Toelichting bestemmingsplan Entinkweg 3 Sinderenseweg 52 en 74.pdf
Tekst van het document
Sinderenseweg 74 Er moet worden aangetoond dat het beoogde plan enerzijds geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat er anderzijds sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het beoogde plan aan de Sinderenseweg 74. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen agrarische bedrijven gelegen waardoor ruimschoots wordt voldaan aan de minimumafstand van 50 meter tot omliggende agrarische bedrijven. Concluderend: De voorgenomen ontwikkeling veroorzaakt geen extra belemmeringen voor omliggende functies en ter plekke van de woningen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, zodat het plan voldoet aan het principe van een goede ruimtelijk ordening.
4.6 Luchtkwaliteit Op 15 november 2017 is de Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. Ten aanzien van de kwaliteit van de buitenlucht gelden uitsluitend bepalingen uit deze Titel.
24
In bijlage 5 van de Wet milieubeheer zijn grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofdioxiden, fijnstof (PM10), lood, benzeen en koolmonoxide. Bestuursorganen moeten er bij het uitoefenen of toepassen van hun bevoegdheden, waaronder het vaststellen van een bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning, voor zorgen dat deze grenswaarden niet (verder) worden overschreden. Tegelijkertijd met het in werking treden van de luchtkwaliteitseisen in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer is ook het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (hierna: NIBM) in werking getreden. In dit besluit is geregeld dat (nu er een plan is bekendgemaakt, zoals wordt bedoeld in artikel 5.12 van de Wet milieubeheer, namelijk het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van 10 juli 2009) uitbreidingen zijn toegestaan wanneer aannemelijk is gemaakt dat de concentratie in de buitenlucht van fijnstof ten gevolge van de uitbreiding niet de 3% grens overschrijdt. De 3% grens is 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10). 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie is 1,2 µg fijnstof (PM10 per m³). Door de toevoeging van 2 nieuwe woningen neemt het aantal verkeersbewegingen licht toe, echter vallen de verkeersbewegingen ten aanzien van het agrarisch bedrijf en de zorgboerderij weg.
De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Ter plaatse van het plangebied is bovendien geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer.
Concluderend: Ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Tevens draagt het plan niet in betekenende mate bij aan de heersende luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.7 Bedrijven- en milieuzonering De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) is een hulpmiddel voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van ruimtelijke ontwikkelingen bij en rondom bedrijven. De in deze uitgave voor bedrijven opgenomen richtafstanden gelden ten opzichte van een rustig woongebied of een rustig buitengebied. De richtafstanden zijn voor drukkere gebieden (gemengd gebied) naar beneden bij te stellen. Bij het voldoen aan de richtafstanden is in beginsel sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en worden omliggende bedrijven niet onevenredig benadeeld in hun mogelijkheden. Aanvullend milieuonderzoek kan uitwijzen dat kleinere afstanden dan de richtafstanden mogelijk zijn. Verder hebben wettelijke afstanden voorrang op de richtafstanden.
25
Figuur 15 richtafstanden bedrijven en milieuzonering (bron:infomil.nl)
Sinderenseweg 52 In de directe omgeving zijn een agrarisch bedrijf en een bedrijf gelegen. In onderstaande tabel zijn deze vermeld. De afstanden in de tabel zijn gemeten vanuit de rand van de bouwvlakken tot op de (geprojecteerde) gevels van de woningen. In deze situatie is sprake van een rustige woonwijk. Adres Sinderenseweg 54 Sinderenseweg 45a
Bedrijf Melkvee en schapen Ter Horst (stalling, op- en overslag en garage)
Richtafstand 50 meter 30 meter
Feitelijke afstand 20 meter 185 meter
De beoogde ontwikkeling vindt plaats binnen de richtafstand van een nabijgelegen agrarisch bedrijf. De beoogde ontwikkeling betreft een functieverandering van al bestaande gevoelige objecten (de bedrijfswoning en de zorgboerderij). De richtafstand van 50 meter geldt voor het onderdeel geur. Deze richtafstand blijft formeel buiten beschouwing, omdat er wettelijke minimumafstanden en geurnormen gelden die hierop voorrang hebben. Zoals blijkt uit paragraaf 4.5 is de geursituatie toelaatbaar. Daarnaast is van belang dat voor het onderdeel geluid een richtafstand van 30 meter geldt, waaraan ten opzichte van de bestaande woning niet wordt voldaan. Door de beoogde functieverandering treedt echter geen wijziging op in het beschermingsniveau, zodat het bedrijf niet verder wordt belemmerd dan in de bestaande situatie en het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning niet in het geding is. Voor de op termijn naar seniorenwoning om te bouwen zorgboerderij wordt wel voldaan aan de richtafstand. Sinderenseweg 74 In de nabijheid van de planlocatie aan de Sinderenseweg 74 liggen enkel woonbestemmingen. Op een afstand van 176 m is een aannemersbedrijf gelegen in milieucategorie 2. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter waaraan ruimschoots wordt voldaan. Concluderend: Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Er worden geen omliggende functies belemmerd. Bovendien kan ter plaatse van de nieuwe woningen, gezien de omliggende functies en de aard en omvang daarvan worden uitgegaan van een goed woon- en leefklimaat. Dit geldt ook voor de bestaande woning Sinderenseweg 52.
26
4.8 Externe veiligheid Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Risicobronnen kunnen onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (onder andere lpg-tankstations) en vervoer van gevaarlijke stoffen en leidingen (onder andere aardgas, vloeibare brandstof en elektriciteit). Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobron en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Sinderenseweg 52 Uit de Risicokaart blijkt dat op korte afstand van de planlocatie geen (stationaire) risicobronnen of wegen aanwezig zijn die zijn aangewezen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Wel is er op korte afstand een gasleiding gelegen (N-569-80). Deze heeft een uitwendige diameter van 219mm, een wanddikte van 6mm en een maximale werkdruk van 40bar.
De gasleiding ligt op een afstand van 60 meter tot het dichtstbijzijnde gebouw van de planlocatie. De 100% letaliteitsgrens ligt op 50 meter. De 1% letaliteitsgrens van deze buisleiding ligt op 95 meter. Binnen de 1% letaliteitsgrens wordt gekeken naar de hoogte van het groepsrisico.
Figuur 16 kaartuitsnede risicokaart (bron:risicokaart.nl)
In het bestemmingsplan buitengebied Oude IJsselstreek wordt over deze buisleiding het volgende opgemerkt: voor de aanwezige leiding wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschreden. In dit geval kan worden volstaan met een beperkte motivering van de risico's. De personendichtheid in het invloedsgebied van de buisleiding neemt af doordat de zorgboerderij op termijn komt te vervallen en er in de toekomstige situatie minder mensen aanwezig zullen zijn. De aanwezige personen in de zorgboerderij zijn minder of niet zelfredzaam. Aangezien de zorgboerderij er op termijn mee stopt en de wordt bewoond als burgerwoning betreft het zelfredzame personen. Sinderenseweg 74 Op de locatie zelf is een bovengrondse propaantank van 6000 liter aanwezig. Deze wordt verwijderd. Op een afstand van ongeveer 650m is een defensieleiding gelegen. Deze heeft een uitwendige diameter van 219mm, een wanddikte van 7mm en een maximale werkdruk van 80bar. Er reiken geen plaatsgebonden risicocontouren van risicobronnen over de planlocatie.
27
Figuur 17 kaartuitsnede risicokaart (bron:risicokaart.nl)
Concluderend: Er reiken geen plaatsgebonden risicocontouren van risicobronnen over de planlocaties. Hiermee wordt voldaan aan de richtwaarde van het plaatsgebonden risico. Daarnaast reiken er ook geen invloedsgebieden van risicobronnen over de planlocaties. Er hoeft dan ook geen verantwoording van het groepsrisico te worden opgesteld.
4.9 Water Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. De planlocatie ligt in het beheersgebied van het waterschap Rijn en IJssel. In het waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Rijn en IJssel laat het waterschap zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten zij in de samenwerking met haar partners willen leggen. Vanuit die omgevingsverkenning is vervolgens het beleid voor de planperiode 2016-2021 beschreven voor primaire taakgebieden van het waterschap: • Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water • Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water • Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water • Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater • Zorgen voor goede randvoorwaarden voor beroepsvaart op de Oude IJssel: Vaarwegbeheer Waterschap Rijn en IJssel heeft een watertoetstabel ontwikkeld waarmee met een aantal vragen in beeld te brengen is welke wateraspecten relevant zijn en met welke intensiteit het watertoetsproces doorlopen dient te worden. De vragen zijn gericht op de locatie van de ruimtelijke ontwikkeling en welke veranderingen er mogelijk worden gemaakt.
De intensiteit van het watertoetsproces is afhankelijk van de antwoorden op de vragen. Als er op een categorie 2 vraag een ‘ja’ is geantwoord, is een uitbreide watertoets noodzakelijk. Als er alleen met ‘nee’ is geantwoord, dan is het RO-plan waterhuishoudkundig niet van belang en hoeft er geen wateradvies bij het waterschap gevraagd te worden.
28
Navolgend is de watertoetstabel opgenomen. De relevante waterthema’s voor de ontwikkeling worden door middel van de watertoetstabel geselecteerd en vervolgens beschreven (wanneer de toetsvraag met ‘ja’ is beantwoord). Thema
Toetsvraag
Veiligheid
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (Primaire waterkering, regionale waterkering of kader) 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier? 1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1 m³/uur? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI of rioolgemaal van het waterschap? 1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2.500 m²? 2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m²? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laaggelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes? 1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd? 1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? 2. Is in het plangebied sprake van kwel? 3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren? 4. Beoogt het plan aanleg van drainage? 1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking? 1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel? 1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? 2.
Bevinden zich, of komen er functies, in of bij het plangebied die milieu hygiënische of verdrinkingsrisico’s met zich meebrengen? (Zwemmen, spelen, tuinen aan water) 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEH of SED-water? 3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur? 4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied? 1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied? 1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? 1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?
Riolering en Afvalwaterketen Wateroverlast (oppervlaktewater)
Oppervlaktewaterkwaliteit Grondwateroverlast
Grondwaterkwaliteit Inrichting en beheer Volksgezondheid
Natte natuur
Verdroging Recreatie Cultuurhistorie
Relevant
Intensiteit
Nee
2
Nee Nee Nee
2 2 1
Nee Nee
1 2
Nee
1
Nee
1
Nee
1
Nee Nee Nee
1 1 1
Nee Nee
1 1
Nee
1
Nee Nee
1 2
Nee
1
Nee Nee Nee Nee Nee Nee
1 2 2 1 1 1
Nee Nee
2 1
In gewenste situaties neemt het bebouwde oppervlak ten opzichte van de bestaande situatie niet toe. Hemelwater zal ter plekke infiltreren in de bodem. Het huishoudelijk afvalwater wordt uiteraard wel geloosd op het gemeentelijk riool. Concluderend: Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkelingen.
4.10 Verkeer en parkeren Sinderenseweg 52
Verkeer De huidige verkeersbewegingen ten aanzien van de zorgboerderij vallen weg. Qua verkeersbewegingen zal er met de komst van 2 burgerwoningen daarom geen extra toename optreden van het aantal verkeerbewegingen. Daarnaast heeft Sinderenseweg heeft voldoende capaciteit om het aantal verkeersbewegingen te verwerken.
Parkeren
29
Gestreefd dient te worden naar parkeren op eigen terrein. Volgens het gemeentelijk verkeers- en vervoersplan en volgens de CROW-normen geldt voor duurdere vrijstaande woningen in de bebouwde kom: 2,0 tot 2,2 parkeerplaatsen per woning. Onderhavig initiatief vindt plaats buiten de bebouwde kom. Op het terrein zullen t.b.v. van de 2 woningen minimaal 6 parkeerplaatsen op eigen terrein worden gecreëerd. Daarvoor is ruimschoots ruimte aanwezig en wordt ruimschoots voldaan aan deze parkeernorm (CROW). Sinderenseweg 74
Verkeer De huidige verkeersbewegingen ten aanzien van het agrarisch bedrijf vallen weg. Qua verkeersbewegingen zal er met de komst van 2 extra woningen daarom geen extra toename optreden van het aantal verkeerbewegingen. Daarnaast heeft de Boskapelle en de Sinderenseweg voldoende capaciteit om het aantal verkeersbewegingen te verwerken.
Parkeren Gestreefd dient te worden naar parkeren op eigen terrein. Volgens het gemeentelijk verkeers- en vervoersplan en volgens de CROW-normen geldt voor duurdere vrijstaande woningen in de bebouwde kom: 2,0 tot 2,2 parkeerplaatsen per woning. Onderhavig initiatief vindt plaats buiten de bebouwde kom. Op het terrein aan de Hoge Weg 18 zullen t.b.v. van de 2 te realiseren woningen parkeerplaatsen minimaal 6 parkeerplaatsen op eigen terrein worden gecreëerd. Daarvoor is ruimschoots ruimte aanwezig op beide toekomstige erven en wordt ruimschoots voldaan aan deze parkeernorm (CROW). Concluderend: Verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkelingen.
4.11 Kabels en leidingen Binnen de plangebieden liggen geen planologisch relevante kabels en leidingen. Met een zogenaamde klic-melding krijgt initiatiefnemers alle kabel- en leidinginformatie, zodat graafschade en gevaarlijke situaties worden voorkomen. Concluderend: Eventuele kabels en leidingen vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.12 Milieueffectrapportage Het bestemmingsplan, waarin ruimtelijke belangen worden geborgd, is het resultaat van een integrale ruimtelijke afweging. In deze integrale afweging worden ook alle milieuonderwerpen meegewogen, los van de wettelijke verplichtingen van de milieueffectrapportage. Welke milieuonderwerpen vanuit een duurzame ruimtelijke ordening voor een plangebied van belang zijn, moet per plan in beeld worden gebracht. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied en de opgave en eventuele wettelijke eisen. De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: a.
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.
30
8.
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).
9.
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
Ad.a: Wanneer uit een toets blijkt dat de activiteit (mogelijk) significante negatieve effecten tot gevolg heeft, dan kan een vergunning alleen worden verleend als uit een passende beoordeling blijkt dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast. Onderdeel van de passende beoordeling vormt de ADC-toets. De ADC-toets houdt een onderzoek in naar Alternatieven, het aantonen van Dwingende redenen van openbaar belang en het vooraf en tijdig treffen van Compenserende maatregelen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op grote afstand van het plangebied. De woonactiviteiten op dit perceel hebben geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor dit Natura 2000-gebied ook mede gezien de grote afstand. Een passende beoordeling is dan ook niet noodzakelijk. Ad.b en c.: Woonactiviteiten worden alleen genoemd in relatie tot een stedelijk ontwikkelingsproject, waarbij meer dan 2000 woningen worden gebouwd (onderdeel D. 11.2 van de bijlage van het besluit milieueffectrapportage). In dit geval is, gelet op jurisprudentie, geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject Concluderend: Een milieueffectrapportage, zowel -plicht, -beoordeling als -vormvrij, is niet nodig nu de gewenste activiteiten op perceelsniveau in het Besluit m.e.r. niet worden genoemd.
Daarnaast is een passende beoordeling op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied niet noodzakelijk.
31
4.13 Erfinpassing Sinderenseweg 74 Op 23 november 2021 heeft het Gelders Genootschap een erfadvies opgesteld. Dit advies geeft uitgangspunten en randvoorwaarden voor het ruimtelijk ontwerp en landschappelijke versterking van de locatie en de bebouwing. Hieronder de uitgangspunten en randvoorwaarden. Het volledige advies is als bijlage 4 bij deze toelichting gevoegd.
Figuur 18 erfinpassing Gelders Genootschap
UITGANGSPUNTEN EN RANDVOORWAARDEN a. De nieuwe woningen staan achter de voorgevel van de boerderij en met de noklijn evenwijdig aan de oorspronkelijke schuur en kavellijn. Ze staan in het elkaars verlengde en hebben een vergelijkbare kap en donkere dakbedekking. Zo ontstaat een rustig beeld en blijft het ondergeschikt aan de boerderij. De woningen hebben een rechthoekig grondvlak, één bouwlaag met fors zadeldak. Er wordt gebruik gemaakt van natuurlijke materialen, gedempte kleuren en eenvoudige detaillering. Binnen de traditionele agrarische hoofdschuurvorm is een eigentijds invulling mogelijk. De woningen hoeven niet gelijk aan elkaar te zijn, wel familie. De bijgebouwen zijn inpandig of ondergeschikt aan de woningen en hebben een eenvoudige agrarische uitstraling. b. Er wordt gebruik gemaakt van de bestaande entree. Deze blijft eenvoudig en ondergeschikt aan de hoofdentree aan de Sinderenseweg. Bij voorkeur maken de twee woningen gebruik van dezelfde entree. Een derde toegang aan de Boskapelle is niet mogelijk. Eventueel wel in combinatie met het fietspad met bijbehorende eenvoudige inrichting. c. Het fietspad wordt hersteld en kan eventueel gecombineerd worden met een tweede ontsluiting zoals de entree bij de Sinderenseweg. Ook hier blijft de inrichting eenvoudig en agrarisch. Een extra entree is niet mogelijk. d.
De oude kern met de boerderij blijft in hiërarchie het belangrijkste deel van het ensemble. De nieuwe woningen zijn daar aan ondergeschikt. Ook qua inrichting past hier een meer tuinachtige voorzijde. e. De entree van de boerderij blijft qua uitstraling de hoofdentree van het erfensemble. Onder andere benadrukt door de laanbeplanting van berken.
32
f.
g. h. i.
Het nieuwe deel ontwikkeld zich de grenzen van de bebouwing van de oude kern. De grenzen worden beplant met streekeigen bomen en struiken zodat een stevige groene hoofdstructuur ontstaat dat bijdraagt aan het kampenlandschap. Dit kan plaatselijk ook een meer transparante beplanting zijn voor meer uitzicht zolang het een herkenbaar groene lijnelement blijft. Binnen het groene kader is een meer tuinachtige inrichting mogelijk. Zo draagt het erf bij aan de biodiversiteit en verkleining van het kampenlandschap. Bestaande streekeigen beplanting en de haag wordt zoveel mogelijk behouden en maakt onderdeel uit van de groene hoofdstructuur rondom het erf. Een hoogstam boomgaard is een karakteristiek element bij boerenerven. De bestaande beplanting, onder deel van het groene kader rondom het erf, is waardevol en wordt behouden.
33
5 JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING 5.1 Algemeen Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de landelijke standaard (SVBP2012). Hieronder wordt de opbouw en dergelijke van de regels kort toegelicht.
5.2 Inleidende regels Begrippen (artikel 1) In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.
Wijze van meten (artikel 2) Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
5.3 Bestemmingsregels 5.3.1 Opbouw bestemmingen
Bestemmingsomschrijving Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals agrarisch met waarden en wonen.
Bouwregels In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding.
Afwijken van de bouwregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde bouwregels.
Specifieke gebruiksregels In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Het is niet de bedoeling alle mogelijke strijdig gebruiksvormen te noemen, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de doeleindenomschrijving.
34
Afwijken van de gebruiksregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels. 5.3.2 Bestemmingen Hieronder volgt in het kort een beschrijving van de gebruikte bestemmingen.
Agrarisch met waarden (artikel 3) Op het perceel is geen agrarisch bouwvlak aanwezig, echter gelden er wel bouwmogelijkheden voor het realiseren van bouwwerken geen gebouw zijnde, erf- en perceelsafscheidingen en een paardenbak/paddock.
Wonen (artikel 4) De nieuwe woningen hebben een bestemming 'Wonen' gekregen. Voor de bebouwingsmogelijkheden wordt een onderscheid gemaakt in het hoofdgebouw van de woning, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken geen gebouwen zijnde. Het hoofdgebouw van de woning mag uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak gerealiseerd worden. Voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij woningen zijn regels opgenomen over de ligging ten opzichte van de voorgevelrooilijn, met maximum oppervlak en de goot- en bouwhoogte. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals erfafscheidingen, is een maximale maatvoering opgenomen. Hierbij is bepaald dat erfafscheidingen in het achtererfgebied tot een hoogte van 2 meter mogen worden opgericht. Voor de voorgevel mogen erfafscheidingen tot maximaal 1 meter hoogte worden opgericht.
5.4 Algemene regels Anti-dubbeltelbepaling (artikel 5) Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Algemene bouwregels (artikel 6) Deze bepaling bevat algemene regels omtrent de bestaande situatie.
Algemene gebruiksregels (artikel 7) Deze bepaling bevat de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan. In dit artikel is tevens een regeling voor parkeren opgenomen. Indien op grond van dit bestemmingsplan wordt gebouwd dan wel het gebruik wordt gewijzigd, dient voorzien te worden in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.
Algemene aanduidingsregels (artikel 8) In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de ter plaatse geldende waardes. Tevens is er een verbodsbepaling opgenomen welke aangeeft dat het verboden is om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bepaald werk, geen bouwwerk zijnde, of bepaalde werkzaamheden mag uitvoeren. De criteria hiervoor zijn aangegeven.
Algemene afwijkingsregels (artikel 9) In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
Algemene wijzigingsregels (artikel 10)
35
Deze bepaling omvat de wijzigingsregels voor het aanbrengen van geringe veranderingen in de plaats, ligging en/of afmetingen van bestemmingsgrenzen.
Overige regels (artikel 11) Hierin is bepaald dat het belang van een dubbelbestemming voor het belang van een enkelbestemming gaat.
5.5 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht (artikel 12) Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bouwregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag eveneens worden voortgezet.
Slotregel (artikel 13) Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
36
6 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, op grond van artikel 3.1 Wro en artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), dient onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om het verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien: • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. Het voorliggende bestemmingsplan heeft voor de gemeente Oude IJsselstreek geen financiële consequenties. De plannen komen voor rekening en risico van de initiatiefnemers. Tevens zal er met de initiatiefnemer een planschadeovereenkomst worden afgesloten.
37
7 PROCEDURE 7.1 Algemeen Voor het opstellen van een planherziening, op grond van artikel 3.1 Wro en artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), geldt de uniforme voorbereidingsprocedure ex afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Net als in een reguliere bestemmingsplanprocedure geldt bij de voorbereiding van een herziening dat overleg moet worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Het gaat dan tenminste om de waterschappen en diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen wordt soms, in overleg, afgezien van dit overleg. Het ontwerpbestemmingsplan zal, overeenkomstig de gemeentelijke inspraakverordening en artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, voor een ieder ter inzage worden gelegd. Het ontwerp is in te zien op het gemeentehuis en kan ook digitaal worden ingezien via de gemeentelijke website en via de landelijke voorziening voor ruimtelijke plannen.
7.2 Overleg Het ontwerpbestemmingsplan wordt toegezonden aan de provincie Gelderland en het Waterschap Rijn en IJssel.
7.3 Ontwerpbestemmingsplan Conform afdeling 3.4 Awb heeft het ontwerpbestemmingsplan gedurende een termijn van zes weken, van @ @@ 2022 tot en met @ @@ 2022 ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend. @na vaststelling in de Raad
7.4 Vastgesteld bestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan ‘Buitengebied, locatie Entinkweg 3 en Sinderenseweg 52 Varsseveld, Sinderenseweg 74 Sinderen’ is vastgesteld in de raadsvergadering van de gemeente Oude IJsselstreek van @ @@ 2021 (zaaknummer @@, zie ook bijbehorend vaststellingsbesluit). Tegen een raadsbesluit over de vaststelling van een bestemmingsplan kan beroep worden ingesteld. De beroepstermijn bedraagt zes weken. Een beroep dienen belanghebbenden in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Indien er geen beroep is ingesteld, treedt het plan in werking daags na afloop van de tervisielegging. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
38
BIJLAGEN Sinderenseweg 74 1. Beoogde situatie 2. Bodemonderzoek 3. Quickscan Flora en Fauna 4. Advies Gelders Genootschap 5. Stikstofberekening Sinderenseweg 52 6. Beoogde situatie 7. Rapport geur 8. Bodemonderzoek 9. Quickscan Flora en Fauna 10. Stikstofberekening
39