CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Nota van Beantwoording zienswijzen RES Herijking en planMER RES Herijking_1.pdf

Gemeenteraad 10 juli 2025, gemeente OudewaterBij agendapunt: 13: Raadsvoorstel RES Herijking (185116)17.327 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

1.26 Beschouw energiecoöperaties ook als (markt)partijen (zienswijze 40) Onder “Randvoorwaarden” wordt vermeld: “Kaders en instrumentarium waarop (markt)partijen kunnen vertrouwen om de benodigde investeringen te blijven doen in het toekomstige energiesysteem. Het begrip “(markt)partijen” suggereert, dat dit alleen overheden, netbeheerders en bedrijven betreft, Indien geeft aan dat het van belang is om ook burgerinitiatieven (bijv. energiecoöperaties) in deze mee te nemen. Derhalve wordt een aanpassing in deze gevraagd. Beantwoording Onder deze partijen worden ook energiecoöperaties (en andere lokale initiatieven) bedoeld. Conclusie Energiecoöperaties (en andere lokale initiatieven) worden toegevoegd aan de RES Herijking bij Randvoorwaarden onder de kop kaders en instrumentarium waarop (markt)partijen kunnen vertrouwen om de benodigde investeringen te blijven doen in het toekomstige energiesysteem.

1.27 Geeft warmte-initiatieven / coöperaties een rol de warmtetransitie (zienswijzen 27 NMU, 29 Energiecoöperatie Bunnik) Indiener geeft aan dat in de nieuwe Wet Collectieve Warmte bij lokale publieke warmtebedrijven ook een rol is weggelegd voor warmtegemeenschappen. Een warmtegemeenschap is een lokaal warmtebedrijf van bewoners waarin zij zelf zeggenschap en eigendom hebben. Geef daarom warmte-initiatieven van bewoners ook een plek in de RES Herijking in het hoofdstuk over de warmtetransitie. Uiterlijk in 2026 moeten gemeentelijke warmteprogramma’s worden vastgesteld. Uitwisseling van expertise tussen gemeenten, provincie en kennispartners (publiek en privaat) is van groot belang. Indiener ziet een vruchtbare flankerende rol weggelegd voor de ondersteuningsstructuur voor bewoners- en wijkinitiatieven, deels met en door energiecoöperaties. Indiener pleit ervoor dat de bestaande ondersteuningsstructuur de komende jaren beschikbaar blijft. Beantwoording Wij delen met de indiener dat in de warmtetransitie een rol is weggelegd voor warmtegemeenschappen. In hoofdstuk 9 (Lokaal eigenaarschap) zijn zij ook expliciet benoemd. Als RES-regio ondersteunen wij daarnaast gemeenten met een blauwdruk voor een lokaal warmtebedrijf en samenwerking met een energiecoöperatie/ warmtegemeenschap. 18

De door indiener genoemde ondersteuningsstructuur voor bewoners- en wijkinitiatieven door U-thuis wordt gefaciliteerd door de provincie Utrecht. De bestaande ondersteuningsstructuur wordt momenteel geëvalueerd waarna een besluit wordt genomen over het vervolg. Conclusie De zienswijzen geven geen aanleiding om de RES Herijking of het planMER aan te passen.

1.28 Wat wordt bedoeld met maatschappelijke business case en publieke deelname (zienswijze 25 Energie van Utrecht) In de RES Herijking staat dat onderzocht wordt wat de mogelijkheden zijn voor een maatschappelijke business case en publieke deelname bij opwekprojecten op kansrijke locaties waar “de markt” geen interesse in heeft (financieel en organisatorisch). Het is de indiener niet duidelijk wat hiermee wordt bedoeld Beantwoording We herkennen dat de financiële haalbaarheid van opwekprojecten onder druk staat. Dat leidt ertoe dat de interesse van de markt voor het ontwikkelen van zoekgebieden (in het bijzonder zonprojecten) afneemt. Ook voor locaties die al vergund zijn. In RES-verband gaan we samen met de markt en energiecoöperaties verkennen hoe projecten wel gerealiseerd en gefinancierd kunnen worden en hoe drempels kunnen worden weggenomen. In die zoektocht wordt naar de gehele keten gekeken en er wordt ruimte gezocht ten opzichte van reguliere commerciële business cases. Daarbij wordt ook gekeken naar bijvoorbeeld afschrijvingstermijn, noodzakelijk rendement, wijze van financiering, wegnemen van risico’s, borgstelling, maatschappelijke meerwaarde, etc. Ook de mogelijke rollen van overheden en coöperaties bij de ontwikkeling daarbij worden verkend. Conclusie De tekst in de RES Herijking wordt op dit punt aangevuld.

1.29 Maatschappelijke (meer)kosten zonnevelden (zienswijze 25 Energie van Utrecht) Inspreker mist in het planMER een beoordeling van de maatschappelijke (meer)kosten van zonnevelden ten opzichte van windmolens. Immers, zonnevelden gaan veel minder efficiënt om met aansluitingen dan windmolens, waardoor de aanleg- en milieukosten voor transport per GWh zonne-energie hoger zijn dan voor windenergie. Beantwoording De RES-regio Utrecht heeft een gezamenlijke opwekambitie van 1,8 TWh in 2030. Deze ambitie wordt gerealiseerd met afgesproken bijdragen van gemeenten. Op die manier kan bij gemeenten maximaal rekening worden gehouden met de lokale context bij haalbare keuzes voor zon op dak, zonnevelden en windturbines. Aan de keuze voor zoekgebieden in de RES Herijking zijn vaak uitgebreide lokale processen voorafgegaan en de tijd dringt om de noodzakelijke vervolgstappen in besluitvorming te maken en tot realisatie te komen. De zonzoekgebieden uit de RES Herijking voor het realiseren van de ambitie voor 2030 worden niet heroverwogen op het aspect maatschappelijke (meer)kosten. Het klopt dat windturbines in het algemeen tegen lagere maatschappelijke kosten kunnen worden ingepast in het energiesysteem. In de zoekgebieden in de RES Herijking zit ook een groter aandeel wind dan in de RES 1.0.

Maatschappelijke kosten is slechts een aspect van velen bij de lokale keuzen voor zoekgebieden en opwektechniek.

19

Een van de activiteiten uit de RES Herijking is het uitwerken van subregionale scenario’s voor de (middel)lange termijn die inzicht geven in de samenhang van de energievraag van ruimtelijke ontwikkelingen met mogelijkheden voor elektriciteitsopwekking. Daarbij wordt ook gekeken naar de (kosten)efficiëntie voor het energiesysteem. Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding om de RES Herijking of het planMER aan te passen.

1.30 Financiële haalbaarheid zonnevelden (zienswijze 25 Energie van Utrecht, 29 Energiecoöperatie Bunnik) Inspreker mist in het hoofdstuk Leemten in kennis het onderwerp ‘financiële haalbaarheid van zonnevelden’ en een aanbeveling hoe deze in te vullen. Het is bekend dat zonnevelden tegenwoordig matig tot slecht rendabel zijn (zeker voor energiecoöperaties), en dat er daarmee een steeds groter wordende kans is dat de in het planMER al danig begrensde potentieel helemaal niet gehaald wordt. Beantwoording Het is bekend dat de financiële haalbaarheid van opwekprojecten (in het bijzonder zonprojecten) de laatste tijd steeds verder onder druk staat en dat een risico is bij het realiseren van de opwekambitie. Dit komt onder andere door hogere kosten voor arbeid, materieel en financiering, lagere tarieven voor teruglevering en lagere subsidiebedragen. Dit is geen specifieke omstandigheid in de regio Utrecht en geldt voor heel Nederland. Binnen het ministerie van KGG wordt daarom ook gekeken naar de subsidiebijdragen in relatie tot het behalen van de doelstellingen. In de regio verkennen wij in hoeverre een maatschappelijke business case en/of publieke deelname de financiële haalbaarheid vergroot. Dit is ook opgenomen in de RES Herijking. Conclusie De zienswijzen geven geen aanleiding om de RES Herijking of het planMER aan te passen.

1.31 Waardevermindering vastgoed door windprojecten (zienswijzen 11, 17, 41) Uit TNO-onderzoek (2022) blijkt dat de waardedaling tot 2030 van huizen in de directe omgeving van de windturbines (tot op een afstand van 2,5 km) 15,5 miljard euro of meer gaat bedragen. Deze ernstige schade aan individuele burgers wordt onvoldoende erkend in het RES-beleid. Nergens op de provinciale begroting wordt hiermee rekening gehouden. Provincie stelt dat je bij waardevermindering ‘wellicht in aanmerking komt voor nadeelcompensatie: te betalen door ‘de initiatiefnemers van het windproject’. Verwacht mag worden dat de provincie zorg draagt voor een fatsoenlijke schaderegeling voor haar inwoners. Beantwoording Zonnevelden en windturbines zijn onderdeel van het energiesysteem van de toekomst en hebben een effect op de fysieke leefomgeving. Het zoveel mogelijk beperken van hinder door energieprojecten is een onderdeel van de lokale uitwerking en ontwikkeling van deze projecten door de initiatiefnemers en bij de vergunningverleningen door overheden. Helaas kan het alsnog voorkomen dat projecten tot planschade leiden voor woningen in de directe omgeving. Bij voorkeur worden hierover vooraf afspraken gemaakt tussen de ontwikkelaar en de mogelijke gedupeerden. Daarnaast kan altijd gebruik worden gemaakt van de bestaande planschadeprocedure.

Daarin wordt juridisch bepaald in welke mate een gedupeerde planschade leidt.

20

Conclusie: De zienswijzen geven geen aanleiding om de RES Herijking of het planMER aan te passen.

1.32 Lokaal eigenaarschap (zienswijze 29 Energiecoöperatie Bunnik) Indiener vraagt voor opwekprojecten aandacht voor de randvoorwaarde van lokaal eigenaarschap. Zij stelt dat een inspanningsverplichting voor 50% lokaal eigenaarschap alleen resultaat oplevert als het initiatief tot ontwikkeling van opwek (wind of zon) bij de lokale gemeenschap wordt gelegd. Dat vergt iets van gemeenten om dat mogelijk te helpen maken (bijsturen in gebruikelijke aanbestedings- en (ver-)gunningsprocessen). In het licht van de netcongestie lijkt het ons zinnig als de netbeheerders een actief loket hebben voor de begeleiding van deze initiatieven (randvoorwaarden, contractvormen, timing, aansluiting etc.). Alleen dan is >50% of tenminste een ‘fair share’ van lokale gemeenschappen in de installaties denkbaar. Beantwoording Bijna alle gemeenten in de regio Utrecht hebben in beleid vastgelegd dat bij opwekprojecten gestreefd wordt naar (minimaal) 50% lokaal eigenaarschap. Onder de Omgevingswet en de nieuwe Energiewet is het per 1 januari 2026 mogelijk lokaal eigenaarschap in opwekprojecten juridisch af te dwingen met een inspanningsverplichting. Gemeenten en de provincie moeten dit vastleggen in een verordening. Hiervoor bestaan inmiddels modelverordeningen. Dit geeft duidelijkheid voor initiatiefnemers van opwekprojecten en is een toetsingskader bij de beoordeling van plannen.

Bij opwekinitiatieven is een groter aandeel lokaal eigenaarschap (tot 100%) nu ook al mogelijk afhankelijk van de lokale initiatiefnemer. De meeste opwekprojecten worden niet door een gemeente aanbesteed, maar ontstaan op initiatief van een ontwikkelaar (commercieel en/of lokaal/coöperatief) in samenhang met een grondpositie. Het inrichten van een loket is aan de netbeheerder zelf. Voor kennis en ervaring rondom netaansluitingen en contracten verwijzen we naar de beschikbare informatie bij Energie van Utrecht en Energie Samen. Conclusie In de RES Herijking wordt de mogelijkheid van de inspanningsverplichting op grond van de Energiewet toegevoegd. 1.33 Handelwijze provincie en onafhankelijkheid van de onderliggende onderzoeken (zienswijze 30) Indiener stelt vragen bij de handelwijze van de provincie en de onafhankelijkheid van de onderliggende onderzoeken. Beantwoording De zienswijze is gericht op een separaat besluit van de provincie en niet op keuzes in de RES Herijking.

Om tot dit besluit te komen heeft de provincie een uitvoerig proces doorlopen met het opstellen van een Tussenbalans 1 medio 2022 (inclusief brief aan gemeenten hierover), de terinzagelegging van de ontwerp NRD in februari 2023, het uitvoeren van een planMER in het najaar van 2023, een participatieproces met een inwonersraadpleging en burgerforum in het najaar van 2023, een besluit over de meest kansrijke gebieden in januari 2024 (inclusief een brief aan gemeenten hierover) en het opstellen van een Tussenbalans 2 in september 2024 (inclusief een brief aan gemeenten hierover). Al deze stappen hebben geleid tot het besluit van Gedeputeerde Staten in januari 2025. Conclusie: De zienswijze geeft geen aanleiding om de RES Herijking of het planMER aan te passen.

21

2 Specifieke locaties 2.1 De Bilt – Windzoekgebied 67 en enkele zoekgebieden zon (zienswijzen 18, 35 Utrechts en Zuid-Hollands landschap, 39) Indieners vragen om windzoekgebied 67 en enkele zongebieden te schrappen in de RES Herijking. Zij geven aan dat dat deze zoekgebieden midden in de ecologische verbindingszone tussen het Kromme Rijngebied, het Vechtplassengebied en Noorderpark liggen. Op zeer korte afstand ligt het ecoduct onder de A28: een uniek ecoduct met zowel een land- als waterverbinding (de Biltse Grift). Aan de andere zijde van het plangebied liggen verschillende faunapassages onder de Utrechtseweg. Het kan niet de bedoeling zijn dat de functionaliteit van de faunapassages en het ecoduct, en daarmee de robuustheid van het NNN, verloren gaat door verstoring als gevolg van duurzame energieprojecten. Verder ligt locatie 67 in de historische zichtlijnen van 3 landgoederen. Aantasting van een zichtas/zichtrelatie leidt tot een directe aantasting van de waarde van een historische buitenplaats of landgoed. Eén van de belangrijkste zichtlijnen die door het gebied loopt is zelfs het zicht vanaf landgoed Vollenhoven richting de Domtoren. Een groot gedeelte van de beoogde locatie is eigendom van Utrechts Landschap.

Het verstoren en aantasten van natuur en landschap is onverenigbaar met de doelstelling van Utrechts Landschap, waardoor deze locatie niet haalbaar is voor duurzame energie. Tot slot is er mogelijk een knelpunt met de aanvliegroute van helikopter naar het UMC. Beantwoording Het planMER wijst uit dat voor windzoekgebied 67 er aandachtspunten bestaan rondom ecologie, landschap en cultuurhistorie. Voor een aantal criteria op deze thema’s is een negatieve score. Maar overal scoort deze windlocaties beter dan veel andere windlocaties. De gemeenteraad heeft besloten het college opdracht te geven besluitvorming van de raad voor te bereiden ten behoeve van de mogelijke realisatie van windenergie in onderzoeksgebied 67. Als windturbines in dit gebied vergund worden, wordt in de omgevingsvergunning een integrale afweging gemaakt en zal ook een Natuurvergunning (of ontheffing) moeten worden aangevraagd waarbij getoetst wordt op de natuurwetgeving. Conclusie: De zienswijzen geven geen aanleiding om de RES Herijking of het planMER aan te passen.

2.2 Groene Hart – heroverweeg zoekgebieden en bescherm ecologie en landschap (zienswijzen 34 Stichting Groen Hart, 48) Indieners stellen dat de meeste zoeklocaties voor zon en wind in het Groene Hart er bij het MER-onderzoek niet goed afkomen. De meeste locaties krijgen op meerdere punten de meest negatieve score (relevante aantasting van Natura 2000, NNN, beschermde flora en fauna en cultuurhistorische waardevolle elementen in het landschap). Aantasting die niet via aanpassingen voorkomen kunnen worden. Indieners bepleiten dat locaties die op meerdere onderdelen zwaar negatieve scoren moeten vervallen. Dit houdt in dat voor het Groene Hart gezocht moet worden naar andere dan de technisch-economisch meest rendabele oplossingen. Immers we tasten de natuur aan in een poging die te beschermen. Indieners vragen aanvullende aandacht te schenken aan: de ecologische en landschappelijke waarden van de nieuwe uiterwaarden langs de Lek, de hoge archeologische waarde van oude stroomruggen en interferentie van clusters van windturbines in het open Groen Hart. Beantwoording Bij veel van de zoekgebieden in het Groene Hart gaat het om zoekgebieden die (veel) ruimer zijn dan het boogde ruimtebeslag van beoogde zonnevelden en windturbines. Dat geeft de ruimte om binnen de 22

zoekgebieden met het ontwerp te zoeken naar de meest optimale inrichting waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met ecologie, landschap en cultuurhistorie. In het planMER is voor de zoekgebieden zon een geoptimaliseerde variant onderzocht waarbij de begrenzing zodanig is aangepast dat binnen de zoekgebieden o.a. Natura2000- of NNN-gebied afvalt. Daaruit blijkt dat binnen de geoptimaliseerde zoekgebieden de beoogde opwekpotentie gerealiseerd kan worden. In het planMER zijn de zoekgebieden beoordeeld op een regionaal abstractieniveau. Als een initiatiefnemer een zoekgebied wil ontwikkelen zal verdiepend onderzoek worden uitgevoerd. In dat verdiepend onderzoek wordt gedetailleerder gekeken naar varianten voor de precieze opstelling en inrichting. In het onderzoek wordt specifieke gekeken naar effecten op ecologie, landschap en cultuurhistorie en aanvullende maatregelen om deze effecten zoveel mogelijk te voorkomen/beperken. Hierbij worden belanghebbenden betrokken. Als zon- en windprojecten in dit gebied vergund worden, wordt in de omgevingsvergunning een integrale afweging gemaakt en zal ook een Natuurvergunning (of ontheffing) moeten worden aangevraagd waarbij getoetst wordt op de natuurwetgeving. Conclusie: De zienswijzen geven geen aanleiding om de RES Herijking of het planMER aan te passen.

2.3 De Ronde Venen – schrap zon in weidevogelkerngebieden een heroverwegen het zonbeleid (zienswijzen 15, 20, 35 Utrechts en Zuid-Hollands landschap) Indieners vragen om de zonzoekgebieden 10 a t/m f, in meerdere de Ronde Venen (10 a tot en met 10 f) te schrappen omdat deze zoekgebieden in weidevogelkerngebied liggen. Daarnaast vraagt een indiener om een heroverweging van het gepande zonneveld Kreekruggen in Mijdrecht. Het charmante karakter wordt door dit zonneveld geruïneerd en het leefgebied van natuur wordt aangetast. Daarnaast is het gemeentebestuur van De Ronde Venen volledig afwezig in dit proces en houdt zij zich afzijdig. En voelen de omwonenden zich gedwongen om zonder enige kennis te moeten overleggen met een doorgewinterde energie multinational met specialistische kennis. Zonder dat de ontwikkelaar financiële informatie verstrekt moeten zij met hen tot overeenstemming komen en invulling van 50% lokaal eigenaarschap. Dit wordt ervaren als een frustrerende gang van zaken. Uit het referendum in De Ronde Venen bleek dat de meeste mensen geen windmolens willen. Volgens indieners is het onjuist dat de gemeente daarop heeft geconcludeerd dat men dus zonnevelden wil. Beantwoording De zoekgebieden voor zonnevelden in De Ronde Venen zijn grote gebieden waar het mogelijk is om zonnevelden te realiseren.

Per zoekgebied is er een limiet gesteld aan het oppervlakte zonnevelden dat er gerealiseerd mag worden. Dat geeft ruimte om binnen de zoekgebieden te zoeken naar geïnteresseerde grondeigenaren en naar de meest optimale locatie waarbij weidevogelkerngebied zoveel mogelijk kan worden ontzien. In het weidevogelkerngebied van De Ronde Venen is op een klein deel van de oppervlakte sprake van zwaar of nat weidevogelbeheer door agrariërs. Als een initiatiefnemer wil ontwikkelen in weidevogel kerngebied, dan dient deze vooraf de impact van het zonneveld op de aanwezig weidevogels te bepalen volgens de handreiking van de provincie. Bij vergunningverlening wordt dit getoetst door zowel de gemeente als de provincie. Wanneer voor de ontwikkeling compensatie nodig is, moet de initiatiefnemer de noodzakelijke weidevogel beheermaatregelen onderbrengen bij agrariërs of andere partijen zo dicht mogelijk bij de locatie van het zonneveld. De gemeente ziet hierop toe. Het beleid Grootschalige Zonnevelden is op 20 april 2023 unaniem door de gemeenteraad van De Ronde Venen goedgekeurd na een referendum en uitgebreide maatschappelijke discussie. Daarin zijn zoekgebieden aangegeven en is ook het ontwikkelproces van zonnevelden afgesproken. Dat proces start met een

23

geïnteresseerde grondeigenaar en een initiatiefnemer. De laatste is daarbij verantwoordelijk voor de ontwikkeling tot aan de vergunningaanvraag. De gemeente voert dat beleid nu uit. Daarbij is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor de ontwikkeling van zowel het park als het organiseren van het lokale eigendom. De gemeente keurt het participatieplan goed en faciliteert onderlinge contacten, maar heeft verder geen actieve rol bij de ontwikkeling. Wel verstrekt ze op verzoek informatie over het beleid en de randvoorwaarden van de ontwikkeling zowel aan de initiatiefnemer als aan de inwoners. Na afronden van de participatie kan de initiatiefnemer een vooroverleg en daarna een vergunning aanvragen en is de gemeente verantwoordelijk voor de beoordeling van het landschapsplan, de bij het plan horende onderzoeken, de berekening van de weidevogelcompensatie en het plan voor de manier waarop het lokale eigendom wordt gerealiseerd. Conclusie: De zienswijzen geven geen aanleiding om de RES Herijking of het planMER aan te passen.

2.4 Oudewater – windlocatie 7 (zienswijze 35 Utrechts en Zuid-Hollands landschap) Indiener constateert dat windlocatie 7 in weidevogelkerngebied ligt en vraagt locatie te schrappen als zoekgebied. Beantwoording Windlocatie 7 is als zoekgebied afgevallen. Deze locaties is wel onderzocht in het planMER, maar is niet opgenomen in de RES Herijking. Conclusie: De zienswijze geeft geen aanleiding om de RES Herijking of het planMER aan te passen.

2.5 Oudewater – Montfoort, wind zoekgebied 8 (zienswijzen 2, 17, 26 landgoed Linschoten, 41, 42 landgoed Linschoten, 44, 45, 46, 47, 48, 49, 50) Indieners geven aan dat met de gemeente 3,5 jaar is gepraat over een zonnepark op deze locatie wat heeft geleid tot een goed plan. Provincie neemt begin 2025 een besluit over windturbines, op 4 maart krijgen indieners een brief dat deze turbines er definitief komen en 31 maart mogen indieners meedenken over de precieze plaats, de hoogte en de hoeveelheid. Indieners stellen dat zij over de nieuwe windturbineplannen van de Provincie nog geen twee maanden mocht meepraten en moet tekenen bij het kruisje. Indieners verzoeken om locatie 7 te heroverwegen. Omdat bebouwing hier aanmerkelijk verder weg ligt van de windturbines. Alle woningen 1 km of meer van de windturbines t.o.v. 300 tot 500 m in gebied 8. Bij een toekomstige afstandsnorm van twee keer de tiphoogte valt (een deel van) gebied 8 al af. Verzocht wordt om de gezondheidseffecten voor omwonende serieus te nemen. Daarnaast heeft gebied 7 naar de toekomst toe ook een hogere opwekpotentie dan gebied 8. Indieners zijn bezorgd dat het open landschap op deze locatie verdwijnt. Een landschap met natuurwaarden waarvoor mensen eeuwlang zorg hebben gedragen om het te behouden. Daarnaast concurreert windenergie op deze locatie met het door de gemeente Oudewater beoogde zonneveld.

Aanwijzing van windlocatie 8 gaat in tegen de ambities en de aan het landschap en het landgoed Linschoten toegekende waarden. Zo is de ‘zichtlijn van Zocher’ op alle niveaus beschermd, op Rijksniveau via de monumentale status en op provinciaal en gemeentelijk niveau via respectievelijk de cultuurhistorische atlas en waardenkaart. De zichtlijn is een essentieel onderdeel van de cultuurhistorische/monumentale waarde van het landgoed! Daarnaast doen windturbines afbreuk op de beschermwaardige openheid van het Landschap 24

Groene Hart. Het landgoed voert een actief beleid als het gaat om de doelen van het Utrechts Plan Landelijk Gebied en is hierover actief met de provincie en andere partijen in gesprek. In 2024 is aangrenzend aan deelgebied 8 met SKNBL-subsidie van de provincie natuurgebied De Schrale ingericht. De aanwijzing van deelgebied 8 in de RES Herijking en plan-MER doet daar afbreuk aan. Beantwoording Het besluit van de provincie om windenergie mogelijk te maken in dit gebied is een eerder besluit. Het besluit draagt bij aan de RES doelstellingen en is als lopende ontwikkeling beschreven in de RES Herijking. In de RES Herijking worden geen keuzes gemaakt over dit besluit. De zienswijze richt zicht dus feitelijk niet op de RES Herijking maar op het besluit van de provincie. In het provinciale proces voor deze locatie zal op termijn een ontwerp-projectbesluit genomen worden. Het is mogelijk zijn om zienswijzen in te dienen op dat ontwerpprojectbesluit dat ter inzage zal worden gelegd. Provincie Utrecht heeft voor het gebied 8 besloten de projectprocedure voor windenergie te vervolgen. De provincie is deze procedure in februari 2023 gestart met het ter inzage leggen van een ontwerp NRD. De Nota van Beantwoording hierop is hier te vinden: Nota van beantwoording NRD windenergie.

In het najaar 2023 heeft de provincie een onderzoek naar de milieueffecten van 99 gebieden in de provincie middels een planMER. Hierbij hebben ook een inwonersraadpleging en een burgerforum plaatsgevonden. Gebaseerd op de uitkomsten van het planMER heeft de provincie in januari 2024 een besluit genomen over de meest kansrijke gebieden voor windenergie. Gebied 8 was ook onderdeel van deze meest kansrijke gebieden. Alle gemeenten zijn op de hoogte gesteld van dit besluit en gevraagd om te kijken welke van de gebieden voor windenergie opgepakt konden worden. In september 2024 heeft de provincie bij het besluit over de Tussenbalans 2 aangekondigd dat aanvullende gebieden voor windenergie nodig zijn en dat dit uit de lijst meest kansrijke gebieden gekozen zou worden. In aanloop naar het besluit over de gebieden heeft de provincie in het najaar van 2024 een aantal informatiebijeenkomsten windenergie georganiseerd met als doel inwoners te informeren en gelegenheid te geven om vragen te stellen en zorgen/aandachtspunten te delen. Het participatieproces wordt uitgevoerd conform het provinciaal Beleidskader Lokaal Eigendom en Participatie. Inmiddels heeft in dit kader de startbijeenkomst op 31 maart plaatsgevonden. Eén van de stappen in het participatieproces is het sluiten van een omgevingsovereenkomst.

Hiermee krijgen alle inwoners in de omgeving de kans om mee te doen, zowel in het proces als via lokaal eigendom. Conform het beleidskader zullen inwoners binnen 800 meter en inwoners binnen een straal van 10x tiphoogte betrokken worden. Dit betekent dat ook inwoners van buurgemeenten benaderd zullen worden om mee te doen. Ook grondeigenaren zullen een belangrijke rol vervullen in de totstandkoming van een omgevingsovereenkomst. Gedurende het participatieproces zullen inrichtingsvarianten onderzocht worden met de opstelling en afmeting van de windturbines. Deze varianten worden beoordeeld op hun effecten voor o.a. geluid, slagschaduw en gezondheid, maar bijvoorbeeld ook op hun effecten voor ecologie, landschap en culthistorie. En dus ook op de effecten voor landgoed Linschoten. Omdat het hier om concrete inrichtingsvarianten gaat is het onderzoek verdiepend ten opzichte van het planMER. Op basis van de omgevingsovereenkomst en het inrichtingsontwerp met de onderliggende verdiepende onderzoeken wordt uiteindelijk door de provincie een projectbesluit genomen. Naar alle waarschijnlijkheid zijn dan ook de nieuwe Rijksnormen voor windturbines vastgesteld en kan daaraan getoetst worden. Conclusie: De zienswijzen geven geen aanleiding om de RES Herijking of het planMER aan te passen.

2.6 Stichtse Vecht - Wind zoekgebied 43 (zienswijze 28 Stichting Red Hoeker-Garstenpolder, 40)

25

Indiener maakt bezwaar tegen de aanwijzing van windlocatie 43 door de provincie. De gemeente wil haar opwekbijdrage realiseren met zonne-energie. Indiener is het niet eens met het prematuur verhogen van de RES-ambities en daarmee samenhangend het beoogde projectbesluit van de provincie. Bestuurlijke dwang door de provincie kan niet aan de orde zijn omdat landelijk de 35 TWh ruim gehaald wordt. Inzet van bestuurlijk hulpmiddel Route 35 en bijbehorend projectbesluit is dan ook niet aan de orde. Door de aanwijzing van locatie 43 worden de bewoners van de Hoeker-en Garstenpolder geconfronteerd met ingrijpende wijzigingen in hun directe leefomgeving. Het overgrote deel verzet zich hiertegen vanwege ernstige hinder en nadelige (gezondheids)effecten. Het is de verantwoordelijkheid van het provinciebestuur om bij dit soort vergaande besluiten altijd te kiezen voor een proces van zorgvuldigheid door rekening te houden met de verwachte nadelige effecten. Hiervoor ontbreken momenteel adequate afstandsnormen. Lagere overheden (dus de provincies) mogen hun ‘eigen’ normen vaststellen totdat nieuwe normen zijn vastgesteld. Het is sterk de vraag of in besluitvorming tijdens deze overbruggingsperiode de voortschrijdende inzichten worden betrokken die in de komende maanden door het RIVM zullen worden gepubliceerd.

Nalaten van het betrekken van nieuwe inzichten in de besluitvorming en het niet pauzeren van de besluitvorming bij ernstige twijfel omtrent mogelijke effecten, is strijdig met het hanteren van het voorzorgsprincipe. Overheden worden geacht zich daaraan te houden, zeker als het gaat om gezondheidsvraagstukken. In opdracht van de ministeries van EZ en KGG brengt het RIVM elk kwartaal een update uit van nieuwe wetenschappelijke literatuur over windturbines en gezondheid. Dit zal in 2025 worden samengebracht en wanneer nodig wordt de factsheet over gezondheid aangepast. In 2024 heeft het RIVM-opdracht gekregen van de ministeries van EZ en KGG om nieuwe blootstelling/respons-relaties af te leiden. De beleving van bewoners is onderdeel van dit project. Er wordt gekeken naar ervaren hinder of slaapverstoring. De verwachte oplevering van deze studie is in 2026. De conclusies in het erfgoedrapport (HIA) zijn volgens indiener aanvechtbaar. De waarnemingspunten en zichtlijnen blijken zodanig gekozen, dat de effecten van plaatsing van windturbines in het inundatiegebied van fort Nigtevecht (zoekgebied 43) gering lijken. Zouden andere waarnemingspunten gekozen worden, dan blijkt juist sprake te zijn van een zeer grote visuele impact. Beantwoording Het besluit van de provincie om windenergie mogelijk te maken in dit gebied is een eerder besluit.

Het besluit draagt bij aan de RES doelstellingen en is als lopende ontwikkeling beschreven in de RES Herijking. In de RES Herijking worden geen keuzes gemaakt over dit besluit. De zienswijze richt zicht dus feitelijk niet op de RES Herijking maar op het besluit van de provincie. In het provinciale proces voor deze locatie zal op termijn een ontwerp-projectbesluit genomen worden. Het is mogelijk zijn om zienswijzen in te dienen op dat ontwerp-projectbesluit dat ter inzage zal worden gelegd. Provincie Utrecht heeft voor het zoekgebied 43 besloten het initiatief te nemen voor een provinciale projectprocedure voor windenergie omdat de provincie in haar Tussenbalans 2 van september 2024 concludeert dat er onvoldoende concrete projecten zijn om het RES doel in 2030 te kunnen behalen. Om het provinciale doel van 55% hernieuwbare elektriciteit in 2030 te halen, dat is vastgesteld in de Provinciale Omgevingsvisie, concludeerde de provincie dat aanvullende plannen nodig waren. De provincie heeft daarom gekozen om dit besluit over gebied 43 te nemen op basis van haar rol als bevoegd gezag bij windenergie. Er is daarmee ook geen sprake van de inzet van Route 35. Het participatieproces wordt uitgevoerd conform het provinciaal Beleidskader Lokaal Eigendom en Participatie. Eén van de stappen in het participatieproces is het sluiten van een omgevingsovereenkomst.

In het participatieproces krijgen alle inwoners en grondeigenaren in de omgeving de kans om mee te doen, zowel in het proces als via lokaal eigendom. Gedurende het participatieproces zullen inrichtingsvarianten onderzocht worden met de opstelling en afmeting van de windturbines. Deze varianten worden beoordeeld op hun effecten voor o.a. geluid, slagschaduw en gezondheid. Daarbij worden nieuwe inzichten die beschikbaar komen betrokken. Op basis van de omgevingsovereenkomst en het inrichtingsontwerp met de onderliggende verdiepende onderzoeken wordt uiteindelijk door de provincie een projectbesluit genomen. 26

Naar alle waarschijnlijkheid zijn dan ook de nieuwe Rijksnormen voor windturbines vastgesteld en kan daaraan getoetst worden. Vooropgesteld is de HIA geen onderdeel van de RES Herijking U16. Er zijn 4 zichtpunten gekozen op basis van het rapport voor de visuele integriteit van de Hollandse Waterlinies. Daarbij zijn voor 2 zichtpunten nog twee uitgangsafbeeldingen geselecteerd die een beeld geven van de impact op de Hollandse Waterlinies. In de fase van een projectbesluit van dit gebied zal vervolgonderzoek nodig zijn met definitieve turbineposities om het effect op de Hollandse Waterlinies te beoordelen. Conclusie: De zienswijze geeft geen aanleiding om de RES Herijking of het planMER aan te passen.

2.7 Utrecht – Windlocatie Lage Weide in relatie tot gezondheid (zienswijze 21 Milieugroep Zuilen, 32, 33, 37, 41) Indieners geven aan dat er nog geen wetenschappelijk onderbouwde duidelijkheid is over de gezondheidsrisico’s door bijvoorbeeld slaapverstoring vanwege het geluid van de windturbines. Zij stellen dat vanuit het voorzorgsbeginsel geen windprojecten moeten worden ontwikkeld naast woonwijken met tienduizenden potentieel gezondheidsbenadeelden zonder dat onomstotelijk vaststaat dat er geen impact is op de gezondheid. 10 jaar geleden is een windplan in hetzelfde gebied niet doorgegaan. Daarbij speelde het belang van omwonenden een grote rol. De afgelopen jaren is er steeds meer duidelijk geworden over de negatieve invloed van windturbines op de levenskwaliteit van omwonenden. De nu beoogde windturbines zijn 100 meter hoger dan de turbines van 10 jaar geleden. En desondanks wordt nu wel gekozen voor deze locatie. Indiener heeft het gevoel dat politieke druk bepalend is in dit proces en voorziet een voorziet een verdere aantasting van het imago van de politiek en daardoor verder groeiend wantrouwen en onbehagen, juist omdat dit zo direct zal inbreken in de levenssfeer van vele mensen. De gemeente wil een stad waarin gezondheid en leefbaarheid voorop staat en de provincie onderkent dat een gezonde leefomgeving de gezondheid van onze inwoners bevordert.

Het beschermt tegen de negatieve effecten op hun gezondheid en beperkt de risico’s vanuit de leefomgeving. Dit zien de indieners niet terug in de besluitvorming over het windpark in Lage Weide. Dit gebied scoort in het planMER zwaar negatief op het beoordelingscriterium leefomgeving (inclusief gezondheid) en dit geldt voor duizenden inwoners rondom locatie Lage Weide. Gezondheid staat hier niet voorop. Indiener wordt graag meegenomen in de reactie van de Commissie MER over deze planMER. De Commissie adviseerde (3719. Windenergie provincie Utrecht) “om het rapport aan te vullen en daarna pas over te gaan tot verdere besluitvorming. De provincie heeft aangegeven het advies van de Commissie over te nemen”. Welke adviezen zijn overgenomen en wat is daar het tastbare bewijs van? Over het PlanMER van de gemeente Utrecht (3704. Beleidsnota opwekgebieden voor schone energie in Utrecht) was de commissie erg duidelijk: “Verbeter het rapport eerst en neem daarna pas een besluit over de locaties waar de windturbines, zonnepanelen en geothermische bronnen moeten komen”. Dit advies is niet overgenomen toen de Nota werd vastgesteld. Waarom niet? Het planMER t.b.v. de Beleidsnota Schone Energie van de gemeente Utrecht heeft de zorgen zeker niet weg kunnen nemen. •

Uit het planMER RES U16 blijkt dat het aandeel geluidgevoelige objecten binnen een kilometer voor dit zoekgebied bijna 10-maal hoger is dan het gemiddelde voor alle zoekgebieden. Weegt dit nog wel op tegen de voordelen? Helemaal omdat het maar om twee windturbines gaat?

•

Volgens verschillende bronnen, waaronder een rapport van het RIVM, hebben windturbines een negatief effect op de gezondheid van omwonenden en is het belangrijk om genoeg afstand te hebben tussen

27

windturbines en woonwijken. In geval van zoekgebied Lage Weide worden 2589 huishoudens binnen een straal van 500 meter en zelfs 5544 huishoudens binnen een straal van 1000 meter geteld. Zijn de gezondheidseffecten voor deze huishoudens goed onderzocht? •

Aangegeven wordt dat er tot op heden onvoldoende bewijs is voor directe gezondheidseffecten veroorzaakt door windturbines. Waarop baseert u dit? Is dit op basis van het Nivel rapport? Want daar zijn grote kanttekeningen bij. Er is gebruik gemaakt van huisartsendossiers die er niet geschikt zijn omdat met postcodegebieden wordt gewerkt van 5 km (PC4).

•

Zoekgebied Lage Weide scoort negatief scoort op leefbaarheid. Hoe verhoudt leefbaarheid zich tot de andere criteria? Is leefbaarheid minder belangrijk dan andere criteria?

•

Er is participatie gevraagd door omwonenden en meer voor klimaat en natuurorganisaties. Milieugroep Zuilen is bijvoorbeeld niet tijdig op de hoogte gesteld.

•

In het planMER staat dat Lage Weide 47 scoort op opwekking. Dit is in vergelijking tot de andere gebieden al een van de lagere scores. Is hier al rekening gehouden met mitigerende maatregelen? Volgens de Planmer van de gemeente Utrecht kan alleen met mitigerende maatregelen de windturbines worden gebouwd. Maar dit zorgt ook voor minder opbrengst. Is er dan nog wel een positieve business case? Eerder is gekeken of er windturbines kunnen worden geplaatst op Lage Weide en het antwoord was nee, omdat er geen positieve business case mogelijk was. Wat is er nu anders?

Beantwoording Op basis van een brede politieke afweging is in het verleden niet besloten tot het realiseren van wind in Lage Weide. Dat was niet op grond van gezondheidseffecten. Recentelijk is met de beleidsnota opwekgebieden zon en wind door de gemeenteraad opnieuw een afweging gemaakt en is besloten wel wind te ontwikkelen in Lage Weide. Hier ligt o.a. de planMER van de gemeente Utrecht aan ten grondslag. De commissie van de milieueffectrapportage (de commissie MER) heeft tweemaal advies gegeven. Op de eerste versie van het planMER heeft de commissie MER nog een aantal opmerkingen gegeven. In een nieuwe versie zijn deze opmerkingen verwerkt. In de publicatie van het planMER van 26 juni 2024 heeft de commissie MER haar definitieve advies op de verbeterde versie gegeven. De commissie is positief en vindt dat de milieueffecten volwaardig zijn meegenomen. Hiermee is het volgens het oordeel van de commissie een gedegen onderzoek waarop een besluit genomen kan worden. De volledige reactie van de commissie MER staat op de volgende website Adviezen - Commissiemer.nl Voor het planMER van de provincie Utrecht is het besluit waar in het advies van de Commissie MER over het planMER windenergie provincie Utrecht gesproken wordt nog niet genomen. Het advies zal meegenomen worden in de projectbesluiten voor windenergie die de provincie mede op basis van dit planMER zal nemen.

De provincie Utrecht heeft op basis van het planMER windenergie een besluit genomen over de meest kansrijke gebieden windenergie. Van de 99 onderzochte gebieden in de hele provincie Utrecht zijn er 27 naar voren gekomen als meest kansrijk. Het gebied Lage Weide staat ook in de lijst meest kansrijke gebieden en scoorde dus relatief goed ten opzichte van andere gebieden in de provincie. Zie voor meer informatie de onderbouwing die hiervoor is gemaakt: 1-Onderbouwing-lijst-meest-kansrijke-gebieden-windenergiePUv2.pdf. Het RIVM stelt dat hinder en slaap de meest onderzochte effecten van windturbinegeluid zijn. Sinds een aantal jaren is er meer onderzoek beschikbaar over de effecten op het hartvaatstelsel en de stofwisseling. Uit het overzicht van de wetenschappelijke onderzoeken blijkt dat er een duidelijke relatie bestaat tussen het geluidniveau van windturbines en hinder. Er is geen eenduidig bewijs gevonden voor een relatie met slaapverstoring: met andere woorden de ene studie vindt wel een effect en de andere niet. Voor andere gezondheidseffecten zoals hart- en vaatziekten, stofwisselingsstoornissen, mentale gezondheid en cognitieve effecten is niet voldoende bewijs gevonden. Dit kan betekenen dat er geen relatie is, er nog onvoldoende onderzoek gedaan is, het onderzoek van lage kwaliteit is, of dat er tegenstrijdige resultaten zijn (zie RIVM).

Op de website van de GGD staat meer informatie over de gezondheidseffecten van windmolens en over geluidsoverlast in het algemeen.(ggdleefomgeving.nl)

28

Er bestaat geen limiet aan de hoeveelheid huishoudens binnen een bepaalde straal van een windturbine (er zijn wel normen voor geluid en slagschaduw en in de toekomst mogelijk een afstandsnorm, maar er is geen limiet aan huishoudens binnen een bepaalde afstand van een windturbine). Het is een politieke beslissing wat acceptabel is of niet. Met het vaststellen van de Beleidsnota opwekgebieden zon en wind (12 december 2024) door de gemeenteraad van Utrecht is deze afweging in eerste instantie al gemaakt. In het vervolgproces bij Lage Weide waar de precieze locaties van de windmolens verder worden uitgewerkt komt dit onderdeel terug. Nee de planMER maakt geen gebruik van het NIVEL rapport. We doen een beroep op de GGD en het RIVM en de gepubliceerde wetenschappelijke literatuur. Leefbaarheid is een belangrijk thema zoals ook vele andere thema’s. Uiteindelijk is het een politieke afweging welk thema het zwaarst meespeelt. De gemeenteraad van Utrecht heeft met het vaststellen van de beleidsnota opwekgebieden zon en wind (12 december 2024) daarover een besluit genomen. In het vervolgproces bij Lage Weide waar de precieze locaties van de windmolens verder worden uitgewerkt komt dit onderdeel terug. Participatie over het zoekgebied wind Lage Weide heeft in aanloop naar de vaststelling van de beleidsnota opwekgebieden zon en wind door de gemeente Utrecht plaatsvonden.

In de RES- U16 hebben we afgesproken om de participatie met regionale partijen op regioniveau te doen en de participatie over specifieke gebieden bij gemeenten te laten. Bij de verdere uitwerking van het zoekgebied gaat gemeente Utrecht samen met inwoners, ondernemers en organisaties in een integraal gebiedsproces en kijken we hoe energie opwekken kan worden gecombineerd met andere maatschappelijke opgaven zoals groen, sport, bedrijven en andere voorzieningen en kijken we hoe mogelijke overlast beperkt kan worden. Op het niveau van het planMER provincie is geen rekening gehouden met productieverlies en specifieke mitigerende maatregelen. In het provinciale planMER zijn realistische opstellingen onderzocht, maar dit zijn niet de technisch maximale opstellingen. Het zou dus kunnen dat er meer opgewekt kan worden waar rekening mee is gehouden in het planMER. Een businesscase berekening maakt geen onderdeel uit van het planMER en daar kunnen dus ook op basis van het planMER geen conclusies over getrokken worden. In de komende tijd wordt door gemeente Utrecht uitgezocht of er een haalbaar initiatief in het gebied kan worden ontwikkeld. Conclusie: De zienswijzen geven geen aanleiding om de RES Herijking of het planMER aan te passen.

2.8 Vijfheerenlanden - wind zoekgebied 59 (zienswijzen 4, 5, 6, 7, 10, 12 Vereniging De Heerlijkheid van de Tien Hoven, 16, Zienswijze 35 Utrechts en ZuidHollands landschap) 6 identieke zienswijzen maken bezwaar tegen de aanwijzing van zoekgebied 59 als potentiële locatie voor windturbines (door gemeente en provincie Utrecht). Het bezwaar richt zich op ecologische risico’s en procedurele onvolkomenheden in de onderbouwing van het PlanMER Windenergie (provincie Utrecht). Indieners verzoeken de aanwijzing van zoekgebied 59 te laten vallen. Onderstaand wordt nader ingegaan op de bezwaren. Utrechts en Zuid-Hollands landschap constateren dat zoekgebied 59 (en ook zoekgebied 57) grenzen aan NNN-gebied en/of deels liggen in weidevogelkerngebied. Indiener vraagt de zoekgebieden te verkleinen en daarmee de impact op het NNN en weidevogelkerngebied te voorkomen

Ecologische bezwaren en strijdig met NNN-beleid Het zoekgebied ligt binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en werd aanvankelijk niet als voorkeurslocatie aangemerkt door de provincie Utrecht door de negatieve ecologische impact en conflicten

29

met NNN-beleid. De locatie heeft daarnaast ook effect op het in 2024 ingerichte natuurcompensatiegebied “Boven-Altena”. Indieners dragen aan dat in het planMER Windenergie alleen gebruik is gemaakt van de landelijke vogelkaarten. Dit weerspiegelt niet de actuele populaties en vliegbewegingen van kwetsbare en beschermde soorten in dit gebied. Aangegeven wordt dat de regionale vogelkaarten van de provincie gebruikt moeten worden. Indieners geven aan dat uit de regionale vogelkaarten blijkt dat zoekgebied 59 een zeer grote mate van gevoeligheid kent voor windturbines. En dat dit ten onrechte niet (juist) is meegenomen in de multicriteria-analyse, specifiek op de scores voor “Score niet-broedvogels”, “Score soortbescherming broedvogels” en “Score soortbescherming niet-broedvogels”. Daarnaast maken de indieners bezwaar tegen de volgende onderdelen/onvolkomenheden: •

Omgeving: De landschappelijk aantasting door de windturbines is niet weergegeven.

•

Technisch: Inpassing in het stroomnet is niet vast te stellen. Afmeting en andere kengetallen van turbines ontbreken. De lijnopstelling van turbines is in de praktijk een natuurkundige resonantie-configuratie die volledig buiten de onderzoeken is gehouden.

•

Financieel: Een referentie- rendementsberekening ontbreekt. Ook een berekening die gebaseerd is op de lokale energievraag en netcapaciteiten ontbreekt.

•

Bestuurlijk/ Juridisch: -

De planMER Windenergie maakt gebruik van zgn. normopvulling met betrekking tot geluidshinder wat voor zoekgebied 59 extra belastend is.

-

Het zgn. burgerforum is niet a-selectief tot stand gekomen en heeft (veel) te weinig deelnemers om representatief te zijn m.b.t. de besluitvorming rond de zoekgebied 59.

-

De bestuurlijke bouwstenen voor na 2030 kunnen geen rechten ontlenen aan de procedure van RES 1.0. De nieuwe Elektriciteitsnet legt het bevoegd gezag voor zoekgebied 59 bij de gemeente.

Beantwoording Gebied 59 is door de provincie aangewezen als ‘meest kansrijk gebied’ omdat het een gemeentelijk voorkeursgebied is. Het volgt niet uit de onderzoeken van het planMER Windenergie (provincie), maar uit het gemeentelijke traject hiervoor. In de planMER Windenergie (provincie) heeft locatie 59 een aantal negatieve scores op ecologische en landschappelijke beoordelingscriteria waaronder NNN. Dit hoeft de ontwikkeling van wind op deze locatie niet in de weg te staan. Het betekent wel dat er nader onderzoek nodig is en dat bij de planuitwerking aandacht moet zijn voor het zoveel mogelijk beperken van negatieve effecten. Daarbij zou bijvoorbeeld gekeken kunnen worden naar de opstellingen en de afmeting van turbines en een gerichte stilstandvoorziening. Dit nader onderzoek vindt plaats in een projectMER dat door de gemeente en omwonenden (lokale besturen) voor deze locatie wordt opgestart. In een projectMER wordt een locatie gedetailleerder onderzocht dan bij de planMER waar op een meer regionale schaal / hoger abstractieniveau naar locaties worden gekeken. Het klopt dat voor het planMER de SOVON RES-kaarten zijn gebruikt en niet de provinciale SOVON kaarten. De hoofdlijnen van deze twee kaarten komen overeen en bij beide kaarten is SOVON data gebruikt.

Er zijn kleine verschillen tussen de twee kaarten, waarbij op hoofdlijnen te stellen is dat de provinciale kaarten resulteren in meer blokken met hogere dichtheden vogels. Dat betekent niet dat de provinciale kaarten beter zijn of dat de RES-kaarten onvoldoende inzicht geven om gebieden onderling te vergelijken in een planMER. In het projectMER worden de provinciale kaarten met meer nuance betrokken. In het planMER Windenergie) is uitgegaan van een opstellingsvariant. In het projectMER worden alternatieven met verschillende opstellingsvarianten en afmetingen onderzocht. Daarbij wordt ook gekeken naar optimalisatie ten opzichte van NNN-gebied en weidevogelkerngebieden. De varianten worden o.a. beoordeeld op effecten voor landschap en ecologie. Per alternatief wordt ook de geluidsbelasting in beeld gebracht. Ook een rendementsberekening is onderdeel van een projectMER. 30

Mede op basis van het projectMER en een integrale afweging neemt de gemeente Vijfheerenlanden een besluit of op deze locatie windturbines mogen worden gerealiseerd. Het burgerforum dat advies heeft gegeven aan de provincie over criteria bij de keuze van windenergiegebieden is door een onafhankelijk bureau geselecteerd en begeleid. Hiervoor zijn 30.000 inwoners uit provincie Utrecht willekeurig en in verhouding van aantal inwoners per gemeente per brief uitgenodigd voor een online raadpleging waarin ze zich konden aanmelden voor het burgerforum. Naast de uitnodiging per brief is via (sociale) media een open link gedeeld waarmee inwoners uit provincie Utrecht mee konden doen. Het onafhankelijke bureau heeft op basis van een gewogen loting de selectie gemaakt van de deelnemers aan het burgerforum. Conclusie: De zienswijzen geven geen aanleiding om de RES Herijking of het planMER (regio) aan te passen.

2.9 Vijfheerenlanden – locatie 48 (zienswijze 22, WindturbineVrij Lexmond) Indiener bepleit dat de gemeenteraad locatie 48 niet heeft aangewezen als zoekgebied. Het planMER suggereert dat dat wel het geval is. Daarnaast geeft de indiener aan dat bij de beoordeling in het planMER van deze locatie onvoldoende rekening is gehouden met de toekomstige woonwijk Lexmond Oost. Daarnaast moet meer aandacht zijn voor de 1%-mortaliteitsnorm voor de purperreigerkolonie en voor de impact op het kleinschalige cultuurlandschap. Verder ontbreekt in de beoordeling de boringsvrije zone t.b.v. drinkwaterwinning waardoor funderingswerken dieper dan 3m niet zijn toegestaan Beantwoording Het is juist dat locatie 48 niet is aangewezen als zoekgebied. Deze locatie is wel als zoekgebied onderzocht in het planMER, maar is niet opgenomen in de RES Herijking. Conclusie: De zienswijze geeft geen aanleiding om de RES Herijking of het planMER aan te passen.

2.10 Woerden – zonzoekgebied 69 (OER A12) (zienswijze 31) Indiener geeft aan dat het zoekgebied voor zon versnipperde landbouwgronden zijn met veel verschillende eigenaren waarop het moeilijk is een rendabel zonnepark van minimaal 12 ha te realiseren. Indiener doet de suggestie dat er meer ruimte voor een zonneveld is in combinatie met windzoekgebied 24. Dan kunnen ook de noodzakelijke accu’s gecombineerd en efficiënter worden benut. Indiener verzoekt zon en wind te combineren en verwacht dat er ook meer draagvlak is voor zon nabij het windpark omdat het niet in nabijheid van woningen is. Dit in tegenstelling tot zonlocatie 69. Beantwoording Zoekgebied 12 valt onder het OER-traject A12. In dit traject wordt gekeken naar de mogelijkheid van opwek van energie op rijksgronden. In dit geval in de berm van de A12. Het gaat hier dus om gronden in eigendom van Rijkswaterstaat en niet om agrarische gronden. In de OER-trajecten gaat het in de meeste gevallen om kleine percelen. Door het combineren van kleine percelen in een project en ook te zoeken naar mogelijkheden om de deelprojecten slim aan te sluiten op het net wordt de haalbaarheid geoptimaliseerd.

31

Energetisch gezien geeft het veel voordelen om opwek met wind en zon te combineren. Het is aan de initiatiefnemer van het windzoekgebied en aan de gemeente of er (beleids)ruimte is om wind en zon op deze plek te combineren. Conclusie: De zienswijze geeft geen aanleiding om de RES Herijking of het planMER aan te passen.

2.11 Zeist - zoekgebied Zeist (zienwijze 18, 35 Utrechts en Zuid-Hollands landschap) De indiener maken zich zorgen of bij zonnevelden ter hoogte van A12 of A28. De zoekgebieden liggen gedeeltelijk in NNN-gebied en liggen in een gebied dat onderdeel van de ecologische verbindingszone van het Kromme Rijngebied naar het Vechtplassengebied. Gevraagd wordt om bij de uitwerking expliciet rekening te houden met de ecologie en om zoekgebieden binnen NNN-gebied te verkleinen zodat geen negatief effect op NNN optreedt. Beantwoording In de planMER zijn de zoekgebieden op een hoger abstractieniveau beoordeeld. Ook al omdat er nog geen concretere inrichtingsontwerpen beschikbaar zijn. In de nadere uitwerking door initiatiefnemers worden verdiepende onderzoeken (waaronder ecologie) uitgevoerd en op basis daarvan wordt een inrichtingsontwerp uitgewerkt. Daarnaast wordt er zoveel mogelijk rekening gehouden met de ecologische structuren. Zonnevelden binnen de NNN kunnen alleen binnen strikte NNN regelgeving waarbinnen bijvoorbeeld geen verslechtering van natuurwaarden mag optreden. Bij de vergunningverlening (omgevingsvergunning en zo nodig de natuurvergunning) wordt hierop getoetst. Conclusie: De zienswijzen geven geen aanleiding om de RES Herijking of het planMER aan te passen.

32

3 Zienswijzen vanuit gemeenten 3.1 Gemeente Lopik De gemeente Lopik heeft kennis genomen van het document 'RES Herijking Regio Utrecht’ en de bijbehorende bijlagen. De gemeente wil haar tevredenheid uitspreken over het feit dat er in de RES Herijking voor de opwekking van duurzame elektriciteit binnen de gemeente Lopik is gekozen voor een focus op het zoekgebied De Copen en dat op grond daarvan andere genoemde zoekgebieden binnen onze gemeente niet zijn overgenomen in het document van de RES Herijking. Graag onderstreept de gemeente Lopik de ingezette samenwerking met betrokken partijen, zoals ook ondertekend op 9 december 2024, om te komen tot een gezonde invulling van de ambities voor de opwekking van duurzame elektriciteit. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de opwekking van duurzame elektriciteit, maar ook naar het realiseren van een “energyhub” waarmee de knelpunten van netcongestie (deels) kunnen worden opgelost. Beantwoording De zienswijze wordt voor kennisgeving aangenomen. Conclusie: De zienswijze geeft geen aanleiding voor aanpassing van de RES Herijking of het planMER.

3.2 Gemeente Oudewater Via deze zienswijze willen de gemeente Oudewater nogmaals haar ongenoegen delen over het vroegtijdig ingrijpen van de provincie door het inzetten van een projectprocedure voor windenergie in OudewaterMontfoort. Dit besluit gaat in tegen de RES-werkafspraken, het lokale proces en het beleid van de gemeente. Het besluit van de provincie heeft ook directe gevolgen voor de RES Herijking. Naast het inzetten van de projectprocedure heeft de provincie namelijk laten weten dat in het windonderzoeksgebied van de gemeente (gebied 7) niet voldaan kan worden aan de voorwaarden die gesteld worden in de Omgevingsverordening. Daarom zal de potentiële bijdrage van de gemeente Oudewater na 2030 verlaagd moeten worden naar 19 GWh. Gemeente verzoekt de tabel met gemeentelijke bijdragen hierop aan te passen. Beantwoording Met het wegvallen van windgebied 7 valt ook dat deel van de onderbouwing van de bijdrage van Oudewater weg. Dit wordt aangepast in de tabel met gemeentelijke bijdragen. Conclusie: Op basis van de zienswijze wordt in de RES Herijking de tabel met gemeentelijke bijdragen aangepast. 3.3 Gemeente Stichtse Vecht ln de RES U16 zijn in 2021 afspraken gemaakt over de energietransitie. Afspraken over onder andere de warmtetransitie en de opwekking van duurzame energie.

Voor duurzame energieopwekking heeft de gemeente Stichtse Vecht aangegeven in 2030 0,1 TWh duurzame energie op te wekken met zonne-energie. Stichtse Vecht onderschrijft deze ambitie en stuurt op realisatie van het gedane bod om in 2030 deze duurzame energie op te wekken met zonne-energie. Onlangs zijn de criteria voor zonnevelden besproken in de gemeenteraad. Op basis daarvan kunnen initiatiefnemers voor grootschalige zonnevelden een initiatief indienen. Daarnaast had Stichtse Vecht in 2024 de grootste groei van grootschalig zon op dak in de U16. Op 30 januari 2025 is ook de samenwerkingsovereenkomst OER A2-Noord ondertekend om langs de snelweg zonne-energie mogelijk te maken.

33

Duurzame opwekking is niet het enige wat de energietransitie vraagt. ln de (boven) regionale energieinfrastructuur van Flevopolder, Gelderland en Utrecht speelt Stichtse Vecht een cruciale rol met de uitbreiding van 3 grote hoogspanningsstations ter versterking van het landelijke en regionale hoogspanningsnet. Dit legt en zeer groot beslag op het grondgebied van Stichtse Vecht. Daarnaast is Stichtse Vecht zeer actief het (helpen) verduurzamen van woningen en met 100 woningen en tegengaan van energiearmoede. Stichtse Vecht is zich bewust van de noodzaak van de energietransitie en de rol zij daarin moet spelen. De RES Herijking, met een feitelijke beschrijving van de stand van zaken, is niet op zichzelf niet de aanleiding voor een zienswijze. Het handelen van de provincie is dit wel. Het besluit van de provincie om via een provinciaal inpassingsbesluit windturbines te plaatsen is in strijd met de door de provincie voorgestelde uitgangspunten (zoals het zijn gelijkwaardige partners in de samenwerking van 16 gemeenten, 4 waterschappen en de provincie) en houdt onvoldoende rekening met een integrale blik van allerlei verschillende (regionale en landelijke) opgaven.

Deze handelswijze van de Provincie in samenhang met andere opgaven raakt de gemeente Stichtse Vecht direct disproportioneel, aangezien één van de locaties in de gemeente ligt terwijl er ook nog gewerkt wordt aan de realisatie van het door Stichtse Vecht uitgebrachte bod in 2030. Aangezien de provincie in haar onderbouwing van haar besluit rond inpassing van windturbines ten onrechte direct en indirect verwijst naar RES afspraken, is er aanleiding om een zienswijze in te dienen. ln het kader van de RES 1 .0 heeft de provincie geen zelfstandig aanbod gedaan om een bepaalde hoeveel TWh te realiseren via wind en tevens is binnen de RES afspraken de provincie nergens gemachtigd een eventueel tekort op de totale ambitie aan te vullen met windenergie binnen een specifieke gemeente in aanvulling op het gedane (en nog uit te voeren) bod, laat staan als een sanctie. Deze zienswijze roept de RES U16-partners op om uit te spreken dat de provincie buiten de RES afspraken handelt en zelfstandig de spelregels heeft veranderd. Dat is een handelswijze die gevolgen kan hebben voor toekomstige afspraken over de opwekking van duurzame energie. Het besluit van de provincie is onacceptabel en onbegrijpelijk en kan niet gefundeerd zijn op de afspraken in het kader van de RES en moet wat Stichtse Vecht betreft worden teruggedraaid.

Beantwoording De zienswijze is aan de orde geweest in de Stuurgroep van 24 april en is een onderlegger voor verder gesprek in de Stuurgroep gericht op de toekomst over de wijze van samenwerken. Conclusie: De zienswijze geeft geen aanleiding om de RES Herijking of het planMER aan te passen. 3.4 Gemeente Utrechtse Heuvelrug De energievoorziening in Nederland is op dit moment, maar ook in de toekomst, van vitaal belang. Maar het maakt tegelijkertijd ook kwetsbaar. Gemeente Utrechtse Heuvelrug vindt het wenselijk dat onze energievoorziening controleerbaar blijft en vatbaar voor eventueel noodzakelijke ingrepen bij calamiteiten. Maar tegelijkertijd zien zij ook dat investeerders uit niet-democratische en soms zelfs vijandig gezinde landen belangstelling tonen voor het eigendom en beheer van energieopwekking in ons land. Gemeente Utrechtse Heuvelrug vraagt om als RES U16 een discussie hierover te entameren bij de VNG en via de VNG in gesprek te treden met de landelijke overheid met de vraag hoe voorkomen kan worden dat onze energieopwekking ‘in verkeerde handen’ valt. Energieopslag speelt een steeds belangrijkere rol binnen het energiesysteem. Het kan ertoe bijdragen dat netcongestie wordt verzacht en daarmee de woningbouwambities van de gemeenten wat minder worden bedreigd.

In de RES Herijking staat dat de gemeente Utrecht op enkele locaties is gestart met de verkenning voor een maatschappelijke businesscase voor publieke deelname voor opwekprojecten op kansrijke locaties waar “de markt” geen interesse in heeft. Stroomopslag is wel genoemd in de RES Herijking maar hiervoor wordt geen publieke deelname onderzocht. Gemeente Utrechtse Heuvelrug vindt dat publieke deelname in

34

energieopslag vooral bij nieuwbouw van sociale en betaalbare woningbouw en maatschappelijke voorzieningen (als scholen, sport, etc.) serieus te overwegen is. Zij zou dan ook graag zien dat in RES verband de maatschappelijke businesscase van publieke deelname in energie-opslagprojecten wordt onderzocht, waarvoor “de markt” geen interesse heeft (financieel en organisatorisch). Dit geldt ook voor eventuele andere innovatieve oplossingen die voorkomen dat netcongestie een bottleneck voor nieuwbouw van betaalbare woningbouw en maatschappelijke vastgoed wordt. Als gemeente Utrechtse Heuvelrug willen we dan graag participeren in deze verkenningen . Beantwoording Regie en zeggenschap over onze eigen energievoorziening is een groot goed. Dit onderwerp zal worden geagendeerd is de Stuurgroep RES U16. Daarbij zal de boodschap en de beïnvloedingstrategie richting landelijke overheid worden besproken. Realiseren van energie-opslag in een toekomstbestendig energiesysteem staat nog in de kinderschoen en de marktrol van partijen daarin is nog in ontwikkeling. Net als bij opwekprojecten spelen de financiële haalbaarheid en risico’s een rol. De in de RES Herijking aangegeven verkenning in de RES-samenwerking over maatschappelijke businesscase en publieke deelname bij opwekprojecten wordt verbreed met energieopslagprojecten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/646/documents/19858