B3. Woonzorgbehoefteonderzoek aandachtsgroepen en ouderen Provincie Utrecht - Definitief 28 juni 202.pdf
Tekst van het document
DATUM
28 juni 2024
TITEL
Woonzorgbehoefteonderzoek
OPDRACHTGEVER
Provincie Utrecht
AUTEUR(S)
Tara Koster Andrej Rakic Roos Henneken Martin Bleijenburg
PROJECTNUMMER
3400.115
STATUS
Eindconcept
Tivolilaan 205 6824 BV Arnhem Postbus 1174 6801 BD Arnhem www.companen.nl info@companen.nl 026 351 25 32 KvK-nummer: 09035291 BTW-nummer: NL001826517B01
Inhoud 1 1.1
5
1.2 1.3
Inleiding Woonbehoefte ouderen en aandachtsgroepen in volkshuisvestingsprogramma Verantwoording Leeswijzer
2
Samenvatting
8
3 3.1 3.2 3.3 3.4
11 11 12 14
3.5
Ouderen Doelgroep en context Woonvormen en zorgvraag Huisvestingsopgave woonvormen ouderen Geclusterd wonen: uitsplitsing naar woonconcepten en marktsegment Geschikt woningaanbod
4 4.1 4.2 4.3
Mensen met een verstandelijke beperking Doelgroep en context Vraaganalyse Aanbodinventarisatie
25 25 25 27
5 5.1 5.2
Mensen met een lichamelijke of zintuiglijke beperking Doelgroep en context Omvang doelgroep
29 29 29
6 6.1 6.2 6.3 6.4
Mensen met psychische problematiek Doelgroep en context Vraaganalyse Aanbodinventarisatie Uitstroom vanuit Beschermd Wonen
31 31 31 37 37
5 6 6
18 22
7 7.1 7.2 7.3
Kwetsbare jongeren Doelgroep en context Uitstroom vanuit Jeugdzorg met verblijf Kwetsbare jongeren met begeleid wonen
41 41 41 44
8
Uitstroom Maatschappelijke Opvang
45
9
Uitstroom Vrouwenopvang en slachtoffers mensenhandel
49
10
Uitstroom detentie en forensische zorg
50
11
Zelfstandige woonruimte onder uitstromers van instellingen 53
12
Mantelzorgers- en ontvangers
56
13
Uitstappende sekswerkers
57
14
Statushouders
58
15 15.1 15.2 15.3
Overige aandachtsgroepen Arbeidsmigranten Woonwagenbewoners Studenten
61 61 64 66
16 16.1 16.2 16.3 16.4
Aandachtspunten voor beleid Passende woonvormen voor verschillende groepen Beschikbaarheid van zorg Ondersteunen van ‘omzien naar elkaar’ Een geschikte woonomgeving
68 68 70 71 72
Bijlage 1: De Doorzonscan
73
Bijlage 2: Afkortingen en begrippen
74
Bijlage 3: Gehanteerde aannames
75
Bijlage 4: Woonstijlen
81
Bijlage 5: Vergelijking met prognose ouderenhuisvesting ABF
91
3400.115 | Woonzorgbehoefteonderzoek
4
1 Inleiding De wereld van wonen, zorg en welzijn is sterk in verandering. Er is krapte op de woningmarkt en de zorgsector staat onder toenemende druk. Steeds meer mensen hebben moeite om een goede betaalbare woning te vinden. Tegelijkertijd verandert de woonvraag. Het aantal “oudere” ouderenhuishoudens (85+ jaar) verdubbelt richting 2040. Deze ouderen zullen steeds langer zelfstandig wonen. Naast ouderen moeten ook andere mensen (weer) zelfstandig wonen en hun weg vinden op de woningmarkt. Denk bijvoorbeeld aan mensen met psychosociale problematiek of een beperking. Om mensen met een zorg- of ondersteuningsvraag een fijn thuis te bieden is samenwerking tussen gemeenten, zorg- en welzijnsaanbieders en corporaties nodig: zij moeten er immers samen voor zorgen dat de woonomgeving en de sociale en zorginfrastructuur zodanig op elkaar worden afgestemd dat mensen met een zorgvraag prettig kunnen wonen en leven. De provincie Utrecht werkt daarom aan een actueel én gezamenlijk beeld van de huisvestingsopgave voor inwoners met een zorg- of ondersteuningsvraag in de Utrechtse gemeenten. Deze woonzorgbehoefteanalyse is bedoeld als een eenduidig en gezamenlijk vertrekpunt voor regionale afstemming (fair share).
1.1 Woonbehoefte ouderen en aandachtsgroepen in volkshuisvestingsprogramma In de voorgenomen wet Versterking regie op de volkshuisvesting (Wvrv) worden de maatregelen en doelen uit de Rijksprogramma’s Een thuis voor iedereen en Wonen en zorg voor ouderen opgenomen. De officiële ingangsdatum is nog onzeker. Gemeenten zijn 2 jaar na ingang van de wet
3400.115 | Woonzorgbehoefteonderzoek
verplicht een woonzorgvisie – als onderdeel van het volkshuisvestingsprogramma – op te stellen waarin ze aangeven hoe ze invulling willen geven aan de vraag naar woonruimte vanuit ouderen en verschillende aandachtsgroepen, en aan de zorg en ondersteuning die daarvoor nodig is. Vanuit deze wet worden gemeenten verplicht gesteld om een urgentieverordening vast te stellen. Deze verordening borgt dat bij woningtoewijzing wettelijk bepaalde aandachtsgroepen voorrang krijgen bij de toewijzing van woningen. De aandachtsgroepen die in aanmerking komen voor urgentie zijn: • Mensen met een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke beperking, of psychische kwetsbaarheid • Uitstromers uit instellingen (Beschermd Wonen, Maatschappelijke Opvang, Vrouwenopvang, Jeugdzorg en detentie)
• Mantelzorgers- en ontvangers • Uitstappende sekswerkers Hoewel de hieronder genoemde groepen niet officieel worden beschouwd als urgente woningzoekenden door het Rijk, vallen ze wel onder aandachtsgroepen: • Ouderen 65+ (afsprakenkader ouderenhuisvesting) • Arbeidsmigranten • Woonwagenbewoners • Studenten • Statushouders (huisvesting statushouders niet via urgentieregeling, maar via huidige wettelijke taakstelling) In dit provinciale woonzorgbehoefteonderzoek nemen we ouderen en alle aandachtsgroepen mee.
5
1.2 Verantwoording Dit woonzorgbehoefteonderzoek heeft als doel om de opgave voor ouderen en aandachtsgroepen in de gemeenten van de provincie Utrecht inzichtelijk te maken. Aandachtspunt hierbij is dat per doelgroep verschilt hoeveel informatie beschikbaar is. Voor de meer traditionele zorgdoelgroepen (zoals ouderen en mensen met een verstandelijke, lichamelijke of psychische kwetsbaarheid) zijn voldoende gegevens beschikbaar over (historisch) zorggebruik, feitelijke woonsituatie, (kwalitatieve) woonbehoefte, woonwensen, et cetera. Dit maakt het mogelijk om voorspellingen over de toekomstige zorg- of ondersteuningsvraag en woonbehoefte van deze doelgroepen te maken. Voor “nieuwe” aandachtsgroepen (zoals uitstappende sekswerkers, mantelzorgverleners- en ontvangers) zijn minder (historische) gegevens beschikbaar als het gaat om omvang van de doelgroep en de kwalitatieve woon- en ondersteuningsbehoefte. Op basis van de huidige praktijk hebben we geprobeerd deze aandachtsgroepen zo goed als mogelijk in beeld te brengen, kwantitatief dan wel kwalitatief. Bij het inschatten van de toekomstige behoefte hebben wij gebruik gemaakt van de Woonzorgweter van Companen. Met dit model maken wij prognoses van de toekomstige vraag naar woonvormen voor mensen met een zorgvraag op basis van gegevens over het huidig zorggebruik en demografische ontwikkelingen.
Om de invloed van (lokale) trends en ontwikkelingen mee te nemen in de prognoses hebben wij twee werksessies – één voor regio Amersfoort en één voor regio U10 – gehouden. In de werksessies met vertegenwoordigers van de provincie, gemeenten, zorgaanbieders, corporaties en welzijnspartijen zijn trends besproken die volgens deze partijen van invloed zullen zijn op de vraag naar woonvormen. Het gaat dan om de gevolgen van nieuw beleid, maar ook om bijvoorbeeld de ontwikkeling van nieuwe woonconcepten. De opbrengst van deze bijeenkomsten is gebruikt om
3400.115 | Woonzorgbehoefteonderzoek
prognoses en scenario’s op te stellen die aansluiten bij de praktijk in de regio’s U10 en Amersfoort van provincie Utrecht. We hanteren als zichttermijn voor de vraagontwikkeling en huisvestingsopgave de peilmomenten 2023 - 2030 - 2040, waarbij de doorkijk naar 2040 is bedoeld om het punt op de horizon voor de langere termijn te verkennen.
1.3 Leeswijzer Deze rapportage bestaat uit de volgende hoofdstukken: • Hoofdstuk 2: Samenvatting • Hoofdstuk 3: Ouderen • Hoofdstuk 4: Mensen met een verstandelijke beperking • Hoofdstuk 5: Mensen met een lichamelijke of zintuiglijke beperking • Hoofdstuk 6: Mensen met psychische problematiek • Hoofdstuk 7: Kwetsbare jongeren • Hoofdstuk 8: Uitstroom Maatschappelijke Opvang • Hoofdstuk 9: Uitstroom Vrouwenopvang en slachtoffers mensenhandel • Hoofdstuk 10: Uitstroom detentie en forensische zorg • Hoofdstuk 11: Zelfstandige woonruimte onder uitstromers van instellingen • Hoofdstuk 12: Mantelzorgers- en ontvangers • Hoofdstuk 13: Uitstappende sekswerkers • Hoofdstuk 14: Statushouders • Hoofdstuk 15: Overige aandachtsgroepen (arbeidsmigranten, studenten en woonwagenbewoners) • Hoofdstuk 16: Aandachtspunten voor beleid
6
De resultaten worden gepresenteerd op provinciaal niveau en de regio’s Amersfoort1 en U10. Op provinciaal niveau worden Renswoude, Rhenen en Veenendaal meegenomen (Regio Foodvalley2). Als aanvulling op dit rapport zijn fact sheets beschikbaar met de resultaten op gemeenteniveau. De doelgroepen mantelzorgers- en ontvangers, uitstappende sekswerkers, arbeidsmigranten, woonwagenbewoners en studenten zijn alleen uitgewerkt in de rapportage en niet in de fact sheets, omdat daar in mindere mate of geen kwantitatieve cijfers van bekend zijn op gemeenteniveau. In de bijlage is uitleg over de geschiktheidsanalyse (bijlage 1), een overzicht van afkortingen en begrippen in dit onderzoek (bijlage 2), de gehanteerde aannames in dit onderzoek (bijlage 3), een toelichting op de woonstijlen (bijlage 4) en een vergelijking met de prognose ouderenhuisvesting van ABF in opdracht van het Rijk opgenomen (bijlage 5). Als aanvulling op dit rapport is een interactieve kaart ontwikkeld. Met daarop relevantie voorzieningen en het aandeel 65-plussers (in een (niet-)geschikte woning) op kernniveau. De voorzieningen zijn op basis van openbare data op kaart gezet; openbare data zijn niet altijd even compleet voor elke gemeente, waardoor het kan zijn dat er voorzieningen ontbreken.
Ook het woonzorgaanbod dat we in beeld hebben gekregen via de aanbodinventarisatie onder zorgaanbieders en corporaties staat erop. Deze kaart is te vinden via de volgende link: https://www.companen.nl/arcgis/woonzorgprovincieUtrecht
1 De gemeenten Barneveld en Nijkerk vallen in de woondealregio Amersfoort, maar behoren niet
2 Renswoude, Rhenen en Veenendaal behoren tot provincie Utrecht. Indien openbare data
tot provincie Utrecht. Daarom maken we voor regio Amersfoort telkens een optelling zonder Barneveld en Nijkerk, en een optelling met deze twee gemeenten – indien openbare data beschikbaar is voor deze gemeenten. Barneveld en Nijkerk worden bovendien meegenomen in de woonzorgbehoefteanalyse van de provincie Gelderland.
beschikbaar is voor deze drie gemeenten, worden ze meegenomen. De totale regio Foodvalley (inclusief Renswoude, Rhenen en Veenendaal) wordt meegenomen in de woonzorgbehoefteanalyse van de provincie Gelderland.
3400.115 | Woonzorgbehoefteonderzoek
7
2 Samenvatting In dit hoofdstuk vatten we de huisvestingsopgave voor inwoners met een zorgof ondersteuningsvraag in de Utrechtse gemeenten kort samen. Dit doen we op provinciaal niveau. In de afzonderlijke hoofdstukken wordt de huisvestingsopgave ook weergegeven op regioniveau. De fact sheets bevatten de resultaten op gemeenteniveau. Voor een aantal doelgroepen wordt een basis- en trendprognose gepresenteerd3. In de basisprognose wordt telkens het huidige zorggebruik en de huidige woonsituatie demografisch doorgerekend. In deze basisprognose is geen rekening gehouden met mogelijke nieuwe wijzigingen in beleid of met verschuivende voorkeuren van doelgroepen: het is een ‘beleidsvrije’ en ‘trendneutrale’ prognose. In de trendprognose is rekening gehouden met relevante trends/ambities die zijn besproken tijdens de werksessies. Deze trends zijn vervolgens vertaald naar aannames om een trendprognose op te kunnen stellen. De basis- en trendprognose geven een bandbreedte waarbinnen de daadwerkelijke behoefte zich zal ontwikkelen. De daadwerkelijke behoefte is daarbij afhankelijk van hoe sterk je als gemeente of regio gaat inzetten op ambities die in de aannames van de trendprognose zijn verwerkt.
Ga je bijvoorbeeld veel aantrekkelijk en divers geclusterd aanbod voor senioren toevoegen? Ga je intramurale locaties voor Beschermd Wonen meer spreiden over de regio? Dit rapport biedt inzicht in voorstelbare toekomstscenario’s en daarmee samenhangende keuzemogelijkheden. Het dient daarmee als input om het gesprek te voeren binnen de regio’s.
Huisvestingsopgave ouderen, mensen met een verstandelijke, lichamelijke of psychische beperking In onderstaande tabellen is de huisvestingsopgave voor provincie Utrecht voor ouderen, mensen met een verstandelijke of lichamelijke beperking, en mensen met een psychische kwetsbaarheid die een beroep doen op Beschermd Wonen te zien. De eerste tabel geeft de resultaten van de basisprognose weer, de tweede tabel van de trendprognose. Tabel 2.1: Opgave provincie Utrecht per doelgroep, basisprognose Doelgroep Tot 2030 Ouderen Nultredenwoningen 6.070 Geclusterd wonen 6.360 Zorggeschikte woningen 1.910 Totaal 14.340 Mensen met een verstandelijke beperking Geclusterd wonen 760 Gespikkeld wonen 60 Totaal 820 Mensen met een lichamelijke beperking4 Toename omvang doelgroep 45 Beschermd Wonen Wmo Intramuraal 50 Wmo Beschermd Thuis 70 BW Wlz (GGZ-W) 100 Totaal 220 Bron: Woonzorgweter Companen
Tot 2040 15.270 14.210 5.580 35.060 1.555 65 1.620 90 80 120 205 405
3 Niet voor alle doelgroepen is het mogelijk om een prognose te maken, omdat de ontwikkeling
4 Voor mensen met een lichamelijke beperking gaat het over de groei van de doelgroep tot 2030
(van de omvang) van de doelgroep te onzeker is. Bovendien is voor sommige doelgroepen de huidige omvang al lastig in beeld te brengen.
(+ 45) en 2040 (+ 90). Deze groei zal zich slechts voor een beperkt gedeelte vertalen naar een opgave, omdat de meeste mensen met een lichamelijke beperking in hun eigen reguliere (aangepaste) woning wonen.
3400.115 | Woonzorgbehoefteonderzoek
8
Tabel 2.2: Opgave provincie Utrecht per doelgroep, trendprognose Doelgroep Tot 2030 Ouderen Nultredenwoningen 6.070 Geclusterd wonen 12.240 Zorggeschikte woningen 1.210 Totaal 19.520 Mensen met een verstandelijke beperking Geclusterd wonen 835 Gespikkeld wonen 380 Totaal 1.215 Mensen met een lichamelijke beperking Toename omvang doelgroep 45 Beschermd Wonen Wmo Intramuraal -115 Wmo Beschermd Thuis 190 BW Wlz (GGZ-W) 100 Totaal 175 Bron: Woonzorgweter Companen
Tot 2040 15.270 31.180 3.160 49.610 1.715 970 2.685 90 -200 370 205 375
Behoefte aan zelfstandige woonruimte onder uitstromers, statushouders en mantelzorg Uitstromers uit instellingen behoren tot de urgente aandachtsgroepen. We hebben het dan over uitstromers uit Beschermd Wonen, Jeugdzorg met verblijf, Maatschappelijke opvang, Vrouwenopvang, detentie en forensisch beschermd wonen. Een deel van de uitstromers heeft behoefte aan zelfstandige woonruimte (al dan niet met ambulante begeleiding). In de volgende tabel staat weergegeven om welke aantallen dit jaarlijks gaat op provinciaal niveau.
3400.115 | Woonzorgbehoefteonderzoek
Verder is een inschatting gemaakt van de jaarlijkse woningbehoefte van statushouders. Ook is het gemiddeld aantal toewijzingen (2020 – 2022) van urgentie voor mantelzorgontvangers- of verleners opgenomen in de tabel. Aandachtspunt is dat instroomwoningen MOBW niet zijn opgenomen in onderstaande tabel. Ondanks uitvragen bij verschillende partijen (Beter Wonen, Tussenvoorziening, Het Vierde Huis en gemeente Utrecht) is het niet gelukt om de huidige en toekomstige behoefte aan instroomwoningen in beeld te brengen. Hier gaan we nader op in op pagina 53. Tabel 2.3: Uitstromers uit instellingen die een beroep doen op zelfstandige woonruimte en woningbehoefte statushouders Doelgroep Behoefte aan zelfstandige woonruimte Uitstroom Beschermd Wonen* 230 (175 tot 255) Uitstroom Jeugdzorg met verblijf 170 - waarvan AMV 28 Uitstroom Maatschappelijke Opvang 380 Uitstroom Vrouwenopvang 67 Uitstroom detentie 95 Uitstroom forensisch beschermd wonen en forensische zorg 78 Totaal uitstromers 990 (935 tot 1.015) Woningbehoefte statushouders** 1.550 Toewijzingen urgentie mantelzorg 20 Totaal 2.580 Bron: Woonzorgweter Companen. *Bij Beschermd Wonen staat tussen haakjes de toekomstige uitstroom op basis van de basisprognose (255) en de trendprognose (175). ** Inschatting op basis van scenario ‘hoog’ en gemiddelde huishoudensgrootte van 2.
9
Huisvestingsopgave uitstappende sekswerkers, arbeidsmigranten, woonwagenbewoners en studenten Tot slot zijn er de aandachtsgroepen uitstappende sekswerkers, arbeidsmigranten, woonwagenbewoners en studenten. Voor sommige van deze doelgroepen is er minder informatie beschikbaar als het gaat om de huisvestingsopgave. Deze doelgroepen worden wel kwalitatief beschreven in de afzonderlijke hoofdstukken. • Uitstappende sekswerkers: Jaarlijks zijn er in Nederland gemiddeld 300 woningen nodig om uitstappende sekswerkers van een woning te voorzien. Het is niet bekend hoeveel uitstappende sekswerkers de provincie Utrecht telt. • Arbeidsmigranten: Tussen 2021 en 2030 ligt er een huisvestingsopgave van 11.835 woonplekken. Dit betreft 8.315 huisvestingsplekken in tijdelijke woonvormen (short- en midstay). Zo’n 3.520 arbeidsmigranten gaan permanent (longstay) in de provincie Utrecht wonen. • Woonwagenbewoners: In 2022 waren er 708 standplaatsen in de provincie Utrecht. Op basis van een aantal gemeenten in de provincie die aanvullend behoefteonderzoek hebben gedaan, blijkt dat er een extra lokale behoefte is van 194 en een niet-lokale behoefte van 43 standplaatsen. Aandachtspunt hierbij is dat deze cijfers slechts een indicatie zijn. Families kunnen zich namelijk inschrijven voor wachtlijsten in meerdere gemeenten tegelijkertijd, waardoor er dubbeltellingen kunnen voorkomen.
• Studenten: In gemeente Utrecht was er in 2022 een tekort van 5.300 eenheden. Het tekort neemt naar verwachting tot 2030 met nog eens 5.000 eenheden toe. Voor de regio Amersfoort zijn geen cijfers bekend over het tekort aan studentenhuisvesting.
woonomgeving vraagt aandacht: deze moet toegankelijk zijn voor mensen met een beperking, en bij voorkeur ook uitnodigen tot ontmoeten en bewegen. In hoofdstuk 16 worden een aantal aandachtspunten benoemd voor beleid op wonen, welzijn en zorg.
Passende huisvesting is niet genoeg om inwoners met een zorg- of ondersteuningsvraag goed te kunnen laten wonen in de provincie Utrecht. De komende jaren zullen personeelstekorten in de zorg groeien. Ook de
3400.115 | Woonzorgbehoefteonderzoek
10
3 Ouderen
Figuur 3.1: Huishoudenssamenstelling provincie Utrecht, 2023 – 2040
14% 14%
Lang niet alle ouderen (65-plussers) hebben een zorgvraag, en lang niet alle ouderen hebben behoefte aan een specifiek soort woning vanwege die zorgvraag. Verreweg de meeste ouderen wonen zelfstandig en zijn vitaal. Ook van de ouderen met een zorgvraag woont een groot deel zelfstandig, al dan niet met ondersteuning vanuit de wijkverpleging en het eigen sociaal netwerk.
9% 12% 3% 6% 2023; 74%
3.1 Doelgroep en context De leeftijd waarop mensen zich ‘oud’ voelen verschilt van persoon tot persoon. In dit onderzoek betrekken wij de groep 65-plussers in de analyses, aansluitend bij de definitie die het Rijk hanteert. In de gebruikte methodiek wordt wel een onderscheid gemaakt naar leeftijdsgroepen binnen die totale groep, op basis van de zorg- en ondersteuningsbehoefte per leeftijdsgroep en de woonbehoefte die daarmee samenhangt.
Demografie
2040; 68% 65-74 jaar
75-84 jaar
85+ jaar
Bevolking < 65 jaar
Bron: Primos prognose provincie Utrecht (2023).
Inzoomend op de regio’s Amersfoort en U10 zien we dat het aandeel 85-plus huishoudens groeit met 3% tot 2040. Hoewel beide regio’s procentueel gelijk vergrijzen met een toename van 7% 65-plus huishoudens, heeft de regio Amersfoort momenteel en in 2040 een groter aandeel 65-plushuishoudens dan regio U10.
In januari 2023 woonden er 1.400.000 mensen in de provincie Utrecht. Volgens de bevolkingsprognose zal de provincie in 2040 uit zo’n 1.600.000 inwoners bestaan (+13%). Het aantal ouderen in de provincie neemt de komende jaren sterk toe – en daarmee ook het aandeel op de totale bevolking. In het figuur zien we dat het aandeel 65-plus huishoudens op de totale bevolking groeit van 26% (165.950 65-plus huishoudens) nu, naar 32% (242.200 65-plus huishoudens) in 2040. Er is met name een sterke groei te zien in de oudste groep (85-plus); we noemen dit ‘dubbele vergrijzing’.
3400.115 | Woonzorgbehoefteonderzoek
11
Figuur 3.2: Huishoudenssamenstelling regio Amersfoort en U10, 2023 – 2040
Regio Amersfoort
Regio U10 14% 13%
16% 15%
9% 12% 3%
10% 13% 4%
6%
7% 2023; 71% 2040; 64%
2023; 75% 2040; 68%
Bron: Primos prognose provincie Utrecht (2023).
3.2 Woonvormen en zorgvraag Woonvormen voor ouderen Wij maken in dit rapport een onderscheid tussen reguliere woning, nultredenwoning, geclusterd wonen voor senioren en zorggeschikte woningen. • Reguliere woningen zijn ‘gewone’, niet-geclusterde woningen. Het gaat hierbij zowel om gezinswoningen als om appartementen of studio’s waar ook mensen zonder zorgvraag kunnen wonen. • Nultredenwoningen zijn woningen die geschikt zijn voor ouderen of andere zorgvragers met een (lichte) lichamelijke beperking. De woning is zowel 5
Zie Handreiking geclusterde woonvormen (Platform31): https://www.volkshuisvestingnederland.nl/documenten/publicaties/2023/07/25/handreikinggeclusterde-woonvormen
3400.115 | Woonzorgbehoefteonderzoek
intern als extern toegankelijk. Dat betekent dat de woning te bereiken is zonder trap te lopen (extern toegankelijk) en keuken, badkamer, toilet en minimaal 1 slaapkamer zonder trappen te bereiken (intern toegankelijk). • Bij geclusterd wonen voor senioren gaat het om woningen die deel uitmaken van een complex of groep van woningen (minimaal 10) die speciaal bestemd zijn voor ouderen. De woningen zijn levensloopgeschikt (ze voldoen aan dezelfde kenmerken als nultredenwoningen). De inrichting van het complex is bij voorkeur dementievriendelijk en gericht op sociaal contact en gemeenschapsgevoel. Er is een ontmoetingsruimte inpandig of in de directe nabijheid (op rollatorafstand, < 400 meter5). • Zorggeschikte woningen zijn zelfstandige woningen in een geclusterde woonvorm die zo ingericht zijn dat hier goed verpleegzorg geleverd kan worden. Zorggeschikte woningen gelden als alternatief voor traditionele verpleeghuisplekken. Ze zijn rolstoel- of rollatorgeschikt, met voldoende ruimte bij de entree, in de toiletruimte en in de badkamer 6. Ze kunnen onderdeel zijn van een complex waar alle bewoners gebruik maken van Wlz-zorg (bijvoorbeeld traditionele verpleeghuisplekken of een kleine woonvorm voor mensen met dementie), maar ook van een geclusterde woonvorm waar ook mensen zonder Wlz-indicatie wonen.
Zorgvraag in beeld Het vitaliteitstredenmodel van Companen geeft nader inzicht in de woonbehoefte van ouderen, op basis van de zorgvraag van betrokkenen. Het model bevat vier treden. In de eerste trede zitten de meest vitale ouderen, die niet of nauwelijks gebruik maken van zorg; in de vierde trede vallen ouderen met een zware zorgvraag. In het model worden ouderen (65-plus) ingedeeld op basis
6
Zie voor het minimale Programma van Eisen: Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW) (rvo.nl)
12
van de ‘zwaarste’ zorgvorm die zij het afgelopen jaar ontvingen. Als voorbeeld: ouderen die zowel huishoudelijke hulp vanuit de Wmo krijgen als wijkverpleging vanuit de Zvw, tellen we mee in vitaliteitstrede 3. Daarnaast is eerstelijnszorg niet alleen voor ouderen zonder zorgindicatie (vitaliteitstrede 1), maar een huisarts kan verbonden blijven aan mensen hun hele leven lang (dus ook in de andere vitaliteitstreden).
•
•
• •
Toelichting Vitaliteitstredenmodel De meest vitale ouderen zitten in vitaliteitstrede 1. Zij hebben geen zorgindicatie, maar maken hooguit gebruik van eerstelijns huisartsenzorg of zorg van de specialist (vanwege een acute zorgvraag, chronische ziekte of specialistische geestelijke gezondheidszorg). Als ouderen gebruik maken van Wmo-ondersteuning, dan vallen ze in vitaliteitstrede 2. Het gaat hier ook om relatief vitale ouderen. De ondersteuning die zij krijgen bestaat uit hulpmiddelen, voorzieningen, huishoudelijke hulp of andere ondersteuning waarvoor een eigen bijdrage verschuldigd is. In vitaliteitstrede 3 vallen ouderen die wijkverpleging ontvangen vanuit de Zvw. Een deel van deze mensen ontvangt ook ondersteuning vanuit de Wmo. In vitaliteitstrede 4 vallen ouderen die een Wlz-indicatie hebben. Ouderen met een Wlz-indicatie kunnen in een verpleeghuis terecht, maar tegenwoordig wonen zij ook vaker zelfstandig met intensieve zorg (vanuit een Volledig Pakket Thuis, Modulair Pakket Thuis of Persoonsgebonden budget). Deels is dit een wens van ouderen, maar daarnaast is het niet altijd een keuze om zelfstandig te blijven wonen – gezien de bevriezing van intramurale plekken en de verwachte arbeidskrapte. De indeling in treden geeft inzicht in de zorgvraag en vitaliteit van ouderen, en is daarmee een goede voorspeller van de woonvraag.
Belangrijk om te benoemen is dat het vitaliteitstredenmodel zeker geen hiërarchische ladder
3400.115 | Woonzorgbehoefteonderzoek
suggereert waarbij een oudere elke vitaliteitstrede doorloopt, of bij elke veranderende zorgvraag verhuist. We weten immers dat ouderen liever niet tweemaal verhuizen op oudere leeftijd, maar slechts één keer een stap willen maken. Uit woonwensenonderzoeken blijkt dat ouderen naarmate ze minder vitaal worden, vaker een voorkeur hebben voor een geclusterd woonconcept voor ouderen. Dit is ook terug te zien in het feitelijk woongedrag van ouderen. Dat betekent niet dat in geclusterde woonvormen alleen ouderen met een (zware) zorgvraag wonen: er zijn ook ouderen die al voordat ze een zorgvraag ontwikkelen graag willen verhuizen naar geclusterd wonen: niet vanwege hun actuele zorgvraag, maar uit voorzorg of vanwege een behoefte aan sociaal contact of comfort. In vitaliteitstrede 4 woont een aanzienlijk deel van de ouderen in een geclusterd woonconcept waar intensieve zorg geboden wordt (zoals een verpleeghuis of een kleinschalige woonvorm voor mensen met dementie); ook voor deze groep geldt echter dat een deel nog in een reguliere (nultreden)woning woont of in een geclusterde woonvorm voor senioren waar ook mensen zonder Wlz-indicatie wonen. Figuur 3.3: Vitaliteitstredenmodel
Bron: Companen.
13
Per gemeente in de provincie weten we de huidige verdeling van ouderen naar de verschillende vitaliteitstreden. We maken een prognose tot 2040 over hoeveel ouderen in de komende jaren zullen vallen in de verschillende vitaliteitstreden, uitgaande van het huidige zorggebruik per leeftijdscategorie en de demografische prognose.
3.3 Huisvestingsopgave woonvormen ouderen De informatie over de verdeling van ouderen naar de verschillende vitaliteitstreden combineren we met informatie over de feitelijke woonsituatie (op basis van CBS-microdata en informatie zorgkantoor) en woonwensen per vitaliteitstrede (WoON2021). • Van de ouderen zonder zorgindicatie (vitaliteitstrede 1), een wmo-indicatie (vitaliteitstrede 2) of zvw-indicatie (vitaliteitstrede 3) weten we op basis van CBS-microdata hoe zij feitelijk wonen in elke gemeente: in een reguliere woning of geclusterde woning. Naast de feitelijke woonsituatie nemen we woonwensen van ouderen mee, omdat er vaak een onvervulde wens is om geclusterd te wonen (bijvoorbeeld omdat het aanbod er niet is). We nemen de feitelijke woonsituatie voor 90% mee, de wens slechts voor 10%. Omdat we weten dat ouderen weinig verhuis geneigd zijn om hun woonwens te laten vervullen en omdat de wens niet altijd realistisch is. Zie bijlage 3 voor de vertaling van de woonvraag per vitaliteitstrede voor elke gemeente. • Voor de ouderen met een Wlz-indicatie (vitaliteitstrede 4) is hun woonsituatie niet uit CBS-microdata te halen. Daarom doen we aannames op basis van informatie van het zorgkantoor en lokale woonzorganalyses in de provincie. Tijdens de werksessies zijn de aannames getoetst bij de samenwerkingspartners.
Het zorgkantoor heeft daarnaast informatie geleverd over de hoofddeclaraties van ouderen met een Wlz-indicatie. Met deze informatie is het echter ook niet mogelijk om de exacte woonsituatie
3400.115 | Woonzorgbehoefteonderzoek
te bepalen, maar de inschatting is dat tussen de 75% en 82% van de ouderen met een Wlz-indicatie in een woonzorgcentrum of zorggeschikte woning woont in de provincie Utrecht. Tijdens de werksessies was onze inschatting dat dit 76% is. Gezien beide inschattingen redelijk overeenkomen, blijven we de aanname van 76% hanteren. • Uitgangspunt voor de berekening van de behoefte aan nultredenwoningen is het aantal ouderen met ADL-beperkingen (Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen, zoals traplopen of uit bed komen). We gaan ervan uit dat al deze mensen behoefte hebben aan een ‘geschikte woning’: dat kan een reguliere nultredenwoning zijn, maar ook een geclusterde woning of een zorggeschikte woning. Om een inschatting te maken van de toekomstige omvang van de groep ouderen met ADL-beperkingen, doen we de aanname dat de groei van deze groep gelijke tred houdt met de groei van het aantal ouderen in vitaliteitstrede 2, 3 en 4. Een deel van de ouderen met ADL-beperkingen woont in een geclusterde of zorggeschikte woning. Van de totale vraag naar geschikte woningen trekken we daarom de vraag naar geclusterde en zorggeschikte woningen af. Wat overblijft, beschouwen we als een vraag naar reguliere nultredenwoningen.
14
Basisprognose De cijfers uit tabel 2.1 komen voort uit een basisprognose. Uitgangspunt hierbij is de huidige woonsituatie en woonwensen van ouderen naar de verschillende vitaliteitstreden. Deze huidige woonsituatie is demografisch doorgerekend. In deze basisprognose is geen rekening gehouden met mogelijke nieuwe wijzigingen in beleid of met verschuivende voorkeuren van senioren: het is een ‘beleidsvrije’ en ‘trendneutrale’ prognose. Voor geclusterd wonen zetten we de (toekomstige) behoefte af tegen het huidige aanbod. Voor nultreden- en zorggeschikte woningen geldt dat we alleen de vraagontwikkeling weergeven – waar we de opgave uit afleiden. Daarbij is geen rekening gehouden met eventuele overschotten of tekorten in de huidige situatie. Verder is niet gekeken naar mogelijke kwalitatieve mismatches in de huidige situatie (voldoet het huidige aanbod in kwalitatieve zin aan de vraag?). De in deze rapportage gepresenteerde aantallen kunnen worden gelezen als de nieuwbouw- of transformatieopgave. Om de opgave verder te onderbouwen kan lokaal nader worden onderzocht in welke mate er sprake is van overschotten of tekorten in de huidige situatie, en in welke mate het vastgoed toekomstbestendig is. In de tabel is te zien dat ook in de toekomst het grootste deel van de 65-plussers zal wonen in een reguliere woning.
Vaak is dit de woning waar mensen al jaren wonen en waarin zij ook zullen blijven als ze ouder worden. Daarom zien we de toenemende behoefte aan reguliere woningen niet als een uitbreidingsopgave. Doordat er steeds meer ‘oudere ouderen’ in de provincie Utrecht wonen, neemt de behoefte aan geclusterd en zorggeschikt wonen in verhouding meer toe dan de behoefte aan regulier wonen. De opgave zorggeschikt, geclusterde woningen en nultredenwoningen tot en met 2030 komt uit op 14.340 woningen in de provincie.
3400.115 | Woonzorgbehoefteonderzoek
Tabel 3.1: Prognose vraag naar woonvormen voor ouderen provincie Utrecht, basisprognose (2023 – 2040, huishoudens, afgerond op 10-tal) Woonvorm 2023 2030 (opgave) 2040 (opgave) Regulier wonen 125.180 150.910 181.640 Nultreden (in regulier wonen) 22.730 28.800 (+ 6.070) 38.000 (+ 15.270) Geclusterd wonen 31.490 37.850 (+ 6.360) 45.700 (+ 14.210) Zorggeschikte woningen 9.280 11.190 (+ 1.910) 14.860 (+ 5.580) Totaal 63.500 77.840 (+ 14.340) 98.560 (+ 35.060) Bron: Woonzorgweter Companen.
Onderstaande tabellen geven de opgaven weer op regioniveau. Voor de regio’s komt de opgave (nultreden, geclusterd en zorggeschikt) tot en met 2030 uit op 3.760 tot 4.750 woningen (Amersfoort excl. en incl. Barneveld en Nijkerk) en 9.470 (U10). Tabel 3.2: Prognose vraag naar woonvormen voor ouderen regio Amersfoort (excl. Barneveld en Nijkerk), basisprognose (2023 – 2040, huishoudens, afgerond op 10-tal) Woonvorm 2023 2030 (opgave) 2040 (opgave) Regulier wonen 29.370 36.070 43.570 Nultreden (in regulier wonen) 5.120 6.650 (+ 1.530) 8.800 (+ 3.680) Geclusterd wonen 7.630 9.330 (+ 1.700) 11.370 (+ 3.740) Zorggeschikte woningen 2.280 2.810 (+ 530) 3.720 (+ 1.440) Totaal 15.030 18.790 (+ 3.760) 23.890 (+ 8.860) Tabel 3.3: Prognose vraag naar woonvormen voor ouderen woondeal Amersfoort (incl. Barneveld en Nijkerk), basisprognose (2023 – 2040, huishoudens, afgerond op 10-tal) Woonvorm 2023 2030 (opgave) 2040 (opgave) Regulier wonen 38.930 47.920 58.310 Nultreden (in regulier wonen) 6.840 8.760 (+ 1.920) 11.640 (+ 4.800) Geclusterd wonen 9.730 11.910 (+ 2.180) 14.630 (+ 4.900) Zorggeschikte woningen 2.990 3.640 (+ 650) 4.830 (+ 1.840) Totaal 19.560 24.310 (+ 4.750) 31.100 (+ 11.540)
15
Tabel 3.4: Prognose vraag naar woonvormen voor ouderen regio U10, basisprognose (2023 – 2040, huishoudens, afgerond op 10-tal) Woonvorm 2023 2030 (opgave) 2040 (opgave) Regulier wonen 87.720 105.340 126.280 Nultreden (in regulier wonen) 16.130 20.300 (+ 4.170) 26.720 (+ 10.600) Geclusterd wonen 20.610 24.680 (+ 4.070) 29.630 (+ 9.020) Zorggeschikte woningen 6.380 7.610 (+ 1.230) 10.120 (+ 3.740) Totaal 43.120 52.590 (+ 9.470) 66.470 (+ 23.360)
Aandachtspunt hierbij is dat de ouderenopgave niet alleen een nieuwbouwopgave is: uitbreiding van de voorraad kan en zal ook moeten gebeuren door aanpassing of transformatie – want met alleen nieuwbouw redden we het niet. Bijvoorbeeld door het toevoegen van een ontmoetingsruimte aan een complex of het geschikt maken van een bestaande, reeds door ouderen bewoonde woning. Ook het labelen van reguliere nultredenwoningen voor ouderen behoort tot de mogelijkheden – we weten namelijk dat een groot deel van de reguliere nultredenwoningen worden bewoond door huishoudens jonger dan 65 jaar.
Trendprognose Met de basisprognose als vertrekpunt zijn we in gesprek gegaan met stakeholders. In de werksessies in de regio’s Amersfoort en U10 hebben we trends en ontwikkelingen besproken die van invloed kunnen zijn op de toekomstige vraag naar wonen met zorg voor ouderen. Op basis van de bespreking hebben we een trendvariant van de behoefteprognose uitgewerkt waarin we rekening hebben gehouden met de volgende punten die uit het gesprek naar voren kwamen: • Een steeds groter deel van de mensen met een Wlz-indicatie zal buiten een traditioneel verpleeghuis/woonzorgcentrum wonen. • We voorzien geen stijging in het aanbod van het aantal intramurale plekken in woonzorgcentra; de stijging van het aantal ouderen met een Wlz-
3400.115 | Woonzorgbehoefteonderzoek
indicatie (vitaliteitstrede 4) zal opgevangen moeten worden in zowel zorggeschikte woningen als geclusterde woonvormen. • Tijdens de werksessies kwam het niet expliciet aan bod, maar op basis van gesprekken (voor lokale onderzoeken in de regio) verwachten we dat ouderen met een psychogeriatrische zorgvraag relatief vaker een beroep zullen doen op een woonzorgcentrum dan ouderen met een somatische zorgvraag. • We verwachten dat richting de toekomst relatief meer mensen in vitaliteitstrede 1 tot en met 3 zullen verhuizen naar een geclusterde woonvorm, uit voorzorg of vanwege een wens/behoefte aan sociaal contact of comfort. De nieuwe generatie ouderen is – of wordt – zich meer bewust van de noodzaak om tijdig te anticiperen op hun toekomstige zorgvraag en zal daardoor eerder deze stap zetten - mits er uiteraard voldoende aantrekkelijk en divers aanbod van geclusterde woningen is. Anderzijds betekent dat dat bij onvoldoende aantrekkelijk aanbod ouderen niet verhuisgeneigd zijn. Bijlage 3 geeft weer hoe wij ouderen in de verschillende vitaliteitstreden in het trendscenario toerekenen aan de verschillende woonvormen in 2040. In het trendscenario maken we een prognose van de vraag naar reguliere, nultreden, geclusterde en zorggeschikte woningen, waarbij we niet alleen de demografische ontwikkeling meenemen.
We houden ook rekening met een geleidelijke verschuiving van de woonvraag per vitaliteitstrede richting de situatie zoals die in bijlage 3 is weergegeven. De percentages voor vitaliteitstrede 1 tot en met 3 verschillen per gemeente; vitaliteitstrede 4 is voor elke gemeente hetzelfde. In de trendprognose houden we de behoefte aan nultredenwoningen gelijk aan de basisprognose. In de trendprognose neemt de behoefte aan nultredenwoningen feitelijk af, omdat meer ouderen verhuizen naar een geclusterde woonvorm. Maar aangezien nultredenwoningen in de praktijk vaak worden bewoond door huishoudens
16
jonger dan 65 jaar die geen mobiliteitsbeperking hebben, is het verstandig om uit te gaan van de behoefte die volgt uit de basisprognose. In onderstaande tabellen zien we dat de opgave (nultreden, geclusterd en zorggeschikt) voor de provincie oploopt tot 19.520 tot en met 2030. Voor regio Amersfoort is dit 5.050 tot 6.440 (exclusief en inclusief Barneveld en Nijkerk) en voor regio U10 13.030. De totale opgave komt in de trendprognose hoger uit dan in de basisprognose: dit komt doordat we voorzien dat een groter deel van zowel ouderen zonder als met een (zware) zorgvraag, zullen verhuizen naar een geclusterde woonvorm. Tabel 3.5: Prognose vraag naar woonvormen voor ouderen provincie Utrecht, trendprognose (2023 – 2040, huishoudens, afgerond op 10-tal) 2023 2030 (opgave) 2040 (opgave) Regulier wonen
125.180
Nultreden (in regulier wonen) Geclusterd wonen
Tabel 3.7: Prognose vraag naar woonvormen voor ouderen Amersfoort (incl. Barneveld en Nijkerk), trendprognose (2023 – 2040, huishoudens, afgerond op 10-tal) Woonvorm 2023 2030 (opgave) 2040 (opgave) Regulier wonen 38.930 46.240 53.400 Nultreden (in regulier wonen) 6.840 8.760 (+ 1.920) 11.640 (+ 4.800) Geclusterd wonen 9.730 13.800 (+ 4.070) 20.220 (+ 10.490) Zorggeschikte woningen 2.990 3.440 (+ 450) 4.120 (+ 1.130) Totaal 19.560 26.000 (+ 6.440) 35.980 (+ 16.420) Bron: Woonzorgweter Companen. Tabel 3.8: Prognose vraag naar woonvormen voor ouderen regio U10, trendprognose (2023 – 2040, huishoudens, afgerond op 10-tal) 2023 2030 (opgave) 2040 (opgave) Regulier wonen
87.720
101.850
116.330
Nultreden (in regulier wonen)
16.130
20.300 (+ 4.170)
26.720 (+ 10.600)
Geclusterd wonen
20.610
28.740 (+ 8.130)
41.280 (+ 20.670)
145.830
167.050
22.730
28.800 (+ 6.070)
38.000 (+ 15.270)
Zorggeschikte woningen
6.380
7.110 (+ 730)
8.400 (+ 2.020)
31.490
43.730 (+ 12.240)
62.670 (+ 31.180)
56.150 (+ 13.030)
76.400 (+ 33.290)
9.280
10.490 (+ 1.210)
12.440 (+ 3.160)
Totaal Bron: Woonzorgweter Companen.
43.115
Zorggeschikte woningen Totaal
63.500
83.020 (+ 19.520)
113.110 (+ 49.610)
Bron: Woonzorgweter Companen.
Aanbodinventarisatie
Tabel 3.6: Prognose vraag naar woonvormen voor ouderen regio Amersfoort (excl. Barneveld en Nijkerk), trendprognose (2023 – 2040, huishoudens, afgerond op 10-tal) 2023 2030 (opgave) 2040 (opgave) Regulier wonen
29.370
34.800
39.890
Nultreden (in regulier wonen)
5.120
6.650 (+ 1.530)
8.800 (+ 3.680)
Geclusterd wonen
7.630
10.770 (+ 3.140)
15.590 (+ 7.960)
Zorggeschikte woningen
2.280
2.660 (+ 380)
3.160 (+ 880)
Totaal
15.030
20.080 (+ 5.050)
27.550 (+ 12.520)
Bron: Woonzorgweter Companen.
3400.115 | Woonzorgbehoefteonderzoek
Het ouderenaanbod in de provincie is op verschillende manieren in beeld gebracht: • Geclusterd wonen Companen heeft een inventarisatie onder corporaties gedaan (2023 – 2024) om hun geclusterde woningaanbod in kaart te brengen. Alle corporaties hebben de inventarisatie ingevuld, waardoor het geclusterde aanbod in de sociale huur volledig is. Het geclusterde aanbod in de vrije sector huur en koopsector komt vanuit CBS-Microdata. Deze data zijn minder nauwkeurig (bijvoorbeeld geen inzicht in locaties). Mogelijk hebben we niet al het aanbod in deze sectoren compleet in beeld.
17
• Zorggeschikte woningen / woonzorgcentra Uitgangspunt hierbij is de aanbodinventarisatie van IVVU (2024). Het zorgkantoor heeft deze inventarisatie aangevuld met een lijst van ontbrekende locaties (35). Op basis van deskresearch heeft Companen voor 12 van de 35 locaties een inschatting kunnen maken van het aanbod. Voor gemeenten die hebben aangegeven vanuit eigen lokale trajecten aanbod in beeld te hebben – dat wordt herkend of is gecheckt door zorgaanbieders – doen wij de aanname dat dit betrouwbare cijfers zijn. In deze gevallen gebruiken wij de cijfers die gemeenten hebben aangeleverd. Aangezien we niet voor alle gemeenten in de provincie Utrecht een volledig beeld hebben van het ouderenaanbod, hanteren we eenzelfde werkwijze door voor de opgave te kijken naar het verschil in de huidige en toekomstige behoefte: dat is de minimale opgave waar een gemeente voor staat. De fact sheets geven wij per gemeente inzicht in het geïnventariseerde aanbod, hierop zijn mogelijk overschotten te zien. Tijdens de werksessies hebben we de aannames van de woonvormen met de samenwerkingspartners beoordeeld. Het zorgkantoor heeft informatie geleverd over de hoofddeclaraties van mensen met een Wlz-indicatie, maar Companen kan de exacte woonvorm niet exact bepalen. Het aandeel mensen dat in een woonzorgcentrum of zorggeschikte woning woont, kan per gemeente verschillen.
De zorgaanbieders hebben tijdens de bijeenkomsten aangegeven dat er wachttijden zijn, waardoor Companen adviseert om niet te spreken van een overschot aan woonzorgcentrum- of zorggeschikte woningen. Voor het interpreteren van de opgave beschouwen we het verschil tussen de huidige en toekomstige vraag als leidraad.
3400.115 | Woonzorgbehoefteonderzoek
3.4 Geclusterd wonen: uitsplitsing naar woonconcepten en marktsegment Geclusterd wonen: uitsplitsing naar woonconcepten De woonwensen van ouderen zijn divers. De woonvorm ‘geclusterd wonen’ is een verzamelnaam voor diverse woningtypes en woonconcepten die beschutting, comfort en ontmoeting bieden. Verschillende groepen ouderen zoeken daarbij verschillende typen geclusterde woonvormen. Welke keuzes groepen ouderen hierin maken is onder meer afhankelijk van hun waardenprofiel en financiële mogelijkheden, die wij samenbrengen in zogeheten ‘woonstijlen’. We onderscheiden 12 ‘woonstijlgroepen’ onder (toekomstige) ouderen, die verschillen qua woonvoorkeuren. De indeling in woonstijlen is gebaseerd op analyses van woongedrag en woonwensen van ouderen, zoals die naar voren komen in CBS-microdata, het WoON en sociologisch onderzoek naar generaties en waardepatronen. Deze inzichten zijn gekoppeld aan achtergrondkenmerken van ouderen, zoals het inkomen, leeftijd, huishoudenssamenstelling, stedelijkheid, opleiding en vermogen. In welke woonstijl iemand Tabel 3.9: Indeling voor woonstijlen naar generatie (geboortejaar) en financiële positie
Stille Generatie (1940 e.o.) Protestgeneratie (1940 - 1955) Generatie X (1955 - 1970) Pragmatische generatie (1970 - 1985)
Lagere financiële positie Kwetsbare Ouderen Traditionele buurtbewoners Actieve buurtbewoners
Middel financiële positie Oudere comfortzoekers Vitale comfortzoekers Moderne hofjesbewoners
Hoge financiële positie Welgestelde cultuurminnaars Welgestelde levensgenieters Ondernemende levensgenieters
Laag
Middel
Hoog
18
is ingedeeld, is onder meer afhankelijk van het geboortejaar (generatie) en de financiële positie. Voor elke gemeente is bekend hoe ouderen verdeeld zijn over de verschillende woonstijlen vanuit CBS-microdata. Wij maken een inschatting van de keuze die mensen gaan maken op het moment dat zij verhuizen naar een geclusterde woonvorm voor ouderen. Dit leidt tot een ‘woonmix’ per woonstijl. In de woonmix maken wij primair het onderscheid tussen de voorkeur voor appartementen (afkorting app: weinig onderhoud, overzichtelijk en gezamenlijke voorzieningen) en grondgebonden woningen (afkorting ggb: groter woonoppervlak, buitenruimte en meer zelfstandigheid). Secundair geven we aan welke woonconcepten goed passen bij de waarden en de financiële positie van de woonstijlen.
Figuur 3.4: Verdeling 65-plushuishoudens naar (2023 - 2040; afgerond op 10-tal) 100% 90%
50.630 49.260
25.030
70% 60%
22.880 48.690 47.300
30%
16.370 5.420
10%
Figuur 3.5 geeft weer hoe de behoefte aan diverse woonconcepten binnen het geclusterd wonen zich door de tijd naar verwachting zal ontwikkelen (in aandelen) op provinciaal niveau. Bijlage 2 geeft een toelichting op de verschillende woonconcepten. De relatieve behoefte aan traditionele vormen van geclusterd wonen, zoals seniorencomplexen en grondgebonden seniorenwoningen, zal met de komst van nieuwe generaties, geleidelijk gaan
13.800 4.610
21.280
17.950
2023
2025
3400.115 | Woonzorgbehoefteonderzoek
Pragmatische Generatie 1970 - 1985 Generatie X 1955 - 1970 Protestgeneratie 1940 - 1955 Stille Generatie
Utrecht
7.390 6.340 7.560
52.820 37.250 45.540
50%
20%
43.330
23.540
0%
Op basis van de woonwensen per woonstijl (bijlage 4) en de prognose van woonstijlen is het mogelijk om een prognose op te stellen van gewenste woningtypes en woonconcepten binnen het geclusterd wonen.
24.950
provincie
21.380
80%
40%
De ideale woonmix van de totale groep ouderen zal van jaar op jaar veranderen, omdat generaties elkaar opvolgen en de verhouding tussen de woonstijlen dus ook verandert. We zien dat de ‘stille generatie’ geleidelijk aan uit beeld verdwijnt en Generatie X zijn opwachting maakt (figuur 3.4). Vanaf 2040 zien we dat een nieuwe generatie in beeld komt: de ‘Pragmatische generatie’.
6.670 5.730 6.660
woonstijl
45.100
43.640
20.990
38.170
42.970 7.490 2.510 9.680
17.710
36.140
53.240
27.990 12.990 26.410
2030 2035 2040 Pragmatische gen. - Hoog Pragmatische gen. - Midden Pragmatische gen. - Laag Ondernemende levensgenieters Moderne hofjesbewoners Actieve buurtbewoners Welgestelde levensgenieters Vitale comfortzoekers Traditionele buurtbewoners Welgestelde cultuurminnaars Oudere comfortzoekers
Bron: Woonzorgweter Companen, Primos huishoudensprognose en CBS-microdata.
19
afnemen. Het hofjeswonen zal relatief gezien aan populariteit winnen. Dit geldt ook op het niveau van beide regio’s.
Op basis van de woonwensen per woonstijl (bijlage 4) en de prognose van woonstijlen is het mogelijk om een prognose op te stellen van gewenste woningtypes en woonconcepten binnen het geclusterd wonen.
Figuur 3.5: Gewenste verdeling binnen geclusterd wonen, naar woonconcept provincie Utrecht (2023 – 2040) 2023
8%
29%
7%
20%
12%
10%
14%
2025
8%
28%
7%
19%
13%
11%
14%
2030
7%
26%
7%
19%
15%
13%
13%
2035
7%
24%
7%
19%
16%
15%
12%
2040
6%
23%
7%
18%
17%
16%
12%
0% 20% 40% Levensloopbestendige woningen (ggb) Luxe levensloopbestendige appartementen Hofjeswonen (ggb) Aanleunwoning (app)
60% 80% Seniorencomplex Serviceflat Hofjeswonen (app)
Bron: Woonzorgweter Companen, Primos huishoudensprognose en CBS-microdata.
Uitsplitsing naar marktsegment Op basis van de woonwensen per woonstijl (WoON2021) en hoe ouderen – onderverdeeld naar woonstijlen – nu wonen (CBS-Microdata), is het mogelijk om een prognose op te stellen van gewenste marktsegmenten binnen het geclusterd wonen. In de tabellen hieronder wordt weergegeven wat de huidige en toekomstige behoefte aan sociale huur, vrije sector huur en koop binnen het geclusterd wonen is: op provinciaal niveau, regio Amersfoort en regio U10. Het is belangrijk te vermelden dat de verschillen ten opzichte van de totale geclusterde opgave, zoals beschreven in hoofdstuk 3.3, te wijten zijn aan afrondingen.
3400.115 | Woonzorgbehoefteonderzoek
Op provinciaal niveau valt ongeveer 36% van de behoefte aan geclusterd wonen voor ouderen binnen de sociale huur, 14% binnen de vrije sector huur en 50% binnen de koopsector. Naar de toekomst toe zien we het aandeel binnen de sociale huur licht afnemen (met 2%).
100%
Tabel 3.10: Behoefteprognose geclusterd wonen provincie Utrecht, uitgesplitst naar marktsegment, bandbreedte basisprognose en trendprognose (2023 – 2040); huishoudens afgerond op 10-tal) 2023 2030 2040 Sociale huur 11.450 (36%) 13.170 tot 15.190 15.450 tot 21.110 (34%) Vrije sector huur 4.240 (14%) 5.010 tot 5.780 5.930 tot 8.100 (13%) Koop 15.800 (50%) 19.690 tot 22.790 24.270 tot 33.440 (53%) Totaal 31.490 37.870 tot 43.760 45.650 tot 62.650 Bron: Woonzorgweter Companen.
Op regioniveau is te zien dat de huidige en toekomstige behoefte aan sociale huur relatief hoger is in U10 dan in Amersfoort (exclusief Barneveld en Nijkerk). De uitsplitsing naar marktsegmenten voor Barneveld en Nijkerk is te vinden in de fact sheets. Tabel 3.11: Behoefteprognose geclusterd wonen regio Amersfoort (excl. Barneveld en Nijkerk), uitgesplitst naar marktsegment, bandbreedte basisprognose en trendprognose (2023 – 2040); huishoudens afgerond op 10-tal) 2023 2030 2040 Sociale huur 2.580 (34%) 3.080 tot 3.550 3.660 tot 5.020 (32%) Vrije sector huur 1.030 (13%) 1.220 tot 1.400 1.440 tot 1.960 (13%) Koop 4.020 (53%) 5.050 tot 5.850 6.250 tot 8.610 (55%) Totaal 7.630 9.350 tot 10.800 11.350 tot 15.590
20
Tabel 3.12. Behoefteprognose geclusterd wonen regio U10, uitgesplitst naar marktsegment, bandbreedte basisprognose en trendprognose (2023 – 2040); huishoudens afgerond op 10-tal) 2023 2030 2040 Sociale huur 7.600 (37%) 8.650 tot 10.060 10.060 tot 13.960 (34%) Vrije sector huur 2.860 (14%) 3.370 tot 3.930 4.000 tot 5.530 (14%) Koop 10.150 (49%) 12.660 tot 14.770 15.560 tot 21.780 (53%) Totaal 20.610 24.680 tot 28.760 29.620 tot 41.270
In onderstaande tabel zetten we het geïnventariseerde geclusterde aanbod af tegen de huidige behoefte. Een plus-getal betekent dat er momenteel voldoende woningen zijn en een min-getal dat er een tekort is. Tabel 3.13 Match vraag aanbod huidige situatie geclusterd wonen naar marktsegment Provincie Regio Regio U10 Utrecht Amersfoort7 Sociale huur + 10.090 + 3.105 + 5.830 Vrije sector huur + 120 + 165 - 20 Koop - 9.320 - 2.235 - 6.325 Totaal + 920 + 1.045 - 485 Bron: Woonzorgweter Companen.
•
Op basis van de inventarisatie onder corporaties in de provincie Utrecht zijn er momenteel 21.540 geclusterde woningen in de sociale huur. Van dit totaal bedraagt het aandeel in regio Amersfoort 5.695 woningen en in regio U10 13.430 woningen. De huidige behoefte is echter lager dan het aanbod; in de provincie wordt de behoefte geschat op 11.450 woningen, in regio Amersfoort op 2.580 en in regio U10 op 7.600. Naar de toekomst toe, met het oog op 2040, blijft de voorspelde vraag naar geclusterde
woningen voor ouderen in de basisprognose onder de 21.568 woningen, welke het huidige totaal in de provincie Utrecht vertegenwoordigt. De trendprognose daarentegen anticipeert dat de behoefte zich zal stabiliseren rond dit huidige aanbod. Er zit dus ontspanning op het aanbod geclusterd wonen in de sociale huur. In kwalitatieve zin zal er wel een opgave liggen: het transformeren van traditioneel geclusterd aanbod naar meer moderne concepten. • Op basis van de inventarisatie via CBS-Microdata sluit het huidige aanbod van geclusterde woningen in de vrije huursector binnen de provincie Utrecht, bestaande uit 4.360 eenheden, redelijk goed aan op de huidige behoefte van 4.240 woningen. Deze balans tussen vraag en aanbod is ook terug te zien in de regio’s Amersfoort en U10. In regio Amersfoort overtreft het aanbod van 1.195 woningen de vraag licht, die daar 1.030 woningen bedraagt. In regio U10 is het aanbod met 2.840 woningen vrijwel gelijk met de vraag van 2.860 woningen. • In de sector van geclusterde koopwoningen is er een aanzienlijk tekort binnen de provincie Utrecht. Met een geschat totaal aanbod (via CBSMicrodata) van 6.480 woningen blijft het ver achter bij de behoefte, die op 15.800 woningen ligt.
In regio Amersfoort is er een aanbod van 1.785 woningen tegenover een behoefte van 4.030 woningen, terwijl regio U10 een aanbod van 3.825 woningen heeft met een behoefte van 10.140 woningen. • De opgave van geclusterd wonen in de particuliere huur of koop is sterk afhankelijk van de doelgroep en de economische ontwikkelingen. Bij de doelgroep hangt het vaak af van de kooplustigheid van de groep ouderen. Die verschilt sterk per culturele achtergrond en per geografische oriëntatie. In grote steden is de vraag naar particuliere huur vaak groter en in het
7 Exclusief Barneveld en Nijkerk, daar is geen aanbodinventarisatie gedaan door Companen
omdat deze gemeenten niet vallen binnen provincie Utrecht.
3400.115 | Woonzorgbehoefteonderzoek
21
landelijk gebied is men juist meer kooplustig. Ook economische ontwikkelingen zijn bepalend, zoals ten aanzien van hypotheekrente, grondstof-, bouw- en kavelkosten. Bij een ongunstig gesternte zal men eerder geneigd zijn om te huren en bij een gunstige koopmarkt verwacht men meer van waardeontwikkeling bij koop. Daarmee zijn de vraag naar particuliere huur en koop deels voor elkaar inwisselbaar, en zal de ontwikkelaar per ontwikkelproject op basis van de actuele, lokale marktinformatie bepalen in welk segment hij de woningen zal ontwikkelen.
• geschakelde woning (woning waarvan de muren (voor een deel) grenzen aan andere woningen). Een verdere toelichting op de werkwijze is terug te vinden in bijlage 1. De beoordeling van de geschiktheid van de woningvoorraad op basis van WOZgegevens is een inschatting. In de bijlage geven we aan wat de beperkingen hiervan zijn (bijvoorbeeld geschiktheid omgeving niet meegenomen). Figuur 3.6: Provincie Utrecht. Aanbod ‘geschikte’ woningen volgens ‘doorzonscan’ (2024)
3.5 Geschikt woningaanbod In de analyse van de geschiktheid van de woningvoorraad zijn wij uitgegaan van de volgende meetgraad voor ‘geschiktheid’: alle primaire voorzieningen (slaapkamer, woonkamer, toilet, badkamer en keuken) liggen gelijkvloers of zijn zonder traplopen bereikbaar. De woning is geschikt voor bewoners met geringe beperkingen bij het lopen, die eventueel een wandelstok of kruk(ken) gebruiken. Alle appartementen of (galerij)flats gelden als ‘geschikt’, zolang deze over een lift beschikken. In de analyse wordt geen rekening gehouden met de ‘buitenkant’ van de woningen. Als woningen geschikt zijn, moeten die ook extern toegankelijk zijn. Dit betekent geen opstapjes en drempels naar de voordeur en bij appartementen moeten de deuren van het complex elektrisch bediend kunnen worden. Eengezinswoningen wijzen wij als ‘potentieel geschikt’ aan als zij voldoen aan één van deze kenmerken: • eengezinswoning, gebouwd na 1998; • inhoud bij koopwoning is groter dan 350 m3 en gebouwd na 1965; • inhoud bij huurwoning is groter dan 300 m3 en gebouwd na 1980;
3400.115 | Woonzorgbehoefteonderzoek
Regio Amersfoort
22,0%
40,1%
37,8%
Regio U10
29,0%
26,0%
45,0%
Provincie Utrecht
27,7%
30,3%
42,0%
0% Geschikt voor ouderen
20%
40%
Geschikt te maken
60%
80%
100%
Niet geschikt voor ouderen
Bron: WOZ- registraties gemeenten Utrecht, bewerkt door Companen (2024).
We hebben de geschiktheid geanalyseerd van in totaal ongeveer 580.400 woningen die opgenomen zijn als zelfstandige woningen in de WOZ-registraties van de Utrechtse gemeenten. Volgens deze analyse is ruim een kwart van de woningen (28%, 160.600 woningen) geschikt voor mensen met een mobiliteitsbeperking. Drie op de tien woningen (30%, 176.150 woningen) is geschikt te maken. Ruim vier op de tien woningen (42%, 243.600 woningen) is niet geschikt voor mensen met een mobiliteitsbeperking.
22
De geschiktheid van de woningvoorraad ligt in regio U10 hoger dan in regio Amersfoort (29% tegenover 22%). Dit komt doordat regio U10 meer appartementen/etagebouw heeft. Het aandeel geschikt te maken woningen is juist een stuk hoger in regio Amersfoort dan in regio U10 (40% tegenover 26%). Dit komt doordat regio Amersfoort een relatief nieuwere woningvoorraad heeft dan regio U10, met bijvoorbeeld meer eengezinswoningen gebouwd na 1998 en grote koopwoningen gebouwd na 1965. Deze woningen zijn niet direct geschikt, maar wel relatief eenvoudig geschikt te maken. Uitsplitsing naar leeftijdsklasse Niet iedere geschikte woning wordt bewoond door een oudere met een mobiliteitsbeperking. We weten van in totaal 104.700 van de 160.600 geschikte woningen wat de leeftijd van de hoofdbewoner is. Van deze woningen wordt bijna de helft (47%) bewoond door huishoudens onder de 65 jaar. Deze woningen zijn dus niet beschikbaar voor ouderen. Van de ongeveer 160.600 geschikte woningen blijft in de praktijk een aanbod over van ongeveer 55.100 woningen. Hoewel de bewoning een momentopname is en door mutaties woningen vrij kunnen komen voor ouderen, geeft het wel een beeld dat een groot deel van de geschikte woningen niet bewoond wordt door een ouderenhuishouden. Figuur 3.7: Aandeel 65-plussers dat geschikt woont volgens ‘doorzonscan’ (2024) Regio Amersfoort
30,7%
33,5%
Regio U10
32,9%
24,9%
42,3%
Provincie Utrecht
33,1%
27,6%
39,3%
0% Geschikt voor ouderen
20%
40%
Geschikt te maken
35,8%
60%
80%
100%
Niet geschikt voor ouderen
Bron: WOZ- en BRP-registraties gemeenten Utrecht, bewerkt door Companen (2024).
3400.115 | Woonzorgbehoefteonderzoek
Het aandeel 65-plussers dat geschikt woont laat het volgende zien: een op de drie (33%) 65-plussers woont in een geschikte woning, ruim een kwart (28%) woont in een geschikt te maken woning en vier op de tien (39%) woont in een niet-geschikte woning. De verschillen tussen de regio’s zijn klein. Het aandeel ouderen in nietgeschikte woningen ligt in de regio U10 hoger dan in de regio Amersfoort (42% tegenover 36%). Hier ligt de opgave om doorstroming naar een geschikte woning te bevorderen. Uitsplitsing naar eigendomssituatie De geschiktheidsopgave binnen de provincie Utrecht is onevenredig verdeeld naar de eigendomssituatie: • Corporatiewoningen zijn relatief vaak geschikt. Ruim vier op de tien (42%) corporatiewoningen (ongeveer 54.500 woningen) is geschikt. Dit aandeel ligt iets lager dan de particuliere huursector. Corporatiewoningen zijn verder het vaakst niet-geschikt voor mensen met een mobiliteitsbeperking (46% van de voorraad; ongeveer 59.900 woningen). Het aandeel geschikt te maken woningen is met 12% laag (15.100 woningen) en is bijna even hoog als in de vrije huursector. • Particuliere huurwoningen zijn het vaakst geschikt (42%, bijna 33.000 woningen). Ook in de particuliere huurvoorraad is een groot gedeelte niet geschikt. Dit hangt veelal samen met de afwezigheid van een lift of een nauwe trapopgang, waardoor er geen ruimte is voor een traplift.
Het aandeel niet-geschikte woningen is met 39% (25.700 woningen) lager dan in de corporatiesector. Het aandeel geschikt te maken woningen is net als in de corporatiesector met 11% laag (ongeveer 7.400 woningen). • De grootste kansen liggen in de koopsector. Het aandeel geschikte woningen is hier het laagst (14%, ongeveer 44.100 woningen), terwijl 42% (131.300 woningen) met een kleine ingreep geschikt te maken is. Dit komt
23
doordat koopwoningen vaak een rijwoning of een grote eengezinswoning zijn. Een ongeveer even grote groep koopwoningen is niet geschikt voor ouderen (43%, 134.500 woningen). Figuur 3.8: Geschiktheid woningvoorraad naar eigendom volgens ‘doorzonscan’ (2024)*
Figuur 3.9: Geschiktheid woningvoorraad naar eigendom volgens ‘doorzonscan’ naar regio Amersfoort (2024) Huur corporatie
38,8%
Huur particulier
40,6%
Koop Huur corporatie
42,1%
11,7%
Koop
49,9% 14,2%
Totaal 0%
Geschikt
11,2%
38,9%
42,4%
26,0%
40%
Geschikt te maken
43,5% 60%
80%
22,0% 20%
Geschikt
38,4%
54,4%
33,2%
40,3%
37,7%
40%
60%
Geschikt te maken
80%
100%
Niet geschikt
Bron: WOZ- en BRP-registraties gemeenten, bewerkt door Companen (2024). 100%
Niet geschikt
Bron: WOZ- en BRP-registraties gemeenten, bewerkt door Companen (2024). *Alleen van de 505.400 woningen waarvan het eigendom bekend is.
De verschillen tussen de regio’s in de geschiktheid naar eigendom zijn over het algemeen klein. Een paar opvallende verschillen zijn: • Particuliere huurwoningen zijn in de regio U10 vaker geschikt dan in de regio Amersfoort (53% tegenover 41%). Daarbij valt op dat het aandeel geschikt te maken woningen in de regio Amersfoort een stuk groter is (21% tegenover 9%). • Koopwoningen zijn in de regio Amersfoort vaker geschikt te maken dan in de regio U10 (54% tegenover 38%). Daardoor zijn koopwoningen in de regio U10 vaker niet-geschikt dan in de regio Amersfoort (47% tegenover 33%).
3400.115 | Woonzorgbehoefteonderzoek
21,0%
12,3%
0%
43,4%
30,4%
20%
48,3%
46,2% Totaal
Huur particulier
12,9%
Figuur 3.10: Geschiktheid woningvoorraad naar eigendom volgens ‘doorzonscan’ naar regio U10 (2024) Bron: WOZ- en BRP-registraties gemeenten, bewerkt door Companen (2024). Huur corporatie
43,2%
Huur particulier Koop
11,4%
52,6% 15,0%
Totaal
Geschikt
8,6%
37,9%
27,5% 0%
45,4%
47,2%
27,0%
20%
40%
Geschikt te maken
38,9%
45,5% 60%
80%
100%
Niet geschikt
24
4 Mensen met een verstandelijke beperking De groep mensen met een (licht) verstandelijke beperking kent een diverse samenstelling. Zij kunnen onder andere behoefte hebben aan verpleging of verzorging, huishoudelijke hulp of begeleiding bij gedragsproblematiek. Een groot deel van de mensen woont in een instelling; dit kan ook kleinschalig in de wijk zijn. Een klein aandeel woont zelfstandig(er) in de wijk met ambulante begeleiding.