tenr_Buitengebied, locatie Landgoed Raesfeldsbosch_vastgesteld.pdf
Tekst van het document
bestemmingsplan Buitengebied, locatie Landgoed Raesfeldsbosch Gemeente Oude IJsselstreek
COLOFON Gegevens over het plan: Plannaam: Identificatienummer: Status: Datum: Projectnummer Buro SRO:
Buitengebied, locatie Landgoed Raesfeldsbosch NL.IMRO.1509.BP000206-VA01 Vastgesteld September 2023 69.90.02
Gegevens Buro SRO: Bezoekadres vestiging Arnhem: Telefoon: E-mail: Internet:
2
Sweerts de Landasstraat 50, 6814 DG te Arnhem 026 – 35 23 125 arnhem@buro-sro.nl www.buro-sro.nl
Buitengebied, locatie Landgoed Raesfeldsbosch
Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 3.4 Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 Hoofdstuk 5 5.1 Hoofdstuk 6 6.1 6.2 Hoofdstuk 7 7.1 7.2 7.3
5 Inleiding Aanleiding voor het bestemmingsplan Ligging plangebied Leeswijzer Het initiatief Huidige situatie Toekomstige situatie Beleidskader Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid Omgevingsaspecten Milieu Water Ecologie Verkeer Cultuurhistorie en archeologie Klimaatadaptatie Uitvoeringsaspecten Economische uitvoerbaarheid Juridische planbeschrijving Algemeen Wijze van bestemmen Procedure Algemeen Verslag vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro Verslag zienswijzen
7 7 7 7 8 8 10 12 12 13 16 18 24 24 30 32 34 35 35 37 37 38 38 38 40 40 40 40
Bijlagen bij de toelichting
41
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7
42 43 44 45 46 47 48
GO versterkingsbalans Bodemonderzoek Watertoets Quickscan flora en fauna Vooroverleg reactie Provincie Gelderland Voortoets Stikstofdepositie Nota van zienswijze en wijzigingen
Buitengebied, locatie Landgoed Raesfeldsbosch
3
Regels Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Hoofdstuk 3 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Hoofdstuk 4 Artikel 10 Artikel 11
49 Inleidende regels Begrippen Wijze van meten Bestemmingsregels Natuur Wonen Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
51 51 53 55 55 56 59 59 59 59 60 61 63 63 63
Bijlagen bij de regels
65
Bijlage 1
66
4
Landgoedontwikkelingsplan
Buitengebied, locatie Landgoed Raesfeldsbosch
Toelichting
Buitengebied, locatie Landgoed Raesfeldsbosch
5
6
Buitengebied, locatie Landgoed Raesfeldsbosch
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding voor het bestemmingsplan
Aan de Toldijk 2 in Sinderen ligt een als agrarisch bestemd perceel. De initiatiefnemer is voornemens om ter plaatse van het plangebied een landgoedontwikkeling te realiseren, met 3 woningen. De voorgaande ontwikkeling past niet in het geldende bestemmingsplan. Omdat het initiatief wel passend is op de locatie, wordt medewerking verleend aan een herziening van het bestemmingsplan. In dit document wordt dit toegelicht en gemotiveerd waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen tussen de kernen Varsseveld en Silvolde in het buitengebied van de gemeente Oude IJsselstreek. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.
Globale ligging plangebied ten opzichte van de omgeving, plangebied geduid met rode cirkel (bron: openstreetmaps.org)
1.3
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Ook wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de wijze hoe burgers en andere belanghebbenden betrokken zijn bij het plan (maatschappelijke uitvoerbaarheid). Hierin zijn de uitkomsten van inspraak, vooroverleg en zienswijzen opgenomen.
Buitengebied, locatie Landgoed Raesfeldsbosch
7
Hoofdstuk 2
Het initiatief
In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.
2.1
Huidige situatie
Het plangebied maakt onderdeel uit van het buitengebied van Sinderen nabij het Idinkbos. Hier is een afwisseling van open rechtlijnige landbouwpercelen en kleinere en grotere bospercelen te vinden. De wegen zijn verhard en worden geaccentueerd met een eenzijdige bomenrijen bestaande uit eiken. De afwisseling tussen open landbouwpercelen, opgaande beplanting en wegbegeleidende beplanting zorgt voor een karakteristiek landschap. De Toldijk vormt een vrij scherpe grens tussen het rechtlijnige rationele heideontginngingslandschap en het meer grillig gevormde essen- en kampenlandschap. Een ander structurerend element die impact heeft in het huidige landschap is de spoorlijn Zevenaar-Winterswijk, ten noorden van het plangebied. Het plangebied ligt in de hoek Koninksweg en de Toldijk. Aan de westzijde van de Toldijk ligt het Idinkbos. Het plangebied bestaat overigens ook uit een voormalig agrarisch erf van Toldijk 2. Het erf is gelegen aan de oostzijde van het plangebied en heeft zowel een inrit aan de Toldijk als aan de Koninksweg. Het erf bestaat uit de voormalige bedrijfswoning, een kapschuur (met aanbouw) en twee stallen/ schuren. De landbouwpercelen zijn rechthoekig van vorm en worden aan de noord-, oost- en westzijde begrenst door sloten en greppels. De percelen zijn als maïsakkers en weidegrond in gebruik.
Vanaf de Toldijk loopt halverwege het plangebied langs het erf een sloot met enkele bomen tot het midden van de gronden. Onderstaande afbeelding toont de huidige situatie ter plaatse van het plangebied evenals meerdere aangezichten van de gronden.
8
Buitengebied, locatie Landgoed Raesfeldsbosch
Luchtfoto huidige situatie plangebied (rode kader) (bron: pdokviewer)
Buitengebied, locatie Landgoed Raesfeldsbosch
9
2.2
Toekomstige situatie
Voor het plan is een landgoedontwikkelingsplan opgesteld, dat als bijlage 1 van de bijlagen bij de regels bij dit bestemmingsplan is opgenomen. De hierna volgende tekst is ontleend aan dit landgoedontwikkelingsplan. Nieuwe natuur Belangrijkste in het oog springende element wordt gevormd door een nieuw bos met een oppervlakte van circa 1,3 hectare. Afhankelijk van de grondwaterstand ontwikkelt zich hier een meer vochtig of juist droger bostype. Hierbij kan worden gedacht aan een dennen-, eiken-, of beukenbos type. De overige natuurgronden worden beheerd als kruiden- en faunarijke graslanden. Samen met de aan te leggen mantelzoomvegetaties langs de bosranden ontstaan hier mogelijkheden voor een diversiteit aan soorten. Binnen het kruiden- en faunarijk grasland is ruimte voor ruigtes en plaatselijk struweel. Voor een meer gedetailleerde uiteenzetting van de inrichting en de nieuwe landschapselementen zie bijlage 1. Onderstaande illustraties toont de toekomstige inrichting van het plangebied.
Toekomstige inrichting van het plangebied.
Erfontwikkeling In het landgoed is ruimte voor de ontwikkeling van één nieuw erf waarbij de opbouw dient te refereren naar de in het gebied van oorsprong aanwezig klassieke erven waarbij het hoofdgebouw aan de straatzijde ligt met de andere gebouwen daarachter. Het nieuwe erf kent een compacte opzet met één woning die qua uitstraling en vorm duidelijk als hoofdgebouw herkenbaar is. De andere woningen krijgen de uitstraling van een schuur waarbij de bijgebouwen geïntegreerd worden in de bouwmassa. Er is sprake van één toegang en een centraal erf waaraan de woningen ontsloten worden, hier zijn ook de 7 benodigde parkeerplaatsen (zie ook paragraaf 4.4) gelegen. Op het erf van Toldijk 2 wordt in het planvoornemen ook werkzaamheden voorzien. Rondom het erf wordt een geschoren haag geplaatst om het erf in te kaderen. Voor een meer gedetailleerde uiteenzetting van de inrichting en de nieuwe erfelementen zie bijlage 1 van de Regels. Onderstaande illustratie toont de toekomstige inrichting van het erf met de te borgen landschappelijke erfelementen.
10
Buitengebied, locatie Landgoed Raesfeldsbosch
Toekomstige inrichting van het erf.
A: Geschoren haag B: Solitaire erfboom C: Hoogstam fruitboomgaard D: Bomen op de erfgrens E: Verspreide Vogelbosjes F: Knotbomen aan greppel G: Strook bloemrijk grasland
Buitengebied, locatie Landgoed Raesfeldsbosch
11
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Per januari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers. De NOVI is vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is. De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze omgevingsvisie dan ook gelden als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet.
Met de komst van de NOVI komen meerdere nationale beleidsstukken te vervallen, waaronder de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Strategisch relevante delen van de SVIR en het Barro worden echter opgenomen in de NOVI en blijven daarmee ook na inwerkingtreding van de NOVI gelden. Dit bestemmingsplan zal daarom ook aan dit beleid worden getoetst. Gebiedsgericht De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. In het Barro waren regels opgesteld waarmee deze gebiedsbescherming juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd. Ladder duurzame verstedelijking Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is 'duurzame verstedelijking'. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied.
Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2). De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
12
Buitengebied, locatie Landgoed Raesfeldsbosch
Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur." Planspecifiek Gebiedsgericht Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van de SVIR en het Barro. Ladder duurzame verstedelijking Voorliggend initiatief betreft het mogelijk maken van drie woningen. Uit jurisprudentie blijkt dat er pas vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 3.1.6. Bro. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet nodig. Het initiatief is in overeenstemming met het Rijksbeleid.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Algemeen Op 22 februari 2022 hebben Provinciale Staten een geactualiseerde versie van de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening vastgesteld. In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het beleid en in de Omgevingsverordening de regels en afspraken om de opgaven uit de Omgevingsvisie te realiseren. De Omgevingsvisie en –verordening zijn dynamische instrumenten. Doordat wetten veranderen of door de komst van nieuwe initiatieven, kijkt de provincie 2 keer per jaar of de plannen moeten worden aangepast. 3.2.2 Omgevingsvisie De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving. Deze ambities worden hieronder kort samengevat:
Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten; Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid; Een voortvarend en innovatief circulair beleid; Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit; Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag; Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat; Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen.
3.2.3 Omgevingsverordening De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.
Buitengebied, locatie Landgoed Raesfeldsbosch
13
Planspecifiek Het plangebied maakt onderdeel uit van de Groene ontwikkelingszone (GO). Zie onderstaande afbeelding
Uitsnede omgevingsverordening ter hoogte van het plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Groene Ontwikkelingszone Een nieuwe kleinschalige ontwikkeling binnen de Groene Ontwikkelingszone is mogelijk indien de kernkwaliteiten van het gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo substantieel worden versterkt. Het plangebied is gelegen in het deelgebied 'IJzerlo - Silvolde'. Naast de algemene kernkwaliteiten; ecologische samenhang, stilte , duisternis, openheid en rust, gelden hier ook gebiedsspecifieke kernkwaliteiten. Voor de realisatie van nieuwe landgoederen geldt geen specifiek provinciaal beleid meer. Het is van belang dat naast een eventuele aantasting van de bestaande waarden ook de impact van de ontwikkeling op de potentiele waarden gecompenseerd wordt. In de paragraven hieronder wordt eerst gefocust op de kwantitatieve versterking van de Groene Ontwikkelzone, waarna vervolgens de kwalitatieve versterking wordt toegelicht. 3.2.3.1 Kwantitatieve versterking GO Voor de kwantitatieve versterking is door de provincie een hulpmiddel opgesteld om te beoordelen of de ontwikkeling in balans is. Dit hulpmiddel bestaat uit een rekenmodel, waarin met een drietal tabbladen (zie bijlage 1 ) de omvang van de verschillende verlies- impact- en versterkingsfactoren is bepaald. Hieronder wordt ingegaan op de wijze waarop deze tabellen zijn ingevuld en de keuzes die daarbij zijn gemaakt. Verliesfactor: Voor deze ontwikkeling is er geen sprake van een verliesfactor.
De ontwikkeling vindt plaats op landbouwgrond. Er verdwijnen geen natuur- en of landschapselementen.
14
Buitengebied, locatie Landgoed Raesfeldsbosch
Impactfactor Er wordt een nieuw landgoed gecreëerd van 6 hectare. Binnen dit landgoed is een oppervlakte van 8000 m2 woonbestemming aanwezig waarop 3 woningen in een erfsetting worden gerealiseerd. Het betreft hier een nieuwe ontwikkeling, omdat er geen woonfuncties grenzen aan de beoogde ontwikkeling. Verder maakt het plangebied deel uit van een ecologische verbindingszone. Voor beide aspecten zijn de betreffende toeslagfactoren gerekend. Het betreft geen open landschap of een aardkundig waardvolgebied. om die reden is die toeslagfactor niet gerekend. Totaal levert dit 950 impactpunten op. Versterkingsmaatregelen Voor de totale ontwikkeling is een landgoedontwikkelingsplan opgesteld (Bijlage 1 van de Regels), deze heeft dezelfde inhoud als een GO-versterkingsplan. De uitvoering ervan wordt door middel van een voorwaardelijke verplichting in de regels geborgd. De betrokken gronden krijgen afgezien van het nieuwe erf de bestemming 'Natuur'. In het versterkingsplan zijn de verschillende oppervlaktes van de aan te leggen elementen opgenomen. Deze zijn ingevuld in het tabblad versterkingsmaatregelen. Omdat het tabblad standaard uitgaat van een oppervlaktemaat (hectares) vindt er voor de lijnelementen een beperkte dubbelling met het Kruidenen faunarijk graslandplaats.
Om die reden is de oppervlaktemaat Kruiden en faunarijk grasland verlaagd zodat er geen dubbeltelling plaatsvindt met bijvoorbeeld de bomenrijen. De verzamelde versterkingsmaatregelen leveren een puntentotaal op van ruim 8.400 punten. Dit resulteert in een ruim positief saldo waarmee aangetoond is dat er sprake is van een substantiële kwantitatieve versterking van de GO. 3.2.3.2 Kwalitatieve versterking GO Kernkwaliteiten De kernkwaliteiten behorende bij het gebied zijn toegespitst op het plangebied en directe omgeving. Het gebied laat zich kenmerken als een 'kleinschalig kampenlandschap op dekzandruggen' gelegen op de overgang naar het Oost-Nederlands Plateau bij Aalten. Ter plaatse van het plangebied bevindt zich een jonge heide/bosontginning. Door het plangebied begeeft zich de EVZ Boven-Slinge die de Slangenburg met het land van Winterswijk en Duitsland verbindt. De EVZ ter plaatse van het plangebied krijgt vorm conform het Model das. Verder is er sprake van geschikt leefgebied voor de steenuil en kamsalamander. De cultuurhistorische en landschappelijke waarden bestaan uit de aanwezige beken, oude ontginningen en kavelpatronen, hakhout, houtwallen, singels en boerderijen.
Ontwikkelingsdoelen GO Gezien bovenstaande kernkwaliteiten binnen het plangebied zijn de volgende ontwikkelingsdoelen voor de ontwikkeling van een nieuw landgoed vanuit de aanwezige en potentiele kernkwaliteiten van belang voor de ontwikkeling: Ontwikkeling ecologische verbinding Boven-Slinge met bosjes en singels; Ontwikkeling bosranden en overgangen naar cultuurgronden, heide en schrale graslanden; Ontwikkeling biotopen voor vogels van bossen en cultuurgronden; Ontwikkeling biotopen voor reptielen en amfibieën, poelen; Ontwikkeling cultuurhistorische patronen (bijv. ontginningen, elzensingels) en beheersvormen; Versterking leefgebied Steenuil en Das. Ontwikkeling doelstelling EVZ-model Das Dit model bestaat uit een brede landschapszone. De zone is opgebouwd uit kleinschalig landschap waarin houtwallen, singels en bosjes dekking bieden en geleiding geven en waarin voldoende geschikte voedselgebieden aanwezig zijn. “Natte” elementen zijn niet noodzakelijk in deze zone. Dit model is, behalve voor das en boommarter, functioneel voor allerlei dieren van bossen, bosranden en kleinschalig landschap. Voor het Model Das liggen vooral kansen in het versterken van de landschapszone. Versterking van kleinschalig agrarisch gebied met vochtige weilanden, houtwallen, singels, lanen en
Buitengebied, locatie Landgoed Raesfeldsbosch
15
bosjes. Versterking corridor door realisatie singels, houtwallen en bos.
Kwalitatieve versterking GO en EVZ Ter plaatse wordt bos met een oppervlakte van circa 1,3 hectare aangelegd. Afhankelijk van de grondwaterstand zal dit een meer vochtig of droger bostype worden. Vooralsnog wordt gedacht aan een dennen-, eiken-, en beukenbos type. Dit type wordt gedomineerd door eiken, dennen, beuken, berken. Op de open plekken ontwikkelen zich vaak braamstruwelen en vestigen zich struiken als lijsterbes en vuilboom. De overige natuurgronden worden beheerd als kruiden- en faunarijke graslanden. Samen met de aan te leggen mantelzoomvegetaties langs de bosranden ontstaan hier mogelijkheden voor een diversiteit aan soorten. Bovenstaande geeft invulling aan meerdere ontwikkelingsdoelen binnen zowel de GO als de EVZ. Met de aanleg van elzensingels en het terugbrengen van verdwenen waterlopen worden de cultuurhistorische patronen in het gebied hersteld. De aanleg van de poel en natuurvriendelijke oevers geeft in vulling aan de doelstelling meer een meerwaarde voor reptielen en amfibieën te realiseren. Op termijn wordt de schuur gesloopt, maar niet nadat de een alternatieve verblijfplaats voor de Steenuil is verzekert. Met de ontwikkeling van bovenstaande elementen wordt het habitat (kleinschalig cultuurlandschap) versterkt.
Geconcludeerd wordt dat met de uitvoering van het initiatief plan wordt voldaan aan de doelstellingen van de provincie op het gebied van klimaatadaptatie, biodiversiteit en woon- en leefklimaat. Het plan past derhalve binnen het provinciaal beleid ten aanzien van de GO. 3.2.3.3 Klimaatadaptatie De provinciale omgevingsverordening die op 1 februari 2022 van kracht is geworden bevat de instructieregel klimaatadaptie (2.65b). Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet op basis van deze instructieregel de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. In paragraaf 4.6 is invulling gegeven aan de wijze waarop in dit plan is omgegaan met het voorkomen en/of beperken van de risico's van klimaatverandering. Het initiatief is in overeenstemming met het provinciaal beleid.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1 Regionale woonagenda Achterhoek 2015-2025 Op 24 september 2015 heeft de gemeenteraad van Oude IJsselstreek de Regionale woonagenda Achterhoek 2015-2025 vastgesteld als opvolger van de Regionale Woonvisie 2010-2020. De Regionale woonagenda schets de kaders en geeft ruimte om de inhoud mede door andere partijen te laten invullen. Daarmee verschuift de rol van de overheid van inhoudelijk bepalend naar procesbegeleidend. Kernbegrippen zijn kaders stellen, faciliteren en ruimte geven. De kernboodschap voor de komende jaren luidt dan ook:
16
er zijn (bijna) voldoende woningen (in aantallen) om te voorzien in de vraag. Het is noodzakelijk om de regionale ambitie (5.900 woningen toevoegen tussen 2010 en 2025) verder te verlagen met 10%. Het nieuwe regionale aantal is 3.145 woningen tussen 1 januari 2015 en 1 januari 2025; een integrale aanpak is nodig om de bestaande woningen toekomstbestendig te maken (kwalitatief), waarbij de eigenaar een persoonlijke mix kiest van onderhoud, isolatie, energieopwekking en levensloopbestendig maken. Sloop/nieuwbouw kan een optie zijn;
Buitengebied, locatie Landgoed Raesfeldsbosch
voor leegstaand en leegkomend vastgoed is een gezamenlijke beeldvorming met een lokale aanpak nodig. Naast herbestemmen zal in toenemende mate ook sloop aan de orde zijn; wonen en zorg vormt een belangrijk aandachtspunt bij al deze genoemde ontwikkelingen.
De opgaven uit de Regionale woonagenda die betrekking hebben op de kwalitatieve ontwikkeling van de woningvoorraad zijn, in de meer recente lokale woonagenda, verder uitgewerkt (zie paragraaf 3.4). Planspecifiek In de woonagenda wordt aangegeven dat er (bijna) voldoende woningen zijn om te voorzien in de vraag. Op basis van meer recente gegevens uit het regionaal onderzoek naar de leefbaarheid in de regio en de meest recente woningmarktcijfers blijkt echter dat er wel een actuele vraag is naar meer woningen. Voorliggende ontwikkeling voorziet in de realisatie van één landgoed. Onderdeel van de ontwikkeling is de realisatie van een erf met 3 woning. Hiermee wordt voorzien in het leveren van een bijdrage in het aanbod van woningen in de regio 3.3.2 Kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw in de Achterhoek De groei van het aantal huishoudens in de regio houdt echter langer aan dan eerder voorzien. Dit betekent dat er extra woningen moeten komen bovenop het aantal dat nu in afspraken is vastgelegd. Er moet meer ruimte gegeven worden aan de bouw van extra woningen. De prioriteit moet daarbij liggen op woningen waar nu behoefte en een duidelijk tekort aan is. Het Achterhoeks Woonwensen en Leefbaarheidsonderzoek 2017 (AWLO) geeft een helder advies over de bouwopgave: blijf bouwen voor starters en creëer geschikt aanbod waar (actieve) senioren naar kunnen doorstromen.
Dit is vertaald naar het geven van extra ruimte door scherpe voorwaarden te stellen aan nieuwe initiatieven voor woningbouw. Met de 'Kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw in de Achterhoek' zijn regionaal kwalitatieve criteria afgesproken waaraan de gemeenten nieuwe plannen moeten toetsen. Dit betreft de volgende drie kwaliteitscriteria: De behoefte is aangetoond; Voorrang voor transformatie van leegstaand vastgoed (verbouw of nieuwbouw na sloop); Inbreiding gaat voor uitbreiding. In september 2019 stemden de zeven gemeenteraden in de Regio Achterhoek in met de kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw in de Achterhoek. In oktober is deze door de provincie Gelderland vastgesteld. De kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw zijn vertaald in de 'Kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw' en 'Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek' van de gemeente Oude IJsselstreek (zie paragraaf 3.4).
Buitengebied, locatie Landgoed Raesfeldsbosch
17
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Structuurvisie Oude IJsselstreek 2025 De gemeenteraad van Oude IJsselstreek heeft op 12 mei 2011 de Structuurvisie Oude IJsselstreek 2025 vastgesteld. De Structuurvisie geeft richting aan het ruimtelijke, economische en maatschappelijke beleid van de gemeente en laat in grote lijnen zien hoe Oude IJsselstreek zich tot het jaar 2025 zal gaan ontwikkelen. De gemeente Oude IJsselstreek wil zich graag verder ontwikkelen als een dynamische gemeente. Deze boodschap blijft voor de komende jaren een belangrijk uitgangspunt voor het gemeentelijke woonbeleid. Hierbij zijn het Kwalitatief Woon Programma (KWP3), en de opvolger van de regionale woonvisie en de lokale vertaling daarvan kaders voor wonen in de gemeente. Naast het motto 'de juiste woning op de juiste plaats', spelen onder andere kwaliteit van de leefomgeving en de leefbaarheid hierbij een belangrijke rol. Achteruitgang en verloedering van de woon- en leefomgeving moet worden tegengegaan. De bijstelling van de bouwopgave voor de gemeente vraagt om aanpassing van beleid en bestaande bouwplannen. De juiste woning op de juiste plek is hierbij leidend. De gemeente Oude IJsselstreek kiest waar mogelijk voor inbreiding. Met wijkverbeteringsplannen en geplande nieuwbouwplannen, ziet de gemeente kansen voor het realiseren van meer variatie en onderscheid in het woonaanbod.
Hiermee probeert de gemeente Oude IJsselstreek iedereen die woont of wil wonen in de gemeente te voorzien van een passende woning. Bij deze ontwikkelingen staat verbetering van de ruimtelijke kwaliteit voorop. Planspecifiek Wonen in het buitengebied De functie wonen is van groot belang voor een leefbaar buitengebied. De woonfunctie is naast een economische drager ook een sociale drager. Een toename van burgerwoningen in het buitengebied is echter niet toegestaan. Uitzonderingen hierop vormen speciale regelingen, zoals behoud van bestaande bebouwing door splitsing, functieverandering van vrijkomende agrarische bebouwing en landgoederen. Ecologische hoofdstructuur-Natuur (nu bekend als GNN) De onderhavige planlocatie is gelegen binnen de EHS-Natuur (zie onderstaande kaart) de EHS is opgegaan in het NatuurNetwerk Nederland en specifiek voor Gelderland nu bekend als het Gelders NatuurNetwerk (GNN) zie hier voor ook paragraaf 3.2.3. De GNN bestaat uit een netwerk van bestaande en nieuwe natuurgebieden die met elkaar verbonden worden met verbindingszones. Het doel van de GNN is de instandhouding en ontwikkeling van deze natuurgebieden, om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan.
18
Buitengebied, locatie Landgoed Raesfeldsbosch
Uitsnede uit visiekaart Structuurvisie Oude IJsselstreek
De gemeente Oude IJsselstreek heeft een aantal ontwikkelingen die van belang zijn voor het bieden van ruimte aan natuur en landschap. Ter plaatse van het plangebied geldt de realisatie van de Ecologische Verbindingszone “Das goed”. Het streven is deze zone geschikt te maken als leef- en passeergebied voor bosrandsoorten. Dit betekent het aanbrengen van landschapselementen, wat samen kan gaan met het realiseren van nieuwe landgoederen, herinrichting van erven en percelen, etc. Onderhavig plan voorziet de realisatie van een landgoed met 3 woningen in een erfensemble, hiermee is het passend binnen het beleid van de gemeentelijke structuurvisie. Er is sprake van kwaliteitsverbetering van het landschap. Dit wordt middels een inrichtings- en beeldkwaliteitsplan dat onderdeel uitmaakt van het landgoedontwikkelingsplan vastgelegd, zie bijlage 1. Verder past onderhavig plan goed binnen de doelstellingen van de Ecologische Verbindingszone “Das goed” zie voor een uitwerking hiervan paragraaf 3.2.3.2. 3.4.2 Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek In de 'Kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw' wordt aanbevolen om lokaal een kader vast te stellen over de ruimtelijke inpassing van nieuwbouw binnen de bebouwde kom en in het buitengebied. Op 20 februari 2020 heeft de gemeenteraad vervolgens de 'Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek' vastgesteld.
De 'Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek' vormt samen met de 'Kwalitatieve toetsingscriteria voor Woningbouw' de kaders voor nieuwe woningbouwplannen. Met het vaststellen van de Lokale kwaliteitscriteria en de (regionale) Kwalitatieve toetsingscriteria beschikt de gemeente over een compleet kader waarmee nieuwe woningbouwplannen kunnen worden getoetst en kan de gemeente sturen op gewenste ontwikkelingen op de woningmarkt. Uit de 'Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek' blijkt dat de aantoonbare (woning)behoefte voor de komende jaren vooral bij het toevoegen van starters- en levensloopgeschikte woningen ligt, de gemeente wil hier dan ook extra op inzetten. Voor het starterssegment ligt de nadruk logischerwijs met name bij de betaalbaarheid. De levensloopgeschikte woningen zijn voor de doelgroep senioren bedoeld, daarbij gaat het om woningen waarbij (minimaal) alle basisvoorzieningen op de begane grond of gelijkvloers aanwezig zijn. Het bouwen van woningen op locaties met leegstaand vastgoed heeft de voorkeur. Vanuit het oogpunt van zorgvuldig ruimtegebruik gaat woningbouw op inbreidingslocaties voor op uitbreiding aan de randen van onze kernen. In het kader van de juiste woning op de juiste plek zijn vier typen woningbouwplannen te onderscheiden waarvoor de lokale kwaliteitscriteria een kader biedt:
Buitengebied, locatie Landgoed Raesfeldsbosch
19
bouwen op onbenutte inbreidingslocaties 'van binnen naar buiten'; buitengebied: woningsplitsing; buitengebied: functieverandering en hergebruik vrijkomende agrarische bebouwing (VAB's); buitengebied: landgoederen;
Uitgangspunt voor het buitengebied is dat het toevoegen van extra verstening ongewenst is, het behoud of zelfs de versterking van het groene karakter staat hier daarom centraal. Een initiatief voor woningbouw mag niet ten koste gaan van aanwezige natuur- en/of landschapskwaliteiten. Voor elk type woningbouwplan, of dat nu woningsplitsing, hergebruik/functieverandering van voormalige agrarische gebouwen (vab) of een landgoed is, geldt dat er in een erf- en/of landschapsinrichtingsplan moeten worden aangetoond dat het plan voldoende ruimtelijke kwaliteit biedt. De lokale kwaliteitscriteria voor het realiseren van een landgoed in het buitengebied zijn:
alleen binnen de ontbrekende delen van de Groene Ontwikkelingszone (GO), direct aangrenzend aan het Gelders natuurnetwerk (GNN), of daar waar een forse impuls aan de aanwezige landschappelijke kwaliteit en natuur wordt gegeven; de aanleg van de natuurcompensatie bedraagt minimaal 5 hectare; minimaal 80% van het landgoed is openbaar toegankelijk; het maximale aantal te realiseren woningen per landgoed bedraagt drie, met een gezamenlijke inhoud van maximaal 2.500 m³. Te realiseren binnen één hoofdgebouw of als ensemble; per woning is maximaal 150 m² aan bijgebouwen toegestaan; de initiatiefnemer dient voor de natuurcompensatie een landschapsinrichtingsplan en een natuurbeheersplan in bij de gemeente. Voor de woningbouw dient sprake te zijn van een zorgvuldige stedenbouwkundige opzet (erfprincipe). De initiatiefnemer dient hiertoe een erfinrichtingsplan te overleggen. Uitgangspunt hierbij is de 'één erf-gedachte'. Het natuurbeheersplan, het erf- en het landschapsinrichtingsplan moet binnen 1 jaar na oplevering van de nieuwe woning(en) gerealiseerd zijn.
Planspecifiek Voorliggend plan voorziet in de realisatie van één landgoed, als onderdeel van het landgoed wordt een erf gerealiseerd met 3 woningen, samen een erfensemble vormend. Het landgoed wordt gerealiseerd in de GO, direct grenzend aan het GNN. Daarmee wordt een forse kwaliteitsimpuls aan de aanwezige landschappelijke kwaliteit en natuur gegeven. Het landgoed zal een omvang van circa 5,5 hectare omvatten, hiermee wordt de grenswaarde van 5 hectare gehaald. Binnen het plangebied wordt een openbaar wandelpad gerealiseerd, waardoor de landgoederen openbaar beleefbaar zijn. De woonpercelen zijn niet openbaar toegankelijk. Het maximaal aantal te realiseren woningen per landgoed bedraagt drie, met een gezamenlijke inhoud van maximaal 2.500 m3. Dit laatste wordt in de regels van het bestemmingsplan geborgd. In de regels van het bestemmingsplan is geregeld dat per woning maximaal 150 m² aan bijgebouwen is toegestaan. Het initiatief wordt landschappelijk ingericht. De initiatiefnemer heeft een inrichtings-, beplantings- en beheerplan (in de vorm van een landgoedontwikkelingsplan) ingediend bij de gemeente en gaat daarbij ook uit van de 'één erf-gedachte' per landgoed. In de anterieure overeenkomst is opgenomen dat het landgoedontwikkelingsplan binnen 2 jaar na oplevering van de nieuwe woningen gerealiseerd moet zijn.
20
Buitengebied, locatie Landgoed Raesfeldsbosch
3.4.3 Landschapsontwikkelingsplan Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) biedt de gemeente Oude IJsselstreek de mogelijkheid de landschappelijke eenheid en kwaliteit in de gemeente te versterken en toch ruimte te bieden aan bestaande bedrijven en nieuwe ontwikkelingen in de toekomst. Het biedt de mogelijkheid om optimaal in te spelen op planprocessen. Het LOP is ontwikkelingsgericht opgezet en geeft spelregels voor initiatieven in het landelijk gebied. Het hoofddoel daarbij is de koppeling van de vernieuwing van de plattelandseconomie aan de versterking van de landschappelijke karakteristieken. Daarbij is bescherming van erkende waardevolle elementen in het landschap van belang, maar ook actieve ontwikkeling van nieuwe kwaliteiten in het landschap. In het LOP worden zes verschillende deelgebieden (ensembles) onderscheiden. De begrenzing van deze ensembles is gebaseerd op de wijze waarop mensen in het gebied het landschap beleven. Steeds is gekozen voor eenheden die mensen als hun landschap, hun leefomgeving, ervaren. Binnen het gebied van de drie gemeenten zijn de navolgende zes landschappelijke ensembles te onderscheiden:
de Montferlandsche Berg met krans van dorpen; de historische rivierterrassen van de oeroude IJssel rondom Azewijn en de Aa-strang; de dorpen en rivierduinen langs de Oude IJssel; het zandgebied rondom Didam en Wehl; het zandgebied rondom Varsseveld; de Stad Doetinchem.
Planspecifiek
Kaartbeeld landschappelijk ensemble 5;Zandgebied rondom Varsseveld
Buitengebied, locatie Landgoed Raesfeldsbosch
21
Het plangebied uit voorliggend plan ligt in landschappelijk ensemble 5. Het betreft het deelgebied 'Het zandgebied rondom Varsseveld'. Hier zijn drie deelgebieden te onderscheiden: 1. de rand van het zand, 2. de hoge zandgronden rond Varsseveld, 3. de ecologische hoofdstructuur. Het plangebied maakt deel uit van deelgebied 3. Het betreft een aaneengesloten zone met veel bosgebieden, heidevelden en kleine vennen. Er bevinden zich veel verspreid liggende landgoederen en bosgebieden. Door het bosrijke karakter geeft het gebied een besloten beeld. Het geheel slingert door intensief gebruikt agrarisch landschap waarin de verbindende landschapselementen als houtkanten en heggen schaars zijn geworden. De beken hebben veelal hun natuurlijke karakter verloren en liggen als smalle kanalen in het landschap. Als stuwende krachten achter de ontwikkeling wordt onder meer de ontwikkeling van bedrijvigheid en wonen in vrijkomende agrarische bebouwing genoemd. Verder wordt gesteld dat in de ecologische verbindingszones particulieren kunnen bijdragen aan de natuurontwikkeling via groen-blauwe diensten en nieuwe landgoederen. Het plangebied ligt in een kampenlandschap. Dit van oorsprong kleinschalige landschap is op veel plekken opener en grootschaliger geworden. Ambitie is om met toevoegen van nieuwe landschapselementen zoals struweelhagen en boomsingels het landschap te verstreken.
Daarbij blijven de kampen, 1-mans essen open. Het erf ligt aan de rand van de ecologische verbindingszone. Hier is een kleinschalig en afwisselend landschap passend. In het LOP wordt ruimte geboden voor de ontwikkeling van woningen en landgoederen. Onderhavig plan kan hiermee als een goed voorbeeld worden beschouwd. In het plan wordt een nieuw landgoed als een karakteristiek landelijk erf vormgeven. Het erf zelf bevat karakteristieke elementen als geschoren hagen, vogelbosjes, solitaire boom en een hoogstamboomgaard. Deze erfopzet is passen bij het kampenlandschap. Het landgoed zelf kent natuurgraslanden, bossen, een poel en bomenrijen wat het kleinschalige en afwisselende landschap versterkt. Verder wordt in het plan een wandelpad en diverse struinpaden aangelegd. Deze wandelpaden voldoen aan de openstellingseisen van de Natuurschoonwet en sluiten aan op de wandelstructuur in de omgeving. Op basis van voorgaande punten past het plan binnen de uitgangspunten van het LOP. 3.4.4 Visie op landschap, natuur en groene kernen Met de Visie op Landschap, Natuur en Groene Kernen geeft de gemeente richting aan de gewenste en noodzakelijke ontwikkeling van de groene (landschaps)structuren in zowel het buitengebied als in de kernen. Het behouden van de bestaande basiskwaliteiten aan landschap en groen in de kernen staat daarbij voorop.
De visie gaat in op de wijze waarop de kenmerkende landschappen binnen de gemeente voor de toekomst weer verder versterkt kunnen worden, in samenhang met de ontwikkelingen in de komende jaren op dit landschap afkomen. Eveneens gaat de visie in op de gewenste vergroening in de kernen en de wijze waarop groen een rol kan spelen in het vergroten van de leefbaarheid. Planspecifiek In het planvoornemen is rekening gehouden met het behoud en verbetering van het landschap. In voorgaande paragraaf 3.4.3 is onderbouwd op welke wijze de versterking past in de versterking van het landschap. het landgoedontwikkelingsplan uit bijlage 1 van de Regels gaat hier nog verder op in.
22
Buitengebied, locatie Landgoed Raesfeldsbosch
3.4.5 Geldend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Oude IJsselstreek 2017', vastgesteld door de raad op 28 juni 2018 en onherroepelijk in werking. Het plangebied beschikt over de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden'. Daarnaast gelden de navolgende gebiedsaanduidingen: overige zone - groene ontwikkelingszone overige zone - Houtwal overige zone - Zandwegen Onderstaande illustratie toont een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan ter hoogte van het plangebied.
Uitsnede vigerende bestemmingsplan ter hoogte van het plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan Binnen het bestemmingsplan zijn geen woningen of natuur toegestaan ter plaatse van de bestemming 'Agrarisch met waarden'. Om de ontwikkeling mogelijk te maken wordt het vigerende bestemmingsplan herzien.
Buitengebied, locatie Landgoed Raesfeldsbosch
23
Hoofdstuk 4 4.1
Omgevingsaspecten
Milieu
4.1.1 Bodem Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd. Planspecifiek Voorliggende ontwikkeling voorziet de realisatie van 3 woningen. Hiermee wordt een bodemgevoelige functie toegevoegd aan het plangebied. Derhalve dient een (verkennend) bodemonderzoek uitgevoerd te worden. De onderzoeksrapportage is bijgevoegd als bijlage 2. Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek dient de hypothese ‘onverdacht voor verontreiniging’ (strikt genomen) verworpen te worden, vanwege de aangetoonde licht verhoogde gehalten in de kleiige ondergrond. De aangetoonde verhoogde gehalten zijn echter zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen niet noodzakelijk worden geacht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het terrein geschikt voor de huidige en de toekomstige bestemming.
Ten aanzien van de uitvoering geldt dat wanneer tijdens graafwerkzaamheden waarnemingen worden gedaan die op een verontreiniging wijzen, anders dan vastgesteld in de beoordeelde rapportage, dan moet het werk direct gestopt worden en moet met de ODA worden overlegd. Voor de toepassing van vrijkomende grond en bouwstoffen gelden de voorschriften uit het Besluit bodemkwaliteit. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem. 4.1.2 Lucht De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang. Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit ter plaatse In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De twee belangrijkste stoffen zijn PM10 en PM2,5(fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). De grenswaarde van PM10 en NOx bedraagt 40 µg/m3, van PM2,5 is dat 25 µg/m3. Bijdrage aan luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten.
Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
24
Buitengebied, locatie Landgoed Raesfeldsbosch
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt. Planspecifiek Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het rekenpunt 15572929 (aan de Terborgseweg ter hoogte van plangebied) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2020 (µg/m3) Grenswaarde concentratie (µg/m3)
NO2 (stikstofdioxide) 12,5 µg/m3
PM10 (fijnstof) 14,8 µg/m3
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof) 8,4 µg/m3
40 µg/m3
40 µg/m3
25 µg/m3
De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. Bijdrage initiatief Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief (realisatie 3 woningen met landgoedontwikkeling) van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit. 4.1.3 Geluid De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd: woningen; geluidgevoelige gebouwen, zoals scholen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, psychiatrische instellingen en kinderdagverblijven; geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen). Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen.
Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.
Buitengebied, locatie Landgoed Raesfeldsbosch
25
Planspecifiek De geluidsgevoelige bestemmingen binnen het plangebied zijn gelegen aan de Koninksweg, het betreft hier een weg die voornamelijk bestemmingsverkeer faciliteert . Hierbij is er sprake van een (zeer) beperkte intensiteit. De woningen zijn op enige afstand van de weg gepositioneerd. Het is met een dergelijk lage intensiteit niet aannemelijk dat geluidshinder optreedt. Nader akoestisch onderzoek kan derhalve achterwege blijven. Andere bronnen zoals de spoorlijn en de N818 zijn op een dermate grote afstand gelegen dat deze niet leiden tot mogelijke geluidshinder ter plaatse van het plangebied. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid. 4.1.4 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en het Activiteitenbesluit vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen respectievelijk meldingen als het gaat om geurhinder door agrarische bedrijfsactiviteiten. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd.
Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren. Op grond van artikel 3 lid 1 van de Wgv gelden de volgende normen ten behoeve van vergunningverlening voor dieren met een geuremissiefactor: geurgevoelig object gelegen in: maximaal toegestane geurbelasting (odour units per m3 lucht) concentratiegebied binnen bebouwde kom 3,0 ouE/m3 concentratiegebied buiten bebouwde kom 14,0 ouE/m³ niet-concentratiegebied binnen bebouwde kom 2,0 ouE/m3 niet-concentratiegebied buiten bebouwde kom 8,0 ouE/m3 Als het geen bedrijf is waar een geuremissiefactor voor is vastgelegd gelden de volgende eisen: binnen de bebouwde kom geldt een afstand van 100 meter; buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 50 meter. Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 50 respectievelijk 25 meter voor hetzij binnen dan wel buiten de bebouwde kom. De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat.
Voor andere agrarische bedrijfsactiviteiten dan het huisvesten van dieren geldt meestal een minimumafstand van 50 meter. Het gaat hierbij om de opslag van mest, de opslag van vaste bijvoermiddelen en een composteringshoop. Die activiteiten zijn overal binnen het agrarisch bouwvlak toegestaan. Voor een mestbassin met een oppervlakte van 350 m2 of meer geldt een minimumafstand van 100 meter (artikel 3.51 Activiteitenbesluit). Planspecifiek In de Achterhoek is er sprake van een concentratiegebied. De geurbelasting is dan ook gebaseerd op normen voor deze gebieden. Aan de Pellendijk 4/ 4a is een intensieve veehouderij gevestigd. De afstand tot het plangebied betreft ca. 1.150 meter. Aan de Terborgseweg 33 is een grondgebonden veehouderij gevestigd op
26
Buitengebied, locatie Landgoed Raesfeldsbosch
400 meter afstand. Andere (intensieve) veehouderijen liggen op grotere afstanden. Gelet op de grote afstand is het aannemelijk te concluderen dat er sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Het is aannemelijk dat er voldaan wordt aan de geldende geurnormen. Daarnaast is er meer dan 50 meter (wettelijke afstand) tussen de veehouderijen en de te realiseren woningen. Mocht er bij de omliggende veehouderijen sprake zijn van een mestbassin (>350 m²) dan wordt ook voldaan aan de minimale afstand van 100 meter. De omliggende veehouderijen worden daarom niet belemmerd door de te realiseren ontwikkeling Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur. 4.1.5 Milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten. De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen).
Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien. Daarnaast wordt onderscheid gemaakt tussen of de gevoelige functie gelegen is in een gemengd gebied of een rustige woonwijk/buitengebied. Bij een gemengd mogen de richtafstanden met 1 afstandsstap verkleind worden. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Planspecifiek De locatie is gelegen in een als rustig buitengebied te kenmerken omgeving. Nabij het plangebied zijn geen hinder veroorzakende functies gelegen die vanuit het aspect milieuzonering relevant zijn. Het dichtstbij gelegen agrarische bedrijf is op ca.
400 meter ten noorden van de woningen in het plangebied gelegen en daarmee ruim buiten de richtafstand voor een akkerbouwbedrijf. Een nadere toetsing is niet aan de orde. Omliggende bedrijven worden niet belemmerd in hun ontwikkeling door de voorgenomen ontwikkeling van een nieuw landgoed. Ook kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren landgoedwoningen. 4.1.6 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen.
Buitengebied, locatie Landgoed Raesfeldsbosch
27
De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting. Daarnaast zijn er nog een tweetal circulaires uitgegeven die betrokken worden bij het beoordelen van effect afstanden. Het gaat hierbij om - Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations. De circulaire is van toepassing bij een besluit ten aanzien van een LPG-tankstation onder werking van het Bevi, dat het mogelijk maakt dat er (meer) personen in de omgeving van een LPG-tankstation aanwezig kunnen zijn. De effecten van bepaalde ongevalsscenario's staan centraal. - Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. In deze circulaire zijn veiligheidszones (A-, B- of Czone) vastgesteld voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Binnen deze veiligheidszones worden de aanwezigheid van activiteiten en/ of objecten uitgesloten. De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.
Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, kampeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn. Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan. Planspecifiek Door de omgevingsdienst is een beoordeling gedaan van de relevante risicobronnen met behulp van de EVsignaleringskaart.
De figuur hierna bevat een uitsnede hiervan.
28
Buitengebied, locatie Landgoed Raesfeldsbosch
Uitsnede EV-signaleringskaart (16-5-2022) (bron: ODA) De risicobronnen, zoals weergegeven in figuur 2, worden hieronder weergegeven en beoordeeld. Gieterij Neede Het plangebied ligt op circa 2.310 meter vanaf gieterij Neede. Dit bedrijf heeft per 22-1-2002 een vergunning gekregen. Conform deze vergunning heeft deze risicobron een invloedsgebied van 150 meter. Gelet op de afstand reikt het invloedsgebied niet tot het plangebied. Hiermee is de risicobron niet relevant in het kader van externe veiligheid. Basisnetroute: A18 wegvak G19 Op circa 1,75 kilometer ligt de basisnetroute A18 (wegvak G19). Conform regeling Basisnet en Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten wordt er LF1 (brandbare vloeistoffen), LF2 (brandbare vloeistoffen), GF3 (brandbare gassen) over deze weg vervoerd. GF3 heeft conform de Handleiding Risicoanalyse Transport het grootste invloedsgebied, van 355 meter. Hiermee is de risicobron niet relevant voor externe veiligheid. Hogedruk aardgasleiding N-569-80 De Hogedruk aardgasleiding N-569-80 ligt op circa 1850 meter van het plangebied. Deze buisleiding heeft een druk van 40 bar en een diameter van 9 inch. Dit resulteert in een 1% letaliteitszone (invloedsgebied) van 95 meter. Gelet op de afstand is deze risicobron niet relevant in het kader van externe veiligheid. Overige risicobronnen liggen op grotere afstand en zijn niet relevant.
Conclusie Op basis van voorgaande beoordeling kan geconcludeerd worden dat externe veiligheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
Buitengebied, locatie Landgoed Raesfeldsbosch
29
4.1.7 Milieueffectrapportage Voor activiteiten die belangrijke milieugevolgen kunnen hebben, is het verplicht een milieueffectrapportage (m.e.r.) uit te voeren en een Milieu Effect Rapport (MER) te maken. Hiermee krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r. onderzoekt de milieugevolgen van een plan of een besluit en (milieuvriendelijker) alternatieven. Een plan of besluit is m.e.r.-plichtig in een van de volgende situaties: in het Besluit milieueffectrapportage, artikel 7.4 bijlagen C en D zijn activiteiten aangewezen waarvoor direct een m.e.r.-plicht geldt; een m.e.r.-plicht kan volgen uit een passende beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming; op grond van de provinciale milieuverordening kunnen aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen waarvoor een m.e.r.-plicht geldt. M.e.r.-beoordeling Een aantal activiteiten op kleinere schaal zijn m.e.r.-beoordelingsplichtig als een indicatieve drempelwaarde uit bijlage D wordt overschreden. Ook als de drempelwaarden niet worden overschreven kan in overleg worden bekeken of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling, omdat er mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden.
Er kunnen twee uitkomsten zijn: als de conclusie is dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden hoeft er geen m.e.r.procedure te worden doorlopen. Dit wordt in het betreffende plan of besluit gemotiveerd en moet ook formeel bekend worden gemaakt door het bevoegd gezag; als belangrijke nadelige milieugevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Planspecifiek Het onderhavige plan behelst de realisatie van een landgoed met daarop 3 woningen en nieuwe natuur mogelijk. Het bestemmingsplan maakt daarmee geen activiteit mogelijk die is opgenomen in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er geldt daarom geen m.e.r.-plicht, geen m.e.r.-beoordelingsplicht en ook is het niet noodzakelijk een vormvrije m.e.r.-beoordeling (voorafgaand aan de bestemmingsplanprocedure) uit te voeren.