Rhijnauwen) en Voordorpse polder – Ruijgenhoek. Belangrijke voorwaarde is dat de nieuwe gebieden passen bij de ruimtelijke principes van de waterlinies. De gebiedsopgave bestaat uit de volgende ingrediënten: • Extra recreatie: 306 hectare. • Extra natuurkerngebied: 30 hectare. • Groen contourgebied 145 hectare. • Extra recreatieve verbindingen: 275 hectare. • Mogelijke meekoppelkansen: uitleg en knooppuntontwikkelingen Laagraven – A12-zone, Lunetten-Koningsweg, Bunnik, Houten. • Water: water vasthouden en waterberging, multifunctioneel ruimtegebruik, zwemwater. • Landbouw: natuurinclusieve landbouw en mogelijkheden voor verbreding. • Cultuurhistorie: Nieuwe Hollandse Waterlinie en Limeszone (beide Unesco-erfgoed).
70
In deze groene zoom rondom het agrarische hart van Vijfheerenlanden worden de verbindingen versterkt van zowel natuur en recreatie als het watersysteem en de waterbuffers voor Alblasserwaard. Broekbossen zorgen voor groene verbindingen met de naburige Molenlanden en de Diefdijk en Linge. De barrières van de A27 en het Merwedekanaal moeten worden geslecht. De gebiedsopgave bestaat uit de volgende ingrediënten: • Extra recreatiegebied: 42 hectare. • Groen contourgebied: 103 hectare. • Extra recreatieve verbindingen: 171 hectare. • Mogelijke meekoppelkansen: snelfietsroute Meerkerk – Vianen – Utrecht. • Water: watersysteem Vijfheerenlanden als waterbuffer, Sterke Lekdijk, prachtsloten. • Landbouw: natuurinclusieve landbouw. • Cultuurhistorie: Oude Hollandse waterlinie. 6. Groenblauw raamwerk Heuvelrug – Lek Het stelsel van groenblauwe verbindingen voor natuur én recreatie dat de Heuvelrug en haar flankzone stevig aan het gebied Langbroekerwetering – Kromme Rijn – Amsterdam-Rijnkanaal – Lek smeedt.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
De beste kansen om de Heuvelrug te versterken zijn: loofbosaanplant, zonering met rustige gebieden, verhoging natuurwaarden in de flankzone tot aan de Kromme Rijn. In dit Langbroekweteringgebied zijn boeren bereid om meer natuurinclusief te produceren en liggen er kansen om bosvakken aan te leggen die passen in de landschapsstructuur van opstrekkende kavels. We zien vier kansrijke dwarsverbindingen van de hoge gronden naar de Kromme Rijn en Lek. Zo ontstaat een sterk raamwerk. Samen met agrariërs wordt gezocht naar een betere balans tussen ecologie, wateropgaven en landbouw (met name fruitteelt). De Kromme Rijn, het Amsterdam-Rijnkanaal en de versterkte Lekdijken krijgen bredere groene randen met wandel- en fietsroutes. De biodiversiteit van de flanken van de Heuvelrug wordt versterkt door de aanleg van zoom- en mantelvegetaties met behoud van (oude) landschapselementen. Een idee voor nadere verkenning is de ontwikkeling van een recreatief ‘fruitpark’ als etalage van de fruitteelt en landschappelijke kwaliteiten. In het gebied ten zuiden van de Kromme Rijn zijn kerngebieden nodig voor natuur. Barrières die aandacht krijgen zijn het Amsterdam-Rijnkanaal, de N229 en N225 langs de flanken van de Heuvelrug en de A12 op de Heuvelrug. De gebiedsopgave bestaat uit de volgende ingrediënten: • Extra recreatiegebied: 29 hectare. • Extra natuurkerngebied: 30 hectare.
• Groen contourgebied: 331 hectare. • Extra recreatieve verbindingen: 253 hectare. • Mogelijke meekoppelkansen: Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug nieuwe stijl. • Water: toekomstbestendig Amsterdam-Rijnkanaal, Sterke Lekdijk, Rijndijk, overstromingsveiligheid rivierengebied, infiltratie en vasthouden kwelwater op de Heuvelrug in combinatie met Blauwe Agenda. • Landbouw: natuurinclusieve landbouw en fruitteelt, agropark. • Cultuurhistorie: Limeszone, Langbroekerwetering met kastelen en ridderhofsteden, Stichtse Lustwarande.
7. Agrarisch groenblauw netwerk De agrarische landschappen van droogmakerij Mijdrecht, de veenweidegebieden rondom Kamerik-Kockengen, de Lopikerwaard en Vijfheerenlanden en de Kromme Rijn met het Eiland van Schalkwijk, elk met hun eigen karakteristieken en bedrijfsopbouw. In elk van deze gebieden wordt met de gebiedspartijen samengewerkt aan de transitie naar een vitale natuurinclusieve kringlooplandbouw met een toekomstbestendig watersysteem, goede bodem- en waterkwaliteit, recreatie- en natuurwaarden en herstel van kleine landschapselementen zoals erfbeplanting, singels en houtwallen. Routes voor (vaar)recreatie en verbrede landbouw met pleisterplaatsen/horeca bieden mogelijkheden voor de kleine kernen en hun ommeland. Specifiek worden slootkanten natuurvriendelijk beheerd (programma levendige boerensloten), worden erfbeplantingen en kleine landschapselementen hersteld en wordt gewerkt aan ecologische verbindingen en stepping stones. De gebiedsopgave bestaat uit de volgende ingrediënten: Groen contourgebied: 238 hectare. • Extra landschapselementen: 125 hectare. • Extra natuurkerngebied: 120 hectare. • Extra recreatieve verbindingen: 257 hectare. • Mogelijke meekoppelkansen: groenblauwe diensten, energiewinning, project waterberging Willeskop.
• Water: waterberging, tegengaan bodemdaling en voorkomen watertekort veenweidegebied, levendige boerensloten, overstromingsveiligheid rivierengebied, wateraanvoer Groene Hart. • Landbouw: natuurinclusieve landbouw en mogelijkheden voor verbreding, nieuwe teelten, tegengaan bodemdaling. • Cultuurhistorie: agrarisch landschap met een eigen signatuur, zoals verkavelingspatroon, laan- en erfbeplantingen en kleine landschapselementen.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
71
Nieuwe bedrijventerreinen Woningbouwontwikkeling Nieuw hoogstedelijk gebied Historische kern Huidige bedrijventerreinen Huidige steden Vitale kernen Weg Fietsroute
Mobiliteitsnetwerk 2040 (beeld: KuiperCompagnons).
72
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
THEMA 2 – MOBILITEIT
•
In redeneerlijn 2 is gekozen voor het Wiel met Spaken (zie pagina 43). Hieronder wordt deze ruimtelijke keuze verder uitgewerkt in concrete maatregelen. Deze zullen vervolgens in hoofdstuk 3 verder worden vertaald in lokale ingrepen per deelgebied. Het thema mobiliteit wordt verder verdiept middels nader onderzoek naar generieke mobiliteitsmaatregelen en middels de onderzoeken die in samenwerking met de provincie en het Rijk zijn gedaan naar de aanleg van nieuwe infrastructuur. Deze onderzoeken zullen vooral in het kader van U Ned plaatsvinden. Basiskeuzes uit de redeneerlijn 1. Het verminderen van de mobiliteitsbehoefte door het principe van nabijheid leidend te maken bij de ontwikkeling van de regio. Het daily urban system van bewoners (wonen, werken en voorzieningen) is zo klein mogelijk en ligt in de buurt van ov-knooppunten, waardoor het zo vanzelfsprekend mogelijk wordt om te voet, met de fiets of met het ov te reizen. 2. Het opbouwen van een integraal pakket aan mobiliteitsingrepen dat het autoverkeer met bestemming Utrecht in de spits zoveel mogelijk beperkt.
Benodigde maatregelen Verbeteren van het regionale fietsnetwerk Een systeemsprong voor de fiets wordt gemaakt door het creëren van een regionaal non-stopfietsnetwerk dat alle woonkernen in de regio op een zo snel mogelijke manier verbindt met de centra, ov-knooppunten en alle belangrijke bestemmingen in het stedelijk gebied. Dat vereist: • Snelfietsroutes. • Regionale fietsroutes en missing links. • Nieuwe ov-assen (Wiel met Spaken) met nieuwe fietsroutes. • Goede stallingen en deelfietsen bij ov-knopen. Verbeteren van het regionale ov-netwerk Het Wiel met Spaken is een regionaal ov-systeem met hoogwaardige en frequente ov-verbindingen die Utrecht en de regio directer met elkaar verbinden. Het Wiel met Spaken zal bestaan uit bestaande ov-verbindingen, zoals de huidige spoor- en tramlijnen, maar ook uit nieuwe lijnen die niet op het centrum van Utrecht gericht zijn. Het Wiel met Spaken maakt het bebouwen en verdichten van een aantal locaties binnen en aan de rand van de stad Utrecht mogelijk, zoals de A12-zone, Papendorp, USP-Rijnsweerd en Lunetten-Koningsweg. Dat vereist:
• •
•
•
Wiel – De aanleg van hoogwaardige ov-verbindingen in een ring rond Utrecht (Wiel), waar regionale ovlijnen op kunnen aanhaken. Het gaat om de verbinding van Leidsche Rijn – Westraven, Westraven – Lunetten – USP, USP – Overvecht en Overvecht – Leidsche Rijn. Spaak – Het versnellen van de Merwedelijn van Utrecht Centraal naar Nieuwegein en IJsselstein via de Merwedekanaalzone. Spaak – De aanleg van een HOV-verbinding van USP naar Zeist-Noord (en verder naar Amersfoort), waardoor een snelle HOV-verbinding ZeistNieuwegein mogelijk wordt, via USP en Lunetten, inclusief een multimodale hub. Spaak – Het uitbreiden van de spoorcapaciteit om frequentieverhoging van treinen mogelijk te maken. Op de corridor Breukelen – Utrecht – Maarn zijn maatregelen nodig om onder meer de stations Breukelen, Bunnik en Driebergen-Zeist te bedienen en het dubbelstation Lunetten-Koningsweg mogelijk te maken. Deze maatregelen worden onderzocht in U NED. Spaak – Op de corridor Woerden – Utrecht – Houten is de infrastructuur op orde en voeren we met Rijksoverheid en spoorsector het gesprek over de meest wenselijke bedieningsmodellen.
Ook buiten het Wiel met Spaken moet het toeleidende ov op orde zijn. Op een aantal multimodale knopen worden het Wiel en de Spaken gevoed door ov-lijnen vanuit de regio. Voorbeelden zijn versterkte ov-lijnen vanuit Uithoorn-De Ronde Venen naar Breukelen en Amsterdam Arena, vanuit Wijk bij Duurstede naar Bunnik en LunettenKoningsweg, vanuit de Lopikerwaard naar IJsselstein en/of Woerden en vanuit Vijfheerenlanden naar Utrecht. Beïnvloeden van mobiliteitsgedrag •
• •
Regionale afstemming van prijsmechanismen voor het parkeerbeleid. Betaald parkeren op de belangrijkste bestemmingen (met name binnen de ring Utrecht en op de nieuwe verstedelijkingslocaties) is in combinatie met goede fiets- en ov-verbindingen immers een belangrijk instrument. Afspraken met werkgevers en onderwijsinstellingen om de spitsdruk op het mobiliteitssysteem te verminderen. Verkenning van de mogelijkheden van wegbeprijzing (al dan niet naar tijd en plaats) of cordonheffing, in afstemming met landelijke ontwikkelingen op dit gebied.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
73
Driebergen-Zeist (beeld: R. de Wit). 74
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
Verbeteren van knelpunten in de weginfrastructuur •
• • •
Toevoeging van multimodale hubs aan alle snelwegcorridors om automobilisten met een eindbestemming in het stedelijk gebied de mogelijkheid te geven om over te stappen op ov of op fiets. Completering van de verbreding van de A27 tussen Houten en Everdingen. Completering van knooppunt Everdingen. Onderzoek naar het wegnemen van een aantal regionale knelpunten die samenhangen met regionale verstedelijkingslocaties, zoals de N210 bij IJsselstein, de Oostelijke rondweg van Woerden, een extra aansluiting bij Breukelen-Noord, het volledig maken van de aansluiting van de N421 (Limesbaan) en de N229 (door Odijk) en de aanpak van de N201 bij Mijdrecht.
Toekomstige groei autogebruik Indien de groei van de regio op termijn alsnog leidt tot een sterke groei van het autogebruik in de spits, moet er een keuze worden gemaakt tussen: Inzetten op het verder versterken van fiets en ov en het zwaarder inzetten op gedragsverandering (zie punt 2 vorige pagina). óf Het alsnog uitbreiden van de regionale weginfrastructuur bij de grootste knelpunten, specifiek in de vorm van een te onderzoeken regionale bypass van de A12 ten zuiden van Utrecht in combinatie met toeleidende infrastructuur vanuit Nieuwegein, Utrecht en de Kromme Rijnstreek. Dit staat echter op gespannen voet met de kwaliteit van leven in de te verstedelijken A12-zone. Het vervolgonderzoek in U Ned is er dan ook op gericht om verstedelijking (in de hele regio en specifiek in de A12-zone, Utrecht Zuidwest en de Kromme Rijnstreek) mogelijk te maken zonder deze bypass. De bypass zal dan ook alleen als uiterste optie figureren in het IRP-kaartbeeld met de verste doorkijk.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
75
Woningbouwontwikkeling Intensivering stedelijk gebied Historische kern Huidige steden
Verstedelijking 2040 (beeld: KuiperCompagnons).
76
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
THEMA 3 – WONEN In redeneerlijnen 3, 4, 5 en 6 worden de ruimtelijke keuzes voor woningbouw op verstedelijkingslocaties gemaakt. In totaal is op deze locaties voldoende ruimte voor het aantal benodigde woningen. Het type woonmilieus dat op deze plekken kan worden gebouwd verschilt sterk per locatie en is in de redeneerlijnen beschreven. Deze kwalitatieve invulling van woonmilieus moet goed in balans worden gebracht met de vraag. Er is daarom een verdiepend onderzoek gedaan naar de kwalitatieve woonwensen in de regio. De daaruit afgeleide behoefte is vervolgens vergeleken met de planvoorraad. De woonmilieus zijn ingedeeld in hoogstedelijk, centrumstedelijk, stedelijk buiten centrum, groen stedelijk, dorps en landelijk. Deze milieus zeggen iets over de mate van functiemenging, de aanwezigheid van voorzieningen en het bereikbaarheidsprofiel. Grondregel: hoe stedelijker, hoe meer menging en hoe meer gericht op het ov. Dit betekent dat opwaardering van de stedelijkheid dus gepaard gaat met het minder faciliteren van de auto. In dit IRP voegen we aan de woonmilieus een categorie toe: het Regionale Transformatiemilieu. Het betreft ov-knooppunten die in de toekomst verkleuren van werklocaties naar gemengde woon-werklocaties. Deze Regionale Transformatiemilieus bieden plek aan stedelijke woonmilieus met nieuwe woonvormen, maar ook aan een deel van de werkopgave.
Het gaat om bedrijven en informele bedrijfsruimten uit de lage milieucategorieën die zich laten mengen met wonen. Per locatie zal gezocht moeten worden naar de vorm en mate van menging die het beste bij de plek past. Voorbeelden zijn de Stationsgebieden van Breukelen, Bunnik en Woerden en mogelijk Houten-Noordwest. In het kwalitatieve woonbehoefte-onderzoek is een uitsplitsing gemaakt naar gemeentes binnen de agglomeratie (Utrecht, IJsselstein, Nieuwegein, Vijfheerenland, Houten, Bunnik, Zeist, De Bilt en Stichtse Vecht) en gemeentes daarbuiten (de rest). Het grootste deel van de woningbouwopgave ligt binnen de agglomeratie. In de grafieken op p77 wordt de mismatch tussen planaanbod en behoefte becijferd per woonmilieu (let op het verschil in schaal op de assen).
Mismatch geplande en gevraagde woonmilieus 2019-2040 binnen de stedelijke agglomeratie (boven) en daarbuiten (onder). De bruine contour geeft het geplande aantal woningen per milieu aan, de gekleurde staaf het benodigde aantal. Let op het verschil in schaal bij beide plaatjes. Bron: WoOn2018, bewerking Companen.
Het onderzoek laat zien dat we sterker moeten inzetten op het realiseren van de stedelijkere woonmilieus. Binnen de agglomeratie betekent dat dat er meer centrumstedelijke en hoogstedelijke milieus nodig zijn, met een menging van wonen en werken, voorzieningen in de woonomgeving en een mobiliteitsprofiel dat gericht is op ov en fietsen. Daarom kiezen we als regio voor ontwikkeling langs bestaande en nieuwe ov-assen en zetten we daarbij stevig in op dichtheid en menging. In de agglomeratie is ook behoefte aan groenstedelijke milieus, waarvoor aan de randen van de stedelijke agglomeratie ruimte moet worden gevonden. Buiten de stedelijke agglomeratie moeten woonmilieus vooral lokaal goed worden afgestemd op de behoefte. Het gaat veelal om het creëren van kansen voor de doorstroming van senioren en het toevoegen van woningen voor starters.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
77
Maarssen (beeld: Kondor Wessels). 78
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
In het MIRT-onderzoek Utrecht Nabij is al een aanname gedaan voor de wijziging van een aantal woonmilieus. In het IRP sluiten wij aan bij de indeling die Utrecht Nabij hanteert. Zo zijn de stedelijke knopen Leidsche Rijn Centrum en Lunetten-Koningsweg aangemerkt als hoogstedelijk. In grote lijnen komt het erop neer dat nabij ov-knooppunten het woonmilieu een stapje stedelijker zou moeten worden ingevuld dan de huidige situatie, maar het blijft lokaal maatwerk. De indeling in woonmilieus is immers geen kader of aanwijzing. Het is aan de gemeente om het woonmilieu uit te werken op een manier die lokaal passend is. Betaalbaarheid en kwetsbare doelgroepen In de regio worden in de vervolgfase afspraken gemaakt over de woningbouwprogrammering. Hierbij is het uitgangspunt dat alle gemeenten in de regio hun verantwoordelijkheid nemen om te zorgen voor voldoende betaalbare woningen. De provincie Utrecht hanteert hiervoor een streefnorm van 50% betaalbare woningbouw (sociaal en middelduur). In verschillende gemeenten worden meer specifieke percentages gehanteerd voor het sociale segment en het middensegment. Ook de verantwoordelijkheid voor de huisvesting van kwetsbare doelgroepen wordt regionaal gedeeld en uitgewerkt in het Regionaal Programmeren.
Verdeling woonmilieus in 2018 (boven) en 2040 (onder). De toe te voegen woonmilieus zijn weergegeven als bolletjes, de kleuren volgen de legenda. De paarse bolletjes zijn Regionale Transformatiemilieus, het nieuwe type woonmilieu dat het IRTP introduceert. Bron: ABF, bewerking SITE.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
79
Nieuwe bedrijventerreinen Huidige bedrijventerreinen
Werkmilieus 2040 (beeld: KuiperCompagnons).
80
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
THEMA 4 – WERKMILIEUS
•
De regio groeit snel. Met het aantal inwoners groeit ook het aantal banen. De uitdaging is om niet alleen voldoende banen te creëren die op de juiste plek liggen, maar ook om vorm te geven aan een transitie naar een duurzame en circulaire economie. De belangrijkste opgaven voor de economie: • Hoe maken we de slag naar een circulaire economie in 2050? • Hoe zorgen we voor voldoende werkgelegenheid voor iedereen? • Hoe behouden en versterken we ons economisch regionaal profiel? • Hoe behouden en versterken we onze bestaande (toekomstbestendige) werklocaties? We zien richting 2040 een aantal nieuwe werkmilieus ontstaan in onze regio: • Hoogstedelijke woon-werkmilieus waar we tal van functies in een groene omgeving intensiveren en mengen. Hier bieden we ruimte voor zakelijke dienstverlening en smart industry. Denk hierbij aan Utrecht Centrum, Merwedekanaalzone, Leidsche Rijn Centrum. • Regiopoorten als Bunnik, Breukelen, Woerden en Houten, waar we wonen en werken mengen op een manier die voor die steden passend is. Hier bieden we ruimte voor stads- en dorpsgebonden bedrijven, met een kleine tot middelgrote ruimtebehoefte (gemiddeld tot circa 2 hectare). Daarnaast ligt er op enige afstand van een aantal van deze plekken een opgave voor meer grootschalige regionale terreinen.
• Vitale kernen waar we bouwen voor zowel een gezonde demografische opbouw van de bevolking, als voor voldoende werkgelegenheid voor deze mensen, mede om de mobiliteitspendel te beperken. • Bedrijventerreinen met een kleinschalig tot middelgroot functioneel profiel met een gemiddelde kavelomvang tot circa 2 hectare. Hier bieden we ruimte voor onder meer de maakbedrijven en de circulaire industrie. Logistiek en opslag bieden we ruimte, naast bedrijfsruimte voor het lokaal MKB waarbij we met eigenaren en conceptontwikkelaars streven naar een goede mix van betaalbare bedrijfsruimte.
•
Op stedelijke werkmilieus mengen we bedrijfsruimte met niet-woonfuncties en consumentendiensten, zoals onderwijs, leisure en maatschappelijke voorzieningen. Dit type locaties zijn ook goed geschikt voor creatieve en ambachtelijke bedrijvigheid en meer kleinschalige maakindustrie. Bedrijventerreinen met een regionaal profiel (grootschalig functioneel) met uitbreidingsruimte voor met name grotere business-to-business MKB en overige meer grootschalige bedrijven (ook in hogere milieucategorieën) met een gemiddelde kavelomvang vanaf circa 2 hectare tot circa 5 hectare (indicatief). Deze locaties dienen ook als schuifruimte voor bedrijven die zich als gevolg van ruimtegebrek willen verplaatsen vanaf bestaande bedrijventerreinen of van informele (solitaire) locaties.
Kantooromgevingen Tot 2040 is er een berekende behoefte aan maximaal 853.000 m2 kantoorruimte in de stad Utrecht op plekken die goed bereikbaar zijn met het ov (met name Utrecht Centraal, Leidsche Rijn Centrum en Lunetten-Koningsweg). Buiten de stad Utrecht kiezen we voor het gefaseerd transformeren van kantoren naar wonen, te beginnen met kantoren die niet op een ov-locatie liggen. Voor Regiopoorten is het vervangen van niet-courante kantoren door courante kantoren op ov-locaties een optie. Op deze manier worden netto geen kantoormeters toegevoegd, maar wordt wel de kwaliteit verbeterd. De totaal benodigde metrage is een optelsom van nieuwe vraag, vervangingsvraag, transformatie en verplaatsing van kantoren die niet meer op toekomstbestendige plekken staan. Essentieel voor de toekomstbestendigheid van kantooromgevingen zijn de mate van multifunctionaliteit, de groene omgeving en de optimale ov-bereikbaarheid. Landelijk is de trend dat verhuurders kantoorruimte afstoten die niet centraal ligt of op een plek die met het ov niet uitstekend bereikbaar is. Daarom is het zaak dat we jaarlijks monitoren hoe de behoefte aan kantoren zich ontwikkelt.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
81
Transformatie- en mengmilieus Op verschillende locaties in de regio liggen bedrijventerreinen op plekken nabij ov-knooppunten waar plannen liggen voor verstedelijking. Voorbeelden zijn station Breukelen, Houten-Noordwest, station Woerden en station Bunnik. Deze plekken verkleuren in de toekomst van werklocatie naar gemengde woon-werklocatie. Deze Regionale Transformatiemilieus bieden plek aan stedelijke woonmilieus met nieuwe woonvormen, maar ook aan een deel van de werkopgave. De informele bedrijfsruimtes vallen in lage milieucategorieën, waarbij mengen mogelijk is. Daarnaast is er voor een aantal regiopoorten een zoekopgave voor meer grootschalige bedrijvigheid (met een gemiddelde kavelomvang vanaf circa 2 hectare tot circa 5 hectare - indicatief) als onderdeel van nieuwe vormen van meervoudig ruimtegebruik. Naast goede bereikbaarheid per auto en openbaar vervoer, wordt hierbij ook aangesloten op bestaande werklocaties. Dit maakt de koppeling op enige afstand van ov-knooppunten bovengemiddeld aantrekkelijk. Wetenschap – USP en USP Bilthoven We kiezen ervoor om het specifieke profiel van het Utrecht Science Park te versterken: het USP is het kloppende hart van een van Europa’s meest competitieve regio’s en het grootste wetenschapspark van Nederland, met dagelijks 27.000 medewerkers en ruim 51.000 studenten.
Op het Utrecht Science Park werken hoogwaardige kennisen onderzoeksinstituten en R&D-bedrijven intensief samen om nieuwe oplossingen te vinden voor een langer en gezonder leven, nu en in de toekomst. Onder de noemer Life Sciences & Health wordt gewerkt aan een gezonde en duurzame leefomgeving. Het USP is een plek waar inspiratie, ontmoeting en samenwerking centraal staan. Het wetenschapspark vormt het hart van de Utrechtse kenniseconomie en is een broedplaats voor innovatie. Het USP ontwikkelt zich steeds verder als internationale toplocatie voor bedrijvigheid op het gebied van Life Science & Health. De totale ruimtevraag tot 2040 bedraagt 155.000m² voor R&D-bedrijfsruimte, 110.000 m² productieruimte en 55.000m² kantoorruimte. Tot 2040 levert dit 8.980 extra banen op (Bron: Buck Consultants International, ambtelijk concept Marktverkenning Life Sciences & Health en Quickscan Verduurzaming U4-regio, 4 februari 2021).
82
De uiteindelijke groei is afhankelijk van hoe succesvol de regio weet in te zetten op de verbetering van het totale ecosysteem voor Life Science & Health. Het gaat daarbij naast ruimtelijke aspecten zoals bereikbaarheid, adequate huisvesting, gedeelde onderzoeksfaciliteiten en omgevingskwaliteit bijvoorbeeld ook om internationale marketing en acquisitie, het beschikbaar blijven van talent en het faciliteren van ondernemerschap en financiering. Gemeenten, de provincie Utrecht en het USP werken samen in het creëren van een optimaal klimaat en locatieaanbod. De ruimte op USP en USP Bilthoven komt vooral na 2025 beschikbaar. Om bedrijven in de periode daarvoor te kunnen opvangen, is huisvesting mogelijk op De Wetering Zuid en de TNO locatie Zeist. Rijnsweerd-Daltonlaan is geschikt als locatie voor kantoren waarvoor huisvesting zo dicht mogelijk bij het USP van belang is. Voor de ruimtelijke ontwikkeling van het USP en USP Bilthoven zijn onderstaande principes richtinggevend: USP en USP Bilthoven •
•
• • •
•
Transformatie en verdichting van het USP is noodzakelijk om ruimte te bieden aan bedrijven die een sterke focus hebben op vernieuwende R&D (fundamenteel onderzoek) op het gebied van Life Science & Health en duurzaamheid. Herontwikkeling van USP Bilthoven na vertrek van het RIVM gericht op productie van geneesmiddelen en daaraan gerelateerde R&D. Ontwikkeling Schapenweide voor 50.000m² Life Science & Healthbedrijvigheid met focus op R&D. Ruimte bieden aan specifieke woonvormen op het USP, met name werkgerelateerd wonen voor studenten, expats en zorgpersoneel. Ruimte bieden voor specifieke 24/7-voorzieningen die passen bij het USP. Verbetering van de bereikbaarheid van het USP (onder andere het doortrekken van de HOV-verbinding, nieuwe fietsverbindingen, parkeren op afstand en mobiliteitsmanagement) om de beoogde verdichting en banengroei te faciliteren. Hieronder vallen ook de betere spreiding van de piekbelasting voor zowel auto als fiets en de realisatie van (hoogwaardig) ov dat de huidige infrastructuur beter benut. Verbeteren ov-bereikbaarheid en fietsbereikbaarheid op de as Station Bilthoven – USP Bilthoven – USP.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
Andere locaties • • • •
Snelle herontwikkeling op de TNO-locatie Zeist om tot 2025 opvang te creëren voor Life Science & Healthbedrijvigheid met focus op R&D (20.000 m2). Actief aanbieden van beschikbare kavels De Wetering Zuid voor het huisvesten van Life Science & Healthbedrijvigheid (R&D en medtech productie) tot 2025. Aanbieden Rijnsweerd-Daltonlaan als locatie voor USP-gerelateerde kantoren dichtbij USP. Ontwikkelen van het stationsgebied Bunnik en Driebergen-Zeist als satelliet voor USP-gerelateerde bedrijvigheid.
De Life Science & Health-bedrijvigheid rond het USP kent nog geen lange geschiedenis, waardoor de precieze groei lastig te voorspellen is. Elke vijf jaar zal opnieuw moeten worden gekeken naar de snelheid van de groei. Mocht de groei hoger uitpakken dan voorzien, dan zal opnieuw moeten worden gekeken of het USP en USP Bilthoven in de huisvesting kunnen voorzien, of dat nieuwe locaties moeten worden aangewezen. Bedrijventerreinen In totaal telt de regio 111 bedrijventerreinen waar grond is uitgegeven. De gezamenlijke netto uitgegeven oppervlakte van deze terreinen is circa 1.800 hectare. Bedrijventerreinen in de U16 huisvesten ruim 8.000 vestigingen die goed zijn voor bijna 137.000 banen. Daarmee is zo’n kwart van alle werkgelegenheid in de regio gevestigd op een bedrijventerrein.
In de U16 zijn dienstensectoren verantwoordelijk voor een relatief groot deel van de werkgelegenheid. Denk daarbij op bedrijventerreinen met name aan beveiligingsbedrijven, schoonmaakbedrijven en facilitaire diensten, ontwerp- en ingenieursbureaus, leasebedrijven, machineverhuurbedrijven en uitzendbureaus, maar ook aan ICT-bedrijven, financiële en zakelijke dienstverleners. Andere sectoren die sterk zijn vertegenwoordigd op bedrijventerreinen zijn de maakindustrie, logistiek en groothandel, industrie en bouw, handel en reparatie. Dit zijn sectoren die van oudsher veelal op bedrijventerreinen zijn gevestigd, vanwege de functionaliteit (onder andere beschikbare ruimte en ontsluiting) en geluid- en hindercirkels. De behoefte aan bedrijventerreinen bedraagt tot 2040 circa 216 hectare inclusief XXL-logistiek (circa 10% van de uitbreidingsvraag). Deze vraag varieert in gewenste kavelgrootte, milieucategorie, autobereikbaarheid, ovbereikbaarheid en nabijheid van de stad. Door indeling in stedelijke en functionele werkmilieus kunnen we een maatwerkaanpak ontwerpen. In het regionaal programma wonen en werken van de provincie Utrecht staan onderstaande typologieën uitgebreid beschreven. Stedelijke werkmilieus Tekort van 60 hectare, te accommoderen via een mix van uitbreiding, mengen en intensiveren op terreinen in of dicht tegen stad Utrecht aan.
Functioneel kleinschalig en middelgrote werkmilieus Ook circa 60 hectare tekort, te accommoderen door kleinschalige uitbreidingen van lokale terreinen. In de uitbreidingen voor de periode tot 2030 wordt deels al voorzien middels door de provincie Utrecht geborgde terreinen (programmering wonen en werken van de provincie Utrecht). Jaarlijks evalueren en monitoren we de programmering, zodat ook langjarig voldoende (boven) lokale uitbreidingsruimte geborgd is. Functioneel grootschalige werkmilieus
Aantal banen naar type werklocatie in 2018 en 2040.
Ook circa 60 hectare tekort, te accommoderen door nieuwe regionale terreinen te realiseren op de best mogelijke plekken. Regionale bedrijventerreinen zijn gericht op de groei van het huidige bedrijfsleven en gekoppeld aan de herstructurering van bestaande bedrijventerreinen.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
83
Zoeklocaties zijn benoemd langs de belangrijkste vervoersassen van de regio (A2 en A12), in zones die tevens redelijk tot goed met het ov ontsloten zijn en waar ruimtelijke opgaven te combineren zijn. Er zijn verschillende locaties in studie, waarvan een aantal op relatief korte termijn beschikbaar kan worden gemaakt (voor 2030). Het gaat om een uitbreiding van enkele bestaande bedrijventerreinen met een grootschalig functioneel profiel nabij de snelweg A2 aan de noord- en zuidkant van de regio. In beide gevallen is een goede koppeling met de opgaven voor landschap, water en energie van belang. Ook de bereikbaarheid met ov is een aandachtspunt. Op langere termijn wordt een aantal locaties gezocht die zijn gekoppeld aan de ontwikkeling van Regiopoorten. Op deze goed bereikbare locaties wordt op termijn gestreefd naar meervoudig ruimtegebruik en worden meekoppelkansen optimaal benut. Daarbij zijn combinaties met landschapsontwikkeling, energieopwekking, infrastructuur en mogelijk ook wonen denkbaar. De zoekgebieden worden gekoppeld aan de uitwerking van de Regiopoorten (inclusief het bijbehorende (boven)lokale (zoek)proces en afwegingskader dat hierbij hoort).
We zoeken functioneel grootschalige bedrijventerreinen langs de vier windrichtingen (bij voorkeur langs de A12 en de A2), omdat ze voor personeel en toeleveranciers op korte afstand van de woongebieden moeten liggen en reisafstanden zo beperkt blijven. Naast goede bereikbaarheid per auto en openbaar vervoer, wordt hierbij ook aangesloten op bestaande werklocaties. De ligging op enige afstand van ov-knooppunten maakt de koppeling bovengemiddeld aantrekkelijk. Op deze terreinen is vooral ruimte voor grote bedrijven met een sterke regionale binding. Voor elk bedrijventerrein een plan Alle bestaande en nieuwe bedrijventerreinen moeten bijdragen aan de ambitie voor een circulaire economie in 2050, per terrein wordt uitgewerkt wat die bijdrage kan zijn. Alle werklocaties in de regio zullen ook hun bijdrage moeten leveren aan de energietransitie, door energieneutraal of zelfs energieleverend te worden. Er is een slimme regionale inventarisatie nodig van de grondstofstromen met de bijbehorende ketenpartijen, zodat deze kunnen worden gewogen en gerelateerd aan de ketenpartijen over de regiogrenzen. Gemeenten kunnen sterk bijdragen aan versnelde opschaling van de circulaire bedrijvigheid in de regio door meer en efficiëntere afstemming en door kennisopbouw en -uitwisseling.
84
Waar mogelijk kiezen overheden bij alle investeringen, inkoop, aanbestedingen (tenders) en onderhoudsuitgaven voor energieneutrale, klimaatbestendige en circulaire oplossingen en toepassingen. We gaan kansrijke startups identificeren, die we met behulp van de Regionale Ontwikkelingsmaatschappij (ROM) gaan ondersteunen bij de uitwerking van de circulaire business development. Bij de innovatieprogramma’s komt er een focus op circulaire oplossingen die lokale sociaaleconomische meerwaarde creëren. Zichtbare innovatielocaties, die qua prijs en faciliteiten goed aansluiten bij deze doelstelling, zijn noodzakelijk om de circulaire economie te versnellen. Alle werklocaties onderzoeken hun bijdrage aan de regionale energie-ambitie. Intensiveren van bestaande en nieuwe terreinen voor ruimtewinst Een van de kenmerken van de 1.800 hectare bedrijventerrein in de regio U16 is de variëteit in de verhouding tussen bedrijfskavel en effectief gebruik en in het aantal werknemers per m2 bedrijfskavel. Op diverse terreinen valt ruimtewinst te behalen door met eigenaren en ontwikkelaars toe te werken naar een moderne intensiteit van ruimtegebruik. Verdiepend onderzoek laat zien dat dit kan door: 1. Regels over ruimtegebruik ruimer te maken. 2. Bij verhuizingen of locatie-ontwikkeling actief afspraken te maken over intensivering. 3. Actieve grondpolitiek.
Voor alle terreinen ligt een suggestie welke van de drie opties passend is. Hoe sterker we kunnen inzetten op intensivering, hoe kleiner de behoefte aan uitbreidingslocaties is. Intensiveren blijkt in de praktijk zowel bij de U16 als elders in Nederland soms een zeer kostbaar, tijdrovend en kennisintensief proces te zijn, maar er zijn voorbeelden waarbij via simpele verruiming van de ruimtelijke regels ruimtewinst wordt geboekt. De totale mogelijke ruimtewinst via intensivering is lastig vooraf in te boeken. Het vraagt langdurige betrokkenheid van Rijk, regio en provincie. Tijdig bijsturen door alsnog extra uit te breiden moet altijd een optie zijn. We zetten ons in voor een voorlopige bandbreedte, maar het bereiken van die doelstelling is vooraf niet gegarandeerd. Intensiveren vraagt bijvoorbeeld om oplossingen in de mobiliteitsmix van werklocaties.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
Ruimte voor de circulaire economie borgen op de meest kansrijke terreinen De U16 bevat een aantal bedrijventerreinen met een hoge ‘next economy’ potentie (de mate waarin een terrein is uitgerust om een transitie naar de ‘nieuwe economie’ te maken) (Bron: Stec Groep, 2020). Op bedrijventerreinen met de potentie ‘hoog’ zijn ondernemers al stappen aan het maken richting een Next Economy: circulaire ondernemers, bedrijven die werken aan de energietransitie en bedrijven die werken met robots/automatisering. De ruimtevraag voor circulaire bedrijven zal verder toenemen. In de regio zal daarbij vooral worden ingezet op circulaire bedrijven die bijdragen aan gezond stedelijk leven voor iedereen. Voor lichtere en relatief kleinere circulaire bedrijven is er lang niet altijd ruimte nodig op bedrijventerreinen. Die circulaire bedrijven mengen zich goed in gemengd stedelijke gebieden. Voor circulaire bedrijven met (zwaardere) milieucontouren ligt dat anders. Ook zijn een deel van de ruimtelijke voorwaarden voor een modern, toekomstbestendig bedrijventerrein aanwezig, zoals bereikbaarheid en/of kwalitatief hoogwaardig groen. Die potentie relateert bijvoorbeeld ook aan gebruiksmogelijkheden zoals ligging aan weg- en vaarwegen en ruimte voor wat zwaardere milieucontouren. Er zal in de regio ruimte nodig zijn voor zwaardere circulaire bedrijven.
Vandaar dat we deze terreinen onder andere benutten voor dergelijke bedrijven. De komende tijd willen we het netwerk tussen deze terreinen voor mensen en goederen en de afnemers in stedelijke gebieden verder versterken. Ambities en randvoorwaarden voor regionale terreinen In 2040 zijn onze bedrijventerreinen regionaal complementair. We ontwikkelen een select aantal regionale terreinen voor functioneel grootschalige bedrijvigheid, waarop grotere bedrijven met regionale binding worden geaccommodeerd. Deze terreinen dienen tegelijk als schuifruimte voor de intensiveringsopgave van lokale terreinen (deze opgave wordt (ook) samen met de Ontwikkelingsmaatschappij Utrecht opgepakt). Bovendien landen op deze terreinen de bedrijven die we graag voor de regio willen behouden, maar die te groot zijn geworden voor een lokaal bedrijventerrein. Zo komen we tot een gewenste verhuisstroom van bedrijven en een gezond economisch ‘ecosysteem’, waarbij ieder bedrijf op de juiste plek zit en zo goed mogelijk op de huisvestingswensen van bedrijfsruimtegebruikers wordt ingespeeld.