CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Nota van Beantwoording zienswijzen RES Herijking en planMER RES Herijking_1.pdf

Gemeenteraad 10 juli 2025, gemeente OudewaterBij agendapunt: 13: Raadsvoorstel RES Herijking (185116)17.327 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Nota van Beantwoording zienswijzen RES Herijking en planMER (Definitieve versie 6 mei 2025) Wat staat in deze nota van beantwoording Deze Nota van Beantwoording gaat over de zienswijzen die zijn ingediend op de concept RES Herijking regio Utrecht en het onderliggende concept planMER RES Herijking regio Utrecht. De Herijking en het planMER zijn door alle deelnemende gemeenten en de provincie Utrecht 6 weken ter inzage gelegd in de periode 13 februari tot en met 19 april. In totaal zijn 51 zienswijzen binnengekomen. De zienswijzen worden in deze Nota van Beantwoording beantwoord. Wat gebeurt met de zienswijzen in de besluitvorming De inbreng vanuit de zienswijzen wordt gebruikt om tot een definitief voorstel te komen. Daarbij worden ook het advies van de Commissie voor de MER en wensen en bedenkingen van gemeenten meegenomen. Voor het zomerreces wordt een definitief voorstel ter besluitvorming voorgelegd aan de gemeenteraden, provinciale staten en algemeen besturen van de waterschappen. Deze Nota van Beantwoording is op 24 april 2024 vastgesteld door Stuurgroep RES. Wat is de RES Herijking In de RES Herijking staan de doelstelling en stand van zaken van de realisatie van de elektriciteits- en warmtetransitie in de RES-regio Utrecht. De RES Herijking gaat ook in op de werkwijze en de samenwerking binnen de RES-regio.

De RES-regio Utrecht is een samenwerkingsverband van 16 Utrechtse gemeenten (Bunnik, De Bilt, Houten, Stichtse Vecht, Utrechtse Heuvelrug, Utrecht, De Ronde Venen, Zeist, Woerden, Wijk bij Duurstede, Nieuwegein, IJsselstein, Montfoort, Oudewater, Lopik en Vijfheerenlanden), de provincie Utrecht, Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, waterschap Amstel, Gooi en Vecht, waterschap Rivierenland en waterschap Vallei en Veluwe en netbeheerder Stedin. Leeswijzer De ingediende zienswijzen zijn per onderwerp en/of per zoekgebied samengevat. Voor de leesbaarheid zijn hier niet alle ingebrachte punten opgenomen maar een hoofdlijn. Per onderwerp of zoekgebied worden de zienswijzen beantwoord en wordt een conclusie gegeven hoe met de zienswijze wordt omgegaan. Bij de verschillende zienswijzen wordt met een nummer aangegeven wie de zienswijze heeft ingediend. Als de zienswijze namens een organisatie is ingediend wordt ook de naam van de organisatie genoemd. Om privacy redenen wordt bij inwoners alleen een nummer vermeld. Alle indieners van een zienswijze krijgen deze Nota van Beantwoording toegestuurd waarbij ook wordt aangegeven onder welk nummer hun zienswijze is vermeld. In hoofdstuk 1 staan de zienswijzen met een meer algemene strekking over de RES Herijking en/of gericht op de regio als geheel. Hoofdstuk 2 gaat in op zienswijzen over een specifieke zoekgebieden.

In hoofdstuk 3, tot slot, zijn de zienswijzen vanuit gemeenten weergegeven.

1

Inhoudsopgave 1

2

Algemeen ........................................................................................................................................................................................................ 4 1.1

Mandaat RES-regio’s ............................................................................................................................................................................ 4

1.2

Opwekambitie regio Utrecht in relatie tot landelijke RES-doel .......................................................................................... 4

1.3

Is er verschil in het RES-doel tussen de regio Utrecht en de provincie Utrecht .......................................................... 5

1.4

Doelstellingen energie- en klimaat nog niet is alle gemeenten vastgesteld ................................................................ 5

1.5

RES Herijking pas vaststellen als alle rollen en verantwoordelijkheden bekend zijn ................................................ 6

1.6

Waarom zijn in RES Herijking geen scenario’s na 2030 onderzocht ................................................................................ 6

1.7

Er wordt onvoldoende gekeken naar energiebesparing ....................................................................................................... 6

1.8

Is netcongestie oplosbaar met slimme oplossingen ............................................................................................................... 7

1.9

Er wordt onvoldoende rekening gehouden met staat elektriciteitsnet .......................................................................... 8

1.10

Welke rol speelt de RES in bij elkaar brengen opwek en verbruik en meer balans in mix zon en wind ..... 8

1.11

Het waait niet altijd en de zon schijnt niet altijd, integrale aanpak opwek en warmtetransitie ..................... 8

1.12

Gezondheidseffecten geluid ........................................................................................................................................................ 9

1.13

Er is onvoldoende rekening gehouden met totale milieu-/sociale impact windenergie .............................. 10

1.14

Bijdrage groen gas aan regionale energietransitie ......................................................................................................... 10

1.15

Verschil ambitie en technisch potentieel zon-zoekgebieden ..................................................................................... 11

1.16

Welke conclusies worden getrokken o.b.v. effectbeoordeling planMER ............................................................... 12

1.17

Onjuiste keuze zoekgebieden en weging van de criteria in PlanMER .................................................................... 12

1.18

Extensiever inrichten zonnevelden ......................................................................................................................................... 14

1.19

Beoordeel effect op landbouwkundige structuur en agriPV....................................................................................... 14

1.20

Geen zonneweides op landbouwgrond ............................................................................................................................... 15

1.21

Benut mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik ............................................................................................... 15

1.22

Zonnevelden en windturbines langs netwerken van Rijkswaterstaat ...................................................................... 16

1.23

Benut geothermie om stroom op te wekken .................................................................................................................... 16

1.24

Wat is rol U16 bij batterijopslag.............................................................................................................................................. 17

1.25

Betrek inwoners bij de RES keuzes......................................................................................................................................... 17

1.26

Beschouw energiecoöperaties ook als (markt)partijen ................................................................................................. 18

1.27

Geeft warmte-initiatieven / coöperaties een rol de warmtetransitie ...................................................................... 18

1.28

Wat wordt bedoeld met maatschappelijke business case en publieke deelname ............................................ 19

1.29

Maatschappelijke (meer)kosten zonnevelden ................................................................................................................... 19

1.30

Financiële haalbaarheid zonnevelden ................................................................................................................................... 20

1.31

Waardevermindering vastgoed door windprojecten ..................................................................................................... 20

1.32

Lokaal eigenaarschap .................................................................................................................................................................. 21

1.33

Handelwijze provincie en onafhankelijkheid van de onderliggende onderzoeken .......................................... 21

Specifieke locaties..................................................................................................................................................................................... 22 2

2.1

De Bilt – Windzoekgebied 67 en enkele zoekgebieden zon ............................................................................................ 22

2.2

Groene Hart – heroverweeg zoekgebieden en bescherm ecologie en landschap ................................................ 22

2.3

De Ronde Venen – schrap zon in weidevogelkerngebieden een heroverwegen het zonbeleid ....................... 23

2.4

Oudewater – windlocatie 7 ............................................................................................................................................................. 24

2.5

Oudewater – Montfoort, wind zoekgebied 8 .......................................................................................................................... 24

2.6

Stichtse Vecht - Wind zoekgebied 43 ........................................................................................................................................ 25

2.7

Utrecht – Windlocatie Lage Weide in relatie tot gezondheid .......................................................................................... 27

2.8

Vijfheerenlanden - wind zoekgebied 59.................................................................................................................................... 29

2.9

Vijfheerenlanden – locatie 48......................................................................................................................................................... 31

2.10

Woerden – zonzoekgebied 69 (OER A12) ........................................................................................................................... 31

2.11

Zeist - zoekgebied Zeist ............................................................................................................................................................. 32

3

Zienswijzen vanuit gemeenten ............................................................................................................................................................ 33 3.1

Gemeente Lopik ................................................................................................................................................................................... 33

3.2

Gemeente Oudewater ....................................................................................................................................................................... 33

3.3

Gemeente Stichtse Vecht ................................................................................................................................................................. 33

3.4

Gemeente Utrechtse Heuvelrug.................................................................................................................................................... 34

3

1 Algemeen 1.1 Mandaat RES-regio’s (zienswijze 1) Indiener geeft aan dat met de aangenomen motie Erkens het mandaat van de RES-regio’s in 2030 verloopt en de doelen van de RES-regio’s dan ook zijn behaald. Om die reden hoeft de RES niet herijkt te worden. Beantwoording De RES Herijking is o.a. gericht op het realiseren van de opwekambitie van 1,8 TWh in 2030. In de regio Utrecht werken we hard aan het realiseren van die ambitie en de komende jaren moeten we nog grote stappen nemen om de doelen te halen. De samenwerking in de RES-regio en de RES Herijking helpen hier in belangrijke mate bij. Deze samenwerking zetten wij als regio voort, in ieder geval tot 2030. Conclusie: De zienswijze geeft geen aanleiding om de RES Herijking of het planMER aan te passen. 1.2 Opwekambitie regio Utrecht in relatie tot landelijke RES-doel (zienswijzen 36 Buren van Rijenburg en Reijerscop, 44) Indiener geeft aan dat het PBL RES-monitorrapport in december 2024 concludeert dat de verwachte opbrengst van wind- en zonne-energie (gerealiseerd en pijplijn) in 2030 tussen 36 en 42 TWh is. Vanaf begin is er sprake van een gezamenlijk RES-bod van alle regio’s van 52 TWh. Een overaanbod van 50% t.o.v het doel van 35 TWh uit het Klimaatakkoord.

Indiener stelt dat in de RES Herijking niet duidelijk en eerlijk gecommuniceerd wordt over de regionale ambitie van 1,8 TWh,omdat wordt gedaan alsof alleen met 1,8 TWh het klimaatdoel kan worden gehaald. De realisatie in de regio Utrecht komt ongeveer overeen met de landelijke trend, waarbij de realisatie in 2030 ongeveer een derde onder het aanbod ligt maar de landelijke doelen wel worden gehaald. Indiener stelt dat de RES Herijking te veel is gericht op de doelstelling van de eigen regio, terwijl deze regio zeer dichtbevolkt is. Daarom moet de RES kijken naar mogelijkheden buiten de grenzen van de regio om in andere regio’s/provincies, de Noordzee of het buitenland de doelstelling te realiseren. De RES Herijking stelt dat de Provincie Utrecht de ambitie heeft voor een energieneutraal gebouwde omgeving in 2050. Ook diverse gemeenten spreken over langere termijndoelen zoals klimaatneutraal of energieneutraal in 2040 of 2050. Dergelijke regiodoelstellingen zijn onzin. Deze “lokale doelen” sluiten niet aan op landelijke doelen en worden ook niet landelijk gemonitord. Indiener vindt het een verkeerde voorstelling van zaken dat de RES Herijking stelt: “Voor een (bijna) energie neutrale energievoorziening is dan ook tot drie keer zoveel duurzame energie opwek nodig in de regio Utrecht”.

Indiener geeft aan dat niet alle duurzame energie opgewekt hoeft te worden in provinciale of lokale buurtschappen. Het landelijk beleid is dat er heel veel meer wind op zee wordt gerealiseerd. In totaal 8,5 keer zoveel als de 35 TWh doelstelling voor 2030 op zon en wind op land! Daarnaast moet voor de langere termijn ook rekening gehouden worden met nieuwe kerncentrales (3,5 tot 7 gigawatt). Indiener stelt dat lokaal draagvlak een voorwaarde is voor de RES. Dat strookt niet met het feit dat de provincie windturbines oplegt aan drie gemeenten die zelf een voorkeur hebben voor zonne-energie omdat de energiedoelen niet zouden worden gehaald. De doelen worden wel gehaald en er is een keuze tussen zon en wind. Indieners stellen dat in de RES Herijking te veel nadruk ligt op de windenergie en dat de Provincie Utrecht aangeeft dat er extra windturbines moeten komen, omdat het netwerk het aanbod van de toegenomen zonne-energie niet aan kan. Indiener stelt dat dit een oneigenlijk argument is. Dat er zonalternatieven zijn voor wind en dat voor een effectieve opwek van duurzame energie altijd eerst uitbreiding van het elektriciteitsnetwerk noodzaak is.

4

Beantwoording In het Klimaatakkoord is vanaf het begin af aan het uitgangspunt dat de meeste opwek wordt gerealiseerd met wind op zee. Vanwege de vele gebruiksfuncties op zee is de ruimte niet oneindig. Daarom is daarnaast ook opwek op land nodig. Opwek op land zorgt er ook voor dat vraag en aanbod dichter bij elkaar komen waarmee het energienet efficiënter kan worden ingericht. In het Klimaatakkoord is 35 TWh voor opwek op land in 2030 afgesproken en is regio’s gevraagd een eigen bod te doen. 1,8 TWh in 2030 is de gezamenlijke opwekambitie van de deelnemende gemeenten en de provincie in de RES-regio Utrecht. Dat is onze de bijdrage met zon- en windprojecten aan de landelijke opgave van 35 TWh en is ook een uitwerking van de eigen klimaatambities van de gemeenten en provincie (zie infographic in hoofdstuk ‘Overview’ voor ambitie per deelnemer). 1,8 TWh in 2030 is een tussenstap in de energietransitie waarbij wordt toegewerkt naar energieneutraal / klimaatneutraal in 2050. Dit is in lijn met de Klimaatwet. De verschillende RES-deelnemers bepalen hun eigen pad naar deze doelstelling en hebben eigen klimaatambities vastgesteld waarbij de periode waarin zij energie- / klimaatneutraal willen zijn varieert van 2030 tot 2050. In de mix aan maatregelen die hiervoor nodig is blijft lokaal opwekken van elektriciteit een belangrijke component.

Voor het behalen van de klimaatambities, maar zeker ook voor de energievoorziening die nieuwe woon- en werkgebieden mogelijk maakt. Conclusie De zienswijzen geven geen aanleiding om de RES Herijking en of het planMER aan te passen.

1.3 Is er verschil in het RES-doel tussen de regio Utrecht en de provincie Utrecht (zienswijze 40) Indiener merkt op dat de opwekambitie in de RES Herijking 1,8 TWh in 2030 bedraagt. In het hoofdstuk Grootschalige opwek staat een verwijzing naar een Statenbrief. Daarin staat dat de RES-doelstelling 2,4 TWh is. Dit roept vragen op en wat is de feitelijke onderbouwing? Beantwoording De opwekambitie in de RES regio Utrecht bedraagt 1,8 TWh. Binnen de provincie liggen ook twee andere RES-regio’s (Amersfoort en Foodvalley). De RES-doelstelling binnen de provincie Utrecht van deze de 3 regio’s samen bedraagt 2,4 TWh. Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding om de RES Herijking en of het planMER aan te passen.

1.4 Doelstellingen energie- en klimaat nog niet is alle gemeenten vastgesteld (zienswijze 40) Indiener constateert dat de doelstellingen inzake energie- en klimaatneutraliteitnog niet voor alle gemeentes is vastgesteld. Dit impliceert dat RES Herijking niet volledig is. Indiener is van mening dat bij onvolledigheid de Herijking niet in werking kan treden. Immers, op dit moment is het niet mogelijk om het document volledig te kunnen beoordelen. Beantwoording De RES Herijking bevat concrete doelstellingen voor 2030 en de RES Herkijking is gericht op het realiseren van deze doelstelling. Tevens is benoemd dat in de komende periode verkenningen worden uitgevoerd zodat in een volgende RES Herijking concrete doelstellingen voor na 2030 kunnen worden geformuleerd. Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding om de RES Herijking en of het planMER aan te passen. 5

1.5 RES Herijking pas vaststellen als alle rollen en verantwoordelijkheden bekend zijn (zienswijze 40) De rollen en verantwoordelijkheden ten aanzien van het energiesysteem zijn nog niet bekend. Naar het oordeel van de indiener, is het, voor een goede beoordeling van RES Herijking, van belang dat deze rollen en verantwoordelijkheden duidelijk en eenduidig in de RES Herijking zijn opgenomen. Immers, aan dit document is een juridische grondslag toe te kennen. Beantwoording Binnen de RES-samenwerking in de regio Utrecht zijn de rollen en verantwoordelijkheden duidelijk. Waar in de RES Herijking op gedoeld wordt is dat momenteel wordt gekeken of en hoe interbestuurlijke samenwerking op alle niveaus (rijk, provincie, regio, gemeente) anders kan worden vormgegeven. Dit past bij een dynamiek die hoort bij de energietransitie. Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding om de RES Herijking en of het planMER aan te passen.

1.6 Waarom zijn in RES Herijking geen scenario’s na 2030 onderzocht (zienswijzen 18, 44, 48) Indieners hadden verwacht dat in de RES Herijking ook mogelijke scenario’s na 2030 waren beschouwd. Integrale scenario’s waarbij breed gekeken wordt naar klimaat- en energieneutraal (incl o.a. energiebesparen, netcongestie, warmtenetten, waterstof, Small Modular Reactors, elektrificeren mobiliteit, opslag). En waarbij ook rekening wordt gehouden met andere opgaven (wonen, werken, transitie landbouw, biodiversiteit etc). Deze scenario’s helpen om tot meer integrale oplossingen te komen en dus ook tot meer integrale keuzen. Beantwoording De RES Herijking focust op het realiseren van de opwekambitie van 1,8 TWh in 2030 enhet maken van stappen in de warmtetransitie. Als doorkijk naar de toekomst is er aandacht voor opwek en duurzame warmte als onderdeel van het totale energiesysteem van de toekomst en de relatie met ruimtelijke ontwikkelingen (o.a. nieuwe woon- en werklocaties) en andere maatschappelijke opgaven. Als onderdeel van de RES Herijking worden in de RES-samenwerking subregionale scenario’s uitgewerkt voor de (middel)lange termijn die inzicht geven in de samenhang van de energievraag van ruimtelijke ontwikkelingen met mogelijkheden voor elektriciteitsopwekking en de toepassing van slimme netbewuste oplossingen (koppelen vraag en aanbod, opslag, omzetting en warmtevoorziening).

In de volgende RES (2029) nemen we op wat we gezamenlijk willen bereiken en wat daarvoor nodig is. Conclusie De zienswijzen geven geen aanleiding om de RES Herijking en of het planMER aan te passen.

1.7 Er wordt onvoldoende gekeken naar energiebesparing (zienswijzen 44, 45, 48) Indieners geven aan dat de focus in de RES Herijking vooral gericht is op grootschalige opwek, energiebesparende maatregelen voor inwoners en bedrijven zijn onderbelicht. Waar het wel gaat over energiebesparing is het weinig concreet en worden geen doelstellingen geformuleerd. Minder verbruik van energie (ook elektra) in met name de winter, kan een enorme bijdrage geven aan het verminderen van de CO2 uitstoot. De RES-regio kan zich meer richten op het benaderen van inwoners en bedrijven en deze 6

stimuleren om energie te besparen in de breedste zin. Indiener roept op te zorgen voor betrokkenheid van inwoners en bedrijven op energiebesparing en een doelstelling voor energiebesparing te stellen en het resultaat te meten. Beantwoording Wij zijn het met indiener eens dat de energiebesparing/efficiënt met energie omgaan en ook de gedragscomponent die hier bij hoort een belangrijk onderdeel is van de totale energietransitie. De regionale samenwerking in de RES is primair gericht op het grootschalige opwek en de warmtetransitie. Dat is ook de opdracht voor de RES vanuit het Klimaatakkoord. In de RES Herkijking wordt wel de link gelegd met het totale energiesysteem en met ruimtelijke ontwikkelingen. In de Energievisie (provincie Utrecht), de warmteprogramma’s (alle gemeenten) en diverse andere beleidsplannen wordt nadrukkelijk ingegaan op energiebesparing. Dit wordt ook ondersteund met subsidieen financieringsregelingen en een ondersteuningsstructuur met energieloketten en energiecoaches. Conclusie De zienswijzen geven geen aanleiding om de RES Herijking en of het planMER aan te passen.

1.8 Is netcongestie oplosbaar met slimme oplossingen (zienswijze 40) Indiener spreekt twijfels uit over de in de RES Herijking beschreven situatie rondom congestie op invoeding en afname en dat daarmee de ontwikkelruimte in de regio onder druk staat tot 2029. Ook wordt in twijfel getrokken dat beschikbaarheid van elektriciteit in de toekomst niet altijd vanzelfsprekend is en dat het elektriciteitsverbruik verdrievoudigd met pieken tot 10x zo hoog. Daarbij verwijst de indiener naar opiniestukken op Linkedin die betogen dat met meer opslag en slimme oplossingen de bestaande netcongestie grotendeels oplosbaar is. Indiener bestrijdt ook dat deze oplossingen nog volop in ontwikkeling zijn en dat het nog even duurt voordat deze grootschalig zullen worden toegepast, zoals in de RES Herijking is vermeld. Indiener is van mening dat in de RES Herijking onvoldoende rekening is gehouden met deze informatie. Beantwoording In de RES Herijking is nadrukkelijk de link gelegd naar het totale energiesysteem. Ook wordt in de RES Herijking betoogd dat voor een integrale benadering van het energiesysteem (van de toekomst), slim afstemmen van vraag en aanbod van energie, uitwisseling, opslag en omzetting van energie belangrijk zijn. De slimme oplossingen in de genoemde opinieartikelen zijn in een experimenteel stadium en zullen naar verwachting in de toekomst een belangrijke rol gaan spelen.

Dat laat onverlet dat de capaciteit van het huidige elektriciteitsnet moet worden uitgebreid om goed om te kunnen gaan met het aanbod van duurzame energie en de energievraag. In de praktijk wordt nu op beperkte schaal ervaring opgedaan met innovatieve. Hiermee ontstaat een beter beeld welke ontwikkeling (technisch, organisatorisch, juridisch en financieel) nog nodig is voordat de deze innovaties op grote schaal kunnen worden toegepast. Op dit moment zijn deze innovaties nog niet/beperkt marktrijp. Binnen de RES-samenwerking wordt actief gezocht naar mogelijkheden om aan te sluiten bij de lopende innovaties. Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding om de RES Herijking en of het planMER aan te passen.

7

1.9 Er wordt onvoldoende rekening gehouden met staat elektriciteitsnet (zienswijze 40) Indiener geeft aan dat de bestaande elektrische infrastructuur sterk verouderd en dat dat de nodige consequenties heeft voor het huidige en toekomstige elektriciteitsnet. Indiener geeft aan dat dit in de RES Herijking op geen enkele wijze wordt meegenomen en dat de RES Herijking daarop moet worden aangepast. Antwoord In de Hoofdstuk 2 van de RES Herijking en bij de hoofdstukken warmtetransitie, grootschalige opwek en zon op objecten is de noodzaak voor aanpassing van het energiesysteem en ook het elektriciteitsnet meermaals specifiek benoemd. De landelijke en regionale netbeheerders werken hier ook hard aan. En daarvoor wordt regionaal samengewerkt binnen de PMIEK (provinciale meerjareninvesteringsprogramma energie en klimaat). Dit programma staat naast de RES en is daar geen onderdeel van. Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding om de RES Herijking en of het planMER aan te passen.

1.10 Welke rol speelt de RES in bij elkaar brengen opwek en verbruik en meer balans in mix zon en wind (zienswijze 25 Energie van Utrecht) De RES Herijking geeft aan dat in het energiesysteem meer opwek nabij verbruik belangrijk is evenals een evenwichtige mix tussen zon- en windenergie. Indiener is het daar helemaal mee eens, maar mist een visie op de rol die de regio kan spelen om opwek en verbruik bij elkaar te brengen en om meer balans te krijgen in de mix van zon en wind. Indiener ziet geen impact van deze constateringen op de keuze voor zoekgebieden en adviseert daarom in ‘Inzet komende periode’ een onderzoekslijn ‘Optimaliseren zoekgebieden’ op te nemen waarin opwek en verbruik wél nader tot elkaar komen, zowel in tijd als in ruimte. Beantwoording De RES Herijking zet in op het realiseren van de bestaande zoekgebieden om de opwekambitie van 1,8 TWh te halen. Deze zoekgebieden zijn kansrijk, lijken aansluitbaar en in potentie voor 2030 te realiseren. Deze zoekgebieden worden niet heroverwogen. Parallel daaraan worden subregionale scenario’s uitgewerkt voor de (middel)lange termijn die inzicht geven in de samenhang van de energievraag van ruimtelijke ontwikkelingen met mogelijkheden voor elektriciteitsopwekking. Dit is als onderzoekslijn in de RES Herijking opgenomen. In de volgende RES (2029) nemen we op wat we gezamenlijk willen en wat daarvoor nodig is.

Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding om de RES Herijking en of het planMER aan te passen.

1.11 Het waait niet altijd en de zon schijnt niet altijd, integrale aanpak opwek en warmtetransitie (zienwijze 50) Indiener is van mening dat in RES Herijking onvoldoende aandacht is voor seizoensopslag van energie. Elektriciteit is nog moeilijk voor langere tijd op te slaan. Het is wel mogelijk er water mee te verwarmen en dit op te slaan in de bodem (bijvoorbeeld met een collectief WKO-systeem). Deze warmte kan in de winter via een warmtenet worden ingezet voor de verwarming van woningen of bedrijfsgebouwen. Door de energiebron in de buurt van het WKO-systeem te plaatsen (bijvoorbeeld een zonneveld in de buurt van een woonkern of een windturbine op een bedrijventerrein) wordt tegelijk het probleem van netcongestie aangepakt. De opgewekte en afgenomen energie hoeft dan immers niet meer via het nationale elektriciteitsnetwerk te worden gedistribueerd. 8

Beantwoording Regionale samenwerking in de warmtetransitie in een van de actielijnen van de RES Herijking. Bij het opstellen van de warmteprogramma’s per gemeente is het zoeken naar mogelijkheden van collectieve warmteoplossingen een belangrijk aandachtspunt. Dit is een netbewuste efficiënte warmteoplossing die inderdaad ook bijdraagt aan het ontlasten van het elektriciteitsnet (ten opzichte van individuele oplossingen). Een duurzame lokale warmtebron (zoals bodem, water, lucht) en opslag van warmte (WKO) zijn daarbij belangrijke elementen. Beschikbaarheid van stroom en (lokale) elektriciteitsbronnen zijn onderdeel van de concrete uitwerking van warmteprojecten. Conclusie De zienswijzen geven geen aanleiding om de RES Herijking en of het planMER aan te passen.

1.12 Gezondheidseffecten geluid (zienswijzen 2, 17, 24, 26, 28, 41, 44, 45, 46, 47, 48, 49, 50) Indieners geven aan dat het nodig is te wachten op het gezondheidsonderzoek van het RIVM en nieuwe geluidnormen vóór de uitvoering van het planMER omdat windturbines geluid produceren dat hinderlijk kan zijn voor omwonenden en passanten. Ook geven zij aan dat er in het planMER geen specifiek onderzoek naar geluid heeft plaatsgevonden. Het geluid varieert volgens indieners in intensiteit en frequentie, wat het storender maakt dan ander omgevingsgeluid. Indieners geven aan dat blootstelling aan windturbinegeluid kan leiden tot slaapverstoring, stress en mogelijk gezondheidsproblemen op de lange termijn, zoals hoge bloeddruk en hart- en vaatziekten. Er wordt aan verschillende onderzoeken over (windturbine)geluid en gezondheid gerefereerd. Indieners roepen op om rekening te houden met de gezondheidsrisico's en het welzijn van omwonenden bij het implementeren van windturbineprojecten. Sommige indieners benoemen ook Laagfrequent/infrasoon geluid. Zij uiten hun zorgen dat laagfrequent geluid gezondheidsklachten kan veroorzaken. Gesteld wordt dat laagfrequent geluid constant overlast veroorzaakt en verder draagt, maar dat dit niet wordt meegenomen in het planMER. Er wordt gevraagd waarom dit niet als apart beoordelingscriterium wordt gebruikt.

Beantwoording Uit onderzoek van het RIVM blijkt inderdaad dat sprake is van een indirecte relatie tussen geluid en gezondheid. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het op 29-10-2020 verschenen rapport ‘Gezondheidseffecten van windturbinegeluid: een update’(rivm.nl). Hierin is de tussen 2017 en 2020 verschenen literatuur over het effect van geluid van windturbines op de gezondheid van omwonenden door het RIVM op een rij gezet. Uit de literatuurstudie blijkt dat hinder optreedt als gevolg van geluid: hoe sterker het geluid (in dB) van windturbines, hoe groter de hinder ervan. In het geval van stress naar aanleiding van hinder kan er sprake zijn van effecten op de gezondheid, over de symptomen van stress is reeds veel bekend. De resultaten van het in 2020 verschenen RIVM-rapport onderbouwen de eerdere conclusies van een vergelijkbaar rapport van drie jaar eerder. Bij concrete windprojecten wordt voldaan aan normering waarmee inderdaad niet alle negatieve gezondheidseffecten voorkomen kunnen worden. Net zoals dat het geval is bij bijvoorbeeld de aanleg van een nieuwe weg of andere ruimtelijke ontwikkeling. In het planMER zijn de meest actuele wetenschappelijke inzichten gebruikt.

De Raad van State heeft in haar uitspraak in het beroep tegen Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding bevestigd dat een lokaal bevoegd gezag bij de voorbereiding van besluiten mag uitgaan van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten. In het kader van het planMER is geen nieuw onderzoek verricht, er wordt gebruik gemaakt van bestaande wetenschappelijke inzichten. Voor de wind zoekgebieden worden nog verschillende inrichtingsvarianten uitgewerkt. Bij de vergunningverlening van het uiteindelijke inrichtingsontwerp (en de onderliggende verdiepende

9

onderzoeken) zijn naar alle waarschijnlijkheid ook de nieuwe Rijksnormen voor windturbines vastgesteld en kan daaraan getoetst worden. Het planMER heeft als doel locaties met elkaar te vergelijken en er worden geen geluidsberekeningen uitgevoerd, ook niet voor laagfrequent geluid. Geluid van windturbines bestaat uit een spectrum van hoge en lage frequenties. Vrijwel alle geluidsbronnen produceren een mengsel van gewoon geluid (boven 100/125 Hz), laagfrequent geluid (20-100/125 Hz) en infrasoon geluid (< 20 Hz). Hierin wijkt het geluid van windturbines niet noemenswaardig af van andere bronnen, zoals bijvoorbeeld transportgeluid. Uit diverse onderzoeken (o.a. factsheet RIVM: Gezondheidseffecten windturbinegeluid) blijkt wel dat windturbinegeluid verschilt van overige constante bronnen van geluid omdat het aerodynamische geluid een ritmisch karakter heeft. Dit wordt ook wel amplitudemodulatie genoemd. Dat kenmerk maakt geluid van windturbines vermoedelijk hinderlijker dan geluid van overige omgevingsbronnen hetgeen in de voorheen geldende geluidnorm tot uitdrukking kwam in de hoogte van het toelaatbare geluidniveau, de grenswaarden 47 dB Lden den 41 dB Lnight.

Windturbines produceren echter niet meer laagfrequent geluid en infrageluid dan andere geluidsbronnen: een drukke weg die op een woning 55 dB Lden veroorzaakt, bevat meer laagfrequent geluid dan een windturbine bij 40 dB Lden. Voor windturbinegeluid geldt bij toetsing aan de geluidnorm geen toeslag voor tonaliteit. Er is geen indicatie dat het laagfrequente deel van het geluid andere effecten heeft op omwonenden dan ‘gewoon’ geluid, noch dat infrasoon geluid onder de hoorbaarheidsgrens enig effect kan hebben. Conclusie De zienswijzen geven geen aanleiding om de RES Herijking en of het planMER aan te passen.

1.13 Er is onvoldoende rekening gehouden met totale milieu-/sociale impact windenergie (zienwijzen 44, 48) Indieners zijn van mening dat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar ecologische, milieutechnische en sociale voetafdruk van windmolens, waarbij een ketenbenadering wordt gedaan. Dus inclusief fabricage, het vervoer, de aanbouw, het gebruik en de ontmanteling van de windmolens. Beantwoording Indiener heeft gelijk dat voor het bouwen, gebruiken en weer afbreken van windturbines grondstoffen nodig zijn, CO2 -wordt geproduceerd. Ook is een beperkt aantal onderdelen van windturbines in potentie verontreinigend en/of zijn werkomstandigheden bij het winnen van enkele grondstoffen een aandachtspunt. Windturbines zijn voor 90% recyclebaar. In de gehele levenscyclus is de CO2 uitstoot van een windturbine ruim 30 keer lager dan van fossiele energiebronnen. En binnen een jaar heeft een windmolen meer energie opgewekt dan hij heeft gekost. Conclusie De zienswijzen geven geen aanleiding om de RES Herijking en of het planMER aan te passen.

1.14 Bijdrage groen gas aan regionale energietransitie (zienswijze 51) Indiener is van mening dat slechts beperkte aandacht is besteed aan de waardevolle bijdrage die groen gas uit o.a. mest- en co-vergisting kan leveren aan de regionale energietransitie. Bovendien stelt de RES Herijking regio Utrecht ten onrechte dat de mogelijkheden voor de productie van groen gas door o.a. ruimtelijke en milieubeperkingen, netcongestie en schaalbaarheid beperkt zouden zijn. Mest- en covergisting zijn doorontwikkelde en marktrijpe technieken die breed toepasbaar zijn, ook in combinatie met riool- en afvalwaterzuivering. Als duurzame energiebron kunnen mestvergisting (ook in combinatie met covergisting) 10

en groen gas een significante bijdrage leveren aan de regionale energietransitie, de verduurzaming van de landbouw en de doelstellingen voor natuurherstel. De regio Utrecht (vooral het Groene Hart) is kansrijk voor mestvergisting door het grote aantal melkveehouderijen. Door middel van samenwerking in energiecoöperaties of agrarische collectieven is opschaling en clustering van mestvergisting met regionale hubs goed realiseerbaar. Beantwoording Wij zijn het met indiener eens dat de techniek voor vergisting en voor het opwaarderen van biogas naar groengas bewezen technieken zijn. In de praktijk blijkt ook dat productie, distributie en gebruik van groengas nog maar beperkt van de grond komt. Dit hangt samen met de complexe samenwerking in de keten, noodzakelijke volumes, gegarandeerde beschikbaarheid van groengas en onzekerheden in de business case. Tot nu toe wordt groen gas vooral gebruikt voor bijmenging in het aardgasnetwerk waar het geen rol speelt in de regionale energietransitie. Op regionale schaal is de bijdrage van groengas beperkt. Op lokale schaal kan groen gas in specifieke gevallen mogelijk een rol spelen de toepassing in de warmtetransitie door het als duurzame warmtebron in te zetten voor een collectief warmtesysteem. We zien wel mogelijkheden voor het inzetten van groen gas als voorziening voor de piek warmtevraag in de winter bij collectieve warmtesystemen.

De ontwikkelingen op het gebied van groen gas worden in de RES-samenwerking gevolgd. Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding om de RES Herijking of het planMER aan te passen.

1.15 Verschil ambitie en technisch potentieel zon-zoekgebieden (zienswijze 25 Energie van Utrecht) Volgens het planMER, hoofdstuk Beschouwing per gemeente, paragraaf Regionale Beschouwing, is in de gemeenten Bunnik, Lopik, Nieuwegein, Utrecht en Zeist de ambitie van de gemeente (veel) groter dan het technisch potentieel in de zon-zoekgebieden. Indiener mist hierbij een reflectie van de RES U16 op dit gegeven: wat zijn de reacties hierop van de gemeenten en hoe gaat de U16 hiermee om? Beantwoording In de genoemde beschouwing in het planMER wordt een vergelijking gemaakt tussen de maximale beleidspotentie voor de verschillende zoekgebieden en de maximale technische potentie vanuit de beoordeling in het MER. Per gemeente wordt vervolgens een beschouwing gemaakt in hoeverre de afgesproken bijdrage aan de opwekambitie van 1,8 TWh technisch haalbaar is in de onderzochte zoekgebieden. Dat geeft een beeld waarbij Bunnik inmiddels meer dan de afgesproken bijdrage heeft gerealiseerd. In Utrecht en Nieuwegein kunnen (delen van) zoekgebieden niet worden benut omdat deze in Hollandse Waterliniegebied liggen. Deze gemeenten zijn opzoek gegaan naar aanvullende zoekgebieden om hun bijdrage in te kunnen vullen. Voor Zeist is geconstateerd dat door technische belemmering (zoals natuurgebieden) de afgesproken bijdrage redelijkerwijs niet haalbaar is.

Dat heeft ertoe geleid dat de bijdrage van Zeist in de RES Herijking naar beneden is bijgesteld t.o.v. de bijdrage in de RES 1.0. Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding om de RES Herijking of het planMER aan te passen.

11

1.16 Welke conclusies worden getrokken o.b.v. effectbeoordeling planMER (zienwijze 18) Voor indiener is niet duidelijk welke conclusies op basis van het planMER m.b.t. de per zoekgebied gegeven effectenscores kunnen worden getrokken, dus wanneer een locatie nu wel of niet geschikt/kansrijk worden geacht. Dat wordt overgelaten aan afzonderlijke gemeenten. Dat is afhankelijk van de gewichten die zij aan een bepaald belang toekennen, maar daarmede is nog niet gezegd of een bepaald initiatief uiteindelijk al dan niet de wettelijke toets kan doorstaan. Beantwoording In het planMER zijn zoekgebieden beoordeeld die door gemeenten zijn aangedragen aangevuld met kansrijke gebieden voor windenergie vanuit een provinciale analyse. Alle zoekgebieden zijn op de verschillende milieuaspecten beoordeeld. Dat is gebeurd op een regionaal schaalniveau. Een precieze locatie en inrichting op projectniveau is voor de meeste zoekgebieden nog niet bekend. De beoordeling in dit regionale planMER dient vooral om de zoekgebieden met elkaar te vergelijken. De precieze invulling van elk zoekgebied, en het gevolg daarvan voor de milieueffecten, hoort bij locatiespecifiek vervolgonderzoek, bijvoorbeeld in het kader van de vergunningenprocedure De effectbeoordeling geeft voor de zoekgebieden weer welke specifieke aandachtspunten er zijn bij de verdere uitwerking en besluitvorming.

Het planMER geeft geen gewichten aan de verschillende aspecten en maakt geen keuzes. De integrale afweging op projectniveau vindt per gemeente plaats bij de vergunningverlening. Bij enkele windprojecten ligt de afweging en de vergunningverlening bij de provincie. De daarvoor benodigde verdiepende onderzoeken, bijvoorbeeld ten aanzien van geluid, slagschaduw, natuur, ect, moeten gedetailleerd genoeg zijn om te kunnen toetsen aan het wettelijk kader zodat de noodzakelijke vergunningen kunnen worden verstrekt. Conclusie: De zienswijze geeft geen aanleiding om de RES Herijking of het planMER aan te passen. 1.17 Onjuiste keuze zoekgebieden en weging van de criteria in PlanMER (zienswijze 44, 48) Indieners zijn is van mening dat op vijf onderwerpen een onjuiste keuze van zoekgebieden en/of weging van criteria heeft plaatsgevonden het planMER: •

De zoekgebieden in het planMER zijn heel verschillend van omvang. Grote gebieden hebben daardoor grotere kans om op basis van de gekozen criteria af te vallen dan kleinere gebieden. Er is niet voldoende onderzocht om windenergie in een deel van een groter gebied mogelijk te maken.

•

De zoekgebieden voor wind zijn nagenoeg allen gebieden gelegen op het platteland. Dit is niet in lijn met het burgerforum dat stelt dat gekeken moet worden naar gebieden nabij industrie en hoofdinfrastructuur. Het is dan ook niet juist om de plaatsing van windmolens af te wentelen op het platteland. Er moet opnieuw gekeken worden naar de zoekgebieden en dan met name rondom de industriële zones in Utrecht, Nieuwegein en IJsselstein.

•

De weging van de 31 criteria in PlanMER is onduidelijk en onjuist. De weging van de criteria zou in lijn moeten worden gebracht met het advies van het burgerforum. Dit betekent dat criteria met betrekking tot het aantal gevoelige objecten veel zwaarder zouden moeten meewegen dan de ecologische criteria. Dit is nu niet het geval.

•

Er zijn 3 belangrijke criteria niet meegenomen in het planMER, dit zijn 1) externe veiligheid, 2) eigendomssituatie en of landeigenaren willen meewerken, 3) locatiespecifieke complexiteit voor bouw molens.

•

Het criteria ‘Omgevingslawaai binnen 1000m (cumulatie) in het planMER is onjuist meegenomen. Nu is het standpunt dat als er al lawaai is in de omgeving van de windmolen, dat positief is voor het plaatsen

12

van een windmolen. Het geluid stapelt echter, daarom zou het zo moeten zijn dat in gebieden waar er reeds veel overlast is van trein en verkeer dit negatief zou moeten werken op de keuze voor windenergie in dat gebied Beantwoording •

Wij herkennen niet dat grote gebieden een grotere kans hebben af te vallen dan kleinere gebieden. In het planMER Windenergie van de provincie Utrecht zijn van alle gebieden de milieueffecten beoordeeld en is op basis daarvan de potentie bepaald voor het aantal mogelijke windturbines dat binnen de milieucriteria mogelijk is. Tevens bevat het planMER voor een klein aantal zoekgebieden een verfijning in de vorm van een aanpassing in de onderzoeksopstelling waarmee effecten op het thema 'Leefomgeving' kunnen worden gemitigeerd. Het betreft zoekgebieden 40, 42 en 43. Juist om een eerlijke vergelijking mogelijk te maken die minder afhangt van de totale omvang van zoekgebieden zijn sommige (kwantitatieve) beoordelingscriteria ook relatief gemaakt en dus uitgedrukt per GWh/jaar.

•

Het is een onjuiste veronderstelling dat windturbines vooral op het platteland worden geplaatst. Het merendeel van de reeds gerealiseerde windturbines ligt langs snelwegen, aan de stadsrandzone in de omgeving bedrijventerreinen zoals bij Nieuwegein, Houten en Vianen. Ook de windturbines Lage Weide komen in de stadsrandzone. Een aantal andere bestaande of beoogde windparken liggen in een meer landelijk omgeving, maar zijn vrijwel altijd gekoppeld aan infrastructuur en vaak ook nabij bedrijventerreinen.

•

In een planMER moeten onderzoeksgebieden worden getoetst aan milieuaspecten. Dat zijn andere criteria dan het advies van het Burgerforum. Beide geven belangrijke inzichten die worden benut bij de besluitvorming en samenhangende integrale afweging door overheden. Het MER kent geen weging tussen de verschillende beoordelingscriteria. Het afwegen van voor- en nadelen is aan het bevoegd gezag van individuele zonne- en windparken.

•

Externe veiligheid zit niet als beoordelingscriterium in het planMER voor windenergie. Dat betekent niet dat het onderwerp onbelangrijk is, maar eerder dat dit aspect meer gevolg heeft voor de precieze inrichting van een zoekgebied dan voor de vergelijking tussen zoekgebieden. Dit aspect zal (met name voor windenergie) nog uitgebreid aan bod komen in projectspecifieke vervolgonderzoeken. Wel is het goed om hierbij op te merken dat externe veiligheid indirect een rol heeft gespeeld, namelijk in de belemmeringenanalyse die uiteindelijk heeft geleid tot de wind-zoekgebieden. De zoekgebieden zijn door de individuele gemeenten vastgesteld en in dit planMER onderzocht en vergeleken op een bepaald (regionaal) detailniveau. Aspecten als grondeigendom en technische uitvoerbaarheid komen pas in een later stadium aan bod (in de vergunningenfase).

•

Cumulatie van geluid kan inderdaad op twee manieren worden behandeld: o

Ergens is al geluid, dus de omwonenden op die plek moeten extra worden beschermd.

o

Door geluid producerende ontwikkelingen te clusteren kunnen andere gebieden juist worden ontzien.

In het planMER Windenergie (provincie Utrecht) is gekozen voor de tweede aanpak. Aangezien in het regionale planMER de effectbeoordeling windenergie ongewijzigd is overgenomen hanteert ook de RERregio U16 deze methode. In projectspecifiek vervolgonderzoek zal altijd gekeken worden naar de geluidssituatie voor en na plaatsing van windturbines. Als het ‘akoestisch klimaat’ onaanvaardbaar is zal een windpark niet vergund worden. In hoeverre de situatie wel of niet aanvaardbaar is, is uiteindelijk aan het bevoegd gezag (de provincie of de gemeente). Conclusie: De zienswijzen geven geen aanleiding om de RES Herijking of het planMER aan te passen.

13

1.18 Extensiever inrichten zonnevelden (zienswijze 25 Energie van Utrecht) Er staat in het planMER, hoofdstuk Mitigerende maatregelen, paragraaf Zon, de maatregel “Het extensief inrichten van het zonneveld, waardoor de effecten op flora en bodem minder groot zijn.” Maar in hoeverre is deze maatregel mogelijk gezien de opmerking in het hoofdstuk ervoor “De opgetelde ‘potentie binnen ambitie’ is kleiner dan het doelbereik van het MER. Dat betekent dat de regio niet veel te kiezen heeft als het gaat om zon-zoekgebieden”? Indiener mist hier een reflectie op. Beantwoording In het planMER is in het hoofdstuk regionale beschouwing geconstateerd dat in een theoretisch scenario met alleen de zoekgebieden voor zon het totale doelbereik van 1,8 TWh net mogelijk is. Het is juist dat bij het extensief inrichten van de zonnevelden met alleen zon het doelbereik dan niet helemaal wordt gehaald. Echter gaat de RES Herijking uit van een combinatie van zonnevelden en windturbines. De gekozen combinatie heeft een opwekpotentie die ruim groter is dan het doelbereik van 1,8 TWh. Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding om de RES Herijking of het planMER aan te passen.

1.19 Beoordeel effect op landbouwkundige structuur en agriPV (zienswijze 10, LTO Noord) De land- en tuinbouw is anno 2025 nog steeds de drager van het landelijk gebied van de provincie Utrecht. Jonge boeren en tuinders moeten ook in de toekomst op een duurzame wijze producten kunnen blijven produceren. Er komen ontwikkelingen op de sector af en het is de uitdaging om daar met elkaar en vooral met de ondernemers in het buitengebied uit te komen. LTO Noord ervaart als positief dat ze in een vroeg stadium van de RES Herijking worden betrokken om mee te denken en input te kunnen geven en waardeert dat het gehele energiesysteem in ogenschouw wordt genomen. Daardoor kan een completere en betere afweging worden gemaakt. Ook spreekt de systematiek aan waarop gewerkt wordt volgens de zogenoemde zonneladder. LTO Noord constateert dat bijna alle zoekgebied voor opwek op landbouwgronden liggen. Zij mist het beoordelingscriterium impact op de bestaande land- en tuinbouwstructuur in het planMER en pleit ervoor dat dit beoordelingscriterium wordt toegevoegd vergelijkbaar als in provincie Noord-Holland is gedaan. LTO Noord geeft aan graag in projectvorm te willen meedenken over de inpassing van agriPV. Zij stelt haar expertise en ervaring op dit gebied graag ter beschikking.

Beantwoording Effecten op de land- en tuinbouwstructuur was geen beoordelingscriterium in de Notie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) voor het planMER en ook bij de zienswijzen op de NRD is dit criterium niet aangedragen. Strikt genomen is het ook geen milieueffect. Tegelijkertijd hebben we begrip voor de wens van de LTO Noord om inzicht te hebben in de effecten op de land- en tuinbouwstructuur. Met de RES Herijking wordt wel actief ingezet op mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik bij opwekprojecten, waaronder agriPV. AgriPV bevindt zich nog in een experimenteel stadium. Bij de verkenning van de mogelijkheden voor de regio Utrecht benutten we graag de expertise en ervaring van LTO Noord. In de regio is tot nu toe ongeveer 400 ha aan zonnevelden vergund/gerealiseerd en het netto ruimtebeslag voor zonnevelden in de zoekgebieden van de RES Herijking bevat ca 550 (op een totaal van ca 53.000 ha aan grasland/groenvoedergewassen in de regio Utrecht). Het vraagstuk rondom de land- en tuinbouwstructuur zou o.i. breder en integraler benaderd moeten worden. Dit in het licht van de totale transitie in het landelijk gebied met ontwikkelingen in landbouw en ook extra

14

ruimte voor o.a. energietransitie, klimaatadaptatie, biodiversiteit en nieuwe woon- en werkgebieden. Idealiter vindt deze afstemming plaats in het kader van het Utrechts Programma Landelijk Gebied. Conclusie: De zienswijze geeft geen aanleiding om de RES Herijking of het planMER aan te passen.

1.20 Geen zonneweides op landbouwgrond (zienswijzen 14, 15) Indieners stellen dat het aanleggen van zonneweides op vruchtbare landbouwgrond te allen tijde verboden moeten worden. En zeker geen gedwongen plaatsing op of onteigening van gronden hiervoor. Zonneweides concurreren met landbouwgrond wat slecht is voor jonge boeren en de voedselvoorziening. Diverse onderzoeken laten mogelijke problemen rondom zonneweides zien. Zonneweides kunnen milieu- en bodemverontreiniging veroorzaken en kan zorgen voor minder bodemleven en plantengroei. Het kan leiden tot inklinking van veengrond met bijbehorende CO2 -uitstoot. Koeien krijgen een slechtere gezondheid en melkproductieverlies binnen een afstand van 800 m door straling. Beantwoording Voor het opwekken van duurzame energie wordt uitgegaan naar mix van zon op dak en andere objecten, windturbines en zonnevelden. Voor zonnevelden wordt conform de zonneladder ook gezocht naar restgronden. Gezien de opwekopgave is het onvermijdelijk dat er ook zonnevelden worden gerealiseerd op landbouwgrond. Daarbij kan actief worden gekeken naar mogelijkheden voor dubbel ruimtegebruik waaronder agriPV. Er kan alleen een zonneveld worden gerealiseerd als de grondeigenaar daaraan meewerkt. Zonnevelden kunnen effect hebben op de het bodemleven en de waterhuishouding.

Bij het ontwerp van zonnevelden is het belangrijk dat voldoende licht en water op de bodem komt. Onderzoek van Wageningen University laat zien dat bij een goed ontworpen zonneveld waarbij ook kruidenrijk grasland wordt gezaaid een verbetering van de bodemkwaliteit en ecologie mogelijk is ten opzichte van intensief agrarisch gebruikte gronden. In de subsidieregeling voor zonnevelden (SDE) worden eisen gesteld aan natuurinclusiviteit. Daarmee wordt geborgd dat lichtinval en waterhuishouding aandacht krijgen bij het ontwerp en de inrichting. Voor wat betreft slechtere diergezondheid en melkproductieverlies zijn ons geen onderzoeken bekend. De genoemde effectafstand van 800 meter wordt niet nader onderbouwd. Diverse melkveehouders hebben een zonneveld op een deel van de gronden en zonnepanelen op de stallen. Conclusie De zienswijzen geven geen aanleiding om de RES Herijking of het planMER aan te passen.

1.21 Benut mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik (zienswijze 27 NMU) Indiener is blij te lezen dat bij de aanleg van nieuwe zon- en windparken actief wordt gezocht naar mogelijkheden voor dubbel ruimtegebruik. Zij zou hieraan willen toevoegen dat landbouw, natuur en recreatie waardevol zijn om te combineren met energieopwek. Daarnaast zou het goed zijn om in de RES Herijking de ambitie op te nemen om toekomstige zonnevelden in te richten conform de richtlijnen van de gedragscode zon op land van Holland Solar. In deze gedragscode zitten goede aanknopingspunten voor ontwerp en beheer met aandacht voor natuurwaarden. De NMU heeft hierover al veel kennis en ervaring opgedaan die als inspiratie kan dienen. Beantwoording Natuurinclusiviteit als onderdeel van dubbel ruimtegebruik is genoemd in de RES Herijking. Met de nieuwe “gedragscode zon op land” (januari 2024) van brancheorganisatie Holland Solar conformeren aangesloten 15

ontwikkelaars van zonneparken zich aan de zonneladder, aan het concept van meervoudig ruimtegebruik en aan minimale richtlijnen ten aanzien van natuur, landschap ruimte tussen de panelen en het voorkomen van verdroging. In de RES Herijking benoemen we de gedragscode die illustreert dat ook ontwikkelaars zich inzetten voor meervoudig ruimtegebruik. Conclusie In de RES Herijking wordt de gedragscode zon op land van Holland Solar toegevoegd aan de tekst over dubbel ruimtegebruik.

1.22 Zonnevelden en windturbines langs netwerken van Rijkswaterstaat (zienswijze 19) In het planMER zijn zoekgebieden onderzocht. Het zijn nog geen concrete initiatieven en ontwikkellocaties. Bij de uitwerking van deze zoekgebieden is er een kans dat er een raakvlak is met de netwerken van die Rijkwaterstaat beheert (A2, A12, A27, A28 en het Amsterdam-Rijnkanaal). Wij verzoek om vroeg in het verdere planproces met Rijkswaterstaat Midden-Nederland in overleg te treden over de mogelijkheden en onmogelijkheden van concrete initiatieven op specifieke locaties. Dit om te voorkomen dat pas in een (te) laat stadium eventuele belemmeringen/aandachtspunten vanuit het beheer van onze netwerken naar voren komen en er op dat moment nog maar moeilijk wijzigingen in plannen zijn door te voeren. Zo wordt verzocht rekening met de bepalingen uit de Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over waterstaatswerken of wegen in beheer bij het Rijk. En moet bij windprojecten bij de nadere uitwerking ook inzicht gegeven worden in de eventuele bijdrage aan het gecumuleerde en gezamenlijke geluid bij geluidgevoelige bestemmingen, en daarmee op eventuele effecten op projecten van Rijkswaterstaat. Nieuwe windturbines langs het Amsterdam-Rijnkanaal kunnen een verstorend effect hebben op het radarsysteem dat gebruikt wordt door de scheepvaart op het kanaal.

Voor zonnevelden langs de snelweg moet aandacht zijn voor eventuele hinder voor weggebruikers en andere veiligheidsaspecten. Daarnaast moet inzicht worden gegeven in de reflectie van geluid voor geluidgevoelige bestemmingen en invloed op natuur. Beantwoording Het is bekend dat bij de uitwerking van zon- en windprojecten rekening moet worden gehouden met genoemde aspecten van o.a. (externe) veiligheid en radarverstoring voor scheepvaart. Initiatiefnemers zullen hierover in contact treden met Rijkswaterstaat en bij de vergunningverlening is Rijkswaterstaat, waar relevant, een van de overlegpartners. Conclusie: De zienswijze geeft geen aanleiding om de RES Herijking of het planMER aan te passen. 1.23 Benut geothermie om stroom op te wekken (zienswijze 3, secr. vereniging van waterschapbestuurders) Indiener geeft aan dat in de RES Herijking de nadruk ligt op windturbines, zonnedaken, zonnevelden en warmtenetten. Deze technieken kunnen voor overbelasting van het elektriciteitsnet zorgen. Daarnaast zijn er nadelen zoals milieueffecten, te duur in exploitatie en levensduur en beperkt hergebruik. In de RES Herijking worden de duurzame en financiële voordelen van geothermie als bron voor duurzame elektriciteit niet vermeld. Duurzaam en zonder CO2 uitstoot.

Op diverse plekken (Kenia, IJsland en Groenland) heeft deze techniek de grote voordelen al bewezen en de installatie is recyclebaar. Beantwoording In Nederland is het huidige beleid om aardwarmte (incl. geothermie) niet voor elektriciteit in te zetten maar voor de warmtevoorziening. De transitie naar een aardgasloze warmtevoorziening is een grote uitdaging. Dit 16

komt mede doordat het aantal duurzame warmtebronnen in Nederland en ook in de regio Utrecht beperkt is. Het is doelmatiger om warmte die beschikbaar is meteen als warmte te gebruiken, in plaats van om te zetten in elektriciteit om daar vervolgens met warmtepompen weer warmte mee te produceren. In de regio Utrecht worden proefboringen uitgevoerd om de beschikbaarheid en potentie van de geothermie voor de warmtevoorziening goed in beeld te krijgen. Naast de beleidskeuze voor inzet van aardwarmte voor de energievoorziening spelen ook technische redenen een rol. Om rendabel elektriciteit op te kunnen wekken is geothermie nodig met een minimale temperatuur van 180°C. Hiervoor moet in Nederland tenminste 4500 meter diep worden geboord (ultradiepe geothermie). In Nederland is nog nooit aardwarmte op deze diepte gewonnen en het is onzeker of dit mogelijk is. In de regio Utrecht worden proefboringen uitgevoerd om de beschikbaarheid en potentie van de geothermie voor de warmtevoorziening goed in beeld te krijgen. Conclusie: De zienswijze geeft geen aanleiding om de RES Herijking of het planMER aan te passen.

1.24 Wat is rol U16 bij batterijopslag (zienswijze 25 Energie van Utrecht) In veel gemeenten mist ruimtelijk beleid voor batterijopslag. Dit kan leiden tot reacties variërend van “Er is geen beleid, we toetsen uw activiteit aan bestaande wet- en regelgeving” tot “Er is geen beleid, we nemen uw principeverzoek niet in behandeling tot er beleid is”. Wat is de rol van de U16 rondom batterijen? Beantwoording Batterijopslag is een breed thema, variërend van grote batterijparken, tot opslag bij opwekprojecten en bedrijventerreinen en de buurt- en thuisbatterij. Het is niet duidelijk op welke batterijopslag indiener doelt. Batterijparken lijken op dit moment beperkt niet aan de orde in de regio, bij diverse opwekprojecten zijn/worden batterijen mee-ontwikkeld en de provincie faciliteert in batterijopslag bij energyhub’s op bedrijventerreinen. Het beleid en de regelgeving op batterijgebied is op dit moment in beweging. De RES-samenwerking ondersteunt gemeenten waar nodig bij beleidsontwikkeling en het realiseren van voorbeeldprojecten. Batterijopslag vormt een onderdeel van het energiesysteem van de toekomst en heeft een link met opwek. In de RES-samenwerking wordt geïnventariseerd welke behoefte er bij de gemeenten en bij initiatiefnemers leeft op batterijgebied. Waarna een keuze kan worden gemaakt hoe en door wie dit kan worden ingevuld.

Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding om de RES Herijking of het planMER aan te passen. 1.25 Betrek inwoners bij de RES keuzes (zienswijze 40) Onder “Ontwikkelingen in beleid, wet- en regelgeving” wordt vermeld, dat in het Nationaal Plan Energiesysteem o.a. de publieke waarden “betaalbaar en economisch krachtig, rechtvaardig en participatief, ruimte en milieu en transparante afweging van belangen” zijn opgenomen. Daarnaast wil de provincie o.a. met inwoners het lokale energiesysteem in energiehubs herontwerpen. Indiener constateert dat tot op heden de inspraak van inwoners nagenoeg nihil is. Om de belangen van de inwoners/burgers binnen de RES Herijking een serieuze plaats toe te kennen, is het meer dan gewenst participatie in de vorm van een burgerberaad in deze RES Herijking op te nemen.

17

Beantwoording De RES is een samenwerkingsverband van 16 gemeenten, de provincie Utrecht en 4 waterschappen. In deze samenwerking is afgesproken dat de bewonersparticipatie op lokaal en niet op regionaal wordt georganiseerd. Dit omdat concrete besluitvorming over zoekgebieden en projecten ook op lokaal niveau worden genomen. In diverse gemeenten zijn en worden bewoners betrokken bij de beleidsontwikkeling in de energietransitie. In Houten is daarvoor een burgerberaad georganiseerd. En bij alle concrete projecten is participatie van bewoners georganiseerd door de gemeenten en/of provincie en initiatiefnemers van projecten. Gemeenten en de provincie streven ook naar 50% lokaal eigenaarschap bij energieopwekprojecten. Veelal wordt dit ingevuld met energie coöperaties. Zij betrekken de omgeving bij de plannen. Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding om de RES Herijking of het planMER aan te passen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/646/documents/19858