CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting BP Geurinkstraat 1b Silvolde.pdf

Raadsvergadering 26 oktober 2023, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 3: Bestemmingsplan Geurinkstraat 1b Silvolde17.278 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de overkapping wordt gesloopt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende vleermuizen mogelijk af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties. Houtopstanden Binnen het plangebied is geen houtopstand aanwezig. Conclusie Het aspect natuur zorgt niet voor belemmeringen.

4.4

Stikstof Algemeen Op grond van de Wet natuurbescherming worden soorten en habitattypen in Natura 2000-gebieden beschermd waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd. Hieruit volgt dat een project of plan niet mag leiden tot negatieve effecten op de instandhoudings-doelstellingen. In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelasting van stikstof (stikstofoxiden en ammoniak) een knelpunt aanwezig bij de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Nieuwe ontwikkelingen, die een toename van de stikstofdepositie tot gevolg hebben, kunnen hierdoor “significante negatieve effecten” hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen. Effecten van een plan of een project op de stikstofdepositie kunnen ontstaan tijdens de realisatie - en/of de gebruiksfase. 30

Met het rekenmodel AERIUS-Calculator kan de stikstofdepositie (mol N/ha/jaar) op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de ontwikkeling worden berekend. Voor het berekenen van de stikstofdepositie worden in het rekenmodel de emissies van stikstof in de verschillende bronnen ingevoerd. Het rekenmodel berekent vervolgens de verspreiding van deze stikstofemissies en de stikstofdepositie binnen de Natura 2000-gebieden op stikstofgevoelige habitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden van soorten. Toetsing Voor de realisatie van de woning en de sloop van de bebouwing is een stikstofonderzoek6 uitgevoerd. In het onderzoek is er met behulp van modelberekeningen onderzoek gedaan naar de bijdrage van stikstofdepositie op de nabijgelegen Natura 2000gebieden als gevolg van de emissies van stikstofoxiden (NOx) die ontstaan in de beoogde situatie. Dit is zowel gedaan voor de activiteiten bij aanleg als bij de activiteiten bij gebruik van het te beogen project. Aanlegfase Het plan voorziet in de sloop van verschillende gebouwen en de realisatie van 2 woningen en 1 woning welke door middel van een wijzigingsbevoegdheid kan worden gerealiseerd. Mobiele werktuigen Voor de aanleg en sloop zal gebruik worden gemaakt van mobiele werktuigen.

In overleg met de opdrachtgever is een inschatting gemaakt van het gebruik van mobiele werktuigen op basis van cijfers uit vergelijkbare projecten. De effectieve sloop- en bouwtijd duurt in totaal 1 jaar. Onderstaande tabel geeft een overzicht van het groot materieel en het te verwachten dieselverbruik in deze periode.

Bouwverkeer Ten behoeve van de aan- en afvoer van bouwmaterialen en het personeel ter plaatse vindt van en naar de ontwikkellocatie werkverkeer plaats. Maximaal komen er per jaar 700 busjes (lichtverkeer) en 60 vrachtwagen per dag naar het plangebied, dat zijn respectievelijk circa 1.400 en 120 bewegingen. Het bouwverkeer is gemodelleerd vanuit de ontwikkellocatie tot aan het kruispunt Kapelweg/Oude Dinxperloseweg. Hierna is het aan- en afrijdende verkeer door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet dan wel niet meer te onderscheiden van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt en derhalve opgenomen in het heersende verkeersbeeld.

6

SAB (2023). Onderzoek stikstofdepositie Geurinkstraat 1b, Silvolde. Projectnummer 210416. Datum: 21 februari 2023. 31

Conclusie Uit de uitgevoerde berekeningen van de aanlegfase blijkt dat er geen resultaten zijn voor de projectberekening en situatieberekening onder het Wnb registratieset. En is het resultaat 0,00 mol stikstof/ha/j op de geplaatste rekenpunten op de grens van de nabij Duitse Natura 2000 gebieden. Daarmee kunnen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. Gebruiksfase Het plan voorziet in de realisatie van 2 woningen en 1 woning welke door middel van een wijzigingsbevoegdheid kan worden gerealiseerd. De voor stikstofdepositie relevante bronnen voor dit plan in de gebruiksfase betreffen de stookinstallaties van de te realiseren nieuwbouw en de aantrekkende verkeersbewegingen ten gevolge van het plan. Stookinstallaties De nieuwbouw krijgt geen aansluiting op het gastransportnet (Wet voortgang energietransitie, 01-07-2018) en is haardloos verwarmd. Er vindt derhalve geen stikstofdepositie naar de lucht plaats ten gevolge van stikstof emitterende stookinstallaties. De stikstofdepositie voor de gebruiksfase betreft voor dit plan enkel de stikstofdepositie door de verkeersgeneratie. Verkeer Aan de hand van CROW, ASVV 2021, d.d. oktober 2021, is de verkeersgeneratie bepaald. Op basis van de omgevingsadressendichtheid (CBS, 2020) wordt de stedelijkheidsgraad van een gemeente vastgesteld.

De gemeente Oude IJsselstreek wordt geclassificeerd als ‘weinig stedelijk’. Onderhavige locatie wordt beschouwd als ‘rest bebouwde kom’. Onderstaande tabel geeft de verkeersgeneratie weer van de beoogde nieuwbouw waarbij het getal naar boven is afgerond. Zo wordt de worst-case situatie berekend.

Bovenop de hierboven beschreven verkeersgeneratie wordt gerekend met een aantrekkende werking voor middelzwaar vrachtverkeer van 1% van de totale verkeersgeneratie. In dit geval betreft dit, naar boven afgerond, gemiddeld per jaar 90 middelzware vrachtverkeerbewegingen per jaar. Het verkeer is gemodelleerd vanaf de nieuwbouw tot aan de Oude Dinxperloseweg. Dit is iets ruimer dan de checklist van de Provincie Gelderland en de daarin opgenomen uitgangspunten voor het modelleren van wegverkeer. Voor licht verkeer geldt een lengte van 50 meter en 150 meter voor middelzwaar vrachtverkeer. Deze afstanden gelden voor een modellering op de openbare weg. Vanaf de genoemde punten is het aan- en afrijdende verkeer door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet dan wel niet meer te onderscheiden van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt en derhalve opgenomen in het heersende verkeersbeeld.

32

Conclusie Uit de uitgevoerde berekeningen van de gebruiksfase blijkt dat er geen resultaten zijn voor de projectberekening en situatieberekening onder het Wnb registratieset. En is het resultaat 0,00 mol stikstof/ha/j op de geplaatste rekenpunten op de grens van de nabij Duitse Natura 2000 gebieden. Daarmee kunnen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. Conclusie Het aspect stikstof zorgt niet voor belemmeringen.

4.5

Externe veiligheid Algemeen Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijk besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen’ (Bevi), het ‘Besluit externe veiligheid buisleidingen’ (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden.

Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Dit besluit bevat de risiconormen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het binnenwater. Met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Circulaire effectafstanden LPG-tankstations De circulaire is van toepassing bij een besluit ten aanzien van een LPG-tankstation onder werking van het Bevi, dat het mogelijk maakt dat er (meer) personen in de omgeving van een LPG-tankstation aanwezig kunnen zijn. De effecten van bepaalde ongevalsscenario’s staan centraal. Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik In deze circulaire zijn veiligheidszones (A-, B- of C-zone) vastgesteld voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Binnen deze veiligheidszones worden de aanwezigheid van activiteiten en/ of objecten uitgesloten.

33

Beleidsvisie externe veiligheid, gemeente Oude IJsselstreek. Door de gemeente Oude IJsselstreek is lokaal externe veiligheidsbeleid vastgesteld. Het externe veiligheidsbeleid van de gemeente Oude IJsselstreek is vastgesteld op 18 februari 2010.In de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Oude IJsselstreek wordt een afweging gemaakt tussen twee uitgangspunten: − veiligheid in woonwijken en − het niet onnodig frustreren van bedrijfsactiviteiten op bedrijventerreinen. Toetsing Raadpleging van de risicokaart heeft laten zien dat het plan niet ligt binnen risicocontouren of invloedsgebieden van risicobronnen. Dit aspect behoeft geen nader onderzoek, hieronder wordt enkel de toetsing weergegeven. Voor de selectie van risicobronnen is gebruik gemaakt van de ev-signaleringskaart. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede hiervan. Het rode vlak is het plangebied.

Uitsnede ev-signaleringskaart (bron: omgevingsdienst Achterhoek) LPG-tankstation Op circa 570 meter ten westen van het plangebied is een LPG-tankstation gelegen. Dergelijke inrichtingen vallen onder de werkingssfeer van het Bevi. Het Revi geeft een invloedsgebied van 150 meter en de circulaire effectafstanden LPG-tankstations geeft een effectafstand van 160 meter. Beide zones reiken niet tot aan het plangebied, daarmee is het LPG-tankstation niet relevant voor externe veiligheid. Buisleidingen Hogedrukaardgasleidingen: N-569-80 Op circa 870 meter ten zuid(oosten) van het plangebied ligt een hogedruk aardgasleiding (N-569-80). Deze buisleiding valt onder het Bevb en kent, volgens de EVSignaleringskaart, een invloedsgebied (1% letaliteitszone) van 95 meter. Het plangebied valt buiten het invloedsgebied en de buisleidingen is daarmee niet relevant voor externe veiligheid.

34

Overige risicobronnen Overige risicobronnen liggen op grotere afstand en de invloedsgebieden van deze risicobronnen reiken niet tot aan het plangebied. Daarmee zijn er geen risicobronnen relevant voor het beoogde plan. De plaatsgebonden risicocontouren van de bovenstaande risicobronnen reiken niet tot de planlocatie. Daarnaast reiken er ook geen invloedsgebieden over het plangebied. Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het beoogde plan.

Uitsnede risicokaart blauwe cirkel is het plangebied Bron: risicokaart.nl

Conclusie Het aspect externe veiligheid zorgt niet voor belemmeringen.

4.6

Geluid Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) heeft tot doel de mensen te beschermen tegen geluidsoverlast. Op basis van deze wet dient bij het opstellen van een plan aandacht te worden besteed aan het aspect geluid. In de Wet geluidhinder (Wgh) is een zonering van industrieterreinen, wegen en spoorwegen geregeld. Enerzijds betekent dit dat (geluids)eisen worden gesteld aan de milieubelastende functies, anderzijds betekent dit dat beperkingen worden opgelegd aan milieugevoelige functies. Aangezien het plangebied niet gelegen is binnen de zone van een spoorweg en/of in de nabijheid van een gezoneerd industrieterrein, is alleen aandacht besteed aan het aspect wegverkeerslawaai. Toetsing Aan de Geurinkstraat 1b bestaat het voornemen om de bestaande bebouwing te vervangen voor twee nieuwe woningen, waarvan een 3e woning middels een wijzigingsbevoegdheid. In het onderzoek is ook de toekomstige woning getoetst om voor deze locatie ook alvast de haalbaarheid te onderzoeken. Daarnaast wordt beoogd de naastgelegen bestaande bedrijfswoning om te vormen naar een burgerwoning. Het bestemmingsplan zal hiervoor moeten worden aangepast. In het kader van het be-

35

stemmingsplan is onderzoek noodzakelijk naar de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai. Op basis van onderhavig onderzoek 7, waarbij is getoetst op de randen van het bouwvlak vanuit de verbeelding, kan de volgende conclusie worden getrokken: Van elke individueel te onderscheiden weg is geen sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde. Op basis van de resultaten wordt daarmee voldaan aan de Wet Geluidhinder en een goede ruimtelijke ordening. Het aspect geluid, afkomstig van wegverkeer, vormt dus geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Het aspect geluid zorgt niet voor belemmeringen.

4.7

Geur Algemeen De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt in eerste instantie het wettelijk kader bij de beoordeling van een aanvraag om een milieuvergunning voor dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft hiervoor geurbelastingsen afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van de (geprojecteerde) veehouderij. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Toetsing De omgeving van het plangebied typeert zich door de afwisseling van woon- en agrarische bestemmingen. Om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen is een onderzoek uitgevoerd naar het aspect geur. Uit de quick scan geurhinder8 komt naar voren dat binnen 500 meter van het plangebied 3 veehouderijen zijn gelegen met va-dieren ( dieren waarvoor een vaste afstand geldt). Er is géén sprake van veehouderijen met ou-dieren (dieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld) binnen een straal van 500 meter.

Gezien onderhavig plangebied in het buitengebied ligt, en eveneens in een concentratiegebied, geldt een richtafstand van 50 meter voor va-dieren. Hieraan wordt voldaan voor alle in de omgeving gelegen veehouderijen. Voor mestopslagen van 350 m2 of groter dient de minimumafstand 100 meter te bedragen. Omliggende veehouderijen, behalve de manege op Kapelweg 1c, bevinden zich op meer dan 100 meter van de voorgenomen ontwikkeling. Van een mestopslag in de omvang van 350 m2 is bij de manege op Kapelweg 1c geen sprake. Het ligt bij dit

7

SAB (2021). Onderzoek akoestiek wegverkeerslawaai Geurinkstraat Silvolde. Projectnummer 230416. Datum: 23 december 2021.

8

SAB (2022). Quickscan geurhinder Geurinkstraat 1b. Projectnummer 210416. Datum: 20 oktober 2022. 36

bedrijf niet voor de hand dat hiervan in de toekomst sprake zal zijn, gezien het soort bedrijf. Er is daarom geen sprake van een beperking van de bedrijfsvoering bij het aanhouden van een afstand van 50 meter in plaats van een afstand van 100 meter. Conclusie Het aspect geur zorgt niet voor belemmeringen.

4.8

Luchtkwaliteit Algemeen Op 15 november 2007 is de zogeheten 'Wet luchtkwaliteit' in werking getreden. Van toepassing is hiervoor hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het 'Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)'. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'Niet in betekenende mate (NIBM)' bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor een ruimtelijke ontwikkeling als: − er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; − een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; − een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; − een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM.

Het begrip 'niet in betekenende mate bijdragen' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantooren woningbouwlocaties) opgenomen die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Bij woningbouwlocaties geldt een ondergrens van 1.500 woningen met een enkele ontsluitingsweg of 3.000 woningen met twee ontsluitingswegen. Toetsing De voorgenomen ontwikkeling betreft een ontwikkeling van geringe omvang, maximaal 3 woningen ( maximaal 2 woningen met voorliggend plan en nog 1 woning in de toekomst) en daarom kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit niet 'in betekenende mate' zal verslechteren.

37

Tevens blijkt uit algemeen beschikbare informatie dat de blootstelling ter plaatse acceptabel is; de achtergrondconcentraties van NO 2, PM2,5 en PM10 bevinden zich ver onder de grenswaarden. Er hoeft daarom niet nader op het aspect luchtkwaliteit in te worden gegaan. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit leidt niet tot belemmeringen van de voorgenomen ontwikkeling.

4.9

Milieuzonering Algemeen Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven en inrichtingen kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van al aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Het doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

In de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt, dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Toetsing SAB heeft door middel van een quick scan9 gekeken naar de invloed van de ontwikkeling en die van de omgeving op de beoogde ontwikkeling. Hinder van plan op omgeving De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van woningen en de sloop van bebouwing ter plaatse van Geurinkstraat 1b en 3. ‘Wonen’ betreft geen hinderveroorzakende functie en de sloop en het beëindigen van de bedrijfsactiviteiten is er eveneens geen sprake van een hinderveroorzakende functie. Dit betekent dat er geen nadere toetsing van de woningen richting de omgeving noodzakelijk is.

9

SAB (2022). Quick scan bedrijven en milieuzonering Woningbouwontwikkeling Geurinkstraat 1b. Projectnummer 210416. Datum:4 oktober 2022. 38

Hinder van omgeving op plangebied Naast de hinder die een ontwikkeling zelf kan veroorzaken, dient ook onderzocht te worden of de beoogde ontwikkeling zelf hinder kan ondervinden van hinderveroorzakende functies uit de omgeving. Woningen moeten worden aangeduid als milieuhindergevoelig. Aangezien er in de omgeving van de ontwikkellocatie op grond van het bestemmingsplan diverse hinderveroorzakende functies mogelijk zijn en feitelijk gezien zijn gevestigd, zijn deze geïnventariseerd. De navolgende afbeelding geeft de omliggende adressen met hinderveroorzakende functies globaal weer, waarna de verschillende adressen nader worden beschreven en getoetst aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie. De omliggende woonfuncties zijn hierbij buiten beschouwing gelaten. Woningen betreffen immers geen hinderveroorzakende functie. De gemeten afstand van de volgende paragrafen werd telkens vanaf de dichtstbijzijnde woning van de hinderveroorzakende functie gemeten10. Recreatie Direct ten oosten van de ontwikkelingslocatie is sprake van de bestemming ‘Recreatie - Verblijfsrecreatie’ met de functieaanduidingen ‘kampeerterrein’ en ‘bedrijfswoning’.

De voor ‘Recreatie - Verblijfsrecreatie’ aangewezen gronden zijn bestemd voor een bed en breakfast in een bedrijfswoning; behoud, herstel en ontwikkeling van houtsingels; aan huis verbonden beroep; horeca als ondergeschikte nevenactiviteit in de vorm van een kantine; detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit in de vorm van een kampwinkel; kleinschalige windturbines en zonnepanelen voor de opwekking van duurzame energie op gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouw zijnde, uitsluitend binnen een bouwvlak ten behoeve van de eigen energievoorziening, met dien verstande dat voor kleinschalige windturbines een afstand wordt aangehouden tot de belemmeringenstrook van een gasleiding van de grootste waarde van ofwel de bladworpafstand bij nominaal toerental ofwel de afstand gelijk aan de masthoogte + 1/3 wieklengte; aan huis verbonden beroep. De functieaanduidingen die op het perceel gelden, geven de huidige feitelijke situatie aan. In de feitelijke situatie is hier een kampeerterrein gevestigd. Dit valt onder kampeerterrein, vakantiecentra met keuken, met een milieucategorie 3.1. Functie

Omschrijving VNG

Kampeerterrein

Kampeerterrein, vakantiecentra met keuken

Richtafstanden in meters (rustig buitengebied) Geur Stof Geluid Gevaar 30 0 50 30

Gemeten Afstand +/- 103 m (woning vooraan, westzijde van de toegangsweg)

Zoals blijkt uit bovenstaande tabel is de richtafstand voor een dusdanig bedrijf in rustig buitengebied maximaal 50 meter. Daarmee is een nadere beschouwing niet noodzakelijk en wordt voldaan aan een goed woon- en leefklimaat.

10

De afstanden werden op basis van het voorliggende plan en ruimtelijke plannen gemeten. 39

Sport Ten noorden van de ontwikkellocatie is een paardenmanege gelegen. Deze is ook zo met een functieaanduiding opgenomen in het bestemmingsplan. Volgens de VNGpublicatie valt een paardenmanege onder milieucategorie 3.1. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden in meters per aspect weergegeven. Functie

Paardenmanege

Omschrijving VNG Manege

Richtafstanden in meters (rustig buitengebied) Geur 50

Stof 30

Geluid 30

Gemeten Afstand Gevaar 0

+/- 96 m (woning achteraan)

Zoals blijkt uit bovenstaande tabel is de richtafstand voor een dusdanig bedrijf in rustig buitengebied maximaal 50 meter. Daarmee is een nadere beschouwing niet noodzakelijk en wordt voldaan aan een goed woon- en leefklimaat. Agrarisch Ten noorden en ten westen van de ontwikkellocatie zijn er veehouderijen gelegen. Volgens de VNG-publicatie valt een veehouderij onder milieucategorie 3.2. In navolgende tabel zijn de richtafstanden in meters per aspect weergegeven. Functie

Veehouderijen (Rabelingstraat 2, Bievinkstraat 5)

Omschrijving VNG Fokken en houden van rundvee

Richtafstanden in meters (rustig buitengebied) Geur 100

Stof 30

Geluid 30

Gemeten Afstand Gevaar 0

Rabelingstraat 2: +/- 450 m, woning vooraan westzijde

Bievinkstraat 5: +/- 350 m woning achteraan

Zoals blijkt uit bovenstaande tabel is de richtafstand voor een dusdanig bedrijf in rustig buitengebied maximaal 100 meter. Daarmee is een nadere beschouwing niet noodzakelijk en wordt voldaan aan een goed woon- en leefklimaat. Bedrijf Ten noordwesten van de ontwikkellocatie is een agrarisch loonbedrijf met kleinschalige mestbewerking gelegen. Deze is ook zo met een functieaanduiding opgenomen in het bestemmingsplan. De functieaanduiding geeft aan dat maximaal 25.000 ton mestbewerking per jaar toegestaan is. Volgens de VNG-publicatie valt een dergelijk bedrijf onder milieucategorie 3.1. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden in meters per aspect weergegeven.

40

Functie

Omschrijving VNG

Loonbedrijf mestbewerking

algemeen (o.a. loonbedrijven): b.o. > 500 m²

Geur 30

Richtafstanden in meters (rustig buitengebied) Stof Geluid Gevaar 10 50 10

Gemeten Afstand +/- 210 m (woning vooraan, westzijde)

Zoals blijkt uit bovenstaande tabel is de richtafstand voor een dusdanig bedrijf in rustig buitengebied maximaal 50 meter. Daarmee is een nadere beschouwing niet noodzakelijk en wordt voldaan aan een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig initiatief.

4.10

Water

4.10.1

Algemeen Bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen moet de watertoets worden toegepast. Dit houdt in dat alle ruimtelijke plannen een waterparagraaf moeten bevatten. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is om waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. Het kader van de watertoets is vanaf 1 november 2003 wettelijk verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).

4.10.1.1

Rijksbeleid - Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd: − waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); − waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; − waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; − in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; − realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; − Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; − Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang.

41

Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1. Een veilige en klimaatbestendige delta: Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. In het Deltaprogramma is afgesproken dat overheden stresstesten uitvoeren om de risico’s in kaart te brengen en een adaptatiestrategie met een uitvoeringsprogramma opstellen 2. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta: een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio’s en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. 3. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen.

De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Daarnaast hebben de vijf volgende thema’s een centrale rol in dit waterprogramma: 1. Klimaatadaptatie; 2. Waterveiligheid; 3. Zoetwater; 4. Grondwater; 5. Scheepvaart. Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de RijnMaasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en Eems-Dollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). In het coalitieakkoord van eind 2021 is aangegeven dat de komende jaren structureel meer budget wordt uitgetrokken voor instandhouding van wegen, spoor, hoofdwatersysteem en vaarwegen. Het structureel extra budget loopt op via een geleidelijk ingroeimodel.

De budgettaire kaders voor instandhouding zijn daarmee verruimd. Voor het Hoofdwatersysteem en het Hoofdvaarwegennet zal IenW binnen deze budgettaire

42

kaders nog aanvullende keuzes moeten maken om de instandhoudingsopgaven op termijn beheersbaar te houden. 4.10.1.2

Provinciaal beleid - Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem. Dit systeem bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater en is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. De provincie onderschrijft de ambitie van de Europese Kaderrichtlijn Water dat uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik en voert deze uit. De beschermde gebieden voor grondwater, waterberging, de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 zijn leidend bij de uitwerking van dit beleid in programma’s of in kaders in de verordening. Er worden condities gesteld voor effectief en zuinig gebruik van drinkwater, speciale waterecologie (Hoogst Ecologisch Niveau wateren en Specifiek Ecologische Doelstelling wateren), (grond)waterafhankelijke landnatuur plus de beschermingszones natte landnatuur en grondwateronttrekkingen voor drinkwater en industrie, groter dan 150.000 m3/jaar.

De provincie stelt via uitvoerend beleid de doelen voor de regionale wateren voor de Kaderrichtlijn Water vast en geeft daarbij ook invulling aan de voorzieningenniveaus. Met de Gelderse waterschappen en de landbouw geeft de provincie invulling aan het vasthouden van water in de bodem, het grondwater en de haarvaten van het watersysteem. Bescherming tegen overstromingen vindt primair plaats op basis van preventie, waar nodig aangevuld met maatregelen in de ruimtelijke ordening en evacuatie. Deze bescherming gebeurt bij voorkeur in combinatie met het ontwikkelen en versterken van karakteristieke riviernatuur in Natura 2000-gebieden.

4.10.1.3

Waterschapsbeleid Rijn en IJssel De gemeente Oude IJsselstreek en het Waterschap Rijn en IJssel hebben een gemeentelijk waterplan opgesteld. In dit waterplan wordt een integrale visie gegeven op water in Oude IJsselstreek. Deze visie geeft een doorkijk naar de middellange termijn (circa 10 jaar) en de lange termijn (2030). Aan de visie is een uitvoeringsprogramma gekoppeld voor de korte termijn (5 jaar). Het waterplan biedt handvatten voor het opstellen van ruimtelijke plannen, voor de afstemming met rioolbeheer en geeft zo inzicht in de mogelijkheden om te komen tot een duurzaam watersysteem binnen de gemeente. Er wordt gestreefd naar een gezond, veerkrachtig, kwalitatief goed, aantrekkelijk en op de toekomst berekend watersysteem en waterketen. Naast het gemeentelijk waterplan geldt ook het gemeentelijk rioleringsplan. In het rioleringsplan wordt aangegeven dat een particulier een eigenverantwoordelijkheid heeft voor het hemelwater dat op eigenterrein valt. Bij nieuwbouw verwerkt de particulier het hemelwater op eigen perceel.

43

4.10.2

Toetsing Voor onderhavig plan is de digitale watertoets11 doorlopen. Uit de digitale watertoets volgt dat het plan onder de normale procedure valt. De vragen die worden gesteld in de digitale watertoets met betrekking tot het aspect water zijn allen positief. Het verhard oppervlak wordt niet meer dan bestaand en het regenwater kan worden afgekoppeld van het afvalwater. De digitale watertoets geeft aan dat er sprake is van een korte procedure. Het is daarom voldoende om hieronder aan te geven hoe in de plangebied om zal worden gegaan met het aspect water. Thema

Toetsvraag

Relevant

Intensiteit

Veiligheid

1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het

Nee

2

Nee

2

Nee

2

Nee

1

Nee

1

Nee

2

Nee

1

Nee

1

Nee

1

Nee

1

Nee

1

2. Is in het plangebied sprake van kwel?

Nee

1

3. Beoogt het plan dempen van

Nee

1

Nee

1

plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade) 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier? Riolering en

1. Is de toename van het afvalwater

afvalwaterketen

(DWA) groter dan 1m3/uur? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI of rioolgemaal van het waterschap?

Wateroverlast

1. Is er sprake van toename van het

(oppervlaktewater)

verhard oppervlak met meer dan 2500m2? 2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500m2? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes?

Oppervlaktewater-

1. Wordt vanuit het plangebied

kwaliteit

(hemel)water op oppervlaktewater geloosd?

Grondwateroverlast

1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond?

perceelsloten of andere wateren? 4. Beoogt het plan aanleg van drainage?

11

Digitale watertoets (2022) locatie Geurinkstraat 1b Silvolde 11 juli 2022. 44

Grondwaterkwaliteit

1. Ligt het plangebied in de

Nee

1

Nee

1

Nee

2

Nee

1

Nee

1

Nee

2

Nee

2

Nee

1

Nee

1

Nee

1

Nee

2

Nee

1

beschermingszone van een drinkwateronttrekking? Inrichting en beheer

1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?

Volksgezondheid

1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? 2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico’s met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?

Natte natuur

1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur? 4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied?

Verdroging

1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied?

Recreatie

1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?

Cultuurhistorie

1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?

4.10.2.1

Afvalwater Er wordt een gescheiden rioolstelsel aangelegd. Hemelwater en afvalwater worden apart ingezameld. De gemeente verzorgt de aansluiting voor vuilwater tot aan de perceelgrens van de kavel. Op het eigen terrein moeten de toekomstige bewoners zelf zorgdragen voor de aanleg en aansluiting op deze riolering.

4.10.2.2

Hemelwater In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is voor bebouwd gebied een werknorm van toepassing, waarbij de kans dat het peil van het oppervlaktewater het niveau van het maaiveld overschrijdt (inundatie) kleiner of gelijk is aan 1 x per 100 jaar (bui 100). Dit is tevens de norm waarmee het waterschap het bestaande oppervlaktewatersysteem in bebouwd gebied toetst. Waterschap Rijn en IJssel houdt daarbij rekening met een toeslag van 10% op de omvang van de gehanteerde buien vanwege de verwachte klimaatontwikkelingen. 45

Het Waterschap Rijn en IJssel hanteert daarnaast het uitgangspunt dat een zomerse bui met een herhalingstijd van 1 keer per 10 jaar (bui 10+10%) vertraagd afgevoerd moet worden. Bij bui 100+10% mag geen wateroverlast optreden. Voor de herontwikkeling in het plangebied heeft afstemming plaatsgevonden tussen gemeente en waterschap Rijn en IJssel om te bepalen aan welke eisen het plan moet voldoen met betrekking tot het opvangen en afhandelen van hemelwater. De afvoer van het hemelwater gaat niet via het riool, dit water moet geïnfiltreerd worden per woning of (in uitzondering) als een gezamenlijke voorziening (waterretentie). Daarbij is het uitgangspunt dat 10% van de bruto oppervlakte van de locatie beschikbaar moet zijn voor waterinfiltratie (conform: Gemeentelijk Rioleringsplan Oude IJsselstreek 2017-2020). De huidige situatie is sterk verhard. Met het perceel van de bestaande bedrijfswoning niet meegeteld, is bijna 60% van de oppervlakte (2200 m2) verhard. Op de locatie Geurinkstraat 3 worden de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen gesloopt waarvoor geen nieuwbouw op locatie terug wordt gerealiseerd. De toekomstige situatie leidt tot een sterke afname van de verharding met het aanleggen van ruime percelen met tuin en onbebouwde gronden. Er wordt verwacht dat de beoogde ontwikkelingen derhalve gunstig is voor het aspect ‘water’.

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig initiatief.

4.11

M.e.r.-beoordeling Algemeen Het opstellen van een milieueffectrapportage (MER) en het doorlopen van de bijbehorende m.e.r.-procedure is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Dit is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Er zijn drie onafhankelijke sporen die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht: 1 Uit toetsing aan de hand van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) blijkt dat het plan of besluit voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu. In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten planMER-plichtig, besluitm.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelings- plichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Voor (bestemmings)plannen dient te worden getoetst aan de activiteiten en drempelwaarden van onderdeel D van de bijlage bij het besluit m.e.r.. In het geval de activiteit genoemd wordt in onderdeel D, maar die onder de drempelwaarden vallen, dan is een 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' nodig. Bij de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' dient te worden getoetst of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten.

De toetsing dient te worden gedaan aan de hand van de criteria uit Bijlage III bij de Europese richtlijn m.e.r. (kenmerk project, plaats project en kenmerk potentieel effect). Indien belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten, dan is niet alsnog een (plan)m.e.r. (beoordeling) op grond van het Besluit m.e.r. noodzakelijk.

46

2 In het geval van een (bestemmings)plan: indien een 'passende beoordeling' op grond van de Wet natuurbescherming voor dit plan verplicht is vanwege de in het plan opgenomen activiteiten. Een passende beoordeling is verplicht indien significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten; 3 Wanneer Provinciale Staten in haar provinciale milieuverordening activiteiten hebben aangewezen, aanvullend op de activiteiten in het Besluit m.e.r., die kunnen leiden tot m.e.r.-plicht. Toetsing MER-plicht Het bestemmingsplan biedt een juridische-planologische regeling voor het slopen van bestaande bedrijfsbebouwing en de realisatie van een woonfunctie (twee nieuwe woningen met mogelijkheid tot derde woning en omvorming één bedrijfswoning tot burgerwoning). De activiteit die mogelijk wordt gemaakt (wonen) valt onder categorie 'D 11.2 uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. De drempelwaarde voor een m.e.r.-beoordelingsplicht, welke ligt op 2000 woningen, wordt niet behaald. Zodoende kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.beoordeling. Onderhavige toelichting voorziet hierin.

Naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet worden gekeken naar de concrete omstandigheden van het geval, zie daarvoor onder andere de uitspraak van de Afdeling ECLI:NL:RVS:2020:729. Onder meer de aard, de omvang en de milieugevolgen van de stedelijke ontwikkeling zijn relevant. De afstand tot het dichtstbijzijnde Nederlandse Natura 2000-gebied (Korenburgerveen) bedraagt circa 18 kilometer. De Natura 2000-gebieden in Duitsland net over de grens liggen op een kortere afstand. Gelet op de soort activiteit (sloop van de bestaande bedrijfsbebouwing met herbouw van twee woningen met mogelijkheid tot derde woning en een functiewijziging van bedrijfswoning naar burgerwoning) en de afstand tot aan het Natura 2000-gebied, is geoordeeld dat is uit te sluiten dat er significante negatieve effecten optreden op het Natura 2000-gebied. Uit de (milieu)onderzoeken die zijn uitgevoerd in het kader van dit bestemmingsplan, blijkt dat er ook geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het project die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het stoppen van de bedrijfsvoering heeft in het buitengebied alleen maar gunstige effecten voor de omliggende gronden.

Echter volgens jurisprudentie is geen negatieve gevolgen voor het milieu niet de enige beoordelingsgrond voor een stedelijk ontwikkelingsproject. Tevens dient gekeken te worden naar de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Voor onderhavige ontwikkeling is de aard en omvang van het project dermate kleinschalig dat geoordeeld kan worden dat er wel sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom I van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, maar dat de drempelwaarde niet wordt behaald.

47

De Provinciale Staten van Gelderland hebben momenteel geen activiteiten aangewezen die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht. Derhalve is er via dit spoor ook geen sprake van een planMER-plicht voor dit bestemmingsplan. Conclusie Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en dat er geen sprake is van negatieve gevolgen voor het milieu is het niet noodzakelijk om een milieueffectrapportage op te stellen. Het aspect m.e.r. beoordeling vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig initiatief.

4.12

Verkeer en parkeren

4.12.1

Verkeer Algemeen Het voorgenomen plan voorziet in een functiewijziging van een bedrijf naar woningen. Met deze functiewijziging kan de verkeersgeneratie veranderen. Toetsing Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW12 kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Gelet op het feit dat het plangebied zich buiten de kern van Silvolde bevindt, worden de kencijfers voor ‘buitengebied’ aangehouden. De gemeente Oude IJsselstreek wordt conform CBSgegevens ten aanzien van de mate van stedelijkheid gezien als een ‘weinig stedelijk’ gebied. Om te kunnen bepalen welk effect de ontwikkeling heeft op de omliggende infrastructuur, is in onderstaande tabel een vergelijking gemaakt tussen de verkeersgeneratie in de situatie van het verleden met het bedrijf en die in de toekomstige situatie. De huidige situatie is een leegstaand bedrijfspand, dat geen verkeersgeneratie veroorzaakt. Gezien de bedrijfsbestemming die op het perceel rust is het inherent aan de locatie dat een functie met een zekere verkeers-genererende werking ruimtelijk inpasbaar is.

Voor een berekening van de verkeersgeneratie van de situatie van toen is daarom uitgegaan van de categorie die het beste aansluit bij een autoplaatwerkerij: ‘Bedrijf arbeidsintensief / bezoekersextensief’. Voor de berekening van de toekomstige situatie wordt ervan uitgegaan dat de twee woningen onder de categorie ‘Koop, huis, vrijstaand’ vallen. Voor het bedrijf wordt de verkeersgeneratie gemeten per 100 m2 bvo. Er wordt uitgegaan van een bebouwing van circa 1.450 m2 bvo. De verkeersgeneratie voor de woningen is de som van de verkeersgeneratie van in totaal drie nieuwe woningen.

12

CROW, publicatie 381, Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen. 48

Ten slotte wordt de bestaande (voormalige) bedrijfswoning niet meegeteld, omdat deze in de toekomstige situatie blijft bestaan. Dit levert het volgende resultaat op: verkeersgeneratie autoplaatwerkerij

verkeersgeneratie woningen

Verschil

9.1*12 = 109,2

7,8*3= 23,4

- 85,8

Maximaal 10,9*12 = 130,8

8,6*3= 25,8

- 105

Minimaal

De beoogde totale ontwikkeling leidt tot een afname van de verkeersbewegingen, met ongeveer 85%. Dit deel van het buitengebied en de omwonenden zullen hiervan een positief effect hebben. Conclusie Zoals uit voorgaande tabel is af te leiden is de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie fors lager dan de referentiesituatie (autoplaatwerkerij). Daarmee wordt geacht dat het aspect verkeer geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.12.2

Parkeren Algemeen Het voorgenomen project voorziet in een functiewijziging van een bedrijf naar twee woningen. Met deze functiewijziging kunnen aanpassingen plaatsvinden in de parkeerbehoefte. Toetsing Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de aard en omvang van de activiteit waarin het initiatief voorziet. Om de parkeerbehoefte te bepalen, is gebruikgemaakt van de parkeernormen van de gemeente Oude IJsselstreek. Deze zijn opgenomen in de gemeentelijke nota ‘Gemeentelijk Verkeer en Vervoersplan 2012-2020’. Uit de nota volgt is dat de gemeente Oude IJsselstreek de hoge CROW-normen hanteert. Uitgangspunt is ‘weinig stedelijk’ en buitengebied (CROW). Voor het huidige bedrijfspand ‘Bedrijf arbeidsintensief/ bezoekersextensief’ geldt een maximale parkeernorm van 2,6 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. De bebouwing bedraagt 1.200 m2. Deze norm levert een parkeerbehoefte op van 31,2 parkeerplaatsen (2,6*12= 31,2). Deze parkeervoorzieningen werden vooral in de buitenruimte van het plangebied gerealiseerd. Het aandeel bezoekers (0,3 parkeerplaatsen per woning) is reeds in de gemeentelijke parkeernorm inbegrepen. Op grond van de woningtypes wordt ervan uitgegaan dat de woningen onder de categorie ‘Koop, huis, vrijstaand’ vallen. De norm wordt gemiddeld 2,4 parkeerplaatsen per woning. Deze norm levert een parkeerbehoefte op van 7,2 parkeerplaatsen (2,4*3).

Er 4 parkeerplaatsen worden op eigen terrein gerealiseerd. De initiatiefnemer voorziet tevens nog in 4 parkeerplaatsen aan het einde van de gezamenlijke erftoegangsweg. Conclusie Het aspect ‘Parkeren’ vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

49

4.13

Klimaatadaptatie Algemeen Met betrekking tot waterveiligheid en wateroverlast zijn normen vastgesteld met resultaats- en inspanningsverplichtingen voor de waterschappen. Deze normen zijn vastgelegd in de provinciale waterverordeningen voor de waterschappen (Waterverordening Waterschap Rivierenland, Waterverordening Waterschap Vallei en Veluwe en Waterverordening Waterschap Rijn en IJssel). Ruimtelijke ontwikkelingen en weersextremen zijn hierop van grote invloed. Het is daarom van belang dat hiermee bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening wordt gehouden en dat het waterschap hierbij wordt betrokken. Daarnaast vormen de effecten en gevolgen van droogte en hitte een belangrijke problematiek om rekening mee te houden. In artikel 2.65b van de Omgevingsverordening Gelderland is het volgende artikel opgenomen: Artikel 2.65b (klimaatadaptatie) 1. Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, bevat de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. 2. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken: a. waterveiligheid; b. wateroverlast; c. droogte; en d. hitte. 3.

De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt. Toetsing Het voorgenomen project voorziet in een functiewijziging van een bedrijf naar twee nieuwe woningen, waarvan een 3e woning middels een wijzigingsbevoegdheid. De huidige situatie is sterk verhard. Met het perceel van de bestaande bedrijfswoning niet meegeteld, is bijna 60% van de oppervlakte (2.200 m2) verhard. Op de locatie Geurinkstraat 3 worden de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen gesloopt waarvoor geen nieuwbouw op locatie terug wordt gerealiseerd. De toekomstige situatie leidt tot een sterke afname van de verharding met het aanleggen van ruime percelen met tuin en onbebouwde gronden. Door de afname in verharding is er meer ruimte om hemelwater vast te houden wat ook direct de droogte tegen gaat. Door het verhard oppervlak te beperken en veel groen aan te leggen en te behouden wordt ingespeeld om hitte tegen te gaan. Conclusie Rekening houdend met voorgaande vormt het aspect klimaatadaptatie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

50

5 5.1

Plansystematiek Het plan In dit hoofdstuk wordt aangegeven op welke wijze de voorkomende functies in het bestemmingsplan worden geregeld. De planopzet is in overeenstemming met de ROStandaarden. De regels geven inhoud aan de op de verbeelding gegeven bestemmingen. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen al dan niet mogen worden gebruikt en wat en hoe er gebouwd mag worden. De bij dit plan behorende regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten: 1. Inleidende regels. 2. Bestemmingsregels. 3. Algemene regels. 4. Overgangs- en slotregels. In hoofdstuk 1 worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen moeten worden gemeten. In hoofdstuk 2 zijn specifieke regels opgenomen voor de op de verbeelding gegeven bestemmingen. De artikelen bestaan uit een bestemmingsomschrijving en bouwregels, en zo nodig uit afwijkingsregels, specifieke gebruiksregels of vergunningsregels voor aanleggen. De bestemmingsomschrijving is bepalend voor het gebruik van de grond. De hoofdstukken 3 en 4 bevatten regels die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen.

5.2

Toelichting op de plansystematiek Voor onderhavig plan is het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Oude IJsselstreek 2017' van toepassing. Bij het voorliggende bestemmingsplan is aangesloten bij voornoemd bestemmingsplan. In het voorliggende bestemmingsplan heeft het plangebied de volgende bestemming: − ‘Wonen’. Bestemming 'Wonen' Teneinde de woonfunctie op het perceel mogelijk te maken dient het plangebied bestemd te worden met de bestemming 'Wonen'. Er zijn drie bouwvlakken opgenomen; twee voor de twee nieuwe woningen en één van de bestaande tot burgerwoning om te vormen bedrijfswoning. De bouwregels stellen voorwaarden aan de realisatie van hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en overige bouwwerken. Eén woning is toegestaan per bouwvlak.

51

Voorts zijn er gebruiksregels opgenomen waarin wordt aangegeven welke gebruiksfuncties als strijdig met de bestemming worden gezien. Ook zijn er afwijkingsmogelijkheden opgenomen voor zowel het gebruik van de gronden als de bouwregels. Onder voorwaarden kan het college van B&W bijvoorbeeld een omgevingsvergunning verlenen ten behoeve van het verplaatsen van de woning of uitbreiding daarvan. Ter plaatse van de locatie Geurinkstraat 3 is reeds een woonbestemming aanwezig. Het betreft hier enkel de sloop van voormalige agrarische bebouwing en de aanwezige bestemming blijft onveranderd. Algemene gebruiksregels Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarin wordt bepaald dat het gebruik van gronden dat niet overeenkomstig met het erfinrichtingsplan is, wordt aangemerkt als strijdig gebruik. Tevens is opgenomen dat de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - voorwaardelijke verplichting 1’ pas gebruikt mogen worden als de bebouwing welke aangegeven is in bijlage 1 van de regels gesloopt is. Algemene wijzigingsregels Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de derde woning te kunnen realiseren, indien voldaan wordt aan de opgenomen voorwaarden.

Overgangs- en slotregels Het overgangsrecht geldt voor bouwwerken die ooit met een bouwvergunning of een melding zijn gebouwd, of een gebruik dat ooit is toegestaan, maar die nu vanwege een bestemmings- of beleidswijziging onder het overgangsrecht zijn gebracht. Het overgangsrecht is erop gericht dat deze bouwwerken uiteindelijk zullen verdwijnen of dat het gebruik ervan wordt beëindigd, zodat de situatie in overeenstemming komt met de gegeven bestemming. In beginsel mogen de bouwwerken die onder het overgangsrecht vallen, slechts in ondergeschikte mate gedeeltelijk worden vernieuwd en veranderd. Meestal is dat een eenmalige handeling aan het bouwwerk. Het is niet mogelijk om hiermee geheel of in stappen tot een nieuw bouwwerk te komen.

52

6 6.1

Uitvoerbaarheid van het plan Algemeen Op basis van de voorgaande hoofdstukken kan worden geconcludeerd dat de beoogde functiewijziging, gelet op het planologisch beleid, de omgevingssituatie ter plaatse uitvoerbaar kan worden geacht. Geconcludeerd kan worden dat voor de gewenste ontwikkeling sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

6.2

Economische uitvoerbaarheid Door middel van de grondexploitatieregeling in de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) en het Bro beschikken gemeenten over mogelijkheden voor het verhalen van kosten. Hierbij valt te denken aan kosten voor het bouw- en woonrijp maken, planschade en kosten voor het opstellen van een bestemmingsplan. Indien sprake is van bepaalde bouwplannen, dient de gemeente hiervoor in beginsel een exploitatieplan vast te stellen. Van het vaststellen van een exploitatieplan kan worden afgezien als voornoemde kosten anderszins verzekerd zijn. De ontwikkelingen die in dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt worden gerealiseerd in opdracht van de initiatiefnemer. De uit dit plan voorvloeiende kosten zullen door de initiatiefnemer worden bekostigd en drukken niet op de gemeentelijke begroting. Het kostenverhaal van de gemeente zal deel uitmaken van de anterieure overeenkomst, die met de initiatiefnemer is afgesloten. Hierdoor is het kostenverhaal voor de gemeente Oude IJsselstreek voldoende geborgd, zodat afgezien kan worden voor het opstellen van een exploitatieplan. De gemeenteraad moet bij het vaststellen van het bestemmingsplan expliciet het besluit nemen om geen exploitatieplan vast te stellen (artikel 6.12, tweede lid, van de Wro). De economische uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan is niet in het geding.

6.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures voor de vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Met betrekking tot de inspraak bevat de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geen procedureregels en is in de Wro zelf niet verplicht gesteld. Het betreft een ontwikkeling op slechts enkele percelen, die passend is binnen het provinciaal en gemeentelijk beleid. Het onderhavig plangebied is gering van omvang en de ruimtelijke consequenties zijn beperkt. Tevens raakt het plan geen (beleids)belangen van ketenpartners, zoals de provincie of het waterschap. Daarom is geen gelegenheid tot inspraak overeenkomstig de gemeentelijke Inspraakverordening geboden. Conform artikel 3.1.6 Bro zijn de omwonenden geïnformeerd over de beoogde functieverandering aan de Geurinkstraat 1b te Silvolde. Door de aanwezigen is het plan positief ontvangen.

53

7 7.1

Inspraak, overleg en zienswijzen Algemeen De procedures voor de vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Met betrekking tot de inspraak bevat de Wro geen procedureregels en is in de Wro zelf niet verplicht gesteld.

7.2

Vooroverleg

7.2.1

Het Rijk In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

7.2.2

Provincie Gelderland Met voorliggend plan worden geen provinciale belangen geschaad, om deze reden is afgezien van het voeren van vooroverleg met de Provincie.

7.2.3

Waterschap Rijn en IJssel In dit geval is de digitale watertoets uitgevoerd voor het plan. Hieruit kwam naar voren dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Er vindt geen uitbreiding van verhard oppervlak plaats en er is geen sprake van demping of herinrichting van watergangen. Op basis daarvan is door het waterschap voor het onderhavige plan een positief wateradvies gegeven. Met de betreffende mail berichtte het waterschap dat er geen waterbelangen worden geraakt. Zie ook paragraaf 4.10 Water.

7.3

Zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan Geurinkstraat 1b, Silvolde heeft van 22 juni 2023 tot en met 2 augustus 2023 ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is eenieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen kenbaar te maken aan de gemeenteraad. Gedurende de periode van terinzagelegging is één schriftelijke zienswijze ingediend. De zienswijze is in de Nota zienswijzen13 samengevat en beantwoord. De ingediende zienswijze heeft niet geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan.

13

Nota zienswijzen Bestemmingsplan ‘Geurinkstraat 1b, Silvolde’. 24 augustus 2023. 54

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/4579/documents/27462