CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

A02. bijlage - Woondeal 2022-2030.pdf

Forum Ruimte 23 mei 2023, gemeente OudewaterBij agendapunt: 6: RIB Ondertekening Woondeal 2023-2030 (091608)25.693 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Geluidsoverlast Dit heeft nadelinge gezondheids­effecten en vraagt om extra aandacht en investeringen.

Bodem- en watersysteem Er moet bij de bouwopgave voldoende rekening gehouden worden met de grenzen van het bodem- en watersysteem en de daarmee samenhangende noodzaak om klimaatbestendig te ontwikkelen vanuit een lange termijnperspectief.

De Woondealtafel is een sectorale tafel. Tegelijkertijd hangt de bouw van woningen samen met tal van andere ruimtelijke (groenopgave en mobiliteit) en sociaal-maatschappelijke opgaven, die op andere tafels besproken worden. Knelpunten met betrekking tot deze andere opgaven die de woningbouw raken, maar ook ­volks­huisvestelijke issues m.b.t. de bestaande voorraad kunnen agenderend worden ingebracht op de Woondealtafel. Hierdoor voeren partijen gezamenlijk het gesprek over de samenhang met de woningbouwopgave en wordt gezamenlijk naar oplossingen gezocht. Rijk en regio wegen g ­ ezamenlijk af op welke tafels deze knelpunten en issues inhoudelijk het best besproken kunnen worden. Waar mogelijk gebeurt dit op een bestaande regionale (bv. verstedelijkingstafel) of landelijke tafel. Als er geen bestaande tafel is, bespreken Rijk en regio hoe het knelpunt het beste besproken kan worden.

22

23 6 maart 2023

Woondeal, regio U10

4.1 Mobiliteit Door de ligging van de regio U10 is een goed functionerend mobiliteitsnetwerk van groot belang om bereikbare woonlocaties te kunnen realiseren. Een groot deel van het verkeer in de regio is nationaal georiënteerd. Nabijheid is het leidende principe voor de toekomst in de regio U10. De U10-gemeenten zetten in op de ‘Grote U’ met drie metropoolpoorten, acht regiopoorten op de OV-corridors, regionale (OV) knooppunten rondom een OV-netwerk en de kleine en middelgrote vitale kernen. Verdere verstedelijking vereist dat het groen meegroeit. Daarbij wordt niet alleen gezorgd voor kwantitatieve groei (meer), maar ook voor een kwalitatieve sprong op elk schaalniveau (beter). Inzet is om het mobiliteitssysteem samenhangend en multimodaal te maken: én fiets én openbaar vervoer én weg én beleid om mensen te motiveren de best passende modaliteit te kiezen. Het Ontwikkelperspectief Utrecht Nabij is een visie die onder andere een toekomstbeeld schetst tot 2040 met een doorkijk naar 2050. Ook zijn de Omgevingsvisie van de provincie Utrecht (april 2021) en het Integraal Ruimtelijk Perspectief (IRP U10) (september 2021) vastgesteld. In het BO Leefomgeving Noordwest d.d. 20 juni 2022 zijn voor de regio U10 versnellingsafspraken woningbouw en mobiliteit gemaakt voor de woningbouwlocaties Utrecht Zuidwest en Noordwest, Woerden Stationsgebied en Nieuwegein City/Rijnhuizen.

Vervolgens zijn in het BO MIRT Noordwest d.d. 11 november 2022 voor de regio U10 versnellingafspraken woningbouw en mobiliteit voor woningbouwlocaties in Houten en Stichtse Vecht gemaakt. Verder zijn er afspraken gemaakt over investeringen in bereikbaarheid ten behoeve van het grootschalige NOVEX-verstedelijkingsgebied Groot Merwede (Utrecht en Nieuwegein). Ook is de mobiliteitsstrategie U Ned vastgesteld, die doorwerkt in alle verstedelijkingslocaties van de regio U10 (Lange termijn - U Ned (programma-uned.nl)). Voor dat laatste zijn er nog verschillende mobiliteitsmaatregelen nodig om de woningbouw te reali­ seren. Hiervan is de financiering nog niet duidelijk. 4.1

Uitvoering Aanpak 2030 kleinschalige mobiliteitsmaatregelen In het BOL en BO MIRT 2022 is afgesproken dat Rijk en regio een onderzoek gaan doen naar de mobiliteitseffecten en de kosten en baten van het pakket (Aanpak 2030), zijnde een pakket van kleinschalige mobiliteitsmaat­ regelen die bijdragen aan het bereikbaar houden van de regio. Deze maatregelen dragen bij aan het realiseren en versnellen van de woningbouw. De Aanpak 2030 is één van de actielijnen binnen het programma UNed en wordt hierbinnen uitgevoerd. De regio benadrukt dat daarbij ook de wijze waarop de financiering van deze maatregelen tot stand komt van belang is en dat cofinanciering vanuit de regio het uitgangspunt is.

4.2

Openbaar vervoer dienstregeling robuuste en betrouwbaar Regio U10 zet in op een mobiliteitstransitie, waardoor de bouw rond OV-knooppunten van strategisch belang is. Het openbaar vervoer moet robuust en betrouwbaar zijn. De afgelopen periode is de openbaarvervoerdienst­ regeling onder druk komen te staan. De Regio vraagt aan het Rijk en provincie zich in te zetten de openbaar­ vervoer dienstregeling in de regio op peil te houden.

4.3

Groenontwikkeling gaat gelijk op met verstedelijking De Regio vraagt aan het rijk:  de groenopgave zoals deze is geformuleerd in het pact Groen Groeit Mee te onderschrijven en  om het gesprek aan te gaan over de wijze waarop invulling kan worden gegeven aan het uitgangpunt dat groen gelijktijdig meegroeit met de verstedelijking.

4.4

Groen gekoppeld aan woningbouwlocaties Tijdens het BO-MIRT 2022 is afgesproken dat Rijk en regio maatregelen concretiseren voor het groen-blauwe raamwerk van o.a. Groen Groeit Mee en de NOVEX woningbouwlocaties, om tijdens het BOL 2023 concrete afspraken te kunnen maken om de financiering van de benodigde ingrepen verder te brengen. In lijn hiermee:  Doen de provincie en gemeenten daarnaast onderzoek naar de maatregelen (inclusief kosten en baten) die nodig zijn voor het groenblauwe raamwerk gekoppeld aan álle woningbouwlocaties in de regio. Zij brengen daarbij inzichtelijk in hoeverre ze deze zelf, bijvoorbeeld in lopende programma’s en ontwikkelingen, al kunnen financieren.  Wil de regio in gesprek gaan met het Rijk (binnen BO MIRT) over de mogelijkheden waarop de meest effectieve overige groenmaatregelen kunnen worden gefinancierd waarbij cofinanciering vanuit de regio uitgangspunt is.

4.3 Financiering onrendabele top Op dit moment zijn de beschikbare financiële middelen niet in lijn met de opgaven. Op basis van huidige inzichten (zie o.a. rapporten Rebel uit 2021, Verkenning onrendabele toppen woningbouwprojecten en Businesscase aanpak 14 grootschalige gebieden) is duidelijk dat veel projecten (zowel binnenstedelijke als uitleg) te maken hebben met een groot publiek tekort (toerekenbaar en niet-toerekenbaar). Dit publiek tekort is zonder rekening te houden met grote investeringen die nodig zijn voor de noodzakelijke infrastructurele schaalsprong. Dit onderzoek laat zien dat een groot deel van de woningbouwopgave zonder Rijksbijdrage niet kan worden gerealiseerd. 4.5

Onderkenning onrendabele top Partijen onderkennen dat veel projecten te maken hebben met een publiek onrendabele top. De forse investeringen die nodig zijn voor woningbouw kunnen de gemeenten niet altijd zelf opbrengen of verhalen op de ontwikkelaar. Het gaat dan om bijvoorbeeld grond, infrastructuur en investeringen in de leefomgeving. Zeker in combinatie met de maatschappelijke doelstelling van betaalbaar bouwen is veelal een financiële ondersteuning van het Rijk nodig. Dit is de kern van de wederkerigheid in de afspraken. Anders komen deze woningbouwprojecten niet van de grond of moeten de maatschappelijke doelstellingen zoals de betaalbaarheid losgelaten worden. De regio vraagt het Rijk om meer financiële en juridische instrumenten om het aandeel sociaal en betaalbaar in de regio U10 op het gewenste niveau te brengen en te houden én te borgen dat deze projecten met een hoog aandeel betaalbaar tot realisatie komen.

4.2 Groen In de regio werken we gezamenlijk aan een gezonde en goede leefomgeving. Groen (inclusief ‘blauw’ en ‘landschap’) is een belangrijk element voor het goede leefklimaat en het opvangen van de gevolgen van klimaatverandering. Benadrukt wordt dat deze investeringen randvoorwaardelijk zijn voor de realisatie van de woningbouwopgave, omdat alleen dan de groei in evenwicht blijft met de kwaliteit van de woonomgeving. Met het pact Groen Groeit Mee zijn al goede stappen gezet, en een verdere doorontwikkeling is belangrijk.

24

25 6 maart 2023

Woondeal, regio U10

4.6

Financiering door het rijk door WBI  B  ZK ondersteunt in de realisatie van woningbouwplannen met een groot aandeel betaalbare woningen door middel van de woningbouwimpuls.  U10-gemeenten spannen zich maximaal in om aanspraak te maken op de WBI, waarbij gemeenten de ondersteuning via de impulskamers kunnen benutten om een goede inschatting van de haalbaarheid te kunnen maken  De regio benadrukt dat het zeer wenselijk is om te werken met regionale enveloppen waardoor regio’s vooraf zicht hebben op welke middelen beschikbaar zijn en hoe deze regionaal optimaal verdeeld kunnen worden. Deze manier van werken past bij de regionale woningbouwafspraken die worden gemaakt en voorkomt onderlinge regionale concurrentie waardoor de schaarse capaciteit van gemeenten efficiënter ingezet kan worden.  Het Rijk biedt ondersteuning aan gemeenten in de voorbereiding van WBI-aanvragen door middel van de inzet van Impulskamers. Ook als op korte termijn geen zicht is op nieuwe vormen van financiering, vindt de regio het wenselijk om hierover gezamenlijk gedachten te ontwikkelen.  Door recente stikstofuitspraken is de weg naar realisatie binnen drie jaar erg kort; verwachte vertragingen worden proactief gemeld bij het Rijk. Het expertteam woningbouw kan hiervoor worden ingezet. Knelpunten die project overstijgend zijn, worden besproken op de landelijke versnellingstafel.

 De provincie neemt, indien nodig een deel van de gewenste cofinanciering op zich, mits passend binnen de kaders en de financiële mogelijkheden van de subsidieverordening Versnelling Woningbouw en mits het Rijk positief beschikt op de WBI-aanvraag.   

4.7

4.10

De flexpool draagt bij aan meer capaciteit maar inhuur is duur en de grote opgave vraagt juist ook om structurele oplossingen. De regio vraagt aan het rijk om gemeenten meer financiële mogelijkheden te geven om in de noodzakelijke, structurele gemeentelijke capaciteit te kunnen voorzien.

4.11

4.12

4.8

Efficiënte inzet beschikbare ambtelijk capaciteit en expertise en onderzoek regionaal versnellingsteam

Eind 2022 is er een Specifieke Uitkering gedaan door het Rijk ten bate van het opstellen en uitvoeren van de woondeals. De middelen worden per provincie verdeeld en via hen zal het doorstromen naar de betreffende woondealteams. De provincie Utrecht heeft €410.000 ontvangen in december 2022. In Q1 van 2023 maken provincie en de U10-gemeenten afspraken over de inzet van deze gelden, gebaseerd op de Uitvoeringsagenda Woondeal U10.

4.5 Structurele programmatische aanpak en bekostiging De grote woningbouwopgave, de onrendabele toppen in de integrale gebiedsontwikkelingen in de regio U10 en de beperkte financiële mogelijkheden van gemeenten vragen extra focus en prioritering. Volgens de regio is het gewenst dat, voor het op peil brengen en houden van een continue bouwstroom, het Rijk aan de voorkant structurele middelen beschikbaar stelt per provincie in plaats van incidentele regelingen waarop regio’s en provincies moeten aanvragen en waarbij er meer aanvragen zijn dan middelen. 4.13

Provincie en gemeenten versterken hun samenwerking bij het zo efficiënt mogelijk inzetten van de beschikbare ambtelijke capaciteit en expertise. Bijvoorbeeld door een intensievere samenwerking met onderwijsinstellingen en het onderzoeken van de mogelijkheid om een regionale flexpool op te zetten en/of gebruik te maken van de huidige provinciale flexpool-regeling of TEMPO (expertteam vanuit de provincie om te versnellen). Vanuit deze regionale flexpool kunnen experts ingehuurd/aangetrokken worden, waar meerdere gemeenten gebruik van kunnen maken. De nadere uitwerking vindt via de Uitvoeringsagenda Woondeal U10 plaats in de eerste helft van 2023.

4.9

Inzet uitkering voor opzetten en uitvoeren van de woondeals Het Rijk ondersteunt in het opstellen en uitvoeren van de regionale woondeal middels procesgeld. Dit bedrag kan onder meer gebruikt worden voor de inhuur van capaciteit om gemeenten en provincies te ondersteunen bij het opstellen en uitvoeren van de woondeals. Dit procesgeld wordt uitgekeerd via de provincies. De provincie is verantwoordelijk voor de verdeling van dit geld over de verschillende woondealregio’s.

De provincie stelt tot en met 2026 jaarlijks ca. € 4 mln. beschikbaar voor versnelling van de woningbouw (voor gehele provincie). Gemeenten kunnen een aanvraag hiervoor indienen via de regiocoördinator van de U10. De U10-gemeenten benadrukken dat verlenging van de subsidiemogelijkheid Versnelling Woningbouw tot en met 2030 zeer gewenst is (gelijk aan de periode waarover afspraken worden gemaakt).

Gemeenten hebben structureel onvoldoende capaciteit en middelen om de geplande woningbouw te voorzien van o.a. projectleiders, planeconomen en vergunningverleners. De gemeentebegrotingen staan stevig onder druk en de arbeidsmarkt is krap. Het capaciteitstekort is een groeiende kink in de kabel en niet alleen bij overheden maar ook bij marktpartijen. Met de flexpoolregeling is het mogelijk om extra capaciteit en expertise aan te trekken. Gemeenten en provincie hebben goede ervaringen met dit instrument. Meer aandacht en geld voor het aantrekken van extra uitvoeringscapaciteit wordt door de regio gezien als randvoorwaardelijk voor het behalen van de afspraken in deze woondeal.

Versterking capaciteit rechterlijke macht Er is voor vier jaar extra budget van 3 miljoen euro beschikbaar gesteld voor de uitbreiding van de capaciteit van de Afdeling bestuursrechtspraak (voor de Omgevingskamer). Kanttekening hierbij blijft de krapte op de arbeidsmarkt. Knelpunten als gevolg van gebrek aan capaciteit en expertise bij medeoverheden en Raad van State worden geagendeerd op de lokale woontafels. Wanneer nodig kan via de regionale versnellingstafel de landelijke versnellingstafel worden ingezet.

Inzet provinciale subsidieverordening Versnelling Woningbouw

4.4 Capaciteitstekorten

Structurele oplossingen voor gemeentelijke capaciteit

Structurele programmatische aanpak en bekostiging  In het BO MIRT 2022 hebben Rijk en regio de mogelijkheden van programmatische bekostiging voor de urgente woningbouwopgave en de integrale aanpak van de verstedelijkingsopgaven in de NOVEX-gebieden MRU (en MRA6) onderschreven, vooral als het gaat om het vergroten van de flexibiliteit in het doelmatig aanwenden van de beschikbare budgetten, maar er is ook onderkend dat hieraan ook praktischevraagstukken, randvoorwaarden en knelpunten verbonden zijn.  Rijk en regio hebben op het BO MIRT 2022 afgesproken om in de NOVEX-gebieden MRU (en MRA) te starten met de voorbereiding van een pilot om vraagstukken, randvoorwaarden en knelpunten van programmatische bekostiging in de praktijk te onderzoeken en verder uit te werken.  In het BO Leefomgeving Noordwest 2023 zal besluitvorming plaatsvinden over de nadere invulling van de pilot.

Verlenging financiële ondersteuning voor uitvoeringscapaciteit (flexpoolregeling) Het Rijk heeft middelen vrijgemaakt voor de hernieuwde inzet van de flexpoolregeling. Het Rijk keert hiervoor een bedrag uit van circa €3,6 miljoen voor de jaren 2023 en 2024, dat via de provincie beschikbaar wordt gesteld. De regio benadrukt dat verlenging van de flexpoolregeling tot en met 2030 zeer wenselijk is (gelijk aan de periode waarover afspraken worden gemaakt).

4.14

Structurele programmatische aanpak en bekostiging De regio vraagt het Rijk om samen, in aanvulling op de onder 4.2 genoemde voorbereiding van een pilot met programmatische bekostiging, de verdere mogelijkheden te onderzoeken voor programmatische afspraken voor het realiseren van de woningbouwopgave. Naast woningbouw en de ontsluiting daarvan zouden de beleidsterreinen groen, voorzieningen, WBI, betaalbaarheid etc., onderdeel moeten zijn. En er zou tot een meer samenhangende financieringssystematiek van grote woningbouw en volkshuisvestingsopgaven in de regio moeten worden gekomen.

6 MRU: Metropoolregio Utrecht, MRA: Metropoolregio Amsterdam.

26

27 6 maart 2023

Woondeal, regio U10

4.6 Instrumenten grondbeleid

4.7 Stikstof

Gemeenten sturen op gebiedsontwikkeling met hun ruimtelijke plannen, door het aangaan van anterieure overeenkomst en, wanneer zij eigen gronden hebben, met hun gronduitgiftebeleid. Gemeenten beschikken echter steeds minder over eigen gronden die kunnen worden ingezet voor woningbouw. Daarmee zijn zij aangewezen op het publiekrechtelijk instrumentarium om te sturen.

Het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) heeft in oktober 2022 becijferd dat als gevolg van moeizamere vergunningverlening schade door terugloop bouw ca. 6 miljard euro bedraagt. Dit was voor de uitspraak van de Raad van State over de bouwvrijstelling. Door de verwachte vertragingen in woningbouw zal de druk op de woningmarkt aanhouden.

De mogelijkheden om te sturen op zowel het tempo als de kwaliteit en de betaalbaarheid van nieuwbouw zijn dan beperkter en vragen een zeer zorgvuldige procedure en afgestemd ruimtelijk ordenings- en woonbeleid. De regio benadrukt dat gemeenten meer grip nodig hebben op het grond­beleid. Ofwel via financiële middelen zodat ze zelf grondposities kunnen innemen. Ofwel via aangepaste wet- en regelgeving die de gezamenlijke ambities juridisch afdwingbaar maken. Hierbij mag ook worden gedacht aan inventieve oplossingen.

Verschillende gemeenten in de regio U10 hebben aangegeven dat woningbouwprojecten mogelijk vertraging oplopen vanwege depositie van stikstof op Natura 2000-gebieden. Ook wordt vertraging verwacht doordat infrastructurele projecten moeilijker gerealiseerd kunnen worden als gevolg van stikstof. Gemeenten constateren dat de juridische onzekerheid over de houdbaarheid van besluiten en tussentijdse wijzigingen van regelgeving een grote bedreiging kunnen vormen voor de voortgang van de woningbouwproductie. Zo kan de uitspraak van de Raad van State met betrekking tot het v­ ervallen van de algemene bouwvrijstelling grote impact hebben op de realisatie van woningbouwplannen. De precieze impact zal moeten blijken en hangt van verschillende factoren af, zoals de mogelijkheden tot salderen maar ook de fase waarin een woningbouwproject zich bevindt.

4.15

Onderzoek waardeverloop BZK onderzoekt hoe het waardeverloop van grond bij gebiedsontwikkeling gaat, of aanpassing van wet- en regelgeving gewenst is en hoe we er voor kunnen zorgen dat waardestijgingen meer binnen een gebieds­ ontwikkeling betrokken kunnen worden. Dit onderzoek is gereed in Q2 van 2023.

4.16

Optimale inzet huidige instrumenten Gemeenten hebben met het huidige instrumentarium diverse mogelijkheden om te sturen op grond en streven ernaar dit instrumentarium optimaal in te zetten. In het voorjaar 2022 is de handreiking ‘Vertraging voorkomen met grondbeleid’ uitgekomen. Deze handreiking geeft een overzicht van praktische instrumenten die gemeenten kunnen inzetten om vertraging na vaststellen van het bestemmingsplan te voorkomen. Gemeenten passen deze handreiking voortvarend toe. Provincie, regio en Rijk ondersteunen gemeenten bij het inzetten van het instrumentarium, bijvoorbeeld door het organiseren van kennis- of inspiratiebijeenkomsten, het ontwikkelen van een instrumentenkoffer of inzet van het expertteam woningbouw.

4.17

Onderzoek behoefte aanvullend instrumentarium / verbetering instrumenten  D  e regio benadrukt dat de verstedelijkingsopgave aanzienlijke kosten met zich meebrengt, waarbij voor een groot aantal projecten een groot publiek tekort is. Tegenover deze kosten staan de monetaire baten en baathebbers van grootschalige overheidsinvesteringen.  Het Rijk onderzoekt of aanpassing van de huidige instrumenten (financieel en juridisch) gewenst is ten einde de effectiviteit van de instrumenten te vergroten. In de eerste helft van 2023 komt het Rijk met voorstellen voor verbetering van het grondbeleid om daarmee bij te dragen aan onder andere de realisatie van twee derde betaalbare woningbouw. De vaak hoge verwervingskosten en financiële uitvoerbaarheid van projecten spelen hierin een belangrijke rol. Onderhandelingen over inbrengwaarden, kostenverhaal en anterieure overeenkomsten kunnen hierdoor lang duren en/of leiden tot tussentijdse planwijzigingen.  Daarnaast willen gemeenten meer actief grondbeleid voeren, maar voelen zich belemmerd door het risico dat met grondposities gepaard gaat. Partijen gaan na wie hier welke rol in zou kunnen nemen en hoe dat vormgegeven zou kunnen worden.

 De regio benadrukt dat de termijn waarbinnen een bestemmingsplan moet zijn vastgesteld met name bij stedelijke complexe gebieden bij het toepassen van de Wet voorkeursrecht gemeenten (WVG) knellend kan zijn, omdat vanwege de complexiteit het risico op het verlopen van het voorkeursrecht groot is. Op het moment dat het voorkeursrecht is verlopen is er vrij spel voor speculanten, waardoor ontwikkeling van stedelijk gebied nog lastiger wordt. Regio vraagt het Rijk daarom in 2023 te onderzoeken of verruiming van de termijn om tot een plan te komen na vestiging van WVG mogelijk c.q. wenselijk is.

Door de uitspraak van de Raad van State is er meer capaciteit, expertise en tijd nodig voor de stikstofberekeningen, onderzoeken naar interne saldering of extra maatregelen ter voorkoming van nadelige gevolgen voor de natuurgebieden. Dit terwijl er al een gebrek is aan capaciteit bij overheden en onderzoeksbureaus. Het is van belang oplossingen te vinden voor deze stikstofproblematiek. Tot op heden kon een groot deel van de woningbouwplannen door interne saldering doorgang ­vinden of gebruik maken van het Stikstofregistratiesysteem (SSRS). De stikstofruimte uit de bron­ maatregelen die via het SSRS beschikbaar komt in de regio U10, is echter beperkt. Stikstof vormt daarom in deze regio een potentieel knelpunt voor de realisatie voor een groot aantal woningen en daarmee voor de woningbouwopgave. Andere oplossingen om de stikstofdepositie te verminderen zijn dan ook op korte termijn nodig. Daarnaast is het belangrijk dat Rijk, provincie en de regio’s de krachten bundelen als het gaat om kennisuitwisseling en expertise omtrent stikstof als knelpunt voor de woningbouwopgave. 4.18

Stikstofdossier hoog op de agenda  Partijen onderschrijven dat het stikstofdossier in relatie tot de woningbouw continue aandacht behoeft.  Op langere termijn vergt dit een andere manier van bouwen, die leidt tot geen of een zeer lage stikstofdepositie.  Het Stikstofregistratiesysteem (SSRS) is en blijft een belangrijk instrument om stikstofruimte die vrijkomt centraal te registreren en gericht toe te wijzen aan woningbouwprojecten.  Het Rijk stimuleert het gebruik van schoon en emissieloos bouwmaterieel met een bijdrage van een extra €400 miljoen, bovenop de € 500 miljoen die al beschikbaar was.  Op de korte termijn (oplevering eerste kwartaal 2023) werkt het Rijk aan de standaardisatie van berekeningen door middel van kengetallen/ vuistregels, met als doel om voor initiatiefnemers de administratieve lasten als gevolg van de extra onderzoekplicht zoveel mogelijk te beperken. Een volgende stap is om deze standaardisatie te formaliseren in regelgeving.  Het Rijk onderzoekt hoe door het breder beschikbaar stellen van kennis en kunde capaciteitsproblemen bij gemeenten, provincies en onderzoeksbureaus het hoofd kunnen worden geboden. Op de langere termijn kan vereenvoudiging van het stelsel van vergunningverlening verhelpen dat kleine woningbouwprojecten vergunningplichtig zijn.

 Waar in concrete projecten stikstof een knelpunt lijkt voor versnelling, kan dit knelpunt waar nodig voor­ gelegd worden aan de regionale en vervolgens landelijke versnellingstafel.

28

29 6 maart 2023

Woondeal, regio U10

4.19

Provincie ondersteunt gemeenten met expertise

4.21

Expertise op het gebied van stikstof is schaars en het ontbreekt gemeenten in veel gevallen aan kennis op dit vlak. Momenteel wordt door provincie geïnventariseerd bij welke gemeenten behoefte is aan extra expertise op het gebied van het stikstofdossier. Daar waar nodig kan de provincie hiervoor extra expertise inzetten.

4.8 Energie-infrastructuur

 e provincie versnelt de ontwikkeling van belangrijke energie-infrastructuurprojecten, bijvoorbeeld door inzet D van haar ruimtelijk instrumentarium.

4.22

4.23

Deze situatie vraagt om korte- en langetermijnoplossingen. De kortetermijnoplossingen zijn dan gericht op het prioriteren en door laten gaan van (al geplande) ontwikkelingen. De langetermijn­ oplossingen op het goed plannen en beperken van nieuwe energievraag. Het tijdig adresseren van de verstedelijkingsvraag voor het energienetwerk en beperken van nieuwe energievraag, met name voor elektriciteit, is dan ook essentieel. In elke provincie wordt via het zogenaamde Provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (PMIEK) in kaart gebracht wat de behoefte is aan energie-infrastructuur op regionaal niveau. Zo kan de regionale energie-infrastructuur op een integrale manier worden geprogrammeerd en een prioritering van en plannen voor investeringen in de regionale energie-infrastructuur worden gemaakt. In het voorjaar van 2023 wordt van iedere provincie een PMIEK verwacht. De verantwoordelijkheid voor de uitwerking van de PMIEK ligt bij de provincies. Projecten van nationaal schaalniveau, die uit de PMIEKS kunnen voortvloeien, kunnen worden opgeschaald naar het nationale MIEK.

Slimme toepassing en innovatie Voor de woningbouwopgave en het energie-infrastructuurvraagstuk in zijn geheel, is het van belang dat alle ­nieuwe woningbouwlocaties zo vroeg mogelijk in het proces de impact op beschikbare infrastructuur meenemen in de ontwikkeling. Ook is het van belang dat technieken worden toegepast die de impact op netcapaciteit zo beperkt mogelijk maken.

Voor de woningbouwopgave is aansluiting op energie-infrastructuur noodzakelijk. Op 17 november 2022 is door de landelijke netbeheerder TenneT congestie afgekondigd voor afname. Dit betekent een (tijdelijke) stop op nieuwe aansluitingen voor grootverbruikers. De woningbouwopgave wordt hierdoor (indirect) geraakt. Dit heeft met name impact op woningbouwlocaties waar commerciële en maatschappelijke functies met een grootverbruikaansluiting zoals een supermarkt, school of sporthal moeten worden gerealiseerd. Ook snellaadpleinen voor elektrisch (openbaar) vervoer kunnen veelal niet worden geplaatst. Dit heeft een maatschappelijke impact op de leefbaarheid in nieuwe woonwijken en het is bovendien de vraag of exploitatiebegrotingen rondkomen. Ook kunnen in veel gevallen bedrijven van binnen­ stedelijke locaties niet verhuizen naar bedrijventerreinen, omdat zij daar niet worden aangesloten, waardoor woningbouwlocaties in transformatiegebieden niet vrijkomen. Ook de bouw zelf wordt bemoeilijkt omdat bouwkranen veelal geen aansluiting kunnen krijgen.

Versnelling belangrijke energie-infrastructuurprojecten

Aanvullende maatregelen Om de woningbouwdoelstellingen tijdig te kunnen realiseren vraagt de regio aandacht voor:  Tijdige realisatie van voldoende netcapaciteit in relatie tot het tempo van woningbouw en bijbehorende voorzieningen,  Voldoende capaciteit bij de rechtelijke macht en bij netbeheerders,  Experimenteerruimte in regelgeving,  Innovatie (smart grids, energieopslag),  Verdere energiebesparing van de gebouwde omgeving.

4.9 Bewustwording en draagvlak De gezamenlijke opgave is helder: in heel Nederland zijn tot en met 2030 in totaal 900.000 woningen nodig, die gespreid moeten worden over het land en waarvan twee derde betaalbaar moet zijn. Het bewustzijn van deze opgave en daarmee het draagvlak voor lokale gevolgen ervan in de samenleving blijft echter achter. Dit leidt tot weerstand bij concrete woningbouwplannen en vertraging van de woningbouw. Hier ligt een opgave voor gemeenten, woningcorporaties, marktpartijen, maar ook provincie en rijksoverheid. Het is belangrijk dat de woondeals vergezeld gaan van een goede publiekscampagne, die de urgentie en noodzaak van de woningbouwopgave benadrukt. 4.24

Belang van bewustwording Partijen zetten zich in om de bewustwording en urgentie van de woningbouwopgave onder inwoners te ­vergroten. Dit zal bijdragen aan meer begrip en daardoor een soepeler proces bij bijvoorbeeld participatie.

Daarnaast kunnen mogelijke belemmeringen in de energie-infrastructuur worden besproken aan de regionale versnellingstafels. Hier komen de gemaakte afspraken in de woondeals bij elkaar en worden mogelijke belemmeringen en oplossingen daarvan voor de voortgang besproken. De eerste insteek is dan gericht op het op locatieniveau bij elkaar brengen van betrokken partijen (waaronder net­beheerders) om aansluiting van woningen en voorzieningen te realiseren, maar waar noodzakelijk kunnen belemmeringen worden geëscaleerd naar provinciaal en landelijk niveau. 4.20

Investeringsplannen De provincie helpt de netbeheerders middels het P-MIEK met het aanscherpen van investeringsplannen ten behoeve van tijdige netinvesteringen.

30

31 6 maart 2023

Woondeal, regio U10

5. Bestaande woningvoorraad

5.2

 P  artijen erkennen dat het belangrijk is dat er betaalbare koopwoningen worden toegevoegd én dat deze woningen langjarig betaalbaar blijven.  Het Rijk voorziet in een Nationaal Fonds Betaalbare Koopwoningen gericht op het financieel helpen van ­starters bij het kopen van een woningen.  De regio benadrukt dat het realiseren van voldoende betaalbare koopwoningen die langdurig behouden blijven voor het betaalbare segment in de regio U10 (met een hoge marktdruk) lastig te realiseren is. Een koop­regeling kan hierbij helpen, maar voorkomen moet worden dat dergelijke regelingen leiden tot prijs­ opdrijvende effecten. Ook is het ongewenst dat alleen de eerste gebruiker van de regeling hier voordeel van heeft. De regio wil graag samen met BZK de vormgeving van dit fonds onderzoeken, waarbij de focus ligt op het langjarig betaalbaar aanbieden van woningen (en niet alleen bij de éérste koper).  Gemeente Utrecht onderzoekt ook de mogelijkheden om eigen fonds betaalbare woningen op te zetten, waarbij de woningen ook langjarig betaalbaar blijven. De regio vraagt het Rijk te ondersteunen met expertise en zo mogelijk door het inzetten van het netwerk om met het aantrekken van mogelijke externe financierings­ partijen met als doel de slagkracht van het fonds te vergroten. Kennis en kunde wordt proactief met de U10-gemeenten gedeeld, zodat iedere U10-gemeente zo nodig kan aansluiten.

Een mogelijke vervolgstap is het fonds landelijk schaalbaar te maken.  Het rijk onderzoek welke opties er nog meer zijn om de woningen die vallen in het betaalbare koopsegment langjarig beschikbaar en betaalbaar te houden

Nieuwbouw en bestaande voorraad hangen nauw met elkaar samen. Naast het bouwen van ­betaalbare woningen is het belangrijk dat de betaalbaarheid, leefbaarheid en duurzaamheid van de bestaande woonvoorraad op orde blijft/komt. Immers het merendeel van de woningen in 2030 staan nu al in onze regio. Met deze woondeal worden de krachten van verschillende overheidslagen gebundeld met als doel het realiseren van voldoende (betaalbare) woningbouw in de regio. Tegelijkertijd hangt de bouw van woningen samen met tal van andere ruimtelijke en sociaal-maatschappelijke opgaven, die op andere tafels besproken worden. Het is om die reden van belang dat aan woningbouw gerelateerde volkshuisvestelijke issues (onder andere in relatie tot de bestaande voorraad) in samenhang met de gemaakte afspraken worden bezien. Voor knelpunten en risico’s op deze issues bespreken partijen op welke tafels deze knelpunten inhoudelijk het beste geadresseerd kunnen worden. Waar mogelijk gebeurt dit op een bestaande regionale of landelijke tafel. Indien er geen bestaande tafel is, bespreken Rijk en regio via welke tafel het knelpunt het beste aangepakt kan worden.

Het gaat bijvoorbeeld om de volgende volkshuisvestelijke issues; uitvoeringskosten (implementatie, handhaving en toezichtinstrumentarium), monitoring van wet- en regelgeving ten behoeve van bescherming van de bestaande betaalbare voorraad, het grip krijgen op te hoge servicekosten, het beperken van tijdelijke huurcontracten en het eenvoudiger kunnen toewijzen van zogenaamde dragende bewoners in gemengde concepten. Op het moment dat partijen knelpunten ondervinden in de brede woonopgave weten partijen elkaar op tijd te vinden. Partijen beseffen ook dat de omstandigheden (kunnen) veranderen. Om die reden werken partijen, vanuit de eigen rol en verantwoordelijkheden, continue samen aan de oplossingen die nodig zijn voor de woonopgave en voor het realiseren van complete steden en dorpen. De Regio vraagt specifiek aandacht voor: 5.1

Maatregel borging middenhuur

Koopwoningen langjarig betaalbaar

5.3

Leenfonds wooncoöperaties Het Rijk heeft aandacht voor een revolverend ondersteuningsfonds voor wooncoöperaties om hen te ondersteunen bij de ontwikkeling van initiatieven. Gemeente Utrecht wil wooncoöperaties ondersteunen met het beschikbaar stellen van locaties en een financieringsconstructie. De regio vraagt het Rijk om gezamenlijk te onderzoeken of een ondersteuningsfonds hiervoor zodanig kan worden ingezet dat er meer slagkracht ontstaat en andere U10-gemeenten ook gebruik kunnen maken van de mogelijkheid om hiermee wooncoöperaties te ondersteunen.

5.4

Positie starters en herstarters De regio vindt het van belang dat er meer regie komt ten aanzien van het terugdringen van de verschillen tussen (her)starters en doorstromers, door de woonlasten en keuzemogelijkheden van deze groepen dichter naar elkaar toe te brengen en op die manier te zorgen voor een meer gelijkwaardige positie op de woningmarkt. Op dit moment hebben woningeigenaren of huurders van sociale huurwoningen over het algemeen een meer preferente positie op de woningmarkt dan starters. Zowel gemeenten als Rijk nemen al maatregelen (zoals het reguleren van middenhuur) om de verschillen tussen deze groepen terug te dringen, maar de regio benadrukt dat voor een gelijkwaardiger positie verdergaande maatregelen nodig zijn. De regio vraagt het Rijk om de mogelijkheden te onderzoeken of hiervoor fiscale maatregelen kunnen worden doorgevoerd

Het rijk is voornemens vanaf 2024 de middenhuur te reguleren. De regio vraagt het Rijk een zodanig regeling te maken dat er ook een passend aanbod nieuwbouw woningen komt voor gezinnen en doorstromers en dat de regeling niet ten kosten mag gaan van het aanbod in de sociale voorraad.

32

33 6 maart 2023

Woondeal, regio U10

6. Duurzame en toekomstbestendige woningvoorraad

6.4

De regio U10 en provincie willen sneller duurzame en toekomstbestendige woningen (ver)bouwen. Dit vraagt om veranderingen in de manier waarop er gebouwd wordt en de materialen die worden gebruikt. Om dit proces te versnellen bevat het Convenant Duurzame Woningbouw afspraken op het gebied van onder andere circulariteit, natuur- inclusief bouwen, klimaatadaptatie en energiegebruik. Het zijn afspraken die ambitieuzer zijn dan de huidige wettelijke normen.

6.5

De gemeenten en provincie spannen zich in om te stimuleren dat partijen zich aan het minimale aandeel hernieuwbare energie in percentage van eigen energieverbruik (BENG 3) committeren overeenkomstig met minimaal niveau brons uit het Convenant Duurzame Woningbouw.

6.6

6.7

6.8

Klimaatadaptief en natuurinclusief (ver)bouwen Woningen die nu gebouwd worden moeten ook in het toekomstige klimaat veilig, aantrekkelijk en betaalbaar zijn. Partijen in deze woondeal spannen zich dan ook in om klimaatadaptief en natuurinclusief te (ver)bouwen en in te richten. Ze passen hiertoe - vooruitlopend op mogelijke wettelijke borging - de afspraken over klimaatadaptief en natuurinclusief (ver)bouwen uit het Convenant Duurzame Woningbouw toe. Momenteel worden deze afspraken uitgewerkt in de ‘landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving’. Op het moment dat de landelijke maatlat gereed is onderzoeken partijen hoe deze maatlat kan worden geborgd als onderdeel van de uitvoeringsagenda.

Innovatie, standaardisatie en industrialisatie

6.9

Koppelkansen van nieuwbouw en grootschalige renovatie voor kwaliteitsimpuls omliggende gebieden De regio vraagt het Rijk te onderzoeken hoe partijen koppelkansen van nieuwbouw en grootschalige renovatie met omliggende gebieden kunnen benutten voor een kwaliteitsimpuls in omliggende gebieden. Dit met als doel om in de toekomst hogere maatschappelijke kosten te voorkomen.

Minimaal 50% circulair of industrieel De gemeenten spannen zich in om in 2030 minimaal de helft van het materiaalgebruik van de woningen circulair en/of industrieel toe te passen, zoals ook benoemd in het Programma Woningbouw van BZK. Deze verschuiving leidt onder meer tot een kortere bouwtijd, minder stikstofuitstoot op de bouwplaats en een betere milieuprestatie. We bevelen aan om per project een materialenpaspoort op te stellen die kan dienen als monitoring. 6.10

Bewustwording en voorkomen negatieve effecten van concurrentie capaciteit en geld voor nieuwbouw én transformatie bestaande woningvoorraad De regio benadrukt dat gezamenlijke inzet van partijen nodig is opdat er naast voldoende investeringsruimte voor nieuwbouw er ook voldoende investeringsruimte is voor verduurzaming van de bestaande voorraad.

Inzet milieu-prestatie tot minimaal 0.5 MPG Woningbouw met een lage milieu-impact (uitgedrukt in de Milieuprestatie Gebouwen, MPG) is technisch mogelijk. Betrokken partijen zetten binnen aanbestedingen in op het verbeteren van de milieuprestatie tot minimaal een MPG van 0,5, vooruitlopend op de voorgenomen aanscherping van nationale wetgeving. Gemeenten zetten vanwege standaardisatie en uniformering standaard in op een MPG van 0,5. Dit sluit echter sluit niet uit dat gemeenten bij afzonderlijke kansen ambitieuzer in kunnen zetten. Partijen die in het Convenant niveau brons hebben ondertekend zetten voor nu minimaal in op een MPG van 0,75 en groeien op termijn toe naar een MPG van 0,5. Woningcorporaties nemen de MPG ambities mee in opdrachtverlening, voor zover dit geen negatief effect heeft op de opgave van corporaties en de betaalbaarheid, zoals overeengekomen in de NPA. Gemeenten nemen deze mee bij eventuele grondverkoop en spannen zich in om bijwoningbouwontwikkeling door marktpartijen een maximaal haalbare MPG te behalen.

Aandacht voor aanpasbaarheid en flexibiliteit van woningen Om te zorgen voor een toekomstbestendige woningvoorraad besteden we aandacht aan de aanpasbaarheid en flexibiliteit van woningen, om in te kunnen spelen op toekomstige behoeften.

Het versneld (ver)bouwen van voldoende duurzame en betaalbare woningen vraagt – versterkt door de beperkte capaciteit in de bouwsector en de stikstofproblematiek – om vormen van innovatie, standaardisatie en industrialisatie zodat de gewenste bouwproductie slimmer kan worden gerealiseerd. Daarbij is aandacht voor zowel duurzaamheidsprestaties in gebruik (energie) als duurzaamheidsprestaties in de realisatie (milieu-impact & stikstof) en het verlagen van de milieu-impact van groot belang.

6.3

Het Nieuwe Normaal (HNN)7 bij circulair (ver)bouwen We hanteren Het Nieuwe Normaal als eenduidige taal voor circulair (ver)bouwen, en vragen bij al onze projecten naar de circulaire prestaties op basis van het HNN-raamwerk. Daarmee dragen we bij aan de nationale transitie naar een circulaire bouweconomie.

De provincie loopt hier met het Convenant Duurzame Woningbouw op vooruit door te werken met drie verschillende ambitieniveaus, werken we toe naar meer eenduidigheid. Het Convenant Duurzame Woningbouw is in de regio U10 door de provincie Utrecht, (individuele) marktpartijen en door 14 van de 16 gemeenten in de regio U10 ondertekend. RWU vindt de ambitie met betrekking tot duurzaamheid belangrijk, maar is geen partner van het Convenant Duurzaam bouwen. Onderstaande afspraken komen overeen met de afspraken uit het Convenant en zijn daarnaast aangevuld met afspraak 6.2, 6.9, 6.10 en 6.11. De twee gemeenten die het Convenant niet hebben ondertekend, Lopik en Oudewater, committeren zich in ieder geval aan onderstaande afspraken.

6.2

Toepassing biobased materialen Toepassing van biobased materialen levert een grote bijdrage aan het verbeteren van de milieuprestatie en slaat bovendien CO2 op. Deze toepassing wordt actief gestimuleerd in nieuw te realiseren projecten en renovatie, waarbij partijen zich inspannen om het gebruik van hernieuwbare (biobased) bouwmaterialen en/of het hergebruik van bouwmaterialen te verhogen naar 30% in 2025 en 50% in 2030.

Landelijk moet de lat omhoog om de duurzaamheidsambities en klimaatdoelstellingen in 2030 en 2050 in de gebouwde omgeving te behalen. Hier ligt een grote relatie met de woningbouwopgave. Daarom wordt gewerkt aan landelijke aanscherpingen. Gezamenlijk streven we naar standaardisatie en uniformering van de eisen, zodat marktpartijen hier beter op kunnen inspelen met oog op de bouwproductie.

6.1

Minimaal aandeel hernieuwbare energie

7

 ZK en Cirkelstad werken aan een nieuwe, gedragen standaard met haalbare én ambitieuze prestaties op circulair B bouwen en een eenduidige taal. Die nieuwe standaard wordt bepaald op basis van praktijkprojecten. Eind 2023 ­presenteren zij Het Nieuwe Normaal.

34

35 6 maart 2023

Woondeal, regio U10

6.11

Evaluatie Het Nieuwe Normaal Voor een aantal locaties per provincie financiert het Rijk projectevaluaties op basis van Het Nieuwe Normaal (in totaal max. 400 evaluaties verspreid over het land). Voor uitvoering van een evaluatie dient het project zich minimaal in de definitieve ontwerpfase te bevinden en de realisatie voor 1 januari 2025 te hebben plaats­ gevonden. Een evaluatie geeft inzicht in de prestaties van het project op de thema’s van Het Nieuwe Normaal en de lessen uit alle evaluaties worden landelijk gedeeld.

6.12

Inzet wijziging Bouwbesluit De regio vraagt de inzet van het Rijk op wijziging van het Bouwbesluit. Dit moet zorgen voor nationaal gelijk­ luidende normen en een level play­ing field, waarbij gekozen kan worden voor afspraken als in het Convenant Duurzame Woningbouw.

7. Sociale woningbouw In hoofdstuk 1 (Kwantitatieve woningbouwopgave) zijn (proces)afspraken opgenomen over het aandeel betaalbaarheid in de nieuwbouwprojecten, een evenwichtige verdeling van de sociale woningvoorraad in de regio U10 regio en de corporatiewoningen. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de afspraken voor de woningcorporaties. 7.1

Fiscale lastendruk corporaties De rijksoverheid en woningcorporaties hebben nationale prestatieafspraken gemaakt. Deze afspraken zien toe op een zeer forse ambitie in verduurzaming, nieuwbouw én betaalbaarheid. Het afschaffen van de verhuurderheffing is een goede en zeer belangrijke stap om corporaties aan investeringsruimte te helpen die nodig is voor het realiseren van de opgave. De afschaffing van de verhuurderheffing zorgt er namelijk voor dat de investeringscapaciteit van woningcorporaties op landelijk niveau toeneemt. De extra investeringscapaciteit die de afschaffing van de verhuurderheffing oplevert gebruiken woningcorporaties voor het realiseren van de opgaven uit de Nationale prestatieafspraken. Uit een doorrekening van de Nationale prestatieafspraken blijkt dat de opgaven landelijk financieel haalbaar zijn. Hierbij is rekening gehouden met de afschaffing van de verhuurderheffing en een stijging van de vennootschapsbelasting (incl. ATAD1). In de Nationale prestatieafspraken is ook afgesproken dat de (fiscale) lastendruk van corporaties actief zal worden gemonitord, in het licht van de financiële haalbaarheid van de maatschappelijke opgaven van corporaties. Er is afgesproken om de financiële haalbaarheid van de maatschappelijke opgaven door corporaties in 2024 integraal in beeld te brengen.

Vanwege de sterk veranderende macro-economische omstandigheden wordt deze geplande update een jaar naar voren gehaald en al in 2023 uitgevoerd. Daarin worden ook de fiscale aspecten meegenomen waar de woningcorporaties in de voorbereiding van deze woondeal hun zorgen over hebben geuit.

7.2

Ondersteuning gemeenten: Instrumenten voor sturing op vergroten aandeel sociale huurwoningen Rijk, provincie en de regio U10 ondersteunen gemeenten met instrumenten welke zij kunnen inzetten om te kunnen sturen op het vergroten van het aandeel sociale huurwoningen en zorgen voor kennisoverdracht naar de gemeenten. Via kennis en kunde zorgen we er voor dat gemeenten goed geëquipeerd worden om met het huidige instrumentarium deze taak op te pakken.

7.3

Corporaties beter in positie  H  et is van belang dat corporaties beter in positie worden gesteld.  Door partijen wordt geïnventariseerd welke instrumenten binnen de vigerende regelgeving regionaal ingezet kunnen worden.  Daarnaast gaan partijen met elkaar in gesprek over de mogelijkheden in de nog op te stellen Wet op de regie volkshuisvesting, verordeningen of woonvisies.  Het Rijk spant zich in om de periode dat corporaties grond mogen houden verlengd wordt van 5 jaar naar 10 jaar, zodat de mogelijkheden voor corporaties om grond aan te kopen voor de bouw van sociale huur­ woningen worden verruimd.  Gemeenten zetten zich in lijn met de Nationale prestatieafspraken, in voor voldoende steun en locaties om de afgesproken aantallen sociale huurwoningen daadwerkelijk te realiseren. Hierbij wordt de kanttekening gemaakt dat gemeenten in de regio U10 weinig eigen grondpositie hebben. Daarmee zijn zij aangewezen op het publiekrechtelijk instrumentarium om te sturen. De mogelijkheden om te sturen op zowel het tempo als de kwaliteit en de betaalbaarheid van nieuwbouw zijn dan beperkter c.q. vragen een zeer zorgvuldige proce­ dure en afgestemd ruimtelijk ordeningsbeleid en woonbeleid. Gemeenten zijn hierbij meer afhankelijk van de vraag of en in welk tempo grondeigenaren tot ontwikkeling willen overgaan.

Regio en provincie zorgen er voor dat de kennis bij gemeenten vergroot wordt om te sturen op grond (zie ook 4.6, Grondbeleid).

36

37 6 maart 2023

Woondeal, regio U10

7.4

Rijksvastgoed Tijdige beschikbaarheid van grond is nodig voor de realisatie van de woningbouwopgave. Het Rijk werkt aan een strategie ‘Inzet rijksgronden voor maatschappelijke doelen.’ Daarnaast onderzoekt het Rijk hoe zij actief grond­ beleid door gemeenten verder kan ondersteunen. Het Rijk draagt met haar grondposities en/of vastgoedbezit bij aan het realiseren van de woningbouwopgave, inclusief de doelstelling betaalbare woningbouw. Bij de inzet van Rijksvastgoedposities is het woonprogramma, zoals de gemeente dat voorziet, uitgangspunt. Het woonprogramma, en het aandeel betaalbare woningbouw, werkt door in de marktwaarde van de grond mits het is vastgelegd. Bij verkoop van gronden is de marktwaarde zoals deze voortvloeit uit het woonprogramma van de gemeente uitgangspunt.

7.5

Investeringen corporaties Om het aantal sociale huurwoningen van woningcorporaties te vergroten investeren woningcorporaties ook in het toevoegen van woningen binnen de bestaande voorraad, actiever grondbeleid en de aankoop van vastgoed, bijvoorbeeld van particuliere verhuurders.

8. Aandachtsgroepen en woonzorgvisies Het doel van het programma Een thuis voor iedereen is dat gezorgd wordt voor voldoende betaal­ bare woningen voor alle aandachtsgroepen, met een evenwichtige verdeling over gemeenten en met de juiste zorg, ondersteuning en begeleiding (zie ook evenwichtige verdeling sociale huurwoningen). Het doel van het programma Wonen en zorg voor ouderen is het bouwen van meer reguliere woningen voor ouderen en het bouwen van geclusterde woon(zorg)vormen en verpleegzorg. Daarnaast willen we ouderen ondersteunen en ontzorgen op weg naar een geschikte woning. Dit komt ook de doorstroming op de woningmarkt ten goede.

8.1 Aandachtsgroepen en woonzorgvisies 7.6

Instandhouding aantal woningen met huurprijs tot 550 euro In de Nationale Prestatieafspraken is opgenomen dat het aantal woningen met een huurprijs tot 550 euro (prijspeil 2020) in de totale corporatievoorraad niet afneemt. In de regio U10 heeft 33% van de corporatie­ woningen in de voorraad een huurprijs van 550 euro of minder. Dit niveau blijft tot tenminste 2025 gelijk.

7.7

Inzet ondersteuningsteams Om provincies, gemeenten en corporaties te ondersteunen bij het realiseren van versnelling van de nieuwbouw van sociale woningen, kunnen de expertteams, de Taskforce Nieuwbouw Woningcorporaties en de Taskforce ­Versnellen tijdelijke huisvesting worden ingezet. De Taskforce Nieuwbouw Woningcorporaties, die bestaat uit leden namens alle betrokken partijen, kan bestuurlijk hulp bieden wanneer er belemmeringen worden geconstateerd bij het realiseren van de gemeentelijke bouwopgave voor sociale huurwoningen, waaronder flexwoningen.

7.8

Meer (grotere) middenhuurwoningen bij corporaties In de Nationale Presatieafspraken is opgenomen dat de corporaties 50.000 middenhuurwoningen voor 2030 in heel Nederland moeten bouwen. De regio benadrukt dat om deze (grotere) middenhuurwoningen door corporaties te kunnen blijven realiseren, corporaties in regio U10 voldoende financiële middelen nodig hebben, ook op de wat langere termijn. De regio vraagt het Rijk, conform de Nationale Prestatieafspraken, in overleg te treden over voldoende financieringsmogelijkheden voor de niet-DAEB met als doel om eventuele financiële belemmeringen weg te nemen en te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om (grotere) middenhuurwoningen ook op de langere termijn door corporaties te kunnen laten realiseren.

8.1

Woonzorgvisies en regionale afstemming In lijn met het beleidsprogramma Een thuis voor iedereen stellen de U10-gemeenten in 2023 lokaal een integrale woonzorgvisie voor aandachtsgroepen op die aansluit bij de regionale woningbouwprogrammering. Op regionaal niveau brengt de U10 de opgave in beeld voor aandachtsgroepen en vindt de afstemming over de woonopgave plaats. De U10-gemeenten stemmen deze visies regionaal af en maken afspraken over het proces om tot regionale uitgangspunten voor de woonzorgvisies te komen, inclusief afspraken over de verdeling van sociale huurwoningen (nieuw en bestaande bouw), aandachtsgroepen en middelen. Voor de woonzorgvisies maken gemeenten een analyse van zowel de woon-, de zorg- als ondersteuningsbehoefte van de aandachtsgroepen in de eigen gemeente (hoeveel mensen, welke aandachtsgroepen, wat is de woonbehoefte en wat is de eventueel langdurige ondersteuningsbehoefte). Op regionaal niveau vindt de afstemming over de woonopgave plaats. Voor de invulling van de bouwopgave die voortvloeit uit de woonbehoefte van ouderen met een Wlz-indicatie worden het Zorgkantoor en de zorgaanbieders betrokken. De huisvesting van studenten wordt, in lijn met het actieplan studentenhuisvesting, ook meegenomen in de woonzorgvisies. Daarnaast vindt een doorvertaling naar lokale prestatieafspraken en urgentieverordening plaats.

De provincie vervult een coördinerende rol in het afstemmingsproces en ziet erop toe dat de woonzorgvisies van de gemeenten congruent zijn met de afspraken gemaakt in deze woondeal en toetst of de som van de gemeentelijke woonzorgvisies optelt tot de behoefte binnen de provincie.

38

39 6 maart 2023

Woondeal, regio U10

8.2

Cijfers in beeld woningbehoefte ouderen

8.2 Urgentie huisvesting aandachtsgroepen

Specifieke aandacht is nodig voor de ondersteuning van de woonbehoeften van ouderen. Door de vergrijzing zijn er over twintig jaar naar schatting in heel Nederland 1,6 miljoen 80+ers. Dat is twee keer zoveel als op dit moment. Er is een toenemende behoefte aan woningen die aansluiten bij de wensen van ouderen. Aan de hand van de nog op te stellen woonzorgvisies wordt de woon-, de zorg- en de ondersteuningsbehoefte van de ouderen in beeld gebracht en vindt herijking plaats van de afspraken. Bij het opstellen van de woonzorgvisies besteden gemeenten expliciet aandacht aan de woon-, de zorg- en ondersteuningsbehoefte van ouderen. Afspraken en afstemming met het zorgkantoor en de zorgaanbieders is daarbij gewenst. Bij de inrichting van de leefomgeving (o.a. voorzieningen, inrichting buitenruimte) is aandacht voor de behoefte van ouderen.

De urgentie van de huisvesting van aandachtsgroepen is toegenomen. Dit komt enerzijds omdat de vraag is toegenomen door onder andere de toename van het aantal te huisvesten statushouders, maar ook is de behoefte aan woonplekken voor bijvoorbeeld jongvolwassenen in een kwetsbare ­positie significant groter is dan eerder aangenomen. De verwachting is dat de komende jaren de vraag alleen maar verder toeneemt. Tegenover deze toegenomen vraag staat een aanbod dat niet toereikend is.

In het beleidsprogramma Wonen en zorg is aangekondigd dat er nationaal behoefte is aan 290.000 woningen geschikt voor ouderen. Het betreft 170.000 nultredenwoningen8, 80.000 geclusterde woonvormen9 en 40.000 verpleegzorgplekken die ook geschikt zijn voor ouderen. BZK heeft voor de regio U10 de volgende opgaven benoemd: 1.990 verpleegzorgplekken, 4.200 geclusterde woonvormen en 9.700 nultredenwoningen. BZK vraagt de opgave voor verpleegzorgplekken voor 1 juli 2023 door te vertalen naar gemeenten De regio U10 heeft dit regionale aandeel in de landelijke opgave nog niet geanalyseerd, zodat op dit moment nog geen uitspraak gedaan kan worden of deze opgave gedeeld wordt. De opgave voor ouderenhuisvesting en verpleegzorgplekken wordt in 2023 uitgewerkt als onderdeel van de aanpak voor (deel-) regionale woonzorg­ visies. De provincie onderzoekt samen met de gemeenten op welke wijze dit gemonitord kan worden.

8.3

Vooruitlopend op de woonzorgvisie maken we hierover de volgende afspraak: 8.6

Met de woonzorgvisies brengen we de woon-, zorg- en ondersteuningsbehoefte van aandachtsgroepen in beeld en wordt deze regionaal afgestemd. Partijen erkennen dat de urgentie groot is en dat meer inzet voor huis­vesting op korte termijn noodzakelijk is. Partijen gaan met elkaar in gesprek over en zetten zich in voor de volgende acties op de korte termijn:  Meer huisvesting - Nieuwbouwwoningen passend bij de woonbehoefte van aandachtsgroepen -T  ijdelijke/flexibele woningen: met de inzet van de Regiodeal Flexwonen wordt ingezet op snel meer huis­ vesting voor alle woningzoekenden (zie 1.3).  De regio inventariseert de kansen om de bestaande voorraad beter te benutten.  Om de bestaande voorraad beter te benutten, vraagt de regio aan het Rijk onderzoek te doen naar de mogelijkheden om meer te doen aan woningdelen, woningsplitsen, verruimen mogelijkheden passend toewijzen in de Huisvestingsverordening, de inzet van woonkostentoeslag om meer woningen financieel haalbaar te maken en meer potentieel aanbod creëren door doorstroming actief te stimuleren. De regio vraagt aan de provincie inzet om ons hierin te helpen (o.a. met financiële middelen).

Financiering verpleegzorg De regio vraagt aandacht voor de financiering van verpleegzorg, waar ook het Rijk en beleggers voor nodig zijn. BZK werkt aan een regeling om de onrendabele top op verpleegzorgplekken in het sociale segment te dekken. Deze zal medio 2023 worden gepubliceerd.

8.4

Financiële ondersteuning woonzorgvisies Voor het opstellen van woonzorgvisies kunnen gemeenten een beroep doen op de flexpoolmiddelen. Dat betekent dat de provincie 2/3 betaalt en gemeenten 1/3 betalen. Daarnaast heeft de provincie een rol in het aanzwengelen, coördineren en afstemmen van de gemeentelijke woonzorgvisies.

8.5

Woonzorgvisies Na het opstellen van de woonzorgvisies vindt een herijking plaats van de afspraken die in de woondeal gemaakt zijn m.b.t. de huisvesting van aandachtsgroepen, en wonen en zorg voor ouderen. Hierbij wordt ook aangegeven wat de U10-gemeenten nodig hebben om hieraan invulling te geven. Daarnaast vindt een doorvertaling naar lokale prestatieafspraken plaats.

Urgente tekort vraagt op korte termijn meer inzet

In de praktijk zien we dat gemeenten voor de huisvesting van aandachtsgroepen steeds meer inzetten op (gemengde) woonconcepten. Gemengd wonen voorziet in de toenemende behoefte in het huisvesten van aandachtsgroepen. Het gaat om woonprojecten waarbij verschillende groepen mensen (dragend en vragend) doelbewust samen een gemeenschap vormen, die elkaar ondersteunt en gezamen­lijk activiteiten onderneemt. Het vormen van een gemeenschap gaat niet vanzelf. Professionele ondersteuning op gemeenschapsvorming helpt gemengd wonen projecten beter te slagen. Vooruitlopend op de woonzorgvisies maken we de volgende afspraken: 8.7

Gemeenschapsvorming en kwetsbare doelgroepen Wij zetten steeds meer in op gemengd wonen projecten (dragers en vragers) waar gemeenschapsvorming belangrijk is voor het welslagen van het project en voor aandachtsgroepen om zelfstandig te kunnen wonen. Voor deze gemeenschapsvorming, sociaal beheer en begeleiding is ook inzet nodig (en dus ook middelen). De regio vraagt het rijk en de provincie mede te onderzoeken hoe deze inzet kan worden gerealiseerd.

8.8

Delen van kennis De gemeenten delen kennis en bouwen regionaal voort op opgedane lessen bijzondere woonconcepten met en voor aandachtsgroepen.

8 9

 ultredenwoningen zijn waarbij je niet hoeft trap te lopen, zowel binnen het huis als om naar binnen te komen. Vaak N betreffen het gelijkvloerse woningen/appartementen in de buurt van voorzieningen. Geclusterde woonvormen, vaak met ontmoetingsruimtes, zijn onder andere hofjeswoningen (zoals de Knarrenhof), service­f lats en seniorenflats. Geclusterde woonvormen voorzien niet alleen in prettige huisvesting, maar verminderen ook eenzaamheid doordat ze het aangaan van sociale contacten vergemakkelijken. Woningen in geclusterde woon­ vormen zijn nultredenwoningen en bij voorkeur rollatortoe- en doorgankelijk.

40

41 6 maart 2023

Woondeal, regio U10

9. Herstructurering

10. Overige aspecten

In het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid is aangekondigd dat er naast afspraken over woningbouw, ook afspraken over herstructurering worden gemaakt. Het betreft zeer slecht onderhouden woningen in een onaantrekkelijke woonomgeving waardoor de leefbaarheid onder druk staat. Deze woningen sluiten niet aan op de lokale behoefte. In deze herstructureringsopgave onderscheiden we drie categorieën: vervangende nieuwbouw, sloop en grootschalige renovatie.

10.1 Vakantieparken

9.1

Opgave in beeld brengen De partijen in de woondeal spannen zich in om deze opgave in 2023 beter in beeld te brengen. We brengen dan de aantallen vervangende nieuwbouw, grootschalige renovatie en sloop in beeld voor de sociale huur, particuliere huur en koop. We bespreken deze opgave periodiek op de Woondealtafel.

9.2

In Nederland bevinden zich bijna 4000 vakantieparken, hieronder bevinden zich een grote variëteit, zoals campings, stacaravanparken en bungalowparken. Een groot aantal van deze parken vervult een belangrijke recreatieve en economische rol in onze gemeenten. Voor een deel van deze parken geldt echter dat zij deze rol minder of niet meer kunnen vervullen. In die gevallen kan er gedacht worden aan een nieuw toekomstscenario voor het park, want deze scenario’s zijn afhankelijk van veel factoren, zoals ruimtelijke ordening, veiligheid en lokale economie. Eén van de toekomstscenario’s die in deze tijden van het woningtekort extra aandacht krijgt, is het transformeren van vakantieparken naar wonen. 10.1

Inventarisatie potentie transformatie vakantieparken BZK heeft eind 2022 de provincies een aantal vragen gesteld ten behoeve van een inventarisatie van het potentieel te transformeren vakantieparken. Afhankelijk van deze uitkomsten maken Rijk, provincie en gemeenten afspraken over vervolgstappen. De provincie Utrecht werkt aan een vervolgaanpak Vakantieparken. Een aanpak van pilots is onderdeel hiervan. Medio dit jaar wil de provincie een integraal voorstel gereed hebben.

Gezamenlijk oppakken De partijen in de Woondeal U10 spannen zich in om deze opgave gezamenlijk op te pakken en waar mogelijke gebruik te maken van de ondersteuningsmiddelen van het Rijk, zoals het Volkshuisvestingsfonds.

10.2 Ruimtelijke ordeningsaspecten 9.3

Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) In het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid zijn Utrecht Overvecht, Nieuwegein Centrale-As als stede­ lijke focusgebieden opgenomen. De regio vraagt ook voor andere wijken de mogelijkheid voor ondersteuning (wet- en regelgeving, instrumenten, financiering) gericht op een integrale sociaal en fysieke aanpak. Naast de gemeenten met een stedelijk focusgebied wordt op basis van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid ook ondersteuning geboden aan andere gemeenten bij het bevorderen van kansengelijkheid, leefbaarheid en veiligheid in kwetsbare wijken en gebieden. Iedere gemeente in Nederland die een integrale aanpak wil inzetten op een concentratie van maatschappelijke problemen binnen een specifiek gebied, kan gebruikmaken van de producten en diensten die vanuit het programma worden ontwikkeld en via het kennis- en leernetwerk van WijkWijzer beschikbaar komen.10 In samenspraak tussen adviseurs van het NPLV en de gemeente wordt (zoveel mogelijk samen met andere relevante lokale partijen) een passend arrangement georganiseerd, waarbij de vraag vanuit de gemeente centraal staat.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/532/documents/16236