CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

B3. Regionaal Risicoprofiel 2027-2030 bijlagen (238554)

Forum Samenleving 21 september 2026, gemeente OudewaterBij agendapunt: 6: Raadsvoorstel wensen en bedenkingen Regionaal Risicoprofiel VRU 2027 (238549)33.753 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Volgens de Basisnet-vaarwegindeling (Atlas Leefomgeving) kent het Utrechtse vaarwegennet meerdere risicopunten, waaronder sluizencomplexen en kruisingen met hoge verkeersdruk, die door hun fysieke kenmerken een verhoogde ongevalskans met zich meebrengen 68. Lucht Binnen de Veiligheidsregio Utrecht is de kans op een luchtvaartincident beperkt, omdat er geen grote luchthaven ligt en het luchtruim vooral wordt gebruikt door politie - en traumahelikopters en kleinschalige luchtvaart. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) geeft aan dat het vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht onder toezicht staat en volgens vaste veiligheidskaders plaatsvindt, wat de kans op incidenten klein houdt 69. Ondanks dit geringe risico blijft er wél sprake van een restrisico. Lage vliegroutes, frequente helikopterbewegingen en lokaal luchtverkeer brengen altijd een beperkte kans met zich mee op technische storingen of operationele incidenten. Hoewel dergelijke gebeurtenissen zelden voorkomen, kan een incident in een dichtbevolkte regio als de VRU relatief veel maatschappelijke impact hebben — bijvoorbeeld wanneer een toestel moet uitwijken of een noodlanding moet maken. Daarmee blijft de waarschijnlijkheid laag, maar niet verwaarloosbaar. Tunnels Voor tunnelongevallen geldt dat de kans op een incident vergelijkbaar is met die op druk bereden spoor- of snelwegsegmenten.

In tunnels kunnen kleine verstoringen echter sneller leiden tot een afsluiting en/of een complex incident, omdat stilvallend verkeer, rookontwikkeling of een beperkte doorstroming sneller problemen veroorzaken in de besloten ruimte. Dit betekent dat de waarschijnlijkheid in tunnels wat hoger is; niet doordat het aantal ongevallen groter is, maar doordat incidenten zich sneller ontwikkelen tot verstoringen die afsluiting vereisen.33 Bijlagen Regionaal Risicoprofiel Perceptie Uit de landelijke Risico - en Crisisbarometer blijkt dat inwoners verkeersongevallen – gevat onder het bredere begrip transportongeval – als een relatief laag risico beschouwen. De kans dat een transportongeval zich voordoet wordt door slechts 11% van de inwoners als (zeer) waarschijnlijk ingeschat, wat aanzienlijk lager ligt dan bij andere risico’s zoals cyberdreigingen, extremisme of spanningen tussen bevolkingsgroepen. Ook de verwachte gevolgen worden laag ingeschat: een transportongeval behoort tot de risico’s die volgens inwoners het minst ernstig zijn voor de samenleving; slechts 2% noemt de gevolgen catastrofaal en 12% zeer ernstig, terwijl een kwart aangeeft dat de impact beperkt zou zijn 70. Daarnaast maken inwoners zich nauwelijks zorgen over transportongevallen: slechts 2% noemt dit risico in de eigen top -5 zorgen, en bijna niemand ervaart persoonlijke dreiging door dit type gebeurtenis.

Ook de informatiebehoefte is beperkt: slechts 4% zocht het afgelopen jaar actief informatie op over transportongevallen, een van de laagste waarden onder alle risico’s in de Risico- en CrisisBarometer 71. Samengevat wordt het crisistype maatschappelijk gezien als niet urgent, laag in waarschijnlijkheid en beperkt in impact. Beweeglijkheid Het risico op verkeersongevallen binnen de VRU is beweeglijk door ontwikkelingen in mobiliteit, gedrag, techniek en klimaat. De mobiliteit in Nederland groeit structureel, waardoor wegen, spoor en vaarwegen vaker maximaal worden benut en de blootstelling aan risico’s toeneemt. Tegelijkertijd groeit het aantal kwetsbare verkeersdeelnemers – zoals fietsers, e -bikegebruikers en ouderen – en neemt vooral het aantal ernstig verkeersgewonden in deze groepen toe, wat de toekomstige impact moeilijk voorspelbaar maakt 72-73. Ook technologische veranderingen zorgen voor onzekerheid: elektrificatie, nieuwe accutechnologie en toenemende voertuigautomatisering hebben potentieel een veiligheidsvoordeel, maar de feitelijke effecten variëren en ontwikkelen zich snel. Daarnaast blijft extreem weer een lastig te voorspellen factor die direct doorwerkt in alle modaliteiten 74. 70 NCTV, Uitkomsten najaarsmeting Risico- en Crisisbarometer 2025. 71 NCTV, Uitkomsten najaarsmeting Risico- en Crisisbarometer 2025. 72 Krabbenborg e.a., Mobiliteitsbeeld 2025.

73 Oude Mulders e.a., De Staat van de Verkeersveiligheid 2025. 74 Oude Mulders e.a., De Staat van de Verkeersveiligheid 2025. Door deze combinatie van groeiende mobiliteit, veranderend verkeersgedrag, technologische transities en klimaatvariatie blijft de toekomstige ontwikkeling van het verkeersrisico onzeker en vraagt dit risico om blijvend adaptief voorbereiden. Conclusie Verkeersongevallen binnen de Veiligheidsregio Utrecht vormen een structureel aanwezig risico dat in impact sterk kan variëren: de meeste incidenten blijven lokaal en beheersbaar, maar ongevallen op drukke knooppunten of met gevaarlijke stoffen kunnen leiden tot aanzienlijke verstoringen van bereikbaarheid, veiligheid en dagelijkse processen. De waarschijnlijkheid van incidenten blijft, door intensieve verkeersstromen op wegen, spoor en vaarwegen, continu aanwezig, al zijn grootschalige gebeurtenissen relatief zeldzaam. De beweeglijkheid van dit risico wordt bepaald door groeiende mobiliteit, een stijgend aandeel kwetsbare verkeersdeelnemers, technologische ontwikkelingen en extremere weersomstandigheden. Daartegenover staat een lage maatschappelijke perceptie: inwoners schatten dit risico laag in, ervaren weinig urgentie en zoeken weinig informatie, wat bij grotere incidenten kan leiden tot verrassing of beperkte paraatheid.

Gezamenlijk maakt dit dat verkeersongevallen in de VRU een risico met lage maatschappelijke aandacht maar duidelijke relevantie zijn. Inwoners ervaren weinig urgentie, terwijl hulpdiensten dagelijks met incidenten te maken hebben en grotere ongevallen soms wel degelijk grote gevolgen kunnen hebben. 2.4.2 Incidenten in tunnels De duiding van het risico van incidenten in tunnels is integraal opgenomen binnen de uitwerking van verkeersongevallen in paragraaf 2.4.1. Tunnelincidenten maken daarmee onderdeel uit van de bredere duiding van verkeersongevallen in de regio en worden niet afzonderlijk behandeld. 34 Bijlagen Regionaal Risicoprofiel 2.4.3 Ongeval buisleidingen Algemeen Binnen de Veiligheidsregio Utrecht ligt een uitgebreid netwerk van buisleidingen voor het transport van aardgas, olieproducten en andere gevaarlijke stoffen. Deze leidingen maken onderdeel uit van de regionale en landelijke energie - en grondstoffenvoorziening en lopen zowel door stedelijk gebied als door het buitengebied. Door hun ondergrondse ligging komen ongevallen met buisleidingen komen weinig voor, maar kunnen bij schade, lekkage of explosie leiden tot ernstige gevolgen voor mens en omgeving. Een ongeval met buisleidingen wordt in deze context opgevat als elke gebeurtenis waarbij een hogedruk- of transportleiding beschadigd raakt of faalt, waardoor gevaarlijke stoffen ongecontroleerd kunnen vrijkomen.

De impact hiervan is afhankelijk van de aard van de stof, de druk in het systeem, de ligging van de leiding en de directe omgeving. In dit onderdeel wordt het risico op ongevallen met buisleidingen beschreven binnen de context van de VRU. Beoordelen impact Territoriale veiligheid Een ongeval met buisleidingen kan de territoriale veiligheid aantasten wanneer een beschadigde leiding leidt tot het tijdelijk buiten gebruik raken of ontoegankelijk worden van delen van het grondgebied. Bij een lekkage of explosiegevaar kunnen infrastructuur, percelen of bebouwing gedurende de herstel- en saneringswerkzaamheden tijdelijk niet bruikbaar zijn. Omdat buisleidingen veelal ondergronds zijn gelegen en incidenten doorgaans plaatsgebonden zijn, blijft de ruimtelijke impact meestal beperkt tot een afgebakend gebied. De tijdelijke afsluiting of evacuatie kan echter wel leiden tot kortdurend functioneel verlies van routes, terreinen of voorzieningen, vooral wanneer de leiding door bebouwd gebied of nabij belangrijke infrastructuur loopt. Daarmee is de aantasting van de territoriale veiligheid in de regel tijdelijk van aard, maar afhankelijk van de stof en de schadeomvang soms ingrijpend voor de directe omgeving. Fysieke veiligheid Een ongeval met buisleidingen kan de fysieke veiligheid raken wanneer door lekkage, brand of een explosie gevaarlijke stoffen vrijkomen.

Dit kan leiden tot dodelijke slachtoffers of ernstig gewonden. In de directe omgeving kan een ongeval met een buisleiding zorgen voor tijdelijke onveiligheid van de woon- en leefomgeving, wat het ontruimen van woningen of bedrijven tot gevolg kan hebben. Hoewel structurele tekorten aan primaire levensbehoeften zelden optreden, kan de situatie wel leiden tot kortdurende verstoring van basisvoorzieningen of beperkte toegang tot acute zorg. De fysieke impact blijft doorgaans plaatsgebonden en tijdelijk, maar kan voor personen in de directe nabijheid ernstig zijn. Economische veiligheid Een ongeval met buisleidingen kan impact hebben op de economische veiligheid doordat schade aan een leiding of het vrijkomen van gevaarlijke stoffen leidt tot herstelkosten, gederfde inkomsten en extra inzet van hulpdiensten. Materiële schade kan ontstaan aan de leiding zelf, aan omliggende infrastructuur of aan gebouwen in de directe omgeving. Daarnaast kunnen gezondheidsschade en langdurige uitval van arbeid economische gevolgen veroorzaken voor betrokken personen en bedrijven. Wanneer een leiding wordt afgesloten voor reparatie of veiligheid, kan dit tijdelijk zorgen voor verstoring van leveringsstromen (zoals gas of andere producten), wat bedrijven afhankelijk van deze middelen financieel kan raken.

Ook kunnen hulpverlening, sanering en herstelwerkzaamheden aanzienlijke kosten met zich meebrengen voor zowel publieke als private partijen. De economische impact blijft meestal lokaal en tijdelijk, maar kan in specifieke situaties – zoals bij schade nabij bedrijventerreinen of vitale infrastructuur – elders in de regio voelbaar zijn. 35 Bijlagen Regionaal Risicoprofiel Ecologische veiligheid Een ongeval met buisleidingen kan de ecologische veiligheid aantasten wanneer gevaarlijke stoffen in bodem of oppervlaktewater terechtkomen. Recente analyses van Deltares laten zien dat dergelijke verontreinigingen de natuurlijke balans in water - en bodemsystemen verstoren, schadelijk zijn voor flora en fauna en kunnen leiden tot langdurige verstoring van ecologische functies75. Wanneer de lekkage plaatsvindt nabij watergangen, natuurgebieden of ecologische structuren kan verspreiding via bodem of water leiden tot verlies van biodiversiteit en aantasting van kwetsbare leefgebieden. De ecologische impact is doorgaans plaatsgebonden, maar kan langdurig doorwerken wanneer gevoelige ecosystemen worden geraakt. Sociale en politieke stabiliteit Een ongeval met buisleidingen in de VRU kan de sociale stabiliteit tijdelijk onder druk zetten wanneer afzettingen, hinder of evacuaties de directe leefomgeving raken.

Uit de Risico - en Crisisbarometer van de NCTV blijkt dat risico’s rond gevaarlijke stoffen bij inwoners snel leiden tot zorgen en gevoelens van onrust, vooral wanneer zij onzeker zijn over mogelijke gezondheidsgevolgen of wanneer verstoringen in hun directe leefomgeving het dagelijks functioneren raken.49 Bij buisleidingongevallen kan vergelijkbare lokale impact ontstaan: inwoners kunnen vragen stellen over veiligheid, toezicht en overheidshandelen, en er kan tijdelijk druk ontstaan op lokale bestuurders om helder te communiceren en herstel te organiseren. De impact op politieke stabiliteit blijft in de regel beperkt en tijdelijk, maar zichtbaar of langdurig herstelwerk kan wel leiden tot tijdelijke aandacht en maatschappelijke spanning in de directe omgeving. 75 Deltares, Gevolgen van verontreinigende stoffen voor waterkwaliteit en gezondheid. 76 Brokerhof e.a., Risicomanagement voor collecties. 77 Brokerhof e.a., Risicomanagement voor collecties. 78 Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, ‘Buisleidingen’ . 79 Inspectie Leefomgeving en Transport, Besluit externe veiligheid buisleidingen: Evaluatie toezicht 2023 “Buiten gebruik stellen en verwijderen van leidingen” .

Veiligheid van cultureel erfgoed Een ongeval met buisleidingen kan het cultureel erfgoed binnen de VRU aantasten wanneer een explosie, brand of lekkage schade veroorzaakt aan nabijgelegen monumenten, archeologische waarden of historisch landschap. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) beschrijft dat fysieke risico’s zoals hitte, drukgolven, verontreiniging of mechanische schade kunnen leiden tot beschadiging of verlies van cultuurhistorische waarden, waarbij vooral materialen als metselwerk, hout, natuursteen en archeologische lagen kwetsbaar zijn76. De mate van impact hangt volgens de RCE af van factoren zoals uniciteit, de historische context en de mogelijkheden tot restauratie. Beschadiging van een uniek monument, een herkenningspunt in het landschap of archeologische resten kan leiden tot blijvend verlies van erfgoedwaarden, vooral wanneer originele materialen niet herstelbaar zijn 77. Beoordelen waarschijnlijkheid Binnen de VRU bevinden zich meerdere hogedruktransportleidingen voor aardgas, aangevuld met ondersteunende installaties zoals gasontvangstations, afsluiterlocaties en drukreduceerinstallaties. Deze objecten zijn opgenomen in het landelijke Register Externe Veiligheidsrisico’s (REV) en vormen per definitie locaties met een hogere kans op incidenten, omdat hier drukovergangen plaatsvinden en meer appendages aanwezig zijn 78.

De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) beschrijft dat het faalrisico van het leidingtracé zelf laag is, maar dat incidenten zich relatief vaak voordoen bij stations en appendagelocaties, onder andere door drukregeling, complexere installaties en meer onderhoudshandelingen. Voor het leidingtracé zelf gelden andere faalmechanismen. ILT benoemt dat graafschade de belangrijkste oorzaak is van incidenten langs het tracé, terwijl corrosie en materiaalfouten eveneens een rol kunnen spelen 79. 36 Bijlagen Regionaal Risicoprofiel Landelijke incidentcijfers tonen aan dat buisleidingongevallen zeer laagfrequent zijn, maar niet uitgesloten, vooral op locaties waar technische installaties aanwezig zijn of waar graafactiviteiten plaatsvinden. Daarmee wordt de waarschijnlijkheid voor de VRU beoordeeld als laag maar voortdurend aanwezig, met een relatief hogere kans rondom gasontvangstations en vergelijkbare leidinginstallaties. Perceptie Onderzoek van het RIVM naar de risicoperceptie rond ondergrondse energie -infrastructuur laat zien dat inwoners risico’s van leidingen en ondergrondse systemen moeilijk kunnen inschatten, omdat deze infrastructuur voor hen onzichtbaar en technisch complex is. Hierdoor staan deze risico’s meestal laag op de mentale agenda van burgers 80.

Daarnaast blijkt uit dezelfde rapporten dat zichtbare onderdelen van systemen—zoals bovengrondse stations of installaties—wel tot een hogere risicoperceptie leiden. Ook benoemt het RIVM dat de perceptie sterk toeneemt wanneer risico’s zich in de directe leefomgeving manifesteren, bijvoorbeeld bij hinder of incidenten 81. Op basis hiervan kan worden verwacht dat buisleidingrisico’s in de VRU — die grotendeels ondergronds verlopen en dus weinig zichtbaar zijn — door inwoners als laag en abstract worden ervaren, tenzij er sprake is van een zichtbaar of hinderlijk incident in de omgeving. Beweeglijkheid/onzekerheden De impact van een buisleidingongeval binnen de VRU blijft in de kern beperkt stabiel, maar is wel gevoelig voor ontwikkelingen in de omgeving. ILT beschrijft dat veranderingen in ruimtelijke plannen, toename van grondroeractiviteiten en verschillen in toezicht op het belemmeringengebied (veiligheidszone rond buisleidingen) de mate van risico en de gevolgen van een incident kunnen beïnvloeden. Hierdoor kan de impact op fysieke veiligheid en ecologische veiligheid in bepaalde gebieden toenemen, met name waar nieuwe bebouwing, infrastructurele projecten of natuurwaarden dichter op het leidingtracé komen te liggen 82.

Technische onzekerheden blijven bestaan door veroudering van leidingen en appendages, variatie in onderhoud en materiaaldegradatie, die volgens ILT niet volledig voorspelbaar zijn. 80 Boomsma e.a., Publieke beelden bij een veilige en gezonde energietransitie: Deelrapport waterstof en ammoniak. 81 Boomsma e.a., Publieke beelden bij een veilige en gezonde energietransitie: Deelrapport waterstof en ammoniak. 82 Inspectie Leefomgeving en Transport, Besluit externe veiligheid buisleidingen: Evaluatie toezicht 2023 “Buiten gebruik stellen en verwijderen van leidingen” . Vitale belangen die nu beperkt van toepassing zijn, zoals cultureel erfgoed of natuur en landschap, kunnen in de toekomst relevanter worden wanneer ruimtelijke druk en inrichting veranderen. Nieuwe functies of kwetsbare objecten nabij het tracé vergroten immers de potentiële gevolgen van hetzelfde type incident. Daarmee blijft het risico op buisleidingongevallen laag, maar niet statisch, en onderhevig aan zowel technische als ruimtelijke ontwikkelingen. Conclusie De risico’s van ongevallen met buisleidingen binnen de VRU zijn laagfrequent, maar potentieel ernstig. Door de ondergrondse ligging blijft de impact meestal plaatsgebonden en tijdelijk, maar een incident kan wel leiden tot aanzienlijke schade op het gebied van fysieke, ecologische en economische veiligheid.

Vooral in de directe omgeving kunnen ernstige gevolgen optreden zoals gevaar voor personen, verstoring van voorzieningen, milieuschade en aantasting van cultureel erfgoed. Hoewel de territoriale en maatschappelijke impact doorgaans beperkt en kortdurend is, kan een zichtbaar incident leiden tot onrust, vragen over veiligheid en druk op bestuurlijke communicatie. De waarschijnlijkheid van een buisleidingongeval wordt binnen de VRU als laag maar voortdurend aanwezig beoordeeld, met een verhoogd risico bij stations en locaties met veel technische installaties of graafactiviteiten. De risico’s zijn bovendien niet statisch: ruimtelijke ontwikkelingen, toenemende grondroeractiviteiten en veroudering van leidingen kunnen de kwetsbaarheid vergroten. Hierdoor blijft waakzaamheid nodig om zowel bestaande risico’s te beheersen als toekomstige onzekerheden adequaat te adresseren. 37 Bijlagen Regionaal Risicoprofiel 2.4.4 (Complexe) gebouwbranden Algemene beschrijving Gebouwbranden vormen een herkenbaar incidenttype. In dit regionaal risicoprofiel worden gebouwbranden niet uitsluitend beschouwd als op zichzelf staande incidenten, maar als onderdeel van een risicothema waarin de mogelijke impact en beheersbaarheid centraal staan. Binnen dit risicothema kan onderscheid worden gemaakt tussen ‘standaard’ gebouwbranden en complexe gebouwbranden.

Een complexe gebouwbrand is een gebouwbrand met kenmerken die zodanig afwijken van de standaard brandsituatie dat andere besluitvorming, tactieken en inzet nodig zijn, en waarbij voorspelbaarheid, beheersbaarheid en veiligheid onder druk komen te staan 83. Deze complexiteit kan voortkomen uit de functie of het gebruik van het gebouw, de kenmerken van de aanwezigen, de bouwkundige of ruimtelijke context, of de te verwachten maatschappelijke impact. Hierdoor kan een brand sneller leiden tot grote gevolgen voor continuïteit, zelfredzaamheid, omgeving of veiligheid. Beoordeling Impact Territoriale veiligheid De impact van een gebouwbrand op de territoriale veiligheid is gering. Afhankelijk van de aard of omvang van een gebouwbrand kan een bepaald gebouw of een gebied enige tijd niet toegankelijk zijn, maar relatief gezien gaat dit om een klein gebied voor een korte tijd. Fysieke veiligheid De veiligheid van personen in de nabijheid van een complexe gebouwbrand kan als gevolg van die brand in het geding komen. Hoeveel slachtoffers er vallen hangt af van de aard, de omvang en de intensiteit van de brand. Ook het type gebouw is bepalend voor de impact. In gebouwen met een bijeenkomstfunctie – waar het aantal potentiële slachtoffers relatief hoog is – is de impact van een brand relatief groot.

In gebouwen die bijvoorbeeld uitsluitend een lichte industriefunctie hebben, is die impact relatief laag. Ook de zelfredzaamheid van de aanwezige personen is bepalend voor de kans op (ernstig) gewonde of dode slachtoffers. Kwetsbare groepen in dit opzicht zijn bijvoorbeeld kinderen, ouderen of mensen met een lichamelijke beperking. 83 Baaij e.a., Handboek gebouwbrandbestrijding. 84 Duyvis e.a., Handreiking: Depositie na branden met zonnepanelen. 85 Berhoeven e.a., Natuurbrandsignaal `23. Economische veiligheid Financiële kosten als gevolg van een (complexe) gebouwbrand bestaat voornamelijk uit de schade die een dergelijke brand aanricht aan gebouwen en aan overige infrastructuur. Ook kan een getroffen pand in ieder geval voor een bepaalde periode niet gebruikt worden, waardoor er sprake is van extra kosten doordat bedrijfsprocessen tijdelijk stil komen te liggen, of doordat er huisvesting gezocht moet worden voor de bewoners van het betreffende pand. De omvang van de kosten wordt ten slotte ook bepaald voor het aantal panden dat bij de brand betrokken is. Hoe hoger het aantal betrokken panden, hoe hoger de kosten. Ecologische veiligheid Een gebouwbrand kan van invloed zijn op de ecologische veiligheid. Tijdens bluswerkzaamheden komen vaak grote hoeveelheden bluswater vrij, die schadelijke stoffen mee kunnen voeren (zoals asbest), wat tot bodem- of watervervuiling kan leiden.

Daarnaast kunnen bij brand rook en verbrandingsdeeltjes vrijkomen die via depositie in de omgeving neerslaan en zo bodem, water en vegetatie belasten 84. Bij branden in of nabij natuurgebieden is extra aandacht nodig voor de inzet van blusadditieven, vanwege mogelijke negatieve effecten op kwetsbare ecosystemen 85. Wanneer zonnepanelen bij een gebouwbrand betrokken zijn, kan depositie optreden van verbrandings - en breukresten van zonnepanelen. Deze (scherpe) resten kunnen zich over een groot gebied verspreiden en risico’s vormen voor mens, dier, landbouw en natuur.80 Sociale en politieke stabiliteit Een gebouwbrand kan leiden tot rookoverlast, ontruimingen/evacuaties en uitval van vitale voorzieningen zoals scholen en ziekenhuizen. Hierdoor heeft het gevolgen voor de sociale veiligheid en het dagelijks functioneren van gemeenschappen. Hoe langer deze beperkingen duren, hoe groter de impact van de brand. Daarnaast kan verlies van woningen of sociale voorzieningen het vertrouwen in overheid en hulpdiensten onder druk zetten. 38 Bijlagen Regionaal Risicoprofiel Veiligheid van cultureel erfgoed Wanneer cultureel erfgoed betrokken raakt bij een (complexe) gebouwbrand, kan de impact groot zijn. Gebouwd cultureel erfgoed is kwetsbaar door houten constructies en beperkte compartimentering, met een reëel risico op snelle branduitbreiding.

Schade door brand, rook en bluswater kan leiden tot verlies van originele bouwmaterialen en historische structuren. De herstelbaarheid is beperkt: restauratie is langdurig, kostbaar en vaak slechts gedeeltelijk mogelijk, terwijl verlies van unieke constructies of historische elementen onomkeerbaar kan zijn. Erfgoedcollecties bevinden zich meestal in depots, musea of archiefruimten die afhankelijk zijn van klimaatbeheersing en beveiligingssystemen. Brand kan leiden tot volledige vernietiging van objecten, terwijl rook, bluswater of temperatuurschommelingen onomkeerbare schade kan veroorzaken aan papier, textiel, hout en andere gevoelige materialen. Ook wanneer de brand niet direct de opslagruimte treft, kan falen van klimaatinstallaties of rookdepositie tot aanzienlijke conserveringsproblemen leiden. In beide gevallen geldt dat schade aan cultureel erfgoed verder gaat dan materieel verlies: het raakt identiteit, historie en culturele continuïteit. Daardoor is de maatschappelijke impact aanzienlijk. Beoordeling waarschijnlijkheid De waarschijnlijkheid van het ontstaan van een (complexe) gebouwbrand wordt beïnvloed door een aantal factoren. Dichtheid bebouwing: Hoe dichter gebouwen op elkaar staan, hoe groter de kans is op brandoverslag van het ene naar het andere pand. Daarnaast geldt logischerwijs hoe meer gebouwen, hoe groter de kans op gebouwbrand.

Binnen Veiligheidsregio Utrecht zijn een viertal plaatsen aan te wijzen waar de dichtheid van de bebouwing aanzienlijk hoger is dan in de rest van de regio: Utrecht, Zeist, Amersfoort en Veenendaal. Daarnaast zijn er nog een aantal plaatsen waar de omgevingsadressendichtheid relatief hoog is, maar lager dan de voorgenoemde plaatsen. Dit zijn Mijdrecht, Woerden, Leerdam, Rhenen, Wijk bij Duurstede, Baarn, Soest en Bunschoten 86. 86 Centraal Bureau voor de Statistiek, ‘Gebieden in Nederland 2025’ . 87 Een kanttekening die hierbij moet worden gemaakt, is dat de grenzen van de buurten worden vastgesteld door gemeenten. Hierdoor sluiten buurtgrenzen niet in alle gevallen aan bij de daadwerkelijke functionele samenhang in een gebied, wat beperkingen kan opleveren voor de interpretatie van gebiedskenmerken en -analyses. 88 Van der Graaf e.a., Leidraad brandveilig beheer van woongebouwen. 89 Lectoraat Brandpreventie e.a., Basis voor brandveiligheid. Type en gebruiksfunctie bebouwing De gebruiksfunctie (zoals beschreven in de Omgevingswet) van het pand en het type gebouw bepalen in sterke mate de kans op het ontstaan van een (complexe) gebouwbrand. In de landelijke uniforme systematiek voor dekkingsplannen wordt op basis van deze uitgangspunten een gebiedsindeling gemaakt met drie risicocategorieën.

Het gebied is ingedeeld in zogenaamde CBS-buurten, de kleinste geografische eenheid van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), bestaande uit een aaneengesloten gebied met een herkenbare woon- of gebruiksfunctie en vaak met homogene kenmerken 87. In CBS-buurten in de hoogste risicocategorie bestaat de bebouwing overwegend uit oude binnensteden, gebouwen voor niet-zelfredzame personen, portiekwoningen en/of hoogbouw. Deze gebouwen hebben kenmerken die structureel bijdragen aan een verhoogde kans op het ontstaan van brand: • Oude binnensteden: In historische panden is de kans aanwezig dat er verouderde elektrische installaties en houten constructies aanwezig zijn, waardoor de kans op kortsluiting en snelle brandontwikkeling toeneemt. Daarnaast is de bebouwing dicht op elkaar geplaatst, wat brandoverslag tussen gebouwen vergemakkelijkt. Compartimentering en brandwerendheid voldoen doorgaans niet aan moderne eisen 88. • Gebouwen voor niet-zelfredzame personen: In gebouwen waar bewoners/ingeslotenen niet (tijdig) zelfstandig kunnen vluchten, is de kans op slachtoffers bij brand groter door beperkte zelfredzaamheid, noodzakelijke begeleiding en fysieke beveiligingsmaatregelen (gesloten deuren, compartimenten) die ontruiming vertragen. Dit maakt dat gebouwbranden in dergelijke gebouwen snel complex worden.

(Medische) installaties en apparatuur vergroten bovendien het aantal potentiële ontstekingsbronnen en leidt tot complexe scenario’s bij rookbeheersing 89. • Portiekwoningen: Portiekwoningen hebben gemeenschappelijke ontsluitingen en vaak verticale schachten voor leidingen/ventilatie. Hierdoor kan rook en - bij gebreken - ook vuur zich snel tussen woningen verspreiden. In de praktijk blijken vluchtroutes (trappenhuizen) geregeld belemmerd door opslag (fietsen, scootmobielen, meubilair), wat zowel de ontvluchting van bewoners als de toegang voor de brandweer schaadt. 39 Bijlagen Regionaal Risicoprofiel • Hoogbouw en andere intensief gebruikte gebouwen: Woongebouwen die hoger zijn dan 20 meter en gebouwen met een hoge bouw- en gebruiksintensiteit kennen een verhoogde kans op (complexe) brandincidenten. De combinatie van veel verdiepingen, grote aantallen bewoners en installaties vergroot het aantal potentiële ontstekingsbronnen en maakt scenario’s ingewikkelder. Grote vloeroppervlakten en verticale verbindingen zoals trappenhuizen en liften bevorderen bovendien een snelle verspreiding van brand en rook 90. Daarnaast speelt functiemenging een belangrijke rol: gebouwen waarin wonen, werken en commerciële functies samenkomen bevatten meerdere risicobronnen. De aanwezigheid van diverse installaties en activiteiten vergroot de kans op brand door variatie in gebruik en gedrag.

Tot slot zorgt een hoge bezettingsgraad – met continu gebruik en aanwezigheid van grote aantallen personen voor extra risico door menselijk handelen, zoals koken en het opladen van elektrische apparaten 91. Conclusie Deze factoren zorgen voor complexere scenario’s en een relatief grote kans op het ontstaan van brand. Het is daarom gerechtvaardigd dat deze buurten een hogere risicoclassificatie krijgen met betrekking tot gebouwbranden. De stad Utrecht kent het grootste aantal buurten uit de hoogste risicocategorie, maar verspreid over de regio komen buurten voor die in deze categorie vallen. Grotendeels vallen deze plaatsen samen met de plaatsen met een relatief hoge of zeer hoge omgevingsadressendichtheid, op enkele uitzonderingen na. Incidenthistorie Aan de hand van de spreiding van gebouwbrandincidenten van 1 december 2023 tot 30 november 2025 is te zien dat gebouwbrandincidenten verspreidt over de regio voorkomen, maar dat er sprake is van een relatief hoge concentratie in Utrecht, Amersfoort en Veenendaal. Ook zijn er clusteringen van gebouwbrandincidenten waar te nemen in de plaatsen Leersum, Nieuwegein, IJsselstein, Woerden, Leerdam, Wijk bij Duurstede, Rhenen, Bunschoten- Spakenburg, Zeist en Bilthoven.

Beleving (=perceptie) 90 Leene e.a., Brandveiligheid in hoogbouw: Een verkennend onderzoek naar de (on)mogelijkheden bij het repressief brandweeroptreden in hoge gebouwen. 91 Leene e.a., Brandveiligheid in hoogbouw: Een verkennend onderzoek naar de (on)mogelijkheden bij het repressief brandweeroptreden in hoge gebouwen. 92 Leene e.a., Brandveiligheid in hoogbouw: Een verkennend onderzoek naar de (on)mogelijkheden bij het repressief brandweeroptreden in hoge gebouwen. 93 Kobes e.a., Brandveiligheid van verduurzaamde en snel gerealiseerde woningen: De rode draad uit branden in de gebouwschil. 94 Garrels e.a., Handreiking Veilige Klimaatadaptatie Deel II: ‘Inhoud en kennis gebundeld’ . Beweeglijkheid / onzekerheden 1. Toenemende hoogbouw en dichtheid In Nederland is sprake van een trend waarbij steeds meer hoge gebouwen (70 meter en hoger) worden gerealiseerd, vaak in hoge dichtheid en met meervoudige en complexe gebruiksfuncties. Deze ontwikkeling leidt tot een toename van de potentiële impact van gebouwbranden en stelt hogere eisen aan de mogelijkheden voor brandbestrijding en incidentbeheersing. De combinatie van bouwhoogte, concentratie van personen en intensief gebruik maakt dat repressieve interventies minder voorspelbaar en organisatorisch complexer worden. Voor de komende jaren is de verwachting dat deze ontwikkeling zich voortzet.

Zonder gerichte bijsturing bestaat het risico dat preventieve bouwkundige normen en repressieve tactieken onvoldoende meegroeien 92. 2. Verduurzaming en renovatie bestaande bebouwing Bij verduurzaming van bestaande gebouwen en woningen worden in de gebouwschil steeds vaker nieuwe materialen en constructies toegepast. Deze verduurzaamde gebouwschillen zijn regelmatig brandbaar en vaak onvoldoende brand - en rookwerend gecompartimenteerd. Hierdoor kan brand zich via gevels en daken snel uitbreiden, met een verhoogd risico op snelle en intensieve rookontwikkeling en rookverspreiding 93. Naast energiebesparing speelt klimaatadaptatie een steeds grotere rol bij de verduurzaming van de gebouwde omgeving. Klimaatverandering leidt tot toenemende hittestress in stedelijk gebied. In reactie hierop worden klimaatadaptieve maatregelen toegepast, zoals vergroening van en aan gebouwen (bijvoorbeeld groene daken en gevels), om hitte te beperken en de leefomgeving te verbeteren. Deze klimaatadaptieve maatregelen kunnen invloed hebben op de brandveiligheid van gebouwen 94. Door deze ontwikkeling neemt bijvoorbeeld de kans toe dat gebouw- en natuurbranden zich wederzijds uitbreiden. 40 Bijlagen Regionaal Risicoprofiel 3. Energietransitie & nieuwe installatierisico’s Energietransitie in en rond gebouwen brengt nieuwe brandrisico’s met zich mee.

Lokale energieopwekking, energieopslag en netintegratie introduceren installaties en systemen die het brandverloop en de beheersbaarheid van branden kunnen beïnvloeden. Op korte termijn is de geldende regelgeving nog beperkt toegesneden op de specifieke brandrisico’s van deze voorzieningen. Hierdoor bestaat de mogelijkheid dat het brandrisico in gebouwen de komende jaren toeneemt, zolang regelgeving, kennis en operationele aanpak geen gelijke tred houden met de technologische ontwikkeling 95. Conclusie Het risico op het ontstaan van een (complexe) gebouwbrand in Veiligheidsregio Utrecht is structureel aanwezig, vooral in gebieden met hoge bebouwingsdichtheid en complexe gebruiksfuncties. Plaatsen als Utrecht, Amersfoort en Veenendaal kennen een concentratie van risicofactoren: oude binnensteden, hoogbouw, portiekwoningen en gebouwen voor niet- zelfredzame personen. Deze kenmerken vergroten zowel de kans op brand als de complexiteit van incidenten. Daarnaast versterken trends en ontwikkelingen zoals toenemende hoogbouw, verduurzamings- en renovatiegolven en de energietransitie het brandrisico. Nieuwe materialen, installaties en functiemenging zorgen voor extra ontstekingsbronnen en bemoeilijken repressieve inzet. Incidenthistorie bevestigt dat gebouwbranden verspreid over de regio voorkomen, met duidelijke clusters in stedelijke gebieden.

2.4.5 Instortingen gebouwen Algemeen Instortingen van gebouwen betreffen situaties waarbij een constructie gedeeltelijk of geheel bezwijkt, waardoor direct gevaar ontstaat voor aanwezige personen en de omgeving. Dit kan plaatsvinden tijdens de bouwfase, bij bestaand gebruik of tijdens renovatie - of sloopwerkzaamheden. De oorzaak van een instorting ligt vaak in een combinatie van factoren, zoals constructieve gebreken, ontwerpfouten, gebrekkig onderhoud, externe belasting of incidenten zoals brand of explosie. 98 95 Duyvis e.a., De doorwerking van de energietransitie op omgevingsveiligheid. Het risico op instortingen doet zich met name voor in gebieden met een hoge bebouwingsdichtheid en bij objecten met een complexe constructie of specifieke gebruiksfunctie. Daarnaast kunnen ook oudere gebouwen kwetsbaar zijn, met name wanneer sprake is van verouderde constructies, funderingsproblematiek of onvoldoende onderhoud. Hoewel instortingen relatief weinig voorkomen, kunnen de gevolgen groot zijn. Door de plotselinge aard van het falen is de zelfredzaamheid van aanwezigen beperkt en kan sprake zijn van directe slachtoffers, grootschalige schade en impact op de omgeving. Hierdoor is sprake van een risico met een lage frequentie maar een ernstige potentiële impact, met name in stedelijke gebieden met een hoge concentratie aan gebouwen en personen.

Impact Territoriale veiligheid De impact van een gebouwinstorting op territoriale veiligheid is doorgaans laag, tenzij het gebouw een vitale of strategische functie vervult (bijvoorbeeld een overheidsgebouw, commandocentrum of kritieke infrastructuur). In dat geval kan de instorting tijdelijk de continuïteit van vitale processen in het gebied verstoren. Fysieke veiligheid Een instorting veroorzaakt direct mechanisch letsel, waaronder beknelling, botbreuken of dodelijk trauma bij gebruikers of bezoekers van het pand in kwestie. Daarnaast ontstaan secundaire risico’s zoals rook-/stofontwikkeling, blootstelling aan gevaarlijke stoffen en instabiele constructiedelen, die verder letsel kunnen veroorzaken. Het aantal slachtoffers als gevolg van een instorting van een pand hangt af van de locatie van het pand (dun- of dichtbevolkt gebied), het aantal en het type gebruiksfuncties en het aantal gebruikers van het pand. Economische veiligheid Ook de impact op de economische veiligheid hangt af van het type gebouw, de omvang van de instorting en de aanwezigheid van neveneffecten (in de omgeving). Als de instorting bijvoorbeeld een winkelcentrum of fabriek treft, kan de financiële schade groot zijn: verlies van banen, kosten voor herstel, verstoring van bedrijfsprocessen, et cetera. Bij een vrijstaande woning of schuur is de financiële impact significant kleiner.

41 Bijlagen Regionaal Risicoprofiel Ecologische veiligheid | 1 . | Gemiddelde leeftijd van bebouwing D e impac t van e e n ins tor ting op de e cologis che veiligheid is do org aans b e p e r k t . Ee n | Volge ns gegeve ns uit de Atlas Leefomgeving | (RI V M/B AG) ke nt de prov incie Utre cht ve el ins tor ting kan e chte r ge paard g aan me t he t v r ijkome n van puin, s tof e n mogelijk gevaar lijke | b e b ouwing van vó ór 1970, vo or al in his tor is che ke r ne n zoal s Utre cht , A me r s fo or t e n Wo e rde n. s toffe n. D e ze s toffe n kunne n s chadelijke de eltje s b evat te n die de luchtk waliteit e n | O ude re ge b ouwe n me t f unde r inge n me t houte n pale n of op ondie p s t aal , he bb e n e e n grote re bio dive r siteit aant as te n, e n e cos ys te me n b elas te n. Dit he e ft zowel lokaal impac t (dire c t | kans op cons tr uc tieve degr adatie, wat he t r isico op ins tor ting ve r ho og t 98-99. rondom he t ins tor ting sge bie d) al s op ande re ple k ke n, do or de af vo e r van de s toffe n v ia regenwater en opper vlak te -af voer 96. | 2 . | Dominant t ype bebouwing O ok he t t y p e b e b ouwing he e ft gevolge n vo or de kans op ins tor ting .

Woninge n zijn do org aans Sociale en politieke veiligheid | minde r gevo elig vo or ins tor t inge n dan ut iliteit sb ouw (nie t- woninge n), do ordat de cons t r uc t ie s Ins tor t inge n kunne n gevo ele ns van onveiligheid ve ro or z ake n. Politie k de bat wordt | do org aans minde r comple x e n minde r z waar zijn, e n do ordat zij minde r ins t allatie s aangewak ke rd do or k r itis che r app or t age s , zoal s die van de O nde r zo e k sr aad vo or Veiligheid | herbergen10 0. Volge ns de Indic atore n Wone n in de Dat ac at alogus van de prov incie Utre cht bij de ins tor ting in de par ke e rg ar age bij he t St . A ntonius Zie ke nhuis in Nie uwegein97. | (me t dat a uit B AG e n ge me e ntelijke regis tr atie s), maak t me e r dan 9 0 % van de pande n in de prov incie de el uit van de woning vo or r aad (woninge n ve r sus nie t- woninge n)101 . Veiligheid van cultureel er fgoed D e impac t van e e n ins tor ting op de veiligheid van culture el e r fgo e d is nihil , te nzij de ins tor ting | 3 . | Bodemgesteldheid e e n obje c t van culture el e r fgo e d dire c t tre ft . | Grote dele n van de prov incie zijn opge b ouwd uit ve e n - e n kleigronde n; de b o de mkaar t laat duidelijk zie n dat ve e nge bie de n vo or al in he t we s telijke de el vo or kome n – ke nme r ke nd Waarschijnlijkheid | vo or regio’s al s Sticht s e Ve cht e n Wo e rde n.

D e ze b o de mt y p e s ve r hoge n he t r isico op D e kans op he t ins tor te n van e e n ge b ouw is nie t e e nvoudig te duide n, aange zie n daar ke nnis | f unde r ing s ze t ting , wat bij oude re b e b ouwing de kans op ins tor ting do e t s tijge n102-103 . van de cons tr uc tie e n de s t aat van onde r houd van alle ge b ouwe n in de regio b e no digd is . O ok kan e e n ins tor ting he t gevolg zijn van e e n ande r r isico, zoal s e e n br and of e xplosie. | O p 26 mei 2024 s tor t te in Nie uwegein e e n de el van e e n par ke e rg ar age naas t he t St . A ntonius Zie ke nhuis in. D e ins tor ting b egon bij de b ove ns te hellingbaan, waar na e e n ke t tingreac tie Wel is he t aanne melijk dat de kans op e e n ins tor ting grote r is in e e n omgev ing me t e e n hoge | volgde waar bij alle onde r lig ge nde hellingbane n b e z we ke n. O p he t mome nt van he t incide nt b e b ouwing s dichtheid grote r is dan in e e n omgev ing me t e e n lage b e b ouwing s dichtheid. | ware n e r ge e n ge br uike r s in de g ar age, waardo or ge e n slachtoffe r s v iele n. Wel r aak te n r uim B inne n Veiligheidsregio Utre cht zijn ve r spreid ove r de regio lo c atie s aan te wijze n me t e e n | honde rd vo e r tuige n b e s chadigd.

He t incide nt leidde tot sluiting van de g ar age, ve r s tor ing hoge b e b ouwing s dichtheid, maar zoal s re e ds ve r meld in ho ofds tuk 2 .4. 3 is e r spr ake van e e n | van zie ke nhuis ac tiv iteite n e n par ke e rove r las t in de omgev ing . D e O nde r zo e k sr aad vo or duidelijke conce ntr atie in Utre cht , A me r s fo or t , Ve e ne ndaal e n Zeis t . Naas t de ze f ac tore n zijn | Veiligheid conclude e rde dat s tr uc turele te kor tkominge n in ont we r p, uit vo e r ing e n to e zicht de e r nog e e n aant al var iab ele n die de kans op ins tor ting b eïnv lo e de n: | belangr ijk s te oor zaken waren10 4. 42 | 96 Van der Graaf e.a., Handreiking Omgevingsveiligheid in het omgevingsplan. 97 Onderzoeksraad voor Veiligheid, Instorting hellingbanen parkeergarage Nieuwegein. 98 Deltares, Funderingsschade in kaart gebracht voor nationale aanpak funderingsproblematiek. 99 Kadaster, ‘Bouwjaar gebouwen’. 100 Vambersky, ‘Constructieve samenhang in (hoge) gebouwen’. 101 Onderzoek en Advies Gemeente Utrecht, ‘Indicatoren Wonen’. 102 Provincie Utrecht, ‘Bodemkaart’. 103 Deltares, Funderingsschade in kaart gebracht voor nationale aanpak funderingsproblematiek. 104 Onderzoeksraad voor Veiligheid, Instorting hellingbanen parkeergarage Nieuwegein. Beleving Beweeglijkheid 1. Bodemdaling en differente zetting Significante bodemdaling in Nederland, o.a.

door oxidatie van veen en verdichting van klei. Deze daling veroorzaakt scheefstand, scheuren en verlies van draagkracht in funderingen. In een Deltares/TNO-analyse wordt geschat dat in Nederland ca. 425.000 gebouwen binnen vijftien jaar funderingsproblemen krijgen, voornamelijk op houten palen of ondiepe funderingen105-106 . 2. Klimaatverandering: droogte & grondwaterdaling Lage grondwaterstanden en droogte (veroorzaakt door klimaatverandering) verzwakken houten funderingen en veroorzaken zettingsschade. Schade die vaak pas zichtbaar wordt in scheuren en scheefstand 107. Toename hoogbouw De groei van hoogbouw (gebouwen boven 70 m) en grootschalige utiliteitsbouw in stedelijke gebieden leidt tot grotere overspanningen en complexere draagstructuren. Het NIPV waarschuwt dat zulke gebouwen een verhoogd risico geven op voortschrijdende instortingen en grotere gevolgen bij falen108. Conclusie Gebouwinstortingen vormen een risico dat meerdere dimensies van veiligheid raakt. De impact varieert sterk afhankelijk van de functie en locatie van het gebouw: van directe fysieke schade en slachtoffers tot economische verliezen, verstoring van vitale processen en sociale onrust. Hoewel de ecologische gevolgen doorgaans beperkt zijn, kunnen vrijkomende stoffen lokaal milieuschade veroorzaken.

De kans op instorting is moeilijk exact te bepalen, maar wordt beïnvloed door factoren zoals bebouwingsdichtheid, leeftijd en type bebouwing, bodemgesteldheid en externe invloeden zoals bodemdaling en klimaatverandering. Vooral oudere gebouwen met kwetsbare funderingen en utiliteitsbouw in dichtbebouwde gebieden lopen verhoogd risico. Het scenario van de instorting in de parkeergarage in Nieuwegein illustreert dat niet alleen technische gebreken, maar ook tekortschietend toezicht, onduidelijke verantwoordelijkheden en gebrekkig onderhoud cruciale rol spelen. 105 Deltares, Funderingsschade in kaart gebracht voor nationale aanpak funderingsproblematiek. 106 TNO, Funderingsproblemen in heel Nederland. 107 TNO, Funderingsproblemen in heel Nederland; Deltares, Funderingsschade in kaart gebracht voor nationale aanpak funderingsproblematiek. 108 Baaij e.a., Handboek gebouwbrandbestrijding. 2.4.6 Ongeval gevaarlijke stoffen (stationair) Algemeen Binnen de Veiligheidsregio Utrecht bevinden zich diverse locaties waar chemische, biologische, radiologische of nucleaire stoffen worden opgeslagen, verwerkt of toegepast. De verzamelnaam hiervoor is “gevaarlijke stoffen”.

Een ongeval met gevaarlijke stoffen betreft in dit hoofdstuk uitsluitend stationaire incidenten, waarbij het ongepland vrijkomen of de dreiging van vrijkomen van stoffen plaatsvindt op een vaste locatie, zoals een bedrijfsterrein, laboratorium, opslagvoorziening of onderzoeksinstelling. Het gaat daarmee om gebeurtenissen binnen een inrichting of op een locatie waar gevaarlijke stoffen onder gecontroleerde omstandigheden aanwezig zijn. De aard en omvang van de impact wordt bepaald door factoren zoals het type stof, de hoeveelheid, de aanwezige veiligheidsvoorzieningen, de nabijheid van bebouwing en de kwetsbaarheid van de omgeving. Beoordeling impact Territoriale veiligheid Een stationair incident met gevaarlijke stoffen kan de territoriale veiligheid raken wanneer een incident op een opslag - of verwerkingslocatie met gevaarlijke stoffen leidt tot het tijdelijk buiten gebruik raken of ontoegankelijk worden van delen van het regionale grondgebied. Bij een lekkage, emissie of dreiging van verspreiding kunnen veiligheidszones, afzettingen of evacuaties nodig zijn om impact door verspreiding van stoffen, besmetting of blootstelling te voorkomen of te beperken. Hierdoor kunnen bedrijfspercelen, omliggende terreinen of aangrenzende infrastructuur tijdelijk niet bruikbaar zijn. De territoriale impact is doorgaans plaatsgebonden en beperkt tot de directe omgeving van de inrichting.

Alleen wanneer een incident met gevaarlijke stoffen plaatsvindt nabij kwetsbare functies, zoals woonwijken, zorginstellingen of drukke knooppunten kan het functioneel verlies groter zijn. De aard van de stof, de hoeveelheid en de duur van de emissie bepalen in hoge mate of het verlies van terrein of bereikbaarheid kortdurend of meerdaags is. 43 Bijlagen Regionaal Risicoprofiel Fysieke veiligheid Een ongeval met gevaarlijke stoffen bedreigt het ongestoord functioneren van mensen en hun omgeving doordat de lichamelijke gezondheid en integriteit direct onder druk komen te staan. Bij vrijkomen van gevaarlijke stoffen kunnen acuut toxische effecten, biologische besmetting of stralingsbelasting optreden, wat leidt tot zowel directe letsels als langdurige gezondheidsschade 109. Bij een ernstig incident met gevaarlijke stoffen kan sterfte optreden door acute toxiciteit, verstikking, stralingssyndromen of ernstige brandwonden. Ook secundaire sterfte door latere complicaties, besmetting of langdurige blootstelling is mogelijk 110. Een ongeval met gevaarlijke stoffen kan leiden tot ernstig letsel, variërend van chemische brandwonden en ademhalingsproblemen tot infecties of langdurige gezondheidsproblemen als gevolg van stralingsblootstelling. Ook hulpverleners kunnen ernstig worden blootgesteld, met name tijdens bronbestrijding en decontaminatie 111.

Een ongeval met gevaarlijke stoffen kan leiden tot onveiligheid van de leefomgeving door langdurige bodem-, lucht - of waterverontreiniging. Hierdoor kunnen primaire levensbehoeften worden bedreigd, zoals toegang tot schoon drinkwater, hygiëne, veilige huisvesting en acute medische zorg. In stedelijke gebieden kunnen afzettingen en langdurige ontruimingen ertoe leiden dat bewoners tijdelijk niet kunnen beschikken over essentiële voorzieningen112. Economische veiligheid Een ongeval met gevaarlijke stoffen kan het economisch functioneren van een regio aanzienlijk verstoren. Grootschalige emissie van chemische, biologische of radiologische stoffen kan leiden tot stilstand van industriële processen, schade aan installaties en bedrijfsgebouwen en langdurige onderbrekingen van productie en logistiek 113. 109 Nederlands Instituut Publieke Veiligheid, Handreiking samenwerking bij slachtofferzorg bij incidenten met gevaarlijke stoffen. 110 Vennis e.a., Inventarisatie nationale CBRNe-expertise en -signalering. 111 Vennis e.a., Inventarisatie nationale CBRNe-expertise en -signalering. 112 Vennis e.a., Inventarisatie nationale CBRNe-expertise en -signalering. 113 Manuel e.a., Analyse van incidenten met gevaarlijke stoffen bij Brzo-bedrijven 2023. 114 Rutgers e.a., Ecologische effecten van bodemverontreiniging: Maatschappelijke kosten- en batenanalyse bodemsanering.

115 NCTV, Uitkomsten najaarsmeting Risico- en Crisisbarometer 2025. 116 Knoop en Ligtvoet, Kleine kansen - grote gevolgen: Slachtoffers en maatschappelijke ontwrichting als focus voor waterveiligheidsbeleid. Indirecte economische schade ontstaat wanneer ketens worden geraakt of vitale processen – zoals energievoorziening, transport of waterbehandeling – tijdelijk niet beschikbaar zijn. RIVM-rapportages wijzen erop dat scenario’s met gevaarlijke stoffen bredere maatschappelijke en economische gevolgen kunnen veroorzaken doordat sanering, herstel en monitoring langdurig en kostbaar zijn. Ecologische veiligheid Een ongeval met gevaarlijke stoffen kan de ecologische veiligheid ernstig aantasten doordat chemische, biologische, radiologische of nucleaire middelen direct schade toebrengen aan de natuurlijke leefomgeving. Volgens het RIVM kunnen incidenten met gevaarlijke stoffen leiden tot grootschalige en langdurige milieueffecten, omdat deze stoffen zich via bodem, water en lucht kunnen verspreiden en daarmee ecosystemen, biodiversiteit en milieukwaliteit aantasten. Chemische en radiologische incidenten kunnen bijvoorbeeld langdurige bodem- en waterverontreiniging veroorzaken, terwijl biologische agentia zich kunnen verspreiden binnen populaties van dieren of planten. Hierdoor kan acute sterfte onder flora en fauna optreden en kunnen ecosystemen blijvend worden verstoord.

Dergelijke stoffen kunnen persistent zijn, waardoor herstel complex en langdurig kan zijn 114. Sociale en politieke stabiliteit Een incident met gevaarlijke stoffen kan het maatschappelijk klimaat onder druk zetten doordat angst, onzekerheid en wantrouwen ontstaan wanneer gezondheid en de leefomgeving worden bedreigd. De verstoring van de fysieke leefomgeving beïnvloedt ook maatschappelijke processen en het gevoel van veiligheid binnen gemeenschappen 115. Evacuaties, afzettingen, gezondheidsdreiging en langdurige onveiligheid kunnen deelname aan onderwijs, werk en maatschappelijke voorzieningen beperken. Dergelijke verstoringen gaan vaak gepaard met aanhoudende onzekerheid over risico’s en herstel 116. 44 Bijlagen Regionaal Risicoprofiel Het vertrouwen van inwoners in de overheid kan afnemen wanneer zij onzeker zijn over risico’s of wanneer verstoringen in hun leefomgeving langer aanhouden. Onvoldoende duidelijkheid over gevolgen, herstel of communicatie leidt vaak tot zorgen, onrust en kritische houding richting overheid en publieke instanties 117. Incidenten met gevaarlijke stoffen kunnen daarnaast sterke emoties oproepen en leiden tot vermijdingsgedrag, spanningen tussen groepen of protesten. Het RIVM wijst erop dat incidenten met gevaarlijke stoffen, door hun onzichtbare en potentieel langdurige aard, maatschappelijke onrust en afnemend vertrouwen kunnen versterken.

Ook kunnen houdingen tegenover bevolkingsgroepen veranderen wanneer risico’s of maatregelen ongelijk worden ervaren, wat sociale cohesie kan verzwakken en polarisatie kan vergroten 118. Veiligheid van cultureel erfgoed Een incident met gevaarlijke stoffen kan cultureel erfgoed indirect maar ernstig bedreigen doordat chemische, biologische of radiologische stoffen schade toebrengen aan onderdelen van de fysieke leefomgeving, zoals lucht, bodem, water en materialen. Wanneer deze worden aangetast, kan ook erfgoed dat zich hierin bevindt worden beschadigd of langdurig onveilig worden119. Gevaarlijke stoffen kunnen langdurig aanwezig blijven in bodem, lucht en materialen, waardoor schade aan gebouwen, objecten of historische locaties moeilijk te herstellen is. Hierdoor kan de schade aan erfgoedobjecten langdurig of blijvend zijn; unieke materialen en structuren kunnen niet of slechts beperkt worden hersteld. Perceptie Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat inwoners risico’s rond gevaarlijke stoffen beoordelen op basis van emoties, bekendheid en ervaren controle, waarbij onduidelijke of onvolledige informatie leidt tot versterkte gevoelens van onzekerheid en onveiligheid. De Risico - en Crisisbarometer laat zien dat zorgen over risico’s en dreigingen rond gevaarlijke stoffen tot de meest genoemde zorgen behoren, mede door onzekerheid over mogelijke gezondheidsgevolgen120-121 .

117 NCTV, Uitkomsten najaarsmeting Risico- en Crisisbarometer 2025. 118 RIVM, Belevingsonderzoek Omgevingsveiligheid. 119 Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Stand van de uitvoering 2024. 120 RIVM, Belevingsonderzoek Omgevingsveiligheid. 121 NCTV, Uitkomsten najaarsmeting Risico- en Crisisbarometer 2025. 122 Analistennetwerk Nationale Veiligheid, Trendanalyse Nationale Veiligheid 2024. Beweeglijkheid en onzekerheden Het risico op stationaire incidenten met gevaarlijke stoffen ontwikkelt zich door veranderingen in technologie, klimaat, digitalisering, geopolitieke spanningen en ruimtelijke druk. Technologische veranderingen & digitalisering Nieuwe risico’s ontstaan door de energietransitie, door het gebruik alternatieve energiedragers en nieuwe opslag - en productiesystemen. Ook neemt de afhankelijkheid van digitale besturing en monitoring toe, waardoor kwetsbaarheid voor storingen en cyberaanvallen groeit. Hybride dreigingen & geopolitieke instabiliteit Volgens de Trendanalyse Nationale Veiligheid is sprake van toenemende hybride dreigingen, waaronder sabotage, digitale inmenging en verstoring van kritieke processen. Deze dreigingen maken processen met gevaarlijke stoffen minder voorspelbaar en vergroten de onzekerheid over risico’s122.

Klimaatverandering als risicoversneller Extreme hitte, neerslag en storm beïnvloeden de stabiliteit van stoffen, integriteit van installaties en afhankelijkheid van koeling en energie. Door deze trends neemt de kans op escalatie toe, terwijl de voorspelbaarheid afneemt. Ruimtelijke druk & veranderende blootstelling Door verstedelijking en verdichting komen risicolocaties soms dichter bij kwetsbare functies te liggen, wat de impact verhoogt en de operationele handelingsruimte beperkt. Ketenafhankelijkheden & cascade -effecten Insluitsystemen voor gevaarlijke stoffen zijn afhankelijk van vitale processen zoals elektriciteit, drinkwater en telecommunicatie. Trendmatige kwetsbaarheden (zoals netcongestie) vergroten de onzekerheid over de continuïteit van deze ondersteunende systemen. 45 Bijlagen Regionaal Risicoprofiel Maatschappelijke perceptie & bestuurlijke onzekerheid Door de vaak onzichtbare aard van de risico’s van gevaarlijke stoffen, technologische complexiteit en potentieel grote gevolgen ontstaat snel maatschappelijke onrust en druk op bestuur en crisiscommunicatie. Conclusie Incident in stationaire installaties met gevaarlijke stoffen kunnen tot ernstige gevolgen leiden voor fysieke veiligheid, leefomgeving, economie, ecologie, sociale en politieke stabiliteit en cultureel erfgoed. Het kan langdurige verstoring en sanering met zich meebrengen.

Hoewel de waarschijnlijkheid van een zwaar incident beperkt blijft door wettelijke veiligheidskaders en technische maatregelen, kunnen fouten in processen, installaties en ketens of externe verstoringen niet worden uitgesloten. De risicoperceptie in de samenleving is niet afwezig: inwoners maken zich aantoonbaar zorgen over risico’s die samenhangen met gevaarlijke stoffen en verstoring van vitale processen, zoals blijkt uit de Risico - en Crisisbarometer. Deze zorgen bestaan ook wanneer er géén incident plaatsvindt, en kunnen bij signalen of onduidelijkheid snel toenemen, wat leidt tot verhoogde informatiebehoefte en maatschappelijke onrust. De beweeglijkheid van het risico neemt toe door technologische ontwikkelingen in installaties, toenemende digitale afhankelijkheid en cyberdreigingen, klimaatgerelateerde effecten op stoffen en infrastructuur, en ruimtelijke verdichting waardoor meer functies binnen het invloedsgebied van risicolocaties komen. Deze factoren vergroten de onzekerheid over scenario’s en het potentiële escalatieverloop. 46 Bijlagen Regionaal Risicoprofiel 2.5 Maatschappij 2.5.1 Openbare ordeverstoringen Openbare ordeverstoringen zijn een aantasting van het ordentelijk verloop van het maatschappelijk leven in de publieke ruimte.

Hoewel kleine ordeverstoringen dagelijks voorkomen en doorgaans snel door de politie of andere toezichthouders/handhavers worden opgelost, richt dit risicoprofiel zich op grootschalige openbare orde-excessen. Voorbeelden zijn uit de hand lopende demonstraties zoals de boerenprotesten, (voetbal)rellen, incidenten rond de jaarwisseling of acties waarbij vitale processen doelwit worden – zoals het bezetten van het spoor of het blokkeren van belangrijke infrastructuur. Dergelijke situaties hebben impact die verder kan reiken dan de traditionele driehoekspartners en kunnen maatschappelijke sectoren, bedrijfsvoering, veiligheid en mobiliteit direct raken. Het gezag – de burgemeester en (Hoofd)Officier van Justitie – vormen samen met de politie als uitvoeringsorganisatie de kern van de handhaving van de openbare orde. Onderdelen van de veiligheidsregio hebben hierin vooral een rol in de gevolgbestrijding, onder meer bij grootschalige incidenten op het gebied van openbare veiligheid, continuïteit of bereikbaarheid van hulpdiensten. Steeds vaker kent openbare orde ook een digitale component. Online opruiing, snelle mobilisatie via sociale media, desinformatie en (digitale) radicalisering versterken spanningen en kunnen fysieke incidenten versnellen of uitlokken.

Vooral momenten met bestaande maatschappelijke druk – zoals rond de jaarwisseling – laten zien hoe groepsvorming, middelengebruik, lokale spanningen en online dynamiek samen kunnen komen in ernstige wanordelijkheden. Deze verweving van fysieke en digitale domeinen vraagt om voortdurende monitoring, informatiedeling en gezamenlijk optreden van alle betrokken partners. Territoriale veiligheid De afgelopen jaren is geconstateerd dat zowel uit de hand lopende demonstraties, (voetbal) rellen en ook de jaarwisseling impact hebben op het verzorgingsgebied van de VRU. Bij protesten gaat het bijvoorbeeld om blokkades waardoor zorgcontinuïteit en de continuïteit van de hulpdiensten in het geding komt. Bij grootschalige wanordelijkheden gaat het over verstoringen met geweld en (veel) slachtoffers. We spreken dan niet meer over verstoring van de openbare orde, maar over extreem geweld. Fysieke veiligheid Afhankelijk van de aard en omvang van wanordelijkheden zijn doden en gewonden voorstelbaar. De verstoringen vinden veelal plaats in de openbare ruimte, zoals bij de coronaprotesten en voetbalrellen. Economische veiligheid Afhankelijk van de aard en omvang van de verstoring van de openbare orde kan de schade in de miljoenen lopen. De schade en kosten die hiermee gepaard gaan, zijn altijd afhankelijk van het soort verstoring van de openbare orde.

Ecologische veiligheid Er wordt geen of een lage directe impact voor de ecologische veiligheid voorzien. Het is echter wel voorstelbaar dat flora en fauna worden aangetast, maar dat is niet langdurig of blijvend genoeg om de oorspronkelijke ecologische functie van het gebied aan te tasten. Sociale en politieke stabiliteit De sociale en psychologische impact bij verstoring van de openbare orde is potentieel groot. Angst kan een rol spelen bij mensen die wonen in de nabijheid van de openbare ordeverstoring, denk bijvoorbeeld aan de jaarwisseling. Inwoners van de regio kunnen deze plekken vermijden, vluchtgedrag vertonen, stigmatiseren en/of hun onvrede uiten via (sociale) media. De publieke verontwaardiging kan groot zijn en kan zich zelfs richten tot de overheid. Dit draagt bij aan de aantasting van de positie van het lokale en regionale openbare bestuur. Daarnaast kan de verstoring bijdragen aan verdere polarisatie, wat weer kan zorgen voor meer rellen en/of uit de hand lopende demonstraties. De impact op het dagelijkse leven is beperkt, ondanks de vaak massale media-aandacht voor dergelijke gebeurtenissen en het feit dat dat deelname aan het ‘normale’ maatschappelijke leven belemmerd kan worden. Voorbeelden van de afgelopen jaren waarbij de verstoring impact had in de openbare ruimte beperkten zich tot een dag of een aantal dagen en in een klein deel van de openbare ruimte.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/742/documents/21776