Toelichting hoek Terborgseweg en Bakkerskampstraat Breedenbroek.pdf
Tekst van het document
De geplande nieuwbouw is echter goed geïsoleerd conform de huidige normen. Daarmee zijn de woningen ook minder gevoelig voor opwarming wat relevant is voor warmte in de nachtelijke periode. • Droogte. De bijbehorende kaartbeelden laten wat betreft grondwaterstanden en droogtegevoeligheid in 2050 weinig verandering zien ten opzichte van de huidige situatie. Daarmee is en blijft in het plangebied sprake van lagere grondwaterstanden en van beperkte droogtegevoeligheid. Door het hemelwater binnen het plangebied te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater ook in het gebied zelf. Het plangebied ligt niet in een gebied waar een grotere kans op natuurbranden is bij langdurige droogte. In het plangebied is een kleine vijver aanwezig welke zou worden gedempt. Hierdoor is er geen sprake van een risico voor de volksgezondheid. Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat in voorliggend plan voldoende wordt ingezet op het voorkomen of beperken van mogelijke risico's door droogte als gevolg van klimaatverandering. 3.4.7 Welstand Het gemeentelijk welstandsbeleid is vastgelegd in de Welstandsnota, waarin is opgenomen waar bij de toetsing voor een betreffend gebied of bouwwerk rekening mee moet worden gehouden. Toekomstige bouwplannen moeten wat betreft het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk getoetst worden aan het welstandsbeleid. In
26
de nota worden algemene criteria gegeven waar bouwwerken aan moeten voldoen. Per gebied is specifiek welstandsbeleid opgesteld. Met de beoogde ontwikkeling wordt zo veel mogelijk ingespeeld op de karakteristiek van het omliggende gebied. Het plangebied (functieverandering en nieuwbouw) valt binnen welstandsniveau. De welstandsbeoordeling richt zich voor dit niveau op het handhaven of gericht veranderen en verbeteren van de basiskwaliteit van het gebied. Voorliggend initiatief zorgt ervoor dat de rooilijn van de nieuwe woningen ongeveer gelijkgetrokken wordt met de naast gelegen woningen. Daarnaast sluiten de bouw-massa en de vorm aan bij die van de omgeving.
27
4. OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Bodem Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te kunnen maken is er een bodemonderzoek uitgevoerd. Hieronder de conclusie van het rapport. Het complete rapport is als bijlage 2 (verkennend bodemonderzoek door Montferland Milieu B.V. projectnummer MM21178 met datum 5 november 2021) bij deze toelichting gevoegd. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: Tijdens het veldwerk is de opgeboorde grond zintuiglijk beoordeeld op de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging. Hierbij zijn geen indicaties waargenomen die hierop duiden. De aangetroffen licht verhoogde gehalten in de grond en in het grondwater vormen geen belemmering voor het toekomstige gebruik. Uit de onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat er op de locatie geen ernstige bodem- of grondwaterverontreinigingen aanwezig zijn. De vastgestelde waarden overschrijden enkel de achtergrond- en/ of streefwaarde, wat duidt op enkel lichte (natuurlijke) verontreinigingen. De tevoren gestelde hypothese ‘De gehele onderzoekslocatie kan op basis van het vooronderzoek als niet-verdacht worden beschouwd’ dient formeel gezien te worden verworpen. De verhogingen in de grond en in het grondwater zijn echter gering en kunnen als niet significant beschouwd worden.
Uit milieukundig oogpunt is er naar onze mening geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik. Ook bij het aanvragen van een bouwvergunning in de nabije toekomst zullen, met het huidige beleid en de huidige normen, de aangetoonde verontreinigingen geen bezwaar vormen. Vanwege het licht verhoogde gehalte aan lood (Pb) is door de Omgevingsdienst Achterhoek een toetsing uitgevoerd met de module “diffuus lood” van de Risicotoolbox. Het loodgehalte blijkt te voldoen aan de gezondheidskundige advieswaarde van de GGD voor een woonfunctie. Wanneer tijdens graafwerkzaamheden waarnemingen worden gedaan die op een verontreiniging wijzen, anders dan vastgesteld in de beoordeelde rapportage, dan moet het werk direct gestopt worden en moet met de ODA worden overlegd. Concluderend: Ten aanzien van het aspect bodem is er, met in achtneming van de inhoud van het onderzoeksrapport, sprake van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.2 Archeologie en cultuurhistorie Bescherming van archeologische- en cultuurhistorische waarden is een wettelijke verplichting. De gemeenteraad van Oude IJsselstreek heeft op 5 maart 2015 de archeologische- en cultuurhistorische waardenkaart vastgesteld, alsmede de erfgoedverordening. De regels zijn opgenomen in het bestemmingsplan ‘Kom Breedenbroek 2016’. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst op het voorkomen van archeologische waarden en/ of monumenten binnen het plangebied. Tevens moet worden bepaald of deze eventueel aanwezige waarden worden geschaad door de gewenste ontwikkeling binnen het plangebied. Uit de Archeologische Monumentenkaart (AMK) en de Indicatieve kaart archeologische waarden (IKAW) volgt dat binnen het plangebied geen archeologische belemmeringen zijn. De locatie ligt in een gebied met een lage archeologische verwachting. Op grond hiervan is geen onderzoek noodzakelijk. Ook in het bestemmingsplan is geen archeologische waarde voor dit plangebied opgenomen. Indien tijdens werkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen, geldt op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet een meldingsplicht.
28
Figuur 16 weergave plangebied t.o.v. archeologische waardenkaart
De voormalige pastorie en de kerk zijn beiden een gemeentelijk monument. In 2021 is de kerk rigoureus verbouwd. De parochie en het tussenlid bezitten een aantal waardevolle interieurelementen. In de parochie zijn bijvoorbeeld de binnenluiken, schouwen, trap en de tegelvloer in de gang nog aanwezig. Het tussenlid bezit onder meer enkele oorspronkelijke paneeldeuren. De volledige redengevende beschrijving is als bijlage 3 bij deze toelichting gevoegd. In het tussenlid van de voormalige pastorie en de kerk wordt een tweetal starterswoningen gerealiseerd. De omgevingsvergunning hiervoor is inmiddels verleend. Concluderend: In de verbeelding en regels behorende bij deze toelichting is opgenomen dat voor een deel van het plangebied het niet mogelijk is om zonder een omgevingsvergunning bijbehorende bouwwerken te plaatsen. Cultuurhistorie en archeologie vormen hiermee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.3 Flora en Fauna Met de beoogde ontwikkeling mogen beschermde soorten flora en fauna niet worden verstoord. Tevens moet beoordeeld worden in hoeverre beschermde gebieden (negatief) worden beïnvloed. Het wettelijk kader hieromtrent is de Wet natuurbescherming. 4.3.1 Gebiedsbescherming Natura2000 In het kader van de toets aan de Wet Natuurbescherming wordt bepaald of een project of plan (mogelijke) significant negatieve effecten veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Natura2000 gebieden bevinden zich niet op korte afstand van het plangebied. Voor plannen dient middels een pretoets, eventueel gevolgd door een passende beoordeling, getoetst te worden of het plan mogelijk significant negatieve effecten kan hebben op gevoelige habitattypen die gelegen zijn binnen omliggende Natura 2000-gebieden. De beoordeling van plannen, projecten en andere handelingen is uitgewerkt in paragraaf 2.3 van de Wet natuurbescherming. Omdat overtreding van de wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden op voorhand niet uitgesloten kan worden, is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming, Natura 2000 en Gelders Natuurnetwerk in beeld te brengen.
In het rapport (bijgevoegd als bijlage 4, Natuurbank Overijssel, nummer 3789, met datum 19-01-2022) worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven.
29
4.3.2 Gebiedsbescherming Gelders Natuurnetwerk Het plangebied is niet gelegen binnen of nabij de begrenzingen van het Gelders Natuurnetwerk waardoor negatieve effecten hierop zijn uit te sluiten.
Figuur 17 plangebied t.o.v. het Gelders natuurnetwerk
Wettelijke consequenties: Het plangebied behoort niet tot het Gelders natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone of Natura 2000- gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone (geen externe werking). Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en toename verkeer in gebruiksfase, kan een toename van stikstofdepositie in Natura 2000- gebied niet volledig worden uitgesloten. Om vast te kunnen stellen of sprake is van toename van stikstofdepositie, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. Overige negatieve effecten op Natura 2000gebied kunnen vanwege de afstand tot het plangebied uitgesloten worden. Het meest nabijgelegen Natura 2000gebied bevindt zich op een afstand van ruim 7 km van het plangebied.
Stikstofparagraaf Uit de berekeningen met Aerius-calculator (toegevoegd als bijlage 5 Stikstofparagraaf door Locis Adviseurs met datum 13 maart 2023) blijkt dat er ter hoogte van kwetsbare habitattypen in Natura 2000-gebieden, ten gevolge van de stikstofuitstoot binnen dit planproject, geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar zijn. Daarmee staat op voorhand vast dat de activiteiten, nodig voor de gebruiks- en aanlegfase van het gewenste plan, geen nadelige effecten hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van de omliggende Natura 2000 gebieden. 4.3.3 Soortenbescherming Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in standhouden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven.
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, 30
dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Wettelijke consequenties: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats, bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats en bezetten vleermuizen er een verblijfplaats. In sommige van de aanwezige beuken zitten holen, welke als potentiële invliegopeningen kunnen dienen voor vleermuizen om in de beuken een verblijfplaats te bezetten. De beuken blijven echter behouden waardoor er geen vleermuis verstoord of gedood wordt en geen verblijfplaats verstoord, beschadigd of vernield wordt. Het plangebied vormt geen functioneel leefgebied van beschermde vissen. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten.
Indien de carport gesloopt en de beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën die een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dienen ze weggejaagd te worden of weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien niet voorkomen kan worden dat een beschermd dier gedood wordt, dient een ontheffing aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende beschermde diersoorten af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties. Concluderend: Het aspect natuurwaarden vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden dient het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht te worden genomen.
Er dient rekening te worden gehouden met het volgende: • Geen grondgebonden zoogdieren en amfibieën doden (verjagen, wegvangen of ontheffing aanvragen); • Werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels.
4.4 Geluid Bij het opstellen van ruimtelijke plannen voor geluidgevoelige bestemmingen (zoals woningen) is de Wet geluidhinder van toepassing. De Wet geluidhinder kent drie geluidbronnen waar geluidzones voor gelden: railverkeerslawaai, wegverkeerslawaai en industrielawaai. Wanneer een ontwikkeling in een zone valt zoals aangegeven in de Wet geluidhinder, moet akoestisch worden aangetoond dat aan de voorkeursgrenswaarden in deze wet wordt voldaan. Wordt niet voldaan aan deze voorkeursgrenswaarden, dan hebben Burgemeester en Wethouders onder voorwaarden de mogelijkheid hogere grenswaarden vast te stellen. Hierbij wordt een procedure doorlopen die aan de eisen van de Wet geluidhinder moet voldoen.
Railverkeerslawaai In de omgeving van het plan bevindt zich geen spoorweg. Het onderdeel railverkeerslawaai van de Wet geluidhinder is niet van toepassing.
31
Industrielawaai In de omgeving van het plan bevindt zich geen gezoneerd industrieterrein. Het onderdeel industrielawaai van de Wet geluidhinder is niet van toepassing.
Verkeerslawaai In de omgeving van het plan bevinden zich wegen met een wettelijk geluidzone. Voor een ontwikkeling binnen de zone van wegen moet akoestisch onderzoek aantonen dat het verkeerslawaai op de gevel van (bijvoorbeeld) de woning voldoet aan de grenswaarde uit de Wet geluidhinder. Voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen binnen een zone geldt een voorkeursgrenswaarde van ten hoogste 48 dB. Op 30 juni 2022 is er door SAIN milieuadvies een akoestisch onderzoek (rapport nummer 2022-3017) naar verkeerslawaai uitgevoerd. Het volledige rapport is als bijlage 6 toegevoegd. Uit het onderzoek volgt: • De geluidsbelasting vanwege de Terborgseweg overschrijdt de voorkeursgrenswaarde op meerdere woningen. Het is niet mogelijk om de geluidsbelasting te reduceren tot de voorkeursgrenswaarde. Omdat de Terborgseweg een 30 km/u-weg is, is geen hogere waarden-aanvraag nodig. • De geluidsbelastingen vanwege de Bakkerskampstraat en de N317 voldoen aan de voorkeursgrenswaarde. • De geluidsbelasting wordt aanvaardbaar geacht. Er wordt gezorgd voor een voldoende laag binnenniveau in de woningen. In dit geval kan dan gesteld worden dat er vanuit het oogpunt van geluid sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Akoestisch onderzoek geluidwering gevels Als gevolg van het optredende geluid afkomstig van het wegverkeer vanuit de directe omgeving is er door Ancoor akoestisch onderzoek (zie bijlage 7, met datum 26 augustus 2022 en nummer 25185) uitgevoerd naar de benodigde geluidwerende voorzieningen ter plaatse van de te verbouwen pastorie tot in totaal 3 woningen. Het doel van dit onderzoek is het verkrijgen van inzicht in de benodigde geluidwering ter plaatse van de diverse verblijfsruimten. Er dient te worden nagegaan in hoeverre er wordt voldaan aan de geldende grenswaarden voor het binnenniveau conform het Bouwbesluit. Uit de berekeningen blijkt dat de benodigde geluidwering van de gevels voldoet aan de minimaal hieraan te stellen vereisten conform het Bouwbesluit. Dat betekent dat geen verdergaande geluidwerende maatregelen aan de gevels nodig zijn.
Geluidsbelasting op woning 9 vanwege activiteiten cultuurkerk Doordat direct aansluitend aan het plangebied een cultuurkerk is gelegen is er akoestisch onderzoek (zie bijlage 8, akoestisch onderzoek door Geurts Technisch Adviseurs BV met datum 17 oktober 2022 en nummer 8.5565) uitgevoerd naar de geluidsbelasting op de gevels van de woning, omdat er in de kerk o.a. repetities van muziekgezelschappen (harmonie, koor e.d.) plaatsvinden. Doel van het onderzoek is inzichtelijk te maken in hoeverre c.q. onder welke randvoorwaarden het woningbouwplan planologisch inpasbaar is. In het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ en daarmee samenhangend derealisatie van een goed c.q. acceptabel woon‐ en leefklimaat zijn de geluidniveaus vanwege woningbouwplan (in eerste instantie) getoetst aan de richt‐ en grenswaarden uit de VNGbrochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (editie 2009). Uit het onderzoek volgt: • De akoestisch relevante activiteiten zijn muziekgeluid in de cultuurkerk en stemgeluid van bezoekers op het buitenterrein. • Uit toetsing van de resultaten blijkt dat ten aanzien van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,L T ter plaatse van de woning niet voldaan kan worden aan de richtwaarde voor een rustige woonwijk uit de VNG publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. Deze komt overeen met 45 dB(A) etmaalwaarde.
Het bevoegd gezag kan echter gemotiveerd afwijken van deze richtwaarde. Hiervoor kan de volgende motivering worden gebruikt. De overschrijdingen op de gevels van de woning ontstaan door het muziekgeluid in de
32
• •
cultuurkerk gedurende enkele uren per week (uitstraling door de gevels) en in mindere mate door stemgeluid vanbezoekers. Het treffen van bron‐ of overdrachtsmaatregelen is onhaalbaar ofte kos tbaar in verhouding tot de mate en frequentie van overschrijdingen die plaatsvinden. Indien toetsing plaatsvindt aan binnengeluidniveaus voor een acceptabel woon‐ en leefklimaat, wordt ruim voldaan aan de grenswaarde van 35 dB(A) etmaalwaarde. Indien cumulatie met wegverkeerslawaai plaatsvindt, ontstaat een geluidbelast ing op de gevel van ten hoogste 50 dB(A) Lden en een binnengeluidniveau Lden van 30 dB(A). Die waarde voldoet aan stap 3 uit het in de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgenomen stappenschema en is daarom acceptabel te achten door het bevoegd gezag. Bij deze waarden op de gevel kan ook het woon- en leefklimaat in de tuin aanvaardbaar worden geacht, zeker in combinatie met de relatief korte periode en geringe frequentie waarop deze geluidniveaus optreden. Het is bovendien zo dat de gemeente op grond van eigen beleid (zoals vastgelegd in de APV) het ten gehore brengen van onversterkte muziek onder bepaalde voorwaarden (maximaal 8 uur per week en uiterlijk tussen 7:00 en 22:00 uur) aanvaardbaar vindt en dat de cultuurkerk aan deze voorwaarden voldoet. Hierbij kan de cultuurkerk ook in de beoogde situatie voldoen aan de geluidregels uit het Activiteitenbesluit.
Er is dus geen sprake van een belemmering van de bedrijfsvoering en andersom is het woon- en leefklimaat aanvaardbaar te achten. Ten aanzien van de maximale geluidniveaus LAmax kan voldaan worden aan de richtwaarden uit de VNG -publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. Indirecte hinder ten gevolge van aan‐ en afrijdend verkeer is niet te verwachten.
Het woon- en leefklimaat wordt beïnvloed door muziek in het kerkgebouw. Dat kan op basis van een bestuurlijke afweging aanvaardbaar worden bevonden waarbij de gemeente dient te motiveren waarom het deze geluidbelasting in deze concrete situatie acceptbel acht. De geluidargumenten daarvoor staan in het akoestisch onderzoek en deze zijn onderbouwd en akkoord. Concluderend: Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.5 Luchtkwaliteit Op 15 november 2017 is de Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. Ten aanzien van de kwaliteit van de buitenlucht gelden uitsluitend bepalingen uit deze Titel. In bijlage 5 van de Wet milieubeheer zijn grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofdioxiden, fijnstof (PM10), lood, benzeen en koolmonoxide. Bestuursorganen moeten er bij het uitoefenen of toepassen van hun bevoegdheden, waaronder het vaststellen van een bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning, voor zorgen dat deze grenswaarden niet (verder) worden overschreden. Tegelijkertijd met het in werking treden van de luchtkwaliteitseisen in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer is ook het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (hierna: NIBM) in werking getreden. In dit besluit is geregeld dat (nu er een plan is bekendgemaakt, zoals wordt bedoeld in artikel 5.12 van de Wet milieubeheer, namelijk het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van 10 juli 2009) uitbreidingen zijn toegestaan wanneer aannemelijk is gemaakt dat de concentratie in de buitenlucht van fijnstof ten gevolge van de uitbreiding niet de 3% grens overschrijdt. De 3% grens is 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10).
3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie is 1,2 µg fijnstof (PM10 per m³). Met de komst van de extra woningen nemen de verkeersbewegingen licht toe. In het kader van de “worst-case”benadering wordt per woning uitgegaan van maximaal 8 (auto)verkeersbewegingen per etmaal (norm crow.nl). Er wordt voor de “worst-case” benadering derhalve uitgegaan van 13 x 8 (auto)verkeersbewegingen = 104 per etmaal. Door middel van de NIBM-tool is berekend of het extra verkeer invloed heeft op de luchtkwaliteit. De NIBM-tool is een rekentool waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtkwaliteit
33
kan worden vastgesteld. Met de NIBM-tool kan op een eenvoudige en snelle manier bepaald worden of een plan niet-in-betekende-mate bijdraagt (NIBM). In de figuur hieronder is de berekening van de NIBM-tool weergegeven. Geconcludeerd is dat de toename van het verkeer niet-in-betekende-mate bijdraagt.
Verder is binnen het plangebied en in de directe omgeving daarvan geen sprake van feitelijke of dreigende overschrijding van grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Concluderend: De beoogde ontwikkeling draagt vanwege de zeer geringe omvang niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens voor 'niet in betekende mate' ligt bij woningbouwprojecten op 1.500 woningen. Daarnaast is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Luchtkwaliteit is daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.6 Bedrijven- en milieuzonering De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) is een hulpmiddel voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van ruimtelijke ontwikkelingen bij en rondom bedrijven. De in deze uitgave voor bedrijven opgenomen richtafstanden gelden ten opzichte van een rustig woongebied of een rustig buitengebied. De richtafstanden zijn voor drukkere gebieden (gemengd gebied) naar beneden bij te stellen. Bij het voldoen aan de richtafstanden is in beginsel sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en worden omliggende bedrijven niet onevenredig benadeeld in hun mogelijkheden. Aanvullend milieuonderzoek kan uitwijzen dat kleinere afstanden dan de richtafstanden mogelijk zijn. Verder hebben wettelijke afstanden voorrang op de richtafstanden.
34
Figuur 18 richtafstanden tabel Bedrijven en milieuzonering (bron: infomil.nl)
In de directe omgeving is een bedrijf en een maatschappelijke bestemming (kerkgebouw) gelegen. In onderstaande tabel zijn deze vermeld. De afstanden in de tabel zijn gemeten vanuit de rand van de bouwvlakken tot op de (geprojecteerde) gevels van de woningen. In deze situatie is sprake van een rustige woonwijk. Adres Terborgseweg 42 Terborgseweg 44 Terborgseweg 30
Bedrijf Dichterbij dEliefste (webshop voor boeken en tijdschriften) Autobedrijf Koenders (handelen in en reparatie van personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s Stichting Cultuurkerk De Toekomst (beheren en exploiteren kerkgebouw)
Richtafstand 30 meter
Feitelijke afstand 70 meter
30 meter
70 meter
30 meter
0 meter
De beoogde ontwikkeling vindt plaats binnen de richtafstand van een nabijgelegen kerkgebouw. Direct naast de kerk is de pastorie gelegen welke direct aansluitend aan het kerkgebouw is gesitueerd. In deze bestaande situatie is er al een woonbestemming op de pastorie gelegen. Hier mogen dus op grond van het bestemmingsplan nu al mensen wonen die geen binding hebben met het kerkgebouw. Dat betekent dat sprake is van bestaande beperkingen in gebruiksruimte voor de kerk. Andersom mag worden verondersteld dat hier sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dat gaat ook op voor de andere woningen in het plangebied, die op grotere afstand dan de voormalige pastorie van het kerkgebouw zijn gelegen. Bovendien zijn de activiteiten in het kerkgebouw dermate weinig milieuhinderlijk dat deze prima direct naast de functie wonen kunnen bestaan. Concluderend: Gezien de omliggende functies en de aard en omvang daarvan mag ter plaatse van de woningen worden uitgegaan van een goed woon- en leefklimaat. Omliggende bedrijven en functies worden bovendien niet belemmerd door de ontwikkeling. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden.
35
Risicobronnen kunnen onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (onder andere lpg-tankstations) en vervoer van gevaarlijke stoffen en leidingen (onder andere aardgas, vloeibare brandstof en elektriciteit). Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobron en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen.
Figuur 23: kaartuitsnede risicokaart.nl (plangebied bij blauwe rondje)
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen.
Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Structuurvisie buisleidingen van belang. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen.
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen
36
blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. In de wetgeving wordt onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.
Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.
Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Concluderend: Een woning is een kwetsbare object. In de omgeving zijn volgens de Risicokaart Nederland echter geen risicobronnen aanwezig, waarvan de risicocontour over de nieuwe woningen ligt. Ten noorden van het plangebied ligt op een afstand van 210 meter een buisleiding (N-569-72).
Als onderdeel van de plantoelichting van het bestemmingsplan voor het buitengebied is voor alle relevante leidingen een berekening gemaakt van het plaatsgebonden- en groepsrisico (Omgevingsdienst Achterhoek, advies externe veiligheid Buitengebied Oude IJsselstreek, 18 januari 2017). Uit deze kwantitatieve risicoanalyse volgt dat voor alle aanwezige buisleidingen geldt dat de plaatsgebonden risicocontour 10-6 op de leiding ligt. De nieuwe woningen liggen ook ruimschoots buiten de 1% letaliteitsgrens voor buisleiding N-569-72 (binnen deze grens wordt gekeken naar de hoogte van het groepsrisico).
4.8 Water Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het plangebied ligt in het beheersgebied van het waterschap Rijn en IJssel. In het waterbeheerplan 2022-2027 van Waterschap Rijn en IJssel laat het waterschap zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten zij in de samenwerking met haar partners willen leggen. Het waterbeheerprogramma in het kort: • Beheren en onderhouden het grondwater en het water in beken, sloten en riviertjes. De zorg voor schoon water en zuiveren rioolwater. Controleren of iedereen zich aan de regels houdt. Gebiedsinrichting zo uitvoeren dat het beter tegen de klimaatverandering kan. • Kijken naar omgeving en hoe deze het beste kan worden ingericht. Uitgaande van dat het gebied beter kan tegen te nat maar ook tegen te droog weer. Hulp aanbieden zodat inwoners, bedrijven en andere overheden beter kunnen omgaan met de gevolgen van extreem weer. • Zorgen voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Dijken worden zo onderhouden dat er ruimte is voor meer verschillende soorten planten en dieren. • In 2025 wekt het Waterschap alle energie die ze gebruiken zelf op. Ze gebruiken en verspillen zo min mogelijk grondstoffen en stoten veel minder broeikasgassen uit.
Hiervoor worden sommige werkwijzen aangepast en wordt gebruik gemaakt van steeds meer nieuwe technieken.
37
•
Zorgen voor schoon water in beken en sloten, voor mensen en voor dieren en planten. Het rioolwater wordt steeds schoner gemaakt. Sommige plekken worden geschikt gemaakt voor bijzondere planten en dieren. De andere wateren mogen in ieder geval niet viezer worden.
Waterschap Rijn en IJssel heeft een watertoetstabel ontwikkeld waarmee met een aantal vragen in beeld te brengen is welke wateraspecten relevant zijn en met welke intensiteit het watertoetsproces doorlopen dient te worden. De vragen zijn gericht op de locatie van de ruimtelijke ontwikkeling en welke veranderingen er mogelijk worden gemaakt. De intensiteit van het watertoets proces is afhankelijk van de antwoorden op de vragen. Als er op een categorie 2 vraag een ‘ja’ is geantwoord, is een uitbreide watertoets noodzakelijk. Als er alleen met ‘nee’ is geantwoord, dan is het RO-plan waterhuishoudkundig niet van belang en hoeft er geen wateradvies bij het waterschap gevraagd te worden. Navolgend is de watertoetstabel opgenomen. De relevante waterthema’s voor de ontwikkeling worden door middel van de watertoetstabel geselecteerd en vervolgens beschreven (wanneer de toets vraag met ‘ja’ is beantwoord).
38
Watertoetstabel Thema Veiligheid
Riolering en Afvalwaterketen Wateroverlast (oppervlakte-water)
Oppervlaktewaterkwaliteit Grondwateroverlast
Grondwaterkwaliteit Inrichting en beheer Volksgezondheid
Natte natuur
Verdroging Recreatie Cultuurhistorie
Toetsvraag 1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade) 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier? 1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1m3/uur? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI of rioolgemaal van het waterschap? 1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500m2? 2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500m2? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes? 1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd? 1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? 2. Is in het plangebied sprake van kwel? 3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren? 4. Beoogt het plan aanleg van drainage? 1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking? 1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel? 1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? 2.
Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico’s met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur? 4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied? 1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied? 1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? 1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?
Relevant Nee
Intensiteit 2
Nee
2
Nee Nee Nee
2 1 1
Nee
2
Ja
1
Nee Nee
1 1
Nee
1
Nee
1
Nee Nee Nee Nee
1 1 1 1
Nee
1
Nee Nee
2 1
Nee
1
Nee Nee Nee
2 2 1
Nee Nee Nee
1 1 2
Nee
1
Het verhard oppervlakte zal met deze ontwikkeling toenemen. Het gaat om: 1.185m2. Op basis van de bergingseis (gesteld door het Waterschap Rijn en IJssel) van 80mm betekent dit dat er 95m3 water geborgd moet worden binnen het plangebied. Voor het bebouwde oppervlakte geldt een toename van 1.450m2. Ook hierbij geldt een bergingseis van 80mm. Hierdoor betreft de berging 116m3. In totaliteit gaat het om een berging van 211m3. In het ontwerp is er vanuit gegaan dat het hemelwater van particuliere terreinen op eigen terrein middels infiltratie kratten wordt geborgen. Deze kratten zijn aangesloten op een HWA-riool zodat wanneer de kratten vol zijn afgewaterd kan worden op de wadi’s. De groenstrook centraal in het plangebied wordt gebruikt als greppel om het hemelwater naar de zuidwestzijde van het plangebied te leiden. Vanuit hier kan overstort plaatsvinden op het lager gelegen broekbos indien het watersysteem (incl. overloopgebied) volledig gevuld is (laagste punt). Hieronder een weergave van het water systeem. Een volledige weergave van het waterhuishoudkundigplan is bijgevoegd als bijlage 9 (Geofoxx, projectnummer 20220790/MZEN met datum april 2023) bij deze toelichting.
39
Concluderend: Het aspect water vormt, mede gezien de uitkomsten van de klimaatatlas waarin geen bijzonderheden omtrent het aspectwater worden verwacht, zoals beschreven in paragraaf 3.2.4 en paragraaf 3.4.6, geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.9 Verkeer en parkeren Verkeer Door de komst van de nieuw te bouwen woningen zal het aantal vervoersbewegingen met lichte voertuigen toenemen. Per woning wordt uitgegaan van 6 (auto)verkeersbewegingen per etmaal (norm crow.nl). Gemiddeld komt dit neer op 13 x 6 (auto)verkeersbewegingen = 78 verkeersbewegingen van lichte voertuigen per etmaal. De Terborgseweg heeft voldoende capaciteit om de beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen te verwerken.
Parkeren De CROW-stedelijkheidscategorie van Oude IJsselstreek is ‘weinig stedelijk’ (kernen Ulft, Gendringen, Terborg, Silvolde en Varsseveld) en ‘niet stedelijk’ voor de overige kernen in de gemeente. In nieuwe situaties (die bij het gereedkomen van dit plan nog niet in procedure zijn) worden parkeernormen gebruikt als uitgangspunt bij de raming van de parkeerbehoefte. De parkeernormen kennen een bandbreedte (een minimum- en een maximumnorm). In principe geldt de maximale parkeernorm. Alleen wanneer aannemelijk kan worden gemaakt dat er minder parkeerplaatsen noodzakelijk zijn kan de gemeente toestaan dat van dit maximum wordt afgeweken. Volgens het gemeentelijk verkeers- en vervoersplan geldt onderstaande: de locatie ligt in de ‘rest bebouwde kom’ en maximale norm is aangehouden.
2 vrijstaande woningen: 2,2 parkeerplaatsen per woning (2 x 2,2 =) 4,4 4 twee-onder-een kap: 2,2 parkeerplaatsen per woning (4 x 2,2 =) 8,8 7x tussen/hoek: 1,9 parkeerplaatsen per woning (7 x 1,9 =) 13,3
40
Het aantal parkeerplaatsen moet om die reden 27 stuks zijn stuks. Op de planlocatie worden ten behoeve van parkeren in totaal 28 parkeerplaatsen gerealiseerd. Hiervan worden er 20 op eigen terrein en 8 in het openbaar gebied gerealiseerd. Hiermee wordt voldaan aan de parkeernorm. Voor een overzicht van de locatie van de parkeerplekken zie bijlage 1. Concluderend: Verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.10 Kabels en leidingen Binnen het plangebied liggen geen planologisch relevante kabels en leidingen. Met een zogenaamde klic-melding krijgen initiatiefnemers alle kabel- en leidinginformatie, zodat graafschade en gevaarlijke situaties worden voorkomen. Concluderend: Eventuele kabels en leidingen vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.11 Milieueffectrapportage Het bestemmingsplan, waarin ruimtelijke belangen worden geborgd, is het resultaat van een integrale ruimtelijke afweging. In deze integrale afweging worden ook alle milieuonderwerpen meegewogen, los van de wettelijke verplichtingen van de milieueffectrapportage. Welke milieuonderwerpen vanuit een duurzame ruimtelijke ordening voor een plangebied van belang zijn, moet per plan in beeld worden gebracht. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied en de opgave en eventuele wettelijke eisen. De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: a.
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.
b.
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).
c.
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
Ad.a: Wanneer uit een toets blijkt dat de activiteit (mogelijk) significante negatieve effecten tot gevolg heeft, dan kan een vergunning alleen worden verleend als uit een passende beoordeling blijkt dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast. Onderdeel van de passende beoordeling vormt de ADC-toets. De ADC-toets houdt een onderzoek in naar Alternatieven, het aantonen van Dwingende redenen van openbaar belang en het vooraf en tijdig treffen van Compenserende maatregelen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op ruime afstand van het plangebied. De woonactiviteiten op dit perceel hebben geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor dit Natura 2000-gebied ook mede gezien de grote afstand. Een passende beoordeling is dan ook niet noodzakelijk. Ad.b en c.: Woonactiviteiten worden alleen genoemd in relatie tot een stedelijk ontwikkelingsproject, waarbij meer dan 2000 woningen worden gebouwd (onderdeel D. 11.2 van de bijlage van het besluit milieueffectrapportage). Het is de vraag of in deze situatie sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. In ieder geval staat vast dat de drempelwaarde niet wordt overschreden.
41
Op aangeven van de gemeente Oude IJselstreek is zekerheidshalve een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.beoordeling opgesteld (zie bijlage 11). Hieruit komt naar voren dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van kenmerken en locatie van het plangebied, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Hieruit kan worden afgeleid dat er geen reden is tot het uitvoeren van een m.e.r.-procedure. Concluderend Zoals blijkt uit de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling en het beoordelingsbesluit leidt de ontwikkeling niet tot m.e.r.-plicht.
42
5. JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING 5.1 Algemeen Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de landelijke standaard (SVBP2012). Hieronder wordt de opbouw en dergelijke van de regels kort toegelicht.
5.2 Inleidende regels Begrippen (artikel 1) In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.
Wijze van meten (artikel 2) Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
5.3 Bestemmingsregels 5.3.1 Opbouw bestemmingen
Bestemmingsomschrijving Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals agrarisch met waarden en wonen.
Bouwregels In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding.
Afwijken van de bouwregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde bouwregels.
Specifieke gebruiksregels In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Het is niet de bedoeling alle mogelijke strijdig gebruiksvormen te noemen, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de doeleindenomschrijving.
Afwijken van de gebruiksregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels.
43
5.3.2 Bestemmingen Hieronder volgt in het kort een beschrijving van de gebruikte bestemmingen.
Groen (artikel 3) In dit bestemmingplan is de bestemming “groen” overgenomen uit het geldende bestemmingsplan als basisbestemming voor de omliggende openbare gronden buiten de woonbestemming. Binnen de bestemming ‘groen’ zijn gebouwen niet toegestaan. Wel bestaat er de mogelijkheid om binnen deze bestemming onder voorwaarden bouwwerken, geen gebouw zijnde, te realiseren. Ook is er de mogelijkheid opgenomen om parkeervoorzieningen aan te leggen.
Tuin (artikel 4) De met tuin aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen, wegen, paden, erkers en erfafscheidingen.
Tuin – Gaarde (artikel 5) De met tuin - gaarde aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen, weide en daarmee gelijk te stellen doeleinden. Ten aanzien van de waterhuishoudkundige voorzieningen is er een functieaanduiding ‘wadi’ aan de planregels toegevoegd.
Verkeer – verblijfsgebied (artikel 6) Alle wegen en verblijfsgebieden hebben de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' gekregen. Binnen deze bestemming zijn de gronden onder meer bestemd voor voorzieningen ten behoeve van verkeer, vervoer en verblijf. De bebouwingsmogelijkheden binnen deze bestemming zijn zeer beperkt.
Wonen (artikel 7) De nieuwe woningen hebben een bestemming 'Wonen' gekregen. Voor de bebouwingsmogelijkheden wordt een onderscheid gemaakt in het hoofdgebouw van de woning, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken geen gebouwen zijnde. Binnen de bestemming is door middel van aanduidingen onderscheid gemaakt in het type woning. Het hoofdgebouw van de woning mag uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak gerealiseerd worden. De toegestane goot- en bouwhoogten van de woningen is op de verbeelding weergegeven. Voor de vrijstaande woningen is een afstand tot de zijdelingse perceelsgrens opgenomen van 3 meter aan twee zijden. Voor de twee-aan-een woning is, vanwege de relatief smalle kavel, geen afstand tot de zijdelings perceelgrens opgenomen. Hier is voor een bepaald gebied gekozen voor een maximale bouwhoogte. Voor de aaneengebouwde woningen geldt een afstand van 2 meter tot de zijdelingse perceelsgrens. Voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij woningen zijn regels opgenomen over de ligging ten opzichte van de voorgevelrooilijn, met maximum oppervlak en de goot- en bouwhoogte. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals erfafscheidingen, is een maximale maatvoering opgenomen. Hierbij is bepaald dat erfafscheidingen in het achtererfgebied tot een hoogte van 2 meter mogen worden opgericht.
Voor de voorgevel mogen erfafscheidingen tot maximaal 1 meter hoogte worden opgericht. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bijbehorende bouwwerken vergunningsvrij uitgesloten' is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning bijbehorende bouwwerken te bouwen.
5.4 Algemene regels Anti-dubbeltelbepaling (artikel 8) Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
44
Algemene bouwregels (artikel 9) Deze bepaling bevat algemene regels omtrent de bestaande situatie.
Algemene gebruiksregels (artikel 10) Deze bepaling bevat de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan. In dit artikel is tevens een regeling voor parkeren opgenomen. Indien op grond van dit bestemmingsplan wordt gebouwd dan wel het gebruik wordt gewijzigd, dient voorzien te worden in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Ook is er een voorwaardelijke verplichting inzake het landschappelijk inrichtingsplan opgenomen.
Algemene afwijkingsregels (artikel 11) In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
Algemene wijzigingsregels (artikel 12) Deze bepaling omvat de wijzigingsregels voor het aanbrengen van geringe veranderingen in de plaats, ligging en/of afmetingen van bestemmingsgrenzen.
5.5 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht (artikel 13) Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bouwregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag eveneens worden voortgezet.
Slotregel (artikel 14) Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
45
6. ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 6.1. Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, op grond van artikel 3.1 Wro en artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), dient onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om het verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien: het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. Het voorliggende bestemmingsplan heeft voor de gemeente Oude IJsselstreek geen financiële consequenties. De plannen komen voor rekening en risico van de initiatiefnemers. Tevens zal er met de initiatiefnemer een planschadeovereenkomst worden afgesloten.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er is contact geweest met de direct omwonenden inzake de beoogde ontwikkeling. Informatie ten aanzien van de ontwikkeling is middels een brief gedeeld. Deze brief is als bijlage 10 bij deze toelichting gevoegd. Er zijn geen reacties gekomen waaruit blijkt dat het initiatief onwenselijk is. Er is positief op het plan gereageerd. Daarnaast heeft er een afspraak op locatie plaatsgevonden tussen initiatiefnemer, de Bomenstichting Achterhoek en de gemeente om te praten over de waardevolle bomen op het perceel.
46
7. PROCEDURE 7.1 Algemeen Voor het opstellen van een planherziening, op grond van artikel 3.1 Wro en artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), geldt de uniforme voorbereidingsprocedure ex afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Net als in een reguliere bestemmingsplanprocedure geldt bij de voorbereiding van een herziening dat overleg moet worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Het gaat dan tenminste om de waterschappen en diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen wordt soms, in overleg, afgezien van dit overleg. Het ontwerpbestemmingsplan zal, overeenkomstig de gemeentelijke inspraakverordening en artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, voor een ieder ter inzage worden gelegd. Het ontwerp is in te zien op het gemeentehuis en kan ook digitaal worden ingezien via de gemeentelijke website en via de landelijke voorziening voor ruimtelijke plannen.
7.2 Overleg Het ontwerpbestemmingsplan wordt toegezonden aan de provincie Gelderland en het Waterschap Rijn en IJssel.
7.3 Ontwerpbestemmingsplan Conform afdeling 3.4 Awb heeft het ontwerpbestemmingsplan gedurende een termijn van zes weken, van 3 augustus 2023 tot en met 13 september 2023 ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend.
7.4 Vastgesteld bestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan ‘Kom Breedenbroek, locatie hoek Terborgseweg en Bakkerskampstraat’ is vastgesteld in de raadsvergadering van de gemeente Oude IJsselstreek van 23 november 2023 (zie ook bijbehorend vaststellingsbesluit). Tegen een raadsbesluit over de vaststelling van een bestemmingsplan kan beroep worden ingesteld. De beroepstermijn bedraagt zes weken. Een beroep dienen belanghebbenden in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Indien er geen beroep is ingesteld, treedt het plan in werking daags na afloop van de tervisielegging. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
47
Bijlagen 1. Situatietekening 2. Verkennend bodemonderzoek 3. Redengevende beschrijving gemeentelijk monument 4. Quickscan Flora en Fauna 5. Stikstofberekening 6. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai 7. Akoestisch onderzoek geluidwerking gevels 8. Akoestisch onderzoek geluidbelasting cultuurkerk 9. Waterhuishoudkundig plan 10. Brief aan buurtbewoners 11. Aanmeldnotitie vormvrije mer-beoordeling
48