B4 Voorlopige jaarstukken 2021.pdf
Tekst van het document
27
Gerealiseerde baten en lasten Tabel 14 Baten en lasten Brandweer Bedragen x € 1.000
Brandweer
Actualisatie 2021
Realisatie 2021
Afw. Real. en act.
Totaal lasten Totaal baten
56.076 1.766
55.011 1.702
1.065 -64
Saldo van baten en lasten
-54.310
-53.309
1.001
Toevoeging aan reserves Onttrekking van reserves
3.372 685
2.717 602
654 -83
Gerealiseerd resultaat
-56.997
-55.425
1.572
28
6 Meldkamer Wat wilden we bereiken? De meldkamer is het kloppend hart van de hulpdiensten. De meldkamer neemt 24 uur per dag en 7 dagen per week hulpverzoeken van burgers in nood aan en dirigeert de hulpverleners snel en efficiënt naar de plaats van het incident. De centralisten vormen daarbij de ogen en oren van de brandweer, vanaf een incidentmelding tot het moment dat een leidinggevende op de plek van het incident arriveert en de aansturing van de collega’s op straat overneemt. De brandweer deelt de meldkamer met de politie en de ambulancedienst. Voor incidenten die om een multidisciplinaire aanpak vragen, kan daardoor snel een calamiteitencoördinator worden ingezet die alle drie de hulpdiensten kan aansturen. Beleidsdoelstellingen In het Beleidsplan VRU 2020-2023 hebben wij voor het programma Meldkamer 2 doelstellingen opgenomen: Wij willen meldingen van burgers sneller en slimmer ontvangen, registreren, beoordelen en bewaken, ten einde nog sneller en adequater hulp te kunnen bieden. Wij sturen op de kwaliteit en de bruikbaarheid van de informatie waarover de meldkamer beschikt, en de snelheid waarmee deze beschikbaar komt ten behoeve van de uitvoering van ons werk.
Wat hebben we daarvoor gedaan? Beleidsactiviteiten Wij geven een impuls aan de beleidsdoelstellingen met een paar specifieke beleidsactiviteiten: Meldingen sneller en slimmer ontvangen en verwerken De meldkamer moet ons helpen de hulpverlening aan de burger betrouwbaar en steeds zo snel mogelijk te laten plaatsvinden. In lijn met het landelijk vastgestelde kwalificatiedossier voorziet ons in 2021 vastgestelde vakbekwaamheidsprogramma meldkamer (2022-2025) naast technische training in competentiegerichte training. Wij zijn nauw aangesloten op landelijke ontwikkelingen. In 2021 hebben wij ons voorbereid op de landelijke introductie van de 112NL-app, die het ook voor mensen die niet goed kunnen horen en/of spreken mogelijk maakt om contact te leggen met de meldkamer middels een chatfunctie. In 2021 hebben we de eerste ervaringen opgedaan met het in Q4 2020 landelijk geïntroduceerde ‘geen spoed, wel brandweer’-nummer, voor meldingen zonder spoed. Zo blijft het 112-nummer vrij voor levensbedreigende situaties. In de eerste helft van 2022 zal de introductie van het nummer worden geëvalueerd. De aansluiting van de meldkamer Utrecht op de landelijke meldkamer infrastructuur is door de Landelijke Meldkamer Samenwerking (LMS) opgeschort.
In de periode tot de aansluiting zullen technologische vernieuwingen tevens voor toepassing in het huidige geïntegreerd meldkamer systeem (GMS) beschikbaar worden gemaakt. Voor de middellange termijn bouwen wij samen met de politie, de veiligheidsregio’s van Flevoland en Gooi en Vechtstreek, en de Regionale Ambulancevoorzieningen van Gooi en Vechtstreek, Flevoland en Utrecht, aan de nieuwe, innovatieve meldkamer Midden-Nederland die in 2025 operationeel moet zijn. Naast de fysieke totstandkoming van de meldkamerlocatie staan daarbij de harmonisatie en synchronisatie van de regionale meldkamerprocessen centraal. Sturen op kwaliteit en bruikbaarheid van informatie
29
Voor veel taken in onze organisatie maken wij gebruik van informatie. Van het in kaart brengen van risico’s en het bepalen van de beste inzet bij een brand, tot het rapporteren over incidenten en opkomsttijden. De meldkamer beschikt over een belangrijk deel van de informatie die nodig is voor ons presterend vermogen. Het is daarom van belang voor onze organisatie, partners en de samenleving dat wij kunnen sturen op de bruikbaarheid en kwaliteit van deze informatie, alsmede op de snelheid waarmee deze ter beschikking komt. In de afgelopen periode hebben wij geïnvesteerd in de eenduidigheid, kwaliteit en bruikbaarheid (vergelijkbaarheid) van informatie. Dit gaan wij in 2022 nog verder automatiseren. Overdracht beheer meldkamer De overdracht van het beheer van de meldkamer naar de politie in 2020 heeft geleid tot een financieel nadeel, omdat de uitname uit de rijksbijdrage € 0,2 miljoen hoger is dan de wegvallende beheerskosten voor de VRU. De VRU verwacht dit nadeel te kunnen compenseren na de ingebruikname van de Meldkamer Midden-Nederland door het efficiencyvoordeel op de personele lasten dat daarbij ontstaat. Aanvankelijk zou de ingebruikname van de Meldkamer Midden-Nederland begin 2022 plaatsvinden. In 2020 is bekend geworden dat dit pas wordt voorzien in het eerste kwartaal van 2025 door een vertraging van de nieuwbouw in Hilversum.
Door deze vertraging wordt het voorziene efficiencyvoordeel op de personele lasten pas later gerealiseerd. Met de politie is een regeling getroffen om het financiële nadeel voor de VRU in de periode 2022 tot de ingebruikname van de Meldkamer Midden-Nederland te compenseren. Met deze middelen kan vanaf 2022 het financiële nadeel als gevolg van de overdracht van het beheer worden opgevangen. Vanaf 2025, na de ingebruikname van de Meldkamer Midden-Nederland, wordt verwacht dat de verlaging van de gemeentelijke bijdrage met € 0,2 miljoen structureel binnen de begroting kan worden gedekt uit het verwachte efficiencyvoordeel op de personele lasten. Dit betekent dat de gemeentelijke bijdrage met ingang van 2022 structureel verlaagd kan worden met een bedrag van € 193k.
Productie-indicatoren Tabel 15 Productie-indicatoren Meldkamer Nr. Productie-indicatoren
1 2 3 4
Het aantal meldingen dat bij de regionale alarmcentrale is aangenomen Het aantal vanuit de meldkamer begeleide en ondersteunde uitrukken Verwerkingstijd meldingen Het percentage GRIP incidenten met inzet CaCo
5
Multidiciplinair beeld is binnen 5 minuten beschikbaar
1.
2.
3.
30
Realisatie 2020
20.177 8.744 34 43% GRIP 4 COVID19 niet meegerekend 43% GRIP 4 COVID19 niet meegerekend
Actualisatie 2021
Realisatie 2021
18.500 8.540 60 sec. 100%
18.954 8.084 41 sec. 100%
100%
100%
Het aantal meldingen dat bij de alarmcentrale is aangenomen. In dit overzicht is het aantal unieke incidentnummers opgenomen. Niet ieder incident genereert een uitruk of alarmering. Het aantal vanuit de meldkamer begeleide en ondersteunde uitrukken. Het aantal incidenten waar door de meldkamer één of meer brandweereenheden voor zijn gealarmeerd. Alle gealarmeerde eenheden worden begeleid en ondersteund door de meldkamer. Verwerkingstijd meldingen. Berekening van de verwerkingstijd: de gemiddelde verwerkingstijd van alle prioriteit 1 meldingen voor gebouwbranden (conform uitgangspunt Beleidsplan VRU 2020-2023) waarvoor een brandweereenheid is gealarmeerd. Hierin zijn
alleen meldingen meegenomen met een verwerkingstijd tussen 5 seconden en 10 minuten. Het kost minimaal 5 seconden om een eenheid te koppelen aan een incident. Tijden korter dan 5 seconden zijn niet representatief. Dit zijn ook meldingen die in eerste instantie door de meldkamer van de politie of de meldkamer Ambulance aangenomen zijn. Tijden langer dan 10 minuten betreffen brandweervoertuigen die bijvoorbeeld later gekoppeld zijn aan een eerder incident of waarvan de prioriteit later aangepast is van prioriteit 2 naar prioriteit 1. Ook deze verwerkingstijden zijn niet representatief, en derhalve in de berekening niet meegenomen.
Gerealiseerde baten en lasten Tabel 16 Baten en lasten Meldkamer Bedragen x € 1.000
Meldkamer
Actualisatie 2021
Realisatie 2021
Afw. Real. en act.
Totaal lasten Totaal baten
1.477 -68
1.296 -67
181 1
Saldo van baten en lasten
-1.545
-1.363
182
Toevoeging aan reserves Onttrekking van reserves
704 -
704 -
-
Gerealiseerd resultaat
-2.249
-2.067
182
31
7 Algemeen Algemene kosten en dekkingsmiddelen Tabel 17 Algemene kosten en dekkingsmiddelen
In hoofdstuk 2 van de jaarrekening vindt u een toelichting op de afwijkingen tussen de realisatie 2021 en de geactualiseerde begroting 2021.
Overhead Tabel 18 Kosten overhead Bedragen in € 1.000
Actualisatie 2021
Realisatie 2021
Afw. Real. en act.
Personeelskosten Gebouwkosten Kantoorkosten Overige kosten Operationele kosten Overige baten Mutaties in reserve
19.137 1.605 2.589 377 -749
18.082 1.581 2.632 509 -17 -505
1.056 24 -43 -131 17 -244
Totaal overhead: % overhead
22.959 22,45%
22.282 22,54%
677 0,09%
Overhead
In de berekening van de overhead zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: 1. De organisatieonderdelen Bedrijfsvoering en Directie & Staf zijn in principe overhead, met uitzondering van: a. de centrale personeelsbudgetten die hieronder zijn opgenomen (deze worden op basis van formatie verdeeld over de taakvelden); b. de lasten van het FLO-overgangsrecht; c. kosten met betrekking tot de kazernes; d. bijdragen aan het IFV en WVSV; e. kosten van bestuursondersteuning. 2. Overheadkosten in de primair processen zijn: a. Directeuren en afdelingshoofden: 100%; b. Managementondersteuning: 100%.
Onvoorzien De begroting van de VRU bevat geen post onvoorzien.
32
Gerealiseerde baten en lasten Tabel 19 Baten en lasten Algemeen inclusief Overhead
33
Paragrafen Dit hoofdstuk bevat de in het BBV voorgeschreven paragrafen, met uitzondering van de paragrafen Lokale heffingen en Grondbeleid, welke niet van toepassing zijn op onze organisatie. Achtereenvolgens treft u aan: Weerstandsvermogen en risicobeheersing Onderhoud kapitaalgoederen Financiering Bedrijfsvoering Verbonden partijen
34
8 Weerstandsvermogen en risicobeheersing Het weerstandsvermogen kan worden omschreven als de mate waarin de organisatie in staat is om omvangrijke financiële tegenvallers op te vangen, zonder dat het beleid behoeft te worden aangepast. Risicobeheersing is gericht om de schadelijke gevolgen van risico’s zo veel mogelijk te voorkomen of te beperken.
Weerstandscapaciteit De bedrijfsvoeringreserve laat de weerstandscapaciteit van de VRU zien. Binnen deze capaciteit kunnen de risico’s (mogelijke toekomstige financiële tegenvallers) worden opgevangen. Op basis van de risico-inventarisatie (zie paragraaf 9.2) bedraagt de benodigde weerstandscapaciteit voor 2021 € 0,5 miljoen. Onze beschikbare weerstandscapaciteit is € 1,4 miljoen. Daarmee is de verhouding (beschikbaar/benodigd) groter dan 1 (2,3). Tabel 20 Weerstandscapaciteit Bedragen in € 1.000
Weerstandscapacteit
2021
Bedrijfsvoeringsreserve
1.409
Totaal
1.409
Benodigde weerstandscapaciteit In de volgende tabel zijn de belangrijkste financiële risico’s weergegeven, voor zover bekend ten tijde van het opstellen van de jaarstukken. Daarbij is een analyse gemaakt van de omvang en de kans dat het risico zich voordoet. De risico’s worden vervolgens nader toegelicht. Tabel 21 Weerstandscapaciteit Bedragen in € 1.000
Benodigde weerstandscapaciteit Omgevingswet Taakdifferentiatie brandweer Overige (onvoorziene) exploitatierisico's
Effect
Kans
500-1.000 pm
25% 25%
Bedrag risico 31 pm 524
Totaal
524
8.2.1 Omgevingswet Omschrijving risico Onderzoeksbureau Cebeon heeft de (financiële) gevolgen van de stelselherziening als gevolg van de Omgevingswet voor de VRU in beeld gebracht. Op basis van het Cebeon-rapport kan geconcludeerd worden dat de VRU voor de invoering van de Omgevingswet nog te maken krijgt met incidentele kosten (wegvallen capaciteit vanwege benodigde inspanningen in het project voor de inrichting van de werkprocessen en het aansluiten op gemeentelijke werkprocessen en digitaal verkeer) en structurele kosten. Bij invoering Omgevingswet speelt gelijktijdig de invoering van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb). Tussen het Rijk en de bestuurlijke partners zijn afspraken gemaakt over het monitoren en evalueren van de financiële gevolgen van de stelselherziening Omgevingswet. De inzet is dat de wet budgetneutraal kan worden ingevoerd,
35
waarbij de minister heeft afgesproken op zoek te gaan naar oplossingen als uit de financiële evaluatie blijkt dat de invoeringskosten substantieel hoger zijn dan eerder voorzien. Toelichting effect en kans De structurele kosten voor de VRU worden geschat op € 0,5 tot 1,5 miljoen euro. Deze kosten hebben met name betrekking op personeelskosten. Enerzijds door een nieuw type advies over de omgevingsvisie, -plannen en programma’s (kerninstrumenten). Anderzijds zullen de kosten per advies stijgen, door toename van de tijdsbesteding aan meer complexe aanvragen en processen en doordat het benodigde kennisniveau (en daarmee de inschaling) van de medewerkers omhoog moet om deze complexe aanvragen te behandelen. Het risico voor 2022 is berekend over het laatste kwartaal als gevolg van uitstel van invoering van de Omgevingswet (niet eerder dan per 1 oktober 2022). De inschatting van de incidentele kosten als gevolg van de invoering van de omgevingswet in bedraagt ca. € 100K-€ 200K voor extra personele capaciteit. Financiële dekking voor deze incidentele kosten voor 2022 wordt gezocht binnen de kaders van de begroting van de VRU met mogelijk de inzet van de ontwikkel- en egalisatiereserve. De incidentele kosten maken derhalve geen deel uit van de risicoparagraaf.
8.2.2 Taakdifferentiatie brandweer Omschrijving risico De minister van JenV heeft op 21 juni 2021 het besluit genomen decharge te verlenen aan de denktank taakdifferentie en een nieuwe stuurgroep ‘toekomstbestendig brandweerstelsel’ in te richten. Deze stuurgroep heeft als opdracht gekregen om medio 2022 een plan te presenteren voor implementatie van de eerste bouwsteen van de denkrichting en als aanvullende opdracht om te onderzoeken wat andere wenselijke thema’s zijn om mee aan de slag te gaan, om toe te werken naar een toekomstbestendig brandweerstelsel. Bij de eerste bouwsteen gaat het om verplichte beschikbaarheid. De vrijwilliger werkt op basis van vrijwilligheid en kan niet worden verplicht om taken uit te voeren en beschikbaar te zijn op een bepaald moment. Vormen van consignering (het buiten werktijd verplicht oproepbaar zijn voor spoedgevallen) en kazernering (verplichte aanwezigheid op de kazerne) zijn dan niet meer aan de orde. Voor de beroepsmedewerker geldt dat de verplichting blijft. In de opdracht van het implementatieplan voor de eerste bouwsteen worden activiteiten, planning, verantwoordelijkheden en financiën opgenomen. Toelichting effect en kans Er bestaat een reëel risico dat de kosten voor brandweerzorg als gevolg van de taakdifferentiatie op basis van de genoemde uitwerkingen van de stuurgroep 'toekomstbestendig brandweerstelsel' significant stijgen.
De eventuele verschuiving van taken van vrijwilligers naar beroepskrachten kan leiden tot meer (parttime) beroepsaanstellingen en daarmee tot extra loonkosten voor de werkgever. Ook de kosten voor vakbekwaamheid kunnen toenemen als gevolg van een verschuiving van specialistische taken. Er is nog geen duidelijkheid over de omvang en fasering van de eventuele meerkosten als gevolg van de vrijwilligersproblematiek. Waar zich het risico van een zeer substantiële kostenverhoging gaat voordoen en het tempo van die kostenverhoging is nog niet in te schatten, omdat een eventueel besluit om het gedachte model van taakdifferentiatie in te voeren nog gekoppeld zou kunnen worden aan een derogatiebesluit (uitstel van invoering) vanuit Europa. Dit betekent ook dat de duur van het verleende uitstel van de inwerkingtreding van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren voor personeel van de veiligheidsregio’s nog niet bekend is. Uitgangspunt hierbij is dat eventuele financiële consequenties als gevolg van wijzigingen in het stelsel door het Rijk worden gecompenseerd.
36
8.2.3 Overige (onvoorziene) exploitatierisico's Omschrijving risico De veiligheidsregio kan worden geconfronteerd met onvoorziene kosten binnen het begrotingsjaar als gevolg van exogene ontwikkelingen (zoals premiestijgingen, claims, kostenfluctuaties die samenhangen met incidenten en crises). In de begroting van de VRU zijn geen posten voor onvoorziene uitgaven opgenomen. Toelichting effect en kans Als dit risico zich voordoet, zal bijsturing plaatsvinden via de begroting. Het geraamde risico gaat ervan uit dat het maximaal een jaar duurt voordat de maatregelen zijn geëffectueerd. Het geraamde risico wordt ingeschat op 0,5% van de totale kosten.
Kengetallen Volgens de richtlijnen van het BBV zijn hieronder vier van de zes verplichte kengetallen weergegeven. De overige twee voorgeschreven kengetallen (grondexploitatie en belastingcapaciteit) zijn niet van toepassing op onze organisatie. De wetgever wil met deze kengetallen inzicht hebben in de financiële weerbaarheid en wendbaarheid (de mate waarin bij een tegenvaller financieel kan worden bijgestuurd). De kengetallen geven aan over hoeveel financiële ruimte wij beschikken om structurele en incidentele lasten te dekken of op te vangen. De kengetallen dienen te worden beoordeeld in samenhang met elkaar en met de financiële positie.
Toelichting kengetallen Netto schuldquote: Het quotiënt van totale schulden minus liquide middelen minus uitgeleende gelden en de totale baten Solvabiliteitsratio:
Tabel 22 Verplichte kengetallen
Het quotiënt van eigen vermogen en balanstotaal
Omschrijving kengetal
2020
2021
Netto s chul dquote Netto s chul dquote gecorri geerd voor al l e vers trekte l eni ngen Sol vabi l i tei ts rati o Structurel e expl oi tati erui mte*
32,3% 32,1% 27,3% -0,3%
22,9% 22,7% 27,0% -0,1%
Structurele exploitatieruimte:
* 2020 is gecorrigeerd t.o.v. de jaarstukken 2020 8.3.1 Netto schuldquote Onze positie met betrekking tot de schuldquote is gunstig te noemen. De norm ligt tussen de 0100%. Wij liggen hiermee ruimschoots onder het maximum van 100%. De daling van de schuldquote is veroorzaakt door een hogere stand van de liquide middelen. 8.3.2 Solvabiliteitsratio De solvabiliteit is ten opzichte van 2020 gedaald door de toename van vaste schulden met een rente typische looptijd langer dan 1 jaar. De langlopende leningen worden hoofdzakelijk gebruikt voor de financiering van de vaste activa. 8.3.3 Structurele exploitatieruimte Alle middelen zijn structureel bestemd.
37
Het quotiënt van structurele baten minus structurele lasten en de totale baten
9 Onderhoud kapitaalgoederen Activeren en afschrijven Conform artikel 59 van het BBV activeren wij alle materiële vaste activa. Investeringen schrijven wij lineair af vanaf het jaar opvolgend op het investeringsjaar. Als uitgangspunt voor het activeren geldt dat dit plaatsvindt vanaf € 10.000 per object. 9.1.1 Investeringen in gebouwen De VRU had ultimo 2021 vier brandweerkazernes in eigendom. De overige kazernes zijn in eigendom van de gemeenten. De kazernes worden om niet ter beschikking gesteld aan de VRU. Investeringen in gebouwen die in eigendom van de gemeenten zijn, komen voor rekening van de betreffende gemeenten. Investeringen in gebouwen die eigendom zijn van de VRU, worden bij de VRU geactiveerd. De kapitaallasten worden doorbelast aan de gemeenten die de gebouwen aan de VRU hebben overgedragen, via het individueel gemeentelijk plus pakket. 9.1.2 Investeringen in overige kapitaalgoederen Ten aanzien van de investeringen in overige kapitaalgoederen (inventaris en installaties, automatisering, vervoersmiddelen en materiaal) hanteert de VRU een meerjarig investeringsplan welke periodiek wordt geactualiseerd. In de begroting is een constant bedrag opgenomen voor kapitaallasten. De werkelijke kapitaallasten fluctueren.
Tezamen met het meerjaren investeringsplan is daarom ook een egalisatiereserve kapitaallasten ingesteld om de verschillen tussen begrote en werkelijke kapitaallasten op te vangen. Meerjarig wordt gestuurd op een sluitende investeringsbegroting.
Onderhoud 9.2.1 Onderhoud gebouwen en installaties Hoofdkantoor Het hoofdkantoor van de VRU is gehuisvest in het gehuurde pand in het provinciehuis. Het onderhoud voor deze locatie is onderdeel van de servicekosten die wij naast de huur aan de provincie Utrecht betalen. Brandweerkazernes De kosten voor het beheer en onderhoud van de brandweerkazernes zijn voor rekening en risico van de gemeenten. 9.2.2 Onderhoud materieel Het onderhoud van materieel wordt grotendeels in eigen beheer door - uitgevoerd of uitbesteed via het VRU-organisatieonderdeel Bedrijf Preparatie Brandweer.
38
10 Financiering Het wettelijke kader voor het financieringsbeleid is vastgelegd in de Wet financiering decentrale overheden (Wet Fido). Het treasury-beleid van de VRU ligt vast in het treasurystatuut VRU.
Kasgeldlimiet De kasgeldlimiet laat het maximumbedrag zien waarmee een gemeente of gemeenschappelijke regeling haar financiële bedrijfsvoering met kortlopende middelen (looptijd < 1 jaar) mag financieren. De norm bedraagt 8,2% van het begrotingstotaal aan lasten vóór bestemming van de reserves. Het netto overschot in 2021 bedroeg gemiddeld € 26,6 miljoen. Onderstaande tabel laat de berekening zien van de kasgeldlimiet in 2021. Daaruit blijkt dat de gemiddelde liquiditeitspositie over heel 2021 voldoet aan de norm. Tabel 23 Kasgeldlimiet Bedragen x € 1.000,-
Maand v/h kwartaal
Kw 1
Kw 2
Kw 3
Kw 4
(1) Vlottende (korte) schuld (1) Vlottende (korte) schuld (1) Vlottende (korte) schuld
maand 1 maand 2 maand 3
6.192 2.865 6.470
4.151 6.597 6.116
10.079 12.041 11.735
10.537 14.415 15.618
(2) Vlottende middelen (2) Vlottende middelen (2) Vlottende middelen
maand 1 maand 2 maand 3
24.019 18.258 8.890
42.682 36.659 29.357
50.202 43.433 35.856
51.523 48.514 38.602
maand 1 maand 2 maand 3
-17.827 -13.393 -2.420
-38.531 -30.062 -23.341
-40.123 -31.392 -24.121
-40.986 -34.099 -22.984
-11.214
-30.611
-31.878
-32.690
(5) Kasgeldlimiet
8.051
8.051
8.051
8.051
(6a) Ruimte onder kasgeldlimiet (5>4) (6b) Overschrijding van de kasgeldlimiet (4>5)
19.598 -
38.996 -
40.263 -
41.075 -
Berekening kasgeldlimiet (7) Begrotingstotaal (8) Het bij ministeriële regeling vastgestelde percentage (9) Kasgeldlimiet : 7 x 8 : 100
98.178 8,2% 8.051
98.178 8,2% 8.051
98.178 8,2% 8.051
98.178 8,2% 8.051
(3) Netto vlottende schuld (+) of Overschot vlottende middelen (-) (1-2)
(4) Gemiddelde netto vlottende schuld (+) of Gemiddeld overschot vlottende middelen (-)
Renterisiconorm De renterisiconorm heeft tot doel het renterisico bij herfinanciering te beperken. De jaarlijkse renteherzieningen en de verplichte aflossingen mogen niet méér bedragen dan 20% van het begrotingstotaal bij aanvang van het jaar. Uit de volgende tabel blijkt dat is voldaan aan de renterisiconorm.
39
Tabel 24 Renterisiconorm Bedragen in € 1.000
Renterisiconorm
2020
2021
Omvang begroting Renterisiconorm Toets renterisiconorm
95.602 20% 19.120
98.178 20% 19.636
Renteherzieningen op leningen o/g Betaalde aflossingen Renterisico
2.123 2.123
-2.123 2.123
Ruimte onder renterisiconorm
16.997
17.513
40
11 Bedrijfsvoering Personeel 11.1.1 Formatie en bezetting (fte) De formatie en bezetting (in fte) per ultimo 2021 is als volgt: Tabel 25 Formatie & bezetting Formatie per 31-12
Bezetting per 31-12
Verschil
Bezetting in %
Concerndirectie en stafafdeling Brandweerrepressie Bedrijf Preparatie Brandweer Risicobeheersing Crisisbeheersing GHOR Bedrijfsvoering
33,1 273,2 126,2 115,3 32,5 11,3 106,4
29,1 253,9 119,6 106,1 29,7 12,3 97,5
4,0 19,3 6,6 9,2 2,9 -1,0 8,9
88% 93% 95% 92% 91% 109% 92%
Totaal
698,1
648,2
49,9
93%
Organisatieonderdeel
Het verschil tussen formatie en bezetting betreft een momentopname. Een deel van de vacatures is moeilijk in te vullen, mede door de coronacrisis en de krapte op de arbeidsmarkt. Daarnaast wordt een deel van de vacatures bewust aangehouden, bijvoorbeeld in het kader van een lopende reorganisatie. 11.1.2 Aantal vrijwilligers Het gemiddelde aantal vrijwilligers bedroeg 1.641 in 2021. In 2021 is het aantal vrijwilligers per saldo met 24 afgenomen. In 2020 nam het aantal vrijwilligers per saldo af met 44. 11.1.3 Wet banenafspraak De VRU heeft voor 2021 de ambitie gesteld om 15 garantiebanen te realiseren. Ultimo 2021 zijn er 14,8 fte garantiebanen gerealiseerd en is de ambitie daarmee nagenoeg gehaald. 11.1.4 Diversiteit In wervingsuitingen geeft de VRU consequent aan naar inclusiviteit en talent te streven: “Veiligheidsregio Utrecht werft mensen met de beste capaciteiten en laat zich niet leiden door culturele achtergrond, fysieke of mentale beperking, genderidentiteit, geloofsovertuiging, geaardheid of leeftijd. [Wij zijn] op zoek naar mensen met talent.” In 2021 is het beleid voor werving en selectie aangepast waardoor diversiteit in de selectie een voorrangspositie heeft gekregen bij gelijke geschiktheid. Er is een project gestart dat tot doel heeft om meer collega’s te werven uit specifieke doelgroepen.
Vanwege de COVID-19-pandemie is de implementatie van dit project uitgesteld (de voorbereidingen zijn wel door gegaan, voor zover dit digitaal mogelijk was, waardoor er nu een situatie is dat er gestart kan worden zodra de maatregelen dit toelaten). 11.1.5 Verzuim Na een relatief laag ziekteverzuim in 2020 is in 2021 sprake van een toename van het verzuimpercentage. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door een stijging van langdurig verzuim.
41
Tabel 26 Verzuimpercentage naar verzuimduur
Verzuimpercentage
2018
2019
2020
2021
1 tot 8 dagen (kort) 8 tot 42 dagen (middelllang) 43 dagen en meer (lang)
0,55% 0,72% 2,68%
0,48% 0,51% 4,73%
0,36% 0,83% 3,29%
0,36% 0,94% 4,72%
Totaal
3,96%
5,72%
4,46%
6,02%
11.1.6 Pilot geestelijke verzorging In augustus 2021 is gestart met de tweejarige pilot geestelijke verzorging. De geestelijk verzorger is een nieuwe functie binnen de Veiligheidsregio Utrecht (VRU). We geven met de geestelijke verzorging een impuls aan de zorg voor de mens achter de taak. Dat betekent een brede visie op geestelijke verzorging. Het gaat niet alleen om levensbeschouwelijke of religieuze aspecten, maar om een gezonde omgang met de levensvragen en de zingeving, die de intensiteit van het werken binnen een crisisorganisatie nu eenmaal oproept. Aandacht voor het mentale welbevinden van medewerkers versterkt de weerbaarheid en veerkracht en daarmee de duurzame inzetbaarheid van medewerkers. Aandacht voor zingeving biedt daarmee een belangrijke aanvulling op het zorgaanbod van de VRU. Met deze pilot onderzoekt de VRU op welke wijze de inzet van een geestelijk verzorger kan bijdragen aan de duurzame inzetbaarheid van medewerkers.
Inhuur Tabel 27 Inhuur per rubriek Bedragen x € 1.000
Inhuur per rubriek
Actualisatie 2021
Realisatie 2021
Afwijking
Inhuur reguliere werkzaamheden Vervanging i.v.m. ziekte Vervanging i.v.m. vacature Instructeurs Subtotaal inhuur binnen formatie
352 904 253 1.509
778 2.333 233 3.344
-426 -1.429 21 -1.834
Inhuur additionele werkzaamheden Tijdelijke capaciteit voor projecten Subtotaal inhuur bovenop de formatie
1.643 1.643
1.605 1.605
38 38
Totaal inhuur
3.152
4.948
-1.796
De inhuur voor reguliere werkzaamheden zijn onderdeel van Rubriek A van de staat van baten en lasten. De hogere kosten voor inhuur betreft voornamelijk de inhuur op een aantal moeilijk in te vullen vacatures. De dekking van de overschrijding van de inhuur binnen de formatie wordt gevonden binnen de reguliere salarisbegroting. De inhuur voor additionele werkzaamheden zijn onderdeel van Rubriek C2 van de staat van baten en lasten.
2 Naast de inhuur voor additionele werkzaamheden bevat rubriek C ook de kosten voor inleen van andere
overheden (realisatie 2021: € 275K).
42
Beleidsindicatoren Tabel 28 Beleidsindicatoren Naam indicator
Eenheid
Realisatie 2020
Actualisatie 2021
Realisatie 2021
Formatie Bezetting Apparaatskosten Externe inhuur Externe inhuur Overhead
Fte per 1000 inwoners Fte per 1000 inwoners Kosten per inwoner Kosten als % van totale loonsom Totale kosten inhuur externen % van de totale lasten
0,51 0,48 € 66,0 9% € 3,8 mln 23%
0,52 0,48 € 76,5 6% € 3,1 mln 22%
0,51 0,48 € 69,0 9% € 4,9 mln 24%
Op basis van de CBS is voor de realisatie 2021 uitgegaan van 1.361.153 inwoners per 1 januari voor de provincie Utrecht.
Apparaatskosten zijn alle personele en materiële kosten die verbonden zijn aan het functioneren van de ambtelijke organisaties. Dit zijn in feite de totale lasten van de VRU minus de jaarlijkse bijdrage aan het IFV en de WVSV. Zie paragraaf 11.2 een nadere toelichting op de externe inhuur.
Duurzaamheid In onze samenleving ligt een grote uitdaging op het gebied van duurzaamheid. Om de aandacht voor duurzaamheid vast te houden en te verstevigen is een duurzame bedrijfsvoering als beleidsbeginsel opgenomen in het VRU-beleidsplan 2020-2023. In onze interne communicatie en in onze bedrijfsvoering besteden we steeds aandacht aan duurzaamheid. Waar de uitvoering van onze taken dit niet in de weg staat, kiezen we voor duurzame oplossingen. Er zijn verschillende initiatieven binnen de organisatie op dit gebied. Een aantal voorbeelden van dit jaar: Verduurzaming wagenpark: in 2020 is een start gemaakt met verduurzaming van het (ondersteunende) wagenpark en wordt er actief gestuurd op het verminderen van het aantal ondersteunende voertuigen. Momenteel zijn twee elektrische dienstvoertuigen in gebruik en loopt een pilot met elektrische fietsen; De printers zijn vervangen door multifunctionele printers die energiezuiniger zijn; We zijn overgegaan op nieuwe datacentra (servers, storage, centrale netwerkcomponenten, firewalls etc.) die energiezuiniger zijn. Veel gemeenten maken een beweging om hun gemeentelijk vastgoed te verduurzamen, de meeste brandweerposten zijn of worden voorzien van zonnepanelen, als het nieuwbouw betreft dan gaat dit verder.
Duurzaamheidseisen en social return in aanbestedingen (bijvoorbeeld koffiebonen, eindejaarsgeschenken); Tijd- en plaatsonafhankelijk werken draagt bij aan minder reisbewegingen en een betere werk-privébalans.
Privacy De regeling bescherming persoonsgegevens VRU is begin 2020 ter instemming voorgelegd aan de Centrale ondernemingsraad (COR) en op 10 februari 2020 vastgesteld door het algemeen bestuur. In 2021 zijn in totaal 12 datalekken gemeld bij de Functionaris Gegevensbescherming (FG). Deze meldingen zijn allemaal opgenomen in het daartoe verplichte datalekregister van de VRU. Datalekken worden zorgvuldig beoordeeld om in een zo vroeg mogelijk stadium maatregelen te nemen om eventuele schade te verkleinen of te voorkomen, eventuele betrokkenen te informeren en - zo nodig - te melden aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP).
43
Twee datalekken zijn vanwege de risico-inschatting door de FG gemeld aan de AP. In beide gevallen is dit gebeurd binnen de wettelijk verplichte termijn van 72 uur. Hieruit zijn (vooralsnog) geen verdere consequenties voortgekomen. De AP heeft overigens in 2021 de lijn uit 2020 voortgezet om met name ook te handhaven op overheden, met als gevolg enorm hoge boetes.
44
12 Verbonden partijen Werkgeversvereniging Samenwerkende Veiligheidsregio's (WVSV) De WVSV is de werkgeversvereniging van de 25 veiligheidsregio’s die met de werknemersorganisaties op landelijk niveau tot afspraken komt over arbeidsvoorwaarden voor alle werknemers van de veiligheidsregio’s (met uitzondering van het personeel dat onder een eigen Cao valt bijvoorbeeld Cao Ambulancezorg). De WVSV is zelfstandig en onafhankelijk, juridisch vormgegeven als vereniging. Statuten en huishoudelijk reglement zijn beschikbaar op de website: www.wvsv-nl.nl. Belang De WVSV maakt namens haar leden afspraken met de vakbonden over collectieve arbeidsvoorwaarden voor het personeel van de veiligheidsregio’s. Deze afspraken worden vastgelegd in de “CAR(-UWO) Veiligheidsregio’s” (voorheen CAR-UWO). Met het vaststellen van de begrotingen voor 2021 en 2022 heeft de Algemene Vergadering ook de contributiebedragen voor beide jaren vastgesteld. Statutair is bepaald dat het lidmaatschap van de veiligheidsregio’s op gelijkwaardige basis plaatsvindt en dat elke veiligheidsregio 1/25ste van het saldo van de begroting bijdraagt.
Financiële informatie Eigen en vreemd vermogen voor bestemming 2021: nog niet bekend Jaarresultaat 2021: nog niet bekend Instituut Fysieke Veiligheid (IFV) Het IFV is de landelijke ondersteuningsorganisatie voor de veiligheidsregio's (versterken van de brandweerzorg en de aanpak op het terrein van de rampenbestrijding en crisisbeheersing). Via de Wet veiligheidsregio's zijn verschillende wettelijke taken overgeheveld naar het IFV. Het IFV is een bij wet opgericht zelfstandig bestuursorgaan (ZBO). Het IFV voert naast haar wettelijke taken ook taken uit in opdracht van de Veiligheidsregio's. Deze taken worden door de Veiligheidsregio’s betaald. Het aandeel van de VRU in de exploitatie bedraagt 6,5%. De 25 voorzitters van de veiligheidsregio's, verenigd in het Veiligheidsberaad, vormen het algemeen bestuur van het IFV. De bijdrage van de VRU aan het IFV bedroeg € 702K over 2021.
45
Jaarrekening 2021
46
1 Grondslagen voor waardering en resultaatbepaling De jaarrekening is opgemaakt met inachtneming van de voorschriften die het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten daarvoor geeft.
Algemene grondslagen voor het opstellen van de jaarrekening De waardering van de activa en passiva en de bepaling van het resultaat vindt plaats op basis van historische kosten. Tenzij bij het desbetreffende balanshoofd anders is vermeld, worden de activa en passiva opgenomen tegen nominale waarden. De baten en lasten worden toegerekend aan het jaar waarop zij betrekking hebben. Baten en lasten worden slechts genomen voor zo ver zij op balansdatum zijn gerealiseerd. Verliezen en risico's die hun oorsprong vinden voor het einde van het begrotingsjaar, worden in acht genomen indien zij voor het opmaken van de jaarrekening bekend zijn geworden. Personeelslasten worden in principe toegerekend aan het boekjaar waarop ze betrekking hebben. Als gevolg van het formele verbod op het opnemen van voorzieningen c.q. schulden uit hoofde van jaarlijks terugkerende, arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume worden sommige personele lasten echter toegerekend aan de periode waarin uitbetaling plaatsvindt; daarbij moet worden gedacht aan componenten zoals ziektekostenpremie ten behoeve van gepensioneerden en overlopende verlofaanspraken. 1.1.1
Vaste activa
Materiële vaste activa De materiële vaste activa worden gewaardeerd tegen verkrijgings- of vervaardigingsprijs verminderd met de afschrijvingen en eventuele bijdragen van derden in de kosten van dit actief. Ten aanzien van de investering en afschrijving worden de bepalingen en termijnen toegepast zoals deze zijn vastgelegd in de nota activabeleid. Financiële vaste activa Leningen u/g zijn opgenomen tegen nominale waarde. Zo nodig is een voorziening voor verwachte oninbaarheid in mindering gebracht. 1.1.2
Vlottende activa
Vorderingen, liquide middelen en overlopende activa Vorderingen, liquide middelen en overlopende activa worden gewaardeerd tegen nominale waarde. Voor verwachte oninbaarheid van de vorderingen wordt een voorziening in mindering gebracht. Deze voorziening wordt statisch bepaald op basis van de geschatte inningskansen. 1.1.3
Vaste passiva
Langlopende schulden Langlopende schulden worden gewaardeerd tegen de nominale waarde, verminderd met gedane aflossingen. De langlopende schulden hebben een rente typische looptijd van één jaar of langer.
47
1.1.4
Vlottende passiva
Netto-vlottende schulden met een rente typische looptijd korter dan één jaar De schulden worden gewaardeerd tegen nominale waarde. Overlopende passiva De overlopende passiva worden opgenomen tegen nominale waarde. 1.1.5
Resultaatbepaling
Algemeen De baten en de lasten worden toegerekend aan het jaar, waarop zij betrekking hebben. De lasten zijn bepaald met inachtneming van de hierboven vermelde waarderingsgrondslagen en toegerekend aan het verslagjaar waarop zij betrekking hebben. Baten zijn verantwoord in het jaar waarin de diensten zijn verricht. Verliezen zijn in aanmerking genomen in het jaar waarin ze voorzienbaar zijn. Kapitaallasten De geactiveerde investeringen worden afgeschreven met de lineaire afschrijvingsmethode met de daarbij behorende afschrijvingstermijnen. Hierbij wordt de restwaarde bij de bepaling van de afschrijvingsbedragen op nihil gesteld. Van de activa die in de loop van het jaar 2021 in gebruik zijn genomen, wordt vanaf januari 2022 gestart met afschrijven. Aan de geactiveerde investeringen is een rekenrente van 1,69% toegerekend. De rente wordt berekend over de boekwaarde per 1 januari en jaarlijks ten laste van de exploitatie gebracht. De hoogte van de interne rekenrente wordt bij begroting vastgesteld. Lasten FLO-overgangsrecht Op 1 januari 2006 is het Functioneel leeftijdsontslag (FLO) afgeschaft. Voor medewerkers die nog niet met FLO waren, maar wel onder deze regeling vielen, is landelijk het zogeheten FLOovergangsrecht afgesproken. De kosten voor het FLO-overgangsrecht maken onderdeel uit van het gezamenlijke basistakenpakket.
In de begroting van de VRU bevat een structurele post voor de lasten voor het FLO-overgangsrecht. Schommelingen in de begroting worden zoveel mogelijk geëgaliseerd via de bestemmingsreserve FLO-overgangsrecht. Afwijkingen ten aanzien van de realisatie worden toegelicht in de jaarrekening. Jaarlijks wordt de meerjarenraming voor de lasten voor het FLO-overgangsrecht herijkt. Hierbij wordt getoetst of de beschikbare middelen (in meerjarig perspectief) toereikend zijn. Als ontwikkelingen daar aanleiding toe geven, wordt de begroting (en de daarin opgenomen bijdrage voor het gezamenlijke basistakenpakket) bijgesteld, zodat de VRU te allen tijde aan haar verplichtingen kan (blijven) voldoen.
48
2 Balans Balans per ultimo boekjaar Tabel 29 Balans per 31 december Bedragen x € 1.000
Activa
31-12-20
31-12-21
VASTE ACTIVA Materiële vaste activa Financiële vaste activa
48.558 201
45.997 125
VLOTTENDE ACTIVA Uitzettingen met een rentetypische looptijd korter dan 1 jaar Liquide middelen Overlopende activa
13.995 506 1.650
38.152 428 1.243
Totaal activa
64.910
85.945
nihil
nihil
Passiva
31-12-20
31-12-21
VASTE PASSIVA Eigen vermogen Voorzieningen Langlopende schulden met een rentetypische looptijd langer dan 1 jaar
17.732 17 30.900
23.237 45.777
VLOTTENDE PASSIVA Netto-vlottende schulden met een rentetypische looptijd korter dan 1 jaar Overlopende passiva
2.303 13.959
3.977 12.954
Totaal passiva
64.910
85.945
Recht bestaat op verliescompensatie Wet op de Vennootschapsbelasting Bedragen x € 1.000
49
Toelichting balans 2.2.1
Materiële vaste activa
De VRU heeft uitsluitend investeringen met een economisch nut. De volgende tabel geeft het verloop van de boekwaarde van de materiële vaste activa weer. Tabel 30 Verloop boekwaarde materiële vaste activa Bedragen x € 1.000
Materiële vaste activa Gronden en terreinen Bedrijfsgebouwen Machines, apparaten en installaties Vervoermiddelen Overige materiële vaste activa Activa in uitvoering Afronding Totaal
Boekwaarde 31-12-20
Investeringen Desinvestering 2021 2021
Afschrijvingen Boekwaarde 312021 12-21
284 3.089 2.867 29.650 12.047 621
1.061 944 1.295 257
-47 -33 -
-117 -836 -2.880 -2.206 -
48.558
3.557
-80
-6.039
284 2.972 3.092 27.667 11.103 878 1 45.997
De volgende tabel geeft inzicht in de gerealiseerde investeringen (€ 3.557K minus € 257K activa in uitvoering) van € 3.300K ten opzichte van de begroting. Tabel 31 Investeringen Bedragen x € 1.000
Begroting 2021
Investering 2021
Verschil
Gronden en terreinen Bedrijfsgebouwen Machines, apparaten en installaties Vervoermiddelen Overige materiële vaste activa
570 4.806 2.087 2.260
1.061 944 1.295
570 3.745 1.143 965
Totaal
9.723
3.300
6.423
Materiële vaste activa
Het verschil tussen de begroting en de gerealiseerde investeringen wordt voor het grootste deel veroorzaakt door het doorschuiven van (het gereedkomen van) de investeringen (€ 5.784K). Ten aanzien van deze investeringen is al wel een deel uitgegeven (activa in uitvoering per ultimo 2021 bedraagt 878K). Voor het resterende deel wordt het lagere investeringsbedrag voornamelijk veroorzaakt doordat in 2021 minder ICT-middelen zijn vervangen dan was begroot. 2.2.2
Financiële vaste activa
Tabel 32 Financiële vaste activa Bedragen x € 1.000
Financiële vaste activa
31-12-20
Mutatie 2021 Toename Afname
31-12-21
Leningen aan personeel u/g
201
-
76
125
Totaal
201
-
76
125
De financiële vaste activa betreft voor de regionalisering verstrekte hypotheken aan personeelsleden die toen in dienst waren van een gemeente. Er worden door de veiligheidsregio geen nieuwe leningen verstrekt. In 2021 werd € 6K rente ontvangen.
50
2.2.3
Uitzettingen met een rentetypische looptijd korter dan 1 jaar
In de volgende tabel is een nadere specificatie opgenomen van de uitzettingen met een looptijd van één jaar of minder. Tabel 33 Uitzettingen met een rentetypische looptijd korter dan 1 jaar Bedragen x € 1.000
Uitzettingen met een rentetypische looptijd korter dan 1 jaar
31-12-20
31-12-21
Uitzetting in 's Rijks schatkist met een rentetypische looptijd korter dan één jaar Vorderingen op openbare lichamen Overige vorderingen Voorziening wegens mogelijke oninbaarheid Afronding Totaal
13.311 467 310 -94 1 13.995
37.835 258 172 -113 38.152
De uitzetting in ’s Rijks schatkist is hoger dan ultimo 2020 doordat in 2021 een langlopende lening is afgesloten voor de financiering van investeringen. Deze middelen zijn ultimo 2021 nog niet volledig aangewend. De Regeling schatkistbankieren decentrale overheden geeft de VRU de mogelijkheid om maximaal 2% van het begrotingstotaal aan geldmiddelen buiten ’s Rijks schatkist aan te houden. De volgende tabel toont dat de VRU aan deze bepaling heeft voldaan in 2021. Tabel 34 Regeling schatkistbankieren Bedragen x € 1.000
Regeling schatkistbankieren Op dagbasis buiten 's Rijks schatkist gehouden middelen Drempelbedrag (2% van begrotingstotaal) Ruimte onder drempelbedrag Overschrijding van het drempelbedrag
2.2.4
1e kwartaal
2e kwartaal
3e kwartaal
4e kwartaal
279 1.964
217 1.964
326 1.964
299 1.964
1.685
1.747
1.638
1.665
-
-
-
-
Liquide middelen
Het saldo van de liquide middelen betreft uitsluitend het saldo van de rekening-courant verhouding met BNG Bank. Deze middelen staan ter vrije beschikking van de VRU. Tabel 35 Liquide middelen Bedragen x € 1.000
Liquide middelen
31-12-20
31-12-21
Banksaldi
506
428
Totaal
506
428
51
2.2.5
Overlopende activa
Tabel 36 Overlopende activa Bedragen x € 1.000
Overlopende activa
31-12-20
31-12-21
Nog te ontvangen voorschotbedragen van overheidslichamen Nog te ontvangen bedragen Vooruitbetaalde bedragen
6 1.644
92 1.151
Totaal
1.650
1.243
De vooruitbetaalde bedragen bestaan voornamelijk uit vooruitbetaalde erfpacht voor een brandweerpost en verzekeringen voor het volgende boekjaar. 2.2.6
Eigen vermogen
Tabel 37 Eigen vermogen Bedragen x € 1.000
31-12-2020
Resultaat
Mutatie 2021 Storting
Onttrekking
31-12-2021
Bedrijfsvoeringsreserve Algemene reserve
1.409 1.409
-
-
-
1.409 1.409
Egalisatiereserve kapitaallasten Egalisatiereserve FLO-overgangsrecht Egalisatiereserve tweede loopbaan Ontwikkel- en egalisatiereserve Bestemmingsreserve meldkamer Reserve repressieve efficiency Utrecht Bestemmingsreserve omgevingswet Bestemmingsreserve hervorming OMS-stelsel Bestemmingsreserves
10.376 1.677 479 839 500 181 142 14.194
25 2.104 2.129
3.355 108 125 704 4.292
861 375 10 462 181 1.889
12.870 1.302 577 527 1.204 142 2.104 18.726
Gerealiseerd resultaat 2020 Gerealiseerd resultaat 2021
2.129 -
-2.129 3.102
-
-
3.102
Totaal
17.732
3.102
4.292
1.889
23.237
Eigen vermogen
Hierna worden de mutaties per reserve toegelicht. De bestemming van het rekeningresultaat over 2020 is verwerkt conform het besluit van het algemeen bestuur. Bedrijfsvoeringreserve Door het aanhouden van een reserve is de VRU in staat om een deel van de risico’s op te vangen, zonder dat dit direct afgewenteld hoeft te worden op de gemeenten. De schommelingen die optreden worden opgevangen met deze reserve. De omvang van de bedrijfsvoeringreserve (weerstandvermogen) is minimaal gelijk aan de op basis benodigde weerstandscapaciteit (zie paragraaf 8.2 van het jaarverslag). De bedrijfsvoeringreserve valt met 1,4% van het begrotingsvolume binnen de afgesproken bandbreedte (1% - 2%). Egalisatiereserve kapitaallasten Via het meerjarig investeringsplan wordt gestuurd op een meerjarig evenwicht tussen de begrote en gerealiseerde kapitaallasten (afschrijving en rente). Om de kosten van afschrijving en rente over de jaren te egaliseren wordt gebruik gemaakt van een egalisatiereserve. Tekorten op de kapitaallasten worden aan deze reserve onttrokken. Overschotten worden aan deze reserve
52
gedoteerd. Boekwinst (opbrengst activa) of –verlies (versnelde afschrijving) bij afstoten van activa wordt ten gunste of ten laste van de exploitatie gebracht en vervolgens via een dotatie/onttrekking gemuteerd in de reserve egalisatie kapitaallasten. Egalisatiereserve lasten FLO-overgangsrecht De reserve ‘lasten FLO-overgangsrecht’ wordt ingezet om de kosten voor het FLO-overgangsrecht meerjarig te kunnen egaliseren. Hiermee wordt een (structurele of incidentele) stijging van de gemeentelijke bijdrage voorkomen en ontstaat een beperkte buffer om fluctuaties die het gevolg zijn van de afspraken in het FLO-overgangsrecht in meerjarig perspectief op te vangen. De onttrekking in 2021 is conform begroting. Egalisatiereserve tweede loopbaan Vanwege het wegvallen van het FLO voor repressief brandweerpersoneel is tweede loopbaanbeleid geïntroduceerd. Om hieraan uitvoering te kunnen gaan geven, is de egalisatiereserve tweede loopbaan gevormd. Jaarlijks wordt een storting gedaan om de kosten voor onder andere om-/bijscholing en vervanging te dekken. In 2021 is hierin conform begroting een bedrag gestort van € 108K. De werkelijke kosten voor tweede loopbaanbeleid fluctueren en worden jaarlijks aan deze reserve onttrokken.
Ontwikkel- en egalisatiereserve Het doel van de ontwikkel- en egalisatiereserve is het vermijden van incidentele verhogingen of teruggaven van de gemeentelijke bijdragen. Dit leidt tot financiële stabiliteit in de begroting van de VRU en de bijdrage van de gemeenten. De middelen uit de reserve zijn bestemd voor: • Het mogelijk maken van incidentele/projectmatige (beleids)activiteiten om de beleidsdoelstellingen uit het beleidsplan of structurele efficiencyvoordelen te realiseren. • Het dekken van incidentele kosten die voortvloeien uit exogene factoren. Van het saldo van € 527K per ultimo 2021 is € 270K al geoormerkt voor ontwikkelingen die doorlopen in 2022. Bestemmingsreserve meldkamer De Meldkamer Midden-Nederland zal naar verwachting in 2025 in gebruik genomen worden. Middels deze reserve worden de door het rijk en de Nationale Politie toegekende middelen ingezet als dekking voor de te verwachten project- en frictiekosten in de jaren 2022 t/m 2025. Bestemmingsreserve Omgevingswet De kosten voor de invoering van de omgevingswet worden uit deze reserve onttrokken. Door uitstel van de invoering van de omgevingswet naar 2022 zijn in 2021 geen middelen onttrokken. Bestemmingsreserve hervorming OMS-stelsel De OMS-opbrengsten zijn tot en met 2021 algemeen dekkingsmiddel in de begroting van de VRU verwerkt.
De reserve OMS-fonds is in 2021 ingesteld om te voorkomen dat het wegvallen van de opbrengsten per 2022 in deze beleidsperiode doorwerkt als verhoging op de gemeentelijke bijdrage. De middelen uit de reserve worden in 2022 en 2023 ingezet om het wegvallen van de opbrengsten op te vangen. In aanloop naar de nieuwe beleidsperiode vindt nadere besluitvorming plaats over de structurele dekking.
53
2.2.7
Voorzieningen
Tabel 38 Voorzieningen Bedragen x € 1.000
31-12-20
Mutatie 2021 Toevoeging
Onttrekking
31-12-21
Voorziening juridische geschillen
17
-
-17
-
Totaal
17
-
-17
-
Voorzieningen
In 2021 is het resterende saldo van de voorziening vrijgevallen in verband met de afwikkeling van het juridische geschil. 2.2.8
Vaste schulden met een rente typische looptijd langer dan 1 jaar
Tabel 39 Vaste schulden looptijd langer dan 1 jaar Bedragen x € 1.000
Langlopende schulden
Rente 2021
31-12-20
Mutatie 2021 Nieuwe lening
Aflossing
31-12-21
BNG Bank Gemeente Amersfoort NWB Bank
460 11 175
12.399 501 18.000
17.000
-1.067 -56 -1.000
11.332 445 34.000
Totaal
646
30.900
17.000
-2.123
45.777
De langlopende schulden worden hoofdzakelijk gebruikt voor de financiering van de vaste activa. In 2021 is een nieuwe lening aangetrokken van € 17 miljoen voor de financiering van lopende investeringen, die grotendeels in 2022 worden afgerond. 2.2.9
Netto-vlottende schulden met een rente typische looptijd korter dan 1 jaar
De in de balans opgenomen netto-vlottende schulden met een rente typische periode van minder dan 1 jaar bestaan uitsluitend uit het crediteurensaldo. Tabel 40 Vlottende schulden looptijd korter dan één jaar Bedragen x € 1.000
Netto-vlottende schulden met een rentetypische looptijd korter dan 1 jaar
31-12-20
31-12-21
Crediteuren
2.303
3.977
Totaal
2.303
3.977
54
2.2.10 Overlopende passiva Tabel 41 Overlopende passiva Bedragen x € 1.000
Overlopende passiva
31-12-20
31-12-21
Belastingen en premies inzake salarissen Nog te betalen bedragen Nog te betalen personele lasten Nog af te dragen BTW Nog te ontvangen facturen Vennootschapsbelasting Te betalen aan het rijk Te betalen aan gemeenten Overige schulden
7.156 3.245 2.465 160 96 6 510 125 13.763
4.686 3.535 1.742 242 177 16 1.967 403 12.768
196 196
186 186
13.959
12.954
Verplichtingen in begrotingsjaar opgebouwd m.b.t. een volgend begrotingsjaar Vooruit ontvangen voorschotten van overheidslichamen Overige vooruit ontvangen bedragen Vooruit ontvanen bedragen Totaal
Te betalen aan het rijk In 2021 heeft het kabinet om aan gemeenten een specifieke uitkering te verstrekken voor het ondersteunen van de naleving van de controleplicht van het coronatoegangsbewijs (CTB). De Minister van Justitie en Veiligheid heeft deze incidentele bijdrage aan de veiligheidsregio verstrekt. De uitkering voor veiligheidsregio Utrecht bedroeg € 3,5 miljoen. Hiervan is in 2021 circa € 2 miljoen door de gemeenten besteed. Het resterende saldo van € 1,5 miljoen moet conform de regeling worden terugbetaald aan het rijk. Onder deze post is ook de afrekening van de declaratie meerkosten COVID-19 met betrekking tot 2020 opgenomen. In 2020 was € 1,2 miljoen aan meerkosten gedeclareerd. Na verrekening van minderkosten resteerde een einddeclaratie van € 0,7 miljoen, waarmee nog € 0,5 miljoen moet worden terugbetaald. De einddeclaratie is nog in behandeling bij het Ministerie van VWS. Vooruit ontvangen voorschotten van overheidslichamen De vooruit ontvangen voorschotten van overheidslichamen betreffen de resterende middelen van een subsidie voor beleidsontwikkeling op het gebied van overstromingen (€ 43K) en middelen van het Samenwerkingsverband Dijkringen 14/15/44 (€ 143K). Deze middelen worden in 2022 overgedragen aan veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland die vanaf dan de administratie voor dit samenwerkingsverband voert.
Waarborg en garanties In 2021 is een bankgarantie verstrekt van € 56K met betrekking tot de huur van de nieuwe ademluchtbescherming-werkplaats in Houten die momenteel in opdracht van de verhuurder wordt gebouwd. De nieuwe ademluchtbescherming-werkplaats zal in 2022 in gebruik worden genomen.
Niet in de balans opgenomen verplichtingen De VRU is voor een aantal toekomstige jaren verbonden aan verscheidene, niet in de balans opgenomen, financiële verplichtingen. De volgende tabel bevat een opsomming van de belangrijkste verplichtingen.
55
Tabel 42 Niet uit de balans blijkende verplichtingen Bedragen x € 1.000
Niet uit de balans blijkende verplichtingen
<1 jaar
1-5 jaar
>5 jaar
Totaal
819 111 930
408 890 1.298
2.336 2.336
1.227 3.338 4.565
Tankautospuiten Redvoertuigen Inventaris admenluchtwerkplaats Installaties etc. admenluchtwerkplaats Verplichtingen investeringen
4.454 3.302 2.067 1.080 10.903
6.730 6.604 13.334
-
11.184 9.906 2.067 1.080 24.237
Totaal
11.833
14.632
2.336
28.802
Huur hoofdkantoor Utrecht Huur ademluchtwerkplaats Houten Huurverplichtingen
Huurverplichtingen Ons hoofdkantoor aan de Archimedeslaan in Utrecht is contractueel tot juni 2023 gevestigd in het Huis van de Provincie te Utrecht. De jaarlijkse huur- en servicekosten bedragen € 819K (prijspeil 2021). Vanaf medio 2022 wordt voor 15 jaar een pand in Houten gehuurd waarin de adembeschermingwerkplaats wordt gevestigd. De huur bedraagt € 222,5K per jaar (prijspeil 2021). Verplichtingen investeringen In het overzicht is een aantal grote investeringen opgenomen die reeds zijn besteld, maar waarvan de levering nog moet plaatsvinden. Een deel van deze investeringen houden verband met de inrichting van de ademluchtwerkplaats in Houten. Niet opgenomen verlofdagen Ten aanzien van de verlofdagen zijn uitsluitend de feitelijke jaarlasten in de rekening opgenomen.
Gebeurtenissen na balansdatum Er is geen sprake van gebeurtenissen na balansdatum met een materiële impact op de jaarrekening 2021.
56
3 Overzicht van baten en lasten Overzicht van baten en lasten naar rubriek Tabel 43 Overzicht baten en lasten naar rubriek Realisatie 2020
Geactualiseerde begroting 2021
Realisatie 2021
Afwijking realisatie en begroting
Bedragen x € 1.000
Rubriek A B C D E F G
Personeelskosten reguliere werkzaamheden Ondersteunende personeelskosten Personeelskosten additionele werkzaamheden Gebouwkosten Kosten voertuigen en operationele middelen Kantoorkosten Overige kosten Totaal Lasten
66.528 5.890 1.888 3.098 10.239 3.996 2.031 93.669
69.837 7.100 1.676 3.781 10.577 3.426 1.781 98.178
68.409 5.618 1.880 3.758 9.672 3.625 1.608 94.568
1.428 1.482 -204 23 906 -198 174 3.610
I J K L
Bijdragen gezamenlijk basistakenpakket Vergoedingen individueel gemeentelijk pluspakket Rijksbijdrage Overige baten Totaal Baten
85.357 10.642 2.323 98.322
84.380 3.428 9.798 2.356 99.962
84.380 3.343 9.726 2.623 100.073
-85 -71 267 111
Saldo baten en lasten Stortingen reserves Onttrekkingen reserves
4.653 5.274 2.751
1.784 4.076 2.292
5.505 4.292 1.889
3.721 -216 -403
Gerealiseerd resultaat
2.129
-
3.102
3.102
N O
Toelichting op het overzicht van baten en lasten naar rubriek De tabellen geven inzicht in de afwijkingen per rubriek. De grootste (>100K) en bestuurlijk relevante afwijkingen worden vervolgens nader toelicht. 3.2.1
Rubriek A – Personele kosten reguliere werkzaamheden
Tabel 44 Personele kosten – reguliere werkzaamheden Bedragen x € 1.000
Nr. Rubriek A - Personeelskosten reguliere werkzaamheden 1 Hogere lasten FLO-overgangsrecht 2 Lagere kosten vergoedingen brandweervrijwilligers 3 Lagere piketkosten crisisbeheersing 4 Lagere salariskosten door vacatures en saldo overige afwijkingen Totaal rubriek A
1.
2.
structureel/ Afwijking incidenteel -305 Incidenteel 475 Incidenteel 131 Structureel 1.127 Incidenteel 1.428
Hogere lasten FLO-overgangsrecht (€ -305K): de kosten voor het FLO-overgangsrecht waren in 2021 hoger dan begroot. Dit betreft voornamelijk kosten met een incidenteel karakter: kosten voor het versneld sparen en kosten met betrekking tot een kleine groep medewerkers met FLO-rechten tot en met 2023. Lagere vergoedingen vrijwilligers (€ 475K): de vrijwilligersvergoedingen waren in 2021 lager dan begroot. Dit komt voornamelijk doordat de in 2021 uitbetaalde vergoedingen over november en december 2020 (€ 284K) lager waren dan waarmee rekening was gehouden in
57
3.
4.
2020. Daarnaast valt de incidentele nabetaling met betrekking tot de cao 2021 lager uit dan begroot (€ 134K). De reguliere vergoedingen voor 2021 zijn in lijn met de begroting (afwijking € 57K), waarbij wordt opgemerkt dat in de geactualiseerde begroting 2021 al rekening was gehouden met incidenteel lagere lasten voor vrijwilligers door beperkingen als gevolg van de landelijke coronamaatregelen. Lagere piketkosten crisisbeheersing (€ 131K): medewerkers van gemeenten en andere partners, zoals de Politie, werken als piketfunctionaris in de regionale crisisorganisatie. Zij ontvangen daarvoor een piketvergoeding via hun eigen werkgever, die deze kosten op basis van een overeenkomt bij de VRU in rekening kan brengen. In 2021 zijn minder kosten (€ 128K) bij de VRU in rekening gebracht, dan waar we op basis van de overeenkomsten rekening mee houden. Ook in voorgaande jaren was dit het geval. Met de partners zal overleg worden gevoerd om vast te stellen of sprake is van een structurele afwijking, die ook als zodanig in de begroting kan worden verwerkt. Lagere salariskosten door vacatures en saldo overige afwijkingen (€ 1.127K): dit betreft voornamelijk het voordelige saldo van lagere salarislasten door tijdelijke vacatureruimte en hogere kosten voor inhuur op vacatures.
Een deel van de vacatures blijkt lastig in te vullen, zodat vacatures langer open staan en meer inspanningen verricht moeten worden om vacatures te vervullen. Tegenover een deel van de lagere salarislasten staan hogere kosten voor werving en selectie (€ 203K) in rubriek B (zie B3).
3.2.2
Rubriek B – Ondersteunende personele kosten
Tabel 45 Ondersteunende personele kosten Bedragen x € 1.000
Nr. Rubriek B - Ondersteunende personeelskosten 1 Lagere kosten opleiden, trainen en oefenen brandweer 2 Lagere kosten opleiden, trainen en oefenen crisisbeheersing en GHOR 3 Hogere kosten werving en selectie 4 Lagere opleidingskosten omgevingswet 5 Lagere kosten saamhorigheid vrijwilligers 6 Saldo overige afwijkingen Totaal rubriek B
1.
2.
3.
4.
58
structureel/ Afwijking incidenteel 1.033 Incidenteel 268 Incidenteel -203 Incidenteel 112 Saldoneutraal 83 Saldoneutraal 189 Incidenteel 1.482
Lagere kosten opleiden, trainen en oefenen brandweer (€ 1.033K): de onderschrijding betreft voor € 619K het postgebonden en specialistisch/realistisch oefenen en voor € 414K lagere opleidingskosten. De voornaamste oorzaak van het niet volledig realiseren van het opleidingen oefenprogramma zijn de beperkingen als gevolg van de landelijke coronamaatregelen. Daarnaast zijn de opleidingskosten lager door minder instroom van repressieve medewerkers en duikers. Lagere kosten opleiden, trainen en oefenen crisisbeheersing en GHOR (€ 268K): de onderschrijding is het gevolg van het niet volledig realiseren van het programma voor opleiden, trainen en oefenen, mede als gevolg van de beperkingen door de landelijke coronamaatregelen. Hogere kosten werving en selectie (€ -203K): de personeelsbegroting is gebaseerd op de vastgestelde formatie. Daar tegenover staat dat geen kosten worden begroot voor werving en selectie. Kosten voor werving en selectie worden gedekt uit de lagere salarislasten als gevolg van tijdelijke vacatureruimte. Lagere kosten opleidingen omgevingswet (€ 112K): in verband met uitstel van de omgevingswet zijn de opleidingskosten waarvoor incidentele middelen beschikbaar zijn gesteld in de begroting 2021 uitgesteld naar 2022. Tegenover de uitgestelde kosten staat een toevoeging aan de bestemmingsreserve Omgevingswet (zie O2). Per saldo is geen sprake van een resultaateffect.
5.
6.
Lagere kosten saamhorigheid vrijwilligers (€ 83K): in de begroting van 2021 is € 83K gereserveerd om de saamhorigheid onder vrijwilligers te bevorderen. Deze middelen zijn bestemd in de ontwikkel- en egalisatiereserve. In verband met de beperkingen als gevolg van de coronamaatregelen zijn deze middelen in 2021 niet besteed. Tegenover de lagere kosten staat een lagere onttrekking aan de ontwikkel- en egalisatiereserve, zodat deze middelen voor dit doel beschikbaar blijven in 2022 (zie O1). Per saldo is geen sprake van een resultaateffect. Saldo overige afwijkingen (€ 189K): het voordelige saldo op de overige afwijkingen betreft voornamelijk lagere kosten voor de niet operationele opleidingen en trainingen. In 2021 zijn er minder opleidingen en trainingen gevolgd, mede als gevolg van de beperkingen door de landelijke coronamaatregelen.
3.2.3
Rubriek C – Personele kosten additionele werkzaamheden
Tabel 46 Personele kosten additionele werkzaamheden Bedragen x € 1.000
Nr. Rubriek C - Personele kosten additionele werkzaamheden 1 Hogere kosten inhuur en inleen COVID-19 2 Lagere kosten inhuur huisvestingsprojecten 3 Lagere kosten inhuur programma Harmonisering arbeidsvoorwaarden 4 Saldo overige afwijkingen Totaal rubriek C
1.
2.
3.
4.
structureel/ Afwijking incidenteel -413 Incidenteel 53 Saldoneutraal 44 Saldoneutraal 112 Incidenteel -204
Hogere kosten inhuur en inleen COVID-19 (€ -413K): dit betreft de extra kosten voor inhuur en inleen ter ondersteuning van de regionale en gemeentelijke crisisorganisaties met betrekking tot COVID-19. Dit betreft onder andere de kosten voor de juridische ondersteuning, inclusief de vergoeding aan gemeenten voor inzet juridisch loket (€ 208K). Lagere kosten inhuur huisvestingsprojecten (€ 53K): de lagere kosten worden veroorzaakt door uitgestelde activiteiten met betrekking tot huisvestingsprojecten. Tegenover de lagere kosten staat een lagere onttrekking (zie O3) zodat de daarvoor bestemde middelen beschikbaar blijven voor de uitvoering van deze activiteiten in 2022. Per saldo is in 2021 geen sprake van een resultaateffect. Lagere kosten inhuur programma Harmonisering arbeidsvoorwaarden (€ 44K): dit betreft uitgestelde activiteiten met dekking uit de ontwikkel- en egalisatiereserve. Tegenover de lagere kosten voor inhuur lagere onttrekking aan de ontwikkel- en egalisatiereserve, zodat deze middelen beschikbaar blijven voor de afronding in 2022 (zie O1). Per saldo is in 2021 geen sprake van een resultaateffect. Saldo overige afwijkingen (€ 112K): dit betreft minder inhuur voor overige projecten.