Toelichting Omgevingsplan Kroezendijk to 5 Sinderen01072025.pdf
Tekst van het document
Asra Advies: Probleem/Vraag. Onderzoek. Oplossing. Voor alles in Omgevingsrecht
32 van 54
ASRA ADVIES 3.4.6. WELSTANDSNOTA Op 19 september 2013 heeft de gemeenteraad de herziene welstandsnota goedgekeurd, die op 20 september 2013 in werking is getreden. De welstandsnota (ook wel bekend als de Nota Ruimtelijke Kwaliteit) wordt gebruikt als leidraad bij de beoordeling van bouwplannen waarvoor een vergunning is aangevraagd. Toetsing Welstandsnota De planlocatie valt in welstandsniveau 2 en het betreft bestaande bebouwing. Bij de aanvraag omgevingsvergunning zal ook de toetsing vanwege welstand plaatsvinden. Gezien het feit dat het een bestaande bebouwing betreft en er verder geen werkzaamheden aan de gevels zullen plaatsvinden, kan worden geconcludeerd dat het plan geen belemmeringen zal ontmoeten vanuit dit aspect.
3.4.7. UITNODIGINGSKADER WONEN BUITENGEBIED GEMEENTE OUDE IJSSELSTREEK Het “Uitnodigingskader wonen buitengebied gemeente Oude IJsselstreek” heeft tot doel om te voldoen aan de behoeften van de samenleving voor wonen in landelijke gebieden. Het nieuwe beleid is flexibeler dan het vorige en biedt ruimte voor ongeveer 80% van de initiatieven via standaard beleid. Voor initiatieven die niet binnen het standaard beleid passen, biedt het kader maatwerkopties. Het kader wil voorkomen dat leegstaande gebouwen in landelijke gebieden de leefbaarheid en aantrekkelijkheid verminderen. Dit kan gebeuren door verpaupering, ondermijning en asbestproblemen. Het kader moedigt het gebruik van deze gebouwen aan voor alternatieve doeleinden en geldt niet alleen voor agrarische gebouwen. Kwaliteitsverbetering is een belangrijk uitgangspunt, waarbij elk initiatief de ruimtelijke kwaliteit moet verbeteren, zoals vastgelegd in een erfinrichtingsplan. Dit plan behandelt de erfinrichting, landschappelijke inpassing en beeldkwaliteit van de bebouwing. Er worden verschillende maatregelen genomen om ontwikkelruimte te creëren, zoals sloop van gebouwen en asbesthoudende structuren, evenals de aanleg van landschapselementen. Deze ontwikkelruimte kan worden gebruikt voor woningbouw, zowel op hetzelfde moment als op andere locaties.
Het kader reageert op veranderende woonbehoeften door meer ruimte te bieden voor verschillende soorten woningen in landelijke gebieden, inclusief betaalbare woningen en Tiny houses. Dit draagt bij aan de versterking van de kwaliteit van landelijke gebieden en de invulling van de behoefte aan diverse woonconcepten in deze regio. Landschappelijke inpassing Het kampenlandschap in de omgeving van Terborg, Silvolde, Breedenbroek, Sinderen, Varsseveld, Westendorp en Heelweg oost en west in de Achterhoek wordt gekenmerkt door kleinschalige landbouw. De bebouwing bevindt zich op de hogere delen van dit landschap, die geschikt waren voor akkerbouw. De akkers werden omgeven door houtwallen en houtsingels om ze te beschermen tegen vee en wild, wat bijdroeg aan de kleinschaligheid van het landschap. Door eeuwenlange bemesting met mest en heideplaggen werden de akkers steeds hoger en ontstonden er steile randen. Boerderijen lagen verspreid aan de randen van de akkers, en landbouw bestond uit zowel graanteelt op de akkers als veeteelt langs de beken.
Asra Advies: Probleem/Vraag. Onderzoek. Oplossing. Voor alles in Omgevingsrecht
33 van 54
ASRA ADVIES Het huidige kampenlandschap bevat nog steeds kenmerkende elementen, zoals kleine bosjes, bomenrijen, singels en houtwallen, evenals T-boerderijen met voorhuizen met allure. Het landschap vertoont nog steeds onregelmatige blokvormige verkavelingspatronen, en de afwisseling tussen bouwland en grasland is nog steeds duidelijk zichtbaar. De beken zijn meestal gekanaliseerd. Het kampenlandschap is een karakteristiek en historisch belangrijk onderdeel van de Achterhoekse omgeving. Toetsing Uitnodigingskader wonen buitengebied gemeente Oude IJsselstreek De voorgenomen ontwikkeling betreft deels omzetting van de huidige bestemming naar toekomstige bestemming wonen en gebruik wonen. Analyse vanwege Handelingskader met ontwikkelopgave en oplossingen 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Er zal ontwikkelruimte worden gecreëerd door landschapselementen (hoofdstuk 3.1, blz. 9) Door aanleg van landschapselementen (hoofdstuk 3.5, blz. 10) mag voor elke 100 m 2 aan landschapsinrichting 1 punten worden gerekend; Het betreft een erf in het buitengebied. Totaal zal 473,2 m3 wordt voor wonen gereserveerd en gebruikt, rest van het gebouw is voor het houden van schapen (172,75 m3); Aangezien maximale inhoud onder 500 m3 blijft, moeten 80 punten worden ingezet (hoofdstuk 4.4, blz. 11; Het betreft een bestaand gebouw en er mag gerekend worden met 75% van het totaal (hoofdstuk 4.5 blz. 14); Vorenstaande levert een totaal aantal punten op van 60; Omdat het een nieuw erf betreft (hoofdstuk 4.3, blz. 12) dient per 25m3 te ontwikkelen woongebouw 25 m2 aan landschapselementen worden aangelegd.
De berekening Inhoud woning <500m3 nieuw erf
Punten en/of m2 bestaand gebouw Totaal punten hoeveel m2 landschapelementen Totaal 80 75% 60 6.000 6.000 500 500
Totaal aan landschapselementen
6.500
Afbeelding 1.21: tabel met berekening aantal vierkante meters te ontwikkelen natuur
Asra Advies: Probleem/Vraag. Onderzoek. Oplossing. Voor alles in Omgevingsrecht
34 van 54
ASRA ADVIES Om medewerking te kunnen krijgen voor de voorgenomen ontwikkeling zal 6.500 m2 aan landschapselementen ontwikkelt moeten worden (zie afbeelding hierboven). Een voorstel voor een landschappelijk inrichting van het terrein met landschapselementen is als bijlage opgenomen. Hiernaast is een impressie te zien van de landschappelijke inrichting. De landschappelijke inrichting is opgesteld door de Vereniging Agrarisch Landschapsbeheer (VAL Oude Yssel). Uiteraard is daarbij rekening gehouden met de landschapselementen die passen bij een Kampenlandschap.
Afbeelding 1.22: Schets inrichtingsplan
Afbeelding 1.23: plattegrond van de beoogde woning.
Asra Advies: Probleem/Vraag. Onderzoek. Oplossing. Voor alles in Omgevingsrecht
35 van 54
ASRA ADVIES Naast vorenstaande wordt opgemerkt dat met het creëren van een woning er sprake zal zijn van sociaalmaatschappelijke meerwaarde. Immers er zullen twee personen permanent verblijven, zodat de buren altijd een beroep op ze kunnen doen indien nodig. Ook zijn er al zonnepanelen aanwezig en worden deze uitgebreid. Tevens zal er een warmtepomp en een thuisbatterij worden geïnstalleerd, zie hoofdstuk 2.2.1. De gasaansluiting zal alleen dienen als noodvoorziening en zal mogelijk in de toekomst worden verwijderd. Met de toekenning van de bestemming wonen (deels) wordt voorkomen dat de planlocatie en het gebouw verloederd geraken. Bovendien wordt een kwaliteitsverbetering bereikt en komt de ontwikkeling tegemoet aan hetgeen in het Uitnodigingskader wonen buitengebied gemeente Oude IJsselstreek is gesteld. Toetsing Uitnodigingskader wonen buitengebied gemeente Oude IJsselstreek Met de ontwikkeling van circa 6.500 m2 aan nieuwe landschapselementen die passen in het Kampenlandschap wordt voldaan aan de eisen uit het Uitnodigingskader wonen buitengebied gemeente Oude IJsselstreek. Erfinrichting Voor de erfinrichting zal niet worden afgeweken van hetgeen nu al het geval is. Er zal een oprijlaan zijn met aan weerszijden groen. Aan het einde van de oprijlaan zal het mogelijk zijn om voertuigen te parkeren.
Aan de zijkant van het gebouw waar de schapen worden gehouden, zal wat materiaal te vinden zijn dat noodzakelijk is voor de schapen en onderhoud van het terrein.
Afbeelding 1.24: vergrootte afbeelding van de planlocatie.
Asra Advies: Probleem/Vraag. Onderzoek. Oplossing. Voor alles in Omgevingsrecht
36 van 54
ASRA ADVIES Hieronder zijn afbeeldingen 1.16 en 1.17 van de locatie opgenomen waarop de bestaande bebouwing zichtbaar is.
Afbeelding 1.25: Close-up van de achtergevel
Afbeelding 1.26: foto van zij- en achtergevel
Asra Advies: Probleem/Vraag. Onderzoek. Oplossing. Voor alles in Omgevingsrecht
37 van 54
ASRA ADVIES 4. OMGEVINGSASPECTEN 4.1. BODEM Het beschermen van de bodemkwaliteit is een onderdeel bij de afweging van de aspecten van de fysieke leefomgeving. Ter bescherming van de bodemkwaliteit zijn instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de kwaliteit van de bodem. Onderzoek De gemeente Oude IJsselstreek heeft de Nota bodembeheer en bodemkwaliteitskaart regio Achterhoek 2021 vastgesteld. In de bodemkwaliteitskaart wordt de algemene bodemkwaliteit van een gebied aangegeven. Voor de locatie geldt dat de ontgravingskaart de kwaliteit van de bovengrond (0,0 - 0,5 meter minusmaaiveld) als landbouw/natuur kwalificeert. Dit betekent dat er geen verontreinigingen worden verwacht. Er wordt niets gebouwd. Ook bij het aanplanten zal de grond niet of nauwelijks worden geroerd. Bij het realiseren van de vijver zal grond vrijkomen, echter dat wordt toegepast in de directe omgeving langs de waterkant. Hierdoor is er geen noodzaak aanwezig om een bodemonderzoek uit te voeren voor bodem. Echter door de omgevingsdienst Achterhoek is aangegeven dat er verharding aanwezig is voor het gebouw. Deze verharding is verdacht voor asbest, daarom heeft de omgevingsdienst Achterhoek geadviseerd om een bodemonderzoek naar asbest uit te voeren.
Toetsing bodemkwaliteit Door APS Milieu B.V. is op 10 juni 2025 een bodemonderzoek naar asbest in de verharding uitgevoerd, zie bijlage. Uit dit onderzoek blijkt dat er geen visueel asbestverdacht materiaal op het maaiveld of in het opgegraven puingranulaat is aangetroffen. Ook blijkt dat er analytisch sprake van een gewogen gehalte van 7 mg/kg ds. Dit gehalte ligt ruim onder de samenstellingswaarde (100 mg/kg ds) en ruim onder de toetswaarde voor nader onderzoek (50 mg/kg ds). Deze onderzoeksresultaten vormen geen belemmering voor de functiewijziging van het perceel.
4.2. CULTUURHISTORIE EN ARCHEOLOGIE In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. Maar er zijn ook algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8. Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (artikel 3.7. Bal). Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten en/of cultuurhistorische waardenkaarten (laten) ontwikkelen. De archeologische verwachtingen en cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.
Asra Advies: Probleem/Vraag. Onderzoek. Oplossing. Voor alles in Omgevingsrecht
38 van 54
ASRA ADVIES In de bruidsschat is een algemene vrijstelling van het archeologisch onderzoek opgenomen in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid met een oppervlakte van minder dan 100 m². Gemeenten kunnen hier wel van afwijken door een andere oppervlakte op te nemen. Archeologisch waardenkaart, cultuurhistorische waardenkaart en de erfgoedverordening gemeente Oude IJsselstreek Bij activiteiten waarbij de ondergrond wordt geroerd, moet worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Grootste gedeelte van de locatie is op grond van het (tijdelijke) omgevingsplan (oud bestemmingsplan Buitengebied Oude IJsselstreek 2017) van de gemeente Oude IJsselstreek aangewezen als dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 1”. Dit betekent dat er verplichting tot archeologisch vooronderzoek geldt als de ingrepen groter zijn dan 250m2 en er dieper wordt gegraven dan 30 cm. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt alleen een gedeeltelijke wijziging van bestemming aangevraagd. Er zullen geen activiteiten plaatsvinden waarbij grond geroerd zal worden. Het aanplanten van groen zal niet gebeuren op een diepte van meer dan 30 cm.
Water zal buiten de aangewezen dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 1” worden gecreëerd, waardoor er geen verplichting bestaat tot het uitvoeren van een archeologisch onderzoek. Uiteraard geldt wel de verplichting tot het melden van archeologische toevalsvondsten, zoals in artikel 5.10 van de Erfgoedwet is opgenomen. In voorkomende gevallen zal contact worden opgenomen met de verantwoordelijke medewerker van de gemeente. Cultuurhistorische en landschappelijke waarden Het plangebied is aangewezen als overige zone Houtwal, Reliëf en Zandwegen. Echter bestaand gebouw blijft staan en anders dan interne verbouwingswerkzaamheden, zullen er geen wijzigingen aan het gebouw plaatsvinden. Hiermee is er geen sprake van strijdigheid met hiervoor genoemde aspecten. Ook zijn er in de directe omgeving geen monumenten aanwezig en is er geen sprake van beschermd stads-/dorpsgezicht. Toetsing Archeologie en Cultuurhistorie Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het planvoornemen, omdat er alleen een kikkerpoel wordt gegraven, welke niet dieper zal zijn dan 30 centimeter. Verder zullen er bomen worden geplant, echter dat zal ook in ondiepe grond zijn. Hierdoor is er geen sprake van belemmeringen voor cultuurhistorische en landschappelijke waarden.
Asra Advies: Probleem/Vraag. Onderzoek. Oplossing. Voor alles in Omgevingsrecht
39 van 54
ASRA ADVIES 4.3. NATUUR Ruimtelijke plannen en ingrepen moeten voldoen aan de geldende natuurwet- en regelgeving. Met ingang van 1 januari 2024 wordt de bescherming van natuurwaarden in Nederland geregeld via de Omgevingswet (hierna: Ow). Onder deze wet vallen de bescherming van Natura 2000-gebieden, soorten die genoemd worden in de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn, nationale soorten en houtopstanden. Daarnaast worden natuurgebieden planologisch beschermd via het Natuurnetwerk Nederland (hierna: NNN). Stikstof en Natura 2000-gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, NSG Hetter Millinger Bruck, mit Erweiterung (Duitsland), ligt op circa 8 kilometer van het plangebied. Het Natura 2000-gebied Korenburgerveen ligt op meer dan 16 kilometer afstand. Beide gebieden zijn aangewezen op basis van de Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR). Gezien de grote afstand tot de Natura 2000-gebieden is het maken van Aeriusberekening niet nodig. Bovendien zal alleen bij het aanleggen van de vijver materieel ingezet worden. Het aanplanten van groen gebeurt veelal met de hand of er worden elektrische machines gebruikt. Aan de beoogde woning zullen geen werkzaamheden plaatsvinden waar zwaar materieel bij nodig is. Er wordt dan ook geen depositie van stikstof verwacht bij de Natura 2000-gebieden door dit project.
Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt geheel buiten de grenzen van NNN-gebieden. Gezien de omgevingsverordening Gelderland geen externe werking voor NNN-gebieden kent, is een negatief effect op voorhand uitgesloten. Soortbescherming Voor de beoordeling van mogelijke effecten op beschermde soorten is door Elsken Ecologie op 13 mei 2025 een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De conclusie luidt: “Verblijfplaatsen en/of leefgebied van beschermde vogels, zoogdieren, amfibieën, reptielen vaatplanten, vissen, dagvlinders en/of libellen worden niet negatief beïnvloed door de werkzaamheden die worden verricht in het plangebied en kunnen redelijkerwijs worden uitgesloten op basis van de fysieke kenmerken en/of ligging van het plangebied. Het plangebied ligt niet in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), waardoor negatieve effecten hierop kunnen worden uitgesloten. Het plangebied ligt niet nabij een Natura 2000-gebied en er worden geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen verwacht. Een uitgebreide toetsing in het kader van de Omgevingswet is daarom niet nodig”. Bij werkzaamheden zal een deskundige aanwezig, zodat te allen tijde gegarandeerd is dat soorten niet in het geding zijn.
4.4. GELUID Voor het beschermen van de gezondheid en het milieu staan in het Bkl regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Ook zijn er regels opgenomen voor de bescherming van geluidgevoelige gebouwen. Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend. Asra Advies: Probleem/Vraag. Onderzoek. Oplossing. Voor alles in Omgevingsrecht
40 van 54
ASRA ADVIES Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van “evenwichtige toedeling van functies aan locaties”. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 van de bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn de waarden bepaald (artikel 22.57). Situatie plangebied Deze ontwikkeling gaat uit van een wijziging van een bestaand gebouw met agrarische functie naar een reguliere woonfunctie. Door beperking en omzetting van de agrarische functie naar het hobbymatig houden van schapen wordt een geluidbelastende activiteit planologisch verwijderd. Er wordt een reguliere woning toegevoegd, hetgeen een geluidgevoelig gebouw is/wordt. Geluidgevoelige gebouwen dienen te worden beschermd tegen geluidhinder afkomstig van (spoor)wegen, industrieterreinen en omliggende bedrijvigheid. Hieronder wordt hier nader op ingegaan. Railverkeerslawaai In de directe omgeving is geen spoorweg aanwezig. Er is geen sprake van geluidhinder afkomstig van spoorwegen. Wegverkeerslawaai Het plangebied ligt aan de Kroezendijk.
Dit is weg waar veelal bestemmingsverkeer gebruik van maakt en waarmee sprake is van lage verkeersintensiteiten (minder dan 1.000 voertuigen per etmaal). Aangezien er sprake is van lage verkeersintensiteiten is geen wegverkeerslawaai te verwachten. Daarom kan ook een akoestisch onderzoek achterwege blijven.
Industrielawaai Er is geen sprake van een gezoneerd industrieterrein in de omgeving en daarom is geluidhinder afkomstig van gezoneerde industrieterreinen ook niet aan de orde. Solitaire bedrijvigheid Onder onderdeel “Activiteiten en milieuzonering” is verantwoord dat er voldoende afstand is tot de bestaande bedrijven en daarmee er geen sprake van belemmeringen voor de bedrijven. Ook is er vanwege de afstanden geen sprake van hinder van de bedrijven voor de beoogde woning te verwachten. Vanuit aspect geluid zijn geen belemmeringen voor het plan.
4.5. LUCHTKWALITEIT Voor de bescherming van de luchtkwaliteit zijn in paragraaf 5.1.4.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels opgenomen. Deze regels bevatten omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO₂) en fijnstof (PM10). Locaties met hoge concentraties van deze stoffen worden aangeduid als aandachtsgebieden, waar overheden expliciet moeten toetsen aan de omgevingswaarden. Wanneer een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is een toetsing niet vereist. Volgens het Bkl vallen de volgende projecten onder NIBM: Asra Advies: Probleem/Vraag. Onderzoek. Oplossing. Voor alles in Omgevingsrecht
41 van 54
ASRA ADVIES ➢ ➢ ➢
Tot 1.500 woningen met een enkele ontsluitingsweg; Tot 3.000 woningen met twee ontsluitingswegen; Kantoren tot 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Daarnaast zijn enkele specifieke activiteiten altijd toetsingsplichtig, zoals: ➢ ➢ ➢
Een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; De aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of de wijziging van een tunnel met een verlenging van minimaal 100 meter; De aanleg van een auto(snel)weg.
Voor andere ruimtelijke ontwikkelingen die niet in de Regeling NIBM staan genoemd, geldt dat de bijdrage aan NO₂ en PM10 minder moet zijn dan 3% van de grenswaarden om als NIBM te worden beschouwd. Toetsing aan Luchtkwaliteit Er wordt een gedeeltelijke omzetting van de bestemming gevraagd en na omzetting het gebruik van één woning beoogd waarvoor bestaand gebouw wordt gebruikt. De toevoeging van één woning draagt niet in betekende mate bij aan luchtverontreiniging. Er zal extra natuur en water worden toegevoegd. Er zijn geen veehouderijen in de directe nabijheid. Uit de Atlas van Leefomgeving blijkt dat de Actuele Lichtkwaliteitsindex (LKI) goed is. De actuele concentratie fijnstof PM10 is ook goed. Geconcludeerd kan worden dat dit aspect geen belemmering zal opleveren voor het plan.
4.6. GEUR De instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Geurnormen voor het houden van dieren bestaan voor sommige diersoorten uit afstanden en voor sommige diersoorten uit geurwaarden. Deze normen staan in het omgevingsplan (paragraaf 22.3.6). De geurnormen beogen mede een omgekeerde werking te hebben. De normen dienen niet alleen als toetsingskader voor milieuvergunningen, maar geven ook aan welke geurbelasting de gemeente aanvaardbaar vindt op het platteland. Toetsing Geur Met dit TAM-omgevingsplan wordt de bestemming gedeeltelijk gewijzigd en wordt bestaande gebouw gebruikt als woning. Een woning is een geurgevoelig gebouw. In de omgeving vinden enkele bedrijfsactiviteiten plaats die voor geurhinder kunnen zorgen. Dit betreft Sitec Metaalbewerking, gevestigd aan de Kroezendijk 3. Dit bedrijf is gelegen op een afstand van meer dan 75 meter. En het betreft Hoefsmederij Nico Kleintjes, gevestigd aan de Kroezendijk 9. Dit bedrijf is gelegen op een afstand van meer dan 95 meter. Op dit perceel worden mogelijk landbouwhuisdieren gehouden. Hiervoor geldt in het buitengebied een vaste afstand van 50 meter. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan.
Daarom wordt geconcludeerd dat in het plangebied geen sprake is van geurhinder. Omgekeerd gezien worden de activiteiten niet belemmerd door dit plan. Het aspect geur vormt geen belemmering voor het plan.
Asra Advies: Probleem/Vraag. Onderzoek. Oplossing. Voor alles in Omgevingsrecht
42 van 54
ASRA ADVIES 4.7. MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN Het aspect milieubelastende activiteiten gaat in op de invloed die activiteiten hebben op hun omgeving (VNG handreiking activiteiten en milieuzonering). In de Omgevingswet wordt in de bijlage bij artikel 1 het begrip milieubelastende activiteit (mba) gedefinieerd. Dit gaat feitelijk om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten). Milieubelastende activiteiten zijn niet in alle gevallen aan de orde. Er moet gecontroleerd worden of het Bkl, Bal of Bbl instructieregels bevatten die relevant zijn voor het project. Uit het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 5.59 en artikel 5.92 blijkt dat geluid en geur verantwoord moeten worden. In het gemeentelijke omgevingsplan wordt het milieuspoor verder geïntegreerd. De “Vereniging van Nederlandse Gemeenten” (VNG) heeft in 2019 de uitgave “Milieuzonering nieuwe stijl” gepubliceerd. Met deze uitgave wordt de toelating van bedrijven gereguleerd op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, met concrete milieuwaarden. De uitgave is verder doorontwikkeld tot geïntegreerde staalkaart.
De Staalkaart Bedrijventerrein maakt inzichtelijk hoe activiteiten met gebruiksruimte en milieugevolgen inpasbaar kunnen worden gemaakt en welke regeling in het omgevingsplan hiervoor kan worden opgenomen. De staalkaart is vervangen door de VNG-uitgave “Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2024”. Deze kan ook worden toegepast buiten bedrijventerreinen, in tegenstelling tot de uitgave uit 2019 en de geïntegreerde staalkaart. Bij milieuzonering gaat het om de milieuthema’s die afstandsgerelateerd zijn en niet op een andere wijze zijn gereguleerd. Afstandsgerelateerd wil zeggen dat de milieubelasting afneemt bij grotere afstand, zoals bij geluid en geur. Het gebied kan als gemengd gebied met wonen (functiemenging) worden getypeerd. Dit zijn gebieden met een tussenvorm met zowel milieugevoelige functies als bedrijfsfuncties, maar ook andere milieubelastende functies zoals veehouderij, staalbewerking, etc.
Onderzoek De bedrijfsfuncties zijn gelegen op een afstand van circa 75 meter en circa 95 meter, zie afbeelding 1.18. Echter door één bewoner is aangegeven dat het houden van paarden hobbymatig plaatsvindt. Desondanks is getoetst aan “Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2024”. Doordat in het gebied bedrijfsfuncties gemengd voorkomen met woonfuncties, kan op grond van hiervoor genoemde handreiking worden gesproken van een gemend gebied.
Afbeelding 1.27: planlocatie t.o.v. de omgevingsbebouwing
Asra Advies: Probleem/Vraag. Onderzoek. Oplossing. Voor alles in Omgevingsrecht
43 van 54
ASRA ADVIES Geluid Voor geluid geldt op basis van de handreiking een basiswaarde van 50 dB(A) op 50 meter. Aangezien de bedrijfsactiviteiten op een afstand liggen dat groter is dan 50 meter kan worden uitgegaan dat voldaan wordt aan de eisen en er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Geur Voor geur geldt op basis van de handreiking op een bedrijventerrein of ander werkterrein de basiswaarde van 0,5 ouE/m3 als 98 percentiel en 2 ouE/m3 als 99,9 percentiel op 50 meter van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht. De afstand van de beoogde woning tot de paardenhouderij is circa 95 meter. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de afstandsnorm en eisen voor geur, waarmee er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Overigens is ter bevestiging is ook getoetst aan de oude handreiking “Milieuzonering nieuwe stijl” uit 2019. Ook uit deze toetsing blijkt dat er geen sprake is van beperkingen voor geluid en geur, zie hieronder. Het plangebied bevindt zich in het landelijk gebied van Sinderen dat als een rustige woonwijk beschouwd zou kunnen worden als alleen gekeken wordt naar de bebouwing (gelegen op een groter afstand van elkaar). De bedrijfsfuncties zijn gelegen op een afstand van circa 75 meter en circa 95 meter.
Echter doordat in het gebied bedrijfsfuncties gemengd voorkomen met woonfuncties, kan op grond van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering de afstand met 1 stap worden verkleind. Hiervoor geldt dat voor de bedrijfscategorieën een korte afstand genomen kan worden. Voor de categorie 1 en 2 (waar de bedrijven in de omgeving onder vallen) geldt dan als (grootste) richtafstand 10 meter respectievelijk 30 meter. Op meer dan 95 meter afstand zit een paardenfokkerij (hiervan is overigens door de bewoner in een telefoongesprek aangegeven dat het hobbymatig plaatsvindt). Maximale afstand hiervoor is 50 meter. Dit is het geval als niet gekeken wordt naar gemengd gebied. Omdat er sprake is van gemengd gebied, mag de afstand met 1 stap verminderd worden (zie hiervoor) naar 30 meter. Er bevindt zich ook een metaal bewerkend bedrijf in de omgeving. Het is inpandig en niet het gehele pand wordt gebruikt. Daarom valt dit bedrijf onder SBI-code 2562/331 (overige metaal bewerkende industrie, inpandig, p.o. <200 m2). De maximale afstand die dan geldt (zonder correctie) is 50 meter. Echter ook hier moet vanwege gemengd gebied worden geconcludeerd dat de afstand met 1 stap verminderd kan worden en wel naar 30 meter. De werkelijke afstand tot de bedrijfsactiviteiten bedraagt circa 75 meter respectievelijk circa 95 meter. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de afstandseisen.
Toetsing Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2024 Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de aspecten geluid en geur geen belemmering vormen voor het initiatief.
4.8. OMGEVINGSVEILIGHEID Gemeenten zijn verplicht om in hun omgevingsplan regels op te nemen over externe veiligheid, bijvoorbeeld wanneer zij nieuwe gebouwen toestaan in de nabijheid van een risicobron of wanneer zij nieuwe risicobronnen op hun grondgebied willen toestaan. Waar voorheen de regelgeving over externe veiligheid verspreid was over onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), zijn de belangrijkste regels nu gebundeld onder de Omgevingswet in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
Asra Advies: Probleem/Vraag. Onderzoek. Oplossing. Voor alles in Omgevingsrecht
44 van 54
ASRA ADVIES Kwetsbare gebouwen en locaties Om kwetsbare gebouwen en locaties te beschermen tegen externe veiligheidsrisico’s, onderscheidt het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) drie categorieën waarvoor afstanden kunnen gelden: beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen. Voorbeelden van beperkt kwetsbare gebouwen zijn verspreid liggende woningen en recreatieterreinen voor maximaal 50 personen. Onder kwetsbare gebouwen vallen onder meer woningen (geen verspreide bebouwing), kantoren en sportgebouwen, waar meer dan 50 personen samenkomen. Nieuw in de Omgevingswet is de categorie zeer kwetsbare gebouwen. Hieronder vallen gebouwen die groepen mensen huisvesten die niet of nauwelijks zelfredzaam zijn, zoals onderwijsinstellingen, zorgcentra, kinderopvang en dagverblijven. Aandachtsgebieden De invulling van het groepsrisico verschilt onder de Omgevingswet van die in het Bevi en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Bij risicovolle activiteiten, zoals vastgelegd in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), schrijft het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) voor dat gemeenten aandachtsgebieden aanwijzen. Dit zijn zones waar mensen zonder extra maatregelen binnenshuis onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen incidenten met gevaarlijke stoffen.
Er zijn drie typen aandachtsgebieden, afhankelijk van de aard van het risico: brandaandachtsgebied (warmtestraling), explosieaandachtsgebied (overdruk) en gifwolkaandachtsgebied (giftige stoffen in de lucht). Binnen deze aandachtsgebieden moet de gemeente in het omgevingsplan rekening houden met het groepsrisico, gedefinieerd als de kans dat binnen één jaar tien of meer personen overlijden door een ongewoon voorval. Dit is vastgelegd in artikel 5.15 van het Bkl. Om aan het groepsrisico te voldoen, mogen (zeer, beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties in een aandachtsgebied alleen worden toegestaan indien aanvullende maatregelen worden genomen. Dit kan bijvoorbeeld door de verblijftijd of het aantal personen te beperken, of door bouweisen op te leggen. Deze eisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Plaatsgebonden risico Voor het plaatsgebonden risico (PR) zijn er met de Omgevingswet geen inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties geldt een grenswaarde van maximaal één op de miljoen per jaar (10⁻⁶/jaar), zoals bepaald in artikel 5.7 van het Bkl. Deze grenswaarde moet worden nageleefd in het omgevingsplan. Voor beperkt kwetsbare gebouwen geldt de PR-10⁻⁶-contour als richtlijn, waarbij afwijking mogelijk is mits goed gemotiveerd.
De PR-contouren en aandachtsgebieden zijn opgenomen in de bijlagen van het Bkl. Seveso-inrichtingen Seveso-inrichtingen, waarin gevaarlijke stoffen aanwezig zijn of kunnen ontstaan bij verlies van procescontrole, zijn milieubelastende activiteiten zoals benoemd in paragraaf 3.3.1 van het Bal. Deze inrichtingen brengen risico’s voor omgevingsveiligheid met zich mee. In bijlage VII van het Bkl staan de berekeningsmethoden voor plaatsgebonden risico’s en aandachtsgebieden vermeld, waaronder E6 specifiek ingaat op Seveso-inrichtingen. Vervoer van gevaarlijke stoffen Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen gelden zowel nationale als internationale voorschriften, met als doel incidenten en emissies te minimaliseren. Deze regelgeving blijft buiten de Omgevingswet en valt onder de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs). De ruimtelijke regels hieromtrent zijn echter geïntegreerd in de Asra Advies: Probleem/Vraag. Onderzoek. Oplossing. Voor alles in Omgevingsrecht
45 van 54
ASRA ADVIES Omgevingsregeling. In bijlage VII van het Bkl worden de afstanden voor aandachtsgebieden gespecificeerd, zoals: ➢ ➢
30 meter voor een brandaandachtsgebied; 200 meter voor een explosieaandachtsgebied.
De Omgevingsregeling (artikel 2.23 Invoeringsregeling Omgevingswet) wijst aan welke wegen en spoorwegen aandachtsgebieden hebben. Dit is verder uitgewerkt in de Regeling basisnet, tabellen I en II. Toetsing omgevingsveiligheid Voor de beoogde ontwikkeling is onderzocht of er beperkingen of belemmeringen zijn op het gebied van omgevingsveiligheid. Uit de kaart van de Atlas Leefomgeving blijkt dat er ter plaatse geen relevante risicobronnen zijn. Hierdoor is verdere verantwoording niet nodig. Een aanvullende toetsing van de risico’s kan achterwege blijven. Vanuit dit aspect is er geen sprake van belemmeringen voor het plan.
Afbeelding 1.28: uitsnede uit Atlas van de Leefomgeving met alle risicobronnen zichtbaar
4.9. WATER Het betrekken van het waterbelang bij ruimtelijke plannen is een essentieel instrument om te beoordelen in hoeverre deze plannen aansluiten op het beleid dat gericht is op het geven van meer ruimte aan water. Het doel is om in een vroeg stadium alle relevante belanghebbenden te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. Deze zogenoemde watertoets richt zich op alle wateren en waterhuishoudkundige aspecten die relevant zijn voor zowel het plangebied als de directe omgeving. Hierbij worden thema's als veiligheid (zoals het risico op overstromingen), wateroverlast en waterkwaliteit uitvoerig meegenomen. Rijksbeleid: Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027, vastgesteld op 18 maart 2022, schetst de hoofdlijnen, principes en koers van het nationale waterbeleid voor de periode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet anticipeert proactief op de verwachte gevolgen van klimaatverandering om overstromingen te voorkomen. De belangrijkste nationale belangen die in het programma worden benoemd, zijn:
Asra Advies: Probleem/Vraag. Onderzoek. Oplossing. Voor alles in Omgevingsrecht
46 van 54
ASRA ADVIES ➢ ➢ ➢ ➢ ➢ ➢ ➢
Het waarborgen van waterveiligheid en klimaatbestendigheid, inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit; Het garanderen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; Het onderhouden en versterken van een robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; Het behoud en de ontwikkeling van hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; Het realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂-arm is; De bescherming en verbetering van natuur en biodiversiteit; Het behoud en de versterking van cultureel erfgoed en landschappelijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang.
Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1. 2. 3.
Een veilige en klimaatbestendige delta realiseren; Een concurrerende, duurzame en circulaire delta ontwikkelen; Een schone en gezonde delta bevorderen met hoogwaardige natuur.
Provinciaal beleid: Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. Dit beleid richt zich op een duurzaam en veerkrachtig water- en bodemsysteem dat ook in de toekomst tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten blijft functioneren. De provincie onderschrijft de Europese Kaderrichtlijn Water, die bepaalt dat uiterlijk in 2027 grond- en oppervlaktewater schoon en ecologisch gezond moeten zijn. Beschermde gebieden, zoals grondwaterbeschermingsgebieden, waterbergingsgebieden en Natura 2000gebieden, zijn leidend in dit beleid. Samen met de Gelderse waterschappen en de landbouwsector wordt gewerkt aan waterretentie, overstromingspreventie en natuurontwikkeling in Natura 2000-gebieden. Waterschap Rijn en IJssel: Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van Waterschap Rijn en IJssel richt zich op vier thema's: 1. 2. 3. 4.
Klimaatrobuust gebied: Een balans tussen natte en droge perioden, weerbaar tegen extreem weer; Veilig gebied: Veiligheid van dijken waarborgen, met oog voor duurzaamheid en biodiversiteit; Circulaire economie en energietransitie: Bijdragen aan een 100% circulaire en klimaatneutrale economie tegen 2050; Gezonde leefomgeving: Een schoon en ecologisch functionerend watersysteem dat biodiversiteit en natuurwaarden versterkt.
Watertoets De Handreiking Watertoets van Waterschap Rijn en IJssel biedt de thema's die als uitgangspunt dienen voor de beoordeling van ruimtelijke plannen. De watertoets is een instrument om waterbelangen voldoende aandacht te geven in de plannen en zorgt ervoor dat initiatiefnemers in een vroeg stadium met het hoogheemraadschap overleggen. In dit specifieke geval is een watertoets uitgevoerd door Asra Advies, zie bijlage 2. Uit de Watertoets blijkt dat er geen sprake is van belangen van het hoogheemraadschap die worden geraakt. Bovendien wordt extra natuur en water vijver gerealiseerd, wat positieve effecten op water met zich zal meebrengen. Toetsing Water Vanuit de toetsing op water zijn er geen belemmeringen te verwachten voor het plan.
Asra Advies: Probleem/Vraag. Onderzoek. Oplossing. Voor alles in Omgevingsrecht
47 van 54
ASRA ADVIES 4.10. MOBILITEIT EN PARKEREN Voor de planontwikkeling geldt dat voldaan moet worden aan de gemeente eisen voor parkeren. Deze eisen staan in de gemeentelijke Parkeernota. Op basis hiervan geldt voor vrijstaande woningen in het buitengebied een parkeernorm van 2,4. Dit betekent dat er minimaal 3 parkeerplaatsen beschikbaar moeten zijn. Binnen het plangebied is er meer dan voldoende ruimte beschikbaar om in deze parkeervraag te kunnen voorzien. Er kunnen namelijk meer dan zes voertuigen parkeren op het terrein. Toetsing Parkeren De lengte van het gemarkeerde gebied langs het gebouw is ongeveer 25 meter. De breedte aan de smalle kant is ±4 meter, aan de brede kant ongeveer 8 meter. Bij schuin parkeren (ca. 60°) neemt een auto gemiddeld 2,5 meter breedte en 5 meter diepte in beslag. Omdat het een taps toelopende vorm is, passen er aan de brede kant meer auto's dan aan de smalle kant. Er kan schuin geparkeerd worden met de voorkant van de auto richting het gebouw. Aangezien de breedte toeneemt van ±4 m tot ±8 m, kunnen er naar schatting 6 tot 7 auto's comfortabel diagonaal geparkeerd worden binnen het aangegeven vlak. Er is meer dan voldoende parkeergelegenheid op het terrein. Hiermee wordt voldaan aan het parkeerbeleid van de gemeente Oude IJsselstreek.
Afbeelding 1.29: parkeerruimte in beeld gebracht met geparkeerde auto’s.
4.12. KABELS EN LEIDINGEN
Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit die de functie van een maatschappelijk belangrijk werk of object kan verstoren. Denk hierbij aan infrastructuur zoals wegen, spoorwegen, luchthavens en waterstaatswerken (zoals rivieren). Voorbeelden van dergelijke activiteiten zijn het plaatsen van een grote mast naast een snelweg of het bouwen op een (zee)dijk. Om de functie van deze werken of objecten te beschermen, worden beperkingen opgelegd binnen een specifiek aangewezen gebied rondom het werk of object. Dit gebied, het beperkingengebied, wordt door het Asra Advies: Probleem/Vraag. Onderzoek. Oplossing. Voor alles in Omgevingsrecht
48 van 54
ASRA ADVIES bevoegd gezag op kaart vastgesteld. De opgelegde beperkingen zijn van toepassing op alle activiteiten die binnen dit gebied worden uitgevoerd. Kabels en leidingen Ondergrondse kabels en leidingen zijn belangrijk voor het transport van data, elektriciteit en stoffen zoals gas en water. Sommige ondergrondse (hoogspannings)leidingen kunnen een risico opleveren voor de omgeving. Toetsing Behouden van de staat en werking van infrastructuur en voorzieningen Het plangebied ligt niet binnen een beperkingsgebied en in verschillende paragrafen van hoofdstuk 4 zijn de mogelijke gevolgen van de buisleidingen, wegen en spoor beschreven en toegelicht. Hieruit volgt dat er geen sprake is van belemmeringen voor deze aspecten, omdat er geen buisleidingen aanwezig zijn en wegen en spoorwegen buiten invloedssfeer van de ontwikkeling liggen. Voordat met de aanplanten van natuur en graven van de vijver gestart zal worden, zal een Klicmelding worden gedaan, waarmee wordt voorkomen dat kabels en leidingen worden geraakt tijdens de werkzaamheden.
4.11. MILIEUEFFECTENRAPPORTAGE Met de Omgevingswet worden alle elementen van de fysieke leefomgeving geïntegreerd. In deze paragraaf wordt een overzicht gegeven van de verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving en de mogelijke gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling. Alleen de aspecten die relevant zijn voor de wijziging van het omgevingsplan worden besproken, waarbij wordt aangegeven hoe deze doorwerken in het plan. De regelgeving over milieueffectrapportage (m.e.r.) is vastgelegd in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport moet opstellen, indien dat plan of programma een kader vormt voor besluiten over projecten zoals omschreven in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma in de zin van artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling) vallen onder andere de omgevingsvisie, programma’s, omgevingsplannen en voorkeursbeslissingen. Voor plannen en programma’s waarvoor een plan-milieueffectrapport vereist is, bevat de Omgevingswet een generieke aanwijzing, die aansluit bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V van het Omgevingsbesluit zijn de categorieën projecten opgenomen waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is.
Voor plannen die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of geringe wijzigingen, introduceert de Omgevingswet de plan-mer-beoordeling. Deze beoordeling is alleen vereist wanneer de activiteit naar verwachting aanzienlijke milieugevolgen heeft. Een plan-mer-beoordeling is eveneens van toepassing op plannen die een kader vormen voor mer-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet expliciet in het Omgevingsbesluit zijn opgenomen. De plan-mer-beoordeling is bedoeld om te toetsen of een plan aanzienlijke milieugevolgen met zich meebrengt. Toetsing m.e.r.-beoordeling Om te bepalen of aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn, is een plan-m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Het initiatief betreft de toevoeging van een woning in het buitengebied, wat neerkomt op een kleine wijziging binnen een beperkt gebied op lokaal niveau, waarvoor een aanpassing van het omgevingsplan wordt opgesteld. Hierdoor kan een plan-m.e.r.-beoordeling vereist zijn. Zoals eerder aangegeven, is deze beoordeling
Asra Advies: Probleem/Vraag. Onderzoek. Oplossing. Voor alles in Omgevingsrecht
49 van 54
ASRA ADVIES alleen verplicht wanneer het plan mogelijk aanzienlijke milieueffecten veroorzaakt of significante negatieve gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden. In dit document zijn de diverse aspecten van de fysieke leefomgeving beoordeeld. Uit deze beoordeling blijkt dat er geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten of significante negatieve gevolgen voor Natura 2000gebieden. Een uitgebreide plan-m.e.r.-beoordeling is dan ook niet noodzakelijk. Het aspect m.e.r.-beoordeling vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.12. GEZONDHEID De Omgevingswet stimuleert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten, waaronder gezondheid, in een zo vroeg mogelijk stadium mee te nemen. In deze paragraaf wordt toegelicht hoe bij de voorgenomen activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. De maatschappelijke doelen van de Omgevingswet zijn vastgelegd in artikel 1.3 en luiden als volgt: Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in samenhang: a)
bereiken en behouden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, mede vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en; b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving om maatschappelijke behoeften te vervullen; Naast het functioneel en doelmatig gebruik van de schuur als woning, is in de paragrafen van hoofdstuk 4 onderbouwd dat wordt voldaan aan de Bkl-instructieregels voor geluid, geur, luchtkwaliteit en bodem. Deze regels zijn specifiek opgesteld ter bescherming van de gezondheid en het milieu. Bovendien sluit dit initiatief aan bij maatschappelijke behoeften: de initiatiefnemers hebben behoefte aan passende woonruimte, die levensloopbestendig wordt gerealiseerd, inclusief voldoende ruimte voor het hobbymatig houden van schapen. Het behoud van bestaande landschapselementen, aangevuld met extra natuur- en waterelementen, draagt verder bij aan een gezonde fysieke leefomgeving. Deze versterkingen zorgen niet alleen voor een betere leefomgeving, maar ondersteunen ook biodiversiteit en klimaatadaptatie. Dit initiatief levert daarmee een positieve bijdrage aan het aspect gezondheid en draagt tegelijkertijd bij aan de verbetering van de leefomgeving.
4.13. DUURZAAMHEID Op de planlocatie zijn al zonnepanelen aanwezig. Dit betreft 16 zonnepanelen, die een gemiddeld vermogen van 330 Wp hebben. Voor 16 zonnepanelen komt dat neer op 5,28 kWp. Dit zal goed zijn voor een jaarlijkse opbrengst van 4,5 MWh/jaar. Een 2-persoons huishouden verbruikt gemiddeld 2,5 MWh/jaar en voor het houden van schapen wordt uitgegaan van 1,5 MWh/jaar. De totale energiebehoefte is 4,0 MWh/jaar. De bestaande zonnepanelen kunnen die vraag aan. Echter als een warmtepomp (6-10 kW) wordt geplaatst dan zijn meer zonnepanelen nodig, circa 12 stuks, wat het totaal van 28 stuks zal maken. 28 stuks zonnepanelen vragen om een thuisbatterij met een vermogen van 20 tot 25 kWh. Hiermee kan volledig in eigen energiehuishouding worden voorzien. Vorenstaande betekent ook dat, als de woning volledig Asra Advies: Probleem/Vraag. Onderzoek. Oplossing. Voor alles in Omgevingsrecht
50 van 54
ASRA ADVIES energieneutraal wordt ingericht, er ook geen gas gebruikt zal worden. Bij de verbouwing zal ook worden voldaan aan de duurzaamheidseisen die het Besluit bouwwerken leefomgeving voorschrijft. Door gebruik te maken van de voorgeschreven eisen en het plaatsen van een thuisbatterij en extra zonnepanelen in combinatie met een warmtepomp, kan de woning volledig energieneutraal worden ingericht en gebruikt.
5. JURIDISCH PLANOPZET 5.1 ALGEMEEN (HET OMGEVINGSPLAN) Tot 1 januari 2024 had de gemeente meerdere bestemmingsplannen waarmee ontwikkelingen mogelijk werden gemaakt. Vanaf 1 januari 2024 is er één tijdelijk omgevingsplan, waarin alle oude bestemmingsplannen zijn opgenomen. Op termijn worden deze bestemmingsplannen omgezet naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Het omgevingsplan stelt regels over de fysieke leefomgeving, zoals welke activiteiten toegestaan zijn, en is digitaal te raadplegen via het Omgevingsloket. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn sommige rijksregels vervallen en overgeheveld naar het tijdelijke deel van het omgevingsplan (de bruidsschat, opgenomen in hoofdstuk 22). Gemeenten kunnen deze regels aanpassen en opnemen in het nieuwe deel van het omgevingsplan. Wijzigingen aan het omgevingsplan moeten voldoen aan de eisen van de Omgevingswet en worden uitgevoerd via STOP-TPOD (Standaard voor officiële publicaties en Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten). Vanwege technische uitdagingen biedt de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) de mogelijkheid om wijzigingen door te voeren met de oude bestemmingsplansoftware (IMRO). Een TAM-omgevingsplan lijkt op een bestemmingsplan, bevat een plankaart, en wordt gepubliceerd op ruimtelijkeplannen.nl en doorgestuurd naar het Omgevingsloket.
Het TAM-omgevingsplan is juridisch onderdeel van het omgevingsplan en wordt ingevoegd als hoofdstuk 22a.
5.2. TOEDELEN VAN FUNCTIES AAN LOCATIES (E TFAL) In de voorgaande hoofdstukken 2 en 3, inclusief bijbehorende paragrafen, is uiteengezet hoe de voorgenomen ontwikkeling, namelijk de realisatie van één woning binnen een bestaand gebouw, aansluit bij het geldende beleid. Daarnaast is aangetoond, door een toetsing aan de relevante omgevingsaspecten (hoofdstuk 4), dat deze ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op milieu- of omgevingsfactoren. Op basis van deze onderbouwing kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6. UITVOERBARHEID VAN HET PLAN 6.1. ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Onder de Omgevingswet geldt, in tegenstelling tot de Wet ruimtelijke ordening, dat een gemeenteraad niet hoeft aan te tonen dat een ontwikkeling financieel uitvoerbaar is bij het toekennen van functies aan locaties. Het omgevingsplan geeft enkel aan dat een functie op een bepaalde locatie mogelijk is, wat minder verstrekkend is. Enkel moet worden gemotiveerd dat een ontwikkeling in beginsel mogelijk is (“niet evident onuitvoerbaar”). Pas bij een concreet initiatief binnen een bepaalde functie moet worden onderzocht hoe de ontwikkeling op een aanvaardbare wijze kan worden gerealiseerd.
Asra Advies: Probleem/Vraag. Onderzoek. Oplossing. Voor alles in Omgevingsrecht
51 van 54
ASRA ADVIES Kostenverhaal Op grond van de Omgevingswet (afdeling 13.6) zijn overheden verplicht om kosten voor werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op initiatiefnemers die profiteren van de aan te leggen openbare voorzieningen. ➢
➢
Anterieure overeenkomst: Als een ontwikkeling niet op eigendomsgronden van de overheid plaatsvindt, is het gebruikelijk om via een anterieure overeenkomst kostenverhaal te verzekeren (artikel 13.13 Ow); Publiekrechtelijk kostenverhaal: Indien geen overeenkomst wordt bereikt, kan kostenverhaal publiekrechtelijk worden geregeld in het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een projectbesluit (paragraaf 13.6.3 Ow).
In deze situatie betreft het enkel een gedeeltelijke functiewijziging van “Agrarisch met waarden” naar “Wonen” in een bestaand gebouw. Tevens zal extra natuur worden gerealiseerd en een vijver worden gegraven. Er is geen sprake van een nieuwe ontwikkeling, waardoor geen kostenverhaal van toepassing is. De kosten voor de wijziging van het omgevingsplan komen dan ook volledig voor rekening van de initiatiefnemer. Financiële bijdragen Artikel 13.22 Ow biedt de mogelijkheid om afspraken te maken over vrijwillige financiële bijdragen voor gebiedsontwikkeling. In deze situatie zijn dergelijke bijdragen niet aan de orde, omdat het enkel een gedeeltelijke bestemmings- en functiewijziging betreft. Nadeelcompensatie Nadeelcompensatie betreft de vergoeding van schade die voortvloeit uit besluiten of maatregelen van de overheid (afdeling 15.1 Ow). Deze schade moet redelijkerwijs toe te rekenen zijn aan de maatregel en het normaal maatschappelijk risico overstijgen. In dit geval betreft het enkel een gedeeltelijke bestemmingswijziging van “Agrarisch met waarden” naar “Wonen” voor een bestaand gebouw. Indien nadeelcompensatie aan de orde zou zijn, komt deze voor rekening van de initiatiefnemer. Daarom is ook een overeenkomst gesloten tussen de gemeente en de initiatiefnemer.
6.2 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Onder de Omgevingswet speelt participatie een prominente rol. De wetgever heeft het belang van participatie erkend en deze vormt een van de belangrijkste pijlers van de Omgevingswet. De Omgevingswet zorgt ervoor dat het bevoegd gezag of initiatiefnemers, burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium worden betrokken bij een planvoornemen of project. Door burgers, belanghebbenden of omwonenden tijdig te betrekken bij een planvoornemen wordt verwacht dat tijdwinst ontstaat, omdat minder juridische procedures worden gestart. Daarnaast draagt participatie bij aan een betere relatie tussen burgers en overheid, waarbij het vertrouwen van burgers wordt versterkt als zij zich daadwerkelijk gehoord voelen. Participatie wordt vaak begrepen als “actieve deelname”, een term die ook in sociale contexten wordt gebruikt. Onder de Omgevingswet betekent participatie echter specifiek: Het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden) bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit. Asra Advies: Probleem/Vraag. Onderzoek. Oplossing. Voor alles in Omgevingsrecht
52 van 54
ASRA ADVIES Participatie kent verschillende vormen, waarvan niet alle geschikt zijn voor elk project of voor alle betrokkenen. De Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Omgevingsregeling stellen regels over participatie. Wanneer overheden instrumenten van de Omgevingswet vaststellen, moeten zij aangeven hoe belanghebbenden betrokken zijn bij de totstandkoming en wat de resultaten hiervan zijn. Ook gemeenten, provincies en waterschappen moeten duidelijk maken hoe zij hun eigen participatiebeleid hebben ingevuld. Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor participatie. Deze moet aangeven of, en zo ja, hoe de omgeving is betrokken bij zijn plan en wat de uitkomsten hiervan zijn. Het participatieproces bij het opstellen of wijzigen van een omgevingsplan omvat zowel een kennisgevingplicht als een motiveringsplicht. ➢ ➢
Kennisgevingplicht: In een vroeg stadium moet duidelijk worden gemaakt hoe belanghebbenden, zoals burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties, bij het plan worden betrokken; Motiveringsplicht: Het bevoegd gezag moet toelichten hoe belanghebbenden zijn betrokken en wat er met de resultaten van deze betrokkenheid is gedaan.
Omgevingsdialoog Bij de voorliggende planontwikkeling, waarbij sprake is van een wijziging van het omgevingsplan, heeft de initiatiefnemer een omgevingsdialoog gevoerd met de directe omgeving. Op 5 december 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden met de gemeente Oude-IJsselstreek. Tijdens dit gesprek heeft de gemeente aangegeven dat een participatieplan niet nodig is, aangezien het een relatief kleine ontwikkeling betreft. De gemeente heeft echter uitdrukkelijk gevraagd om de omwonenden te informeren over de voorgenomen plannen. De initiatiefnemer heeft gehoor gegeven aan dit verzoek door de buren persoonlijk te benaderen en een document te overhandigen, zie bijlage 4, waarin uitleg wordt gegeven over de participatie en de voorgenomen ontwikkeling. De meeste omwonenden hebben positief gereageerd op de ontwikkeling en op het document. De meeste hebben daarom ook het document getekend waarmee zij aangeven kennis te hebben genomen van de ontwikkeling. De bewoners van één woning hebben wel ingestemd om een gesprek te voeren waarin zij hebben aangegeven dat zij niet willen dat dit initiatief doorgaat en hebben ook niet het document voor kennisneming willen ondertekenen. Met vorenstaande heeft de initiatiefnemer invulling gegeven aan het verzoek van de gemeente en participatie gepleegd.
6.3. VOOROVERLEG MET INSTANTIES Het Rijk In het Bkl zijn de nationale belangen verankerd van het Rijk en werkt door op de omgevingsplannen van de provincies en gemeenten. In hoofdstuk 2 is al geconcludeerd dat dit TAM-omgevingsplan geen nationale belangen raakt. Daarom kan worden afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel Het toevoegen van één in een kern met meer dan 1.000 inwoners valt onder de uitzonderingslijst voor afstemming met de provincie. Daarom kan ook worden afgezien van vooroverleg met de provincie. Waterschap Rijn en IJssel Asra Advies: Probleem/Vraag. Onderzoek. Oplossing. Voor alles in Omgevingsrecht
53 van 54
ASRA ADVIES Het waterschap Rijn en IJssel is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. Uit de beantwoording van de vragen blijkt dat er “geen belang procedure” op water van toepassing is. Hieruit volgt dat het waterschap geen bezwaren heeft tegen de voorgenomen ontwikkeling. Zienswijzen Deze wijziging van het omgevingsplan wordt voor een periode van zes weken als ontwerp ter inzage gelegd. Na afloop van deze periode zal deze paragraaf worden aangevuld op basis van de ingediende zienswijzen en de verdere besluitvorming.
7. BIJLAGEN Sommige bijlagen die hieronder worden genoemd, zijn niet aan dit document gehecht, maar worden apart aan de aanvraag gekoppeld. 1. 2. 3. 4. 5.
Bijlage: Inrichtingsplan Val Oude Yssel; Bijlage: Watertoets; Bijlage: Bodemonderzoek naar asbest in verharding (APS Milieu B.V.); Bijlage: Document met toelichting voor participatie; Bijlage: Ondertekende formulieren participatie.
Asra Advies: Probleem/Vraag. Onderzoek. Oplossing. Voor alles in Omgevingsrecht
54 van 54