B13. Staat van Utrecht, Special 67+ in de provincie Utrecht.pdf
Tekst van het document
67+
in de provincie Utrecht UITDAGINGEN EN KANSEN VOOR 2040
1
Het onderwerp van deze special sluit aan op de activiteiten van de Utrechtse regionale Taskforce ‘Thuis in de samenleving – Wonen, Zorg, Welzijn Ouderen 2040’. In deze Taskforce zijn vertegenwoordigd: Axion Continu, gemeente Amersfoort, gemeente Nieuwegein, Hogeschool Utrecht: lectoraten ‘Proactieve zorg voor thuiswonende ouderen’, ‘Maatschappelijke dienstverlening’ en ‘Participatie, Zorg en Ondersteuning’, IVVU, kennisplatforum Utrecht Sociaal (kUS), NUZO, Portaal, Stedelijk Platform Ouderen, U-Centraal, WELZIN/indebuurt033, Zilveren Kruis.
2
Inhoud
Inleiding
5
4
Samenvatting en kernboodschappen Samenvatting Overkoepelende kernboodschappen
7 7 14
Mobiliteit buitenshuis Mobiliteitsgebruik Verkeersveiligheid
30 30 32
5
Deel I Utrechtse ouderen en hun fysieke omgeving
16
Veiligheid Veiligheidsbeleving Ondervonden delicten Sociale veiligheid
34 34 35 37
1
Bevolkingsprognoses ouderen 2040 Aantallen 65-plussers in de toekomst Verschillende groepen ouderen
17 17 18
2
Provincie ingedeeld naar typen gemeenten Verschillen tussen gemeenten SCP-indeling in vier typen gemeenten
22 22 22
3
Wonen Ouderen en zelfstandig wonen Woonconcepten voor ouderen Seniorvriendelijke woonomgeving
25 25 27 28
Deel II Utrechtse ouderen en hun sociale omgeving
38
6
Werk en inkomen Arbeidsdeelname 55-plussers Pensioen en AOW Armoede
39 39 39 42
7
Sociale activiteiten en vrijetijdsbesteding Tevredenheid met het leven Sociale contacten Lid van een vereniging Mantelzorg bieden en vrijwilligerswerk Culturele participatie Sporten Vakantie en recreatie
44 44 44 45 47 49 50 50
8
Burgerschap en participatie Digitalisering
Deel III Utrechtse ouderen en hun gezondheid 9
Leefstijl en eigen regie Bewegen Overgewicht Alcoholconsumptie Regie over de eigen gezondheid
51 52
54 55 55 56 57 57
10 Fysieke gezondheid Algemene gezondheid en levensverwachting Beperkingen en chronische aandoeningen Dementie
58 58 59 61
11 Zorggebruik Mantelzorg (ontvangen) Zorg geregeld via Wmo, Zvw en Wlz Ambulante medische zorg Intensieve (intramurale) ouderenzorg
65 65 66 68 69
12 Mentaal welbevinden Psychische en welzijnsklachten Eenzaamheid Zingeving Autonomie en regie
72 72 74 75 77
13 Zorgtechnologie en -innovatie Toepassing van technologie in ouderenzorg Zorgtechnologie in de praktijk: mogelijkheden in vogelvlucht Zorgtechnologie roept nieuwe ethische vraagstukken op
80 80 81 84
Bronnen
Aanvullende tabellen Colofon
86
88 92
Inleiding
In honderd jaar tijd (van 1950 naar 2050) neemt het aantal 65-plussers in Nederland in meer dan zesvoud toe: van 771.000 midden vorige eeuw naar volgens verwachting 4.851.000 midden deze eeuw. Daarmee komen er niet alleen getalsmatig meer ouderen bij in onze samenleving, maar ook de verhoudingen veranderen sterk. Was in 1950 één op de dertien inwoners ouder dan 65, in 2040 is dat één op de vier. En het is vooral die verschuiving die grote maatschappelijke impact heeft. Zo komt bijvoorbeeld de beschikbaarheid van mantelzorg onder druk te staan. We kunnen er niet zomaar meer van uitgaan dat iedere zorgbehoevende oudere in eigen kring voldoende mensen heeft die ondersteuning kunnen bieden. Ook op het gebied van huisvesting en (ouderen)inkomen worden de verhoudingen anders. Het maakt verschil of we als samenleving voor één op de dertien inwoners een senior-vriendelijke woning moeten hebben, of voor één op de vier. En of de economie te maken heeft met een verhouding ‘ouderen’ en ‘werkenden’ (grijze druk) van 14%, zoals in 1950, of van 46% zoals verwacht in 2050. Gelukkig is het anno 2022 niet meer zo dat de leeftijd van 65 jaar, zoals in 1950, nog steeds het kantelpunt is waarop het spreek woordelijke achter de geraniums zitten begint. Er is sprake van
groei van een actieve nieuwe generatie jongere ouderen (soms tot ver in de tachtig), die krachtig in het leven staat en van niet te overschatten maatschappelijke waarde is. Dit neemt niet weg dat oplettendheid geboden is. Senioren blijven steeds langer leven en de kans dat zij ooit een beroep moeten doen op ondersteuning en voorzieningen neemt daarmee toe. Een samenleving die hier geen aandacht aan besteedt en zich focust op inwoners die vooral gezond, mobiel en zelfredzaam zijn, zal ernstig tekort schieten. In deze special brengen we een reeks (wetenschappelijke) data en analyses bij elkaar die zicht geven op de positie van ouderen op een 13-tal hoofdthema’s. Waar mogelijk presenteren we prognosecijfers en kijken we naar toekomstbeelden. De focus van deze special ligt uiteraard op inwoners van de provincie Utrecht, echter zijn niet van alle onderwerpen regionale data voorhanden. Als we het over ouderen hebben, zullen we vaak om praktische redenen 65-plus als beginpunt hanteren. Dit heeft te maken met het feit dat deze leeftijdsgrens decennialang als norm gebruikt is door planbureaus om ‘werkenden’ van ‘AOW-gerechtigden’ te onderscheiden. We hopen echter ook zoveel mogelijk nuanceringen in beeld te kunnen brengen en laten zien hoe gedifferentieerd en veelkleurig de levens van senioren werkelijk zijn.
5
6
Samenvatting en kernboodschappen
Samenvatting Met de focus op het jaar 2040 brengen we in deze special een reeks (wetenschappelijke) data en analyses bij elkaar die zicht geven op de positie van ouderen in de provincie Utrecht. Het achterliggende belang is het feit dat er zich de komende decennia een belangrijke sociale transformatie gaat voltrekken. De verhouding tussen het aandeel oudere- en jongere volwassenen in onze samenleving gaat drastisch veranderen, waarbij het aandeel van die laatste groep sterk afneemt. Dit levert een paar zeer zorgwekkende vooruitzichten op. Is er dan nog wel voldoende zorgcapaciteit voor al deze ouderen? Kunnen zij allemaal op een passende manier wonen? Op dit soort vragen moet nu al geanticipeerd worden. Gelukkig is de komst van nieuwe generaties ouderen niet alleen iets om bezorgd over te zijn. Zij zullen ook een krachtige en energieke rol gaan spelen in de samenleving. We brengen hun situatie zo goed mogelijk in kaart. Bevolking Het aantal 65-plussers in de provincie Utrecht groeit van 236.000 in 2021 naar 355.000 in 2040, een netto stijging van 119.000. Opvallend bij deze groei is dat er een verschuiving plaatsvindt van gemeenten met het hoogste aandeel 65-plussers. Zijn dat in 2021 nog Baarn, De Bilt en Utrechtse Heuvelrug, in 2040 zullen dat Lopik, Wijk bij
Duurstede, Leusden en De Ronde Venen zijn. Gemeenten met het laagste percentage 65-plussers zijn zowel in 2021 als in 2040 Utrecht en Amersfoort. Er zal volgens de voorspellingen een dubbele vergrijzing plaats gaan vinden: er komen én meer ouderen én deze zijn vaker van een oudere leeftijd. De verwachting is dat er in 2040 in de provincie Utrecht bijna 115.000 inwoners wonen van 80 jaar of ouder. Er worden ook steeds meer eenpersoonshuishoudens verwacht onder de ouderen. Het aandeel alleenwonende vrouwen zal daarbij veel groter blijven dan het aandeel alleenwonende mannen. Gemeentelijke verschillen Voorspellingen over de bevolkingsontwikkelingen in de provincie Utrecht, zeggen nog niets over de verschillende sociale contexten waarin de inwoners hun ‘oudere dag’ doorbrengen. Of je in de ene gemeente oud wordt of in de andere, kan veel verschil uitmaken. Het SCP onderscheidt dan ook vier typen gemeenten, die ieder een eigen profiel hebben op het gebied van sociale-, economische- en gezondheidskenmerken. Deze profielen onderstrepen het belang van nauwkeurig blijven kijken wat er binnen een gemeente speelt waar het om ouderen gaat. In deze special worden waar mogelijk cijfermatige uitsplitsingen naar gemeente gegeven. Hier vindt u een overzicht van alle betreffende indicatoren.
7
Wonen Op het gebied van wonen, speelt ten aanzien van ouderen meer dan alleen ‘een onderkomen hebben’. Het gaat bij diverse groepen ouderen ook om de vraag of zij over een voor hen passende woning beschikken én hoelang zij helemaal zelfstandig kunnen wonen zonder dat de kwaliteit van hun leven in het geding is. Is dat laatste het geval dan moet er ook een zorgcomponent aan het wonen worden gekoppeld. Dit kan bijvoorbeeld door een keuze te maken uit een specifiek op ouderen gerichte reeks woonzorgconcepten. Ouderen kunnen dan in verschillende gradaties van zelfstandigheid leunen op informele en/of professionele zorg uit de directe omgeving. Het overheidsbeleid is er de afgelopen decennia op gericht geweest ouderen zo lang mogelijk zelfstandig te laten wonen. Onderzoek naar de vraag of alle woningen geschikt zijn of gemaakt kunnen worden voor de groeiende groep ouderen wijst uit dat dit niet het geval is. Voor de provincie Utrecht geldt momenteel de verwachting dat in 2040 12% van de woningen waar 75-plussers wonen onge schikt is voor deze groep en ook niet aangepast kan worden. Om het zelfstandig wonen voor ouderen zoveel mogelijk te onder steunen, zijn in de toekomst ook meer voorzieningen op wijkniveau nodig. Het PBL spreekt over de inrichting van zogenoemde wijk servicegebieden.
Deze kenmerken zich door een relatief groot aantal voorzieningen gericht op ouderen in de wijk en een nauwe samenwerking tussen zorg- en welzijnspartijen. 8
Mobiliteit De meeste ouderen zijn gemiddeld genomen tevreden met hun eigen mobiliteit. Voor 1 op de 10 55-plussers en voor 1 op de 7 75-plussers geldt dit echter niet. Zij geven hun eigen mobiliteit een onvoldoende. Senioren in de leeftijd van 65 tot 75 jaar zijn momenteel relatief zeer mobiel te noemen: zij zijn gemiddeld meer onderweg (441 uur per jaar) dan Nederlanders gemiddeld (425 uur). In deze leeftijdsgroep wordt relatief ook het meeste gefietst van alle Nederlanders. Ouderen in het algemeen zijn daarnaast ook naar verhouding de grootste groep autobezitters. Het autobezit van 80-plussers (375 per 1.000 inwoners) is meer dan twee maal zo hoog als dat van jongvolwassenen tussen de 18 en 25 jaar (172 per 1.000 inwoners). Het gebruik van bus, tram of metro is onder ouderen relatief laag: 62% van de 75-plussers geeft aan zich (bijna) nooit hiermee te verplaatsen. Een belangrijk aandachtspunt in de mobiliteit van ouderen is het feit dat zij relatief vaak een (ernstig) fietsongeluk krijgen. Criminaliteit en veiligheid Naarmate de leeftijd toeneemt, voelen Nederlanders zich buiten huis relatief minder vaak onveilig. Zowel in het algemeen als waar het de eigen buurt betreft. Een uitzondering wordt gevormd door veiligheidsgevoelens in de avonduren. Dan voelen ouderen zich op straat relatief onveiliger dan Nederlanders gemiddeld.
Ouderen doen ’s avonds ook minder vaak de deur open dan inwoners
gemiddeld. Naarmate de leeftijd toeneemt, vermindert ook het aantal ondervonden delicten. De meest voorkomende delicten liggen voor zowel Nederlanders gemiddeld als voor senioren op het gebied van online criminaliteit. Identiteitsfraude in de vorm van phishing/pharming (hierbij probeert de cybercrimineel gegevens van gebruikers te verkrijgen via nep-versies van echte websites of nep-mails van organisaties) komt relatief iets vaker voor onder 65– tot 75-jarigen dan bij Nederlanders totaal, evenals hackinbraken op de computer. Waar het de sociale veiligheid van ouderen betreft (binnen de thuissituatie) zien we dat het aandeel 65-plussers dat in het afgelopen jaar te maken heeft gehad met psychisch geweld, gemiddeld in de provincie Utrecht op 4,3% ligt. Werk en inkomen Het aandeel 60- tot 64-jarigen dat betaald aan het werk is, is sinds de afgelopen twee decennia aan het stijgen. Begin 2022 is bijna tweederde (64%) van deze groep aan het werk, begin 2000 ging het nog om één op de vijf. Ook onder oudere leeftijdsgroepen zijn nog relatief veel werkenden: 21% van de 65- tot 70-jarigen en 8% van de 70- tot 75–jarigen voert nog betaalde werkzaamheden uit. Waar het gaat om de vraag of ouderen goed rond kunnen komen van hun inkomen, bleek dit in 2020 voor 6% van Utrechtse 65-plussers niet zo te zijn – een cijfer dat duidelijk lager ligt dan voor 18– tot 64–jarigen (10%).
Voor ouderen uit migratielanden als Turkije, Marokko, Suriname en de voormalige Nederlandse Antillen geldt
dat zij gemiddeld lagere inkomens hebben dan in Nederland geboren ouderen. Wat de toekomst van alle ouderen betreft wordt voorzien dat nieuwe generaties 75-plussers gemiddeld vaker en/of langer hebben deelgenomen aan het arbeidsproces dan huidige 75-plussers, en daarmee meer aanvullend pensioen zullen hebben opgebouwd. Sociale activiteiten en vrijetijd Senioren tussen de 65 en 75 jaar (87%) blijken gemiddeld tevre dener met hun leven, dan volwassenen gemiddeld in Nederland (84%). Voor de groep 75-plussers ligt dit percentage op bijna 85%. Het zijn vooral ook de 65– tot 75–jarigen die relatief vaker lid zijn van een vereniging dan Nederlanders gemiddeld. Dit geldt met name voor politieke partijen, vakbonden, consumentenorganisaties, patiëntenverenigingen, milieuorganisaties en hobbyverenigingen. Op sportief gebied zien we dat meer ouderen tegenwoordig sporten (37% van de 65-plussers), dan bijvoorbeeld twintig jaar geleden (27%). Opvallend hierbij is dat er een fors verschil is naar opleidingsniveau. Van de hoger opgeleide 65-plussers beoefent in 2020 52% wekelijks een sport, tegen 28% van de lager opgeleiden. Op het gebied van cultuur zien we bij de 65-plussers vooral boven gemiddelde interesses voor het bezoeken en actief zijn op het gebied van erfgoed, en iets ondergemiddelde interesse op het gebied van de kunsten.
Binnen het gebied van de kunsten zijn ouderen gemiddeld vaker geïnteresseerd in klassieke muziek, dans en toneel dan bijvoorbeeld in populaire podiumkunst en film. 9
31% van alle 65-plussers in de provincie Utrecht doet aan vrijwilligerswerk. Dit is iets meer dan de groep 18– tot 64-jarigen. 16% van alle 65-plussers in de provincie verleende in 2020 minimaal drie maanden en/of minimaal acht uur per week mantelzorg. Wat het onderhouden van sociale contacten betreft, blijkt dat één op de tien senioren in de provincie Utrecht geen contact heeft met vrienden en/of buren. Voor een op de zestien geldt dit voor contact met familieleden. Burgerschap en participatie Van alle Nederlanders die zeer geïnteresseerd zijn in politiek, gaat het relatief het vaakst om 75-plussers. 17% van de 75-plussers geeft aan zeer geïnteresseerd te zijn in politiek, ten opzichte van 13% van de Nederlanders gemiddeld. Het aandeel mensen dat niet geïnteresseerd is in politiek is in alle leeftijdsgroepen zo goed als gelijk (17%). Senioren van 65 jaar en ouder hebben in 2021 gemiddeld minder vertrouwen in andere mensen en organisaties dan Nederlanders gemiddeld. Een belangrijke uitzondering hierop vormt het vertrouwen in kerken. 75-plussers hebben hier beduidend meer vertrouwen in (38,1%) dan Nederlanders gemiddeld (29,2%). Het minst vertrouwen hebben 75-plussers in 2021 in ambtenaren (34,5%), Tweede Kamer (34,6%) en grote bedrijven (34,8%). Het meeste vertrouwen hebben zij in de politie (80%) en rechters (70,2%).
10
Waar het digitale vaardigheden betreft zien we dat ouderen een achterstand hebben ten opzichte van jongere generaties. Ruim een kwart van de 65– tot 75–jarigen heeft meer dan alleen basisvaardigheden op het digitale vlak. Dit is veel minder dan de groep 25– tot 45– jarigen (64%). Naar verwachting zullen nieuwe generaties ouderen in de toekomst relatief minder vaak op achter stand staan. Zij hebben in hun leven dan al veel langer met com puters te maken gehad en zullen gemiddeld ook hoger opgeleid zijn dan de huidige oudere generatie. Leefstijl en regie over eigen gezondheid In de periode 2016-2020 voldoet in heel Nederland 38% van de 65-plussers aan de beweegrichtlijnen van de Gezondheidsraad. Dat is minder dan volwassenen gemiddeld (48%). We zien ook een sterke variatie naar sociaaleconomische status (SES): 65-plussers met een lage sociaaleconomische status voldoen beduidend minder (25%) aan de beweegrichtlijnen dan 65-plussers met een hoge sociaaleconomische status (57%). Bij 55% van de inwoners van 65 jaar en ouder in de provincie Utrecht is sprake van overgewicht, en bij 16% is er sprake van ernstig overgewicht. 19% van de 65-plussers in de provincie wordt momenteel gezien als overmatige drinker (mannen drinken meer dan 14 glazen alcoholhoudende drank per week, vrouwen meer dan 7 glazen).
Verschillen die zich voordoen in gezondheid, worden voor een belangrijk deel toegeschreven aan het feit dat mensen verschillende gezondheidsvaardigheden hebben. Dit zijn ‘de vaardigheden om informatie over gezondheid te verkrijgen, begrijpen, te beoordelen en te gebruiken bij het nemen van gezondheidsgerelateerde beslissingen’. In de toekomst zal ook sterk gelet moeten worden op verschillen die er zijn onder ouderen in inkomenspositie. Het is niet ondenkbaar dat in geval er sprake is van krapte op de markt van professionele zorgverlening, de meer bemiddelde ouderen vaker in staat zijn om particulier zorg in te kopen. Zij zullen daarmee minder risico lopen op suboptimale verzorging en ondersteuning.
gaat het om de aantasting van de cognitieve vaardigheden waarbij zich geheugenproblemen, veranderingen in gedrag en beperkingen in het uitvoeren van dagelijkse handelingen kunnen voordoen. Momenteel zijn er naar schatting 19.000 mensen in de provincie Utrecht die aan dementie lijden. De verwachting is dat dit er in 2050 47.000 zijn. Er zal in de toekomst samenlevingsbreed sterker moeten worden ingespeeld op de toename van het aantal inwoners met dementie. Zij zullen in toenemende mate zichtbaar zijn in-, en gebruik willen maken van de openbare ruimte. Er zijn vanuit de Rijksoverheid verschillende initiatieven gestart voor het ontwikkelen van een dementievriendelijke samenleving.
Fysieke gezondheid Bijna 70% van de 65-plussers in de provincie Utrecht ervaart zijn of haar gezondheid als goed of zeer goed. 8% geeft aan zich ernstig beperkt te voelen vanwege gezondheidsproblemen. Het aandeel 65-plussers dat minimaal één beperking heeft op het gebied van horen, zien of lichamelijke mobiliteit, is voor de hele provincie gemiddeld 23%. Gezondheidsklachten die het meest voorkomen onder de 65-plussers zijn klachten aan het bewegingsapparaat (68%), klachten als hoofdpijn, duizeligheid en tintelingen (43%) en luchtwegklachten (39%).
Zorggebruik Mantelzorgers zullen in de zorg voor ouderen een steeds belang rijkere rol gaan spelen. Het is volgens deskundigen van belang dat zij zo goed mogelijk gefaciliteerd en ondersteund worden, bijvoorbeeld ook door gemeenten. Overbelasting van mantelzorgers schaadt niet alleen de zorgers zelf maar kan ook leiden tot verwaar lozing, verkeerde behandeling of zelfs mishandeling van de hulp behoevende.
De gezondheidsaandoening met de grootste impact op het persoon lijke en sociale leven van ouderen is voor velen dementie. Hierbij
Waar het gaat om ambulante zorg, zien we dat senioren van 65 jaar en ouder in de provincie Utrecht vaker gebruik maken van diensten van huisartsen, medisch specialisten of een sociaal wijkteam, dan volwassenen van 18 tot 64 jaar. Met de verwachte 11
toename van het aandeel ouderen in de samenleving wordt voor zien dat er grote knelpunten ontstaan op het gebied van beschik baarheid van zorg in brede zin. De prognose voor het aantal Wmo-maatwerkvoorzieningen in de provincie Utrecht is dat deze gaat groeien van 63.000 in 2020 naar 99.000 in 2040. Wat betreft wijkverpleegkundige zorg wordt een groei in de provincie Utrecht verwacht van 14.000 zorgvragers in 2020 naar ruim 25.000 zorgvragers in 2040. De vooruitzichten op het gebied van intramurale, intensieve zorg zijn dat er in de regio Utrecht tot 2040 10.515 extra intramurale (of alternatieve) plaatsen voor verzorging en verpleging van ouderen bij moeten komen. Dit vormt een toe name van 100% ten opzichte van 2020. Mentaal welbevinden en welzijn Gemiddeld in de provincie Utrecht, is er bij 3% van de 65-plussers sprake van een hoog risico op angststoornissen en depressieve klachten. Dit cijfer ligt lager dan voor alle volwassen inwoners gemiddeld (5,5%). In het algemeen geldt voor de ouderen in de provincie dat ze relatief minder vaak zorgcontacten hebben met GGZ-hulpverleners en vrijgevestigde psychologen dan inwoners van 18– tot en met 64 jaar. Daarentegen hebben ze relatief wel vaker dan de jongere generaties contact met iemand van het wijkteam.
Op het gebied van eenzaamheid zien we dat 65-plussers (9,1%) gemiddeld iets minder vaak ernstig eenzaam zijn dan de 18– tot en met 64–jarigen (10%). 12
Onderzoek (door CBS) naar zingeving laat zien dat 75-plussers relatief minder vaak het gevoel hebben iets bij te dragen aan de maatschappij dan jongere generaties. Het laat ook zien dat mensen die in niet-verstedelijkte gebieden wonen, het leven gemiddeld meer de moeite waard vinden dan mensen in de meest verstedelijkte gebieden. Alhoewel het CBS hier niet concreet op ingaat, kan hier voor de provincie Utrecht uit afgeleid worden dat zingevingsvraagstukken onder inwoners in sterk verstedelijkte gemeenten als Utrecht, Amersfoort, Nieuwegein, Veenendaal en Zeist, extra aandacht behoeven. Voor 65-plussers speelt daarnaast dat zij relatief vaker dan de jongere generaties, onvoldoende regie over het eigen leven ervaren. Bij de 65-plussers gaat het om 12% van de inwoners van de provincie Utrecht, bij de middengroep volwassenen om 7%. Door de Raad voor Ouderen wordt specifiek aandacht gevraagd voor de eigen regie ten aanzien van de invulling van de laatste levensfase. De Raad pleit onder meer voor een centrale, toegankelijke plek voor informatie op dit gebied en scholing voor eerstelijnszorg op dit onderwerp. Zorgtechnologie en -innovatie Al langere tijd is er sprake van grote technologische innovatie processen in de zorg, vooral ook waar het ouderen betreft. Veel ontwikkelingen op dit gebied zijn in volle gang en het einde van de mogelijkheden lijkt nog lang niet in zicht.
Het Trimbos instituut meldt dat er in de ouderenzorg momenteel per
woonvoorziening gemiddeld acht verschillende zorgtechnologieën in gebruik zijn. Positieve kanten van de nieuwe technologieën zijn dat het kan ondersteunen bij het langer zelfstandig wonen van ouderen, zorgmedewerkers hun tijd effectiever kunnen benutten, zorgvragers potentieel meer regie kunnen houden over het zorgproces en hun gezondheid effectiever kan worden ondersteund. De nieuwe zorgtechnologieën roepen echter ook belangrijke ethische vraagstukken op die nog niet maatschappelijk zijn uitgekristalliseerd. Bijvoorbeeld in hoeverre zorgrobots het menselijke zorgcontact zouden mogen vervangen en wanneer het gebruik van sensoren in de leefomgeving van een zorgvrager, diens autonomie en privacy in het geding brengt.
De opkomst van de zorgtechnologie vraagt ook om nieuwe competenties van professionals. Verwacht wordt bijvoorbeeld dat (medische) zorg steeds meer in de thuisomgeving gaat plaatsvinden. Zorgprofessionals zullen in toenemende mate over generalistische competenties moeten beschikken, zoals kunnen samenwerken in multi-professionele teams, maar ook mobiel en flexibel kunnen inspelen op locatiewisselingen. Het vinden en opleiden van voldoende personeel met de juiste variatie in competenties, die aansluiten op de diverse zorgvraag, zal een uitdaging blijven voor de toekomst.
13
Overkoepelende kernboodschappen Bij ouderenbeleid niet alle gemeenten over één kam scheren: De gemeenten in de provincie Utrecht verschillen sterk wat de omvang van het aantal oudere inwoners betreft, zowel in absolute als in relatieve zin. Daarnaast zijn er ook belangrijke verschillen per gemeente waar het gaat om sociale-, economische- en gezondheidskenmerken van ouderen. Al deze verschillen geven aan dat er binnen de provincie niet naar één soort van ouderenbeleid gestreefd moet worden, maar dat differentiatie naar de aandachtsgebieden die er per gemeente leven van belang is. De woonsituatie van ouderen vraagt om intensieve aandacht: Vooruitlopend op de situatie van 2040 spelen er drie categorieën hoofdproblemen bij de huisvesting van ouderen. 1. Op de eerste plaats gaat het om (toekomstige) ouderen die in hun eigen woning willen blijven wonen. Hierbij speelt de vraag of deze woning geschikt is, ofwel geschikt gemaakt kan worden voor bewoning door een oudere. Prognoses wijzen op dit moment uit dat 12% van de woningen van 75-plussers in de provincie niet geschikt zal zijn voor ouderenbewoning. 2. Op de tweede plaats gaat het om ouderen die willen uitstromen uit hun (gezins)woning en willen settelen in een kleinere zelfstandige woonruimte, of bijvoorbeeld in woonruimte met een specifiek ouderen-zorg-concept.
Reeds nu al stagneren de doorstroommogelijkheden voor deze groep ouderen sterk vanwege krapte op woningmarkt. Met de voorziene groei van het aandeel verhuis-willende ouderen, moeten de mogelijkheden voor ouderen op dit gebied de komende tijd zeer somber worden ingeschat.
14
3. Tenslotte is er de groep ouderen van wie verwacht wordt dat zij intensieve, mogelijk intramurale zorg nodig zullen hebben in de toekomst. Ook hier worden voor de provincie Utrecht explosieve stijgingen verwacht. Prognoses wijzen uit dat rekening moet worden gehouden met een noodzakelijke verdubbeling van de huidige capaciteit aan verpleegplekken. Tekorten aan menskracht kan tot (ernstig) kwaliteitsverlies in de zorg leiden: In 2040 is een kwart van de bevolking in de provincie Utrecht 65 jaar of ouder, en deze groep zal naar verhouding steeds meer zorg nodig hebben terwijl het aandeel jongere volwassenen (die professioneel of informeel zorg kunnen verlenen) juist sterk afneemt. Dit gaat leiden tot een spagaat op zorggebied. Scenario’s en problemen die hierbij overdacht moeten worden zijn: • Meer druk op mantelzorg: Door de verwachte tekorten aan zorgprofessionals, zal de druk op mantelzorgers (nog) groter worden. Deze druk kan voor potentieel grote problemen zorgen. Mogelijk moeten mensen mantelzorg gaan verlenen die daar eigenlijk niet bereidwillig toe zijn, mogelijk moeten ouderen mantelzorg ontvangen van naasten waar zij zich niet comfortabel bij voelen en mogelijk wordt de druk voor mantelzorgers zo hoog dat zij overbelast raken en/of de kwaliteit van de zorg in het geding raakt.
Ook zal rekening gehouden moeten worden met het feit dat mantelzorgers in toenemende mate hun taken moeten uitvoeren naast een betaalde baan. Dit vraagt onder andere om groeiende behoefte aan mogelijkheden om tijd- en plaatsonafhankelijk te werken.
• Zorgtechnologie kan niet alles opvangen: Alhoewel de voor uitzichten zeer gunstig zijn waar het de ontwikkeling en imple mentatie van nieuwe zorgtechnologieën betreft, kan deze niet zomaar als vervanging van de door mensen uitgevoerde zorg worden gezien. Ethische vraagstukken hieromtrent zullen nog maatschappelijk moeten worden gewogen, waarbij vooral ook de autonomie en privacy van de zorgvrager centraal staat. Daarnaast zullen nieuwe generaties professionals moeten worden opgeleid die in relatief complexe zorgnetwerken met multiproblematiek van ouderen te maken krijgen. • Risico op tweedeling kwaliteit van de zorg tussen meer en minder bemiddelde ouderen: Naarmate de beschikbare capaciteit aan zorgprofessionals en mantelzorgers verder onder druk komt te staan, zullen ouderen die de financiële middelen hebben om op de particuliere markt zorg en ondersteuning in te kopen, in het voordeel zijn. Hiermee kan onbedoeld een tweedeling ontstaan in de kwaliteit van de zorg die ouderen ontvangen: minder bemiddelde ouderen lopen een groter risico op suboptimale verzorging en ondersteuning. Geheugenproblematiek wordt ziektebeeld waar men maatschap pelijk rekening mee moet houden: Er wordt door deskundigen een grote toename verwacht van het aantal mensen met dementie. De groei van het aantal ouderen én het feit dat mensen een langere
levensverwachting hebben, indiceert dit. In de provincie Utrecht zijn er in 2040 naar schatting 38.000 mensen met deze ziekte. Hierbij moet er rekening gehouden worden met het feit dat er een groot grijs gebied is in de periode tussen dat de ziekte zich gaat openbaren en het moment dat er een definitieve diagnose gesteld is. Men zal in de toekomst rekening moeten houden met het feit dat geheugenproblematiek zich dan ook manifesteert op diverse terreinen van het openbare leven. Er zijn inmiddels vanuit de rijksoverheid initiatieven gestart voor het ontwikkelen van een dementievriendelijke samenleving. Krachtige nieuwe generaties ouderen verwacht in de provincie Utrecht: De provincie Utrecht kenmerkt zich momenteel door het feit dat inwoners relatief gezond zijn en er veel hoogopgeleiden wonen. Er zijn weinig redenen om aan te nemen dat dit beeld de aankomende decennia sterk zal veranderen. Dat betekent dat er voor toekomstige generaties ouderen – gemiddeld genomen – gunstige vooruitzichten zijn wat betreft hun gezonde levensverwachting en bijvoorbeeld hun (digitale) gezondheidsvaardigheden. Landelijk wordt ook voorzien dat toekomstige generaties ouderen een relatief gunstigere inkomenspositie zullen hebben dan de ouderen van nu. Dit hangt samen met het feit dat ze in de toekomst gemiddeld genomen langer pensioen hebben opgebouwd.
15
Deel I
Utrechtse ouderen en hun fysieke omgeving
16
1
Bevolkingsprognoses ouderen 2040
Aantallen 65-plussers in de toekomst Aantal 65-plussers groeit tot 2040 met 119.000 Het aantal ouderen gaat fors toenemen. Kijken we naar de bevol kingscijfers van 2021 en zetten we die af tegen prognosecijfers over 2040, dan zien we dat de provincie Utrecht in 2021 236.000 inwoners van 65 jaar en ouder telt (17% van de totale bevolking) en in 2040 naar schatting 355.000 inwoners (25% van de totale bevolking), een netto stijging van 119.000. De stijging van het aandeel ouderen zal niet in iedere Utrechtse gemeente even sterk zijn. Het aandeel 65-plussers zal tussen 2021 en 2040 naar verwachting het sterkst groeien in Lopik (van 18% naar 32%), IJsselstein (van 18% naar 30%), Houten (van 16% naar 27%) en Wijk bij Duurstede (van 21% naar 32%). Daarmee treedt er een verschuiving op in de gemeenten met het hoogste aandeel 65-plussers nu en in 2040. Wonen in 2021 nog relatief de meeste ouderen in Baarn, De Bilt en Utrechtse Heuvelrug (alle drie 24%), in 2040 zijn dat Lopik (32%), Wijk bij Duurstede (32%), Leusden (31%) en De Ronde Venen (31%). Gemeenten met relatief het laagste aandeel 65-plussers zijn zowel in 2021 als in 2040 Utrecht (11% - 20%) en Amersfoort (15% - 23%).
17
Tabel 1.1 Aantal en aandeel 65-plussers in Utrechtse gemeenten 2021-2040 Stand 2021 Totaal aantal inwoners
Prognose 2040 Aantal inwoners 65+
% inwoners 65+
Totaal aantal inwoners
Aantal inwoners 65+
% inwoners 65+
Amersfoort
157.462
24.268
15%
173.100
40.600
23%
Baarn
24.792
6.038
24%
26.000
6.900
27%
De Bilt
43.384
10.450
24%
42.700
11.800
28%
Bunnik
15.341
3.426
22%
16.400
4.700
29%
Bunschoten
22.019
3.642
17%
25100
6.000
24%
Eemnes
9.362
1.971
21%
10.000
2.800
28%
Houten
50.223
7.980
16%
55.000
15.100
27%
IJsselstein
33.819
6.140
18%
33.500
10.200
30%
Leusden
30.544
6.928
23%
31.300
9.800
31%
Lopik
14.456
2.619
18%
13.900
4.500
32%
Montfoort
13.896
2.769
20%
13.800
4.200
30%
Nieuwegein
63.866
13.199
21%
67.800
17.800
26%
Oudewater
10.138
2.171
21%
10.900
3.000
28%
Renswoude
5.556
832
15%
6.000
1.500
25%
Rhenen
20.203
4.374
22%
21.100
6.300
30%
De Ronde Venen
44.720
9.517
21%
43.600
13.300
31%
Soest
46.906
10.593
23%
47.200
13.200
28%
Stichtse Vecht
65.108
13.652
21%
65.000
17.700
27%
Utrecht
359.370
37.915
11%
433.200
84.700
20%
Utrechtse Heuvelrug
49.946
12.202
24%
51.100
14.100
28%
Veenendaal
66.912
12.338
18%
71.200
16.400
23%
Vijfheerenlanden
57.829
11.692
20%
60.800
16.600
27%
Wijk bij Duurstede
23.925
5.059
21%
24.400
7.800
32%
Woerden
52.694
10.190
19%
53.700
14.400
27%
Woudenberg
13.639
2.590
19%
16.200
4.300
27%
Zeist
65.043
13.810
21%
70.600
17.200
24%
Provincie Utrecht
1.361.153
236.365
17%
1.445.700
354.700
25%
Nederland
17.475.415
3.457.535
20%
18421400
4804500
26%
Bron:CBS
18
Verschillende groepen ouderen Meer oudere ouderen (dubbele vergrijzing) Kijken we iets preciezer naar het aantal 65-plussers in de toekomst, dan kunnen we ook een aantal subgroepen onderscheiden. Het NIDI (Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut) voorspelt bijvoorbeeld een algehele sterke toename van het aantal 80-plussers in de toekomst en noemt dit de ‘dubbele vergrijzing’: er komen én meer ouderen én deze zijn van een ‘oudere’ leeftijd. Het instituut schat dat het aandeel 80-plussers in Nederland in 2050 tussen de 8% en 13% uitkomt. (NIDI, 2021) Tabel 1.2 geeft een beeld van het aantal ouderen per leeftijdsgroep in de komende decennia binnen de provincie. Volgens deze prognose zijn er in 2040 114.700 inwoners van 80 jaar of ouder.
Tabel 1.2 Prognose aantal inwoners provincie Utrecht vanaf 65 jaar, 2020-2050 65 tot 70 jaar
70 tot 75 jaar
75 tot 80 jaar
80 tot 85 jaar
85 tot 90 jaar
90 tot 95 jaar
95 jaar of ouder
2020
67.000
62.300
41.500
28.500
16.900
7.200
1.900
2030
83.400
70.400
57.300
47.400
24.500
10.100
2.700
2040
84.000
83.000
73.100
55.700
36.000
18.500
4.500
2050
74.900
70.200
74.700
67.800
48.700
24.000
7.700
Bron: CBS
Verschillen tussen mannen en vrouwen Al langere tijd is de gemiddelde levensverwachting van vrouwen hoger dan van mannen. Volgens de prognoses zal dat ook de komende decennia het geval blijven. In 2020 was de levens verwachting (het gemiddeld aantal nog te verwachten levensjaren op een bepaalde leeftijd) bij de geboorte 79,7 jaar voor mannen en 83,1 jaar voor vrouwen. Als men de leeftijd van 65 heeft bereikt, verandert de prognose. Mannen die in 2020 65 jaar zijn geworden, worden naar verwachting gemiddeld 83,6 jaar en vrouwen 86,2 jaar. Vrouwen hebben vanaf hun 65ste dus gemiddeld 2,6 jaar langer te leven dan mannen. (VZinfo)
woont blijft dat van seniore mannen sterk overstijgen. Het aantal alleenwonende vrouwen van 65 jaar of ouder zal volgens de prog nose groeien van 655 duizend in 2015 naar bijna 1,2 miljoen in 2050. Het aantal alleenwonende mannen in die leeftijdscategorie groeit in die periode naar verwachting van 260 duizend naar 650 duizend. In 2015 waren in deze leeftijdscategorie vier op de tien vrouwen alleenwonend en bijna twee op de tien mannen. Naar verwachting wonen in 2050 bijna vijf op de tien vrouwen van 65 jaar of ouder alleen, tegen drie op de tien mannen in deze leeftijdsgroep. Bewoners van een verzorgings- of verpleeghuis zijn in deze tellingen niet meegenomen. (CBS, 2016)
Verschillen in groei zijn ook terug te vinden in de huishouden samenstelling van ouderen in de toekomst. Het CBS voorspelt dat de sterkste groei zal plaatsvinden in het aantal eenpersoons huishoudens. (CBS, 2015) Het aandeel seniore vrouwen dat alleen
Overigens zien we, als we terugblikken op de afgelopen twintig jaar, dat ouderen de afgelopen decennia relatief vaker in het huwelijk treden. Was in 2000 7% van het aantal huwenden 50 jaar of ouder, in 2010 gaat het om 11% en in 2020 om 18%. (CBS) 19
Tabel 1.3 Prognose aantal en aandeel ouderen met een niet-westerse migratieachtergrond provincie Utrecht in 2040
Amersfoort
Aandeel ouderen met een migratie-achtergrond Prognosecijfers over hoeveel inwoners van 65 jaar of ouder in 2040 een migratie-achtergrond hebben zijn momenteel nog niet voor alle gemeenten voorhanden. Voor de gemeenten waar wel cijfers over bekend zijn, zien we vooral relatief hoge verwachte aantallen ouderen met een niet-westerse migratie-achtergrond in de gemeenten Amersfoort (circa 4.500), Nieuwegein (circa 1.800) en Veenendaal en Zeist (ieder circa 1.500).
Prognose aantal 65-plussers met een niet-westerse migratieachtergrond [2040]
Prognose % 65-plussers onder bevolking met niet-westerse migratieachtergrond [2040]
Prognose % 80-plussers onder bevolking met niet-westerse migratieachtergrond [2040]
4.452
15%
3%
Baarn
478
11%
3%
Bunnik
221
9%
2%
Bunschoten
321
11%
2%
De Bilt
617
12%
3%
De Ronde Venen
*
*
*
Eemnes
131
9%
2%
Houten
789
15%
4%
IJsselstein
971
17%
4%
Leusden
513
10%
2%
Lopik
180
11%
2%
Montfoort
190
10%
2%
Nieuwegein
1.776
17%
4%
Oudewater
111
10%
2%
Renswoude
46
10%
3%
Rhenen
253
12%
2%
Soest
923
13%
3%
*
*
*
Stichtse Vecht Utrecht Utrechtse Heuvelrug Veenendaal
*
*
*
709
12%
3%
1.474
16%
3%
Vijfheerenlanden
*
*
*
Wijk bij Duurstede
312
12%
3%
Woerden
912
14%
3%
Woudenberg
156
11%
3%
Zeist
1.486
14%
3%
Totaal muv * gemeenten
17.021
14%
3%
Bron: ggdru.buurtmonitor.nl *Hier zijn geen cijfers van voorhanden
20
21
2
Provincie ingedeeld naar typen gemeenten
Verschillen tussen gemeenten
SCP-indeling in vier typen gemeenten
Om een slag dieper te kunnen kijken dan alleen naar de bevolkings omvang van een gemeente, heeft het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) een nieuwe systematiek ontwikkeld. (SCP, 2021) In deze systematiek kunnen gemeenten specifieker gekarakteriseerd worden. De indeling is gebaseerd op een groot aantal samen gebrachte (kwantitatieve) data op met name het gebied van het sociale domein. Het SCP onderscheidt vier soorten gemeenten: • Kleinschalige gemeenten • Overwegend kleinstedelijke gemeenten • Universiteitssteden • Welvarende woongemeenten
Kleinschalige gemeenten (Bunschoten, IJsselstein, Lopik, Montfoort, Oudewater, Renswoude, Rhenen, Veenendaal, Vijfheerenlanden, Wijk bij Duurstede, Woerden, Woudenberg) Met ‘kleinschalige gemeenten’ doelt het SCP op steden met een gemiddelde omvang van rond de 30.000 inwoners, waarbij een relatief groot aandeel van hen in traditioneel gezinsverband leeft. Relatief weinig inwoners wonen alleen en ook eenoudergezinnen komen relatief weinig voor. Naar verhouding veel inwoners hebben een laag opleidingsniveau, maar als het gaat om het inkomen is het beeld gemiddeld; zowel uitschieters naar boven als naar beneden komen niet zo vaak voor. Dat het vermogen toch vrij hoog is, wijst mogelijk op een groot aandeel woningbezitters. De bevolkings samenstelling kan als relatief homogeen en traditioneel worden omschreven. Weinig inwoners hebben een migratieachtergrond. Een groot aandeel inwoners (35%) is actief als vrijwilliger. Relatief weinig inwoners zijn eenzaam. In de provincie Utrecht woont 25% van de totale bevolking in een kleinschalige gemeente. Dat is minder dan in heel Nederland, waar het om 36% gaat.
Onderstaand lichten we toe hoe deze indeling van toepassing is voor de gemeenten in de provincie Utrecht. De profielen helpen om de positie van ouderen beter te kunnen duiden. In de praktijk blijkt (ook uit ons eigen onderzoek) dat er tussen gemeenten grote verschillen zijn in de mate waarin ouderen zich bijvoorbeeld eenzaam voelen, of langdurig te maken hebben met armoede. Door hier rekening mee te houden, kunnen partijen die zich bezighouden met de zorg voor ouderen op basis van maatwerkanalyses komen tot effectievere planvorming. In deze special worden van 63 indicatoren gegevens gepresenteerd op gemeenteniveau. Hier vindt u een overzicht van deze indicatoren. 22
Gemeenten provincie Utrecht ingedeeld naar typologie van Sociaal Cultureel Planbureau
overwegend kleinstedelijke gemeenten Eemnes
welvarende woongemeenten
Bunschoten
kleinschalige gemeenten
De Ronde Venen
universiteitssteden
Baarn Amersfoort Stichtse Vecht
Soest De Bilt Leusden
Woerden
Zeist
Utrecht
Woudenberg Renswoude
Monfoort IJsselstein
Oudewater
Bunnik Nieuwegein Houten
Lopik
Utrechtse Heuvelrug
Veenendaal
Wijk bij Duurstede Rhenen
Vijfheerenlanden
23
Overwegend kleinstedelijke gemeenten (Amersfoort, Nieuwegein en Zeist) Overwegend kleinstedelijke gemeenten bieden een stedelijk woon milieu op een kleinschaliger niveau dan wat vaak onder een stad verstaan wordt. Het gaat om woongemeenten in de nabijheid van grotere steden of om gemeenten met een regionale centrumfunctie. Relatief veel inwoners van dit type gemeenten hebben een laag opleidingsniveau, een laag inkomen en weinig eigen vermogen. Er wonen naar verhouding veel mensen met schulden en/of mensen die een WAO-uitkering ontvangen. Daarmee herbergen deze gemeenten relatief veel kwetsbare bewonersgroepen. Ongezonde leefstijlen komen hier vrij vaak voor en er wonen relatief veel inwoners met een lichamelijke beperking. Relatief weinig inwoners doen vrijwilligerswerk en naar verhouding veel inwoners voelen zich eenzaam. In de provincie Utrecht gaat het om 21% van de totale bevolking ten opzichte van 32% in heel Nederland. Universiteitsstad (gemeente Utrecht) De universiteitsstad kenmerkt zich volgens de indeling van het SCP door inwoners die relatief vaak jong zijn en alleen wonen. Verder is de samenstelling van de bevolking divers: tegenover een groot aandeel inwoners met een laag inkomen, schulden en/of een WW-uitkering staat ook een groot aandeel hoogopgeleiden. Gemiddeld heeft ruim een derde van de inwoners een migratieachtergrond.
Relatief weinig inwoners doen vrijwilligerswerk. Net als bij de over24
wegend kleinstedelijke gemeenten ligt ook hier het aandeel rokers hoog en zijn veel mensen eenzaam, maar overgewicht komt hier juist relatief weinig voor. In de provincie Utrecht gaat het om 26% van de totale bevolking, ten opzichte van 25% in heel Nederland. Welvarende woongemeenten (Baarn, De Bilt, Bunnik, Eemnes, Houten, Leusden, De Ronde Venen, Soest, Stichtse Vecht en Utrechtse Heuvelrug) Qua gemiddeld inwonertal onderscheidt dit type gemeente zich niet van de kleinschalige woongemeenten. Gemiddeld genomen zijn de inwoners op hoge leeftijd en vooral welvarend. Het aan deel huishoudens met hoge inkomens is hoog, net als het vermogen. Het aandeel hoogopgeleiden ligt hier nog hoger dan in de universiteitssteden. Gemiddeld genomen hebben inwoners een gezonde leefstijl. Ook zijn relatief weinig mensen eenzaam. Vrij veel bewoners doen vrijwilligerswerk (33%). In de provincie Utrecht woont 28% van de totale bevolking in dit type gemeente, ten opzichte van 8% in heel Nederland. Provincie Utrecht kenmerkt zich door relatief hoog aandeel ‘welvarende woongemeenten’ Overkoepelend gezien kenmerkt de provincie Utrecht zich, ten opzichte van Nederland gemiddeld, door een relatief hoog aandeel ‘welvarende woongemeenten’ en een relatief laag aandeel ‘kleinschalige gemeenten’ en ‘overwegend kleinstedelijke gemeenten’.
3
Wonen
Ouderen en zelfstandig wonen Wonen voor ouderen gaat over zowel de woning als het zorgaspect De woonsituatie van ouderen brengt, anders dan die voor volwas senen in het algemeen, een aantal extra vraagstukken met zich mee. Een van de belangrijkste vragen is: hoelang kan een oudere nog zelfstandig geacht worden te wonen als er serieuze zorgbehoeften spelen? Tot wanneer is de woning van een oudere geschikt om te bewonen (gelet op veiligheidsaspecten en toeganke lijkheid) en tot wanneer is het zelfstandig wonen van de oudere nog wenselijk gezien diens zorgbehoeften? Wonen gaat dus én over ‘stenen’ én over ‘veiligheid en zorg’. Zo lang mogelijk zelfstandig wonen is al langere tijd de overheidsnorm Het overheidsbeleid is de afgelopen decennia sterk gericht op het zo lang mogelijk zelfstandig laten wonen van ouderen. Vooralsnog wordt dit beleid ook de komende decennia voorgestaan. Het aandeel ouderen dat in een instelling woont, is in de afgelopen twintig jaar sterk teruggelopen. Op dit moment woont 95% van de 70-plussers in Nederland zelfstandig, en 5% in een instelling. Utrechtse
gemeenten waar dit aandeel hoger ligt zijn Zeist (9%), Baarn (8%) en Utrechtse Heuvelrug (7%). Gemeenten waar dit aandeel lager ligt zijn Eemnes en Renswoude (1%) en Montfoort, Nieuwegein, Lopik en De Ronde Venen (2%). Niet alle woningen zijn geschikt voor ouderen Lang niet alle huidige woningen van senioren zijn geschikt voor bewoning als de (lichamelijke) conditie achteruit gaat. In het geval verhuizen (nog) geen wens of optie is wordt gekeken naar de noodzaak om bijvoorbeeld drempels te verwijderen, deuren te verbreden of een traplift aan te brengen. IVVU/Sinfore (2022) heeft onderzocht in welke mate woningen in de provincie Utrecht geschikt zijn voor ouderen (75+) in 2040, er van uitgaande dat bewoners in de tussentijd niet verhuizen of overlijden. Er wordt daarbij een driedeling gehanteerd: (a) geschikte of aanpasbare woning nabij voorzieningen (b) geschikte of aanpasbare woning niet nabij voorzieningen en (c) ongeschikte woningen. Uit het onderzoek blijkt dat in 2020 16% van de 75+huishoudens in een woning woont die ongeschikt is voor de bewoning door ouderen en ook niet aangepast kan worden. In 2040 komt dit cijfer uit op 12%.
25
Tabel 3.1 Woonsituatie van personen van 70 jaar en ouder naar zelfstandig wonend of wonend in instelling (2021) Zelfstandig wonend
Wonend in een instelling
aantal Totaal Nederland
Zelfstandig wonend
Wonend in een instelling
aantal per 1 000 inwoners (70+) 2.384.735
117.870
953
47
Amersfoort
16.350
895
948
52
Baarn
4.190
345
924
76
Bunnik
2.495
80
969
31
Bunschoten
2.505
160
940
60
De Bilt
7.395
525
934
66
De Ronde Venen
6.810
150
978
22
Eemnes
1.415
15
988
12
Houten
5.040
180
966
34
IJsselstein
4.275
215
952
48
Leusden
4.750
220
956
44
Lopik
1.755
40
978
22
Montfoort
2.045
35
982
18
Nieuwegein
9.095
175
981
19
Oudewater
1.555
80
950
50
Renswoude
605
10
987
13
Rhenen
3.130
135
959
41
Soest
7.810
210
974
26
Stichtse Vecht
9.355
410
958
42
Utrecht
25.200
1.450
946
54
Utrechtse Heuvelrug
8.720
660
930
70
Veenendaal
8.465
395
956
44
Vijfheerenlanden
8.030
520
939
61
Wijk bij Duurstede
3.335
100
971
29
Woerden
7.160
295
961
39
Woudenberg
1.800
85
954
46
Zeist
9.410
910
912
88
Bron: CBS
26
Ouderen bereiden zich maar gedeeltelijk voor op toekomstige woonbehoeften Huiseigenaren van 55 jaar of ouder, denken maar gedeeltelijk na over hun toekomstige woonsituatie. Recent onderzoek onder 82.000 huiseigenaren van 55 jaar of ouder laat zien dat 49% hier wel over nagedacht heeft, maar geen stappen heeft ondernomen. Ruim een kwart (27%) van deze groep denkt er over om de huidige woning aan te passen. Belangrijkste redenen om niet te willen verhuizen zijn dat men zich gehecht voelt aan de eigen woning, men de huidige woonlasten als gunstig ervaart en het aanbod aan geschikte woningen om naar te verhuizen, beperkt vindt. 40% van de degenen die hebben nagedacht over hun toekomstige woonsituatie denkt aan een verhuizing naar een koopwoning en 10% aan een verhuizing naar een huurwoning. Belangrijkste redenen om te willen verhuizen zijn het feit dat de huidige woning als te groot wordt gezien en/of niet goed kan worden aangepast. Bij een eventuele verhuizing gaat de voorkeur uit naar een appartement. Gelijkvloers is een belangrijk criterium, evenals het hebben van twee slaapkamers. Overigens blijkt uit het onderzoek dat 12% van de ondervraagde 55-plussers nog niet heeft nagedacht over de toekomstige woonsituatie. Ze geven daarbij vooral als reden zich nu nog gezond te voelen en te jong om hier al over na te denken. (Ruigrok Netpanel, 2022)
Verpleeghuizen
Zorg nabij
Kleinschalige woonzorggroep
Woonzorggroep
Woonzorgcomplex Kangoeroewoning
Gestippelde woonzorggroep Serviceflat
Mantelzorgwoning
Individueel wonen
Leerzorgcomplex
Aanleunwoning
(Inter)generationale zorgwoning
Zorghofje
Gemeenschappelijk wonen
Zorgresidentie
Seniorenwoning
Hofjeswoning (Inter)generationale woning Kleinschalige
Levensloopbestendige woning
woongroep
Zorg op afstand Oorspronkelijk concept
Bestaande uitwerking
Bron: StijlvolOuder 2019; Harkes & Witter 2018; bewerking PBL
Woonconcepten voor ouderen In de afgelopen decennia zijn tal van woonconcepten tot ontwikke ling gekomen, die specifiek geënt zijn op senioren. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) deelde deze concepten in langs twee assen: de ‘zorg-as’ (is er behoefte aan zorg nabij, dan wel op afstand) en de ‘gemeenschappelijkheids-as’ (wil men individueel blijven wonen of in de nabijheid van andere ouderen). Dit levert tal van ‘mengvormen’ op, zoals te zien op bijgaande infographic. (PBL, 2020c) Voorbeelden van woonconcepten voor ouderen • Aanleunwoning: Een woning voor ouderen in de buurt van een zorginstelling. Gelijkvloers, rolstoeltoegankelijk en verbonden met de zorginstelling (alarmeringssysteem, gebruik voorzieningen en diensten). • Intergenerationeel wonen: Ouderen en jongeren wonen in eenzelfde complex. . De bewoners worden gestimuleerd bij te dragen aan een levendige gemeenschap, zoals een kopje koffie drinken of activiteiten organiseren. • Kangoeroewoning: Twee zelfstandige wooneenheden met een eigen voordeur die intern verbonden zijn. Zo kunnen ouderen zelfstandig wonen en deel uitmaken van het huishouden van de mantelzorger.
27
• Kleinschalig wonen voor ouderen met intensieve zorg vraag: Een kleine groep ouderen met intensieve zorg- en ondersteuningsvraag woont gezamenlijk in een groepswoning. • Luxe woon(zorg)residenties: Luxe appartementen met voor zieningen en de mogelijkheid tot zorg (op afroep). • Mantelzorgwoning: De mantelzorger woont in een woning op het terrein van de zorgbehoevende. Dit kan ook omgekeerd zijn waarbij de zorgbehoevende een woning heeft op het terrein van de mantelzorger. • Thuishuis: Een kleinschalige woonvorm in de eigen wijk, waar 5-7 alleenstaande ouderen samenwonen, met een eigen woon kamer, slaapkamer en badkamer/toilet. Daarnaast zijn er gemeenschappelijke ruimtes zoals een woonkamer, keuken en tuin. De woning is centraal gelegen en wordt ondersteund door vrijwilligers. Het is bedoeld voor ouderen die niet alleen willen wonen en/of (dreigen te) vereenzamen. • Woongroepen voor ouderen. Een wooncomplex met ouderen, of een gemengde vorm waarbij ook andere bewoners zich in het complex bevinden. • Woonzorgcomplex: Een complex met in meerderheid woningen voor zelfstandig wonende ouderen, gericht op beschut wonen, met componenten van zorg en welzijn. Geschikt voor mensen met een lage zorgvraag. Er is een indicatie voor nodig en bewo ners krijgen een budget om zorg in te kopen. De (vaak goed betaalbare) huur is voor eigen rekening. 28
• Woon(zorg)hof: Een woonconcept waarin ouderen, soms met andere generaties, rond een gezamenlijke binnenplaats/tuin wonen. Hierbij wordt extra waarde gehecht aan nabuurschap. In sommige gevallen wordt zorg integraal bij het woonconcept aangeboden (woonzorghof). Een bekend voorbeeld is het zoge noemde Knarrenhof. (Mol, Ouderen langer zelfstandig thuis! Maar hoe dan?, 2021), (PBL, 2020c)
Seniorvriendelijke woonomgeving Naast de vraag of de woning geschikt is voor een oudere, moet ook gekeken worden naar de directe omgeving waar de oudere woont. Er moet rekening gehouden worden met het feit dat de actieradius van senioren met het vorderen van de leeftijd afneemt. Langer zelfstandig wonen van ouderen vraagt volgens het PBL daarom ook om een functioneel en fysiek geschikte woonomgeving. Een woonomgeving is functioneel geschikt als primaire voorzieningen binnen een loopafstand van 500 meter van de woning (over de weg) bereikbaar zijn. Het gaat dan om een arts, apotheek, supermarkt, en openbaarvervoer halte. De afstand van 500 meter staat voor vitale 70-plussers gelijk aan zo’n 10 tot 20 minuten wandelen. De fysieke woonomgeving heeft ook betrekking op de kwaliteit en beleving van de openbare ruimte. Zijn er bijvoorbeeld voldoende rust- en ontmoetingsplaatsen, gemakkelijke oversteekplaatsen,
en zijn de voet- en fietspaden breed genoeg? Zijn er laagdrempelige mogelijkheden voor ontspannen, bewegen en hulpvragen? Voor een aanzienlijk aantal ouderen is er in de praktijk sprake van een mismatch: de woningen zijn wellicht geschikt (te maken) voor bewoners op leeftijd, maar de woonomgeving wat minder of andersom. Het PBL spreekt in deze context over de mogelijke toekomstige vorming van zogenoemde woonservicegebieden. Deze kenmerken zich door een relatief groot aantal voorzieningen gericht op ouderen in de wijk en een nauwe samenwerking tussen zorg- en welzijnspartijen, al dan niet in wijkteams. De grens van een woonservicegebied is niet absoluut. Op basis van demografische ontwikkelingen en de lokale zorgvraag kan deze door lokale actoren als gemeente, zorgpartijen en ouderen vertegenwoordigers verder uitgebreid of juist ingeperkt worden. Een bestaand zorgcentrum kan bijvoorbeeld als dienstencentrum voor ouderen gaan functio neren. Alle ouderen die in een straal van zo’n 500 meter van het desbetreffende gebied wonen, kunnen aanspraak maken op zorg en ondersteuning. Het gaat dan zowel om ouderen die binnen een nieuwe woonzorgvorm wonen als om ouderen die in hun eigen aanleun-, eengezinswoning of appartement ouder worden.
Aangezien alle woningen zich bevinden in de directe omgeving van het zorg- en dienstencentrum kan de zorglevering gemakkelijk opgeschaald worden al naar gelang de behoeften van individuele bewoners. (PBL, 2020c)
29
4
Mobiliteit buitenshuis
Mobiliteitsgebruik Groep 65- tot 75-jarigen heeft grootste gemiddelde reisduur per jaar Senioren in de leeftijd van 65 tot 75 jaar, zijn relatief meer ‘onderweg’ dan Nederlanders gemiddeld. Hun gemiddelde reisduur per jaar (met auto, trein, fiets of te voet) is 441 uur, dat van Nederlanders gemiddeld is 425 uur. Bij senioren van 75 jaar of ouder zien we een sterke afname in de gemiddelde tijd dat ze jaarlijks onderweg zijn, namelijk 294 uur. Opvallend is het feit dat de groep 65- tot 75-jarigen veel meer uren op de fiets doorbrengt dan Nederlanders gemiddeld en dan 75-plussers. Het gaat om gemiddeld 114 uur per persoon per jaar, ten opzichte van 92 uur voor Nederlanders gemiddeld en 75 uur voor 75-plussers gemiddeld. (CBS) Overgrote deel 55-plussers nog tevreden over eigen mobiliteit Onderzoek onder 55-plussers laat zien dat het leeuwendeel in 2018 nog tevreden is over de eigen mobiliteit. Minder dan 1 van de 10 gaf de eigen mobiliteit een onvoldoende (een 5 of lager). Redenen hiervoor zijn moeite hebben met lopen of niet kunnen lopen, gevolgd door andere gezondheidsklachten, afhankelijk zijn van anderen om ergens naar toe te gaan, niet kunnen fietsen of moeite hebben met fietsen en niet kunnen autorijden. 75-plussers waren minder vaak tevreden over de mobiliteit dan 55- tot 75-jarigen. Van 30
de 75-plussers gaf 1 op de 7 de eigen mobiliteit een onvoldoende. 75-plussers reden minder vaak auto en fietsten minder dan 55- tot 75-jarigen, wat hun mobiliteit beperkte. (CBS, 2020h) Autobezit van 80-plussers is tweemaal hoger dan dat van 18-25 jarigen In 2020 is het autobezit het hoogst onder de groep 50- tot 65-jarigen. Bij deze leeftijdsgroep zijn er 679 auto’s per duizend inwoners. Onder de 18- tot 25-jarigen is het autobezit met 172 auto’s per duizend inwoners het laagst. Het autobezit van 80-plussers (375 per duizend inwoners) is in 2020 meer dan tweemaal zo hoog als dat van 18-25 jarigen. (CBS, 2020j) Wat betreft het hebben van een rijbewijs zien we dat het aandeel ouderen onder rijbewijsbezitters toeneemt. In 2022 is 23% 65 jaar of ouder, in 2017 was dat nog 20%. 62% van de 75-plussers verplaatst zich (bijna) nooit met bus, tram of metro Kijken we naar vervoerswijzen die ouderen (bijna) nooit gebruiken, dan valt op dat bijna de helft van de 75-plussers (bijna) nooit als bestuurder in een auto stapt, 13% zich (bijna) nooit te voet verplaatst en 62% (bijna) nooit gebruik maakt van bus, tram of metro. We zien dat de groep 65- tot 75-jarigen nog voor 95% aangeeft (bijna) nooit van speciaal (ouderen)vervoer gebruik te maken, maar dat dit voor de 75-plussers is gezakt naar 80%.
31
Tabel 4.1 Wijze van verplaatsen 65-plussers (2018) Percentage dat aangeeft zich (bijna) nooit zo te verplaatsen buitenshuis 65- tot 75-jarigen
75-jarigen of ouder
Het grootste aandeel verkeersongelukken onder ouderen vindt plaats op de fiets. In de provincie Utrecht was in 2018 59% van de slachtoffers van eenzijdige fietsongevallen 50 jaar of ouder. In de leeftijdsgroep 50-59 jaar gaat om relatief veel mannen (61%), en in de leeftijdsgroep 70-79 jaar om relatief veel vrouwen (58%). (Veiligheid.NL, 2020)
auto (als bestuurder)
24%
48%
auto (als passagier)
26%
27%
gewone fiets
41%
64%
Elektrische fiets
60%
68%
Snor- en bromfiets
96%
98%
Trein
51%
68%
Bus, tram of metro
52%
62%
Te voet
4%
13%
12-17 jaar
Scootmobiel
98%
95%
18-24 jaar
Speciaal vervoer*
95%
80%
25-29 jaar
Bron: CBS * Speciaal vervoer voor zieken, gehandicapten en ouderen
Slachtoffers verkeersongevallen provincie Utrecht naar leeftijd en vervoerswijze, 2018 (%) 0-11 jaar
30-39 jaar 40-49 jaar 50-59 jaar
Verkeersveiligheid Verkeersongevallen ouderen vooral op de fiets Ouderen zijn om een aantal redenen kwetsbaarder in het verkeer dan volwassenen in het algemeen. Dit heeft te maken met onder andere functiebeperkingen en grotere lichamelijke kwetsbaarheid. Eenzelfde type auto-ongeluk kan bijvoorbeeld bij een oudere meer lichamelijke impact hebben dan bij een jongere. (SWOV, 2015) 32
60-69 jaar 70-79 jaar 80 jaar en ouder 0%
10%
20%
30%
40%
Fietsen
Personenauto
Motor
Voetganger
Bron: Veiligheid.nl 2020
50%
60%
70%
80%
Brommer/scooter
90%
100%
Het aandeel verkeersdoden door fietsongelukken is onder 60-plussers in heel Nederland hoger dan onder volwassenen gemiddeld. Oudere omgekomen verkeersslachtoffers hadden relatief vaak een fietsongeval, terwijl verkeersslachtoffers jonger dan 60 jaar vaker omkomen bij een auto-ongeluk. (CBS, 2021k) (cbs, 2022r) Verkeersdoden in Nederland naar leeftijd en vervoerswijze, 2021 jonger dan 15 jaar 15-20 jaar 20-30 jaar 30-40 jaar 40-50 jaar 50-60 jaar 60-70 jaar 70-80 jaar 80 jaar en ouder 0
10
20
30
40
50
60
70
80
90
100
110
Fietsen
Personenauto
Brommer/scooter/brommobiel
Motor
Voetganger
Invalidenvoertuig (gemotoriseerd)
120
Bron: CBS 2021
33
5
Veiligheid
Veiligheidsbeleving Ouderen voelen zich relatief minder vaak onveilig dan volwassenen gemiddeld Naarmate de leeftijd toeneemt, lijken ouderen (in heel Nederland) zich relatief minder vaak onveilig te voelen, zowel in het algemeen als waar het de eigen buurt betreft. Op de vraag ‘voelt u zich wel eens onveilig’ antwoordt 32% van alle ondervraagden van 15 jaar en ouder bevestigend, terwijl maar 25% van 65- tot 75-jarigen en 21% van de 75-plussers bevestigend antwoordt. Iets dergelijks doet zich voor bij de meeste vragen die rondom veiligheidsbeleving gesteld zijn door het CBS. Een belangrijke uitzondering wordt gevormd ten aanzien van het tijdstip van de dag; ouderen van 75 jaar of ouder voelen zich ’s avonds op straat relatief vaker onveilig (3,1%) dan inwoners gemiddeld (2,9%) en ook dan de senioren tussen de 65 en 75 jaar (2,4%). Dit resulteert er ook in dat ouderen veel vaker dan Nederlanders gemiddeld, de deur ’s avonds niet opendoen (16% van de 75-plussers ten opzichte van 8% van de Nederlanders gemiddeld). Metingen van (on)veiligheidsgevoelens laten overigens zien dat er over bijna de hele linie sprake is van een afname in onveiligheidsgevoelens onder Nederlanders in de periode 2012 – 2019.
34
Tabel 5.1 (On)veiligheidsgevoelens Nederlanders naar leeftijd en jaar (2012-2019) Alle personen vanaf 15 jaar
Leeftijd: 65 tot 75 jaar
Leeftijd: 75 jaar of ouder
2012
2012
2012
2019
2019
2019
Voelt zich wel eens onveilig (algemeen)
36,6%
31,8%
27,9%
24,5%
26,4%
21,4%
Voelt zich vaak onveilig (algemeen)
1,8%
1,4%
1,3%
1,1%
1,2%
0,9%
Voelt zich wel eens onveilig in buurt
18,0%
14,4%
15,6%
12,6%
16,2%
11,6%
Voelt zich vaak onveilig in buurt
1,7%
1,4%
1,0%
1,1%
1,1%
0,8%
’s Avonds op straat in buurt onveilig (komt vaak voor)
3,7%
2,9%
3,3%
2,4%
4,2%
3,1%
’s Avonds alleen thuis onveilig (komt vaak voor)
2,6%
1,7%
2,1%
1,6%
2,5%
1,7%
Doet ‘s avonds niet open (komt vaak voor)
8,1%
7,9%
12,0%
11,1%
18,3%
15,7%
Rijdt of loopt om (komt vaak voor)
2,6%
2,2%
2,0%
1,6%
2,1%
1,3%
Bron: CBS
Tabel 5.2 Ondervonden delicten naar leeftijd (2019) Ondervonden delicten totaal
Geweldsdelicten totaal
Vermogensdelicten totaal
Vandalismedelicten totaal
Online criminaliteit totaal
Totaal personen 15 jaar en ouder
23,7%
3,1%
12,9%
7,8%
22,3%
Leeftijd: 65 tot 75 jaar
14,7%
1,4%
7,8%
5,5%
15,0%
Leeftijd: 75 jaar of ouder
12,1%
0,8%
7,8%
3,4%
10,2%
Bron: CBS
Ondervonden delicten Minder delicten ondervonden naarmate de leeftijd toeneemt Naarmate de leeftijd toeneemt, vermindert ook het aantal ondervonden delicten onder volwassenen. Metingen uit 2019 geven aan dat in dat jaar 24% van alle Nederlanders van 15 jaar en ouder een delict heeft ondervonden. Voor de groep 65- tot 75-jarigen gaat het om 15% en voor de 75-plussers om 12%. De meest voorkomende delicten liggen voor zowel Nederlanders in het algemeen (22%), als specifiek voor de senioren op het gebied van online criminaliteit (15% voor 65- tot 75-jarigen, 10% voor 75-plussers). Ouderen hebben op gebied van online criminaliteit het meest te maken met hacken Wat betreft de delicten op het gebied van online criminaliteit zien we net als bij de overige delicten globaal een afname naarmate
de leeftijd hoger wordt. Van alle Nederlanders (vanaf 15 jaar) heeft in 2019 ruim 22% te maken gehad met online criminaliteit (identiteitsfraude, koop- en verkoopfraude, hacken en cyberpesten), tegenover 15% van alle 65- tot 75-jarigen en 10% van alle 75-plussers. Er zijn een paar uitzonderingen op deze regel: online identiteitsfraude in de vorm van phishing/pharming (hierbij probeert de cybercrimineel gegevens van gebruikers te verkrijgen via nep-versies van echte websites of nep-mails van organisaties) kwam in 2019 relatief iets vaker voor onder 65- tot 75-jarigen (0,6%) dan onder Nederlanders totaal (0,5%). Ook hack-inbraken op de computer kwamen onder de oudere groepen relatief vaker voor (1,2%) dan onder Nederlanders totaal (0,8%). Hacken vormt het meest ondervonden online delict onder ouderen; in 2019 had 8% van de 65- tot 75-jarigen hier mee te maken en 6% van de 75-plussers. Op de tweede plaats komt cyberpesten, waar 4% van de 65- tot 75-jarigen mee te maken had en 3% van de 75-plussers.