CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

B14.3 Bijlage C - Begroting VRU 2026 & geactualiseerde begroting VRU 2025.pdf

Gemeenteraad 10 juli 2025, gemeente OudewaterBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken27.482 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

31

aangemerkt als overhead maar op overige taakvelden moeten worden begroot en verantwoord. Meer specifiek betreft dit de formatieve en formatie-gerelateerde lasten voor leidinggevenden en directe softwarelasten/applicaties voor de programmaonderdelen Brandweer, Risicobeheersing Crisisbeheersing & GHOR. Dit heeft tot gevolg dat we nu meer kosten toerekenen aan het primaire proces waardoor het percentage overhead is gedaald. Op basis van de geactualiseerde uitgangspunten is het overzicht van de kosten van overhead voor 2025 en 2026 als volgt: Tabel 19 Overzicht overhead dr

x € 1.000

Overhead

Rekening 2024

Begroting 2025

Actualisatie 2025

Begroting 2026

Personeelskosten Gebouwkosten Kantoorkosten Overige kosten Overige baten Mutaties in reserve

23.315 1.474 3.524 768 -295 -251

22.256 1.747 3.655 437 194

17.614 1.965 4.136 1.219 -316

18.564 1.934 3.902 1.212 -129 -23

Totaal overhead: % overhead

28.535 19,6%

28.289 23,0%

24.619 17,4%

25.459 19,7%

3.5.4 Onvoorzien De begroting van de VRU bevat geen post voor onvoorzien. Eventuele onvoorziene situaties met de daaruit volgende kosten, dienen op dat moment van dekking te worden voorzien. In de risicoparagraaf, die gekoppeld is aan de weerstandscapaciteit, is het risico van onvoorziene uitgaven opgenomen.

32

4 Paragrafen 4.1 4.1.1

Bedrijfsvoering Personeel en organisatie

Organisatie VRU Bij de VRU werken mensen met een passie. Een passie om levens te redden, om incidenten te voorkomen en te bestrijden en om samen met burgers en partners de veiligheid en zelfredzaamheid in onze samenleving te vergroten. Onze organisatie is gericht op onze drie hoofdtaken: Brandweer, Risicobeheersing en Crisisbeheersing. Deze onderdelen werken niet alleen onderling nauw samen, maar dat doen we ook met onze partners. Zo zetten we ons met bi na . betrokken collega’s iedere dag in voor de veiligheid van alle 1,4 miljoen inwoners van de 26 gemeenten in onze regio. Samen dragen wij bij aan de veiligheid. Elke dag weer, steeds beter. De hoofdstructuur van onze organisatie ziet er als volgt uit:

Samen zijn we één organisatie. Het organisatieonderdeel ‘Ondersteuning’ is ondersteunend aan de drie hoofdtaken. Samen bouwen wij aan een organisatie waar iedereen zich gezien en gewaardeerd voelt en de ruimte en ondersteuning krijgt om het beste uit zichzelf én elkaar te halen. Met z'n allen zorgen we voor een ‘ reat place to work’. De directie van de VRU bestaat uit de algemeen directeur en drie leden die samen verantwoordelijk zijn voor de hele organisatie. Binnen het directieteam wordt gewerkt met een

33

portefeuilleverdeling. De Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio (GHOR) staat onder leiding van de directeur publieke gezondheid (DPG), die op agendabasis deelneemt aan de vergaderingen van het directieteam. Organisatieontwikkeling De wereld en ons werk verandert. De rol van de Veiligheidsregio verbreedt en de uitdagingen waar we voor staan veranderen. In onze ontwikkelkoers en besturingsfilosofie hebben we met elkaar bepaald hoe we met deze veranderingen omgaan. Om die uitdagingen van onze huidige tijd aan te gaan en om de ambities uit onze bestuursagenda waar te maken, zien we dat we steviger moeten inzetten op onderlinge samenwerking. Dit vraagt van ons een flexibele en wendbare houding. De afgelopen jaren hebben we de slag gemaakt naar een meer dienende en passende organisatiestructuur met kortere lijnen en minder gelaagdheid. Deze ontwikkeling zetten we door naar één VRU waarbij we ruimte bieden aan talenten en aan de lokale en menselijke maat. Onze kern aarden staan hierbi centraal: vanuit vertrouwen erken e samen en nemen e eigenaarschap. Formatie en bezetting De formatie voor de beroepsbrandweer en overig personeel bestaat in totaal per 1 april 2025 uit 725 fte. De bezetting bedraagt 684 fte. Het verschil tussen formatie en bezetting betreft een momentopname. Een deel van de vacatures is moeilijk in te vullen door onder andere de krapte op de arbeidsmarkt.

De formatie (in fte) per hoofdtaak is weergegeven in de volgende tabel. Tabel 20 Formatie per hoofdtaak Formatie in fte Hoofdtaak

Formatie 1-4-2025

Bra ndweer Ri s i cobeheers i ng Cri s i s beheers i ng & GHOR Di recti e en Onders teuni ng

401,1 113,8 56,1 153,5

Totaal

724,6

Vrijwilligers Per 1 januari 2025 zijn 1.667 vrijwilligers in dienst van de VRU. Op basis van het materieel- en personeelsbeheer en –spreidingsplan is de streefsterkte 1.673 vrijwilligers. Voor de werving van nieuwe vrijwilligers organiseert de VRU aanstellingsdagen. Vanuit de hele regio worden potentiële vrijwilligers op de ademluchtwerkplaats in Houten op één dag gekeurd. Ook wordt met behulp van een assessment dan beoordeeld of zij geschikt zijn voor het vrijwilligerswerk .Jeugdbrandweer Per 1 januari 2025 hebben we 256 jeugdleden en 21 posten met een Jeugdbrandweer. Dit is inclusief de samenvoeging van de Jeugdbrandweer Zeist-Bunnik. Brandweer Soest is aan het kijken naar een eventuele opstart van de Jeugdbrandweer.

34

Wet banenafspraak Het realiseren van duurzame werkgelegenheid voor de doelgroep uit de Wet banenafspraak (WBA) is voor de VRU een maatschappelijke opdracht. De VRU heeft inmiddels het quotum van 15 garantiebanen behaald door 15,53 garantiebanen te realiseren wat gelijk is aan 11,0 fte5. Doelstelling is het aantal WBA functies in 2025 te behouden met een evenwichtige verdeling in de gehele organisatie. Deze WBA-banen worden gerealiseerd binnen de formatieve kaders zodat een aanvullende bijdrage vanuit de gemeenten niet nodig is. Het project ‘Sociale veiligheid, diversiteit en Inclusie’ (zie hieronder) helpt om dit onderwerp in de organisatie onder de aandacht te houden. Sociale veiligheid, Inclusie en Diversiteit De VRU staat midden in de maatschappij; daarom vinden we het belangrijk dat ons personeelsbestand een afspiegeling is van die maatschappij. We hebben ons als organisatie gecommitteerd aan een aantal afspraken om te werken aan een diverse en inclusieve organisatie: - We nemen meer mensen aan met een afstand tot de arbeidsmarkt (Wet Banenafspraak); - We dragen in onze organisatie uit dat jezelf zijn werkt. Je mag er zijn, wie je ook bent; - We spreken met onze vacatures een brede(re) doelgroep aan en we sluiten geen mensen uit; - We dragen ons steentje bij aan het vergroten van meer kansengelijkheid voor jongeren.

Mentaal welzijn Het mentaal welzijn van onze medewerkers vinden we erg belangrijk. Ons werk kan veel impact hebben. We willen onze medewerkers daarin zo goed mogelijk ondersteunen. Via ons Team Opvang en Nazorg zetten wij stevig in op ondersteuning na incidenten. Er is een Steunpunt Brandweer ingericht bij het Veteraneninstituut in Doorn, waar wij als VRU lid van zijn. Daarnaast bieden we via ons uitgebreide bedrijfszorgpakket ook langdurige, psychosociale ondersteuning voor mentale klachten zoals PTSS en traumaverwerking. Hiervoor hebben we ook een geestelijk verzorger in dienst die hier een zeer waardevolle bijdrage aan levert door individuele en groepsgesprekken. Ook de bedrijfsarts, vertrouwenspersonen en medewerkers van personeelsbeleid dragen actief aan bij aan het creëren van bewustwording en het eerder herkennen van signalen. Hiervoor bieden we verschillende workshops aan op het gebied van mentale weerbaarheid. De sessies gaan over het doorbreken van een cultuur waar het niet normaal is om te praten over gevoelens, maar zijn ook gericht op kennis over en omgang met stressvolle situaties. Onveilige Situaties en (bijna)Ongevallen (OSIO) Het melden van incidenten (onveilige situaties en(bijna)ongevallen) is bedoeld om te leren van de situatie en de kwaliteit van de zorg te verbeteren.

OSIO-meldingen geven inzicht in de risico’s voor de veiligheid, gezondheid en het welzijn van de VRU medewerkers. Door de meldingen te analyseren kan er worden geleerd en kunnen maatregelen worden genomen om soortgelijke incidenten en situaties in de toekomst te voorkomen. Door bovendien te kijken naar de meer fundamentele oorzaken (de oorzaak achter de oorzaak) kan de veiligheids- of arbozorg binnen de VRU naar een hoger niveau worden getild waardoor andersoortige ongevallen, die dezelfde basisoorzaken hebben, kunnen worden voorkomen.

5 Stand januari 2025

35

Verzuim Voor de medewerkers van de VRU is een verzuimprotocol vastgesteld. De insteek van dit protocol is niet de ziekte van de medewerker, maar zijn mogelijkheden om werkzaamheden te verrichten ondanks beperkingen. Doel is een handvat te bieden aan leidinggevenden om zo het ziekteverzuim binnen de organisatie zoveel als mogelijk te beperken. Deze regels zijn gebaseerd op de Wet verbetering poortwachter. Het streven is een verzuimpercentage van 5 %. Inhuur Het uitgangspunt voor de VRU is dat we werken met vaste formatie met daarop medewerkers met vaste aanstellingen, maar om de continuïteit van de werkzaamheden te kunnen waarborgen is inhuur soms onvermijdelijk. Daarnaast is inhuur soms wenselijk om als organisatie wendbaar en flexibel te kunnen zijn, bijvoorbeeld bij grote crises. Als er sprake is van tijdelijke formatie (bijvoorbeeld voor een project), dan heeft een tijdelijke aanstelling de voorkeur (bijvoorbeeld voor de duur van het project). In sommige gevallen kan het nodig zijn om tijdelijk een externe in te huren. Bijvoorbeeld als de vaste medewerker langdurig afwezig is, of als een tijdelijke aanstelling niet haalbaar is. Ook kan het nodig zijn om een externe in te huren voor additionele (project)werkzaamheden waarbij een specialistische expertise wordt gevraagd. Bij inhuur volgt de VRU de inkoopregels waar wij als overheid ons aan moeten houden.

Beleidsindicatoren conform BBV-regelgeving De veiligheidsregio is op basis van wettelijke regelgeving (BBV) verplicht om de volgende beleidsindicatoren in de begroting en jaarrekening op te nemen. Tabel 21 Beleidsindicatoren BBV Nr. Productie-indicator Eenheid

Realisatie Actualisatie 2024 2025

Begroting 2026

1 2 3 4 5 6

0,52 0,49 € , 29% 14,9 mln 21%

0,51 0,48 € , 3% 2,4 mln 20%

Formatie Bezetting Apparaatskosten*) Externe inhuur** Externe inhuur**) Overhead***)

Fte per 1000 inwoners Fte per 1000 inwoners Kosten per inwoner Kosten als % van totale loonsom Totale kosten inhuur externen % van de totale lasten

0,51 0,48 € , 18% 15,5 mln 18%

Op basis van CBS-prognose is uitgegaan van 1.414.663 inwoners voor de provincie Utrecht op peildatum 1-1-2025.6 * Apparaatskosten zijn alle personele en materiële kosten die verbonden zijn aan het functioneren van de ambtelijke organisatie. Dit zijn in feite de totale lasten van de VRU minus de jaarlijkse bijdrage aan het NIPV. ** De reguliere inhuur betreft voornamelijk inhuur van instructeurs voor opleiden, trainen en oefenen en inhuur voor ziektevervanging en vacatures. Voor 2025 wordt net als in 2024 specifiek ingehuurd voor de crisisprojecten (€ 8,1 miljoen). Deze specifieke inhuurkosten worden volledig gedekt uit een specifieke rijksbijdragen en vergoeding van het COA. Zie bijlage 6.8. *** Voor de berekening van de overhead inclusief baten verwijzen we naar § 3.5.3.

Duurzame bedrijfsvoering

6 Voor de realisatie is conform de CBS-registratie uitgegaan van 1.400.057 inwoners voor de provincie Utrecht per 1-1-2024.

36

In onze samenleving ligt een grote uitdaging op het gebied van duurzaamheid. Als overheidsorganisatie committeren we ons uiteraard aan de landelijke afspraken op het gebied van duurzaamheid. Dit doen we niet omdat het moet, maar omdat wij ons realiseren dat de klimaatverandering ook een directe impact heeft op de veiligheid in onze regio. We maken werk van de CO2-reductie en vermindering van het klimaatgebruik door ons wagenpark te verduurzamen, duurzaamheidseisen te stellen aan onze leveranciers en zelf ons materiaalgebruik te beperken. Samen met de gemeenten, als eigenaren van de brandweerposten, zetten we waar mogelijk stapjes naar klimaatneutrale huisvesting. Huisvesting Huisvesting heeft directe invloed op alle vier de thema's van de bestuursagenda. Huisvesting in brede zin is meer dan een gebouw. Huisvesting in brede zin betreft faciliteiten die zorgen dat individuele medewerkers van de VRU optimaal kunnen presteren. Een plek om samen te komen na een emotionele heftige uitruk. Een huisvesting die faciliterend is aan de werkstijlen van de individuele medewerkers van de VRU en die zorgt voor een Great place to work en optimale ondersteuning van de werkprocessen. Daarmee draagt huisvesting bij aan een gezonde en veilige werkomgeving.

Met betrekking tot de visie op huisvesting heeft het algemeen bestuur in november 2023 het besluit genomen om een drietal scenario’s voor de organisatie van de huisvesting uit te laten werken door VRU en de 26 gemeenten. Aan de basis van de uitwerking staan de eerder vastgestelde vier bestuurlijke uitgangspunten, waarbij geconstateerd is dat de huidige organisatie niet voldoet aan de uitgangspunten. Momenteel worden de laatste inhoudelijke uitwerkingen gemaakt, waaronder het in beeld brengen van de organisatorische impact per scenario bij gemeenten en de globale schets van de toekomstige lasten. Na afronding van deze uitwerking zal in het algemeen bestuur een beeldvormende bijeenkomst georganiseerd worden, als voorbereiding op een besluitvormende bijeenkomst. 4.1.2

Digitale veiligheid

Met het vaststellen van het strategisch beleid digitale veiligheid is koers gezet om kwaadwillende en onbevoegden buiten de deur te houden, en daarmee onze eigen (digitale) continuïteit en weerbaarheid te verhogen. De eerste fase draait om het implementeren van de minimale technische basismaatregelen die essentieel zijn om te beschermen tegen veel voorkomende dreigingen zoals phishing en gijzelsoftware (ransomware). Het is belangrijk om te benadrukken dat deze basismaatregelen, naast implementatie, ook in 2026 blijvende aandacht vragen om goed onderhouden te worden. Behalve dat we een nieuwe versie van de Baseline informatiebeveiliging Overheid (BIO) verwachten is het vrijwel zeker dat de Veiligheidsregio onder de NIS2-richtlijn gaat vallen. De NIS2-richtlijn is gericht op het verhogen van de digitale weerbaarheid van vitale organisaties en stelt strengere eisen aan risicobeheer, incidentrespons en rapportage. Recent heeft een extern bureau een volwassenheidstoets uitgevoerd. Hierbij is gekeken in hoeverre wij voldoen aan huidige versies van de (verplichte) normenkaders en daarmee hoe goed we in staat zijn om cyberrisico’s te beheersen. Op een schaal van tot , aarbi niveau ordt gezien als het

37

vereiste niveau voor een veilige en weerbare organisatie , scoren wij momenteel rond de 1,5. Het is belangrijk om te begrijpen dat de nieuwe normenkaders en verplichtingen niet vrijblijvend zijn. Ondanks de stappen die zijn gezet is er nog veel werk te verrichten, werk waarvoor structureel investeringen noodzakelijk zijn. Voor 2025 en 2026 hebben we, in lijn met het strategisch beleid, de volgende doelstellingen opgenomen: • •

•

Risicogericht erken, aarbi e niet alleen richten op de top risico’s op concernniveau, maar ook de specifieke “te beschermen belangen” per proces identificeren en prioriteren. Uitvoeren van externe en interne penetratietests door een gespecialiseerd bureau om de effectiviteit van de genomen beveiligingsmaatregelen te beoordelen en onze weerbaarheid tegen cyber-aanvallen te testen. Van ad-hoc naar continu versterken van het cyberbewustzijn van onze medewerkers via gerichte trainingen en campagnes, omdat zij de sterkste schakel vormen in onze cyberveiligheid.

Privacy De VRU is verantwoordelijk voor het wettig behandelen van persoonsgegevens. Dit zijn persoonsgegevens van burgers, ambtenaren en vrijwilligers. Daarbij heeft de VRU een morele plicht om de vertrouwelijkheid en gevoelige aard van deze persoonsgegevens te eerbiedigen. De VRU verwerkt geen persoonsgegevens tenzij dat noodzakelijk is. De persoonsgegevens worden onder andere gebruikt voor het beheren van incidenten, om toezicht te houden, voor relatiebeheer, werving en selectie, en de werknemersadministratie. De VRU zorgt er voor dat er altijd een grondslag is voor die verwerking, dat de betrokken persoonsgegevens niet langer worden bewaard dan noodzakelijk, en dat deze alleen met bevoegde partijen worden gedeeld. Door gepaste technische en organisatorische maatregelen te nemen zorgt de VRU er ook voor dat de persoonsgegevens adequaat beveiligd zijn. Betrokkenen kunnen uitvoering geven aan hun rechten door te mailen met de functionaris voor de Gegevensbescherming. Daarnaast worden beleidsstukken en processen doorlopend bekeken en beoordeeld om te kijken of deze de privacy van de betrokkenen nog beter kunnen beschermen. Er is een groep mensen met verschillende taken in het kader van de bescherming van de persoonsgegevens.

Zo houdt de functionaris voor de gegevensbescherming toezicht en adviseert, de privacy officers helpen collega’s op eg en adviseren, en de privacy ambassadeurs vormen de schakel tussen de directies en de afdeling juridische zaken. 4.1.3

Interne beheersing en rechtmatigheid

Interne beheersing Interne beheersing is een proces, gericht op het verkrijgen van een redelijke mate van zekerheid omtrent het bereiken van doelstellingen in de volgende categorieën: ▪ Bereiken van strategische doelstellingen; ▪ Effectiviteit en efficiëntie van bedrijfsprocessen; ▪ Betrouwbaarheid van de financiële informatieverzorging; ▪ Naleving wet– en regelgeving.

38

Interne beheersing is daarmee geen doel op zich, maar een middel om effectief te kunnen sturen op de uitvoering van onze taken. Wij hanteren hierbij de volgende uitgangspunten: ▪ Integraal management (verantwoordelijk voor resultaten en middelen); ▪ Evenwicht tussen regels en regelruimte; ▪ Het management wordt voldoende ondersteund met raad, daad en informatie; ▪ Voorkomen is beter dan genezen; ICT-systemen ondersteunen de juiste werkwijze. Het dagelijks bestuur is verantwoordelijk voor de administratieve organisatie en de interne beheersing. Dit komt vanaf 2023 tot uiting in het afleggen van een rechtmatigheidsverantwoording aan het algemeen bestuur. De (verbijzonderde) interne controles vormen hiervoor de basis. Interne controle Binnen de VRU voeren we (verbijzonderde) interne controles uit op onze processen. Jaarlijks worden interne controles uitgevoerd op basis van het risicogericht intern controleplan dat periodiek herijkt wordt. In eerste aanleg voeren we controles uit voor financieel kritische processen. Dit zijn die processen die in relatie tot de door het algemeen bestuur vastgestelde goedkeuringstolerantie voor getrouwheid en verantwoordingsgrens voor rechtmatigheid als financieel kritisch aangemerkt worden. Daarnaast voeren we een beperkt aantal controles uit op basis van specifiek beleid/besluiten (specials).

De externe accountant voert op gezette momenten ook controles uit. Risicomanagement en interne controle zijn geen doel op zich. Het zijn middelen die ervoor moet zorgen dat we onze taken goed (en steeds beter) uitvoeren. Het is daarom een zaak van iedereen binnen de organisatie; ieder vanuit zijn of haar eigen rol en verantwoordelijkheid. Dit komt tot uiting in het principe van het zogenaamde ‘drieli nenmodel’ die de basis vormt voor de taakverdeling ten aanzien van risicomanagement en interne controle binnen de VRU. We onderkennen de volgende drie lijnen: 1. In de eerste lijn: in het primaire proces, onder verantwoordelijkheid van de lijnmanagement. 2. In de tweede lijn: in de ondersteunende processen, waar checks and balances ingericht zijn om fouten te signaleren. Deze lijn bestaat uit de controllers en de vaktechnische adviseurs (b.v. HRMadviseurs, FLO-adviseur, etc.) in hun controlerol 3. In de derde lijn: de lijn bestaat uit de concerncontrol- en interne auditfunctie. Rechtmatigheidsverantwoording De Rijksoverheid heeft regels vastgesteld voor het opstellen van de financiële verantwoording door gemeenten en provincies in het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV). Deze gelden voor de begroting, meerjarenraming, jaarverslagen en jaarrekening en hebben betrekking op de correctheid, begrijpelijkheid en volledigheid van de stukken.

Het Besluit Accountantscontrole Decentrale Overheden (BADO) bevat regels voor de minimumvereisten voor de accountantscontrole van de jaarrekening. Als gevolg van wijzigingen in het BBV is het dagelijks bestuur van de VRU vanaf 2023 zelf verantwoordelijk worden voor het

39

afgeven van de rechtmatigheidsverklaring bij de jaarstukken. Hiervoor heeft de VRU in samenspraak met de externe accountant een normen- en toetsingskader opgesteld.

4.2

Openbaarheidsparagraaf

Per 1 mei 2022 is de Wet open overheid in werking getreden. De Wet open overheid (hierna: Woo) is de opvolger van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob). Waar de Wob voornamelijk zag op de openbaarmakingsplicht op verzoek, richt de Woo zich ook op de actieve openbaarmakingsplicht en de informatiehuishoudingsplicht. Naast dat informatie dus openbaar gemaakt moet worden als iemand erom vraagt, moet sommige informatie ook actief openbaar gemaakt worden en moeten we er voor zorgen dat informatie goed te vinden is. Een van de verplichtingen die uit de Woo volgt, is dat bestuursorganen jaarlijks in de begroting aandacht besteden aan de beleidsvoornemens inzake de uitvoering van de Woo en in de verantwoording verslag doen van de uitvoering van de wet. Bestuursorganen gaan in de openbaarheidsparagraaf in op de beleidsvoornemens (c.q. behaalde resultaten) met betrekking tot de actieve en passieve openbaarmaking en de verbetering van de informatiehuishouding. Passieve openbaarmaking (openbaarmaking op verzoek) Onderzocht is op welke manier software kan bijdragen aan het vergemakkelijken en versnellen van het anonimiseren van documenten. Dit onderzoek wordt momenteel afgerond. In 2024 zijn er twee beroepen bij de bestuursrechter over besluiten die de VRU genomen heeft naar aanleiding van een verzoek om informatie op grond van de Woo.

In beide gevallen is de verzoeker het niet eens met het besluit en vraagt om meer informatie dan is gegeven. De Woo kent verschillende uitzonderingsgronden waarop een bestuursorgaan zich kan beroepen bij het niet openbaar willen maken van informatie. Uiteindelijk dient de bestuursrechter het besluit van de VRU te toetsen. Actieve openbaarmaking De Woo kent zeventien informatiecategorieën die gefaseerd zullen worden ingevoerd. Telkens wordt bij Koninklijk besluit bepaald welke informatiecategorie vanaf dat moment actief openbaar gemaakt moet worden. Wij voldoen aan de wettelijke verplichting en hebben de actieve openbaarmaking van de informatie uit de verplichte categorieën op orde. Informatiehuishouding op orde C. In 2024 werken we aan de uitvoering van het programmaplan Digitale toegankelijkheid waarbij we oog hebben voor nieuwe documenten, maar ook een slag zullen maken in het digitaal toegankelijk maken van oude documenten.

40

4.3

Verbonden en overige partijen

Hieronder is een overzicht opgenomen van derde rechtspersonen waarin wij een bestuurlijk en/of financieel belang hebben. 4.3.1 De Werkgeversvereniging Samenwerkende Veiligheidsregio's (WVSV) De Werkgeversvereniging Samenwerkende Veiligheidsregio's is sinds 1 januari 2022 de erkgeversvereniging van de veiligheidsregio’s die met de erknemersorganisaties op landeli k niveau tot afspraken komt over arbeidsvoorwaarden voor alle werknemers van de veiligheidsregio’s (met uitzondering van het personeel dat onder een eigen cao valt bijvoorbeeld cao Ambulancezorg). Belang De WVSV maakt namens haar leden afspraken met de vakbonden over collectieve arbeidsvoor aarden voor het personeel van de veiligheidsregio’s. Deze afspraken orden vastgelegd in de “CAR(- WO) Veiligheidsregio’s” (voorheen CAR-UWO). Met het vaststellen van de begrotingen voor 2025 heeft de Algemene Vergadering ook het contributiebedrag voor 2025 vastgesteld. Statutair is bepaald dat het lidmaatschap van de veiligheidsregio’s op geli k aardige basis plaatsvindt en dat elke veiligheidsregio / ste van het saldo van de begroting bijdraagt.

Financiële informatie Eigen en vreemd vermogen voor bestemming 2024: nog niet bekend Jaarresultaat 2024: nog niet bekend 4.3.2 Stichting Risicobeheer Veiligheidsregio’s en Stichting Waarborgfonds Veiligheidsregio’s De stichtingen, het Expertisebureau Risicobeheer en het Waarborgfonds Veiligheidsregio’s zi n met instemming van alle veiligheidsregio’s opgericht in en . er anuari zi n de stichtingen operationeel. Belang et doel van de stichtingen is een bi drage te leveren aan het ‘goed erkgeverschap’ van de veiligheidsregio’s als hun mede erkers onverhoopt te maken kri gen met een dienstongeval. Hieraan wordt invulling gegeven door te ondersteunen bij de uitvoering en financiering van de Landelijke regeling aanspraken na dienstongevallen (LRD). De LRD is een regeling die in overleg binnen de veiligheidsregio’s en de vakbonden tot stand is gekomen en per anuari in werking is getreden. Governance Het Expertisebureau Risicobeheer beschikt over een vergunning van de Autoriteit Financiële Markten (AFM). Tevens staat het Expertisebureau onder toezicht van een Raad van Advies, bestaande uit algemeen directeuren/commandanten en directeuren bedrijfsvoering van de veiligheidsregio’s.

41

Het Waarborgfonds is vrijgesteld van toezicht door De Nederlandsche Bank (DNB) onder de voorwaarde dat een Raad van Toezicht wordt geïnstalleerd. De Raad van Toezicht is ingesteld en voorziet in de noodzakelijke specifieke deskundigheid die daarmee in het Waarborgfonds is geborgd. Daarnaast zijn er beperkingen gesteld aan de financiële omvang van het fonds. Financiële informatie De veiligheidsregio’s dragen gezamenli k zorg voor de financiering van de RD. Dit geschiedt door deelname aan beide stichtingen. Het Waarborgfonds geeft dekking voor aanspraken voor zover deze niet verzekerd zijn. Een deel van de aanspraken is nog verzekerd via een collectieve ongevallenpolis. De kosten van het Expertisebureau Risicobeheer en de inleg in het Waarborgfonds orden betaald uit de premies die de veiligheidsregio’s eerder betaalden voor hun ongevallenverzekering. Het Waarborgfonds heeft als doel om binnen 5 jaar een reserve aan te leggen van 5 miljoen euro. Hiermee is er voldoende financiële zekerheid voor de toekomst. In het eerste jaar (2024) heeft het Waarborgfonds een reserve opgebouwd van ruim 3 miljoen euro. Daarnaast is gewerkt aan het inrichten van de schadeafhandeling en bedrijfsvoering van de stichting ERVRS en het Waarborgfonds.

4.4

Onderhoud kapitaalgoederen

Ten aanzien van de in de BBV genoemde kapitaalgoederen zijn de gebouwen, inventaris en installaties, automatisering, vervoersmiddelen en materiaal van toepassing op onze organisatie. 4.4.1 Kapitaalgoederen Conform artikel 59 van de BBV activeren wij alle materiële vaste activa. Investeringen schrijven wij lineair af vanaf het jaar opvolgend op het investeringsjaar. Als uitgangspunt voor het activeren geldt dat activering plaatsvindt vanaf € . per ob ect. In de Nota Activabeleid VRU zijn alle uitgangspunten opgenomen. De VRU heeft drie brandweerkazernes in eigendom. De overige kazernes zijn in eigendom van de gemeenten. De kazernes worden om niet ter beschikking gesteld aan de VRU. Investeringen in gebouwen die eigendom zijn van de VRU, worden bij de VRU geactiveerd. De kosten voor rente en afschrijving worden doorbelast aan de gemeenten die de gebouwen aan de VRU hebben overgedragen. Ten aanzien van de investeringen in overige kapitaalgoederen (inventaris en installaties, automatisering, vervoersmiddelen en materiaal) hanteren wij een meerjarig investeringsplan (MIP) dat jaarlijks wordt geactualiseerd. In de begroting is een constant bedrag (structureel budget) opgenomen voor kapitaallasten, dat jaarlijks wordt geïndexeerd om de vervangingswaarde van de activa te waarborgen. De werkelijke kapitaallasten fluctueren.

Tezamen met het MIP is daarom ook een egalisatiereserve kapitaallasten ingesteld om de verschillen tussen begrote en werkelijke kapitaallasten op te vangen. De egalisatiereserve kapitaallasten heeft naast de egalisatiefunctie ook een dekkingsfunctie. De dekkingsfunctie heeft

42

vooral betrekking op vaste activa met een incidenteel karakter, waarvoor de kapitaallasten uit de kapitaallastenreserve worden gedekt. Deze items zijn in het MIP als incidenteel aangemerkt en hiervoor zijn geen vervangingsinvesteringen opgenomen. Deze activa-items kennen dus geen structurele kapitaallast. Dit betekent dat voor incidentele lasten in de exploitatie die direct gerelateerd zijn aan (geplande) investeringen een onttrekking aan de egalisatiereserve kapitaallasten is geraamd. Bij besluitvorming wordt getoetst of de reserve gedurende de afschrijvingstermijn toereikend is. Meerjarig wordt gestuurd op een sluitende investeringsbegroting. Jaarlijks wordt in mei de investeringsbegroting bijgesteld op basis van de reële verwachting. Vervolgens wordt bepaald wat de financieringsbehoefte is en welke renteomslag binnen de kaders van BBV kan worden toegepast. De rente wordt berekend over de boekwaarde per 1 januari en jaarlijks ten laste van de exploitatie gebracht. Aan de geactiveerde investeringen wordt voor geactualiseerde begroting 2025 een omslagrente van 2,65% toegerekend. De fluctuaties van de kapitaallasten ten opzichte van het structureel budget voor kapitaallasten worden beschouwd als incidentele baten en lasten. In bijlage 6.7 is een overzicht opgenomen van de geplande investeringen en de begroting van de kapitaallasten.

4.4.2 Onderhoud gebouwen en installaties Het hoofdkantoor van de VRU is gehuisvest in het Provinciehuis en dit betreft huur. Het onderhoud voor deze locatie is daarmee onderdeel van de servicekosten die wij naast de huursom aan de provincie Utrecht betalen. De kosten voor het beheer en onderhoud van de decentrale huisvestingen en de brandweerkazernes zijn voor rekening van de gemeenten. 4.4.3 Onderhoud materieel Preparatie Brandweer is ingericht binnen het organisatieonderdeel Brandweer. Hiermee borgen we dat we beschikken over vakbekwaam repressief personeel en daarnaast over voldoende en inzetbaar materieel en gereedschappen voor de uitvoering van onze operationele taak. Onderhoud van het materieel vindt regionaal plaats door de afdeling Materieel & Logistiek.

4.5

Financiering

4.5.1 Financieringsportefeuille Wij zijn externe financiering overeengekomen bij: ▪ ▪ ▪

Gemeente Amersfoort (onderhandse lening) Bank Nederlandse gemeenten (BNG Bank) De Nederlandse Waterschapsbank (NWB Bank)

In tabel 22 wordt het verloop en de hoogte van de huidige leningen weergegeven.

43

Tabel 22 Leningenportefeuille dr

x € 1.000

Saldo 31-12-2024

Saldo 31-12-2025

Saldo 31-12-2026

Saldo 31-12-2027

Saldo 31-12-2028

Saldo 31-12-2029

10 265 275

7 212 218

3 159 162

106 106

53 53

-

BNG l eni ng 40.106325 BNG l eni ng 40.106326 BNG l eni ng 40.116478 BNG l eni ng 40.116479 Onderhandse lening Bank BNG

1.333 6.800 9.000 10.000 27.133

667 6.400 8.000 9.500 24.567

6.000 7.000 9.000 22.000

5.600 6.000 8.500 20.100

5.200 5.000 8.000 18.200

4.800 4.000 7.500 16.300

NWB Ba nk l eni ng NK/1-29713 NWB Ba nk l eni ng NK/1-30919 Lening Nederlandse Waterschapsbank

14.000 14.450 28.450

13.000 13.600 26.600

12.000 12.750 24.750

11.000 11.900 22.900

10.000 11.050 21.050

9.000 10.200 19.200

Totale vaste schulden

55.858

51.385

46.912

43.106

39.303

35.500

Type lening 13-10-1997/30 jr 6,05% l i nea i r 14-07-1999/30 jr 5,43% l i nea i r Onderhandse lening Gemeente Amersfoort

Bij BNG Bank is een rekening-courantfaciliteit beschikbaar ter grootte van € mil oen om te voorzien in de kortlopende financieringsbehoefte. De financieringsbehoefte voor de langere termijn betreft de financiering van nieuwe (vervangings-)investeringen. Zie bijlage 6.7 voor een overzicht van de geplande investeringen in 2025 en 2026. De VRU past een renteomslagmethodiek toe die wordt voorgeschreven vanuit het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV). Door middel van deze methodiek worden aan investeringen de gemiddelde rentekosten toegerekend die voortvloeien uit de opgenomen geldleningen en/of eigen middelen waarmee zij zijn gefinancierd. In onderstaande tabel is het verwachte financieringsresultaat weergegeven aan de hand van het rekenschema zoals voorgeschreven vanuit BBV. Tabel 23 Renteschema dr

x € 1.000

Realisatie

Begroting

Begroting

2024

2025

2026

Totale rentelasten

1.600

1.571

1.790

Rentebaten die zijn toe te rekenen aan investeringen in activa

-225

-89

-100

Saldo rentelasten en rentebaten

1.375

1.482

1.690

Renteschema

Doorbelaste rente projectfinanciering/ maatwerk

-57

-45

-33

Totaal aan taakvelden toe te rekenen integrale rente (A):

1.318

1.437

1.657

De aan taakvelden toegerekende rente (omslagrente)

1.350

1.672

2.051

Aan taakvelden toegerekende rente via renteomslag (B):

1.350

1.672

2.051

32

235

393

Renteresultaat op taakveld Treasury (B-A)

44

4.5.2 Risicobeheer Om de risico’s van het treasurybeleid te beheren zi n er normen vastgesteld in de Wet ido. Deze normen bestaan uit een: - Kasgeldlimiet - Renterisiconorm Kasgeldlimiet De kasgeldlimiet laat het maximum bedrag zien waarop een gemeente of gemeenschappelijke regeling haar financiële bedrijfsvoering met kortlopende middelen (looptijd < 1 jaar) mag financieren. Deze norm bedraagt 8,2% van het begrotingstotaal aan lasten vóór bestemming. Voor 2025 bedraagt de limiet 8, % van € 142 mil oen (omvang begroting) = € 11,6 miljoen. De liquide middelen bestaan uit rekening-courant tegoeden en deposito’s. er k artaal controleren wij de kasgeldlimiet. De ruimte die de kasgeldlimiet biedt, wordt zoveel mogelijk benut. De reden hiervoor is dat kort geld aanzienlijk goedkoper is dan lang geld. Indien nodig worden langlopende leningen aangegaan om een overschrijding van de kasgeldlimiet tegen te gaan. De huidige financiële positie geeft geen aanleiding om op korte termijn maatregelen voor te stellen. Tabel 24 Kasgeldlimiet dr

x € 1.000

Kasgeldlimiet

2025

2026

2027

2028

2029

Norm % begrotingstotaal

8,2%

8,2%

8,2%

8,2%

8,2%

11.613

10.617

10.593

10.634

10.756

Kasgeldlimiet

Renterisiconorm De renterisiconorm wil het renterisico bij herfinanciering beheersen. Dat houdt in, dat de jaarlijkse renteherzieningen en de verplichte aflossingen niet meer mogen bedragen dan 20% van het begrotingstotaal bij aanvang van het jaar. De renterisiconorm zal binnen het vastgestelde percentage van 20% blijven. In onderstaande tabel is het verwachte renterisico weergegeven. Tabel 25 Renterisiconorm dr

x € 1.000

Renterisiconorm

2025

2026

2027

2028

2029

omvang begroti ng Renteri s i conorm (20% begroti ng) Afl os s i ngen van l eni ngen

141.625 28.325 4.473

129.470 25.894 4.473

129.177 25.835 3.806

130.450 26.090 3.803

130.155 26.031 3.803

Ruimte onder renterisiconorm

23.852

21.421

22.029

22.287

22.228

45

4.5.3 Verloop reserves In tabel 26 staat een overzicht met het verloop van de reserves zoals dit tot en met ultimo 2026 wordt voorzien. Tabel 26 Reserves 2025 en 2026 dr

x € 1.000

Boekwaarde 31-12-2024

Bedrijfsvoeringsreserve Algemene reserves

1.409 1.409

Egalisatiereserve kapitaallasten Egalisatiereserve FLO overgangsrecht Egalisatiereserve tweede loopbaan Ontwikkel- en egalisatiereserve Bestemmingsreserve incidentele crisistaken Bestemmingsreserve meldkamer Bestemmingsreserves

20.669 1.185 1.318 1.978 368 387 25.904

Totaal reserves

27.313

Afromen surplus 1-1-2025

Resultaat- Toevoeging Onttrekking Boekwaarde Toevoeging Onttrekking Boekwaarde bestemming 2025 2025 31-12-2025 2026 2026 31-12-2026 2024 1.232 1.232

-

-

2.641 2.641

-

1.088 1.088

1.553 1.553

1.292

-178

1.292

824 11 2.862 348 323 4.369

23.115 1.318 1.528 230 1.393 63 27.647

356 215 183 194 948

245

-178

3.271 133 222 1.372 4.998

190 289 63 787

23.226 1.533 1.711 40 1.298 27.808

-178

2.524

4.998

4.369

30.288

948

1.875

29.361

-

4.5.3.1 Bedrijfsvoeringsreserve Door het aanhouden van een reserve is de VR in staat om een deel van de risico’s op te vangen, zonder dat dit direct gevolgen heeft voor de hoogte van de gemeentelijke bijdrage. De schommelingen die optreden kunnen worden opgevangen met deze reserve. De omvang van de bedrijfsvoeringreserve (weerstandvermogen) is minimaal gelijk aan de benodigde weerstandscapaciteit (zie § 4.6). Ten opzichte van de vastgestelde begroting 2025 is het weerstandsvermogen niet meer toereikend om de geïnventariseerde risico’s af te dekken. Om het weerstandsvermogen van de VRU op het gewenste niveau te brengen in relatie tot de huidige risico’s, zoals opgenomen in de kadernota VRU 2026 en de tweede bestuurlijke rapportage VRU 2024, is een storting van € , mil oen in de algemene reserve noodzakelijk. Na deze storting valt de bedrijfsvoeringreserve met 1,9% van het begrotingsvolume binnen de afgesproken bandbreedte (1% - 2%). 4.5.3.2 Egalisatiereserve kapitaallasten Via het meerjarig investeringsplan wordt gestuurd op een meerjarig evenwicht tussen de begrote en gerealiseerde kapitaallasten (afschrijving en rente). Om de kosten van afschrijving en rente over de jaren te egaliseren wordt gebruik gemaakt van een egalisatiereserve. Jaarlijks wordt in mei de prognose van de kapitaallasten geactualiseerd en opgenomen in de (geactualiseerde) begroting.

Bij de jaarrekening wordt vervolgens bepaald wat de werkelijke kapitaallasten en baten zijn geweest. Tekorten op de kapitaallasten worden aan deze reserve onttrokken. Overschotten worden aan deze reserve gedoteerd. Boekwinst (opbrengst activa) of –verlies (versnelde afschrijving) bij afstoten van activa wordt ten gunste of ten laste van de exploitatie gebracht en vervolgens via een dotatie/onttrekking gemuteerd in de reserve egalisatie kapitaallasten. Via de egalisatiereserve kapitaallasten creëren we rust in de VRU-begroting en voorkomt dit sterke mutaties in de gemeentelijke bijdragen.

46

4.5.3.3 Egalisatiereserve FLO-overgangsrecht De egalisatiereserve ‘ O-overgangsrecht’ ordt ingezet om de kosten voor het Oovergangsrecht meerjarig te kunnen egaliseren. Hiermee wordt een (structurele of incidentele) stijging van de gemeentelijke bijdrage voorkomen en ontstaat een beperkte buffer om fluctuaties die het gevolg zijn van de afspraken in het FLO-overgangsrecht in meerjarig perspectief op te vangen. Ten opzichte van het structureel beschikbare budget wordt op begrotingsbasis bepaald welke lasten wij voor het FLO-overgangsrecht kunnen verwachten. Indien er voor het begrotingsjaar nog geen Cao-akkoord is vastgesteld, wordt de verwachte loonontwikkeling geraamd door middel van een stelpost. Bij de jaarrekening wordt vervolgens bepaald wat de werkelijke lasten en baten voor het FLO-overgangsrecht zijn geweest. Tekorten op de begrote baten en lasten worden aan deze reserve onttrokken en overschotten worden aan deze reserve gedoteerd. 4.5.3.4 Egalisatiereserve tweede loopbaanbeleid Van ege het egvallen van het O voor repressief brand eerpersoneel is ‘t eede loopbaanbeleid’ geïntroduceerd. Om hieraan uitvoering te kunnen gaan geven, is de egalisatiereserve tweede loopbaan gevormd. In de begroting is structureel budget beschikbaar voor de kosten voor onder andere om-/bijscholing en vervanging.

De werkelijke kosten voor tweede loopbaanbeleid fluctueren en worden jaarlijks bij aan het einde van het boekjaar met deze reserve verrekend. Vanwege een vierjarig landelijk onderzoek naar de duurzame inzetbaarheid van mensen in een repressieve brandweerfunctie, mede in het licht van het tweede loopbaanbeleid verwachten wij voor 2025 geen significante stijging van de kosten voor het tweede loopbaanbeleid. 4.5.3.5 Ontwikkel- en egalisatiereserve Het algemeen bestuur heeft bij aanvang van de vorige beleidsperiode een besluit genomen om een ontwikkel- en egalisatiereserve in te stellen die gevoed kan worden met positieve rekeningresultaten. De ontwikkel- en egalisatiereserve heeft tot doel om fluctuaties en (incidentele) verhogingen van de gemeentelijke bijdragen zoveel als mogelijk te voorkomen (egalisatiefunctie). Dit leidt tot financiële stabiliteit in de begroting van de VRU en in de bijdrage van de gemeenten. De middelen uit de reserve zijn bestemd voor: - Het mogelijk maken van incidentele/projectmatige (beleids-)activiteiten om de beleidsdoelstellingen uit de bestuursagenda of structurele efficiencyvoordelen te realiseren; - Het dekken van incidentele kosten die voortvloeien uit exogene factoren.

Bij het instellen van de reserve zijn de volgende spelregels vastgesteld over de besteding en verantwoording van de middelen: ▪ De besteding van de middelen uit de reserve is uitsluitend voorbehouden voor aanwending gekoppeld aan de doelen van de reserve; ▪ De onttrekking aan de reserve voor een in de begroting opgenomen incidentele (beleids)activiteit mag nooit meer bedragen dan het bedrag dat daadwerkelijk in een boekjaar is besteed; ▪ Bij uitloop van een project, het doorschuiven van een project naar een volgend boekjaar, of in het geval van meerjarige projecten zal het niet bestede budget teruggestort worden in de egalisatiereserve voor besteding aan dat project in een volgend boekjaar;

47

▪

De activiteiten die worden ondernomen met dekking uit deze ontwikkel- en egalisatiereserve zullen worden gepland en beschreven in de begroting en verantwoord in de jaarstukken; Bij de begroting wordt een apart overzicht opgesteld van de mutaties in de reserve, zodat de gemeenten jaarlijks in één oogopslag kunnen zien waar de middelen voor worden ingezet en at de totale omvang van de reserve is per balansdatum (maximaal € ,8 miljoen).

▪

Tabel 27 Inzet middelen ontwikkel- en egalisatieserve dr

x € 1.000

Ontwikkel- en egalisatiereserve

2025

2026

Via resultaat bestemming 2024

Eindsaldo (31-12-2024)

1.978

230

-

Afromen surplus vanwege maximum reserve per balansdatum

-178

-

Beginsaldo (1-1-2025)

1.800

-

Toevoeging vanuit rekeningresultaat 2024

1.292

-

1.292

Totaal toevoegingen

1.292

-

1.292

Onttrekkingen op basis van eerdere besluitvorming Diverse posten (Visie op huisvesting, Digitale Veiligheid, Ontwikkelkoers)

-300

-

Versterking crisisbeheersing (activiteiten gedekt uit extra BDUR-middelen)

-265

-

Veilige energietransitie

-296

-

Gebiedsgerichte aanpak natuurbrandbeheersing, aandeel gemeenten

-250

-

-

Vakbekwaamheid brandweer

-460

-190

-

-1.571

-190

Versterking crisisbeheersing (activiteiten gedekt uit extra BDUR 2024)

-181

-

-181

Subtot

-181

-

-181

-721

-

-721

Subtotaal onttrekkingen op basis van eerdere besluitvorming Onttrekkingen voor doorlopende activiteiten 2024 → o ttr kk

voor door op

d

ct v t t

2024 → 2025

Onttrekkingen op basis van inzet via resultaatbestemming Programma Veerkracht Project Digitale Veiligheid

-390

-

-390

Subtotaal onttrekkingen op basis van inzet via resultaatbestemming

-1.111

-

-1.111

Totaal onttrekkingen

-2.862

-190

-1.292

230

40

0

Eindsaldo (31-12)

48

Afroming reserve De ontwikkel- en egalisatiereserve is gemaximeerd op € ,8 mil oen. Het surplus per balansdatum 1-1-2025 wordt afgeroomd en vloeit terug naar gemeenten door middel van een incidentele verlaging van de gemeentelijke bijdrage voor het gezamenlijk basistakenpakket in 2025 (€ 78K). Eerdere besluitvorming Er is reeds eerder besloten over de inzet van middelen voor genoemde activiteiten(€ ,76 miljoen). Het betreft hier enkel een gewijzigde fasering (egalisatiefunctie). Doorlopende activiteiten Enkele activiteiten die volgens de begroting in 2024 gepland waren, lopen door in 2025. Dit betreft € ,18 miljoen (project)activiteiten voor de versterking van de crisisorganisatie die worden bekostigd uit de daarvoor geoormerkte (verhoging van de) rijksbijdrage. Programma Veerkracht Het algemeen bestuur heeft op 2 december 2024 ingestemd met een incidenteel financieringsvoorstel voor het programma Veerkracht vanuit het voorlopig rekeningresultaat 2024 BDuR (€ ,72 miljoen). Het inrichten van de post als Resilience Point (pilot) is niet opgenomen in het programmabudget voor Veerkracht. De financiering hiervan wordt beoogd door een bijdrage van het Rijk.

Project Digitale veiligheid Met het vaststellen van het strategisch beleid digitale veiligheid is koers gezet om kwaadwillende en onbevoegden buiten de deur te houden, en daarmee onze eigen (digitale) continuïteit en weerbaarheid te verhogen. De eerste fase draait om het implementeren van de minimale technische basismaatregelen die essentieel zijn om te beschermen tegen veel voorkomende dreigingen zoals phishing en gijzelsoftware (ransomware). Het is belangrijk om te benadrukken dat deze basismaatregelen, naast implementatie, ook in 2026 blijvende aandacht vragen om goed onderhouden te worden. Een bedrag van € , mil oen wordt voor de eerste fase bestemd. 4.5.3.6 Bestemmingsreserve ‘Incidentele crisistaken’ In de afgelopen jaren heeft de VRU, op verzoek van het Rijk en de gemeenten, extra crisistaken uitgevoerd. Een voorbeeld hiervan is de VRU-opvangsupport. Crises zijn vaak onvoorspelbaar en vragen om een hoge mate van flexibiliteit. Het algemeen bestuur heeft op 2 december 2024 het besluit genomen om de organisatie zo in te richten dat snel en effectief op- en afgeschaald kan worden, met een zogenaamde waakvlam-stand. Deze structuur zorgt ervoor dat de VRU snel kan worden geactiveerd wanneer nodig, terwijl de reguliere taken zo min mogelijk worden verstoord door extra crisistaken.

Om deze flexibiliteit te waarborgen, wordt een kernbezetting in stand gehouden die de komende jaren door het Rijk wordt gefinancierd. Deze kernbezetting zorgt ervoor dat waardevolle kennis, vaardigheden en ervaring die de afgelopen jaren binnen de VRU zijn opgebouwd, behouden blijven. De rijksfinanciering voor deze kernbezetting wordt over een periode van vijf jaar ingezet (2025 t/m 2029). Hiervoor hebben we in een eenmalige bi drage van € 0,4 miljoen

49

ontvangen. Om te waarborgen dat deze middelen beschikbaar blijven gedurende de volledige vijf jaar is besloten om hiervoor een bestemmingsreserve 'Incidentele crisistaken' in te stellen. De komende vijf jaar zullen de kosten voor het in stand houden van de kernbezetting, gefinancierd vanuit het Rijk, uit deze reserve worden gedekt. Bij het aanvragen en vaststellen van de bijdragen is rekening gehouden met de verwachte loon- en prijsontwikkelingen voor de komende jaren. Dit maakt het mogelijk om de kernbezetting op een stabiele manier te financieren zonder dat dit van invloed is op de gemeentelijke bijdrage. We hanteren de volgende spelregels voor de reserve ‘ ncidentele crisistaken’.

▪ De besteding van de middelen uit de reserve is uitsluitend voorbehouden voor aanwending gekoppeld aan de doelen van de reserve; ▪ De onttrekking aan de reserve voor een in de begroting opgenomen incidentele (formatiegerelateerde)activiteit mag nooit meer bedragen dan het bedrag dat daadwerkelijk in een boekjaar is besteed; ▪ De activiteiten die worden ondernomen met dekking uit deze reserve voor ‘ ncidentele crisistaken’ zullen worden gepland en beschreven in de begroting en verantwoord in de jaarstukken; ▪ Bij de begroting wordt een apart overzicht opgesteld van de mutaties in de reserve, zodat de gemeenten jaarlijks in één oogopslag kunnen zien waar de middelen voor worden ingezet en wat de totale omvang van de reserve is per balansdatum. Tabel 28 Inzet middelen reserve ‘Incidentele crisistaken’ dr

x € 1.000

Totaal

Bestemmingsreserve 'Incidentele crisistaken'

2024

2025

2026

2027

2028

2029 2025-2029

Beginsaldo

287

368

1.393

1.298

1.196

1.085

287

Rijksbijdrage ministerie v.BZK Rijksbijdrage ministerie v.J&V- DG Oekraïne Rijksbijdrage ministerie v.J&V- DG Asiel Geoormerkte middelen voor kernbezetting Reservering CNO-overheadvergoeding Totaal toevoegingen

82 82

78 116 500 678 1.372

78 116 194

78 116 194

78 116 194

78 116 194

388 582 500 82 678 2.230

-

-348 -348

-289 -289

-297 -297

-305 -305

-314 -314

-1.552 -1.552

368

1.393

1.298

1.196

1.085

965

965

Kernbezetting incidentele crisistaken Totaal onttrekkingen Eindsaldo (31-12)

De reservering van de CNO-overheadvergoeding heeft betrekking op de tweede helft van 2025 en is nog onzeker, aangezien de duur van de opvang op verschillende locaties nog niet is vastgesteld en de bijbehorende begroting nog kan wijzigen en moet worden afgestemd met het COA. Het bedrag voor de t eede helft van (€ ,7 mil oen) ordt gereserveerd en gestort in de bestemmingsreserve ‘incidentele crisistaken’ voor de uitvoering van crisistaken. 4.5.3.7 Bestemmingsreserve meldkamer Vanaf 3 juni 2025 moet de meldkamerfunctie brandweer en multidisciplinaire opschaling van de regio’s trecht en levoland ooi en Vechtstreek samengevoegd en operationeel zi n als

50

onderdeel van de Meldkamer Midden-Nederland. Deze reserve is ingesteld als kostendekking voor de project- en frictiekosten voorafgaand aan de ingebruikname van de nieuwe meldkamer. De reserve is gevoed met middelen die door het Rijk en de Nationale Politie voor dit doel zijn toegekend. Bij de jaarrekening wordt bepaald wat de werkelijk project- en frictiekosten zijn geweest en worden afwijkingen ten opzichte van de begroting verrekend met deze reserve.

4.6

Weerstandsvermogen en risicobeheersing

Het weerstandsvermogen kan worden omschreven als de mate waarin de organisatie in staat is om omvangrijke financiële tegenvallers op te vangen, zonder dat het beleid behoeft te worden aangepast. Risicobeheersing is gericht om de schadelijke gevolgen van risico’s zo veel mogeli k te voorkomen of te beperken. De bedrijfsvoeringreserve laat de weerstandscapaciteit van de VRU zien. Binnen deze capaciteit kunnen de risico’s (mogeli ke toekomstige financi le tegenvallers) orden opgevangen. Tabel 29 Beschikbare weerstandscapaciteit dr

x € 1.000

Beschikbare weerstandscapaciteit

2025

2026

Bedrijfsvoeringsreserve per 1 januari Resultaatbestemming 2024

1.409 1.232

2.641

Totaal weerstandscapaciteit

2.641

2.641

In het voorstel voor resultaatbestemming bij de jaarstukken 2024 is een storting van € , mil oen in de (algemene) bedrijfsvoeringsreserve opgenomen. Dit is nodig om het weerstandsvermogen van de VRU op het gewenste niveau te brengen in relatie tot de huidige risico’s, zoals opgenomen in de kadernota VRU 2026 en de tweede bestuurlijke rapportage VRU 2024. n de volgende tabel zi n de belangri kste financi le risico’s eergegeven, voor zover bekend ten tijde van het opstellen van de ontwerpbegroting VRU 2026 & geactualiseerde begroting VRU 2025. Daarbij is een analyse gemaakt van de omvang en de kans dat het risico zich voordoet waaruit de benodigde weerstandscapaciteit volgt. De risico’s orden vervolgens nader toegelicht.

51

Tabel 30 Benodigde weerstandscapaciteit dr

x € 1.000

Nr. Benodigde weerstandscapaciteit

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6

Omgevingswet Vrijwilligheid brandweerpersoneel Overeenkomsten van opdracht voor eigen personeel (OVO's) Rijksbijdrage (BDuR) CAO Regeling voor vervroegd uittreden (RVU) Overige (onvoorziene) exploitatierisico's Totaal

Effect

Kans

Bedrag risico

200-500 3.084 560 1.490 100

50% 25% 50% 75% 50%

175 771 280 718 50 647 2.641

Onze benodigde weerstandscapaciteit wordt periodiek geëvalueerd en geactualiseerd aan de hand van de (financi le) risico’s aarmee de VR ordt geconfronteerd. it de recente risicoinventarisatie bli kt dat de risico’s zi n toegenomen, at resulteert in een grotere behoefte aan weerstandscapaciteit (€ ,64 miljoen). Een belangrijke factor hierbij is het risico op een korting van 10% op de rijksbijdrage (BDuR) vanaf 2026. Daarnaast is het bestaande risico met betrekking tot de vrijwilligheid (verplichtend karakter) nader gekwantificeerd. Deze ontwikkelingen tonen aan dat de huidige weerstandscapaciteit van € , 1 miljoen ontoereikend is om de risico’s volledig af te dekken. Daarom is bij de resultaatbestemming over 2024 voorgesteld om het weerstandsvermogen te verbeteren door een storting in de algemene reserve van € ,23 miljoen. Hiermee is de weerstandscapaciteit weer op niveau en in lijn met de voorschriften van het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV). 4.6.1 Omgevingswet De Omgevingswet is per 1 januari 2024 ingevoerd. Het Rijk en de bestuurlijke partners hebben afspraken gemaakt over het monitoren en evalueren van de financiële gevolgen van de stelselherziening Omgevingsrecht. De minister heeft de gemeenten toegezegd naar oplossingen te zoeken als uit de financiële evaluatie blijkt dat de invoeringskosten substantieel hoger zijn dan eerder voorzien.

De veiligheidsregio’s hebben geen extra middelen gekregen vanuit de rijksoverheid voor de structurele gevolgen van deze stelselherziening. Op dit moment onderzoekt zo el de VN als Cebeon (namens de Veiligheidsregio’s) de implicaties van de invoering. Ons eerste beeld is dat de kosten per advies stijgen, door toename van de tijdsbesteding aan meer complexe aanvragen en processen en doordat het benodigde kennis- en competentieniveau (en daarmee de inschaling) van de medewerkers omhoog moet om deze complexe aanvragen te behandelen. Toelichting effect en kans De structurele kosten voor de VR orden geschat op € , tot , mil oen. Deze kosten hebben met name betrekking op personeelskosten. Enerzijds door een nieuw type advies over de omgevingsvisie, -plannen en programma’s (kerninstrumenten). Anderzi ds zullen de kosten per advies stijgen, door toename van de tijdsbesteding aan meer complexe aanvragen en processen en doordat het benodigde kennisniveau (en daarmee de inschaling) van de medewerkers omhoog

52

moet om deze complexe aanvragen te behandelen. De kans dat dit risico zich voordoet in 2025 is ingeschat op gemiddeld (50%). Uitgangspunt blijft dat de (structurele) meerkosten worden vergoed door het Rijk. 4.6.2 Vrijwilligheid brandweerpersoneel Het huidige brandweerstelsel is gebaseerd op een combinatie van vrijwillige en beroepsbrandweer, waarbij alle brandweermensen dezelfde taak- en opleidingsvereisten hebben. Vooral de kazernering en consignatie van vrijwilligers blijken echter strijdig met de Europese wetgeving (deeltijdrichtlijn). Volgens juridische experts ontstaat er een 'verplichtend karakter' wanneer vrijwilligers tegen een vergoeding in een gepland rooster werken (kazernering) of beschikbaar zijn (consignatie), waardoor ze aanspraak kunnen maken op dezelfde rechten als werknemers in loondienst. Dit omvat onder meer dezelfde uurlonen, pensioenopbouw en vakantiedagen. Binnen onze regio wordt op een aantal plaatsen gewerkt met roosters, piketten en kazernering van vrijwilligers. In 2022 heeft een inventarisatie plaatsgevonden om de omvang voor de VRU in kaart te brengen. Dit leverde het volgende beeld op: • 141 gekazerneerde vrijwilligers. • 441 geconsigneerde vrijwilligers en 43 vrijwillige piketfunctionarissen.

Er vindt op landelijk niveau overleg plaats over een implementatieplan en de voorwaarden voor invoering, inclusief mogelijke aanpassing van de arbeidstijdenwetgeving en aanvullende financiële middelen. Kazernering vrijwilligers Bij kazernering verblijven vrijwilligers tijdens een ingeroosterde dienst op een brandweerpost. Dit kunnen zij doen naast hun reguliere vrijwillige taken. Voor deze gekazerneerde diensten ontvangen zij een vergoeding op basis van hun vrijwilligersaanstelling. In Zeist, bijvoorbeeld, worden vrijwilligers gekazerneerd in de avond en nacht. Als dit door Europese regelgeving zou moeten worden omgezet naar een 24-uursdienst, bedragen de meerkosten naar verwachting € , mil oen per aar. Naast de kazernering in Zeist kunnen vrijwilligers ook via een poolregeling 24-uursdiensten draaien op beroepsposten. Dit vult roostertekorten aan en voorkomt inhuur of het buiten dienst zetten van voertuigen op beroepsposten. Consignatie vrijwilligers Bij consignatie ontvangt een vrijwilliger een vergoeding om beschikbaar te zijn voor uitrukken, met een rooster dat opkomst garandeert. De huidige kosten voor deze beschikbaarheidsvergoedingen bedragen circa € , mil oen per aar. Als dit in de vorm van een parttime aanstelling zou worden georganiseerd, zouden de kosten naar schatting vier keer hoger uitvallen, van € , naar € 6 mil oen.

Met het egvallen van de huidige vergoedingen (€ , mil oen) zouden de meerkosten circa € , miljoen per jaar bedragen. Dit bedrag is indicatief en afhankelijk van de precieze organisatievorm en de keuze om wel of niet te eisen dat de opkomst bij een vrijwilligerspost (op basis van vrije instroom) gegarandeerd is.

53

Vergoeding eventuele meerkosten door het Rijk De VRU is van mening dat de huidige werkwijze moet worden voortgezet totdat er landelijk besluitvorming plaatsvindt over de bou steen ‘verplichtend karakter’ en de financiering hiervan door het Rijk. Omdat het Rijk verantwoordelijk is voor het brandweer- en crisisbeheerstelsel, zouden wijzigingen hierin ook door het Rijk gefinancierd moeten worden. Toelichting kans en effect Ondertussen blijft het risico bestaan dat op grond van de Europese regelgeving aanspraak wordt gemaakt op de deelti drichtli n. De omvang van het risico ordt ingeschat op € , mil oen per aar (meerkosten omzetting naar 24-uursdienst). 4.6.3 Overeenkomst van opdracht voor eigen personeel (OVO’s) Een deel van de instructiewerkzaamheden wordt op basis van een overeenkomst van opdracht (OvO) uitgevoerd. Ditzelfde geldt voor een beperkt aantal andere taken. De OvO’s orden meestal verstrekt aan VRU-medewerkers, die deze werkzaamheden vervullen naast hun reguliere werkzaamheden. Gelet op de aard en de omstandigheden van de werkzaamheden bestaat het risico dat er - ondanks de toepassing van de modelovereenkomst (inhuur) - feitelijke sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking. Dit kan arbeidsvoorwaardelijke en fiscale consequenties hebben(7).

Uitgevoerde beoordelingen (beoordeling arbeidsrelatie externe inhuur) voor de instructiewerkzaamheden wijzen op een (fictieve) dienstbetrekking. Dit geldt in het bijzonder voor OvO’s die orden verstrekt aan eigen personeel. Mede om die reden is in en 2022 geprobeerd om de OvO’s voor eigen mede erkers af te bou en. Er is onderzocht of er een i ze van verloning mogelijk is die past binnen de fiscale kaders, onze budgettaire ruimte en de arbeidsjuridische context. Helaas blijkt geen van de onderzochte mogelijkheden in de praktijk te matchen met het bijzondere karakter die onze vakbekwaamheid en daarmee uiteindelijk onze repressieve paraatheid vraagt. De erk i ze met OvO’s ordt ook gehanteerd bi andere veiligheidsregio’s. In dit licht is besloten om te werken naar een landelijke oplossing die aansluit op de ophanden zijnde ontwikkelingen in het landelijke brandweeronderwijs en de uitkomsten van de onderzoeken rond de mogelijke impact van de zaken rond het verplichtend karakter (vrijwilligheid). In de tussentijd blijft het nodig om een deel van de werkzaamheden op basis van een OvO door eigen medewerkers te laten verrichten, waarmee de arbeidsvoorwaardelijke en fiscale risico’s bli ven bestaan.

Toelichting effect en kans Voor het berekenen van de extra werkgeverslasten zoals loonheffing en aanvullende werkgeverslasten is een opslagpercentage van ruim 50% toegepast op het budget dat nu nodig is voor de instructiewerkzaamheden die op basis van een overeenkomst van opdracht worden uitgevoerd. Tot op heden was het fiscale risico beperkt door het zogenaamde handhavingsmoratorium op de van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (DBA). Per 1 januari 2025 is het handhavingsmoratorium op schijnzelfstandigheid in Nederland afgeschaft. Dit betekent dat de Belastingdienst vanaf die datum zal gaan handhaven op schijnzelfstandigheid en

7 in het geval van een dienstbetrekking moet de werkgever loonheffingen en premies inhouden en afdragen. Daarnaast moet de werkgever loon

doorbetalen bij ziekte en vakantie en zijn de arbeidsvoorwaarden van toepassing (zoals opbouw IKB en specifieke regels bij ontslag) en moet worden voldaan aan de arbeidstijdenwet.

54

weer met terugwerkende kracht correctieverplichtingen, naheffingsaanslagen en boetes kan opleggen. In het eerste jaar (2025) worden er boetes opgelegd, mits bedrijven kunnen aantonen dat ze actief werken aan het voorkomen van schijnzelfstandigheid. De kans dat dit risico zich voordoet in 2025 is nu ingeschat op 50%. 4.6.4 Rijksbijdrage (BDuR) In het Hoofdlijnenakkoord van het nieuwe kabinet is afgesproken dat per 2026 een groot deel van de specifieke uitkeringen wordt overgeheveld naar het gemeentefonds, waarbij een korting van 10% wordt toegepast. De rijksbijdrage (Brede Doeluitkering Rampenbestrijding, BDuR) is daar – per abuis – ook onder geschaard. Hiermee zou een einde komen aan de hybride financiering van de veiligheidsregio’s (gemeenten en ri k). Het idee achter de korting is dat een besparing kan worden gerealiseerd op de verantwoordingslast. Bij de rijksbijdrage is dit nagenoeg niet aan de orde, omdat dit bedrag in één keer als ontvangst ordt verant oord via de ‘Single information Single audit (SiSa)’-systematiek, waardoor de verantwoordingslasten minimaal zijn. Inmiddels heeft het kabinet besloten dat de BDuR blijft bestaan als specifieke uitkering en daarmee niet wordt overgeheveld naar het gemeentefonds. De korting van 10% is nog niet van de baan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/646/documents/19936