CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting-Buitenplaats de Bleuster, Grensweg Voorst.pdf

Raadsvergadering 25 november 2021, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 3: Bestemmingsplan 'Buitenplaats de Bleuster, Grensweg Voorst'14.679 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Buitenplaats de Bleuster, Grensweg Voorst

Inhoudsopgave

Toelichting

3

Hoofdstuk1 1.1 1.2 1.3 1.4

Inleiding Aanleiding Begrenzing van het gebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer

3 3 3 4 5

Hoofdstuk2 2.1 2.2

Voorgeschiedenis en huidige situatie plangebied Voorgeschiedenis Huidige situatie

6 6 6

Hoofdstuk3 3.1 3.2

Planbeschrijving Algemeen Inrichtingsplan

7 7 7

Hoofdstuk4 4.1 4.2 4.3

Beleidskader Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

11 11 12 15

Hoofdstuk5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

Omgevingsaspecten Milieu Water Flora en fauna Archeologie en cultuurhistorie Verkeer en parkeren Vormvrije m.e.r.-beoordeling

19 19 25 27 30 31 32

Hoofdstuk6 6.1 6.2 6.3

Uitvoerbaarheid Algemeen Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

33 33 33 33

Hoofdstuk7 7.1 7.2

Juridische planaspecten Algemeen Dit bestemmingsplan

35 35 36

2

bestemmingsplan "Buitenplaats de Bleuster, Grensweg Voorst" (vastgesteld)

Toelichting Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Gelegen tussen het perceel Grensweg 7, de Marmelhorstweg en de Aa-Strang bevindt zich het plangebied op het adres Grensweg 9. Op het perceel was van oudsher sprake van een aantal agrarische bedrijven en landbouwgrond. Inmiddels is alle bebouwing gesloopt en is het terrein opgeschoond. De initiatiefnemer is voornemens om, in samenwerking met diverse partijen zoals het waterschap, de provincie en de gemeente een nieuwe woonlocatie te realiseren omringd door nieuwe, eetbare natuur, een buitenplaats. Onderdeel van het initiatief is de aanleg van een fietspad en fietsbrug en de ecologische herinrichting van de oever van de Aa-Strang.

Voor de locatie geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Gendringen 2000, Herziening 2002'. Op grond van dat bestemmingsplan is het beoogde initiatief niet toegestaan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk.

1.2

Begrenzing van het gebied

Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan is gelegen ten oosten van de kernen van Ulft en Gendringen. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Aa-Strang, aan de oostzijde door de Marmelhorstweg, de Grensweg aan de zuidzijde en het perceel Grensweg 7 en weiland aan de westzijde.

Op de navolgende afbeeldingen zijn globaal de ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan.

Globale ligging plangebied

bestemmingsplan "Buitenplaats de Bleuster, Grensweg Voorst" (vastgesteld)

3

Globale begrenzing plangebied

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Zoals in de aanleiding (paragraaf 1.1) al genoemd, valt het plangebied onder de werking van het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Gendringen 2000, Herziening 2002' vastgesteld op 26 februari 2004. Het plangebied heeft binnen het bestemmingsplan de bestemming 'Agrarisch gebied'. Binnen deze bestemming zijn een drietal bouwvlakken opgenomen.

4

bestemmingsplan "Buitenplaats de Bleuster, Grensweg Voorst" (vastgesteld)

Uitsnede vigerend bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied

Volgens artikel 5 van de planregels zijn de gronden met de bestemming 'Agrarisch gebied' hoofdzakelijk bestemd voor agrarische bedrijvigheid, bescherming van natuur- en landschapswaarden en extensieve dagrecreatie. Verder is per bouwvlak één agrarisch bedrijf, waaronder één bedrijfswoning, toegestaan.

De realisatie van reguliere woningen, de beoogde inrichting als buitenplaats en de herinrichting van de oever is op basis van de regels van de bestemming 'Agrarisch gebied' niet toegestaan. De aanleg van een fietspad is overigens wel toegestaan op basis van het geldende bestemmingsplan. De beoogde fietsbrug ligt buiten het plangebied. Voor de beoogde locatie van de brug geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Oude IJsselstreek 2017'. Op basis van dat bestemmingsplan is de fietsbrug reeds toegestaan.

1.4

Leeswijzer

In dit hoofdstuk is een eerste algemene indruk van het plangebied geschetst en is de aanleiding voor het opstellen van een nieuw bestemmingsplan beschreven. In Hoofdstuk 2 van deze toelichting wordt de huidige situatie van het plangebied beschreven. In Hoofdstuk 3 wordt de beoogde nieuwe situatie beschreven. Vervolgens wordt in Hoofdstuk 4 het beleidskader, dat op het plangebied van toepassing is, behandeld. In Hoofdstuk 5 worden de relevante omgevingsaspecten nader toegelicht. Vervolgens wordt in Hoofdstuk 6 de economische uitvoerbaarheid van het plan beschreven. Eveneens geeft het hoofdstuk een toelichting op de resultaten van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, alsmede de resultaten van het ter inzage leggen van het ontwerpbestemmingsplan. Tot slot wordt in Hoofdstuk 7 een toelichting op de juridische planregeling van het bestemmingsplan gegeven.

bestemmingsplan "Buitenplaats de Bleuster, Grensweg Voorst" (vastgesteld)

5

Hoofdstuk 2 2.1

Voorgeschiedenis en huidige situatie plangebied

Voorgeschiedenis

Het plangebied maakt deel uit van de gebiedsontwikkeling Engbergen. Deze gebiedsontwikkeling komt voort uit het provinciale gebiedenbeleid dat inzette op het bereiken van een vitaal en leefbaar platteland in de Achterhoek en Liemers. Naast de gebiedsontwikkeling is ook de versterking van de Ecologische Verbindingszone (EVZ) Oude IJssel/Aa-Strang van belang. Deze versterking van de EVZ ziet toe op ecologische opgaven, hoogwatermaatregelen en maatregelen om de Oude IJssel en Aa-Strang te kunnen beleven.

In het plangebied waren tot 2019 drie agrarische bedrijven aanwezig (Marmelhorstweg 1 en 3 en Grensweg 9/9a). Deze bedrijven zijn door het Rijk aangekocht en de gronden zijn in 2018 overgedragen aan de provincie, zodat de gronden kunnen worden ingezet voor landbouwstructuurverbetering, waterdoelen, natuur- en landschapsdoelen en recreatieve doelen, die vanuit de gebiedsontwikkeling Engbergen worden beoogd. Op de navolgende afbeelding is de voormalige situatie in het plangebied weergegeven.

Luchtfoto voormalige situatie plangebied (bron: Google Earth)

2.2

Huidige situatie

De bedrijfsgebouwen en de erfverharding van de voormalige agrarische bedrijven in het plangebied zijn gesloopt en verwijderd. In de huidige situatie ligt het plangebied ter plaatse van de voormalige opstallen braak. Het overige deel van het plangebied betreft weidegrond, enkele bosschages en een bomenrij aan de Marmelhorstweg.

6

bestemmingsplan "Buitenplaats de Bleuster, Grensweg Voorst" (vastgesteld)

Hoofdstuk 3 3.1

Planbeschrijving

Algemeen

De initiatiefnemer is voornemens om, in samenwerking met het waterschap, de provincie en de gemeente Oude IJsselstreek invulling te geven aan de gebiedsontwikkeling Engbergen. Het voornemen bestaat om het plangebied in te richten als buitenplaats met ruimte voor het verbeteren van de landschappelijke kwaliteiten en natuurontwikkeling. Ongeveer ter plaatse van de voormalige bedrijfsbebouwing wordt in eerste instantie één nieuwe woning gerealiseerd. In voorliggend bestemmingsplan is de mogelijkheid opgenomen om daarnaast op termijn nog eens twee woningen te realiseren binnen het bouwvlak. Het plan maakt daarmee de realisatie van in totaal drie woningen mogelijk.

Onderdeel van initiatief is daarnaast de ecologische herinrichting van de oever van de Aa-Strang aan de noordzijde van het plangebied en de aanleg van een fietsverbinding tussen de noordzijde van de Aa-strang en het vrijliggende fietspad op de kruising van de Grensweg met de Marmelhorstweg. Om de fietsverbinding mogelijk te maken wordt er een brug over de Aa-Strang aangelegd.

In het plangebied liggen aan de noordwestzijde ook gronden die niet tot de buitenplaats zullen behoren. Dit betreffen agrarische gronden die zullen worden bestemd als 'Agrarisch' conform de geldende bestemming en het huidige gebruik. Deze gronden zijn meegenomen in dit bestemmingsplan zodat zij ook worden voorzien van een actuele planologische regeling.

3.2

Inrichtingsplan

3.2.1

Landschappelijke analyse

Het plangebied maakt deel uit van een historisch rivierenlandschap, dat gekenmerkt wordt door hoger gelegen rivieroeverwallen en stroomruggen. Het hoge rivierduin van Engbergen is beplant met bos en de stroomruggen en rivierterrassen zijn in gebruik voor de landbouw. Op de hoger gelegen delen zijn bebouwingseenheden gerealiseerd en in de lager gelegen delen is een open rivierweidelandschap zichtbaar waarin de voormalige riviermeander Aa-Strang als genormaliseerde hoofdwatergang van het gebied stroomt. Het landschap kenmerkt zich door een historisch gegroeid kralensnoer van verdichte bebouwing van agrarische bedrijven en groene elementen op de hoger gelegen delen en de weidsheid en openheid van de lagere weidegronden langs de Aa-Strang. 3.2.2

Uitgangspunten

Uitgangspunten bij het vormgeven en inrichten van de buitenplaats zijn duurzaamheid, natuurlijke uitstraling, biodiversiteit, flora & fauna, respect voor het landschap en de historie, functionaliteit in gebruik en beleving van de buitenplaats. Meer specifiek gelden daarnaast de volgende uitgangspunten: Behouden open ruimte grenzend aan de Aa-Strang; Informele groenstructuur als structuurdrager versterken; Teruglegging oever en aanleg beekvolgende oeverbegroeiing Aa-Strang; Rekening houden met subtiele reliëfsprong in het terrein. 3.2.3

Buitenplaats

Op basis van de landschappelijke analyse en de uitgangspunten hebben de initiatiefnemer en Bor Borren een landschappelijk inrichtingsplan voor de buitenplaats opgesteld (zie Bijlage 1). De kaart van het inrichtingsplan is op navolgende afbeelding weergegeven. Dit plan is tevens op groter formaat bijgevoegd bij het inrichtingsplan.

bestemmingsplan "Buitenplaats de Bleuster, Grensweg Voorst" (vastgesteld)

7

Inrichtingsplan toekomstige situatie buitenplaats

De buitenplaats krijgt een groene en natuurlijke uitstraling. Het versterken van, en aansluiten op bestaande groenstructuren en elementen die reeds aanwezig zijn, speelt een belangrijke rol bij de inpassing van de buitenplaats in het aanwezige landschap.

Navolgend wordt ingegaan op de verschillende (structuur)elementen in het inrichtingsplan.

8

bestemmingsplan "Buitenplaats de Bleuster, Grensweg Voorst" (vastgesteld)

Woning en erf In eerste instantie voorziet het plan in de realisatie van één nieuwe woning. Deze nieuw te realiseren woning wordt centraal binnen het plangebied gerealiseerd ongeveer ter plaatse van de van oudsher hoger gelegen historische vestigingsplaats. Door deze plaats te gebruiken als locatie voor de woning wordt eer gedaan aan de historie, maar wordt de nieuwbouw tevens ingepast in het kralensnoer van bebouwing die reeds aanwezig is in het omliggende gebied op de hoger gelegen delen.

De woning bestaat uit maximaal twee bouwlagen, met een maximale bouwhoogte van 8 m. Daarnaast kan maximaal één hoogteaccent worden aangebracht van maximaal 12 m. De oppervlakte van het hoogteaccent is gemaximeerd op 20 m2. De woning en het erf wordt in samenhang met de omgeving en het landschap ontworpen. De toegang tot het erf zal gerealiseerd worden door een oprit vanaf de Grensweg. Het voorstel is om de oprit te realiseren in halfverharding wat de weg een natuurlijke uitstraling geeft.

De tuin rondom het huis sluit aan bij de omgeving en het voedselbos. Hier komen een aantal bomen voor schaduwwerking op de woning. Daarnaast is de tuin ingericht voor het verbouwen van eenjarige groente, kruiden en bloemen. De moestuin wordt organisch aangelegd waardoor deze als vanzelfsprekend overgaat in de rest van het terrein.

Voedselbos Aan de zuid(oost)-zijde van het plangebied is een voedselbos voorzien. Een voedselbos of eetbare bostuin is een productief bos met eetbare, meerjarige gewassen. Het is dus geen natuurlijk bos en ook geen boomgaard. Het doel van een voedselbos is om de natuur het onderhoud en de productie van het voedsel zoveel mogelijk zelf te laten doen, zodat de mens er zo min mogelijk werk aan heeft. Bij een volwassen voedselbos bestaat het meeste werk uit het oogsten. Op deze manier werkt de mens samen met de natuur, zonder met veel moeite tegen haar wetmatigheden in te gaan.

Vijver Direct ten noordoosten van de woning is een vijver gepland. Het ecologische doel van een vijver is om amfibieën, insecten en vogels aan te trekken. Een vijver vergroot de diversiteit van dieren, insecten en planten. Voor vogels en kikkers is een vijver een rijke voedselbron. Een ander voordeel van de vijver is dat er eetbare en waterzuiverende planten in zullen staan. De niveauverschillen in de vijver vergroten het aantal soorten planten dat toegepast kan worden. Verder ontstaat er bij de vijver een microklimaateffect. Hierdoor groeien bomen en planten in de buurt van de vijver beter, omdat ze (onder andere) meer licht vangen door de reflectie van het water.

Nat-drasgedeelte Tussen vijver en de oever van de Aa-Strang ligt een laagte die als nat-dras gebied zal fungeren. Dit gedeelte biedt ook ruimte als overloop bij hoogwater in de Aa-Strang. Dit gedeelte van het terrein blijft open en de aanplant is gericht op een moeraskarakter met veel oever- en waterplanten zoals riet, lisdodde, zwanenbloem, kattenstaart, kalmoes en dotterbloem. Na overleg met de buren is besloten eerst het muggenprobleem te adresseren.

Oeverzone Aa-Strang De oeverzone wordt ingericht als plas-dras zone met een glooiing in het terrein, in het hellende vlak van het talud richting het water. Deze zone kent nattere plekken. In het gebied wordt sedimentatie

bestemmingsplan "Buitenplaats de Bleuster, Grensweg Voorst" (vastgesteld)

9

toegelaten (ophoping van sedimenten) totdat ontoelaatbare opstuwing optreedt. Tevens wordt rivierhout ingebracht en worden bestaande oevers omgevormd tot natuurlijke (dus deels beboste) beekoevers met paaiplaatsen voor vis. De oeverzone wordt daarbij geflankeerd door een kleine groepen bomen, beek begeleidend bos.

Het streefbeeld voor de functie rivier- en beekoever is een oever waar spontane ontwikkeling een kans krijgt en waar de vegetatie zeer afwisselend kan zijn. De vegetatie bestaat uit riet, moeras- en oeverplanten afgewisseld door houtige gewassen (maximaal 10%).

De oeverbeplanting is divers van ruigte. De totale zone is dus een afwisseling tussen nattere en drogere stukken (groen/blauwe vlakken zijn een suggestie voor nattere delen). Maar dus wel open. Achter de stortstenen, tegenover de uitmonding van de Keizersbeek, wordt opgaande beplanting voorzien die daar van nature zal kunnen ontstaan. De zichtlijn van het pad parallel aan de Keizersbeek zal hierdoor niet belemmerd gaan worden. Openheid is belangrijk. Aan de landzijde zal de oeverzone een obstakelvrij onderhoudspad hebben van vier meter breed, dat toegankelijk is voor wandelaars.

Fietsverbinding Over de buitenplaats wordt het recreatieve fietsnetwerk versterkt door het realiseren van een fietspad dat het al gerealiseerde fietspad aan de Engbergseweg (ter plaatse van de kruising met de Grensweg en Marmelhorstweg) verbindt met het recreatieve fietspad ten noorden van het plangebied dat parallel loopt aan de Aa-Strang. Het vrijliggende fietspad is onderdeel van het totale inrichtingsplan voor de buitenplaats waarbij een brug over de Aa-Strang de verbinding met het bestaande recreatieve netwerk realiseert. Voor de realisatie van het fietspad is een strook van in totaal 2,5 m breed benodigd. Naast een recreatieve functie zorgt de aanleg van de fietsverbinding ook voor veiliger fietsverkeer langs de Marmelhorstweg. In de bestaande situatie wordt het fietsverkeer namelijk over de Marmelhorstweg geleid. In de toekomstige situatie wordt de fiets op dit traject gescheiden van het gemotoriseerde verkeer.

Overige elementen Naast de voornoemde elementen zullen in het plangebied bloemenweides en boerenhagen worden aangeplant. De buitenplaats wordt beleefbaar en mede toegankelijk gemaakt door wandelpaden aan te leggen door de bloemenweide en het voedselbos. Daarnaast kan de buitenplaats een rol spelen in (kleinschalige) natuureducatie en bestaat de wens om de oogst van de bomen en planten op de buitenplaats te verkopen in een verkoopstalletje.

10

bestemmingsplan "Buitenplaats de Bleuster, Grensweg Voorst" (vastgesteld)

Hoofdstuk 4

Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt aangegeven met welke beleidsuitgangspunten van het Rijk, de provincie en het eigen gemeentelijk beleid rekening moet worden gehouden bij het vaststellen van bestemmingsplan 'Buitenplaats de Bleuster, Grensweg Voorst'.

4.1

Rijksbeleid

4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Onderdeel van de Omgevingswet is een visie op de leefomgeving: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Met de NOVI neemt het Rijk het voortouw voor een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Nederland. De NOVI richt zich op de volgende vier prioriteiten die onderling veel met elkaar te maken hebben en gevolgen hebben voor het inrichten van de fysieke leefomgeving: Ruimte maken voor de klimaatverandering en energietransitie; De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden; Steden en regio's sterker en gezonder maken; Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen. In de NOVI staan de keuzes op nationaal niveau, maar in veel gevallen ligt de verantwoordelijkheid bij gemeenten en/of provincies. Op basis van drie uitgangspunten helpt de NOVI bij het wegen van belangen en het maken van keuzes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; Afwentelen wordt voorkomen. De nationale belangen zijn geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).

Het gaat bijvoorbeeld om rijksvaarwegen, defensie, ecologische hoofdstructuur, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en primaire waterkeringen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. 4.1.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Dit belang staat beschreven in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte binnen een breder kader van een goed systeem van ruimtelijke ordening.

Met de Ladder worden eisen gesteld aan de motivering van onder meer bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwingen die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken. De toelichting bij een bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien die ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

bestemmingsplan "Buitenplaats de Bleuster, Grensweg Voorst" (vastgesteld)

11

4.1.3

Toetsing Rijksbeleid

Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van een buitenplaats, waarbij de landschappelijke kwaliteiten van het gebied worden verbeterd en er natuurontwikkeling plaatsvindt. De buitenplaats biedt ruimte aan maximaal drie woningen en ziet daarnaast toe op het aanleggen van een fietsverbinding en de ecologische herinrichting van een oever van een watergang. Met het initiatief wordt een nieuwe toekomstbestendige drager voor het plangebied mogelijk gemaakt. Daarnaast is met het initiatief sprake van klimaatadaptatie.

Voorheen waren in het plangebied drie agrarische bedrijven met elk een bedrijfswoning aanwezig. De bebouwing van deze bedrijven (ruim 7.000 m2) is gesloopt. Qua bebouwing is ten opzichte van de voorgaande (en planologische) situatie sprake van een forse afname. Het aantal woningen binnen het plangebied neemt niet toe. Om die reden is de Ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing.

4.2

Provinciaal beleid

4.2.1

Omgevingsvisie

Op 19 december 2018 is de omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' vastgesteld. In deze visie beschrijft de provincie welke richting de provincie op wil op het gebied van energie, klimaat, water, voedsel en ook hoe de provincie de omgeving wil inrichten.

Om samen een Gaaf Gelderland te bereiken, legt de provincie bij het uitvoeren van haar taken de focus op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met behulp van zeven ambities geeft de provincie hier richting aan: energietransitie; klimaatadaptatie; circulaire economie; biodiversiteit; bereikbaarheid; economisch vestigingsklimaat; woon- en leefklimaat. Voor dit bestemmingsplan is de ambitie voor het woon- en leefklimaat van toepassing. De provincie streeft naar een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Zo worden de economische kracht en kwaliteit van leven in Gelderland versterkt, nu en in de toekomst.

Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang. Bovendien draagt een goede kwaliteit van de leefomgeving bij aan gezondheid. Goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen, een mooie natuur; het is allemaal van belang. Ook goed wonen hoort daarbij. Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met uiteenlopende woonkwaliteiten, zowel stedelijke als landelijke. De Gelderse streken hebben ieder hun eigen aard, waar mensen zich thuis en verbonden met elkaar voelen. In onze groeiende Gelderse steden komen veel activiteiten samen. Tegelijkertijd wordt geïnvesteerd in een vitaal platteland, juist als daar krimp plaatsvindt. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand stedelijk gebied het vertrekpunt. De provincie geeft de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen en gaat voor concentraties van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, kan worden uitgebreid aan de randen van de steden of dorpen.

12

bestemmingsplan "Buitenplaats de Bleuster, Grensweg Voorst" (vastgesteld)

4.2.2

Provinciale Ruimtelijke Verordening

De provincie beschikt over verschillende instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. De verordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.

De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.

Ten aanzien van voorliggend bestemmingsplan zijn de regels ten aanzien van het onderwerp 'Groene ontwikkelingszone' en 'Wonen' relevant.

Groene ontwikkelingszone Ten aanzien van voorliggend bestemmingsplan zijn de regels ten aanzien van het onderwerp 'natuur en landschap' relevant. Op basis van de kaart 'Natuur' van de Omgevingsverordening blijkt dat het plangebied in zijn geheel binnen de Groene Ontwikkelingszone (GO) ligt. Het beleid met betrekking tot de GO is gericht op het versterken van de ecologische samenhang door de aanleg van ecologische verbindingszones, waaronder landgrensoverschrijdende klimaatcorridors. De GO heeft een dubbeldoelstelling: er is ruimte voor economische ontwikkeling in combinatie met versterking van de ecologische samenhang tussen inliggende en aangrenzende natuurgebieden.

De kernkwaliteiten van de GO bestaan uit de aanwezige ecologische waarden, de ecologische samenhang met inliggende en aangrenzende natuur van het GNN, de geomorfologische processen, de waterhuishouding, de kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, de mate van stilte, donkerte en openheid en de landschappelijke waarden.

bestemmingsplan "Buitenplaats de Bleuster, Grensweg Voorst" (vastgesteld)

13

Ligging plangebied binnen GO (lichtgroen) en ten opzichte van GNN (donkergroen). Plangebied binnen rode contour.

Wonen In de verordening wordt aangegeven dat nieuwe woonlocaties en de daar te bouwen woningen slechts zijn toegestaan wanneer dit past in het vigerende door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma, successievelijk de door Gedeputeerde Staten vastgestelde kwantitatieve opgave wonen voor de betreffende regio. 4.2.3

Toetsing Provinciaal beleid

Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van een buitenplaats waarbij de landschappelijke kwaliteiten van het gebied worden verbeterd en er natuurontwikkeling plaatsvindt. Voorheen waren in het plangebied drie agrarische bedrijven met elk een bedrijfswoning aanwezig. De bebouwing van deze bedrijven (ruim 7.000 m2) is gesloopt. Qua bebouwing is ten opzichte van de voorgaande (en planologische) situatie sprake van een forse afname. De buitenplaats biedt ruimte aan maximaal drie woningen en ziet daarnaast toe op het aanleggen van een fietsverbinding en de ecologische herinrichting van een oever van een watergang. Het aantal woningen binnen het plangebied neemt niet toe. Met de uitvoering van het initiatief wordt voldaan aan de doelstellingen van de provincie op het gebied van klimaatadaptatie, biodiversiteit en woon- en leefklimaat.

Uit paragraaf 5.3 blijkt dat er geen significante negatieve effecten verwacht worden op de kernkwaliteiten van het GO en nabijgelegen GNN. Met de uitvoering van het bestemmingsplan neemt het aantal woningen in het plangebied niet toe. Er is daarmee geen sprake van een nieuwe woonlocatie.

Het plan is in overeenstemming met het provinciaal beleid.

14

bestemmingsplan "Buitenplaats de Bleuster, Grensweg Voorst" (vastgesteld)

4.3

Gemeentelijk beleid

4.3.1

Structuurvisie Oude IJsselstreek 2025

De gemeenteraad van Oude IJsselstreek heeft op 12 mei 2011 de Structuurvisie Oude IJsselstreek 2025 vastgesteld. De Structuurvisie geeft richting aan het ruimtelijke, economische en maatschappelijke beleid van de gemeente en laat in grote lijnen zien hoe Oude IJsselstreek zich tot het jaar 2025 zal gaan ontwikkelen. De gemeente Oude IJsselstreek wil zich graag verder ontwikkelen als een dynamische gemeente. Deze boodschap blijft voor de komende jaren een belangrijk uitgangspunt voor het gemeentelijke woonbeleid. Hierbij zijn het Kwalitatief Woon Programma (KWP3), en de opvolger van de regionale woonvisie en de lokale vertaling daarvan kaders voor wonen in de gemeente. Naast het motto 'de juiste woning op de juiste plaats', spelen onder andere kwaliteit van de leefomgeving en de leefbaarheid hierbij een belangrijke rol. Achteruitgang en verloedering van de woon- en leefomgeving moet worden tegengegaan. De bijstelling van de bouwopgave voor de gemeente vraagt om aanpassing van beleid en bestaande bouwplannen. De juiste woning op de juiste plek is hierbij leidend.

De gemeente Oude IJsselstreek kiest waar mogelijk voor inbreiding. Met wijkverbeteringsplannen en geplande nieuwbouwplannen, ziet de gemeente kansen voor het realiseren van meer variatie en onderscheid in het woonaanbod. Hiermee probeert de gemeente Oude IJsselstreek iedereen die woont of wil wonen in de gemeente te voorzien van een passende woning. 4.3.2

Beleidsnotitie Woningbouwplanning Oude IJsselstreek

De beleidsnotitie Woningbouwplanning Oude IJsselstreek is op 24 november 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Belangrijkste opgave voor de toekomst is het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van deze bestaande voorraad. Dit kan door middel van het stimuleren van verduurzaming en levensloopbestendigheid. Daarnaast moeten plannen ontwikkeld worden voor vervangende nieuwbouw. De nieuwbouw is slechts een onderdeel van de totale opgave binnen de volkshuisvesting. Deze notitie gaat in op de beperkte woningbouwopgave in de gemeente en waar deze nieuwbouw de meeste toegevoegde waarde heeft. 4.3.3

Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek

In de 'Kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw' wordt aanbevolen om lokaal een kader vast te stellen over de ruimtelijke inpassing van nieuwbouw binnen de bebouwde kom en in het buitengebied. Op 20 februari 2020 heeft de gemeenteraad vervolgens de 'Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek' vastgesteld. De 'Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek' vormt samen met de 'Kwalitatieve toetsingscriteria voor Woningbouw' de kaders voor nieuwe woningbouwplannen. Met het vaststellen van de Lokale kwaliteitscriteria en de (regionale) Kwalitatieve toetsingscriteria beschikt de gemeente over een compleet kader waarmee nieuwe woningbouwplannen kunnen worden getoetst en kan de gemeente sturen op gewenste ontwikkelingen op de woningmarkt. Uit de 'Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek' blijkt dat de aantoonbare (woning)behoefte voor de komende jaren vooral bij het toevoegen van starters- en levensloopgeschikte woningen ligt, de gemeente wil hier dan ook extra op inzetten. Voor het starterssegment ligt de nadruk logischerwijs met name bij de betaalbaarheid. De levensloopgeschikte woningen zijn voor de doelgroep senioren bedoeld, daarbij gaat het om woningen waarbij (minimaal) alle basisvoorzieningen op de begane grond of gelijkvloers aanwezig zijn. Het bouwen van woningen op locaties met leegstaand vastgoed heeft de voorkeur.

Vanuit het oogpunt van zorgvuldig ruimtegebruik gaat woningbouw op inbreidingslocaties voor op uitbreiding aan de randen van onze kernen. In het kader van de juiste woning op de juiste plek zijn vier typen woningbouwplannen te onderscheiden waarvoor de lokale kwaliteitscriteria een kader biedt: bouwen op onbenutte inbreidingslocaties 'van binnen naar buiten'; buitengebied: woningsplitsing; buitengebied: functieverandering en hergebruik vrijkomende agrarische bebouwing (VAB's); buitengebied: landgoederen;

bestemmingsplan "Buitenplaats de Bleuster, Grensweg Voorst" (vastgesteld)

15

Uitgangspunt voor het buitengebied is dat het toevoegen van extra verstening ongewenst is, het behoud of zelfs de versterking van het groene karakter staat hier daarom centraal. Een initiatief voor woningbouw mag niet ten koste gaan van aanwezige natuur- en/of landschapskwaliteiten. Voor elk type woningbouwplan, of dat nu woningsplitsing, hergebruik/functieverandering van voormalige agrarische gebouwen (vab) of een landgoed is, geldt dat er in een erf- en/of landschapsinrichtingsplan moeten worden aangetoond dat het plan voldoende ruimtelijke kwaliteit biedt. Voorliggend initiatief heeft betrekking op functieverandering en hergebruik vrijkomende agrarische bebouwing (VAB's) in het buitengebied. De lokale kwaliteitscriteria hiervoor zijn: alleen als de locatie in het bestemmingsplan 'Buitengebied Oude IJsselstreek' (of een opvolger daarvan) ligt. alleen bij een volledige beëindiging van de agrarische bedrijfsactiviteit. er dient minimaal 50% van de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt te worden. voor het toevoegen van één woning dient minimaal 750 m2 bebouwing te worden gesloopt voor het toevoegen van een tweede, resp. derde woning dient 1000 m2 bebouwing per toe te voegen woning extra te worden gesloopt. het maximaal aantal toe te voegen per locatie bedraagt drie. per woning is maximaal 150 m2 aan bijgebouwen toegestaan.

er dient sprake te zijn van een zorgvuldige stedenbouwkundige (erfprincipe) en landschappelijke inpassing. De initiatiefnemer dient hiertoe een erf- en landschapsinrichtingsplan te overleggen. Uitgangspunt hierbij is de 'één erf-gedachte'. Het erf- en landschapsinrichtingsplan moet binnen 1 jaar na oplevering van de nieuwe woning(en) gerealiseerd te zijn. 4.3.4

Visie op natuur en landschap

De Visie op Landschap, Natuur en Groene Kernen (VLNGK) biedt dit gewenste toekomstbeeld. De visie is in een interactief proces met bewoners, maar ook organisaties en verenigingen tot stand gekomen. De visie geeft richting aan de gewenste ontwikkeling van het landschap voor zowel het buitengebied als de kernen. De visie gaat in op de wijze waarop de kenmerkende landschappen voor de toekomst verder versterkt worden, in samenhang met de ontwikkelingen die de komende jaren spelen. Ook gaat de visie in op de gewenste groenstructuur in de kernen. De gemeente realiseert de visie niet alleen, een groot aantal zaken pakt zij zelf op, maar de visie moet vooral ook anderen stimuleren om mee te werken aan een groene en gezonde leefomgeving. 4.3.5

Beleidsnotitie Toerisme en Recreatie 2020 - 2024

De gemeente Oude IJsselstreek is een aantrekkelijke gemeente voor inwoners en bezoekers. Deze aantrekkelijkheid wil de gemeente graag behouden en versterken. In de beleidsnotitie zijn de toeristische ambities van de gemeente opgenomen. Er liggen veel kansen. Toerisme is een belangrijk onderdeel van de economie en zorgt voor werkgelegenheid. Samen met ondernemers en betrokken partijen werkt de gemeente de komende jaren aan de kwalitatieve en kwantitatieve groei van de toeristische sector. De beleidsnotitie vormt de basis om een impuls te geven aan de vrijetijdssector in Oude IJsselstreek. Om de doelen te bereiken is in de beleidsnotitie een gebiedsgerichte en thematische aanpak geformuleerd.

Gebiedsgerichteaanpak Binnen de gemeente Oude IJsselstreek worden een aantal toeristische kerngebieden met een concentratie van recreatief-toeristisch aanbod onderscheiden. Dit zijn de Vennebulten-De Radstake, Idink-Nibbelinkbos, Engbergen, DRU, Slootermeer-Scholtenhof en de Oude IJssel. In de beleidsnotitie wordt per kerngebied ingegaan op de opgaven en kansen.

Voor het plangebied is kerngebied Engbergen van belang. Deze rivierduin van de Oude IJssel is van oudsher al bekend als recreatiegebied (met openluchttheater, speeltuin en hertenkamp). Onlangs heeft het gebied Engbergen een enorme upgrade gekregen, waarbij de mogelijkheden om te recreëren flink zijn verbeterd. Het recreatieve aanbod is veelzijdig, met onder andere golf, een blotevoetenpad en een alpacaranch. Kinderen kunnen in het gebied bij de Oude IJssel spelen, klimmen, glijden, spetteren en

16

bestemmingsplan "Buitenplaats de Bleuster, Grensweg Voorst" (vastgesteld)

de natuur ontdekken. Er is een fijnmazig netwerk van wandel-, fiets en ruiterpaden. Het gebied voorziet duidelijk in een maatschappelijke behoefte.

Als actiepunt wordt de ontwikkeling in het plangebied ook specifiek genoemd. Aangegeven wordt dat het voornemen bestaat om bij cluster 'Voorst' medewerking te verlenen aan landgoedontwikkeling, met ruimte voor fietspad Engbergen-Sinderen.

Thematische aanpak Voor onderhavig bestemmingsplan zijn de beleidsdoelen voor het thema 'recreatieve infrastructuur' van belang. Aangegeven wordt dat zowel het toeristisch-recreatief bedrijfsleven als de inwoners gebaat zijn bij een goede, complete en goed onderhouden recreatieve infrastructuur. Een aantrekkelijk routenetwerk is een basisvoorwaarde voor toeristische ontwikkeling. Een constante doorontwikkeling van bereikbaarheid, aantrekkelijkheid en beleefbaarheid is cruciaal om de concurrentie met andere regio's aan te kunnen. Het routenetwerk is onlosmakelijk verbonden met de marketinginspanningen waarmee de regio op de kaart wordt gezet. Het fietsknooppuntensysteem, wandelroutenetwerk, fietspad Doesburg-Bocholt, Aaltense Goor-Zwarte Veen, Recreatiegebied Engbergen, kerkenpaden en de Oude IJssel zijn belangrijke onderdelen van de lokale, recreatieve infrastructuur. Ook wordt samengewerkt met buurgemeente Stadt Isselburg aan de recreatieve ontsluiting naar Huis Landfort vanuit Duitsland. 4.3.6

Toetsing gemeentelijk beleid

Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van een buitenplaats, waarbij de landschappelijke kwaliteiten van het gebied worden verbeterd en er natuurontwikkeling plaatsvindt. De buitenplaats biedt ruimte aan maximaal drie woningen en ziet daarnaast toe op het aanleggen van een fietsverbinding en de ecologische herinrichting van een oever van een watergang. In het verleden waren in het plangebied drie agrarische bedrijven met elk een bedrijfswoning aanwezig. Het aantal woningen in het plangebied neemt daarmee niet toe. De sloop van de bebouwing, het verbeteren van de landschappelijke kwaliteiten en de natuurontwikkeling zorgen voor een verbetering van de ruimtelijke en ecologische kwaliteit ter plaatse en de vitaliteit van het buitengebied.

Navolgend worden de lokale kwaliteitscriteria voor functieverandering en hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing (VAB's) in het buitengebied getoetst. Het plangebied ligt in het buitengebied en valt onder de werking van het bestemmingsplan 'Buitengebied Gendringen 2000, Herziening 2002' (een voorloper van bestemmingsplan 'Buitengebied Oude IJsselstreek'). De agrarische bedrijven in het plangebied zijn beëindigd . De bedrijfsbebouwing van deze bedrijven is volledig gesloopt. De gesloopte bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen hadden een gezamenlijk oppervlakte van ruim 7.000 m2. Het bestemmingsplan biedt de mogelijkheid tot het realiseren van maximaal drie woningen. In de regels van het bestemmingsplan is opgenomen dat er per woning maximaal 150 m² aan bijgebouwen is toegestaan. De initiatiefnemer heeft een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld. Dit is als Bijlage 1 bijgevoegd. In dit plan is uitgegaan van één woning op een erf (het bouwvlak). De eventueel te realiseren overige twee woningen moeten binnen het bouwvlak en daarmee het erf worden gerealiseerd. Het erf is goed ingepast is in het landschap. De uitvoering van het landschappelijk inrichtingsplan en het beheer hiervan is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van het bestemmingsplan (artikel 5.3.1).

Hierin is opgenomen dat de uitvoering binnen vier jaar na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan moet plaatsvinden. Omdat er een voedselbos aangelegd wordt, en het principe van de permacultuur wordt toegepast, wordt afgeweken van de verplichting om de uitvoering van het inrichtingsplan binnen één jaar te realiseren. Het principe van permacultuur vraagt namelijk om meer tijd voor de bemesting, aanplant en realisatie van

bestemmingsplan "Buitenplaats de Bleuster, Grensweg Voorst" (vastgesteld)

17

landschappelijke elementen. Zie hiervoor tevens het stappenplan in hoofdstuk 13 van het landschappelijk inrichtingsplan (Bijlage 1). Dit stappenplan dient als leidraad voor het tijdspad bij de realisatie van de landschappelijke inrichting. In de anterieure overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer is dit stappenplan met tijdspad eveneens opgenomen. De aanleg van het fietspad zorgt voor een verbetering van het (recreatieve) fietsnetwerk en heeft een positief effect op de verkeersveiligheid. De buitenplaats wordt beleefbaar en toegankelijk gemaakt. Tevens zal de oeverzone toegankelijk zijn voor wandelaars. Daarnaast kan de buitenplaats een rol spelen in (kleinschalige) natuureducatie. Het initiatief sluit, gelet op het voorgaande, aan bij de toeristisch-recreatieve beleidsuitgangspunten.

Het initiatief is in overeenstemming met het gemeentelijk beleid.

18

bestemmingsplan "Buitenplaats de Bleuster, Grensweg Voorst" (vastgesteld)

Hoofdstuk 5

Omgevingsaspecten

Ten behoeve van het bestemmingsplan moet de uitvoerbaarheid van het plan worden aangetoond. Het al dan niet voldoen aan verschillende randvoorwaarden en uitgangspunten is bepalend voor de vraag of een nieuwe ontwikkeling ook daadwerkelijk uitvoerbaar is. Hierbij moet worden gedacht aan omgevingsaspecten zoals archeologie, hinder van bedrijven, bodem, cultuurhistorie, duurzaamheid, ecologie, externe veiligheid, geluid, lucht, water en verkeer en parkeren. De beoogde ontwikkeling is op deze aspecten getoetst. In dit hoofdstuk is aangegeven wat hiervan de resultaten zijn.

5.1

Milieu

5.1.1

Bedrijven en milieuzonering

Algemeen Indien door middel van een plan nieuwe, milieuhindergevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dient te worden aangetoond dat deze niet worden gerealiseerd binnen de hinderzone van omliggende bedrijven. Anderzijds mogen milieuhinder-gevoelige functies in de directe omgeving van het plangebied niet negatief worden beïnvloed door de ontwikkelingen die met een plan mogelijk worden gemaakt. Wat betreft de aanbevolen afstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies, zoals wonen, is de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten geraadpleegd. Hierin worden richtafstanden voor het omgevingstype 'gemengd gebied' als 'rustige woonwijk' en 'rustig buitengebied' aanbevolen.

Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen of terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.

Bij een ruimtelijk ontwikkeling kan sprake zijn van al aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de nieuwe gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komt te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG)' geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie waarom dat wordt gedaan.

Toetsing Voorliggend initiatief voorziet in de ontwikkeling van een buitenplaats met maximaal drie woningen, de aanleg van een fietspad en de ecologische herinrichting van een oever van een watergang.

In de omgeving zijn geen bedrijven of andere objecten aanwezig die een ‘zone’ hebben als bedoeld in de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering. In de omgeving van het plangebied zijn enkele veehouderijen gelegen. Voor veehouderijen is het aspect geur van belang. Bij veehouderijen wordt voor het aspect geur getoetst aan de wettelijke bepalingen uit de Wet geurhinder en veehouderij (zie paragraaf 5.1.2).

bestemmingsplan "Buitenplaats de Bleuster, Grensweg Voorst" (vastgesteld)

19

Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 5.1.2

Geurhinder

Algemeen De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt in eerste instantie het wettelijk kader bij de beoordeling van een aanvraag om een milieuvergunning voor dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft hiervoor geurbelastings- en afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van de (geprojecteerde) veehouderij. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging ten behoeve van een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een in de omgeving gelegen veehouderij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad.

Toetsing Met het plan is sprake van de realisatie van nieuwe geurgevoelig objecten, in de vorm van maximaal drie woningen. Voor geurgevoelige objecten die onderdeel zijn van een veehouderij, of een voormalige veehouderij die na 19 maart 2000 is beëindigd, gelden uitsluitend de minimaal aan te houden afstanden en niet de waarde voor de geurbelasting. Hetzelfde geldt voor een 'ruimte-voor-ruimte woning/ geurgevoelig object' als beschreven in artikel 14, tweede lid van de Wgv.

In dit geval is sprake van zogenaamde ruimte-voor-ruimte woningen. Hiervoor geldt een minimale afstand van 50 m tussen een nieuwe woning en veehouderijen. In dit plan liggen de dichtstbijzijnde veehouderijen op meer dan 500 m van het bouwvlak ten behoeve van de woningen.

Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 5.1.3

Bodem

Algemeen Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (2008) dient bij elke ruimtelijke ontwikkeling aangetoond te worden dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik.

Toetsing In de periode 2008-2011 zijn bodemonderzoeken uitgevoerd voor elk van de drie agrarische bedrijven (ter plaatse van bebouwing en erfverharding). Daarbij zijn enkele verontreinigingen aangetroffen, waaronder asbest, kobalt en huisbrandolie. De aard van deze verontreinigingen was zodanig dat er grenswaarden overschreden werden. De onderzoeken concludeerden echter dat geen vervolgactie nodig was, met uitzondering van de verontreiniging met asbest op de locatie Marmelhorstweg 3, waar sanering heeft plaatsgevonden. Later zijn de bestaande bebouwing en erfverharding gesloopt en afgevoerd door een professioneel, gespecialiseerd bedrijf.

Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

20

bestemmingsplan "Buitenplaats de Bleuster, Grensweg Voorst" (vastgesteld)

5.1.4

Geluid

Algemeen De mate waarin geluid, veroorzaakt door het (spoor)wegverkeer en/of door inrichtingen, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Indien geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting een akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van wegen, spoorwegen en inrichtingen.

Toetsing Voor het initiatief is door Buro Ontwerp & Omgeving in juli 2021 een akoestisch onderzoek uitgevoerd1. Het onderzoek is als Bijlage 2 bijgevoegd.

Met het initiatief is sprake van nieuwe geluidgevoelig objecten in de vorm van woningen. De woningen zijn gelegen aan de Marmelhorstweg (ten zuiden) en de Grensweg (ten westen). De Marmelhorstweg betreft een doorgaande weg, waar een regime van 60 km/u geldt. De Grensweg wordt hoofdzakelijk gebruikt voor bestemmingsverkeer en heeft een dermate lage verkeersintensiteit dat deze weg akoestisch gezien niet relevant is. Om die reden is deze weg niet beschouwd in het onderzoek.

Met behulp van standaardrekenmethode I uit het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 is de geluidsbelasting ten gevolge van Marmelhorstweg voor het toekomstige peiljaar 2031 bepaald. Deze bedraagt maximaal 43 dB na aftrek van 5 dB conform artikel 110g Wgh. Daarmee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden. Er is daarmee sprake van een goede ruimtelijke ordening.

Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan. 5.1.5

Externe veiligheid

Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) gehanteerd.

Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt.

bestemmingsplan "Buitenplaats de Bleuster, Grensweg Voorst" (vastgesteld)

21

Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Bevi en Revi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.

Circulaire effectafstanden LPG-tankstations In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. In beginsel zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 60 meter en geen zeer kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 160 meter toegestaan. Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk.

Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt en basisnet), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb en Revb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen.

Toetsing Voorliggende ontwikkeling voorziet in realisatie van (nieuwe) kwetsbaar objecten, namelijk woningen. Om te bepalen waar er zich stationaire en mobiele bronnen bevinden, is de risicokaart Nederland geraadpleegd. De navolgende afbeelding bevat een uitsnede van de risicokaart.

22

bestemmingsplan "Buitenplaats de Bleuster, Grensweg Voorst" (vastgesteld)

Uitsnede risicokaart Nederland (plangebied ter plaatse van blauwe marker)

Op een afstand van circa 500 meter ten oosten van het plangebied is sprake van een bovengrondse tank met propaan. De tank heeft een inhoud van 3.000 liter. De tank is op basis van het Activiteitenbesluit op de risicokaart opgenomen. De 10-6 contour van de tank bedraagt 20 meter. Het plangebied ligt ruim buiten deze contour.

Voor het overige zijn er geen andere potentiële risicobronnen in de omgeving aanwezig.

Conclusie Het aspect externe bestemmingsplan. 5.1.6

veiligheid

vormt

geen

belemmering

voor de

uitvoerbaarheid

van het

Luchtkwaliteit

Algemeen De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd, kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een

bestemmingsplan "Buitenplaats de Bleuster, Grensweg Voorst" (vastgesteld)

23

gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht, waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moet worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM.

Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden.

Toetsing Doordat de drie agrarische bedrijven in het plangebied niet langer in het plangebied aanwezig zijn, zal het aantal verkeersbewegingen in en om het plangebied afnemen. De beëindiging van de agrarische bedrijven zorgen daarnaast voor een afname van fijn stof in en om het plangebied. De ontwikkeling zal daarmee naar verwachting leiden tot een verbetering van de luchtkwaliteit ter plaatse.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de lokale luchtkwaliteit onderzocht, zodat onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is de monitoringstool2 uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van de rijksoverheid geraadpleegd. De monitoringstool geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in het plangebied tussen 2020 en 2030. De monitoringstool kent scenario's zonder en met lokale maatregelen die er voor moeten zorgen dat op termijn overal aan de grenswaarden wordt voldaan. Beide typen scenario's laten in de toekomst een afname van de concentraties zien. Dit komt doordat bedrijven en het verkeer steeds schoner worden door technologische verbeteringen. De monitoringstool maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2020 en 2030 in het plangebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. In het plangebied worden geen gevoelige functies beoogd zoals bedoeld in het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Toetsing aan de grenswaarden is daarom niet noodzakelijk.

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

24

bestemmingsplan "Buitenplaats de Bleuster, Grensweg Voorst" (vastgesteld)

5.2

Water

5.2.1

Algemeen

In het kader van het 'Nationaal Bestuursakkoord Water' moet bij ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond, middels een hydrologisch onderzoek, dat de waterhuishouding niet negatief wordt beïnvloed door de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Dit is vastgelegd in het procesinstrument 'de Watertoets'. 5.2.2

Beleid waterschap

Waterbeheerplan 2016-2021 Het waterschap wil vroegtijdig meedenken over plannen en ontwikkelingen om samen met de gemeente en andere partners te zoeken naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving. Waterschap Rijn en IJssel werkt hierbij vanuit het Waterbeheerplan 2016-2021 waarin het taakgebied, de doelen en de maatregelen die het waterschap t/m 2021 voor ogen heeft, staan beschreven. Een kompas voor de langere termijn biedt de Watervisie 2030. Beide documenten bieden een samenwerkingsagenda voor ieder die op het gebied van water een belang of betrokkenheid heeft. Het waterschap laat in het waterbeheerplan zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten in de samenwerking met de partners belangrijk zijn. Vanuit die verkenning is er beleid gemaakt voor de periode 2016-2021, voor de volgende taakgebieden: Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water. Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water. Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water. Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater. Zorgen voor goede randvoorwaarden voor beroepsvaart op de Oude IJssel: Vaarwegbeheer.

Het convenant EVZ de Oude IJssel Door het Waterschap is met betreffende partners gewerkt aan de uitwerking van ecologische opgaven, hoogwatermaatregelen en maatregelen om de Oude IJssel en Aa-Strang te kunnen beleven. Dit heeft geresulteerd in een inrichtingskaart en een uitvoeringsconvenant dat door alle betrokken partijen is ondertekend. 5.2.3

Toetsing

Waterschap Rijn en IJssel heeft een watertoetstabel ontwikkeld waarmee met een aantal vragen in beeld te brengen is welke wateraspecten relevant zijn en met welke intensiteit het watertoetsproces doorlopen dient te worden. De vragen zijn gericht op de locatie van de ruimtelijke ontwikkeling en welke veranderingen er mogelijk worden gemaakt.

De intensiteit van het watertoetsproces is afhankelijk van de antwoorden op de vragen. Als er op een categorie 2 vraag een 'ja' is geantwoord, is een uitgebreide watertoets noodzakelijk. Is er op geen van de categorie 2 vragen een 'ja' geantwoord, dan kan een verkorte watertoets doorlopen worden. Als er alleen met 'nee' is geantwoord, dan is het RO-plan waterhuishoudkundig niet van belang en hoeft er geen wateradvies bij het waterschap gevraagd te worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/4321/documents/22365