CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

A03.1 Bijlage 1. Position paper - Windenergie Montfoort-Oudewater (204611).pdf

Gemeenteraad 11 december 2025, gemeente OudewaterBij agendapunt: 10: Ingekomen stukken15.001 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Toetsingskader Windenergie Reijerscop | 13

Beperking hinderlijke slagschaduw

Maximaal momentaan geluid Het vaststellen van een extra handhavingsnorm voor het maximale momentane geluidsniveau, in de vorm van LAeq norm, is mogelijk onder de Omgevingswet. Dit is bijvoorbeeld voorgeschreven bij windpark Rijnenburg in Utrecht. Deze norm kan worden gehanteerd naast de overige wettelijke handhavingsmogelijkheden. Het gaat om een norm voor een korte tijdsperiode waar altijd aan moet worden voldaan, ongeacht windsnelheid of weersomstandigheden. Een LAeq,t norm is gebaseerd op geluidwaarden die op grond van de kenmerken van de windturbine en het windaanbod op locatie worden verwacht. Het biedt geen (extra) milieubescherming, zolang de eigenschappen van de windturbine overeenkomen met de gegevens van de fabrikant. Een dergelijke norm komt tegemoet aan wensen van betrokkenen dat, naast een jaargemiddelde norm, een norm wordt gesteld voor een korte periode. Welke onder geen enkele omstandigheid mag worden overschreden. Het heet daarom een handhavingsnorm. Normgrens en afstand waarop aan de norm moet worden voldaan, worden door het bevoegd gezag gesteld op basis van het akoestisch onderzoek dat, als onderdeel van het projectMER, door de initiatiefnemer wordt ingediend bij de omgevingsvergunningsaanvraag. Dit kan gezien worden als een vorm van nulmeting.

Als een windturbine eigenschappen vertoont die vergunninghouder, bevoegd gezag en omgeving niet mochten verwachten, op basis van de gegevens van de fabrikant, dan kunnen geluidniveaus in de praktijk afwijken van de vooraf berekende geluidwaarden. Die waarden zijn namelijk gebaseerd op gegevens van de fabrikant. Om te garanderen dat de windturbines overeenkomen met de gegevens van de fabrikant wordt in de vergunning voorgeschreven dat de vergunninghouder, binnen enkele maanden na de overdracht van de windturbines, een bronsterktemeting laat uitvoeren. Bij voorkeur wordt deze met dezelfde meet- en rekensystematiek uitgevoerd als de systematiek die is toegepast bij certificering van de windturbine. Randvoorwaarden: • De initiatiefnemer levert akoestisch onderzoek aan op basis waarvan het bevoegd gezag een handhavingsnorm en meetmethodiek bepaalt voor maximaal momentaan geluid, die worden opgenomen in de omgevingsvergunning; • In de omgevingsvergunning wordt voorgeschreven dat de vergunninghouder, binnen 6 maanden na overdracht van de windturbines, een bronsterktemeting laat uitvoeren conform de meet- en rekenmethode waarmee de windturbines zijn gecertificeerd.

Door de grote hinderlijkheid van binnenshuis optredende slagschaduw is het beperken van de slagschaduwduur voor de gemeente van groot belang. De gemeente Woerden vindt het belangrijk om slagschaduwgevoelige gebouwen in de omgeving van een windpark te beschermen tegen slagschaduwhinder. Het gaat in dit geval met name om woningen, en eventuele (voorziene) onderwijsgebouwen, verzorgingstehuizen en kinderdagverblijven. Een windturbine moet al voorzien zijn van een automatische stilstandvoorziening voor slagschaduw. En reeds in 2021 is 1 uur slagschaduw op de gevel per jaar vastgelegd in het Afwegingskader. De landelijke nieuwe normen lijken 6 uur per jaar slagschaduw op ramen in de gevel aan te houden, waarbij de mogelijkheid is opgenomen dat de gemeente een scherpere norm mag kiezen. Daarom wordt onze lokale norm van 1 uur als randvoorwaarde geformuleerd. Randvoorwaarde: De gemeente kiest strengere slagschaduwnormen dan het Rijk, namelijk maximaal 1 uur per jaar slagschaduw op ramen in gevels van slagschaduwgevoelige gebouwen.

Meewerken aan metingen Bij vaststelling van het Toetsingskader is een amendement aangenomen over het meewerken aan metingen door de turbine-eigenaren: Randvoorwaarde: Worden er na realisatie van de windturbines meerdere zwerfstroom of geluid gerelateerde klachten gemeld (te bepalen door het bevoegd gezag), dan is de initiatiefnemer verplicht mee te werken aan onderzoek naar de actuele situatie ter plaatse. Mogelijk moeten de windturbines hiervoor maximaal enkele dagen worden stilgezet. Is aangetoond dat de klachten veroorzaakt worden door de windturbines, dan is de initiatiefnemer verplicht om mee te werken aan beperkende maatregelen. Bij geluidsklachten geldt de laatste verplichting alleen als de in de vergunning vastgelegde geluidsnormen worden overschreden.

Toetsingskader Windenergie Reijerscop | 14

Kaders voor landschap, ecologie en recreatie Landschappelijke inpassing Posities, hoogte en afstand tot woningen Het zoekgebied biedt mogelijkheden voor verschillende opstellingen van verschillende grootten. Hierover is een workshop geweest met landschapsexperts en belanghebbende organisaties, in het kader van het gebiedsproces. Om landschappelijke hinder zo klein mogelijk te maken en de gewenste koppeling met windpark Rijnenburg en Reijerscop te benadrukken, worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: Uitgangspunten: • Windturbines in Reijerscop zijn van hetzelfde type en hebben een gelijke tiphoogte, binnen een bandbreedte van 215 tot 270 meter. Voor een goede landschappelijke inpassing voegt de hoogte van het windpark in Reijerscop Woerden zich daarmee naar dat van windpark Rijnenburg en Reijerscop in de gemeente Utrecht, als dat eerder onherroepelijk vergund is en de windturbines daarvoor aanbesteed zijn; • De initiatiefnemer toont aan dat de voorgestelde opstelling zo ver mogelijk is geplaatst van omliggende woningen, met inachtneming van andere factoren die impact hebben op de plaatsing van windturbines, zoals veiligheid, ecologie en landschap.

Met de volgende berekeningswijze kunnen mogelijke opstellingsvarianten geoptimaliseerd worden, uitgaande van een minimale gemiddelde afstand van 750 meter tot woningen en rekening houdend met alle woninggevels die niet meer dan 800 meter van een windturbine staat: • Streef ernaar dat de som van de afstand van elke woning tot elke windturbine, gedeeld door: het aantal woningen binnen de 800 meter keer het aantal windturbines, gemaximaliseerd wordt. De afstemming van windpark Reijerscop in Woerden op windpark Rijnenburg-Reijerscop is een schriftelijk verzoek van de provincie als bevoegd gezag. Het is echter niet als harde eis geformuleerd, om ruimte te bieden voor afstemming tussen initiatiefnemers en omwonenden tijdens het volgend participatieproces. De gemeente formuleert het dan ook als uitgangspunt.

Die is aangehouden voor het bepalen van de grenzen van de technische ruimte. Met bovenstaande begrenzing zullen de windturbines tussen de 500 en ruim 800 meter afstand van woningen worden geplaatst, met voor de meest dichtstbijzijnde woningen een gemiddelde afstand van minimaal 750 meter. Hiervan kan op verzoek van afgeweken worden als dit in het participatieproces zo wordt afgesproken. Om deze reden is dit ook als uitgangspunt opgenomen.

Ontwerpprincipes opstelling windturbines De rij van windturbines wordt zo mogelijk gekoppeld aan autonome lijnen in het landschap. Het is van belang rekening te houden met de verschillende niveaus waarop windturbines impact hebben. Dit wordt in de ruimtelijke onderbouwing toegelicht. Uitgangspunten: • De windturbines staan in een lijn, die geknikt kan zijn; • De windturbines in Reijerscop vormen met de westelijke windturbine van Rijnenburg-Reijerscop samen één geknikte lijn; • De opstelling van het windpark sluit zo veel mogelijk aan bij bestaande landschappelijke structuren. Hierbij is het van belang om rekening te houden met de verschillende niveaus waarop windturbines impact hebben: • Ten eerste de inpassing bij de verschillende grote lijnen in het landschap: snelweg, cope-structuur en weteringen gerelateerd aan de Oude Rijn; • Op een lager schaalniveau de inpassing van de toevoerwegen en bijbehorende voorzieningen in het nabije landschap. • Voor het archeologisch onderzoek wordt aangesloten bij het parapluplan Woerden 2. • Bij of voor de ruimtelijke procedure wordt de landschapsontwikkeling in Reijerscop nader geconcretiseerd, in samenspraak met omwonenden en belanghebbende organisaties. Omdat deze ontwerpprincipes vanuit de provincie als bevoegd gezag niet als harde eis zijn geformuleerd, worden deze als uitgangspunt opgenomen in dit Toetsingskader.

Er is door het Rijk als nieuwe norm voor windturbines een afstandsnorm voorgesteld tussen woningen en windturbines van twee keer de tiphoogte. In dit geval betekent dat een afstand van ongeveer 500 meter. Dat komt overeen met de vuistregel die gemeente Woerden al had bepaald in het Afwegingskader grootschalige duurzame energie 2021. Toetsingskader Windenergie Reijerscop | 15

Obstakelverlichting Windturbines met een tiphoogte van 150 meter of meer moeten op grond van internationale luchtvaartregels worden voorzien van obstakelverlichting. Flitsende verlichting wordt bij nieuwe windparken niet meer toegepast, omdat vast brandende verlichting zorgt voor minder hinder. In Nederland is het sinds korte tijd ook toegestaan om vast brandende verlichting te vervangen door verlichting op basis van naderingsdetectie voor vliegtuigen. Daarmee kan de verlichting gemiddeld bijna 95% van de tijd uit blijven, waarmee lichthinder wordt voorkomen. Bij naderingsdetectie schakelt de rode verlichting ‘s nachts alleen in als een vliegtuig of ander luchtvaartuig zich in de detectiezone van de windturbine bevindt. De keuze hoe flitsende verlichting te vervangen dient altijd voorgelegd te worden aan de Inspectie Leefomgeving en Transport. Om deze reden kan de specifieke techniek van naderingsdetectie niet als harde eis worden gesteld in het Toetsingskader. Het aanvragen ervan bij de inspectie wel. Randvoorwaarde: De initiatiefnemer dient te zorgen voor zoveel mogelijk uitschakelen van obstakelverlichting, door middel van naderingsdetectie. Daardoor kan verlichting op de windturbines grotendeels uit blijven.

Combinatie met andere thema’s In het projectplan van de initiatiefnemers moet een combinatie worden gemaakt met minimaal één ander thema. Zoals recreatie, natuurontwikkeling, waterbeheer, bodemdaling en landschapsversterking (met landbouw is er vanzelfsprekend een combinatie). Hierbij wordt rekening gehouden met de voorstellen gedaan door de inwoners tijdens het gebiedsproces. Uitgangspunt: De initiatiefnemer geeft in het projectplan aan hoe meerwaarde kan worden gecreëerd op minstens één van de volgende thema’s: • Recreatie; • Natuurontwikkeling; • Waterbeheer; • Bodemdaling; • Landschapsversterking. Ook dit is geformuleerd als uitgangspunt, omdat het aan de initiatiefnemer wordt gelaten om, mede via hun participatieproces, te komen tot een optimale combinatie met andere thema’s.

Ecologische kwaliteitsverbetering In de fase van vergunningverlening wordt een aanleg- en beheerplan opgesteld. Hieruit blijkt hoe met de al aanwezige natuurwaarden wordt omgegaan, op welke manier ontwikkeling van natuur wordt gestimuleerd en wat het beoogde natuurdoeltype is. In overleg met het bevoegd gezag wordt gekeken naar de indeling van het landschap.

Het plan bevat ook informatie over beschikbare geborgde budgetten, planning, monitoring en verantwoordelijkheden voor de duur waarop de locatie in gebruik is. Het plan moet voldoen aan de eisen die de provincie stelt ten behoeve van het afgeven van een ontheffing Wet natuurbescherming. De weidevogeltellingen en die van de grutto als gidssoort worden, in lijn met het Aanvalsplan Grutto, meegenomen bij de combinatie van het windparkvoorstel met ecologische aanpassingen. Uit de tellingen valt een aanzienlijke compensatieopgave te verwachten, voor in ieder geval windturbines aan de westzijde van de technische ruimte. Uitgangspunten: • Het concept-projectplan bevat een aanzet tot een aanlegen beheerplan voor ecologische kwaliteitsverbetering. Vóór aanvang van het vergunningsproces wordt dit verder uitgewerkt. Hierin is opgenomen: • Beschikbare geborgde budgetten; • Een planning; • Monitoring; • Verdeling van verantwoordelijkheden. • Weidevogeltellingen worden gebruikt voor een compensatieplan voor deze soorten. Omdat het hier om een aanzet tot een aanleg- en beheersplan gaat en bedoeld is als een handreiking, is het geformuleerd als uitgangspunt. In het proces naar een formele vergunningsaanvraag is het gebruikelijk dat de vergunningverlener in overleg treedt met de initiatiefnemer over de inhoud van dergelijke plannen. Dat zal ook hierover gaan.

Recreatief medegebruik De Reijerscop heeft naast een agrarische ook een recreatieve functie. De gemeente ziet een kans om toegangswegen te gebruiken als recreatieve routes, zolang dit verenigbaar is met: • De natuurdoelstellingen van het energielandschap; • De regels voor openbare veiligheid; • De privaatrechtelijke wensen van grondeigenaren; • Een passende uitstraling bij het verkavelingspatroon. Uitgangspunten: • Permanente routes voor de bereikbaarheid van windturbines worden in overleg met de gemeente (deels) openbaar toegankelijk als recreatieve routes; • Paden en wegen hebben een recreatieve of agrarische uitstraling en zijn passend bij het verkavelingspatroon van de polder. Omdat de gemeente dit als kans ziet, maar omwonenden de mogelijkheid wil geven om hier inspraak in te hebben tijdens het participatieproces van de initiatiefnemers, is dit als uitgangspunt geformuleerd.

Toetsingskader Windenergie Reijerscop | 16

Kaders voor participatie De gemeente Woerden voorziet een verdeling in schillen rond het windpark om proces en financiële participatie te organiseren. Lokaal eigendom is mogelijk in alle schillen.

Toetsingskader Windenergie Reijerscop | 17

Figuur 2 Directe buren conform de Startnotitie Gebiedsproces windenergie Reijerscop

Figuur 3 Schillen van betrokkenheid

In figuur 3 zijn alle gemeentegrenzen in de buurt weergegeven, terwijl bij de 4e schil alleen de volgende gemeenten direct aangrenzend zijn: Utrecht, Montfoort, Bodegraven-Reeuwijk, Nieuwkoop, De Ronde Venen en Stichtse Vecht.

Toetsingskader Windenergie Reijerscop | 18

Lokaal eigendom

Lokaal Eigendom moeten initiatiefnemers uitleggen waarom dit percentage meer dan 10% zou worden.

De gemeente Woerden vindt lokaal eigendom erg belangrijk, onder andere voor een hoge betrokkenheid van de inwoners van Woerden en grondeigenaren die lokaal gevestigd zijn. Naast de randvoorwaarde van minimaal 50% lokaal eigendom in waarde van de projectBV, is er ook een uitgangspunt opgenomen om het lokaal eigendom verder te stimuleren. In het projectplan en bijbehorende proces moet worden aangetoond dat zo veel mogelijk van het eigendom in lokale handen komt. Voor het initiatief geldt dat een participatieplan mede wordt opgesteld door een lokale energiecoöperatie, met een voorstel voor financiële participatie in samenwerking met een energiecoöperatie. In het participatieplan wordt de initiatiefnemer gevraagd om in grote lijnen te beschrijven welke rechtspersonen voor lokaal eigendom deel uitmaken van het consortium. Uit de conceptstatuten van deze rechtspersonen in oprichting moet blijken welke personen en organisaties, volgens de gemeentelijke uitgangspunten voor lokaal eigendom, democratisch kunnen deelnemen, met één stem per lidmaatschap. Ook moet duidelijk zijn hoe voorwaarden worden gesteld aan verschillende vormen van deelname. Verder wordt in dit plan toegelicht op welke manier mensen met een beperkt budget kunnen meedelen in de opbrengst van de energieproductie.

In de definitieve versie van het participatieplan wordt beschreven welk percentage lokaal eigendom in de projectBV aantoonbaar of te verwachten is. En in hoeverre dit eigendom werkelijk van binnen de gemeente Woerden en aangrenzende gemeenten afkomstig is. Daarbij mogen (semi-)overheden bijdragen in de financiering. Volgens de regels in een Verordening Lokaal Eigendom maakt een lokaal consortium bij het tekenen van de intentieovereenkomst, al aannemelijk in hoeverre lokaal eigendom gemaximaliseerd wordt. Bij de vergunningsaanvraag wordt de motiveringsplicht toegepast ten aanzien van het percentage lokaal eigendom dat aangetoond of aannemelijk kan worden gemaakt. Dit ter beoordeling van het bevoegd gezag. Eventueel kan het bevoegd gezag alsnog besluiten dat dit onvoldoende is om betreffend consortium het windpark te laten ontwikkelen. Lokaal eigendom sluit aanvullende vormen van financiële participatie niet uit. Door met voorrang in de kleinste bovenstaande schil naar financiële participatie te zoeken, krijgen directe buren als eerste de mogelijkheid om financieel deel te nemen. Als het binnen de eerste schil niet lukt om voldoende geld op te halen, kan ook de tweede bovenstaande schil gevraagd worden om financieel in te stappen. Daarna de 3e bovenstaande schil en vervolgens de 4e schil.

Waar aanvullende vormen van financiële participatie buiten de genoemde gemeenten tot mede-eigendom leiden, is het uitgangspunt om dit niet meer dan 10% van het eigendom te laten betreffen. Met de motiveringsplicht uit de Verordening

Uitgangspunten: • Initiatiefnemers spannen zich in voor een percentage lokaal eigendom van meer dan 50% en brengen daarover verslag uit aan het bevoegd gezag; • Het consortium toont aan te streven naar maximaal 10% eigendom van partijen die buiten de gedefinieerde schillen gevestigd zijn en geen grondeigendom binnen de technische ruimte hebben. Omdat de gemeente niet kan bepalen hoeveel procent lokaal eigendom gehaald kan worden, is dat als uitgangspunt geformuleerd. We benoemen wel minimaal 50% lokaal eigendom, zie hoofdstuk 4 b. Het maximum van 10% eigendom door partijen van buiten de 4 schillen is een wens om het windpark zo veel mogelijk in lokale handen te laten. Ook hier kan de gemeente echter geen harde eis stellen, omdat dit ook van een eventueel lokaal consortium afhangt. Daarom is dit ook als uitgangspunt geformuleerd.

Financiële participatie Omgevingsfonds Het consortium stelt een omgevingsfonds in waar de initiatiefnemers jaarlijks een afdracht doen van minimaal 0,4€/megawattuur (MWh), zoals genoemd in de Gedragscode Acceptatie & Participatie Windenergie op Land. De afdracht wordt definitief bepaald als de productie over een heel kalenderjaar is vastgesteld. De hoogte van de afdracht is nader te bepalen in het participatieproces met de omwonenden. Binnen de kring van omwonenden, tot maximaal 2,5 km, inclusief heel Harmelen (zie figuur 3). De initiatiefnemer moet omschrijven welke doelen met het omgevingsfonds, in overleg met de omgeving, worden ondersteund. Daarbij wordt aangetoond hoe het bestuur van het fonds wordt vormgegeven en de beslissing voor het jaarlijks steunen van doelen tot stand komt. De besteding van het omgevingsfonds wordt na een jaar na energielevering in handen gegeven van een stichting, opgericht vanuit de lokale omgeving. Hiermee geeft de gemeente invulling aan het amendement van 26 januari 2023 bij het raadsvoorstel ‘Gebiedskeuze voor grootschalige wind- en zonne-energie’, om de gehele Woerdense samenleving in brede zin profijt te laten hebben van grootschalige energieopwekking met zon of wind in de gemeente. Een aantal mogelijke bestedingsdoelen worden in de begrippenlijst van dit Toetsingskader genoemd.

De criteria voor toewijzing van deze gelden worden later uitgewerkt. Uitgangspunt: Initiatiefnemers beschrijven in het participatieplan op hoofdlijnen hoeveel budget ze beschikbaar stellen voor het omgevingsfonds en op welk moment dit budget beschikbaar komt. Ook wordt een voorstel gedaan voor de organisatievorm voor de besluitvorming over inzet van het omgevingsfonds.

Toetsingskader Windenergie Reijerscop | 19

Landelijk zijn er geen harde eisen gesteld aan het totaal van financiële bijdragen aan de omgeving. Dit is sterk afhankelijk van de lokale situatie en de grootte van het windpark. Om die reden is dit als uitgangspunt geformuleerd.

Omwonendenregeling en sociale grondvergoeding De initiatiefnemer is verplicht een omwonendenregeling op te zetten voor de directe buren (de omwonenden volgens figuur 2) van de windturbines. De inhoud van de regeling en de hoogte van de tegemoetkoming aan omwonenden wordt besproken in het participatieproces en vastgelegd in zogenoemde omgevingsafspraken. Aan grondeigenaren binnen de technische ruimte van het zoekgebied, die geen grond inbrengen voor windturbines, opstelplaatsen, aanvoerwegen en bijgebouwen, wordt alsnog een redelijk deel van de totale grondvergoeding toegekend. Deze vergoeding is gekoppeld aan het grondeigendom en staat los van het aandeel in het eigendom van het project. Het principe van sociale grondvergoeding moet door de partijen van het consortium worden erkend en vastgelegd in de omgevingsafspraken. Het toepassen van dit principe wordt eerder al vastgelegd in de intentieovereenkomst. De hoogte van de vergoeding moet uiteindelijk door alle eigenaren van het project gezamenlijk worden bepaald en uiterlijk bij het verkrijgen van financiering worden vastgelegd.

Uitgangspunten: • De initiatiefnemer doet in het projectplan een voorstel voor een omwonendenregeling en hoe deze regeling in te vullen met gelden voor de directe buren van de windturbines; • De initiatiefnemer doet in het projectplan een voorstel voor een sociale grondvergoeding voor grondeigenaren en pachters in de technische ruimte. Landelijk zijn er geen harde eisen gesteld aan het totaal van financiële bijdragen aan de omgeving. Dit is sterk afhankelijk van de lokale situatie en de grootte van het windpark. Om die reden is dit als uitgangspunt geformuleerd.

Procesparticipatie Participatieplan Het definitieve participatieplan wordt in de anterieure overeenkomst opgenomen. De initiatiefnemer is verplicht om een participatieproces te doorlopen met de directe buren van het zoekgebied (zie de begrenzing daarvan volgens de Startnotitie Gebiedsproces windenergie Reijerscop 2023-2024). Hierbij worden minimaal twee bewonersbijeenkomsten verwacht, waarbij ook een klankbordgroep van directe buren en grondeigenaren mogelijk wordt gemaakt. Om zo tot omgevingsafspraken te komen. Met overige belanghebbende inwoners en MKB-bedrijven binnen tien keer de tiphoogte van beoogde windturbines kan er een minder intensief contact zijn, bijvoorbeeld alleen digitaal. In overeenstemming met de begrenzing van de belanghebbenden in het gebiedsproces

valt onder deze tweede schil de gehele woonkern van Harmelen. In het participatieproces wordt verwacht dat de initiatiefnemers de opvattingen en argumentatie uit de omgeving ophalen over relevante onderwerpen. Bijvoorbeeld het aantal windturbines, de optimalisatie van de turbineposities of de regels voor het omgevingsfonds, de omwonendenregeling en eventueel overige vormen van financiële participatie. Overeenstemming onder de omwonenden kan niet worden verwacht, maar een beargumenteerde conclusie van de initiatiefnemers over de gemaakte keuzes naar aanleiding van de opvattingen en argumentatie wel. De gemeente vraagt het participatieproces af te sluiten met een schriftelijke uitkomst van het participatieproces met de omgeving vanuit de initiatiefnemers. Dit is inclusief omgevingsafspraken die met input van een klankbordgroep van directe buren tot stand zijn gekomen over in ieder geval bovenstaande onderwerpen. Het bevoegd gezag zal bij de vergunningsaanvraag beoordelen of de geleverde participatie-inspanning voldoende is geweest. Daarbij is de beleidsregel over participatievereisten als volgt van toepassing voor windturbines: Randvoorwaarden: De aanvrager stelt een participatieplan op.

In het participatieplan wordt in ieder geval ingegaan op de volgende punten: • Welke personen/instanties/belanghebbenden zijn betrokken bij het participatieproces? Indien het participatieproces uit meerdere stappen/fases heeft bestaan, moet dit per stap/fase worden aangegeven; • Op welke wijze is het participatieproces uitgevoerd? Welke processtappen zijn daarbij genomen? En voor welke vorm(en) van participatie heeft de aanvrager gekozen? • Wat is de opbrengst van het participatieproces geweest? Welke opmerkingen, aanvullingen en verbeteringen zijn kenbaar gemaakt? De aanvrager dient zo veel mogelijk belangen en argumenten voor en tegen in beeld te brengen. Hierbij dient de initiatiefnemer aan te geven in welke mate er onder bovengenoemde betrokkenen al dan niet steun of draagvlak voor de plannen is. • De aanvrager geeft aan welke afspraken er zijn gemaakt met de omwonenden en welke opmerkingen er zijn gemaakt die niet geleid hebben tot aanpassingen.

Toetsingskader Windenergie Reijerscop | 20

Uitvoering Besluitvorming over (concept-)projectplan

M.e.r. na het Toetsingskader

Eerst wordt een opzet van een projectplan opgesteld. De gemeente kiest, vanwege het groot gemeentelijk belang van betrokkenheid en lokaal draagvlak, voor het maximaliseren van het lokaal eigendom in het windpark. Dat begint met het faciliteren van een lokaal consortium. Daarbij spreken lokale partijen de intentie uit om samen te werken aan één gezamenlijk windpark in Reijerscop met maximaal lokaal eigendom. Op 1 juni 2025 wordt een conceptprojectplan verwacht van dit lokaal consortium, zodat een intentieovereenkomst kan worden getekend met de gemeente om tot een windpark te komen. Het college heeft de bevoegdheid om deze deadline aan te passen.

De Omgevingswet kent een algemene omschrijving van plannen waarop de plan-m.e.r.-plicht van toepassing is. Een plan-m.e.r.-plicht treedt op voor plannen en programma’s die een kader vormen voor mer-(beoordelings)plichtige activiteiten of op besluitvorming over dergelijke activiteiten vooruitlopen. In artikel 16.37 van de Omgevingswet is opgenomen dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma gebruik kan maken van een ander milieueffectrapport. Voor de milieugerelateerde onderbouwing van de locatie verwijst de gemeente naar het recent afgeronde PlanMER Windenergie Utrecht, opgesteld in opdracht van Gedeputeerde Staten (GS) van provincie Utrecht. Daarin zijn zoekgebieden voor windenergie op provinciaal niveau beoordeeld en daarmee ook op het gehele grondgebied van gemeente Woerden. Het planMER heeft voldoende detailniveau voor de gemeente.

Als het college voor de intentieovereenkomst onvoldoende motivatie heeft ontvangen dat dit lokaal consortium uitzicht biedt op lokaal eigendom in het windpark van meer dan 50%, kan het college alsnog besluiten om een maatschappelijke tender uit te schrijven. Bij inschrijving van een maatschappelijke tender dient elke initiatiefnemer een concept-projectplan in, ter beoordeling van het college. Daaruit wordt alsnog een voorkeurs-consortium geselecteerd. Het concept-projectplan wordt gezien als een principeverzoek, wenselijkheid van medewerking aan de ruimtelijke procedure door het college. Het geselecteerd consortium start vervolgens een participatieproces met in ieder geval de directe buren. Dat leidt tot een definitief participatieplan met omgevingsafspraken en een definitief projectplan, als principeverzoek haalbaarheid. Dat wordt met de overige documenten voor een vergunningsaanvraag ingediend en besproken in het kader van de ruimtelijke procedure.

Mede op basis van de beoordeling in het planMER is windzoekgebied Reijerscop door GS aangewezen als geschikt gebied voor de ontwikkeling van windenergie, boven andere zoekgebieden. Voor een uitgebreide afweging van locaties op gemeentelijk niveau wordt daarnaast verwezen naar het vergelijkende onderzoek van zoekgebieden Barwoutswaarder en Reijerscop en het raadsbesluit voor de aanwijzing van Reijerscop als eerste zoekgebied voor windenergie. Hiermee is aan een mogelijke plan-m.e.r.- verplichting voldaan. De gemeente wil echter wel dat er een milieueffectrapport (MER) wordt opgesteld voor dit windpark. Dat gebeurt vóór de besluitvorming over de omgevingsvergunning.

Zie ook bijlage 1 voor een schematische weergave van het besluitvormingsproces.

Toetsingskader Windenergie Reijerscop | 21

Mer-(beoordelings)plicht voor omgevingsvergunning Bijlage V bij het Omgevingsbesluit bevat een opsomming van projecten en gevallen waarvoor de m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Bij de opsomming van projecten is ook vermeld op welke besluiten deze verplichting van toepassing is. Windparken zijn opgenomen in categorie C2 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Voor windparken tussen 3 en 19 windturbines geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Voor 1 of 2 windturbines is er geen m.e.r.-beoordelingsplicht en ook geen omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten. Voor windenergie op land is de m.e.r.-(beoordelings) plicht gekoppeld aan de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit. Een m.e.r.-beoordeling is een toets om aan de hand van onderzoek te bepalen of sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Die een projectMER en het volgen van een m.e.r.-procedure wettelijk verplicht kan maken. Initiatiefnemers kunnen ervoor kiezen om de stap van de m.e.r.-beoordeling over te slaan en vrijwillig een projectMER te maken. De gemeente Woerden, als verwacht bevoegd gezag, gaat ervan uit dat er voldoende verwachte milieueffecten zijn om de stap van de m.e.r.-beoordeling over te slaan en dat de initiatiefnemer een projectMER opstelt. Dit komt er op neer dat de gemeente van de initiatiefnemer een projectMER eist (zie eerdere randvoorwaarde).

Anterieure overeenkomst Uiterlijk voor publicatie van de ontwerp omgevingsvergunning moet de aanvrager, het consortium, een anterieure overeenkomst tekenen met de gemeente waarin in privaatrechtelijke zin afspraken tussen gemeente en vergunninghouder worden geborgd. In de anterieure overeenkomst worden onder andere afspraken gemaakt over het planschaderisico en de plankosten. Ook worden afspraken over financiële participatie vastgelegd, net als over de ontmanteling en het afvoeren van materialen na afloop van het windpark. Zie ook bijlage 1 voor de plaats van de anterieure overeenkomst in het schema voor besluitvorming.

Toetsingskader Windenergie Reijerscop | 22

Bijlage 1

Procedureschema besluitvorming windenergie

Toetsingskader Windenergie Reijerscop | 23

Bijlage 2

Begrippenlijst Anterieure overeenkomst: Een privaatrechtelijke overeenkomst die wordt gesloten tussen een initiatiefnemer van het windenergieproject en de gemeente, voordat het omgevingsplan gewijzigd wordt of een omgevingsvergunning voor de activiteit BOPA wordt verleend. In deze overeenkomst worden onder meer afspraken gemaakt over plankosten en planschaderisico’s. Belanghebbende: Diegene die in de omgeving van een (potentieel) windproject woont en/of organisaties die in de omgeving van een (potentieel) windproject een ander rechtstreeks aantoonbaar belang hebben. BOPA-procedure: Burgers, bedrijven en overheden kunnen toestemming vragen om activiteiten in de fysieke leefomgeving uit te voeren door een omgevingsvergunning aan te vragen. Als de activiteit in strijd is met het omgevingsplan, is er sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Voor een omgevingsvergunning voor een BOPA voor windenergie geldt meestal de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure. Daarbij wordt een eerst ontwerpbesluit ter visie gelegd voordat een definitief besluit wordt genomen. Energiecoöperatie: Een collectief van burgers, bedrijven en/of overheden dat gezamenlijk investeert in en profiteert van duurzame energieprojecten, zoals windparken.

Leden van een energiecoöperatie hebben zeggenschap over de besluitvorming binnen het project indien de energiecoöperatie een aandeel heeft in het windpark. Energiegemeenschap: Een samenwerking waarin meerdere belanghebbenden, zoals burgers, bedrijven en lokale overheden, samenwerken aan het opwekken, verdelen en lokaal gebruiken van duurzame energie. Dit kan op lokaal, regionaal of nationaal niveau plaatsvinden. Een energiecoöperatie is hier een voorbeeld van. Evenwichtige toedeling van functies aan locaties: Het principe dat bij besluitvorming over nieuwe ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving sprake moet zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is een leidend principe bij de uitoefening van taken door overheden die zijn gericht op de fysieke leefomgeving. Financiële participatie: Investeren in en/of voordeel ervaren van de opbrengsten van een initiatief of project.

opgehaald waarvan enkele worden meegenomen in het Toetsingskader. Gevoelige objecten: Objecten die extra bescherming vereisen in het kader van windenergieprojecten. Betreft woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen. Initiatiefnemer: Een partij (of consortium) die het initiatief heeft genomen – al dan niet op uitnodiging van het bevoegd gezag – om een windproject te ontwikkelen. De gemeente Woerden heeft de voorkeur voor een consortium waarbij lokale grondeigenaren, inwoners en omwonenden en bedrijven samenwerken. Intentieovereenkomst: een document waarin de intentie tot samenwerking tussen het consortium en de gemeente wordt vastgelegd. Bestaat tenminste uit de volgende onderdelen: • Betrokken gronden; • Betrokken partijen; • Rolverdeling initiatiefnemers en gemeente; • Tijdspad; • Kosten en financiering; • Vergunningentraject. Klankbordgroep: Een groep van belanghebbenden en vertegenwoordigers uit de omgeving die regelmatig bijeenkomt om advies te geven over een windenergieproject. Deze groep wordt vaak ingesteld om zorgen en ideeën vanuit de gemeenschap mee te nemen in de planvorming. Lokaal eigendom: Het principe dat (een deel van) het windpark eigendom is van lokale bewoners of een organisatie die de omgeving vertegenwoordigt. Dit kan bijdragen aan lokale betrokkenheid, draagvlak, zeggenschap en economische voordelen voor de gemeenschap.

In de tekst wordt dit begrip verder uitgewerkt. M.e.r.-beoordeling: De beoordeling van een aanmelding van initiatiefnemers over hun voorgenomen turbine-opstelling door de gemeente, of er aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn. Motiveringsplicht: een juridische verplichting voor de initiatiefnemers, waarmee zij de inspanningen die zij verrichten om het lokaal eigendom te maximaliseren onderbouwen en verantwoorden. De motiveringsplicht wordt nader uitgewerkt in een Verordening Lokaal Eigendom.

Gebiedsproces: Het participatieve proces wat heeft plaatsgevonden voorheen aan dit toetsingskader waarbij alle betrokkenen (zoals omwonenden, gemeenten, ontwikkelaars, en andere belanghebbenden) betrokken werden. Tijdens dit gebiedsproces zijn aandachtspunten vanuit de omgeving Toetsingskader Windenergie Reijerscop | 24

Omgevingsfonds: Een fonds dat wordt opgezet door de initiatiefnemer om de leefomgeving rondom een windenergieproject te verbeteren of te versterken. Dit fonds kan bijvoorbeeld worden ingezet voor lokale projecten zoals natuurherstel, sociale voorzieningen, of educatieve initiatieven. De Gedragscode Acceptatie & Participatie Windenergie op Land van NedZero noemt een richtbedrag van € 0,40 tot 0,50 per megawattuur (MWh).

ProjectMER: De rapportage die uit een project-m.e.r. komt.

Omgevingsafspraken: Een overzicht van afspraken die de initiatiefnemer van een windenergieproject heeft gemaakt met input van de lokale gemeenschap. Dit zijn afspraken over zaken die de omgeving aangaan zoals compensatie, participatie, en monitoring van het project. Gemaakte afspraken over financiële participatie worden vastgelegd in het participatieverslag, als sluitstuk van het gebiedsproces tussen initiatiefnemers en omwonenden. Indien nodig worden afspraken over bijvoorbeeld financiële participatie aanvullend vastgelegd in een anterieure overeenkomst tussen vergunningsaanvragers en het bevoegd gezag.

Sociale grondvergoeding: Een vergoeding die wordt verstrekt aan grondeigenaren binnen het zoekgebied of plangebied voor windenergie in verband met de bouw en het gebruik van windturbines en bijbehorende voorzieningen zoals kraanplaatsen en onderhoudswegen. Deze verdeling is bedoeld om de vergoeding niet alleen te goede te laten komen aan de eigenaren van de gronden waar de turbines op worden geprojecteerd maar aan alle grondeigenaren in het gebied waarbinnen opstellingen met windturbines zijn onderzocht.

Omgevingsplan: Het omgevingsplan bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die de gemeente stelt binnen haar grondgebied. Per gemeente is er één omgevingsplan. Omwonende: Diegene die in zijn woon- en leefomgeving een gevolg ondervindt van de komst van het windpark. Wie als omwonenden worden aangemerkt is maatwerk per project. Een specifieke groep is de direct omwonenden, zij die geluid en/of slagschaduw kunnen ervaren. Omwonendenregeling: Een omwonendenregeling bij windprojecten betreft meestal een geldbedrag dat wordt uitgekeerd aan directe omwonenden, vaak gestaffeld naar verschillende afstanden rondom het windpark. In sommige gevallen is sprake van een lokaal stroomaanbod aan omwonenden. Participatie: Het betrekken van en op basis van gelijkwaardigheid in overleg gaan met belanghebbenden over de locatiekeuze, ontwikkeling, bouw en exploitatie van een windproject.

Randvoorwaarden: De basisvoorwaarden waar een projectplan aan moet voldoen, zoals technische eisen, milieueisen, en juridische kaders. Samenwerkingsovereenkomst: Een overeenkomst tussen de verschillende partijen die samen het consortium opmaken.

Technische ruimte: Het vlak binnen het zoekgebied waar windturbines kunnen worden geplaatst. Uitgangspunten: De voorwaarden waar een initiatiefnemer naar moet streven in het projectplan. Vergunningsaanvraag: De vergunningsaanvraag is het proces waarbij een initiatiefnemer officieel toestemming vraagt aan de bevoegde overheid om een windpark te mogen bouwen en exploiteren. Dit verzoek wordt ingediend via een formele aanvraag voor een omgevingsvergunning, waarin alle relevante informatie over het project wordt opgenomen. Vergunningverlening: Vergunningverlening is het proces waarbij de gemeente toestemming verleent voor de bouw, exploitatie en het beheer van een windpark of andere ruimtelijke ontwikkelingen. De voorschriften waaronder activiteiten mogen worden uitgevoerd worden vastgelegd in een omgevingsvergunning.

Participatieplan: Het plan waarin voor de verschillende projectfasen (locatiekeuze, ontwikkeling, bouw en exploitatie) wordt vastgelegd wie op welke wijze belanghebbend is en op welke wijze deze verschillende partijen worden betrokken bij het project. Dit plan is bedoeld om transparantie en inspraak te waarborgen. Plangebied: Afgebakend gebied binnen de polder Reijerscop waarin de doelstelling voor windenergie moet worden behaald. Projectplan: Een document waarin de planning, organisatie, financiering, en uitvoering van een initiatief wordt beschreven. Project-m.e.r.: Het onderzoek van de initiatiefnemer om de milieueffecten van verschillende opstellingen binnen de technische ruimte te kunnen beoordelen. Toetsingskader Windenergie Reijerscop | 25

Bijlage 2. Bestaand beleid gemeente Oudewater De gemeente Oudewater is en blijft tegen de aanwijzing van gebied 8 (Montfoort-Oudewater) voor de plaatsing van windturbines. Hiermee wordt namelijk ingegaan tegen de wensen uit het gebied en de uitkomsten van het lokale democratische proces. Helaas hebben we inmiddels geconstateerd dat de gemeente Oudewater de plannen niet kan tegenhouden. Daarnaast erkennen we ook de opgave die op regionaal niveau speelt. Graag geven we een overzicht van het vastgestelde beleid van de gemeente Oudewater met betrekking tot windturbines. 1. Ruimtelijke voorwaarden • • •

•

Bij meerdere initiatieven in dezelfde zone geeft de gemeente de voorkeur aan bundeling van initiatieven in één project. Hetzelfde geldt voor de ontwikkeling van een mogelijk zonneveld en windturbines in gebied 8. Zoveel mogelijk combinatie met minimaal één ander thema zoals recreatie, natuurontwikkeling, waterbeheer, bodemdaling, landschapsversterking etc. Hierbij is het wenselijk om afstemming te zoeken met het ‘Gebiedsproces Oudewater-Noord’. Er geldt een monitoringsverplichting voor initiatiefnemers. Door middel van periodieke verslaglegging dienen initiatiefnemers aan te tonen dat de projecten blijven voldoen aan de gestelde voorwaarden, waaronder windturbinegeluid. Daarnaast geldt een verplichte nulmeting van de betreffende effecten. Bij ontwikkeling van grootschalige windturbines moeten deze een grootschalige landschappelijke lijn versterken (in overleg met buurgemeenten).

2. Procesmatige voorwaarden • • •

Grootschalige windturbines zijn vanaf grote afstand zichtbaar en wind moet daarom altijd bovenlokaal (met buurgemeenten) worden afgestemd. De planologische toestemming voor de bouw en het gebruik van een zonneveld of een windpark wordt voor bepaalde tijd verleend. Initiatiefnemers van grootschalige windprojecten publiceren jaarlijks een rapportage over ontvangen klachten en klachtenafhandeling.

3. Technische voorwaarden •

• •

•

“Initiatiefnemers in zones waar zowel wind- als zonne-energie mogelijk is dienen aan te tonen dat de ontwikkeling van de ene techniek de ontwikkeling van de andere techniek op dezelfde locatie niet uitsluit. Daarnaast wordt van deze initiatiefnemers verwacht dat zij de mogelijkheden voor een combinatie van wind- en zonne-energie in deze zones onderzoeken.” Een vuistregel afstandsnorm van 500 meter tot losse woonbebouwing en 800 meter tot woonkernen. Dit is een aanscherping ten opzichte van de vuistregel van 300 meter, die gebaseerd is op 47 dBLden. Voor woonkernen kan van de vuistregel worden afgeweken tot een afstand van minimaal 500 meter, mits dit in overeenstemming met de lokale omgeving wordt besloten. Figuur 2 uit het Afwegingskader geeft een overzicht van de woonkernen in de gemeente Oudewater. Gebied 8 valt binnen de 800 meter van een woonkern. Initiatiefnemers dienen door middel van geluidsberekeningen te onderbouwen dat de maximale geluidsbelasting op woningen niet hoger is dan de WHO advieswaarde (van 45 dB Lden).

Figuur 2. Mogelijkheden windenergie bij 500m afstand tot woonbebouwing (bron: link).

4. Financiële voorwaarden • • •

• •

Voor ieder initiatief geldt dat een participatieplan moet worden opgesteld en een voorstel voor financiële participatie moet worden ingediend. Initiatiefnemers moeten in ieder geval de gedragscode Wind op Land van brancheorganisaties NWEA onderschrijven en aan de bijbehorende voorwaarden voldoen. Onderdeel hiervan is financiële afdracht aan een lokaal fonds. Bij grootschalige initiatieven is het aanbieden van vormen van financiële participatie vereist. Gemeente Oudewater wil dat bij ieder grootschalig project de mogelijkheid wordt onderzocht voor lokaal (mede) eigendom waarbij lokale inwoners en bedrijven zijn georganiseerd in een energiecoöperatie. De gemeente wil dat iedereen de mogelijkheid moet hebben om daarin mee te doen, ongeacht de financiële draagkracht. Uiterlijk voordat het ruimtelijk besluit voor een duurzame energieproject in ontwerp wordt gepubliceerd, moeten afspraken over financiële participatie zijn opgenomen in een overeenkomst.

Bijlage 3. Bestaand beleid gemeente Montfoort De benadering van de gemeente Montfoort op de ontwikkeling van grootschalige duurzame energieprojecten richt zich op ruimtelijke kwaliteit, gezondheid, rechtvaardigheid en participatie. Projecten moeten zorgvuldig worden ingepast in het karakteristieke Montfoorts landschap en bijdragen aan de versterking van ruimtelijke en landschappelijke samenhang. Daarbij gelden strikte geluidsnormen volgens de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) ter bescherming van de gezondheid en het leefklimaat van omwonenden. De gemeente streeft naar een eerlijke verdeling van baten en lasten, waarbij zowel de impact op de omgeving als de maatschappelijke voordelen in evenwicht zijn. Lokaal eigenaarschap vormt een belangrijk uitgangspunt: inwoners en lokale bedrijven worden actief betrokken bij de ontwikkeling, financiering en exploitatie van projecten. Transparantie en open communicatie zijn hierbij essentieel; de energietransitie wordt in Montfoort vormgegeven in nauwe samenwerking met de gemeenschap. 1. Ruimtelijke voorwaarden •

•

• •

Bij het ontwikkelen van grootschalige windturbines wordt er gestreefd naar een landschappelijk samenhangende opstelling. Windturbines dienen bij voorkeur in een lijnopstelling of in een compact cluster te worden geplaatst, zodat zij aansluiten bij de ruimtelijke structuur van het landschap. Het realiseren van solitaire windturbines is daarbij in principe niet wenselijk. Projecten voor de opwek van duurzame energie worden waar mogelijk ontwikkeld in samenhang met andere ruimtelijke en maatschappelijke opgave, zoals natuurontwikkeling, waterbeheer, landbouw of versterking van de landschappelijke kwaliteit. Door het combineren van functies wordt gestreefd naar een meervoudig en duurzaam ruimtegebruik. Na afloop van gebruiksperiode moeten installaties verwijderd worden en het gebeid hersteld worden naar aanleiding van het opruim- en herstelverplichting. Binnen NNN, Natura 2000 en stiltegebieden is in het beginsel plaatsing van grootschalige windturbines en zonnevelden niet toegestaan. Als een windturbine in een NNN-gebied wordt geplaatst, moet een compensatieplan worden opgesteld waarin de compensatie vastligt.

2. Procesmatige voorwaarden •

• • •

Gezien de landschappelijke openheid en de omvangrijke visuele impact van windturbines dient er altijd afstemming plaats met buurgemeenten. Hierin wordt er waarde gehecht aan bovenlokale benadering, waarbij landschappelijke samenhang, zichtlijnen en regionale consistentie in opstelling worden gewaarborgd. De planologische toestemming wordt uitsluitend voor bepaalde tijd verleend. Dit betekent dat er geen sprake is van een permanent recht op gebruik of exploitatie. De planologische toestemming wordt uitsluitend voor bepaalde tijd verleend. Dit betekent dat er geen sprake is van een permanent recht op gebruik of exploitatie. Initiatiefnemers hebben een informatieverplichting en houden inwoners structureel op de hoogte via bijeenkomsten en openbare verslagen.

3. Technische voorwaarden • •

Er dient altijd rekening te worden gehouden met de Activiteitenregeling Milieubeheer en het handboek risicozonering Windturbines. Deze kaders waarborgen de veiligheid van de directe omgeving tegen risico’s van val- en werpgevaar. Het advies van de Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU) en de GGD wordt in acht genomen om strengere geluidsnormen te hanteren. Hierin wordt overgenomen van de WHO-advieswaarde aangehouden van maximaal 45 dB overdag en maximaal 40 dB ’s nachts.

4. Financiële voorwaarden •

• •

• •

De initiatiefnemer, in lijn met het klimaatakkoord, streeft om tenminste 50% lokaal eigendom (burgers en lokale bedrijven) te realiseren. De initiatiefnemer dient in het projectvoorstel aan te tonen welke stappen zijn ondernomen om lokaal eigenschap mogelijk te maken. De ontwikkeling van windprojecten dient de initiatiefnemer dat zij voorzien in mogelijkheden tot financiële participatie. Dit kan onder meer door het opstellen van een omgevingsfonds. Ter compensatie van de directe impact op de leefomgeving moet er een omwonende regeling worden ingesteld. Deze regeling biedt nabijgelegen bewoners de mogelijkheid om financieel te profiteren van het project, bijvoorbeeld in de vorm van korting op de energierekening, een vaste vergoeding of een andere voordeelregeling. De voorwaarden en doelgroep van de regeling worden in overleg met de gemeente en omwonenden vastgesteld. Gemaakte afspraken over financiële participatie worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst bij de vergunningverlening. Voordat de gemeente besluit of een lokaal energieproject kan worden ontwikkeld, moeten direct omwonenden en inwoners uit het acceptatiegebied geïnformeerd zijn over de manier waarop financiële participatie plaatsvindt tijdens de exploitatiefase, en op welke manier zij kunnen deelnemen. Deze informatieplicht draagt bij aan transparantie, vertrouwen en draagvlak in de lokale gemeenschap.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/660/documents/20483