CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

03. Plesmanplantsoen 6 Oudewater_Bijlagen.pdf

Forum Ruimte 1 juli 2025, gemeente OudewaterBij agendapunt: 4: VERVALLEN: RV BP Plesmanplantsoen 6 (184317)21.494 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

: Conform AS3110 prestatieblad 3 en gelijkwaardig aan NEN-EN-ISO 17294-2 : Conform AS3110 prestatieblad 3 en gelijkwaardig aan NEN-EN-ISO 17294-2 : Conform AS3110 prestatieblad 3 en gelijkwaardig aan NEN-EN-ISO 17294-2 : Conform AS3110 prestatieblad 3 en gelijkwaardig aan NEN-EN-ISO 17294-2 : Conform AS3110 prestatieblad 3 en gelijkwaardig aan NEN-EN-ISO 17294-2 : Conform AS3110 prestatieblad 3 en gelijkwaardig aan NEN-EN-ISO 17294-2 : Conform AS3110 prestatieblad 3 en gelijkwaardig aan NEN-EN-ISO 17294-2 : Conform AS3110 prestatieblad 3 en gelijkwaardig aan NEN-EN-ISO 17294-2 : Conform AS3110 prestatieblad 3 en gelijkwaardig aan NEN-EN-ISO 17294-2 : Conform AS3110 prestatieblad 5 : Conform AS3130 prestatieblad 1 : Conform AS3130 prestatieblad 1 : Conform AS3130 prestatieblad 1 : Conform AS3130 prestatieblad 1

Dit analyse-certificaat, inclusief voorblad en eventuele bijlage(n), mag niet anders dan in zijn geheel worden gereproduceerd. Opdrachtverificatiecode: LSRU-QCCF-KEZY-SYIL

Ref.: 1035309_certificaat_v1

BIJLAGE V

Toetsingskader bodem De analyseresultaten zijn getoetst aan de normwaarden uit de ‘Circulaire Bodemsanering per 1 juli 2013’ en Bijlage B van de ‘Regeling Bodemkwaliteit’. Hierin zijn de achtergrondwaarden (grond), streefwaarden (grondwater) en interventiewaarden (grond en grondwater) gedefinieerd. De tussenwaarde is het rekenkundig gemiddelde van de achtergrond-/ streefwaarde en de interventiewaarde. Overschrijdingen van de normen kunnen worden geïnterpreteerd als een: lichte verhoging: gehalte > achtergrondwaarde (grond) of streefwaarde (grondwater) matige verhoging: gehalte > T-waarde (tussenwaarde) sterke verhoging: gehalte > interventiewaarde De meetwaarden worden gecorrigeerd naar een standaard bodemtype met 25% lutum en 10% organische stof. Deze gestandaardiseerde meetwaarden worden berekend en getoetst via de landelijke toetsingsmodule BoToVa (Bodem Toets- en Validatieservice). De normen geldend voor grond voor barium zijn ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Alleen als verhoogde bariumgehalten het gevolg zijn van een antropogene bron (menselijk handelen), kan het bevoegd gezag dit gehalte beoordelen aan de voormalige normen. Het gehalte barium moet wel gemeten blijven worden.

Conform de Wet bodembescherming (Wbb) is de ernst van de verontreiniging gerelateerd aan een omvangscriterium. Om van een ‘geval van ernstige bodemverontreiniging’ te spreken, dient voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m³ grond of 100 m³ bodemvolume grondwater de interventiewaarde te worden overschreden. Ook moet de verontreiniging zijn ontstaan vóór 1987. Voor een geval van ernstige bodemverontreiniging geldt formeel een saneringsplicht. In de praktijk wordt een sanering alleen verplicht gesteld indien sprake is van actuele risico’s, of indien dat bij een functiewijziging (bijvoorbeeld bouw) noodzakelijk is. Bij ongewijzigd gebruik en de afwezigheid van risico’s wordt bij een historische verontreiniging (ontstaan voor 1987) geen termijn aan de saneringsverplichting opgelegd. Indien de verontreiniging geheel of grotendeels na 1 januari 1987 is ontstaan, is sprake van een ‘nieuw geval van bodemverontreiniging’. Vanuit de zorgplicht in de Wet bodembescherming dient een nieuw geval van bodemverontreiniging, ongeacht de mate en omvang van de verontreiniging, in beginsel terstond te worden verwijderd. Besluit bodemkwaliteit De analyseresultaten van de grond kunnen bij een verkennend onderzoek (indicatief) worden getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit. Voor een definitief oordeel is echter een AP04 partijkeuring nodig.

In het generieke kader wordt onderscheid gemaakt in drie kwaliteitsklassen voor hergebruik: Altijd Toepasbaar, Wonen en Industrie. Bij hogere gehalten dan de maximale waarde Industrie, is er sprake van Niet Toepasbare grond. Er wordt voldaan aan de eisen voor ‘Altijd Toepasbaar’ indien de gehalten de Achtergrondwaarden niet overschrijden. Afhankelijk van het aantal geanalyseerde stoffen mag voor een aantal parameters de Achtergrondwaarde wel worden overschreden met maximaal een factor twee, mits de maximale waarde Wonen niet wordt overschreden (uitgezonderd nikkel). Bij analyse op het standaardpakket is deze overschrijding toegestaan voor maximaal twee parameters.

Toetsingskader asbest Voor asbest in grond en puin geldt een interventiewaarde respectievelijk gewogen grenswaarde van 100 mg/kg ds. Gewogen betekent dat de toetswaarde op de volgende manier wordt berekend: toetswaarde = gehalte serpentijn (chrysotiel) + 10 x gehalte amfibool (crocidoliet, amosiet, etc) Wanneer de interventiewaarde voor asbest in de bodem wordt overschreden, dient conform de Wet bodembescherming een uitspraak te worden gedaan over de risico’s van de verontreiniging bij het huidig en toekomstig gebruik, op basis van een milieuhygiënisch saneringscriterium. Voor asbest geldt hiervoor het ‘Protocol Asbest’, opgenomen als bijlage in de hierboven genoemde circulaire. Verhardingslagen waarin asbest wordt aangetroffen in een gehalte groter dan de grenswaarde worden beschouwd als een ‘asbestweg’ en vallen daarmee onder het Besluit asbestwegen Wms. Het bevoegd gezag is in dat geval de Inspectie van Leefomgeving en Transport van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Volgens dit besluit dient een asbestweg te worden afgedekt of te worden verwijderd om het risico van blootstelling aan asbest te voorkomen. Voor asbest in grond en puin geldt geen achtergrondwaarde. De interventiewaarde voor asbest ligt op het niveau van verwaarloosbaar risico. Grond en puin met een asbestgehalte kleiner dan de interventiewaarde kan worden beschouwd als niet asbestverontreinigd.

Toetsing verkennend onderzoek Het resultaat van het verkennend onderzoek is een uitspraak over de mogelijke verontreiniging van de bodem met asbest, waarbij een indicatief gehalte wordt bepaald. Met een verkennend onderzoek wordt het asbestgehalte getoetst aan de interventiewaarde gecorrigeerd met een factor 2. De toetswaarde voor nader onderzoek bedraagt hiermee 50 mg/kg ds. Indien het asbestgehalte uit het verkennend onderzoek kleiner is dan 50 mg/kg ds geldt er geen noodzaak tot nader onderzoek. Bij een asbestgehalte groter dan 50 mg/kg ds dient er wel nader onderzoek te worden uitgevoerd.

Verklarende woordenlijst Wet bodembescherming (Wbb): Deze wet is er vooral op gericht om in het belang van het milieu regels te stellen om bodemverontreiniging te voorkomen, te onderzoeken en te saneren. NEN-5725: Richtlijn voor gedegen vooronderzoek. Het vooronderzoek wordt uitgevoerd voorafgaand aan het feitelijke onderzoek van de bodem (= veld- en laboratoriumonderzoek). De bij het vooronderzoek verzamelde informatie dient om te komen tot een adequate invulling van het veld- en laboratoriumonderzoek en draagt bij aan de verklaring van de resultaten van het bodemonderzoek. NEN-5740: Deze norm beschrijft de werkwijze voor het opstellen van de onderzoeksstrategie bij verkennend bodemonderzoek naar de aanwezigheid van bodemverontreiniging. De norm is van toepassing op verkennend onderzoek van zowel onverdachte als verdachte locaties. Standaard NEN analysepakket grond en grondwater Boven- en ondergrond

Grondwater

Metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink)

*

*

Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK)

*

Polychloorbifenylen (PCB)

*

Minerale olie

*

*

Vluchtige aromaten (BTEXSN)

*

Vluchtige chlooralifaten (VOCl)

*

m-mv: diepte in meter minus maaiveld pH en EC: zuurgraad en Geleidingsvermogen NTU: de eenheid waarin troebelheid (van onder andere) water wordt uitgedrukt. Streefwaarde: deze waarde geeft voor grondwater aan wat het ijkpunt is voor de milieukwaliteit op de lange termijn, uitgaande van Verwaarloosbare Risico’s voor het ecosysteem Achtergrondwaarde: deze waarde is voor grond vastgesteld op basis van de gehalten zoals die voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden in Nederland die niet zijn belast door lokale verontreinigingsbronnen. Interventiewaarde: Is de waarde die het kwaliteitsniveau aangeeft, waarop de functionele eigenschappen van de bodem, voor mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen tot worden verminderd. INEV: Indicatief niveau voor ernstige verontreiniging, voor stoffen waarvoor geen interventiewaarde is opgesteld. T-waarde (tussenwaarde): Is voor grondwater gelijk aan (streefwaarde+interventiewaarde)/2 en voor grond gelijk aan (achtergrondwaarde+interventiewaarde)/2. Overschrijding van de T-waarde geeft aan dat er mogelijk een aanvullend/nader onderzoek nodig is. Maximale Waarde wonen (MWw): deze waarde geeft de bovengrens aan van de kwaliteit die nodig is om de bodem blijvend geschikt te houden voor de functie ‘wonen’.

Maximale Waarde industrie (MWi): deze waarde geeft de bovengrens aan van de kwaliteit die nodig is om de bodem blijvend geschikt te houden voor de functie ‘industrie’. Gebruikte afkortingen van stoffen: Ba

Barium

Olie

Minerale olie

Cd

Cadmium

VAK

Vluchtige Aromatische Koolwaterstoffen

Co

Kobalt

B

Benzeen

Cu

Koper

T

Tolueen

Hg

Kwik

E

Ethylbenzeen

Pb

Lood

X

Xylenen

Mo

Molybdeen

S

Styreen

Ni

Nikkel

Naft.

Naftaleen

Zn

Zink

VOCl

Vluchtige Organochloorverbindingen

PAK

Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen

PCB

Polychloorbifenylen

Oer: een inspoelingslaag van sesqui-oxiden (aluminium- en ijzeroxiden) boven de hoogste grondwaterstand. De oxiden zijn afkomstig van hoger gelegen bodemhorizonten. Oer is vaak harder dan het bodemmateriaal zelf. Gley: (oranje-bruine) ijzer-/roestvlekken die worden gevormd als gevolg van een fluctuerende grondwaterstand. Gley komt, in tegenstelling tot oer, niet voor in hardere brokjes maar uit zich voornamelijk in kleurverschil.

Conserveringstermijnen In enkele gevallen kan analyse van een monster niet plaatsvinden binnen een vastgestelde conserveringstermijn. Ook voor dit onderzoek heeft een overschrijding van de conserveringstermijn plaatsgevonden in verband het met uitsplitsen van een mengmonster. Dit leidt tot een opmerking in de bijlagen bij een analysecertificaat. Het betreft een afwijking op het SIKB-protocol 3001. De maximale conserveringstermijn is stofafhankelijk. Voor enkele vluchtige verbinden (aromaten) geldt een termijn van 4 dagen. Voor droge stof en organische stof bedraagt de termijn 7 dagen. Overige stoffen hebben een langere conserveringstermijn (PAK 14 dagen, zware metalen tenminste 56 dagen). Conserveringstermijnen zijn opgesteld in SIKB-protocol 3001 (december 2003). De conserveringstermijn is vastgesteld op de periode waarbinnen de standaardafwijking van het meetresultaat niet meer dan 2,5 of 5 % bedraagt (afhankelijk van het monstertype). Analyse op droge stof vindt bij elke grondanalyse plaats. Overschrijding van een conserveringstermijn vindt derhalve veelal plaats op basis van deze parameter (termijn 7 dagen). Omegam Laboratoria heeft eigen onderzoek verricht naar de conserveringstermijn van droge stof (rapportage juni 2007, verricht conform NEN-ISO 11465 en gevalideerd op basis van SIKB project 55).

Uit het rapport blijkt dat de gehaltes droge stof bij een conserveringstermijn van tenminste 42 dagen niet afnemen. Overschrijding van een conserveringstermijn bedraagt over het algemeen niet meer dan enkele dagen. In die tijd worden de monsters altijd koel en donker bewaard. Gezien de geringe standaardafwijking van 2,5 of 5 % waarop een conserveringstermijn is gedefinieerd, wordt gesteld dat een meetresultaat bij een geringe overschrijding van de conserveringstermijn, ook slechts in geringe mate kan afwijken van het daadwerkelijke gehalte op het moment van monstername.

Transect-rapport 3935 Oudewater, Dr. Plesmanplantsoen 6 Gemeente Oudewater (UT) Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase

Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl

Auteur

I. Korver MA

Versie

Definitief

Projectcode

22010041

Datum

07-03-2022

Opdrachtgever

Van Zuylen Oudewater Beheer b.v. Hoenkoopsebuurtweg 27A 3421 GA Oudewater

Uitvoerder

Transect b.v. Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

Onderzoeksmelding

5180382100

Bevoegde overheid

Gemeente Oudewater

Adviseur bevoegde overheid

Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU)

Status

Goedgekeurd

Beheer documentatie

Transect, Nieuwegein

Voorblad

Uitsnede van de kaart van Jacob van Deventer (circa 1560; bron: www.nationaalarchief.nl).

Autorisatie Naam Drs. T. Nales Senior KNA Prospector

Datum 21-03-2022

Paraaf

ISSN: 2211-7067

© Transect, Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

Samenvatting In opdracht van Van Zuylen Oudewater Beheer b.v. heeft Transect in maart 2022 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan het Dr. Plesmanplantsoen 6 in Oudewater (gemeente Oudewater). De aanleiding voor het onderzoek vormt de aanvraag van een omgevingsvergunning ten behoeve van de sloop van de huidige bebouwing en de realisatie van een appartementengebouw in het plangebied. Het archeologisch vooronderzoek bestaat hier uit een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend veldonderzoek (IVO). De vraagstelling van deze onderzoeken is het specificeren van de archeologische verwachting van het plangebied en het toetsen en aanvullen van deze verwachting door middel van waarnemingen in het veld. Het plangebied ligt in de historische kern van de vestingstad Oudewater. Uit het bureauonderzoek blijkt dat dit gebied al bewoond is sinds de 11 e eeuw n. Chr. en op de oeverwallen van de stroomruggen van de Lange Linschoten en de Hollandse IJssel ligt. Deze oeverwallen dienden als ontginningsbasis voor het omliggende gebied. In de 14 e eeuw werd Oudewater ommuurd, waardoor het plangebied sindsdien waarschijnlijk officieel binnen de kern valt. Op basis van historische gegevens is deze muur een aantal keer verbouwd, onder andere in de 16 e eeuw toen een gedeelte van de bebouwing ter plaatse van het Dr.

Plesmanplantsoen en de Amsterdamse Veer werd gesloopt ten behoeve van de versteviging van de vestingmuur. Het plangebied ligt volgens de historische kaarten gedeeltelijk op deze vestingmuur en de aardwal die ter versteviging was aangelegd aan de binnenzijde van de muur. De verwachting op archeologische resten in relatie tot dit bouwwerk, zoals funderingsresten, is zodoende zeer hoog. De verwachting voor andere archeologische resten in het zuidwesten van het plangebied, zoals beerputten en dergelijk, uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd is eveneens hoog door de nabijheid van bebouwing uit die perioden. In de periode IJzertijd – Vroege Middeleeuwen is de verwachting middelhoog. Het plangebied is dan naar alle waarschijnlijkheid gelegen op de oeverwallen van de Lange Linschoten stroomrug, die later een zijtak van de Hollandse IJssel vormt. Oeverwallen waren zeer aantrekkelijk voor bewoning. Het is mogelijk dat de Hollandse IJssel de oeverwallen van de Lange Linschoten heeft geërodeerd. De verwachting voor resten uit de perioden Neolithicum – Bronstijd is laag door de afwezigheid van veenrivieren in dit gebied. Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat in de ondergrond van het plangebied zich een ondoordringbare puinlaag bevindt in tenminste het noorden en oosten van het plangebied.

Vermoedelijk betreft dit de funderingsresten van de vestingmuur of de gesloopte resten van de bebouwing uit de 16 e eeuw ten behoeve van de vestingmuur. Hierop bevinden zich verscheidene ophogingslagen (45 – 280 cm -Mv; 0,45 – 2,00 m -NAP). Een datering voor deze lagen is in dit stadium van het onderzoek niet mogelijk, maar waarschijnlijk betreft het ophogingslagen als onderdeel van de aardwal die tegen de vestingmuur aan lag, waardoor deze gedateerd kunnen worden tot de Nieuwe Tijd. Een oudere datering is echter niet uit te sluiten, aangezien bovenstaande datering ook eerder uit kan vallen. Hierop is een recente bouwvoor van 45-55 cm dik aanwezig. Zodoende is er in het plangebied sprake van een hoge archeologische waarde door de aanwezigheid van archeologische resten uit de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd. De verwachting voor de periode Romeinse Tijd – Vroege Middeleeuwen kon niet getoetst worden door de ondoordringbare puinlaag die op 2,25 – 2,80 m -Mv (1,40 – 2,00 m -NAP) aanwezig is, maar deze blijft middelhoog.

Advies Voor het plangebied is in het kader van de voorgenomen nieuwbouw naar ons inziens archeologisch vervolgonderzoek nodig om de cultuurlagen te documenteren en de oorzaak van de puinlaag te achterhalen. Ons advies is dat dit onderzoek het beste in twee delen kan plaatsvinden: • Tijdens de ondergrondse sloop, raden wij een Inventariserend Veldonder zoek, variant

•

Archeologische begeleiding aan. Aangezien het onduidelijk is hoe diep de huidige bebouwing reikt en het wel duidelijk is dat de cultuurlagen vrij hoog aanwezig zijn, is de kans groot dat deze bloot komt te liggen tijdens de sloop van de funde ringen. Wij achten het noodzakelijk om deze zo goed mogelijk te documenteren, voordat men met de nieuwbouw begint. Vóórdat men gaat beginnen met de graafwerkzaamheden, adviseren wij een Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven, ter plaatse van het bouwvlak met de mogelijkheid tot de doorstart naar een volledige opgraving (DO). Aangezien niet het gehele plangebied bebouwd zal worden, zal een gedeelte in situ behouden kunnen blijven nadat de bovenste laag gedocumenteerd is tijdens de archeologische begeleiding. Door de geringe grootte van het bouwvlak, is het aannemelijk dat wanneer er archeologie aangetroffen wordt, dat dit zal leiden tot een doorstart, waarbij het gehele bouwvlak wordt onderzocht.

Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal de bevoegde overheid (de gemeente Oudewater) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.

Inhoud 1.

Aanleiding

1

2.

Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek

2

3.

Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied

3

4.

Planvorming en consequenties toekomstig gebruik

5

5.

Beleidskader

6

6.

Landschap, geomorfologie en bodem

7

7.

Beschrijving bekende archeologische kenmerken

10

8.

Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen

13

9.

Gespecificeerde archeologische verwachting

20

10.

Resultaten veldonderzoek

22

11.

Beantwoording onderzoeksvragen

25

12.

Conclusie en Advies

26

13.

Geraadpleegde bronnen

28

Bijlage 1: Bouwtekeningen

30

Bijlage 2: Archeologische beleidskaart van de gemeente Oudewater

32

Bijlage 3: Geomorfologie

33

Bijlage 4: Hoogtekaart

34

Bijlage 5: Bodemkaart

36

Bijlage 6: Archeologische informatie

37

Bijlage 7: Boorpuntenkaart

39

Bijlage 8: Vondstenkaart

40

Bijlage 9: Vondstenlijst

41

Bijlage 10: Foto’s van vondsten

42

Bijlage 11: Foto’s van boringen

43

Bijlage 12: Boorbeschrijvingen

45

1. Aanleiding In opdracht van Van Zuylen Oudewater Beheer b.v. heeft Transect1 in maart 2022 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan het Dr. Plesmanplantsoen 6 in Oudewater (gemeente Oudewater). De aanleiding voor het onderzoek vormt de aanvraag van een omgevingsvergunning ten behoeve van de sloop van de huidige bebouwing en de realisatie van een appartementengebouw in het plangebied. In het plangebied geldt in het bestemmingsplan Binnenstad (2006) een dubbelbestemming archeologie – Archeologisch waardevol gebied. Vanwege deze aanduiding is een archeologisch onderzoek verplicht bij bodemingrepen die groter zijn dan 50 m2 en dieper dan 30 cm -Mv reiken. Dit betekent dat gezien de omvang van de voorgenomen van de toekomstige ontwikkeling (circa 350 m2 met bodemingrepen dieper dan 30 cm -Mv) archeologisch vooronderzoek nodig is. Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1 en het Plan van Aanpak (Korver, 2022).

1 Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd door

middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.

1

2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek, te weten een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting, dat wil zeggen het aan de hand van beschikbare en nieuwe informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik, bepalen van de kans dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Hiervoor is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd, waarin de Archeologische MonumentenKaart (AMK) is opgenomen. Aanvullende (cultuur)historische informatie is verkregen uit divers voorhanden historisch kaartmateriaal. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en beschikbaar geologisch-geomorfologisch kaartmateriaal geraadpleegd. Ook is de website van de Geschiedkundige Vereniging Oudewater geraadpleegd (d.d. 16 -03-2022).

Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar mogelijk bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting, door het verzamelen van informatie over de feitelijke bodemopbouw, bodemreliëf en bodemintactheid in het plangebied. Hiermee ontstaat inzicht in de landschapsvormende processen en landschappelijke eenheden uit het verleden. Op basis hiervan kan een oordeel worden gegeven over waar, wanneer en in hoeverre het gebied in het verleden geschikt was voor de mens. Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een booronderzoek (IVO-O). De toegepaste methodiek in het veld wordt beschreven bij de beschrijving van de veldresultaten (Hoofdstuk 10). Het onderzoek probeert hiermee aan de hand van feitelijke informatie antwoord te geven op de volgende vragen: • Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? • Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante bodemniveaus te onderscheiden en •

hoe diep liggen deze? In hoeverre zijn de archeologisch relevante bodemniveaus nog intact (verstoring, erosie,

•

afdekkend substraat)? Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog?

Het resultaat van het archeologisch vooronderzoek is dit rapport met een conclusie omtrent het risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebie d worden verstoord als gevolg van de voorgenomen plannen. Op basis van dit rapport neemt het bevoegde overheid een beslissing in het kader van de vergunningverlening of planprocedure. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de – verwachte – aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1). Het inventariseren d veldonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4003 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie versie 4.1 (KNA 4.1).

2

3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied Gemeente

Oudewater

Plaats

Oudewater

Toponiem

Dr. Plesmanplantsoen 6

Provincie

Utrecht

Perceelnummer

ODW00 – B – 7185

Kaartblad

38B

Centrumcoördinaat

119.588 / 448.732

Oppervlakte

350 m2

Binnen het archeologisch bureauonderzoek is onderscheid gemaakt in het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarin de geplande bodemingrepen zullen plaatsvinden. Het onderzoeksgebied omvat het plangebied en een deel van het direct omringende gebied en wordt bij het onderzoek betrokken om tot een beter inzicht te komen in de archeologische, (cultuur)historische en bodemkundige situatie in het plangebied. Het onderzoeksgebied beslaat in dit geval een straal van circa 500 meter rond het plangebied. Het plangebied ligt aan het Dr. Plesmanplantsoen 6 in Oudewater (gemeente Oudewater) en bevat een woning (150m2 ) met tuin. De tuin van het perceel is grotendeels verhard (stoeptegels en beton) met langs de noord- en oostrand van het perceel een groenstrook. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1. Kadastraal gezien omvat het plangebied het perceel ODW00 Sectie B nummers 7185. De begrenzing van het plangebied is gevormd door dit perceel en het plangebied is 350 m2 groot.

3

Figuur 1: Ligging van het plangebied (met rode lijnen aangegeven, bron: www.pdok.nl).

4

4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik Kader

Aanvraag omgevingsvergunning

Oppervlakte plangebied

350 m2

Planvorming

Sloop huidige bebouwing (150 m2 ) Nieuwbouw appartementengebouw (200 m2 )

Bodemverstorende werkzaamheden

Graafwerkzaamheden

Diepte verstoring

Max. 340 cm -Mv

Het voornemen bestaat om in het plangebied de huidige bebouwing te slopen (150 m2 ) en een appartementengebouw (200 m2 ) te realiseren aan het Dr. Plesmanplantsoen 6. De toekomstige bebouwing zal gedeeltelijk onderkelderd worden, waaronder de funderingen worden geplaatst. In totaal zal de bodem verstoord worden tot een diepte van max. 340 cm -Mv. Een tekening van de toekomstige situatie is weergegeven in bijlage 1. Om de herontwikkeling mogelijk te maken, is een omgevingsvergunning nodig, aangezien de voorgenomen ingrepen groter zijn dan door het bestemmingsplan wordt toegestaan. De bodemingrepen zullen naar verwachting het bodemarchief en daarmee eventueel aanwezige archeologische waarden aantasten. De nieuwe bebouwing heeft een omvang van 200 m2 .

5

5. Beleidskader Onderzoekskader

Aanvraag omgevingsvergunning

Beleidskader

Bestemmingsplan Binnenstad (2006)

Onderzoeksgrens

50 m2 en dieper dan 30 cm –Mv

In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds juli 2016 (Erfgoedwet) is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die naar verwachting in 2022 of in 2023 in werking zal treden. In het bestemmingsplan “Binnenstad 2006” heeft het plangebied een dubbelbestemming Waarde – Archeologisch waardevol gebied (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl). Deze waarde is gebaseerd op de gemeentelijke beleidskaart (bijlage 2). Hierop heeft het plangebied een archeologische waarde door de ligging van het plangebied in de historische kern. Bij bouwwerken en/of bodemingrepen die groter zijn dan 50 m2 én dieper reiken dan 50 cm -Mv is daarom archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk.

Gezien het grotere verstoringsoppervlakte en diepte betekent dat in dit geval er in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning een archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is (zie hoofdstuk 4). In het kader van de omgevingsvergunning dient de aanvrager een rapport aan de gemeente te overleggen, waarin de archeologische waarde van het plangebied naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Afhankelijk van de uitkomsten van het archeologisch (voor-)onderzoek dat hiervoor nodig is, kunnen aan de ontwikkeling regels worden verbonden ter behoud van belangrijke archeologische waarden. Deze kunnen bestaan uit technische aanpassingen of een veiligstellende opgraving. Het archeologisch vooronderzoek kan hiertoe worden uitgebreid met een al dan niet gecombineerd karterend en waarderend onderzoek, zodat op basis van de KNA waarderingssystematiek een waardestelling kan worden opgemaakt.

6

6. Landschap, geomorfologie en bodem Archeoregio

Hollands veen- en kleigebied

Geomorfologie

Bebouwd; mogelijk stroomrug

Maaiveld

1,0 m +NAP

Bodem

Bebouwd; mogelijk poldervaaggronden

Grondwater

Onbekend

Landschapsgenese Het plangebied ligt in het Midden-Nederlandse rivierengebied in het stroomgebied van de Rijn (Berendsen, 2005). Reeds in het midden van de laatste ijstijd (het Weichselien, vanaf 50000 tot 15000 jaar geleden) maakte dit gebied deel uit van een brede riviervlakte, waarbinnen de riviergeulen in een verwilderd (“vlechtend”) patroon verspreid lagen. Door deze geulen werd grof zand en grind afgezet, dat geologisch gezien wordt gerekend tot het Formatie van Kreftenhe ye (De Mulder e.a., 2003). Deze Formatie bevindt zich op een diepte van 8,60 m -NAP volgens een geologische boring op 100 m ten oosten van het plangebied (bron: www.dinoloket.nl; boring B38B1951, 119.690, 448.816 (RD)). De aanwezigheid van grof zand en grind wijst op hoge stroomsnelheden en sterke variaties in de (piek)afvoer (als gevolg van grote hoeveelheden (smelt)water). Op andere momenten lag de bedding van de riviervlakte langere perioden droog. Vanuit de drooggelegen vlakte kon fijner rivierzand door sterke winden worden verstoven, dat vervolgens langs de randen van de riviervlakte tot afzetting kwam. Daar konden op grote schaal rivierduinen ontstaan (Berendsen, 200 5). Vanaf 15000 jaar geleden begon dit beeld enigszins te veranderen aangezien toen het klimaat geleidelijk begon te verbeteren.

In eerste instantie was sprake van enkele relatief kortdurende warmere perioden (respectievelijk het Bølling- en Allerød-interstadiaal, 15900 tot 15000 v. Chr. en 14800 tot 13400 v.Chr.). Gedurende deze oplevingen nam de vegetatie toe en werd de afvoer van rivierwater beter verdeeld. De riviergeulen begonnen te kronkelen (meanderen) en sneden zich in in de riviervlakte, waardoor langzamerhand een rivierdal ontstond. In het dal werd tijdens overstromingen zogenaamd “Hochflutlehm” afgezet, ook wel bekend als het Laagpakket v an Wijchen (De Mulder e.a., 2003; Bennema en Pons, 1952). Pas vanaf 9600 v.Chr., in het Holoceen, zette de verbeterde klimaatsomstandigheden definitief door, waardoor de toenemende vegetatie de verstuivingen van rivierzand aan banden legde en de oevers van de rivieren door de alsmaar kleiner wordende verschillen in afvoer zich stabiliseerden. Door de stabiele oevers traden de rivieren alleen nog bij hoogwater buiten de oevers. De klei, die toen bij hoogwater buiten de rivieren werd afgezet, wordt eveneens gerekend tot het Laagpakket van Wijchen. Deze laag ligt volgens de eerder genoemde boring op 8,50 m -NAP (www.dinoloket.nl).

De zich insnijdende meanderende rivieren gingen onder invloed van een voortdurend stijgend e zeespiegel in het Holoceen over in accumulerende meanderende rivieren, die meermalen hun loop verlegden en daardoor verschillende stroomgordels ontwikkelden. Hierdoor vond in het grootste deel van het rivierengebied afzetting plaats van zand (beddingafzettingen), zandige klei (oeverafzettingen) en zware klei (komafzettingen), die werden afgewisseld door veen. Daarbij werden de oudere afzettingen door jongere begraven. Het moment waarop dit optreedt, hangt af van de ligging van de zogenaamde terrassenkruising (Berendsen & Stouthamer, 2001). De te rrassenkruising is het punt waarop de netto insnijding overgaat in een netto accumulatie van sediment (Berendsen, 2005). De ligging van dit punt ligt niet vast maar is afhankelijk van het debiet, de sedimentslast van een rivier en de stijging c.q. daling van de zeespiegel. Berendsen en Stouthamer (2001) vermoeden dat de 7

terrassenkruising rond 6400 v. Chr. in de omgeving van Oudewater heeft gelegen. Daarna raakten de Laat-Pleistocene en Vroeg-Holocene afzettingen afgedekt met holocene rivierafzettingen en kon veenvorming optreden op de plekken die verder verwijderd van een rivier lagen. Uiteindelijk raakte het volledige laat-pleistocene dal opgevuld met holoceen sediment en konden rivieren buiten het oude rivierdal treden. Geologie Volgens boring B38B1951 uit het Dinoloket van TNO liggen in het plangebied kleiafzettingen van de Formatie van Echteld aan het maaiveld (0,0 – 2,4 m -Mv; 0,5 – 1,9 m -NAP). Deze worden drie keer onderbroken door veenlagen, behorende tot de Formatie van Nieuwkoop (lagen tussen de 1,90 – 4,00 m -NAP; 6,30 – 6,50 m -NAP; 7,10 – 7,80 m -NAP). Uiteindelijk bevindt zich de Basisveenlaag op 8,20 m -NAP, die zich op afzettingen van de Formatie van Kreftenheye heeft gevormd (bron: www.dinoloket.nl; boring B38B1951, 119.690, 448.816 (RD), zie ook voorgaande paragraaf “landschapsgenese”). Geomorfologie Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied in een bebouwd gebied en mogelijk op een stroomrug (code 3B44, bijlage 3). Deze stroomrug is tevens gekarteerd op de geomorfologische kaart van Cohen e.a. (2012) en betreft de Hollandse IJssel. Deze stroomrug was actief tussen 200 na Chr. en 1350 n. Chr, toen deze waarschijnlijk is ingedamd.

Tegenwoordig loopt hier nog steeds water, maar vormt het een gracht. De stroomrug van de Hollandse IJssel ligt op een oudere stroomrug, de Lange Linschoten, die actief was tussen 450 voor Chr. en 250 na Chr. Waarschijnlijk heeft de jongere stroomrug deze afzettingen geërodeerd. Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Op basis van het AHN valt af te leiden dat het maaiveld in het plangebied op 1,0 m +NAP ligt (bron: www.ahn.nl; versie 4; bijlage 4). Het maaiveld binnen het plangebied is relatief vlak en vertoont weinig verschillen. In de omgeving van het plangebied verschilt de hoogte van het maaiveld sterk. Zo is het maaiveld ter plaatse van de stroomrug 0,5 m +NAP buiten de historische kern van Oudewater, terwijl het omliggende gebied rond de 1,5 m -NAP ligt. Ter plaatse van de historische kern ligt het maaiveld tussen de 1,3 – 2,6 m +NAP. Dit hoogteverschil is waarschijnlijk afkomstig door een combinatie van de stroomrug in de ondergrond van het plangebied en de ophogingslagen die te verwachten zijn in een historische kern. Bodem en grondwatertrap Op de bodemkaart is het plangebied als bebouwd gekarteerd, maar hieromheen liggen poldervaaggronden (kaartcode Rn47C, bijlage 5). Deze gronden zijn over het algemeen kalkloze, sterk zandige kleigronden met een grijze, door oxidatie rood-gevlekte ondergrond, die niet slap is.

Daarbij worden ze gekenmerkt door een grijze humusarme bovengrond. Poldervaaggronden zijn wijd verbreid en komen over het algemeen veel in westelijk Nederland voor (De Bakker, 1966). De grondwatertrap in het plangebied is eveneens onbekend, maar op basis van de informatie in de omgeving van het plangebied is een grondwatertrap IV te verwachten. Dit houdt in dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) binnen 40 cm -Mv voor kan komen. De gemiddeld laagste grondwaterstand (GHG) ligt daarentegen tussen de 80-120 cm -Mv liggen. De wisselingen in grondwaterstanden leiden ertoe dat organische resten, zoals bot- of plantenmateriaal, binnen 120 cm -Mv worden aangetast als gevolg van oxidatie. Binnen 120 cm -Mv kunnen wel anorganische resten, zoals vuursteen en aardewerk, of verbrande organische resten worden aangetroffen. Beneden 120 cm -Mv kunnen daarnaast theoretisch gezien ook onverbrande organische resten worden aangetroffen.

8

Het is mogelijk dat de grondwaterstand niet accuraat is door de ligging van het plangebied in de historische kern van Oudewater. Op basis daarvan en het AHN ligt het plangebied hoger dan de omgeving, waardoor de waterstand waarschijnlijk lager uitvalt dan op basis van het bovenstaande.

9

7. Beschrijving bekende archeologische kenmerken Wettelijk beschermd monument

Nee

AMK terrein

Ja, 12020

Verwachting gemeentelijke kaart

Hoge waarde

Archeologische waarden en/of informatie

Nee

Wettelijk beschermde status Het plangebied heeft volgens het centraal archeologisch informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geen archeologisch wettelijk beschermde status. Het is echter wel opgenomen op de Archeologische MonumentenKaart (AMK). Dit betreft AMK-terrein 12020, dat de historische kern van Oudewater omvat. De stadskern is gedateerd tot de Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd en is tevens een beschermd stadsgezicht. De Linschoterpoort, die zich op 30 m ten zuidoosten van het plangebied zou hebben bevonden, was een kasteel tussen 1533 – 1585. Het is echter niet duidelijk of er nog resten van te vinden zijn. Op basis van de ligging binnen de historische kern van Oudewater heeft het plangebied ook een hoge archeologische waarde toegekend gekregen op de gemeentelijke beleidskaart. Bekende archeologische waarden In het plangebied zijn voor zover bekend in het verleden geen archeologische waarnemingen gedaan en heeft in het verleden niet eerder onderzoek plaatsgevonden. In de omgeving van het plangebied is wel informatie bekend. Normaliter wordt er een onderzoeksgebied met een straal van 500 meter aangehouden binnen een soortgelijk onderzoek.

Door de grote hoeveelheid onderzoeken binnen dit gebied is er besloten om de focus te leggen op onderzoeken die eveneens binnen de historische kern van Oudewater vallen binnen een straal van 200 meter. Dr. Plesmanplantsoen, achter Amsterdamse Veer 3 en 4 (onderzoeksmelding 2191247100) Op 5 m ten westen van het plangebied heeft een archeologische begeleiding plaatsgevonden ten behoeve van graafwerkzaamheden in het gebied. Op basis van een eerder uitgevoerd bureauonderzoek (onderzoeksmelding 2105192100) was hier een archeologische verwachting op archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Tevens was er een verwachting voor de bijbehorende nederzetting van de vestingwerken van de Linschoterpoort, die in 1575 verwoes t was door Spanjaarden. Het was mogelijk om slachtoffers die in ‘den haversack’ waren begraven hier aan te treffen (Blom en Nijdam, 2007). Tijdens de begeleiding zijn twee ophogingslagen aangetroffen onder de bouwvoor. De bovenste had een dikte van 50 cm e n de onderste had een dikte van 50 – 100 cm. Beiden zijn gedateerd tot de 16 e eeuw op basis van de vondsten die ze bevatten. Tevens werd er een greppel in het gebied aangetroffen (Williams en Zandboer, 2008). Amsterdamse Veer 5 (onderzoeksmelding 2122112100) Op 30 m ten westen van het plangebied heeft in het kader van sloop- en nieuwbouwplannen een archeologisch vooronderzoek plaatsgevonden.

Op basis van het bureauonderzoek was er een hoge verwachting voor archeologische resten uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd. Tijdens het milieukundig bodemonderzoek zijn de boringen eveneens archeologisch beschreven en is er sprake van een recente verstoring van 40 – 90 cm -Mv. Hieronder bevinden zich puinhoudende lagen (matig tot uiterst) tot een maximale diepte van 1,5 m -Mv. Tevens zijn er in deze lagen fosfaatvlekken en dierenbotten aangetroffen. De ongeroerde grond (oeverafzettingen van Hollandse IJssel) is aangetroffen op 1,3 – 1,5 m -Mv (De Groot en Huizer, 2007).

10

Stratenpatroon Binnenstad Oudewater (onderzoeksmelding 4809232100) Ter plaatse van het stratenpatroon in de binnenstad van Oudewater heeft een grootschalig bureauonderzoek plaatsgevonden. De dichtstbijzijnde wegen, die in het onderzoek vallen, zijn de Biezenpoortstraat en de Amsterdamse Veer. Dit onderzoek heeft een gespecificeerde archeologische verwachting vastgesteld voor de historische kern van Oude water en is als volgt: • Paleolithicum – Mesolithicum: lage verwachting door de diepte van de relevante afzettingen •

en de mogelijk erosieve werking van de latere riviergeulen. Neolithicum – Bronstijd: lage verwachting door de afwezigheid van veenrivieren in het

•

gebied. IJzertijd – Late Middeleeuwen A: hoge verwachting door de locaties van stroomgordels in het

•

gebied (met name voor de oeverafzettingen) en het feit dat Oudewater diende als ontginningsbasis in de Late Middeleeuwen. De diepte van dit archeologisch niveau varieert sterk van 0,3 m -Mv buiten de oude stad tot ongeveer 3,0 m -Mv in de hoogste delen van de oude stad. Late Middeleeuwen B – Nieuwe Tijd: zeer hoge verwachting voor archeologische resten uit deze periode. Deze kunnen plaatselijk zeer ondiep voorkomen ofwel direct onder de bestrating. Relevant voor het plangebied aan Dr. Plesmanplantsoen 6 is de melding dat een gedeelte van de noordelijk stad in de 16 e eeuw is gesloopt ten behoeve van de bouw van vestingwerken. Ter plaatse worden hier ook vestingwallen verwacht (zie ook bijlage 6).

Tussen de Biezenpoort en de Goudse poort (vondstmelding 2834347100) Deze vondstmelding betreft de funderingen van kloosterstenen ter plaatse van het gebied tussen het Dr. Plesmanplantsoen en de Amsterdamse Veer. Deze funderingen zijn aangetroffen in 1950 e n door de toenmalige ROB onderzocht. Ze behoren waarschijnlijk tot de oudste stenen omwalling van de stad, die is gebouwd in 1321. De muur had een bochtig verloop en was slecht 65-70 cm dik bij de voet. Tussen de twee poorten zijn op oude kaarten vier halfronde bastions of rondelen zichtbaar. Binnen één van deze rondelen kon worden opgegraven, waarna bleek dat de doorsnede binnenwerks 3,3 m bedroeg met een muurdikte van circa 80 cm. Niet ver boven de waterlijn van de gracht waren drie schietgaten aangebracht. In de jaren zeventig van de 16 e eeuw heeft men achter de muur een aardwerk opgeworpen. De schietgaten werden daarbij opgevuld met gele IJselsteentjes. In de rondelen werd, 1,4 m boven het oude maaiveld, een vloer van IJsselsteentjes gelegd. Tijdens het beleg van 1575 bleek de verzwaarde muur niet bestand tegen de beschietingen; mogelijk is de muur toen al achterwaarts gaan hellen. In 1671-1672 is een nieuwe omwalling aangelegd, die de oude afdekte (De Boer, 2020 naar Halbertsma, 1950).

Biezenstraat 2 (onderzoeksmelding 4872064100 en 5077334100) Op 180 m ten zuidwesten van het plangebied heeft hier een archeologische begeleiding plaatsgevonden nadat uit het bureauonderzoek bleek dat men hier sporen van erfinrichting aan kon treffen. Op basis van de historische kaarten heeft hier ook een baanschuur (gerelateerd aan de touwslagerijen in Oudewater) gestaan. Uit de resultaten van de begeleiding blijkt in het gebied een 2 m dikke, puinhoudende kleilaag aanwezig te zijn dat op de natuurlijk ondergrond, bestaande uit veen en klei, ligt. In het gebied is tevens een muur aangetroffen, die bestaat uit geel baksteen met witte kalkmortel. Het is gedateerd tot de 16 e eeuw (Geerts, 2021). Lange Burchwal 61 (onderzoeksmelding 2224838100 en 4557533100) 200 m ten zuiden van het plangebied heeft eveneens een archeologische begeleiding plaatsgevonden na vooronderzoek. Het bureauonderzoek is niet openbaar raadpleegbaar in Dans Easy of Archis. De resultaten van het veldonderzoek echter wel. Hieruit blijkt dat er met name sporen van bewoning zijn aangetroffen in de vorm van muren, haarden en vloeren. De oudste sporen zijn mestkuilen, die duiden

11

op een agrarisch gebruik van het terrein in de 14 e eeuw. De bewoningslagen zijn te dateren tot de 15 e – 17 e eeuw (Kenemans en Peters, 2020). Op basis van bovenstaande onderzoeken zijn er in het plangebied ophogingslagen te verwachten, die bestaan uit puinhoudend klei. De dikte van deze lagen kan variëren tussen de 1,5 en 3,0 m. De dichtstbijzijnde ophogingslagen, uit het onderzoek aan de Amsterdamse Veer 5, dateren tot de 16 e eeuw. Waarschijnlijk behoren de ophogingslagen in het plangebied tot dezelfde periode, alhoewel een eerdere of latere datering mogelijk blijft. Daarnaast blijkt uit de onderzoeken dat op basis van de historische kaarten te bepalen is of er funderingsresten van bebouwing of muren aanwezig zullen zijn in het gebied. Vaak bevestigt het veldonderzoek de aanwezigheid van de historische bebouwin g die op basis van het bureauonderzoek getheoretiseerd was. Het bijzondere voor het plangebied aan de Dr. Plesmanplantsoen 6 is dat er mogelijk resten van vestingwerken aanwezig zijn, getuige de opgegraven muren tussen de Biezenpoort (ten westen van het plangebied) en de Goudsepoort (ten zuiden van het plangebied). Deze kunnen bestaan uit een aarden wal, maar ook ondoordringbare puinlagen (funderingen).

12

8. Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen Cultuurhistorische elementen

Ja, vestingmuur (aardwal of mogelijk steen)

Aard historisch landgebruik

Bebouwd gebied

Historische bebouwing aanwezig

Ja

Bebouwing van cultuurhistorische waarde

Nee

Huidig gebruik

Woning met tuin

Bodemverstoringen

Bouw huidige woning Bouw en sloop voormalige bebouwing

Het grondgebruik, dat over de jaren heen in het plangebied heeft plaatsgevonden, kan zijn sporen in de ondergrond hebben achtergelaten. Enerzijds herbergen oude kaarten informatie omtrent voormalig landgebruik die inzicht kan geven in de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen (bijvoorbeeld historische boerenplaatsen en wegen), maar anderzijds ook in de negatieve effecten, die landgebruik op de oorspronkelijke bodem heeft gehad (en daarmee op eventueel aanwezige archeologische resten). Met dit laatste wordt niet alleen gedoeld op omwerking van de bodem door omwoeling, egalisatie, ontgraving en sanering, maar ook ophoging en ontwatering die kunnen hebben geleid tot verkleuring, verdroging en verstikking van de bodem. Historische achtergronden van het cultuurlandschap en -situatie De historische en historisch-geografische ontwikkeling van de directe omgeving van Oudewater, waaronder die van het plangebied, hangt zeer nauw samen met de aanwezigheid van de Ho llandse IJssel en de ontginningsgeschiedenis van het gebied. In het geval van Oudewater is er al bewoning aan de Lange Linschoten sinds de 11 e eeuw n. Chr. De ontginning is in dezelfde periode al reeds begonnen vanaf de oevers van de Hollandse IJssel. Ze kwamen echter pas echt op gang toen in de 13 e eeuw de dijken langs de IJssel werden verstevigd (Van den Ende, 2015; Blijdenstijn, 2015).

Het plangebied bevindt zich in de historische kern van Oudewater, dat voor het eerst genoemd wordt in 1239. In 1265 kreeg Oudewater van de bisschop van Utrecht stadsrechten, waarna de nederzetting verder uitgroeide. Rond de stad werden vermoedelijk verdedigingswerken aangelegd, die in eerste instantie bestaan zullen hebben uit een aarden wal en een gracht. Hiervan is echter tot op heden geen historisch of archeologisch bewijs. Vanaf 1321 werden rond de stad stadsmuren aangelegd (Geschiedkundige Vereniging Oudewater). Volgens een lijst uit 1419 waren er rond de stad diverse verdedigingswerken (De Boer, 2020 naar Van Riemsdijk 1377 – 1428). De ligging van het plangebied in de historische kern van Oudewater valt af te leiden uit historische kaarten. Op de oudst geraadpleegde kaart, een kaart van de hand van Jacob van Deventer (circa 1560), is dit goed te zien (figuur 2). Tevens is de ligging van het plangebied ter plaatse van de vestingwerken op te maken uit de militaire kaarten van latere datum (figuur 3 – 5). De georeferentie van deze kaarten is niet geheel accuraat, waardoor de precieze locatie van het plangebied ten opzichte van de vestingwerken kan afwijken. Het is echter wel waarschijnlijk dat er resten van de werken zich in de oostelijke helft van het plangebied bevinden en mogelijk ook in het noorden van het plangebied.

Dit betekent ook dat hier funderingen van deze mure n in het plangebied verwacht worden. Tot de kaarten uit de 19 e eeuw is er geen bebouwing ingetekend in het plangebied. Er verschijnt een gebouw op de kaart uit 1880 (figuur 6) en het is mogelijk dat deze al aanwezig is op de kaart uit 1850 – 1864. Het gebouw is weer verdwenen op de kaart uit 1920 (figuur 7). Vervolgens verandert de omgeving van het plangebied zeer snel (figuur 7 – 8). De gracht is grotendeels gedempt tussen 1920 – 1940; er loopt enkel nog een sloot ten noorden van het plangebied. De weg 13

langs het plangebied is doorgetrokken richting het oosten en er zijn meerdere huizen bijgebouwd. In 1962 verschijnt opnieuw bebouwing in het gebied. Dit is de huidige bebouwing, die is gebouwd in 1950 (bron: bagviewer.kadaster.nl). Militair Erfgoed Op de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) is het plangebied niet aangeduid als aandachtsgebied. Ook zijn er geen verwachtingen op militaire objecten, raketinslagen of aan de Wereldoorlogen gerelateerde verschijnselen (bronnen: www.ikme.nl; www.vergeltungswaffen.nl, www.bunkerinfo.nl; www.tracesofwar.com, www.explosievenopsporing.nl). Volgens de Kaart van Verdedigingswerken zijn er daarentegen veel archeologische resten van oudere herkomst binnen het plangebied te verwachten (bron: www.cultureelerfgoed.nl). De vroegste resten stammen uit de Late Middeleeuwen – Vroege Nieuwe Tijd, en betreffen de eerste muren van Oudewater (zie ook de historische kaarten). Op basis van eerder archeologisch onderzoek kan dit ook muur-gerelateerde resten betreffen uit de 14 e eeuw (De Boer, 2020). Daarnaast maakte Oudewater deel uit van de Oude Hollandse Waterlinie (1629 – 1787) en is hier getuige de verwoesting van de Linschoterpoort (1575) ook gevochten (Williams en Zandboer, 2008). De vestingwerken hebben verscheidene renovaties gehad. Zo is in de 16 e eeuw het een en ander verbouwd ter plaatse van het plangebied (De Boer, 2020).

In het midden van de 18 e eeuw werden met name de poorten verbeterd, hoewel de Biezenpoort gesloopt werd. Tussen 1821-1880 zijn alle poorten afgebroken door de gemeente Oudewater. Aan de (aard)wallen van de stadsmuur is niet veel gedaan, behalve mogelijke ophogingen ten behoeve van extra versteviging (www.geschiedkundigeverenigingoudewater.nl). Huidig gebruik en bodemverstoringen Het plangebied is ten tijde van het onderzoek gedeeltelijk bebouwd en verder verhard met ofwel beton ofwel stoeptegels. Deze bebouwing is gebouwd in 1950. Bouwtekeningen zijn echter niet geraadpleegd, aangezien deze niet beschikbaar waren bij de opdrachtgever. In het gebied is tevens een gasleiding aangelegd, wat de bodem verstoord zal hebben (max. 2 m -Mv; zie bijlage 7). Door de opdrachtgever is er mondeling toegedeeld dat het gebouw waarschijnlijk gefundeerd is met een betonplaat (circa 50 cm -Mv) en dat er een aantal toevoegingen zijn gedaan aan het gebouw die mogelijk de bovengrond hebben verstoord. Het gaat hierbij met name om de bouwvoor. Daarnaast zou er in het midden van het plangebied een kleine, ondiepe vijver hebben gelegen . In het bodemloket zijn er geen saneringen of andere mogelijke grondverstoringen bekend (www.bodemloket.nl).

14

Figuur 2: Uitsnede van de kaart van Van Deventer (1560; bron: www.geschiedkundigeverenigingoudewater.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.

Figuur 3: Uitsnede van de een manuscriptkaart uit 1698, gemaakt door Paen, genesis. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.nationaalarchief.nl).

15

Figuur 4: Uitsnede van een topografische militaire kaart uit 1723, gemaakt door J.P. Prevost (bron: www.nationaalarchief.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.

Figuur 5: Uitsnede van een topografische militaire kaart uit 1850 – 1864, maker onbekend (bron: www.nationaalarchief.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.

16

Figuur 6: Uitsnede van een topografische kaart uit 1880 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.

Figuur 7: Uitsnede van een topografische kaart uit 1920 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.

17

Figuur 8: Uitsnede van een topografische kaart uit 1940 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.

Figuur 9: Uitsnede van een topografische kaart uit 1962 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.

18

Figuur 10: Uitsnede van een topografische kaart uit 1980 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.

Figuur 11: Uitsnede van een luchtfoto uit 2019. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.pdok.nl).

19

9. Gespecificeerde archeologische verwachting Het plangebied ligt in de historische kern van de vestingstad Oudewater. Uit het bureauonderzoek blijkt dat dit gebied al bewoond is sinds de 11 e eeuw n. Chr. en op de oeverwallen van de stroomruggen van de Lange Linschoten en de Hollandse IJssel ligt. Deze oeverwallen dienden als ontginningsbasis voor het omliggende gebied. In de 14 e eeuw werd Oudewater ommuurd, waardoor het plangebied sindsdien waarschijnlijk officieel binnen de kern valt. Op basis van historische gegevens (zie H7 en H8) is deze muur een aantal keer verbouwd, onder andere in de 16 e eeuw. Het plangebied ligt volgens de historische kaarten gedeeltelijk op deze vestingmuur en de aard wal die ter versteviging was aangelegd aan de binnenzijde van de muur. De verwachting op archeologische resten in relatie tot dit bouwwerk is zeer hoog. De verwachting voor andere archeologische resten, zoals beerputten en dergelijk, uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd is eveneens hoog door de nabijheid van bebouwing uit die perioden. In de periode IJzertijd – Vroege Middeleeuwen is de verwachting middelhoog. Het plangebied is dan naar alle waarschijnlijkheid gelegen op de oeverwallen van de Lange Linschoten stroomrug, die later een zijtak van de Hollandse IJssel vormt. Oeverwallen waren zeer aantrekkelijk voor bewoning.

Het is mogelijk dat de Hollandse IJssel de oeverwallen van de Lange Linschoten heeft geërodeerd . De verwachting voor resten uit de perioden Neolithicum – Bronstijd is laag door de afwezigheid van veenrivieren in dit gebied. Wat betreft de periode Laat Paleolithicum – Mesolithicum bevinden zich mogelijk archeologische resten in de top van de afzettingen van Kreftenheye. Op basis van een geologische boring in de omgeving van het plangebied liggen deze afzettingen echter op 8,5 m -NAP en zodoende is dit niveau verder buiten beschouwing gelaten. Stratigrafische positie Archeologische resten uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd kunnen vanaf het maaiveld aanwezig zijn. Voor de oeverafzettingen geldt dat deze zich onder de ophogingslagen van de oude kern bevinden, die een dikte van 3 meter kunnen bereiken. Dit niveau bevindt zich rondom het plangebied op 1,25 – 1,50 m -Mv en dit is waarschijnlijk hetzelfde in het plangebied. Complextypen In het plangebied worden resten van de vestingmuur van Oudewater verwacht, die zich kunnen kenmerken door een ophogingslaag (aardwal) of stenen funderingen afhankelijk van de locatie. Daarnaast zullen er cultuurlagen aanwezig zijn, die zich kenmerken door afvalresten in de vorm van aardewerk of baksteenpuin. Ook kunnen in deze lagen grondsporen aanwezig zijn als onderdeel van een erf, zoals afval- en beerkuilen en waterputten.

Het is niet aannemelijk, op basis van de historische kaarten, dat men naast deze muren heeft gewoond en zodoende worden er geen resten van bebouwing gerelateerd aan huizen verwacht uit de periode Nieuwe Tijd. In het plangebied kunnen daarnaast nederzettingssporen worden aangetroffen van eerdere perioden in de vorm van verhoogde huisplaatsen (boerderijen). De gespecificeerde archeologische verwachting is nader weergegeven in onderstaande tabel 1. Prospectiekenmerken en zoekstrategie Op basis van de tijdens het bureauonderzoek verworven resultaten is het in eerste instantie de vraag in hoeverre in het plangebied nog archeologisch relevante niveaus aanwezig zijn. Dit is bepalend voor het vaststellen van de archeologische verwachting. Om dit te kunnen toetsen, dient de lithologische opbouw van de ondergrond en de mate van intactheid van de bodem te worden vastgelegd. Dit kan plaatsvinden door middel van een verkennend booronderzoek. Op grond van dit onderzoek kan dan een uitspraak worden gedaan of en in hoeverre archeologische resten te verwachten zijn. 20

Tabel 1: Gespecificeerde archeologische verwachtingstabel

Archeologische verwachting

Reden

1

Datering

2

Complextype

Resten bevinden zich in de top van rivierafzettingen op een zeer grote diepte (8,5 mNAP). Zodoende is het niveau verder buiten beschouwing gelaten. Laag Neolithicum – Bronstijd Geen veenrivieren aanwezig in het gebied Middelhoog IJzertijd – Vroege Middeleeuwen Het plangebied lag op de oeverwallen van de Lange Linschoten, die later een zijtak van de Hollandse IJssel vormt. Deze gebieden vormden de droge gebieden binnen het rivierenlandschap en waren aantrekkelijk voor bewoning. Mogelijk heeft de jongere stroomrug de oudere afzettingen geërodeerd. Zeer hoog Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd Het plangebied ligt in de historische kern van Oudewater, ontstaan in de 11 e eeuw na Chr. De oostelijke helft en mogelijk noordelijke helft bevatten waarschijnlijk de funderingen van een vestingmuur of aardwal die daarbij hoort. Vestingmuur, aardwal, nederzettingen, huisplaatsen, sporen van landgebruik, water-gerelateerde resten.

3 4

Omvang Diepteligging

500-2000 m2 (omvang huisplaats, algemeen) Vanaf maaiveld (cultuurlagen); 1,5 m -Mv (oeverafzettingen)

5

Gaafheid en conservering

-/+

6

Locatie

7

Uiterlijke kenmerken (artefacten en type indicatoren) Mogelijke verstoringen

8

Onbekend

Laat-Paleolithicum-Neolithicum

Het is onbekend hoeveel van de vestingmuur is opgebouwd uit steen en hoeveel uit een aardwal. Mogelijk is een gedeelte afgebroken of afgegraven toen de poorten werden afgebroken. Vestingmuur: noorden en oosten van het plangebied. Cultuurlaag: gehele plangebied Vindplaatsen kenmerken zich naar verwachting door vondsten, cultuurlagen of puinlagen. De huidige bebouwing (diepte onbekend) en de aanleg van een gasleiding.

21

10. Resultaten veldonderzoek Onderzoeksmethodiek Het doel van het booronderzoek is het toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting in het plangebied, zoals deze is opgesteld in Hoofdstuk 9. Hiertoe is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd (conform het opgestelde Plan van Aanpak; Korver, 2022). De boringen zijn daarbij gebruikt om zowel de mate van intactheid van de bodem als de bodemopbouw zelf te bepalen. In totaal zijn in het plangebied vier boringen gezet (boring 1-4). De boringen hebben een diepte tot maximaal 280 cm –Mv en zijn handmatig gezet met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. Beneden de grondwaterspiegel (circa 150 cm -Mv) is gebruik gemaakt van een gutsboor met een diameter van 3 cm. De boringen zijn beschreven volgens de NEN5104 en de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB; SIKB 2008). Deze beschrijvingen zijn terug te vinden in bijlage 12. De boringen zijn gelijkmatig in het plangebied uitgezet, op de onverharde terreindelen binnen het gebied. Het meest westelijk deel was bebouwd. Daar was het niet mogelijk handmatig een boring uit te voeren. De ligging van de boringen is opgenomen in bijlage 7. De coördinaten van de boorpunten zijn met een meetlint uitgezet en de hoogte is aan de hand van het AHN bepaald.

Veldwaarnemingen Ten tijde van het veldonderzoek was het plangebied gedeeltelijk bebouwd met een woning. Hier zijn tevens twee schuren aanwezig, één ten zuiden van de woning en één ten noorden van de woning. Bijna het gehele plangebied is verhard, met als uitzondering de groenstrook die langs het hek aanwezig is in het noorden en oosten van het gebied. Het terras ter plaatse van boring 2 ligt ongeveer 30 cm lager dan de rest van het plangebied. Foto’s van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek zijn weergegeven in figuur 10.

Figuur 12: Foto's van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (09-03-2022).

22

Bodemopbouw en lithologie De natuurlijke ondergrond, de verwachte oeverwallen van de Hollandse IJssel, is niet bereikt. Boring 1 – 3 zijn gestaakt in een ondoordringbare puinlaag op een diepte van 225 – 280 cm -Mv (1,40 – 2,00 m NAP). Op het puin zijn meerdere ophogingslagen aanwe zig die zich opstapelen tot aan de bouwvoor. De bouwvoor is 45 – 55 cm dik en bevat plastic. Het is mogelijk om drie ophogingslagen te onderscheiden in boring 1 – 3 op basis van verschil in kleur en met name inhoud: • 45 – 100 cm -Mv: een sterk zandige kleilaag, die zeer stevig is en (donker)bruin van kleur. Het bevat veel witte kalkmortel (boring 3) en rood bouwpuin. Het puin is afgerond en ‘zacht’.2 • 100 – 160 cm -Mv: een sterk zandige kleilaag, die zeer stevig is en bruin tot grijsbruin van kleur. Deze laag bevat veel oranje ‘zacht’ bouwpuin. • 145 – 280 cm -Mv: een sterk zandige kleilaag, die zeer stevig is en (donker)bruingrijs van kleur. Deze laag bevat veel geel en oranje ‘zacht’ bouwpuin. Het bevat tevens veenbrokken, die soms zeer groot kunnen zijn. Wat eerst als veenlaag was bestempeld in boring 2, kunnen ook brokken zijn. • 225 – 280 cm -Mv: puin. In boring 1 is een beetje naar boven gehaald. Dit is oranje van kleur en betreft zeer afgeronde brokken. Alle ophogingslagen bevatten ook houtskool (spikkels tot kleine brokjes (max.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/645/documents/19831