Toelichting Klompendijk 12-Etten.pdf
Tekst van het document
34
Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Conclusie Voor de uitvoering van de beoogde ontwikkelingen dient er onderzoek te worden verricht naar de mogelijke aanwezigheid van gierzwaluwen, huismussen en vleermuizen in het plangebied. Indien een dergelijk onderzoek succesvol is afgerond, de onderzoekadviezen worden aanhouden en er bij de activiteiten rekening wordt gehouden met de zorgplicht en met het broedseizoen welke duurt van 15 maart tot 15 juli vormt het aspect ‘Ecologie’ geen belemmering voor dit plan.
4.4
Externe veiligheid Algemeen Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijk besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen’ (Bevi), het ‘Besluit externe veiligheid buisleidingen’ (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden.
Toetsing De provinciale weg N317 maakt deel uit van het basisnet en geldt als transportroute voor gevaarlijke stoffen. Benzine en diesel worden op deze weg vervoerd. Er geldt voor deze stoffen een onderzoeksplicht voor nieuwe ontwikkelingen binnen een afstand van 50 meter van de N317. Het plangebied ligt op circa 150 meter afstand van deze weg. Tevens ligt het plangebied op circa 3,9 kilometer van de snelweg A18. Het dichtstbijzijnde punt is wegvak G18 tussen afrit 4 Doetinchem-Oost en afrit 5 Varsseveld. De beoogde ontwikkeling ligt dus in het invloedsgebied van 4 kilometer vanaf de risicobron, zijnde de snelweg, maar buiten de verplichte onderzoekzone van 400 m. Daarom is een beperkte verantwoording van het groepsrisico vereist.
35
Beperkte verantwoording groepsrisico Als gevolg van een ongeluk met een tankwagen kan zich een warme of koude BLEVE voordoen, of er kan een toxische wolk ontstaan door het lekken van toxisch gas of vloeistof. Bestrijdbaarheid Een koude BLEVE kondigt zich niet aan, maar vindt onverwachts plaats. Hulpdiensten kunnen uitsluitend de gevolgen bestrijden. Bij een warme BLEVE kunnen hulpdiensten, indien tijdig aanwezig, de opwarming van de drukhouder voorkomen. Belangrijk bij een ongeval met brandbare gassen is dat de brandweer zo snel mogelijk bij de tankwagen is, zodat deze onmiddellijk gekoeld kan worden om een warme BLEVE (vuurbal en drukgolf) te voorkomen. Essentieel is daarbij dat de brandweer voor een langere periode voldoende bluswatercapaciteit heeft. De snelheid van het ter plaatse komen is van groter belang dan de bestrijding van de gevolgen van een BLEVE. Hierdoor kunnen de bewoners, bezoekers en werknemers tijdig geëvacueerd worden. Voor de hulpverleningsdiensten is het van belang dat ze snel naar de incidentlocaties kunnen. In de Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid zijn normen voor maximale opkomsttijden gesteld. In de verdere uitwerking van het stedenbouwkundig plan zal rekening worden gehouden met de noodzakelijke bluswatervoorzieningen en opstelplaatsen voor de brandweer.
Gelet op het feit dat er in het plangebied nadrukkelijk aandacht is voor de realisatie van nieuwe waterstructuren geldt de verwachting dat zich hier geen belemmeringen voordoen. Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen kan de brandweer optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met een waterscherm. Een tijdige waarschuwing van de bevolking om te schuilen (ramen en deuren sluiten en ventilatie uitschakelen) en evacuatie naar locaties buiten het invloedsgebied zijn de belangrijkste taken van de brandweer en het bevoegd gezag bij een ongeval met giftige gassen en vloeistoffen. Een belangrijke oorzaak waarom de hulpdiensten niet kunnen voldoen aan de hulpvraag is dat het scenario zich snel ontwikkelt. De giftige gaswolk zal, mede afhankelijk van de weersomstandigheden, reeds binnen enkele minuten een groot gebied kunnen bestrijken. De (regionale) brandweer zal het Waarschuwings- en Alarmeringssysteem activeren (WASpalen) om de bevolking te alarmeren. Daarnaast zal ook NL-Alert worden ingeschakeld. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting.
Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Binnen de 150 meter zijn personen (ook in gebouwen) onvoldoende beschermd tegen de gevolgen van een ('koude') BLEVE. Buiten de 150 meter is, in het geval van een BLEVE, schuilen in een gebouw of woning in beginsel de beste manier om de calamiteit te overleven. In het geval van schuilen is het zaak een veilige plek binnen een
36
gebouw op te zoeken buiten het bereik van rondvliegend glas (zoals een toilet of badkamer). Na afloop van de BLEVE dient het gebied ontvlucht te worden om effecten door de secundaire branden te vermijden. Bij een calamiteit waarbij toxische gassen vrijkomen is zo snel mogelijk schuilen in een gebouw het voorkeurscenario. Mensen op grotere afstand van de risicobron kunnen bij een tijdige waarschuwing het gebied op tijd ontvluchten. Bij een calamiteit met toxische gassen zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. Snel reageren, naar binnen gaan en ramen en deuren sluiten is bij dit scenario dus van belang. Bij de inrichting van het plangebied is het van belang dat de locatie goed te ontvluchten is om personen na afloop van een BLEVE weg te kunnen leiden van de calamiteit. Vluchtroutes dienen zo veel mogelijk personen direct van de calamiteit weg te leiden. De mensen binnen het plangebied kunnen worden verondersteld goed zelfredzaam te zijn. Binnen het plangebied zal sprake zijn van mensen met een normale mobiliteitsfactor. Het plangebied wordt goed ontsloten in geval van een calamiteit. Er zullen daarom voldoende vluchtwagen aanwezig zijn voor het ontvluchten van het plangebied.
Het gebruik van een WAS (waarschuwing- en alarmeringssysteem) en NL-Alert moet personen waarschuwen voor de gevolgen van het incident. Daarbij is het van belang dat dit systeem voldoende dekkend is. De Veiligheidsregio draagt in samenwerking met overheden zorg voor een dergelijk systeem. Conclusie Het aspect externe veiligheid zorgt niet voor belemmeringen.
4.5
Geluid Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) heeft tot doel de mensen te beschermen tegen geluidsoverlast. Op basis van deze wet dient bij het opstellen van een plan aandacht te worden besteed aan het aspect geluid. In de Wet geluidhinder (Wgh) is een zonering van industrieterreinen, wegen en spoorwegen geregeld. Enerzijds betekent dit dat (geluids)eisen worden gesteld aan de milieubelastende functies, anderzijds betekent dit dat beperkingen worden opgelegd aan milieugevoelige functies. Aangezien het plangebied niet gelegen is binnen de zone van een spoorweg en/of in de nabijheid van een gezoneerd industrieterrein, is alleen aandacht besteed aan het aspect wegverkeerslawaai. Toetsing Uit het akoestisch onderzoek7 blijkt dat de voorkeursgrenswaarde vanwege de Slingerparallel (N317) wordt overschreden. Voor de overige wegen wordt wel voldaan
7
SAB. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Klompendijk, Etten. 210429, 13-1-2022. 37
aan de voorkeursgrenswaarde. Maatregelenonderzoek wijst uit dat maatregelen bij de ontvanger noodzakelijk zijn, en een bouwakoestisch onderzoek bij de vergunningsverlening is noodzakelijk om aan te tonen dat wordt voldaan aan de binnenwaarde van 33 dB. Voor het plan dienen hogere grenswaarden te worden aangevraagd: − een hogere waarde van 52 dB nodig voor het noordelijke bouwvlak, − 51 dB voor het middelste; − 52 dB voor het zuidelijke bouwvlak. Conclusie Er is sprake van een overschrijding waarvoor een procedure hoge grenswaarde doorlopen moet worden. Daarnaast moet ten tijde van het aanvragen van een omgevingsvergunning een bouwakoestisch onderzoek overlegd worden. Met inachtneming van dit proces, vormt het aspect ‘geluid’ geen belemmering.
4.6
Luchtkwaliteit Algemeen Op 15 november 2007 is de zogeheten 'Wet luchtkwaliteit' in werking getreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het 'Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)'. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'Niet in betekenende mate (NIBM)' bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor een ruimtelijke ontwikkeling als: − er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; − een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; − een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; − een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM.
Het begrip 'niet in betekenende mate bijdragen' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO 2 en PM10. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantooren woningbouwlocaties) opgenomen die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Bij woningbouwlocaties geldt een ondergrens van 500 tot 1000 woningen.
38
Toetsing De voorgenomen ontwikkeling betreft een ontwikkeling die van geringere omvang is en blijft ver onder de ondergrens die geldt voor woningbouwlocaties. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit niet 'in betekenende mate' zal verslechteren. Tevens blijkt uit algemeen beschikbare informatie dat de blootstelling ter plaatse acceptabel is; de achtergrondconcentraties van NO 2, PM2,5 en PM10 bevinden zich ver onder de grenswaarden. Er hoeft daarom niet nader op het aspect luchtkwaliteit in te worden gegaan. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit leidt niet tot belemmeringen van de voorgenomen ontwikkeling.
4.7
Milieuzonering Algemeen Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven en inrichtingen kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van al aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Het doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
In de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt, dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Toetsing Ten behoeve van dit plan is een quick scan bedrijven en milieuzonering uitgevoerd 8.
8
SAB (2020). Memo quick scan bedrijven en milieuzonering. Klompendijk 12 Etten. Projectnummer: 210429. 24 januari 2022. 39
Hinder van plan op omgeving De voorgenomen ontwikkeling omvat geen hinderveroorzakende functie. Een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende hindergevoelige functies (woningen) is daarmee voldoende gewaarborgd. Hinder van omgeving op plangebied Naast de hinder die een ontwikkeling zelf kan veroorzaken, dient ook onderzocht te worden of de beoogde ontwikkeling zelf hinder kan ondervinden van hinderveroorzakende functies uit de omgeving. Aangezien er in de omgeving van de ontwikkellocatie op grond van het bestemmingsplan diverse hinderveroorzakende functies mogelijk zijn en feitelijk gezien zijn gevestigd, zijn deze geïnventariseerd. De navolgende afbeelding geeft de omliggende percelen met hinderveroorzakende functies globaal weer, waarna de verschillende percelen nader worden beschreven en getoetst aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie. De omliggende woonfuncties zijn hierbij buiten beschouwing gelaten. Woningen betreffen immers geen hinderveroorzakende functie. Rondom het plangebied bevinden zich agrarisch bestemde gronden. Voor het houden en het fokken van dieren is de maximale richtafstand 200 meter. Er bevinden zich geen agrarische bedrijven binnen een straal van 200 meter vanuit het plangebied. Bedrijf Ten zuiden van de ontwikkellocatie bevindt zich ten zuiden van de Slingerparallel een bedrijf met de bestemming ‘Bedrijf’.
Uitgaande van de maximale planologische mogelijkheden van het bestemmingsplan dient rekening gehouden te worden met milieucategorie 3.1. Voor deze functie geldt in een gemengd gebied een richtafstand van 30 meter.
Bestemming Bedrijf (Groothandel in machines en apparaten)
Maximaal toegestane milieucategorie
Richtafstand
Gemeten Afstand
Milieucategorie 3.1
30 m
167 m
De afstand tot het tankstation dat gelegen is aan de oostzijde van de kern is wat groter (circa 220 meter). Het tankstation valt ook onder milieucategorie 3.1. Zoals blijkt uit bovenstaande tabel wordt in het kader van deze gronden ruimschoots voldaan aan de richtafstand volgens de VNG-publicatie. Daarmee worden deze gronden met bijbehorende functies niet onevenredig geschaad in hun ontwikkelingsmogelijkheden en is ter plaatse van de ontwikkellocatie een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd. Dienstverlening Ten noorden van de ontwikkellocatie bevindt zich grenzend aan het plangebied een woning met een kapsalon aan huis. Binnen het ter plaatse geldende bestemmingsplan is vastgelegd dat deze gronden zijn bestemd voor ‘wonen’ waar beroeps- en 40
bedrijfsactiviteiten aan huis van milieucategorie 1 onder voorwaarden mogelijk zijn. Uitgaande van de maximale planologische mogelijkheden van het bestemmingsplan dient rekening gehouden te worden met milieucategorie 1. De bedrijven van deze categorie hebben allemaal dezelfde maximumafstand. Voor deze functie geldt in een gemengd gebied een richtafstand van 10 meter voor het maatgevende aspect (gevaar).
Bestemming Kappersbedrijven en schoonheidsinstituten
Maximaal toegestane milieucategorie
Richtafstand
Gemeten Afstand
Milieucategorie 1
10 m
17 m
Zoals blijkt uit bovenstaande tabel wordt in het kader van deze gronden voldaan aan de richtafstand volgens de VNG-publicatie. Daarmee worden deze gronden met bijbehorende functies niet onevenredig geschaad in hun ontwikkelingsmogelijkheden en is ter plaatse van de ontwikkellocatie een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd. Bedrijf Ten noorden van de ontwikkellocatie bevindt zich grenzend aan het plangebied een bedrijfsperceel van een aannemersbedrijf. Het bedrijfsperceel kent grotendeels de bestemming ‘Bedrijf’. Binnen het ter plaatse geldende bestemmingsplan is vastgelegd dat deze gronden zijn bestemd voor onder andere bedrijven van milieucategorie 1 en 2. Het gedeelte dat aan het plangebied grenst, kent de bestemming ‘Groensingel’. Deze gronden zijn bestemd voor groenstructuur ter afscherming van de bedrijfsactiviteit. Uitgaande van de maximale planologische mogelijkheden van het bestemmingsplan dient rekening gehouden te worden met de huidige situatie (milieucategorie 2). Voor deze functie geldt in gemengd gebied een richtafstand van 10 meter.
Bestemming Aannemersbedrijven met werkplaats: b.o. < 1000 m²
Maximaal toegestane milieucategorie
Richtafstand (gemengd gebied)
Gemeten Afstand
Milieucategorie 2
10 m
17 m
Zoals blijkt uit bovenstaande tabel wordt in het kader van deze gronden voldaan aan de richtafstand volgens de VNG-publicatie. Daarmee worden deze gronden met bijbehorende functies niet onevenredig geschaad in hun ontwikkelingsmogelijkheden en is ter plaatse van de ontwikkellocatie een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd. Gemengde doeleinden Ten noorden van de ontwikkellocatie bevinden zich gronden die als ‘gemengde doeleinden’ aangewezen zijn. Binnen het ter plaatse geldende bestemmingsplan is vastgelegd dat deze gronden zijn bestemd voor dienstverlening en detailhandel. Uitgaande van de maximale planologische mogelijkheden van het bestemmingsplan dient rekening gehouden te worden met artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven
41
(milieucategorie 1). Voor deze functie geldt in gemengd gebied een richtafstand van 0 meter.
Bestemming artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven
Maximaal toegestane milieucategorie
Richtafstand
Gemeten Afstand
Milieucategorie 1
0m
46 m
Zoals blijkt uit bovenstaande tabel wordt in het kader van deze gronden ruimschoots voldaan aan de richtafstand volgens de VNG-publicatie. Daarmee worden deze gronden met bijbehorende functies niet onevenredig geschaad in hun ontwikkelingsmogelijkheden en is ter plaatse van de ontwikkellocatie een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd. Maatschappelijke doeleinden algemeen Ten oosten van de ontwikkellocatie bevinden zich gronden met de bestemming ‘Dienstverlening’, waar een instelling voor mensen met een verstandelijke beperking ligt. Aan de noordzijde van de Zeddamseweg, staat een nutsvoorziening. Binnen het ter plaatse geldende bestemmingsplan is vastgelegd dat deze gronden zijn bestemd voor maatschappelijke doeleinden zoals cultuur, onderwijs of gezondheidszorg. Uitgaande van de maximale planologische mogelijkheden van het bestemmingsplan dient rekening gehouden te worden met muziek- en balletscholen (milieucategorie 2). Voor deze functie geldt in gemengd gebied een richtafstand van 10 meter.
Bestemming Muziek en balletscholen
Maximaal toegestane milieucategorie
Richtafstand
Gemeten Afstand
Milieucategorie 2
10 m
147 m
Zoals blijkt uit bovenstaande tabel wordt in het kader van deze gronden ruimschoots voldaan aan de richtafstand volgens de VNG-publicatie. Daarmee worden deze gronden met bijbehorende functies niet onevenredig geschaad in hun ontwikkelingsmogelijkheden en is ter plaatse van de ontwikkellocatie een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig initiatief.
42
4.8
Water
4.8.1
Algemeen Bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen moet de watertoets worden toegepast. Dit houdt in dat alle ruimtelijke plannen een waterparagraaf moeten bevatten. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is om waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. Het kader van de watertoets is vanaf 1 november 2003 wettelijk verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
4.8.1.1
Rijksbeleid – Het Nationaal Waterplan 2016-2021 Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: − Nederland blijft de veiligste delta in de wereld. − Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater. − Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. − Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement. − Nederlanders leven waterbewust. Het kabinet zet de veranderingen in het waterveiligheidsbeleid voort en zal hiertoe een wetsvoorstel met nieuwe normen voor de primaire keringen voorbereiden. Nieuwe normen zijn nodig, omdat de huidige eisen aan primaire keringen grotendeels uit de jaren zestig van de vorige eeuw dateren. Sindsdien zijn het aantal mensen en de economische waarde achter de dijken toegenomen. Ook is nieuwe kennis beschikbaar gekomen over de werking van de keringen en de gevolgen van overstromingen. De doelen op het gebied van waterveiligheid zijn omgerekend naar normspecificaties voor de keringen.
Deze zijn niet meer gebaseerd op dijkringen, maar op dijktrajecten. Elk dijktraject krijgt een norm-specificatie die past bij de gevolgen in dat specifieke gebied. De normspecificaties zijn ingedeeld in zes klassen, waarbij de overstromingskans varieert van 1/300 per jaar tot 1/100.000 per jaar. Het Rijk onderkent het belang van verbinden van ruimte en water. Bij het aanpakken van wateropgaven en de uitvoering van watermaatregelen vindt daarom afstemming plaats met andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied, zodat scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of, beter nog, elkaar versterken. Het kabinet streeft daarbij ook naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven. Omgekeerd is het van belang om bij ruimtelijke opgaven vroegtijdig rekening te houden met wateropgaven en de veerkracht van watersystemen.
43
De gewenste betere verbinding tussen water en ruimte geldt voor alle opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. 4.8.1.2
Provinciaal beleid - Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem. Dit systeem bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater en is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. De provincie onderschrijft de ambitie van de Europese Kaderrichtlijn Water dat uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik en voert deze uit. De beschermde gebieden voor grondwater, waterberging, de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 zijn leidend bij de uitwerking van dit beleid in programma’s of in kaders in de verordening. Er worden condities gesteld voor effectief en zuinig gebruik van drinkwater, speciale waterecologie (Hoogst Ecologisch Niveau wateren en Specifiek Ecologische Doelstelling wateren), (grond)waterafhankelijke landnatuur plus de beschermingszones natte landnatuur en grondwateronttrekkingen voor drinkwater en industrie, groter dan 150.000 m3/jaar.
De provincie stelt via uitvoerend beleid de doelen voor de regionale wateren voor de Kaderrichtlijn Water vast en geeft daarbij ook invulling aan de voorzieningenniveaus. Met de Gelderse waterschappen en de landbouw geeft de provincie invulling aan het vasthouden van water in de bodem, het grondwater en de haarvaten van het watersysteem. Bescherming tegen overstromingen vindt primair plaats op basis van preventie, waar nodig aangevuld met maatregelen in de ruimtelijke ordening en evacuatie. Deze bescherming gebeurt bij voorkeur in combinatie met het ontwikkelen en versterken van karakteristieke riviernatuur in Natura 2000-gebieden.
4.8.1.3
Waterschapsbeleid Rijn en IJssel De gemeente Oude IJsselstreek en het Waterschap Rijn en IJssel hebben een gemeentelijk waterplan opgesteld. In dit waterplan wordt een integrale visie gegeven op water in Oude IJsselstreek. Deze visie geeft een doorkijk naar de middellange termijn (circa 10 jaar) en de lange termijn (2030). Aan de visie is een uitvoeringsprogramma gekoppeld voor de korte termijn (5 jaar). Het waterplan biedt handvatten voor het opstellen van ruimtelijke plannen, voor de afstemming met rioolbeheer en geeft zo inzicht in de mogelijkheden om te komen tot een duurzaam watersysteem binnen de gemeente. Er wordt gestreefd naar een gezond, veerkrachtig, kwalitatief goed, aantrekkelijk en op de toekomst berekend watersysteem en waterketen. Naast het gemeentelijk waterplan geldt ook het gemeentelijke rioleringsplan. In het rioleringsplan wordt de ambitie uitgesproken dat bij nieuwbouw de gemeente Oude IJsselstreek wil verplichten om vuilwater en hemelwater gescheiden aan te bieden.
44
4.8.2
Toetsing Voor onderhavig plan is de digitale watertoets9 doorlopen, die als bijlage terug te vinden is bij deze toelichting. Uit de digitale watertoets volgt dat het plan onder de normale procedure valt. Voor het verdere proces is het van belang het waterschap te betrekken.
4.8.2.1
Afvalwater Er wordt een gescheiden rioolstelsel aangelegd. Hemelwater en afvalwater worden apart ingezameld. De gemeente verzorgt de aansluiting voor vuilwater tot aan de perceelgrens van de kavel. Op het eigen terrein moeten de toekomstige bewoners zelf zorgdragen voor de aanleg en aansluiting op deze riolering.
4.8.2.2
Hemelwater In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is voor bebouwd gebied een werknorm van toepassing, waarbij de kans dat het peil van het oppervlaktewater het niveau van het maaiveld overschrijdt (inundatie) kleiner of gelijk is aan 1 x per 100 jaar (bui 100). Dit is tevens de norm waarmee het waterschap het bestaande oppervlaktewatersysteem in bebouwd gebied toetst. Waterschap Rijn en IJssel houdt daarbij rekening met een toeslag van 10% op de omvang van de gehanteerde buien vanwege de verwachte klimaatontwikkelingen. Het Waterschap Rijn en IJssel hanteert daarnaast het uitgangspunt dat een zomerse bui met een herhalingstijd van 1 keer per 10 jaar (bui 10+10%) vertraagd afgevoerd moet worden. Bij bui 100+10% mag geen wateroverlast optreden. Voor de herontwikkeling in het plangebied heeft afstemming plaatsgevonden tussen gemeente en waterschap Rijn en IJssel om te bepalen aan welke eisen het plan moet voldoen met betrekking tot het opvangen en afhandelen van hemelwater. De afvoer van het hemelwater gaat niet via het riool, dit water moet geïnfiltreerd worden per woning of (in uitzondering) als een gezamenlijke voorziening (waterretentie). Daarbij is het uitgangspunt dat 10% van de bruto oppervlakte van de locatie beschikbaar moet zijn voor waterinfiltratie (conform: Gemeentelijk Rioleringsplan Oude IJsselstreek 2017-2020). De huidige situatie is deels verhard.
Het perceel kent een verhard oppervlakte van ongeveer 370 m2, dat is iets minder dan 10% van het plangebied. De half verharde toegangsweg wordt niet meegeteld. De toekomstige situatie leidt met de realisatie van de drie grondgebonden woningen tot een beperkte toename aan verharding. Er wordt verwacht dat met de beoogde ontwikkeling maximaal 400 m2 verharding meer wordt aangebracht, dit zorgt voor ongeveer 16% verharding voor het hele plangebied. De initiatiefnemer is voornemens om een kwaliteitssprong in het landschap te maken met het aanleggen van hagen en inheemse begroeiing. De gemeente geeft samen met de toekomstige bewoners invulling aan de concrete oplossingsrichting. Dit is o.a. mogelijk via de aanleg van wadi’s, verbeterde infiltratie in groenstroken/bermen, waterdoorlatende verharding, grindkoffers en ondergrondse
9
Digitale watertoets (2021) Klompendijk 12 Etten 10-11-2021. 45
waterberging (met vertraagde afvoer). Daarmee blijft voorliggend initiatief gunstig voor het aspect ‘water’. 4.8.3
Conclusie Het aspect water leidt niet tot belemmeringen van de voorgenomen ontwikkeling.
4.9
M.e.r.-beoordeling Algemeen Het opstellen van een milieueffectrapportage (MER) en het doorlopen van de bijbehorende m.e.r.-procedure is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Dit is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Er zijn drie onafhankelijke sporen die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht: 1 Uit toetsing aan de hand van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) blijkt dat het plan of besluit voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu. In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten planMERplichtig, besluitm.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelings- plichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Voor (bestemmings)plannen dient te worden getoetst aan de activiteiten en drempelwaarden van onderdeel D van de bijlage bij het besluit m.e.r.. In het geval de activiteit genoemd wordt in onderdeel D, maar die onder de drempelwaarden vallen, dan is een ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ nodig. Bij de ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ dient te worden getoetst of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten.
De toetsing dient te worden gedaan aan de hand van de criteria uit Bijlage III bij de Europese richtlijn m.e.r. (kenmerk project, plaats project en kenmerk potentieel effect). Indien belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten, dan is niet alsnog een (plan)m.e.r. (-beoordeling) op grond van het Besluit m.e.r. noodzakelijk. 2 In het geval van een (bestemmings)plan: indien een ‘passende beoordeling’ op grond van de Wet natuurbescherming voor dit plan verplicht is vanwege de in het plan opgenomen activiteiten. Een passende beoordeling is verplicht indien significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten; 3 Wanneer Provinciale Staten in haar provinciale milieuverordening activiteiten hebben aangewezen, aanvullend op de activiteiten in het Besluit m.e.r., die kunnen leiden tot m.e.r.-plicht. Toetsing MER-plicht Het bestemmingsplan biedt een juridische-planologische regeling voor het slopen van de bestaande bebouwing en de realisatie van drie grondgebonden woningen in plaats van één bestaande. De activiteit die mogelijk wordt gemaakt (wonen) valt onder categorie ‘D 11.2 uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’.
46
De drempelwaarden van de betreffende categorie worden niet overschreden of zijn niet van toepassing (oppervlakte van 200 hectare of meer, 2.000 of meer woningen en bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer). Dit betekent dat een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te worden uitgevoerd. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt of niet alsnog een m.e.r.-procedure op grond van het Besluit m.e.r. moet worden doorlopen. In de volgende paragraaf wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' behandeld. De afstand tot het dichtstbijzijnde Nederlandse Natura 2000-gebied (Rijntakken) bedraagt circa 15 kilometer. Gelet op de soort activiteit (wonen) en de afstand tot aan het Natura 2000-gebied, is geoordeeld dat is uit te sluiten dat er significante negatieve effecten optreden op het Natura 2000-gebied. Dit betekent dat er geen 'passende beoordeling' op grond van de Wet natuurbescherming voor dit plan verplicht is en er derhalve, via dit spoor, ook geen sprake is van een planMER-plicht. De Provinciale Staten van Gelderland hebben momenteel geen activiteiten aangewezen die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht. Derhalve is er via dit spoor ook geen sprake van een planMER-plicht voor dit bestemmingsplan.
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Zoals in de vorige paragraaf is aangegeven, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen. Dit is het geval bij het voorliggende bestemmingsplan. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te worden getoetst of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. De toetsing dient te worden gedaan aan de hand van de criteria uit Bijlage III bij de Europese richtlijn m.e.r. (kenmerk project, plaats project en kenmerk potentieel effect). Gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten is geoordeeld dat er geen belangrijke negatieve milieugevolgen zullen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten, zoals deze in de voorgaande paragrafen zijn opgenomen. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling is het relevant om te melden dat het plangebied niet in een Belvedere-gebied, een waterwingebied en een grondwaterbeschermingsgebied ligt. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen m.e.r.-procedure noodzakelijk op grond van het Besluit m.e.r. Conclusie Dit bestemmingsplan maakt geen activiteiten mogelijk die grote nadelige gevolgen hebben voor het milieu.
Het opstellen van een milieueffectrapportage (MER) en het doorlopen van de bijbehorende m.e.r.-procedure is dan ook niet verplicht. Er is daarom geen MER opgesteld.
47
4.10
Verkeer en parkeren
4.10.1
Verkeer Algemeen Het voorgenomen plan voorziet in een netto toevoeging van twee woningen in het plangebied. Deze toename leidt tot een grotere verkeersgeneratie. Toetsing Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW10 kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Gelet op het feit dat het plangebied zich aan de rand van Etten bevindt, worden de kencijfers voor ‘Rest bebouwde kom’ aangehouden. De gemeente Oude IJsselstreek wordt conform CBS-gegevens ten aanzien van de mate van stedelijkheid gezien als een ‘weinig stedelijk’ gebied. Om te kunnen bepalen welk effect de ontwikkeling heeft op de omliggende infrastructuur, is in onderstaande tabel een vergelijking gemaakt tussen de verkeersgeneratie in de huidige situatie en die in de toekomstige situatie. De huidige situatie is een woning met bijgebouwen, dat verkeersgeneratie veroorzaakt.
Voor een berekening van de verkeersgeneratie van de huidige situatie is daarom uitgegaan van de categorie: ‘Koop, huis, vrijstaand’ Voor de berekening van de toekomstige situatie wordt voor de drie woningen uitgegaan van de categorie ‘Koop, huis, vrijstaand’. De verkeersgeneratie voor de woningen is per woning berekend. Dit levert het volgende resultaat op: verkeersgeneratie huidige woning
Totale verkeersgeneratie drie nieuwe woningen
Verschil
Minimaal
7,8
7,8*3= 23,4
+ 15,6
Maximaal
8,6
8,6*3= 25,8
+ 17,2
De beoogde ontwikkeling leidt tot een toename van de verkeersbewegingen, met ongeveer twee derde. Dit extra verkeer kan worden opgenomen in het heersende verkeersbeeld ter plaatse. Conclusie Zoals uit voorgaande tabel is af te leiden is de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie hoger dan in de huidige situatie. Deze toename kan echter met de bestaande infrastructuur worden opgevangen. Het aspect verkeer vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
10
CROW, publicatie 381, Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen. 48
4.10.2
Parkeren Algemeen Het voorgenomen plan voorziet in het slopen van een woning om in plaats daarvan drie woningen te realiseren. Met deze toename is er een te kort in de parkeerbehoefte. Toetsing Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de aard en omvang van de activiteit waarin het initiatief voorziet. Om de parkeerbehoefte te bepalen, is gebruikgemaakt van de parkeernormen van de gemeente Oude IJsselstreek. Deze zijn opgenomen in de gemeentelijke nota ‘Gemeentelijk Verkeer en Vervoersplan 2012-2020’. Vigerend beleid is dat de gemeente Oude IJsselstreek de hoge CROW-normen hanteert. Uitgangspunt is ‘weinig stedelijk’ en rest bebouwde kom (CROW). De huidige situatie van een vrijstaande koopwoning geeft een minimale parkeerbehoefte van 2,7 parkeerplaatsen. Het aandeel bezoekers (0,3 parkeerplaatsen per woning) is reeds in de gemeentelijke parkeernorm inbegrepen. Op grond van de woningtypes uit het stedenbouwkundig plan uit paragraaf wordt ervan uitgegaan dat de toekomstige woningen onder de categorie ‘Koop, huis, vrijstaand’ vallen. Voor deze categorie is de norm 2,7 parkeerplaatsen per woning. Deze norm levert een parkeerbehoefte op van 8,1 parkeerplaatsen (2,7*3). 6 parkeerplaatsen worden op eigen terrein gerealiseerd van de woningen en 3 parkeerplaatsen aan de westzijde van de toegangsweg. Dit is eigenterrein niet openbaar.
Conclusie Het aspect ‘Parkeren’ vormt wel/niet een belemmering voor de uitvoering van dit plan.
4.11
Klimaatadaptatie Algemeen Met betrekking tot waterveiligheid en wateroverlast zijn normen vastgesteld met resultaats- en inspanningsverplichtingen voor de waterschappen. Deze normen zijn vastgelegd in de provinciale waterverordeningen voor de waterschappen (Waterverordening Waterschap Rivierenland, Waterverordening Waterschap Vallei en Veluwe en Waterverordening Waterschap Rijn en IJssel). Ruimtelijke ontwikkelingen en weersextremen zijn hierop van grote invloed. Het is daarom van belang dat hiermee bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening wordt gehouden en dat het waterschap hierbij wordt betrokken. Daarnaast vormen de effecten en gevolgen van droogte en hitte een belangrijke problematiek om rekening mee te houden. In artikel 2.65b van de Omgevingsverordening Gelderland is het volgende artikel opgenomen: Artikel 2.65b (klimaatadaptatie) 1. Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, bevat de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving van de
49
maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. 2. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken: a. waterveiligheid; b. wateroverlast; c. droogte; en d. hitte. 3. De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt. Toetsing Binnen het plangebied worden de bestaande gebouwen gesloopt en drie woningen gerealiseerd. Zoals eerder in paragraaf 4.8 naar voren is gekomen is er sprake van een beperkte toename van 400 m2 aan verhard oppervlak. Het hemelwater wordt ter plaatse geborgen in infiltratie- of waterbergende voorzieningen, hiermee wordt wateroverlast tegengegaan in natte periode en door het water vast te houden eveneens droogte tegengegaan in een droge periode. Door het verhard oppervlak te beperken en veel groen aan te leggen en te behouden wordt ingespeeld om hitte tegen te gaan. Conclusie Rekening houdend met voorgaande vormt het aspect klimaatadaptatie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
50
5
Plansystematiek
5.1
Het plan In dit hoofdstuk wordt aangegeven op welke wijze de voorkomende functies in het bestemmingsplan worden geregeld. De planopzet is in overeenstemming met de ROStandaarden. De regels geven inhoud aan de op de verbeelding gegeven bestemmingen. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen al dan niet mogen worden gebruikt en wat en hoe er gebouwd mag worden. De bij dit plan behorende regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten: 1. Inleidende regels. 2. Bestemmingsregels. 3. Algemene regels. 4. Overgangs- en slotregels. In hoofdstuk 1 worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen moeten worden gemeten. In hoofdstuk 2 zijn specifieke regels opgenomen voor de op de verbeelding gegeven bestemmingen. De artikelen bestaan uit een bestemmingsomschrijving en bouwregels, en zo nodig uit afwijkingsregels, specifieke gebruiksregels of vergunningsregels voor aanleggen. De bestemmingsomschrijving is bepalend voor het gebruik van de grond. De hoofdstukken 3 en 4 bevatten regels die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen.
5.2
Toelichting op de plansystematiek Voor onderhavig plan is deels het bestemmingsplan 'Buitengebied Oude IJsselstreek 2017' van toepassing en deels het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2000, herziening 2002’. Er wordt gekozen om bij geen van beide plansystematieken aan te sluiten, dit omdat de nadruk bij het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oude IJsselstreek 2017’ niet op wonen ligt. Er is gekozen om bij de systematiek van het bestemmingsplan ‘Kom Terborg 2011’ aan te sluiten dat op 17 augustus 2012 onherroepelijk is geworden. De archeologische verwachting op de gemeentelijke beleidskaart komt tot uiting in de vigerende dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologische verwachting 2’ in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oude IJsselstreek 2017’. Deze dubbelbestemming blijft in het voorliggende bestemmingsplan gehandhaafd.
51
In het voorliggende bestemmingsplan heeft de locatie de volgende bestemmingen: − 'Tuin – Gaarde’; − ‘Wonen’; − ‘Waarde - Archeologische verwachting 2’. Tevens is gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone - molenbiotoop’ van kracht welke navolgend net als de geldende bestemmingen wordt toegelicht. Bestemming ‘Tuin – Gaarde’ De voor 'Tuin - Gaarde' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuin, moestuin, boomgaard, akker, weide en daarmee gelijk te stellen doeleinden en wegen en paden. Bestemming 'Wonen' Teneinde de woonfunctie op het perceel mogelijk te maken dient het plangebied bestemd te worden met de bestemming 'Wonen'. Er zijn drie bouwvlakken opgenomen voor iedere woning. De bouwregels stellen voorwaarden aan de realisatie van hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en overige bouwwerken. Eén woning is toegestaan per bestemmingsvlak en losstaande bijgebouwen bij de woningen zijn door middel van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – vrijstaande bijbehorende bouwwerken uitgesloten’ binnen de woonbestemmingen uitgesloten. Voorts zijn er gebruiksregels opgenomen waarin wordt aangegeven welke gebruiksfuncties als strijdig met de bestemming worden gezien. Hieronder is tevens een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarin wordt bepaald dat het gebruik van gronden dat niet overeenkomstig met het erfinrichtingsplan is, wordt aangemerkt als strijdig gebruik.
Ook zijn er afwijkingsmogelijkheden opgenomen voor zowel het gebruik van de gronden als de bouwregels. Onder voorwaarden kan het college van B&W bijvoorbeeld een omgevingsvergunning verlenen ten behoeve van mantelzorg. Dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologische verwachting 2’ De voor 'Waarde - Archeologie verwachting 2' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, ook bestemd voor het behoud, bescherming en veiligstelling van te verwachten archeologische waarden in de bodem. Op grond van deze dubbelbestemming geldt bij bepaalde bodemingrepen een vergunningenstelsel voor het bouwen en voor uitvoeren van een werk, geen gebouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone - molenbiotoop’ Daarnaast kent het plangebied een gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone - molenbiotoop’ in verband met de aanwezigheid van een molen in de dorpskern. De gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en instandhouding van de functie van de molen als werktuig. Aanduiding ‘waardevolle boom’ Binnen het plangebied zijn enkele beeldbepalende bomen aanwezig. Deze bomen worden doormiddel van de aanduiding beschermd.
52
Overgangs- en slotregels Het overgangsrecht geldt voor bouwwerken die ooit met een bouwvergunning of een melding zijn gebouwd, of een gebruik dat ooit is toegestaan, maar die nu vanwege een bestemmings- of beleidswijziging onder het overgangsrecht zijn gebracht. Het overgangsrecht is er op gericht dat deze bouwwerken uiteindelijk zullen verdwijnen of dat het gebruik ervan wordt beëindigd, zodat de situatie in overeen- stemming komt met de gegeven bestemming. In beginsel mogen de bouwwerken die onder het overgangsrecht vallen, slechts in ondergeschikte mate gedeeltelijk worden vernieuwd en veranderd. Meestal is dat een eenmalige handeling aan het bouwwerk. Het is niet mogelijk om hiermee geheel of in stappen tot een nieuw bouwwerk te komen.
5.3
Handhaving Handhaving neemt tegenwoordig een steeds belangrijker plaats in en staat ook in de gemeente Oude IJsselstreek hoog op de bestuurlijke en politieke agenda. Het grote belang dat de gemeente hecht aan handhaving heeft in 2017 geleid tot vaststelling van de beleidsnota Handhavingbeleidsplan 2017-2019. In deze beleidsnota worden de redenen genoemd waarom de gemeente handhaving belangrijk vindt. De bescherming van de kwaliteit en de veiligheid van de leefomgeving, de bescherming van rechten van derden en het voorkomen van rechtsongelijkheid zijn hier voorbeelden van. Daarnaast is het handhaven van gestelde regels in het gemeentelijk plan onmiskenbaar verbonden aan het stellen van de regels zelf. Regels worden immers gesteld, omdat de gemeente het belangrijk vindt dat bepaalde doelstellingen en kwaliteiten gehaald of beschermd worden en dan is het logisch dat er ook op toegezien wordt dat de gestelde regels ook daadwerkelijk nageleefd worden. Uit de jurisprudentie zoals die door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is gevormd, blijkt dat de gemeente haar handhavingstaak serieus moet nemen.
Handhaving is een verplichting, waarvan alleen mag worden afgezien als er concreet zicht is op legalisatie van de overtreding, dan wel als handhaving zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. In de gemeentelijke beleidsnota is naleving van bestemmingsplannen één van de doelstellingen. Daar wordt gesteld dat de gemeente een beperkt toezicht houdt: ze laat zich leiden door klachten van omwonenden en zichtbare excessen. Handhaving is voor de gemeente meer dan alleen met bestuurlijke sancties optreden tegen overtredingen. Er wordt ook grote waarde gehecht aan preventie door middel van communicatie en voorlichting naar burgers en bedrijven, advisering, stimulering, toezicht en zichtbaar optreden. Daar waar overtredingen worden geconstateerd, treedt de gemeente zo vroeg mogelijk op. Als de overtreder de overtreding niet vrijwillig beeindigt, dan maakt de gemeente gebruik van de haar ter beschikking staande handhavingsinstrumenten. Van handhaving kan alleen worden afgezien in situaties waarin dit op grond van de jurisprudentie is toegelaten. Blijkens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is het verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met een bestemmingsplan. Een overtreding hiervan is een strafbaar feit. Strafrechtelijk optreden is
53
complementair op bestuursrechtelijke handhaving en kan met name ingezet worden bij overtredingen waarvan de gevolgen niet ongedaan gemaakt kunnen worden. Een voorbeeld hiervan is het kappen van houtwallen. Ook bij overtredingen die zich telkens weer herhalen en bij kortdurende overtredingen is deze aanpak wenselijk.
54
6
Uitvoerbaarheid van het plan
6.1
Algemeen Op basis van de voorgaande hoofdstukken kan worden geconcludeerd dat de beoogde functiewijziging, gelet op het planologisch beleid, de omgevingssituatie ter plaatse uitvoerbaar kan worden geacht. Geconcludeerd kan worden dat voor de gewenste ontwikkeling sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
6.2
Economische uitvoerbaarheid Door middel van de grondexploitatieregeling in de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) en het Bro beschikken gemeenten over mogelijkheden voor het verhalen van kosten. Hierbij valt te denken aan kosten voor het bouw- en woonrijp maken, planschade en kosten voor het opstellen van een bestemmingsplan. Indien sprake is van bepaalde bouwplannen, dient de gemeente hiervoor in beginsel een exploitatieplan vast te stellen. Van het vaststellen van een exploitatieplan kan worden afgezien als voornoemde kosten anderszins verzekerd zijn. De ontwikkelingen die in dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt worden gerealiseerd in opdracht van de initiatiefnemer. De uit dit plan voorvloeiende kosten zullen door de initiatiefnemer worden bekostigd en drukken niet op de gemeentelijke begroting. Het kostenverhaal van de gemeente zal deel uitmaken van de anterieure overeenkomst, die met de initiatiefnemer is afgesloten. Hierdoor is het kostenverhaal voor de gemeente Oude IJsselstreek voldoende geborgd, zodat afgezien kan worden voor het opstellen van een exploitatieplan. De gemeenteraad moet bij het vaststellen van het bestemmingsplan expliciet het besluit nemen om geen exploitatieplan vast te stellen (artikel 6.12, tweede lid, van de Wro). De economische uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan is niet in het geding.
6.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures voor de vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Met betrekking tot de inspraak bevat de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geen procedureregels en is in de Wro zelf niet verplicht gesteld. Het betreft een ontwikkeling op slechts enkele percelen, die passend is binnen het provinciaal en gemeentelijk beleid. Het onderhavig plangebied is gering van omvang en de ruimtelijke consequenties zijn beperkt. Tevens raakt het plan geen (beleids)belangen van ketenpartners, zoals de provincie of het waterschap. Daarom is geen gelegenheid tot inspraak overeenkomstig de gemeentelijke Inspraakverordening geboden. Met direct omwonenden zijn tweemaal gesprekken gevoerd. Het gesprek met de mogelijke bezwaarmakers is tweemaal geweest. Eén maal met de initiatiefnemers en een keer op het gemeentehuis. In de gesprekken is geen overeenstemming bereikt. De gemeente heeft 4 voorstellen voorgelegd en daar hebben de
55
initiatiefnemers versie 2 gekozen. Versie 3 en 4 waren voor de gemeente geen optie en versie 1 is het voorstel van het Gelders Genootschap. Besloten is om het bestemmingsplan als ontwerp ter inzage te leggen, uiteraard wel met behoud van de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen. Ook wordt het plan voorgelegd aan de overlegpartners in het kader van art. 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening.
56
7
Inspraak, overleg en zienswijzen
7.1
Algemeen De procedures voor de vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Met betrekking tot de inspraak bevat de Wro geen procedureregels en is in de Wro zelf niet verplicht gesteld.
7.2
Vooroverleg
7.2.1
Het Rijk In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Wel is het ontwerp bestemmingsplan aan het ministerie van Defensie aangeboden.
7.2.2
Provincie Gelderland De ontwikkeling raakt de provinciale belangen Wonen (buiten de bebouwde kom), Molenbiotoop en Klimaatadaptatie. De provincie Gelderland heeft een reactie gegeven op deze aspecten.
7.2.3
Waterschap Rijn en IJssel In dit geval is de digitale watertoets uitgevoerd voor het plan. Hieruit kwam naar voren dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Er vindt geen uitbreiding van verhard oppervlak plaats en er is geen sprake van demping of herinrichting van watergangen. Op basis daarvan is door het waterschap voor het onderhavige plan een positief wateradvies gegeven. Met de betreffende mail berichtte het waterschap dat er geen waterbelangen worden geraakt. Zie ook paragraaf 4.8 Water.
7.3
Zienswijzen Het bestemmingsplan heeft van xxx tot en met xxx ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is eenieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen kenbaar te maken aan de gemeenteraad. In deze paragraaf of in een bijlage bij dit bestemmingsplan zullen de binnengekomen zienswijzen worden samengevat en van een antwoord worden voorzien.
57