CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

A10 - Ingekomen stuk Staat van Utrecht - Maatschappelijke impact van de coronapandemie.pdf

Gemeenteraad 16 december 2021, gemeente OudewaterBij agendapunt: 6: Lijst ingekomen stukken26.855 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

H2 H3 H4

H5

Thuiswerken gunstiger voor mannen met jonge kinderen dan vrouwen met jonge kinderen Werknemers met jonge kinderen zijn van alle werknemers volgens het SCP de meeste tijd kwijt aan zorgtaken en ervaren de grootste tijdsdruk. Het feit dat zij nu vaker (verplicht) thuiswerken zou daarom naar verwachting een (lichte) verbetering in de werk-privébalans kunnen opleveren. Uit onderzoek blijkt echter dat moeders met kinderen onder de 13 jaar bij thuiswerken geen betere aansluiting tussen werktijden en thuissituatie rapporteren. Dit was overigens ook al zo in de periode voor de coronacrisis. Onder vaders echter blijkt de aansluiting wel te verbeteren bij thuiswerken, zowel ten tijde van de coronapandemie als

37

H1 de periode daarvoor. Zij blijken vaker dan de moeders ook ongestoord thuis te kunnen werken en, zo wordt verondersteld, ervaren daardoor wel de lusten van het thuiswerken (de kinderen vaker zien) maar de niet de lasten (vaker gestoord worden). In de periode dat de scholen en kinderopvang dicht waren, was de werkprivébalans voor ouders met jonge kinderen – thuiswerkend of niet – overigens in het algemeen lastiger, en leverden vooral moeders vrije tijd in. (SCP, 2021 l )

SCP: aandachtspunten voor beleid toekomstig thuiswerken Op basis van het hierboven beschreven onderzoek heeft het SCP de volgende aandachtspunten opgesteld voor diegenen die beleid maken in relatie tot toekomstig thuiswerken. (SCP, 2021 l )

H2 H3 H4

H5

1. Geef werknemers voldoende keuzemogelijkheden om thuis of op locatie te werken. 2. Laat werknemers een grote zeggenschap behouden over werktijden bij thuiswerken. 3. Hou in de gaten of de onderlinge steun van collega’s hoog blijft bij afwisselend op locatie en thuis werken en zorg ervoor dat leren van elkaar voldoende mogelijk blijft. 4. Hou er rekening mee dat werknemers minder gaan thuiswerken dan ze nu aangeven te willen doen, zelfs bij voldoende keuzemogelijkheden. (Mede op basis van angst om daarmee een negatief signaal aan leidinggevenden af te geven). 5. Hou er rekening mee dat thuiswerken de arbeidsdeelname van vrouwen niet of slechts beperkt vergroot. 6. Hou er rekening mee dat de voordelen voor het milieu kleiner uitvallen dan op basis van de voorkeuren van werknemers te verwachten is. (Zie punt vier).

Borging van professionele kwaliteit binnen de organisatie Specialisten op het gebied van de toekomst van het (hybride) werk benoemen in een dagblad hoe het thuiswerken ook van invloed kan zijn op de kwaliteit van de (werk)prestaties binnen een organisatie. Zij signaleren dat hoe groter de ervaring is die je hebt in je werk, hoe beter je netwerk is, hoe groter de kans is

38

H1 dat je een manier van thuiswerken hebt gevonden waar je je goed bij voelt. Daar staat tegenover dat er ook medewerkers zijn die wegkwijnen bij thuiswerken en er zelfs ziek van worden. Voor nieuwe medewerkers geldt dat deze nog geen sociaal kapitaal hebben opgebouwd in de organisatie en daarmee het risico lopen onnodig lang ‘door te modderen’ in hun eentje en niet makkelijk tot leren komen. Leren doe je volgens genoemde deskundigen namelijk vooral ook door anderen aan het werk te zien. Waar het gaat om besluitvormingsprocessen in de organisatie: hier verloopt volgens de specialisten alles toch anders als je elkaar niet meer treft bij het kopieerapparaat en er terloopse tips kunnen worden uitgewisseld – het zogenaamde wandelgangenkapitaal. De vraag is volgens hen hoe je de kwaliteit van je alle organisatieprocessen kunt borgen wanneer iedereen zelf mag weten wanneer hij of zij op kantoor komt. (Trouw, 2021)

2.5

H2 H3 H4

H5

Een corona babyboom – of toch niet? Kinderwens van jonge ouders niet verminderd De coronacrisis en -maatregelen hebben er tot dusver niet voor gezorgd dat de kinderwens van ouders gemiddeld is afgenomen. In de eerste helft van 2021 werden in Nederland ruim 86.000 kinderen geboren, 4.500 méér dan in dezelfde periode een jaar eerder. Vooral in de maanden februari, maart en april kwamen er vergeleken met voorgaande jaren relatief veel kinderen ter wereld. (CBS, 2021l) De vraag is of er gesproken kan worden van een corona babyboom. In een interview met een socioloog van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat zij de geconstateerde toename van geboortes (nog) niet als zodanig wil bestempelen. Daarvoor zullen eerst de cijfers van het derde kwartaal moeten worden afgewacht. De geboortegolf komt volgens de socioloog ook niet helemaal uit de lucht vallen; deels waren ze al in de prognoses (van voor de coronaperiode) ingecalculeerd. Vrouwen wachtten de afgelopen jaren langer met kinderen krijgen, deels door een toenemend aantal flexibele arbeidscontracten en gebrek aan juiste woonruimte, deels omdat ze

39

H1 het belangrijk vinden om eerst van het leven te genieten voor zij aan kinderen beginnen. Deze groep begint juist nu tegen een leeftijd aan te lopen waarop ze niet langer willen wachten. Waar de coronacrisis in ieder geval wel heeft geholpen, is het feit dat veel werkgevers best enthousiast zijn over thuiswerken, en dat kan het combineren van arbeid en zorg aantrekkelijker maken. Ook gaf de coronacrisis volgens de socioloog stellen meer tijd om over kinderen krijgen na te denken. (Volkskrant, 2021 a) (AD, 2021 k)

H2 H3 H4

H5

Toename geboorten in provincie Utrecht gemiddeld Als we kijken naar het aantal (levend) geborenen in de maanden maart tot en met mei in 2020 in heel Nederland, ten opzichte van de maanden maart tot en met mei 2021, dan zien we dat er sprake is van een groeipercentage van 8%. Voor de provincie Utrecht is dit percentage eveneens 8%. Provincies waar de groeipercentages het hoogst waren zijn Friesland, Drenthe en Flevoland met ieder 13%, provincies waar deze het laagst waren zijn Overijssel en Gelderland met ieder 6%. Voor wat betreft de gemeenten binnen de provincie Utrecht, zien

Bevolkingsontwikkeling naar provincie maart t/m mei 2020 – maart t/m mei 2021 Bevolkingsontwikkeling maart t/m mei 2020 en 2021

Totaal mrt t/m mei 2020

Totaal mrt t/m mei 2021

Verschil 2020 - 2021

Groei % ten opzichte van 2020

Nederland

40722

44074

3352

8%

Groningen (PV)

1203

1289

86

7%

Fryslân (PV)

1381

1562

181

13%

Drenthe (PV)

998

1131

133

13%

Overijssel (PV)

2637

2794

157

6%

Flevoland (PV)

1173

1330

157

13%

Gelderland (PV)

4759

5025

266

6%

Utrecht (PV)

3555

3846

291

8%

Noord-Holland (PV)

7037

7655

618

9%

Zuid-Holland (PV)

9323

10005

682

7%

Zeeland (PV)

792

881

89

11%

Noord-Brabant (PV)

5743

6276

533

9%

Limburg (PV)

2121

2280

159

7%

> vervolg op volgende pagina

40

H1

H2

Bevolkingsontwikkeling naar gemeente maart t/m mei 2020 – maart t/m mei 2021 Bevolkingsontwikkeling maart t/m mei 2020 en 2021

Totaal mrt t/m mei 2020

Totaal mrt t/m mei 2021

Verschil 2020 - 2021

Groei % ten opzichte van 2020

Nederland

40722

44074

3352

8%

Amersfoort

404

416

12

3%

Baarn

52

56

4

8%

De Bilt

95

112

17

18%

Bunnik

40

28

-12

-30%

Bunschoten

55

73

18

33%

Eemnes

20

23

3

15%

Houten

117

140

23

20%

IJsselstein

61

74

13

21%

Leusden

60

70

10

17%

Lopik

38

46

8

21%

Montfoort

31

44

13

42%

Nieuwegein

155

157

2

1%

Oudewater

28

19

-9

-32%

Renswoude

23

25

2

9%

Rhenen

56

53

-3

-5%

De Ronde Venen

90

89

-1

-1%

Soest

111

114

3

3%

Stichtse Vecht

154

166

12

8%

Utrecht (gemeente)

1163

1212

49

4%

Utrechtse Heuvelrug

96

89

-7

-7%

Veenendaal

196

218

22

11%

Vijfheerenlanden

166

214

48

29%

Wijk bij Duurstede

43

54

11

26%

Woerden

109

150

41

38%

Woudenberg

41

40

-1

-2%

Zeist

151

164

13

9%

H3 H4

H5

Bron: CBS, bewerking SvU.

41

H1 we in de genoemde periode hoge groeipercentages in Montfoort (42%), Woerden (38%) en Bunschoten (33%). Juist een daling van het aantal geborenen zien we in Oudewater (-32%) en Bunnik (-30%).

H2 H3

2.6

Nieuwe maatschappelijke scheidslijnen

H4

Kunnen schakelen en aanpassen: vaardigheden lopen uiteen

H5

De lockdowns en overige maatregelen ten tijde van de pandemie hebben ertoe geleid dat mensen massaal te maken kregen met wat omschreven kan worden als ‘voortdurend nieuwe werkelijkheden’. Bijvoorbeeld jonge kinderen die de ene dag horen dat hun schoolreisje volgende week wel doorgaat, en een dag later horen dat dit toch niet het geval is. Het ene moment verwachten ze weer zwemles te krijgen, het volgende moment klopt dit niet meer. (AD, 2021n) Voor volwassenen speelt dit ook als het gaat om vragen als: kan ik mijn verjaardag wel/niet met mijn familie vieren, heeft het wel of geen zin om een vakantie te boeken, mag mijn winkel wel of niet open volgende week? Er zijn belangrijke verschillen tussen mensen in de mate waarin omgaan met nieuwe werkelijkheden soepel verloopt of niet. Deze verschillen hangen samen met veerkracht, persoonlijkheidskenmerken en bijvoorbeeld voorkeuren voor sociale rust of drukte. (Volksgezondheid gemeente Utrecht, 2021) Ook speelt hier dat het ‘doenvermogen’ van mensen onderling sterk verschilt, waardoor de een sneller in staat is om effectief te handelen in nieuwe situaties dan anderen. (WRR, 2017)

Tweederde van alle volwassenen in provincie Utrecht laat mentale veerkracht zien Uit metingen van de gedragsunit OMT, bewerkt door de GGD regio Utrecht, blijkt dat ruim tweederde van de volwassenen in de provincie Utrecht veerkrachtig op de pandemie weet te reageren. Deze cijfers zijn vrij constant over de vier meetmomenten: half februari 2021, eind maart 2021, begin mei 2021 en eind juli 2021. De veerkracht werd gemeten aan de hand van vragen als: ‘ik zoek naar creatieve manieren om met deze situatie om te gaan’, ‘ik geloof dat ik mezelf

42

H1 onder controle heb, wat er ook gebeurt’, ‘ik geloof dat ik ook positieve dingen uit deze situatie kan halen’ en ‘als ik bepaalde dingen door deze situatie niet meer kan doen, zoek ik actief naar alternatieven’. (OMT gedragsunit, bewerkt door GGD regio Utrecht, september 2021) Veerkracht-beleving inwoners provincie Utrecht tussen februari en augustus 2021 10 - 14 februari

6 - 20 juni

24 - 28 maart

28 juli - 1 augustus

H2 H3 H4

H5

5 - 9 mei

100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% ‘Ik zoek naar creatieve manieren om met deze situatie om te gaan’ (% eens)

‘Ik geloof dat ik mezelf onder controle heb, wat er ook gebeurt’ (% eens)

‘Ik geloof dat ik ook positieve dingen uit deze situatie kan halen’ (% eens)

‘Als ik bepaalde dingen door deze situatie niet meer kan doen, zoek ik actief naar alternatieven’ (% eens)

Bron: OMT gedragsunit, bewerkt door GGD regio Utrecht (september 2021).

40% van de inwoners provincie Utrecht is het ‘zat’ om over het coronavirus te horen Naast dat Utrechters veel mentale veerkracht laten zien als het gaat om omgaan met de pandemie, blijkt uit bovengenoemd onderzoek dat veel inwoners (40%) het eind juli 2021 ook ‘zat’ zijn om over het coronavirus te horen. 15% geeft aan stress te ondervinden doordat men alle maatregelen probeert op te volgen en 17% zegt het gespreksonderwerp te veranderen als het over corona gaat, omdat men er niet meer over wil praten. (OMT gedragsunit, bewerkt door GGD regio Utrecht, september 2021)

43

H1

H2 Praten over en rekening houden met coronavirus: houding inwoners provincie Utrecht tussen mei en augustus 2021 10 - 14 februari

H3 H4

24 - 28 maart 5 - 9 mei

H5

100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% ‘Ik ben het zat om over het coronavirus te horen’ (% eens)

‘Ik voel me gestrest doordat ik probeer alle maatregelen op te volgen’ (% eens)

‘Ik probeer van onderwerp te veranderen omdat ik er niet meer over wil praten’ (% eens)

‘Ik ben het beu om mezelf te beperken om de meest kwetsbaren te beschermen’ (% eens)

‘Ik heb steeds minder zin om tegen het coronavirus te vechten’ (% eens)

OMT gedragsunit, bewerkt door GGD regio Utrecht (september 2021).

De last van voortdurend ‘risico lopen’ wordt verschillend gedragen Naast de scheidslijn van meer of minder veerkracht (kunnen) ervaren, is er ook die tussen bijvoorbeeld degenen die bij voortduring de last voel(d)en zelf besmet te raken dan wel anderen te kunnen besmetten en degenen die dit niet zo sterk ervaren. Het continu op de hoede zijn voor mogelijke besmetting kan het dagelijks leven sterk overschaduwen en belasten. Zorgverleners die nu aan de slag moeten met inhaalzorg benoemen het voortdurend ‘aan’ hebben gestaan op dit gebied als een van de factoren waarvan ze nog steeds moeten herstellen (AD, 2021f) (AD, 2021e). Uit onderzoek onder mbo-studenten bleek dat velen zich zorgen maakten over hetzij zelf besmet raken, dan wel anderen mogelijk kunnen besmetten. Sommigen geven inmiddels aan het ‘beu te zijn’ om zichzelf te

44

H1 beperken om de meest kwetsbaren te beschermen. Binnen de provincie Utrecht betreft dit eind juli 2021 13% van de volwassenen. (Universiteit Utrecht, 2021) (OMT gedragsunit, bewerkt door GGD regio Utrecht, september 2021)

Vaccinatie-standpunten als bron van frustratie en onbegrip In het verlengde van de verschillen in de zorg die mensen voelen rond mogelijke besmetting ligt de scheidslijn tussen degenen die zich bewust wel hebben laten vaccineren en die dat niet hebben gedaan of willen doen. Dit brengt een tweedeling voort die aan beide zijden van het spectrum soms tot ernstige gevoelens van frustratie, verdriet en onbegrip leidt en dwars door bestaande familie-, vriendschaps-, zorg- en werkrelaties heen boort. Achtergronden van de hoogopgelopen emoties zijn bijvoorbeeld dat men zichzelf heel kwetsbaar voelt voor het virus en het niet verdraagt zich te begeven in de nabijheid van mensen die zich niet willen laten vaccineren. Ook kan de gedachte leven dat de vaccinatie leidt tot vergiftigingen dan wel bestuurbaarheid van buitenaf. (Nieuwsuur, 2021) (AD, 2021 s) (Binnenlands Bestuur, 2021i) (Trouw, 2021d)

H2 H3 H4

H5

Onvrede ten aanzien van overheidsingrijpen Uit de samenleving zijn ook duidelijke proteststemmen naar voren gekomen die zich richtten op de manier waarop de overheid corona-gerelateerde beperkingen oplegt. Er hebben inmiddels onder andere diverse protestmarsen plaatsgehad in het land. Op dit moment is er geen wetenschappelijk onderzoek voorhanden dat zicht geeft op de precieze achtergrond van de mensen die zich op dit gebied verenigen. Media rapporteren dat deelnemers een variëteit aan motieven hebben. Voorlopig is het de vraag hoe deze protestgevoelens zich verder zullen ontvouwen in de samenleving naarmate de direct voelbare impact van de pandemie afneemt. (NU, 2021), (AD, 2021 p) > Zie ook paragraaf 1.3: Vaccinaties: opluchting en problemen

45

H1

H2

Economie:

Verlies én gunstige vergezichten

3

H3 H4

H5

3

Economie: Verlies én gunstige vergezichten Samenvattend

H1

H2 H3 H4

H5

In economisch opzicht bevinden we ons op dit moment in een overgangsperiode tussen sombere herinneringen aan de schade die velen opliepen door gedwongen werkloosheid, verlies aan inkomsten en leven met voortdurende onzekerheid enerzijds, en uitkijken naar de economisch sterke tijden die voor de deur lijken te staan anderzijds. Voor de provincie Utrecht geldt dat zij in economisch opzicht naar verhouding gunstig door de crisis is gekomen. De belangstelling voor sociaal inclusief ondernemen met oog voor duurzaamheid en eerlijke economie (‘next economy’) is goed intact gebleven. De nieuwe zorg van dit moment lijkt vooral ingegeven door de krapte op de arbeidsmarkt. Veel bedrijven in de Utrechtse regio, zeker ook in de horeca, de ICT en de maakindustrie, kunnen minder presteren dan gewenst doordat ze onvoldoende personeel kunnen vinden. Daarnaast zetten op het gebied van winkelleegstand ontwikkelingen versterkt door die al eerder waren ingezet. Ook kleinere, zelfstandige winkeliers zetten - noodgedwongen - versneld de stap naar e-commerce. Tijdens de coronacrisis wonnen winkels voor producten van dagelijks gebruik aan terrein en grote winkelketens spreidden zich minder uit in de stedelijke kernen. Deskundigen stellen dat het besef nu echt begint door te dringen dat retail niet op alle plekken terug kan komen en er gerichte innovatie zal moeten plaatsvinden.

47

H1

3.1

Economische vooruitzichten Landelijke groei economie voorzien Ondanks het feit dat veel bedrijven en sectoren zwaar te lijden hebben gehad van de coronacrisis, is er momenteel (medio 2021) sprake van een gunstig economisch vooruitzicht. Naar verwachting van het Centraal Plan Bureau (CPB) zal de economie in Nederland in 2021 met bijna 4% groeien, gevolgd door ruim 3,5% groei in 2022. Hierbij wordt er door het CPB van uitgegaan dat er geen grootschalige nieuwe contactbeperkingen nodig zijn. De werkloosheid loopt na het wegvallen van de steunmaatregelen volgens het CPB slechts licht op tot 3,5% in 2022, daarmee blijft er sprake van krapte op de arbeidsmarkt. (CPB, 2021) (CPB, 2021c)

H2 H3 H4

H5

Economische groei Utrechtse regio waarschijnlijk net iets beneden gemiddeld De economische situatie binnen de Utrechtse regio werd in eerdere stadia van de coronacrisis als relatief gunstig ingeschat. RaboResearch benoemde bijvoorbeeld het feit dat vooral werk op het gebied van de financiële -, zakelijke - en IT-dienstverlening naar verhouding gemakkelijk vanuit huis kon worden overgenomen. Dit zijn sectoren die een relatief groot deel van de Utrechtse economie vormen die daarmee redelijk op peil kon blijven. Ook bleek een stuwmeer aan spaargeld bij groepen consumenten te zijn ontstaan en de bestedingen van bedrijven als consumenten zich gunstig te ontwikkelen. (Rabobank / Raboresearch, 2021b) (Provincie Utrecht, 2021c) In september 2021 stelt RaboResearch te verwachten dat de grootstedelijke regio’s Amsterdam en Utrecht economisch gezien over heel 2021 iets beneden landelijk gemiddeld zullen groeien. Voor de Utrechtse regio gaat het om naar verwachting een groei van tussen de 3,4 - 3,8%, terwijl die voor heel Nederland gemiddeld op 4,2% wordt gesteld. Onder andere speelt een rol dat er in de Utrechtse regio relatief minder nieuwe bedrijven zijn gestart en er relatief veel stoppers waren. Overigens spreekt Raboresearch van grote regionale

48

H1 verschillen door het hele land; van een verwachte economische groei van 5,7% in Zuidwest-Overijssel tot 2,7% in zowel Oost- als Overig Groningen. (RaboResearch, 2021 m)

Historische krapte op arbeidsmarkt De relatief gunstige economische vooruitzichten gaan in de loop van 2021 steeds meer hand in hand met krapte op de arbeidsmarkt. In augustus 2021 wordt gesteld dat deze krapte waarbij tegenover 100 werklozen, 106 openstaande vacatures staan, zich in geen 50 jaar eerder zo heeft laten zien. Voor werkgevers betekent dit dat het steeds moeilijker wordt om personeel te vinden. (NOS, 2021 c) Terugkijkend naar de periode aan het begin van de pandemie, zijn er in het tweede kwartaal van 2021 150.000 mensen méér aan het werk dan een jaar eerder in dezelfde periode. Er startten meer mensen met een betaalde baan dan er stopten. In hetzelfde kwartaal van vorig jaar, aan het begin van de coronacrisis, was de situatie precies andersom: toen stopten er meer mensen dan er aan de slag gingen. (CBS Nieuwsberichten, 2021 p)

H2 H3 H4

H5

Wat de provincie Utrecht betreft steeg het aantal openstaande vacatures. In het eerste kwartaal van 2021 ging dit van 21.300 naar 24.500. In het tweede kwartaal van 2021 steeg het aantal door naar 31.200. Dat is ver voorbij het hoogste niveau tot dusver. In het tweede kwartaal van 2019 stonden er 27.700 posities open. Aan het begin van het derde kwartaal 2021 gaf 22% van de Utrechtse ondernemers alweer aan dat personeelstekort een belemmering was voor groei. De daling van het aantal vacatures was al medio 2019 ingezet, maar versnelde door de coronacrisis in de eerste helft van 2020. In de tweede helft van 2020 herstelde de arbeidsmarkt zich. (Provincie Utrecht, 2021c) In april-mei 2021 blijkt uit een regiopeiling dat een op de zes ondernemers verwacht dat het personeelstekort weer zal gaan knellen. Dat is het meest urgent in industrie en bouw, maar speelt ook in de horeca en overige dienstverlening (waaronder uitzendbureaus), en in groot- en detailhandel. Anderzijds is er bij een op de tien bedrijven in de groot/detailhandel ook sprake van een personeelsoverschot. In de industrie en de bouw wordt voorzien dat

49

H1 personeelstekort ook op langere termijn een probleem blijft. Dat geldt in mindere mate ook voor ICT en zakelijke dienstverlening. (Provincie Utrecht, 2021c)

H2

Belangstelling voor ‘next economy’ in Utrecht nauwelijks veranderd

H3

Volgens RaboResearch bevond de economie zich al voor corona in een staat van transitie: ondernemers en consumenten kregen steeds meer aandacht voor sociaal inclusief ondernemen, duurzaamheid (groene energie, biodiversiteit, circulaire economie) en eerlijke economie (transparante productieketens, echte prijzen). Raboresearch heeft onderzoek gedaan naar de vraag of de coronacrisis deze belangstelling heeft aangetast. Begin 2021 meldt zij dat dit niet echt het geval is: 74% van de ondernemers besteedt hier evenveel aandacht aan als voor de pandemie, 12% zelfs meer. Er wordt ook gepleit om de transitie naar de next economy te versnellen. Hier zouden naast overheden (via subsidies en regelgeving) ook banken en andere kapitaalverstrekkers via hun (rente)tarieven een rol in kunnen spelen. (Rabobank / Raboresearch, 2021b)

H4

H5

Utrechtse ondernemers optimistischer over effecten crisis Een groeiend deel (12%) van de ondernemers in de provincie Utrecht geeft in april-mei 2021 aan dat de coronacrisis een positieve invloed heeft gehad op het bedrijf. In mei 2020 was dit percentage nog 4%. De positieve invloed kan gaan om omzet, maar ook om vernieuwing van producten en diensten. (Provincie Utrecht, 2021c) > Economische monitor Provincie Utrecht

Hernieuwde waardering essentiële beroepsgroepen Er moest door de coronacrisis veel geschakeld worden op het gebied van beroepsuitoefening. Was je eerst stewardess, dan kan het goed zijn dat je inmiddels een ondersteunende functie hebt in het onderwijs of in de zorg. Mogelijk zal in de toekomst blijken dat deze switches ook een permanent karakter krijgen en men niet meer terugkeert naar de oorspronkelijke functie. Tijdens met name de eerste lockdown werd de grote waardering zichtbaar voor mensen die in de zorg werken; dit bleek onder andere uit het applaus dat hen

50

H1 publiekelijk werd gegeven en later uit de bonus voor zorgmedewerkers die de overheid beschikbaar stelde. (Rijksoverheid, 2021 c) De hernieuwde waardering voor het werken in de zorg lijkt zich momenteel te weerspiegelen in een forse toename van het aantal studenten dat zich inschreef voor een hbo-opleiding verpleegkunde. In het afgelopen studiejaar 2020/2021 zijn 9.100 studenten begonnen met deze opleiding en dat is 12% meer dan een jaar eerder. Het aantal nieuwe studenten in een verplegende opleiding in het mbo bleef echter gelijk op 10.100. De instroom in de mbo-opleiding verzorgende individuele gezondheidszorg (ig) daalde met 11% naar 9.400 studenten. De tekorten aan verpleegkundigen op mbo niveau zijn in september 2021 nog onverminderd hoog. (CBS Nieuwsberichten, 2021 q) (UWV, 2021) (UWV spanningsindicator arbeidsmarkt)

H2 H3 H4

H5

Brede welvaart onder druk door slechtere gezondheid De provincie Utrecht had in de pre-coronatijd (2019) samen met regio Gooi- en Vechtstreek en regio zuidwest Friesland gemiddeld de hoogste score op de Brede Welvaartindicator die Raboresearch samen met de Universiteit Utrecht heeft samengesteld. Brede welvaart staat voor de mate waarin een regio welvarend is, waarbij breder gekeken wordt dan alleen naar economische ontwikkelingen. Er worden elf dimensies onderscheiden, zoals gezondheid, persoonlijke ontwikkeling, milieu, veiligheid en huisvesting. De Brede Welvaartsindicator toonde in 2019 aan dat vooral op het vlak van de woontevredenheid van inwoners in de Utrechtse regio wat te verbeteren valt. Met name de betaalbaarheid blijkt een grote kwestie. De meest recente onderzoeksresultaten van de Brede Welvaartindicator (september 2021) geven nog geen specifieke conclusies voor de provincie Utrecht maar laten zien dat er landelijk gemiddeld achteruitgang is waar te nemen op de dimensies ‘subjectief welzijn’, ‘sociale contacten’, ‘huisvesting’ en ‘gezondheid’. Een gunstige ontwikkeling valt waar te nemen op de dimensies ‘baanzekerheid’ en ‘inkomen’. Als de gunstige en ongunstige trends tegen elkaar worden afgewogen blijkt er volgens de onderzoekers per saldo geen sprake van verslechtering op de algehele brede welvaart.

51

H1 Opmerkelijk is te noemen dat vrouwen er het afgelopen jaar op meer welvaartsdimensies op achteruit zijn gegaan dan mannen. Voor de dimensies ‘gezondheid’, ‘maatschappelijke betrokkenheid’ en ‘persoonlijke ontwikkeling’ is deze achteruitgang ook significant. Zowel mannen als vrouwen zijn er qua inkomen, baanzekerheid en balans tussen werk en privé op vooruit gegaan, waarbij die laatste dimensieverbetering voor mannen wel significant is maar voor vrouwen niet. Voor een precieze verklaring van deze verschillen tussen mannen en vrouwen is volgens RaboResearch nog meer onderzoek nodig. (Rabobank / Raboresearch, 2021b)

H2 H3 H4

H5

> Zie ook paragraaf 5.1

3.2

Terugblik opgelopen schade Gedwongen werkloosheid Medio 2021 is voor velen de blik gericht op herstel en de gunstige prognoses op het gebied van economische groei. Dat neemt niet weg dat er door de coronacrisis veel en omvattende schade is aangericht in het bedrijfsleven. Zo is er binnen een aantal zwaar getroffen bedrijfstakken sprake geweest van gedwongen werkloosheid. Het ging (en soms gaat) hier met name om sectoren op het gebied van retail, horeca, toerisme, schoonmaak, cultuur & evenementen en persoonlijke dienstverlening. Achter deze gedwongen werkloosheid gaan weer andere problemen schuil zoals zorg om financiën, verlies aan clientèle en sociale inbedding. Tussen maart en augustus 2020 nam de werkloosheid in heel Nederland met ruim 150.000 personen toe. Sindsdien heeft zich een maandelijkse daling ingezet. (CBS, 2021c)

Sommige groepen extra getroffen In de tijd van gedwongen werkloosheid, bleken niet alle groepen werknemers even hard getroffen te worden. Het SCP (2020d) onderscheidde vier groepen werknemers die gezien hun contractvorm en de sector waarin zij werkzaam

52

H1 waren, een grotere kans hadden om hun baan te verliezen. Het gaat om: • werknemers met een migratieachtergrond, vooral degenen die als asielzoeker in Nederland zijn gekomen; • werknemers met een laag opleidingsniveau; • arbeidsbeperkten die op de regelingen zijn aangewezen die in of na 2015 zijn ingevoerd; • werknemers met kwetsbare arbeidsmarktpositie buiten de Randstad en vooral in noordelijke regio.

H2 H3 H4

H5

Waar het baanonzekerheid en inkomensverlies betreft zijn tijdens de pandemie vooral jongeren getroffen. Dit hangt volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek samen met het feit dat deze groep vaker een weinig zeker dienstverband had en werkzaam was in de sectoren die het hardst geraakt werden door de lockdowns, waaronder de horeca. Het aandeel jongeren dat een algemene bijstandsuitkering krijgt is in de periode februari 2020 – februari 2021 met 14% gestegen. (CBS, 2021c) In maart 2021 werkten er 36.000 jongeren (1525 jaar) minder, dan in dezelfde periode een jaar eerder. (CBS, 2021c)

Zwaardere werkbelasting voor velen Waar aan de ene kant mensen gedwongen thuis kwamen te zitten, raakten aan de andere kant beroepsgroepen door de coronacrisis zwaarder belast. Letterlijk, in de zin dat werknemers meer uren moesten maken dan normaal en bijvoorbeeld hun verlof- en vakantiedagen moesten inleveren. Dit gebeurde met name in de zorg. Sommige groepen werknemers werden daarnaast ook zwaarder belast omdat ze in risicovolle situaties hun werk moesten doen (bijvoorbeeld door een tekort aan beschermingsmiddelen). Naast deze vormen van fysieke belasting, heeft de crisis bij veel groepen werknemers ook een sterk beroep gedaan op hun inventiviteit en mentale veerkracht. Leerkrachten moesten uit het niets online gaan lesgeven, gebouwenbeheerders moesten zorgen dat hun locaties veilig werden ingericht met 1,5 metergrenzen. Thuiswerkers moesten leren om werk- en privé strikt te scheiden en voor onder andere mensen in de zorg speelden vragen als ‘wanneer houdt dit op?’, ‘word ik zo meteen zelf ziek?’ en ‘infecteer ik mijn eigen familie misschien?’ (AD, 2021f)

53

H1

Zzp’ers: extra flexibiliteit en creativiteit gevraagd Onderzoek onder zzp’ers wijst uit dat ook deze groep sterk heeft moeten schakelen als gevolg van de coronacrisis. Bij twee derde van de groep zzp’ers hebben de coronamaatregelen geleid tot aanpassingen in de bedrijfsvoering, meldt het CBS. Zo gaf 29% aan vaker thuis te werken en meldde 25% extra werkzaamheden te hebben uitgevoerd in verband met hygiëneregels. Bijna 15% is zijn dienst of product anders gaan aanbieden, bijvoorbeeld door maaltijden die niet geserveerd konden worden, te laten bezorgen of afhalen. Ongeveer 13% heeft zijn werktijden of openingstijden aangepast en een even groot aandeel is nieuwe of andere diensten of producten gaan aanbieden. Dit laatste gebeurde het vaakst onder degenen met een creatief, taalkundig of pedagogisch beroep. Van degenen die andere of nieuwe diensten of producten zijn gaan aanbieden, wil zo’n 80% daarmee doorgaan ook als de coronacrisis voorbij is. Het aandeel zzp’ers dat liever in loondienst zou willen werken (als ze de vrije keuze hadden) is niet toegenomen. Dit aandeel is met ruim 11% nagenoeg hetzelfde als in 2019. (CBS, 2021k)

3.3

H2 H3 H4

H5

Financiële steunmaatregelen vanuit de overheid Gebruik financiële steunmaatregelen in provincie Utrecht In de eerste helft van 2021 blijkt dat een derde van de Nederlandse bedrijven (33,5%) gebruik maakt van minimaal één steunmaatregel. Voor de provincie Utrecht ligt dit percentage iets lager (30,3%). Bedrijven met 2 medewerkers of meer maken vaker gebruik van steunmaatregelen (51% in heel Nederland), dan bedrijven met één medewerker (27,9% in heel Nederland). Binnen de horeca maakt ruim 75% gebruik van een of meer financiële steunmaatregelen van de overheid.

54

H1 Binnen de provincie Utrecht werden in de periode tot juni 2021 het vaakst steunmaatregelen gebruikt in de gemeenten Utrecht (34,3%) en Amersfoort (34%). Het minst vaak worden steunmaatregelen gebruikt in de gemeenten Lopik (17,8%), Oudewater (22,1%) en Houten (22,4%). (Provincie Utrecht, 2021c)

Overzicht financiële steunmaatregelen overheid (t/m juli 2021) Loonkostenregelingen

Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor werkgelegenheid (NOW 1.0 tot 3.3)

Vaste lasten regelingen

Tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 (TOGS)

H2 H3 H4

H5

Tegemoetkoming vaste lasten (TVL-1 tot Q1 2021) Belastingmaatregel

Uitstel belastingbetaling ondernemers

Overbruggingsregeling

Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo 1.0 tot 3.0)

Krediet- of garantieregelingen

Verruimde borgstelling voor MKB-kredieten (BMKB-C) Klein Krediet Corona (KKC) Verruimde Garantie Ondernemingsfinanciering (GO-C) Tegemoetkoming Verruiming Borgstellingskrediet voor de landbouw (BL-C) Corona-overbruggingslening (COL) Qredits – uitstel van aflossing

Overige specifieke regelingen

Tegemoetkoming fritesaardappeltelers Tegemoetkoming sierteeltsector

Bron: CBS (Korte omschrijvingen financiële steunmaatregelen overheid (cbs.nl))

Steunpakketten lopen in oktober 2021 af Het kabinet heeft besloten dat de financiële steunpakketten voor banen en economie per 1 oktober 2021 stoppen. Dit is volgens het kabinet goed voor de economie en heeft onder meer te maken met de enorme krapte op de arbeidsmarkt die aan het ontstaan is. Als het steunpakket stopt, zullen bepaalde bedrijven ook stoppen, waardoor hun personeel aan de slag kan bij bedrijven die daar juist om staan te springen, zo redeneren kabinet en Centraal Plan Bureau. Dat biedt ruimte aan de economie om zich aan te passen. Veel bedrijven zijn momenteel op zoek naar personeel: er zijn te weinig mensen voor het werk dat gedaan moet worden. Hierdoor kunnen bepaalde essentiële diensten in gevaar

55

H1 komen. Overigens zal een aantal specifieke ondersteunende maatregelen van kracht blijven in het vierde kwartaal van 2021. Net als de aanvullende maatregelen gericht op bijvoorbeeld omscholing. In september is het kabinet nog bezig met een regeling voor de nachthoreca (nachtclubs en disco’s) die naar verwachting ook na 1 oktober verplicht gesloten blijft na twaalf uur. (NOS Nieuws, 2021 b) (Rijksoverheid, 2021r)

H2 H3 H4

H5

Percentage bedrijven dat minimaal 1 steunmaatregel gebruikte, naar provincie Totaal

Bedrijven met 1 medewerker

Bedrijven met 2 of meer medewerkers

Horeca

Andere branches

Totaal Nederland

34,9

29,4

52,3

75,9

33,2

Drenthe

32,2

26,6

46,7

72,6

30,3

Flevoland

35,9

31,1

51,5

69,3

34,7

Fryslân

32,7

27,9

44,9

75,4

30,7

Gelderland

32,4

26,5

49,0

74,8

30,8

Groningen

33,5

28,1

48,5

75,4

31,6

Limburg

38,6

31,1

57,4

79,6

36,2

Noord-Brabant

33,2

26,9

51,5

77,8

31,5

Noord-Holland

38,5

33,5

57,7

74,7

36,8

Overijssel

34,5

28,1

49,8

76,3

32,8

Utrecht

31,9

26,6

51,0

74,0

30,4

Zeeland

34,7

26,9

52,3

77,5

31,6

Zuid-Holland

35,4

30,3

53,3

76,6

33,8

Bron: CBS, RVO, Belastingdienst, UWV, Techleap.nl, Qredits 1. De tabel laat de vestigingen van bedrijven zien die gebruik maken van de regelingen voor alle economische sectoren. Met uitzondering van Openbaar bestuur (O), Onderwijs (P) en Gezondheidszorg (Q). Deze bedrijfstakken maken geen onderdeel uit van de regionale vestigingenstatistiek. 2. Cijfers hebben betrekking op periode tot en met mei 2021.

56

H1 Percentage bedrijven dat minimaal 1 steunmaatregel gebruikte naar gemeente

H2

Totaal

Bedrijven met 1 medewerker

Bedrijven met 2 of meer medewerkers

Horeca

Andere branches

Nederland

34,9

29,4

52,3

75,9

33,2

Utrecht provincie

31,9

26,6

51,0

74,0

30,4

Amersfoort

34,7

28,5

57,9

80,0

33,1

Baarn

31,7

26,3

53,6

75,0

30,3

Bunnik

27,6

23,1

42,7

87,5

26,2

Bunschoten

30,7

24,7

41,3

76,9

29,4

De Bilt

27,2

22,9

46,9

68,2

26,2

De Ronde Venen

31,1

26,6

46,8

68,6

29,9

Eemnes

27,6

24,1

40,0

40,0

26,8

Houten

26,6

20,4

48,4

69,6

25,5

IJsselstein

30,5

24,6

51,4

81,3

29,2

Leusden

30,3

24,8

50,4

68,4

29,1

Lopik

20,8

18,1

27,3

55,6

19,8

Montfoort

26,5

21,8

40,0

75,0

25,2

Nieuwegein

36,1

29,9

53,8

71,9

35,0

Oudewater

22,8

20,0

30,9

62,5

21,5

Renswoude

25,5

21,4

35,3

60,0

24,3

Rhenen

27,4

22,0

45,4

81,8

25,9

Soest

33,0

27,9

53,0

75,0

31,7

Stichtse Vecht

30,4

26,5

47,4

71,1

29,1

Utrecht

35,4

29,7

58,6

75,4

33,6

Utrechtse Heuvelrug

27,2

23,6

44,3

74,3

25,9

Veenendaal

33,2

25,2

53,5

78,8

31,9

Vijfheerenlanden

28,2

23,5

41,6

73,3

27,0

Wijk bij Duurstede

28,0

24,2

41,1

62,5

26,8

Woerden

30,2

23,7

48,7

68,6

29,0

Woudenberg

24,8

19,7

39,7

62,5

24,0

Zeist

30,9

26,5

50,6

73,7

29,7

H3 H4

H5

Bron: CBS, RVO, Belastingdienst, UWV, Techleap.nl, Qredits 1. De tabel laat de vestigingen van bedrijven zien die gebruik maken van de regelingen voor alle economische sectoren. Met uitzondering van Openbaar bestuur (O), Onderwijs (P) en Gezondheidszorg (Q). Deze bedrijfstakken maken geen onderdeel uit van de regionale vestigingenstatistiek. 2. Cijfers hebben betrekking op periode tot en met mei 2021

57

H1

3.4

Veranderend winkellandschap verwacht

H2

Winkelleegstand: groeiende verschillen tussen de branches en gebieden

H3

Landelijk gezien is de leegstand van winkels inmiddels minder toegenomen dan bij aanvang van de coronacrisis werd verwacht. Tussen maart en juli 2020 was er sprake van een lichte toename van de leegstand, van 7,4% naar 7,5%. Dit cijfer bleef een aantal maanden schommelen, om in 2021 vervolgens iedere maand te dalen tot 7,2% in augustus 2021. Op 1 augustus 2021 stonden er in heel Nederland 600 panden minder leeg dan op 1 januari 2021. Maar er is wel sprake van een duidelijke onderlinge verschillen in branches en winkelgebieden. (Locatus, 2021 b)

H4

H5

Winkels waar men dagelijkse producten koopt blijken qua omzet redelijk buiten schot te zijn gebleven in alle coronabeperkingen. Sterker nog, door de langdurige sluiting van de horeca hebben veel dagelijkse branches een aanzienlijke omzetgroei gekend. Niet alleen supermarkten, maar ook de speciaalzaken zoals slagers kaaswinkels, traiteurs etc. Het gevolg is dat in winkelgebieden die zich vooral op dagelijks aanbod richten, de leegstand daalde van 9,1% begin dit jaar, tot 8,4% in augustus. Een andere sector die het goed heeft gedaan tijdens corona is de meubel- en doe-het-zelf branche. Het vele thuiswerken en het blijvende perspectief daarop, de veeleisende huizenmarkt en het geld dat huishoudens over hebben door niet of goedkoper op vakantie te gaan zorgt dat ook deze sectoren toptijden beleven. Op de meubelboulevards daalt de leegstand dan ook snel, van 6,7% begin 2021, tot minder dan 6,3% in augustus. (Locatus, 2021 b)

Flinke uitdaging voorzien voor grote stadscentra Naast dat voor sommige branches de winkelleegstand is gedaald gedurende de coronacrisis, wordt aan de andere kant een veel minder rooskleurig beeld gezien voor de 17 grootste binnensteden en centra van Nederland. In deze winkelgebieden steeg de leegstand van 7,9% begin dit jaar, naar 8,3% nu. Vóór corona waren dit centra die het relatief goed deden, maar de toename

58

H1 van online aankopen, het mijden van drukke plekken en het wegblijven van internationale toeristen wordt nu hier het hardst gevoeld. De grote stadscentra van Nederland gaan dan ook de komende periode een grote uitdaging tegemoet. (Locatus, 2021 b)

Versterkt besef dat retail niet overal kan terugkomen Een minstens zo belangrijke reden voor de teruglopende leegstand is de ombouw van winkelpanden naar andere functies (vaak een woning of kantoor). In de eerste maanden van dit jaar heeft een relatief hoog percentage van de leegstaande winkels (bijna 5%) een andere functie gekregen. Dat lijkt een heel ander effect van de coronacrisis te zijn; het besef dat op lange termijn voor leegstaande winkels een alternatieve bestemming moet worden gevonden. Ook hier is een verschil te zien tussen de grote binnensteden waar dit met 4% van de panden gebeurde en de centra van de iets kleinere steden waar dit percentage 6% was. In veel middelgrote centra heeft de afwaardering van het winkelvastgoed al voldoende plaats gevonden en is er de mogelijkheid voor een alternatieve invulling van de winkelpanden. In de grote binnensteden liggen de huurprijzen van winkels nog op een veel hoger niveau en is een alternatieve invulling veel lastiger. Op de betere plekken in de grote steden heeft volgens de onderzoekers die afwaardering nog onvoldoende plaatsgevonden. Het besef lijkt volgens hen nu echt door te dringen dat niet op alle plekken retail kan terugkomen en lege panden in die centra gevuld worden met niet-retail functies. (Locatus, 2021 b)

H2 H3 H4

H5

59

H1

H2

Fysiek-sociale infrastructuur:

Pandemie als katalysator

4

H3 H4

H5

4

H1

Fysiek-sociale infrastructuur: Pandemie als katalysator Samenvattend In 2020 zijn er minder voertuigkilometers gemaakt dan in de jaren daarvoor en werd er gezien, wereldwijd overigens, dat mensen het openbaar vervoer (OV) minder benutten. Deels had dit laatste uiteraard te maken met het feit dat velen gingen thuiswerken en zich dus niet meer hoefden te verplaatsen. Echter speelde ook dat men het OV ging mijden om besmettingsrisico uit de weg te gaan. Er is dan ook sprake van een toegenomen voorkeur voor individuele vervoerwijzen, zoals het gebruik van de fiets of (privé-)auto. Deskundigen roepen op om de terugkeer naar het OV opnieuw te stimuleren, onder andere om de toename van auto-afhankelijkheid een halt toe te roepen. De provincie Utrecht heeft inmiddels kenbaar gemaakt dat bussen en trams komend jaar even vaak zullen blijven rijden als in de bestaande dienstregeling.

H2 H3 H4

H5

De pandemie, met haar impact op bedrijfsleven en economie, vraagt om vooruit te kijken naar een herstelbeleid, aldus het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). In dat herstelbeleid liggen vele kansen om veranderingen richting duurzaamheid in gang te zetten en te versnellen. Het PBL verwijst hiervoor onder andere naar landen als Duitsland en Frankrijk die op dit gebied een koplopersfunctie vervullen. Ook beveelt zij aan de condities voor investeringen die bijdragen aan duurzaam herstel te versterken.

61

H1 Sectoren op het gebied van recreatie, toerisme, cultuur en evenementen hebben in het algemeen sterk te lijden (gehad) onder de pandemie. Het aantal zomervakanties in eigen land was weliswaar in 2020 fors toegenomen, maar er is in dat jaar in Nederland 39 miljard euro minder uitgegeven aan toeristische bestedingen dan het jaar ervoor. De toeristische sector is in een klap de groei van meer dan tien jaar kwijt. Wat de cultuursector betreft, speelt enerzijds het verlies van de consument die tal van culturele ontmoetingen en activiteiten heeft moeten ontberen door de lockdowns. Dit raakte ook aan kansen op inclusie en sociale cohesie. Daarnaast geldt voor de cultuursector dat zij, anders dan veel andere sectoren, niet van het ene op het andere moment weer ten volle kan worden ‘aangezet’. Veel activiteiten in de sector vergen lange voorbereidings- en aanlooptijden. In analysestudies wordt gewezen op de vraag of men straks helemaal terug wil gaan naar hoe het was, of dat men wil komen tot verdere vernieuwing.

H2 H3 H4

H5

Op het gebied van veiligheid en criminaliteit valt vooral de sterke afname van de ‘klassieke misdaad’ zoals inbraken, overvallen en straatroven op. In de provincie Utrecht hebben in de periode januari tot augustus 2021 47% minder overvallen plaatsgevonden en 34% minder straatroven, ten opzichte van dezelfde maanden in 2019. Tegelijkertijd heeft zich in diezelfde periode echter een grote groei voorgedaan op het gebied van cybercrime die toenam met 371%. Diverse misdaadpraktijken blijken tijdens de pandemie ook een corona-jasje te hebben gekregen. Bijvoorbeeld phishingmails die inspelen op besmettingsangst bij doelwitten of het ‘uit de brand helpen’ van ondernemers in financiële nood, waarbij de laatstgenoemden in illegale netten verstrikt raken.

4.1

Koersveranderingen op het gebied van mobiliteit Minder voertuigkilometers in coronajaar 2020 Nederlandse motorvoertuigen reden in 2020 16,6% minder kilometers dan het jaar daarvoor. Bij de bussen, met name de touringcars, was de afname het grootst. Ruim driekwart van de in 2020 gereden kilometers werd afgelegd met personenauto’s. Personenauto’s van particulieren en eenmanszaken reden 17,8% minder kilometers

62

H1 in 2020 dan in 2019. Het aantal kilometers van zakelijke auto’s nam in die periode af met 26,8%. Bij alle brandstofsoorten daalde het totaal aantal gereden kilometers, behalve bij volledig elektrische auto’s. Bij volledig elektrische auto’s steeg het aantal gereden kilometers doordat er meer elektrische auto’s waren. Per elektrische auto werd er gemiddeld wel minder gereden dan in 2019. (CBS, 2021j) Overigens is er in het tweede kwartaal van 2021 sprake van een opleving in de auto- en motorbranche. De omzet lag 38,5% hoger dan een jaar eerder. Toen was er ook sprake van een daling ten opzichte van 2019. Vergeleken met de omzet in het tweede kwartaal van 2019 groeide de omzet in het tweede kwartaal van 2021 met 3,4%. Importeurs van nieuwe personenauto’s hadden de grootste positieve omzetontwikkeling. (CBS, 2021 u)

H2 H3 H4

H5

OV-gebruik wereldwijd gedaald Door de coronacrisis is er zowel binnen als buiten Nederland een duidelijke voorkeur waargenomen voor individuele vervoerwijzen (zoals fiets, auto e.d.) ten opzichte van collectieve vervoerwijzen (zoals OV). Het gebruik van het openbaar vervoer is wereldwijd zeer sterk gedaald en het is de vraag of na de pandemie het OV-gebruik weer terugkomt op het niveau van voor de crisis. Internationaal onderzoek laat zien dat er groepen mensen zijn die, om het OV te kunnen vermijden, over zijn gegaan tot de aanschaf van een auto of (e-)fiets. Een belangrijke vraag is in hoeverre de daling van het OV-gebruik tijdens corona ook structurele effecten heeft op de langere termijn. In de Nederlandse context lijkt het overgrote deel van de reizigers te verwachten na corona weer het OV te gaan gebruiken. Uit onderzoek blijkt dat 70-80% van een groep respondenten verwacht het OV even vaak te gaan gebruiken als zij voor corona deden. Ongeveer 15%-30% zegt het OV veel minder vaak te gaan gebruiken: deze groep is wel beduidend groter dan de groep die verwacht na COVID-19 vaker dan voor corona van het OV gebruik te gaan maken. De prognose is dat het gebruik van het openbaar vervoer netto zal gaan afnemen én dat er ook andere keuzes gemaakt zullen worden in soorten vervoerswijzen. Dit kan leiden

63

H1 tot grotere autoafhankelijkheid. (Kennisinstituut voor mobiliteitsbeleid, 2021 b), (Leerplatform MIRT, 2021) Daling in het OV-gebruik heeft niet alleen te maken (gehad) met het feit dat meer mensen konden thuiswerken en dus geen vervoer nodig hadden, maar ook met de zorg die mensen voelden gemakkelijk besmet te kunnen raken in trein, tram en bus met het coronavirus. In die context wordt er door deskundigen ook gewezen op het feit dat het besmettingsrisico voor groepen in de bevolking ongelijk is. Groepen met lagere inkomens en lagere opleidingsniveaus zijn in het algemeen vaker aangewezen op het OV, en lopen derhalve meer risico op een coronabesmetting. Ook blijkt uit de (internationale) literatuur dat niet elke groep dezelfde zorgen ervaart over reizen met het OV. Meerdere studies tonen aan dat vrouwen zich gemiddeld genomen meer zorgen maken over de hygiëne in het OV dan mannen. (Leerplatform MIRT, 2021)

H2 H3 H4

H5

Voor de provincie Utrecht geldt dat er op 12 december 2021 een nieuwe dienstregeling voor het Utrechtse openbaar vervoer in zal gaan en dat ondanks de impact van corona, bussen en trams even vaak zullen blijven rijden in het nieuwe jaar als in de oude dienstregeling. (Provincie Utrecht, 2021f)

Niet iedereen zal flexibel kunnen schakelen in vervoerskeuze Alhoewel er tijdens de pandemie op grote schaal is gebleken dat thuiswerken veel mogelijkheden biedt – ook in de periode na corona – kan volgens deskundigen niet voorbijgegaan worden aan het feit dat je niet de hele samenleving kan laten thuiswerken en mobiliteitsstromen niet eindeloos kan flexibiliseren. Zo zijn er mensen in vitale beroepen, mensen die op locatie moeten werken, degenen met weinig bestedingsruimte die aangewezen zijn op het openbaar vervoer of die slecht ter been zijn. Alhoewel een toename van het thuiswerken dus van invloed zal zijn op de mobiliteitsintensiteit, moet ook blijvend rekening gehouden worden met mensen die minder flexibel zijn in hun keuze hoe en wanneer ze de weg opgaan. Van deze groepen kunnen vooralsnog geen gedragsaanpassingen verwacht worden waar het de mobiliteit betreft. (Leerplatform MIRT, 2021)

64

H1

Aanbevelingen Kennisinstituut voor mobiliteitsbeleid Om de positieve effecten op mobiliteit vast te houden en negatieve effecten na corona tegen te gaan, komen uit de literatuur verschillende opties voor mobiliteitsbeleid naar voren. De meest voorkomende zijn: • Het stimuleren van de terugkeer naar het OV, via bijvoorbeeld financiële ondersteuning voor vervoersbedrijven, werken aan de (veilige) beleving van de OV-reis en campagnes. • Inzet op duurzame veranderingen in de mobiliteit, via bijvoorbeeld investeringen in een duurzame stedelijke inrichting, investeringen in veilige fiets- en loopinfrastructuur en het faciliteren van digitale alternatieven, ook om de toename van autoafhankelijkheid een halt toe te roepen. • Het blijvend stimuleren van thuiswerken, om daarmee onder andere spitsdrukte structureel tegen te gaan. Dit onder andere via samenwerking met werkgevers en werknemersorganisaties en werken aan structurele acceptatie van flexibel werken. (Kennisinstituut voor mobiliteitsbeleid, 2021 b)

H2 H3 H4

H5

Meer thuiswerken heeft vooral impact op spitsuur-mobiliteit Het Planbureau voor de Leefomgeving stelt in haar rapport van september 2021 dat het effect van thuiswerken op de mobiliteit vermoedelijk vooral de spitsuurverplaatsingen betreft op wegen en spoor. Andersoortige verplaatsingen, die bij thuiswerken ook juist kunnen toenemen (zoals voor sociale contacten, winkelbezoeken en dergelijke) vinden veelal buiten de spitsuren plaats. Het resulterende effect op de leefomgeving is netto volgens het PBL vermoedelijk beperkt, bijvoorbeeld waar het gaat om daling van stikstof-, fijnstof- en CO2uitstoot. (Planbureau voor de Leefomgeving, 2021 d)

4.2

Impact corona op woningmarkt zal nog moeten blijken Verder van het werk gaan wonen wellicht vaker overwogen Veel mensen hebben door de coronacrisis (veel) meer tijd dan gebruikelijk in en

65

H1 om hun eigen woning doorgebracht. Het idee dat men in de toekomst wellicht minder op kantoor hoeft te zijn dan in het verleden, geeft aanleiding om nieuwe opties te verkennen voor toekomstige vestiging. Vanuit stedebouwkundig oogpunt wordt verwacht dat de behoefte aan grotere woningen met meer kamers met deuren en een tuin zal groeien. Ook zal men sneller overwegen verder weg te gaan wonen van het werk. Langere woon-werkreizen zullen naar verwachting makkelijker geaccepteerd worden als ze minder frequent hoeven plaats te vinden. (Leerplatform MIRT, 2021)

Vaker gaan wonen buiten de stad: trend was al voor corona zichtbaar

H2 H3 H4

H5

Het Planbureau voor de Leefomgeving stelt in september 2021 dat voorzichtigheid geboden is om ontwikkelingen in vestigingskeuze (waar men wil wonen) alleen toe te schrijven aan de coronapandemie. Zij signaleert een drietal ontwikkelingen die in die richting zouden kunnen wijzen. Het gaat om (1) het feit dat zich momenteel relatief minder mensen in de stad vestigen dan in de gebieden daar omheen, (2) het gat tussen de woningprijzen in suburbane en landelijke gebieden enerzijds en die in steden anderzijds kleiner wordt en (3) het gat tussen woningprijzen in de Randstad en de rest van Nederland eveneens kleiner wordt. Het PBL stelt dat deze ontwikkeling in migratiepatronen en prijsverschillen al langer gaande is en wellicht eerder toegeschreven moet worden aan de langjarige hoogspanning op de stedelijke woningmarkten dan aan veranderende woonvoorkeuren onder invloed van de coronapandemie en het thuiswerken dat daarmee samenhangt. (Planbureau voor de Leefomgeving, 2021 d)

4.3

Duurzaamheidsvraagstukken integreren in herstelbeleid Herstelbeleid biedt kansen om duurzaamheidsbeleid te versnellen Het Planbureau voor de Leefomgeving stelt dat, onder de juiste randvoorwaarden het herstelbeleid van de overheid rondom de coronacrisis, ook kansen biedt om veranderingen richting duurzaamheid in gang te zetten en te versnellen. Ze

66

H1 verwijst hierbij naar problemen zoals de uitstoot van broeikasgassen, het verlies aan biodiversiteit en verspillend grondstoffengebruik en naar kansen om bij te dragen aan verduurzaming van de woningmarkt en de mobiliteit. Zij formuleert hier drie hoofdaandachtspunten voor: 1. Benut synergiekansen en verbind korte en lange termijn met elkaar: Economische herstelprogramma’s bieden bijvoorbeeld grote kansen om aanpassingen in de productiestructuur te realiseren die ook positief bijdragen aan duurzaamheidsdoelen. 2. Werk Europees samen en leer van de aanpak van ‘groen herstelbeleid’ uit het buitenland: De Europese Commissie en grote landen als Duitsland en Frankrijk zetten in hun herstelbeleid stevig in op een versnelling richting duurzaamheid. Investeringsprioriteiten zijn met name: energierenovatie van bestaande bouw, energie-efficiënte nieuwbouw met duurzame warmtebronnen, stimuleren van elektrisch personenvervoer en de aanleg van oplaadinfrastructuur. Uitvoering van het Nederlandse industriebeleid kan mogelijk worden versneld door grensoverschrijdende samenwerking te intensiveren en rekening te houden met plannen in omringende landen. 3. Versterk de condities voor investeringen die bijdragen aan duurzaam herstel: De financiële sector is een interessante samenwerkingspartner voor overheden om investeringen in duurzaam herstel te bevorderen.

Zij kunnen onder andere bestaande belemmeringen voor duurzaam ondernemen wegnemen en duurzame bedrijfsvoering stimuleren, bijvoorbeeld via kredietverstrekking onder duurzaamheidsvoorwaarden. (PBL, 2020 b)

H2 H3 H4

H5

Natuur en Milieufederatie Utrecht: tijd voor herbezinning De Natuur en Milieufederatie Utrecht (NMU) bevroeg haar netwerk om mee te denken over de mogelijke kansen en belemmeringen die de coronacrisis met zich meebrengt. Ook hun reacties lagen in lijn met de visie van het Planbureau voor de Leefomgeving om het herstelbeleid te combineren met versnelling van veranderingen richting duurzaamheid. Reacties waren in grote lijnen: ‘Laten we nu het moment aangrijpen om over te stappen op een groene economie. Versterk de regionale economie, ontwikkel kortere ketens vooral op het gebied van

67

H1 landbouw en voedselvoorziening’. En ook: ‘Koppel de steun vanuit de overheid aan groen ondernemen. Borg duurzaamheid stevig in beleid en wetgeving zoals de omgevingswet en -visies, klimaatadaptatiestrategieën, Deltaplan Biodiversiteit en Europese Green Deal’. Een gedeelde wens vanuit het netwerk lijkt volgens de NMU te zijn om de ervaringen en ontwikkelingen van de corona­ crisis te benutten voor herbezinning. (Natuur en milieu federatie Utrecht, 2020)

4.4

Vrijetijdssectoren: geleden schade en nieuwe paden

H2 H3 H4

H5

Flora en fauna hadden te lijden onder extra bezoekersdrukte Nog nooit waren volgens beheerders natuurgebieden zo geliefd als tijdens de lockdownperiodes in de coronacrisis. En alhoewel dit enerzijds mooi en fijn te noemen is, bleek er ook een keerzijde aan te kleven. De drukte was uiteindelijk namelijk schadelijk voor de flora en fauna. In interviewgesprekken met vertegenwoordigers van Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer wordt gesteld dat mensen afval lieten slingeren in de gebieden en ze, al dan niet bewust, lopen in verboden gebieden. Dat kan serieuze schade aan de natuur opleveren die niet zomaar te herstellen is. Denk aan kwetsbare planten die worden vertrapt, dieren die worden verjaagd en niet meer terugkeren en dieren die van stress sterven. Ook: vogels die tijdens het broedseizoen worden verstoord en wegvliegen waardoor hun eieren teveel afkoelen en niet uitkomen. Een oplossing die door de geïnterviewden wordt aangedragen is om (naast meer heldere regels en boa’s) ook agrarisch buitengebied toegankelijker te maken voor wandelaars, zoals paden langs sloten en beekjes. De geïnterviewden roepen Rijkswaterstaat, Defensie, gemeenten en andere grondeigenaren op om opnieuw te kijken naar de toegankelijkheid van hun gebieden. (ToeZine, 2021)

Meer vakantie in eigen land in 2020 Door de crisis konden de meeste mensen in 2020 niet op vakantie in het buitenland. Het wekt dan ook geen verbazing dat het aantal (zomer) vakanties in

68

H1 eigen land fors toenam in 2020. Het aandeel steeg met ruim 6% ten opzichte van 2019, van 9,9 naar 10,5 miljoen. De stijging was het sterkst te zien in de provincie Friesland die 243.000 toeristen extra kon verwelkomen dan een jaar eerder. De provincie Utrecht ontving in 2020 40.000 vakantiegangers minder dan in 2019. Het aantal zomervakanties met buitenlandse bestemming daalde in 2020 met 67%, van 13,7 miljoen naar 4,4 miljoen. (CBS , 2021 m)

H3 H4

H5

Binnenlandse vakantiebestemmingen zomer 2019 en 2020 Aantal vakanties x 1.000

2019

2020*

Verschil

Totaal Nederland

9883

10521

637

Groningen

182

283

101

Fryslân

685

928

243

Drenthe

889

1014

125

Overijssel

904

1028

124

Flevoland

309

234

-75

Gelderland

1876

1884

8

Utrecht

353

313

-40

Noord-Holland

1025

1.154

128

Zuid-Holland

629

568

-62

Zeeland

660

845

185

Noord-Brabant

1134

975

-159

Limburg

1027

1202

175

Onbekend

209

92

-117

Bron: CBS

H2

* voorlopige cijfers

Ondanks het feit dat er in 2020 veel meer vakanties in eigen land zijn doorge­ bracht, valt het totaal aan toeristische bestedingen 43% lager uit: binnen- en buitenlandse toeristen hebben in totaal 39 miljard euro minder uitgegeven. De toeristische sector is daarmee in een klap de groei van meer dan tien jaar kwijt. (CBS, 2021 v)

69

H1

Bibliotheken: fors minder fysieke activiteiten in 2020 Bibliotheken vervullen de laatste jaren een steeds bredere rol waar het educatie, ontmoeting en debat betreft. Door de coronacrisis zijn veel van die brede activiteiten stil komen te liggen. In 2020 waren er 35% minder van deze activiteiten dan een jaar eerder. Alsnog bleven er zo’n 143.000 activiteiten over op het gebied van leesbevordering en kennismaking met literatuur, educatie en ontwikkeling, kennis en informatie, kunst en cultuur en ontmoeting en debat. 117.000 hiervan waren fysieke activiteiten. Daarnaast organiseerden de bibliotheken ruim 26.000 niet-fysieke activiteiten, veelal gebeurde dat online. (CBS, 2021i)

H2 H3 H4

H5

> Zie ook paragraaf 2.1. Corona brengt meer rust en ontspanning

Beperkingen culturele leven raken ook aan inclusie Vanuit het lectoraat Participatie en stedelijke ontwikkeling van de Hogeschool Utrecht wordt onderstreept hoe groot de impact van de coronacrisis is op cultuur. Musea, podia en concertzalen moeten hun deuren sluiten waarmee ook afbreuk wordt gedaan aan haar mogelijkheden om te voorzien in maatschappelijke inclusie. Het lectoraat spreekt haar zorg uit hoe in tijden van wegvallen van inkomsten de sector toch haar belangrijke rol op dit terrein kan blijven invullen. (Hogeschool Utrecht, Kenniscentrum sociale innovatie, 2020). Het Sociaal en Cultureel Planbureau benoemt het belang van de ‘kritische, sociale en emancipatoire’ functies van cultuur voor de maatschappij. Bijvoorbeeld de sociale cohesie die zij creëert en de aan ‘kunst toegeschreven verbeeldingskracht om het leven, de wereld en de toekomst anders te denken’. Door de coronamaatregelen zou voor velen een ‘ontspannende vrijetijdsbesteding, een mogelijkheid om te socialiseren, een manier om aan het maatschappelijke leven bij te dragen en een deel van de beleefde persoonlijke identiteit komen te vervallen’. (SCP, 2020 u)

70

H1

Specifieke kwetsbaarheid van de cultuursector Afgezien van het feit dat de coronamaatregelen er voor zorgden dat er veel minder cultuur ‘geconsumeerd’ kon worden dan gewoonlijk, is er ook grote zorg over de sector zelf. Anders dan voor veel andere sectoren die door de crisis zijn geraakt (zoals detailhandel, toerismesector) geldt dat de cultuursector niet van het ene op het andere moment weer kan worden ‘aangezet’ en ten volle kan draaien. Veel activiteit in de culturele sector vergt lange voorbereidingsen aanlooptijden. Berenschot (Berenschot, 2021) benoemt hoe producties lang van tevoren moeten worden voorbereid, artiesten zeer tijdig geboekt moeten worden en exposities jaren van te voren worden opgetuigd om bijvoorbeeld bruiklenen te organiseren. Deze cyclische processen in de cultuursector zijn door de coronacrisis ruw verstoord. Reeds gedane investeringen in producties en evenementen zijn weg en in veel gevallen is herhaling of herkansing onmogelijk. Het ontbreekt vaak aan opgebouwde reserves om nieuwe investeringen te kunnen doen. Daarmee is de cultuursector op een specifieke manier in de knel gekomen. In de scenarioverkenning onderscheidt Berenschot twee dimensies die voor toekomstig herstel relevant zijn: Ten eerste de vraag of men straks teruggaat naar normaal of dat alles voorgoed ‘anders’ wordt.

Ten tweede of er sprake zal zijn van beperkte dan wel ruime overheidssteun.

4.5

H2 H3 H4

H5

Veiligheidsvraagstukken vanuit corona-perspectief ‘Klassieke misdaad’ in coronaperiode verminderd Het aantal inbraken, overvallen en straatroven, gemeten naar het aantal aangiftes, is in de coronaperiode sterk afgenomen. In een op politiecijfers gebaseerd krantenartikel wordt gesteld dat het aantal inbraken in heel Nederland in de periode januari 2021 – augustus 2021 42% lager ligt dan in diezelfde maanden in 2019. Een woordvoerder van de politie stelt hierbij dat door het vele thuiswerken, de gelegenheid om inbraken te plegen een stuk minder is geworden. Een bijkomstigheid is dat er relatief meer inbraakzaken

71

H1 opgelost konden worden, wat mede te danken is aan het feit dat er ook meer door mensen gebeld is over verdachte situaties in de buurt. De gesignaleerde daling van het aantal overvallen in bijvoorbeeld winkels en horeca heeft volgens de woordvoerder van de politie te maken met het feit dat men wekenlang dicht is geweest. Ook speelt een rol dat mensen steeds meer cashloos zijn gaan betalen. Misdrijfcijfers van de provincie Utrecht laten zien dat in de periode januari tot augustus 2021 47% minder overvallen plaatsvonden en 34% minder straatroven. (AD, 2021 x) (RVS veiligheidsbeelden)

H2 H3 H4

H5

Aantal misdrijven provincie Utrecht in periode januari tot en met augustus (2019 – 2021)

jan-aug 2019

jan-aug 2021

verschil percentage

criminaliteit totaal

41931

36346

-13%

woninginbraken

2132

1420

-33%

geweld: totaal

3638

2983

-18%

geweld: straatroof

98

65

-34%

geweld: overval

38

20

-47%

cybercrime

205

966

+371%

Fraude: totaal

4154

6094

+47%

2440

2582

+6%

Fraude: online handel Bron: RVS Veiligheidsbeelden

Cybercrime neemt toe en krijgt ook jasje van coronathematiek Waar de ‘klassieke misdaad’ in de vorm van inbraken, overvallen en straatroven in coronatijd sterk is afgenomen, geldt dit niet voor online misdrijven. In de periode januari 2021 – augustus 2021 is het aantal misdrijven op dit gebied in de provincie Utrecht met 371% toegenomen ten opzichte van dezelfde maanden in 2019. Deels gebruiken cybercriminelen ook een coronagerelateerde insteek bij hun activiteiten. Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat bericht hierover in het voorjaar van 2021. De nieuwe tactieken op het gebied van phishing mails bestaan uit het ‘losmaken van een negatieve emotie’ bij de slachtoffers zoals het benadrukken van coronagerelateerde urgentie of het opwekken van

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/429/documents/13552