CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-omgevingsplan Landgoed Over de IJssel_vastgesteld_bijlagen.pdf

Raadsvergadering 23 april 2026, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 16: TAM-omgevingsplan “Buitengebied, Over de IJssel 3, Ulft”18.926 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

SOORTENBESCHERMING ........................................................................................................... 20

6.1 Verwachting en bureauonderzoek ...................................................................................................... 20 6.2 Veldonderzoek .................................................................................................................................... 21 6.3 Resultaten ........................................................................................................................................... 22 6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep ............................................................................ 27 6.5 Historische gegevens en overige bronnen .......................................................................................... 30 6.6 Volledigheid van het onderzoek.......................................................................................................... 30 HOOFDSTUK 7

CONCLUSIES........................................................................................................................... 31

3

SAMENVATTING Het voornemen bestaat een landgoed op te richten met drie nieuw te bouwen woningen nabij het bestaande erf Over de IJssel 3-3a in Ulft. Om de nieuwe woningen te ontsluiten wordt een nieuw erftoegangspad van halfverharding aangelegd naar de verharde weg Over de IJssel. Ten behoeve van het beheer van het landgoed wordt een zandpad aangelegd in het verlengde van het erftoegangspad. Ten noordoosten van de nieuwe woningen wordt een wadi aangelegd. De agrarische percelen krijgen een natuurbestemming en in het plangebied wordt nieuwe landschappelijke beplanting aangeplant. Het landgoed wordt toegankelijk gemaakt voor wandelaars. Natuurbank Overijssel is gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 5 augustus 2025 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermde (natuur)gebieden, zoals Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk.

Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden: Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het GNN (geen externe werking). Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied, zoals geluid, trillingen of optische verstoring, kunnen ook worden uitgesloten. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten benut als foerageergebied en mogelijk nestelen er vogels, en bezetten grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een (winter)rust- en/of voortplantingsplaats. Het plangebied wordt door vleermuizen uitsluitend benut als foerageergebied. Het plangebied vormt geen functioneel leefgebied voor reptielen.

Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en er nestelen mogelijk vogels in het plangebied. In het plangebied nestelen mogelijk de categorie 2 soorten boomkruiper, bonte vliegenvanger en grauwe vliegenvanger. Door de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een nestplaats van deze soorten negatief beïnvloed. Voor categorie 2 soorten geldt dat deze beschermd zijn, tenzij is aangetoond dat er voor de betreffende soort voldoende alternatieve leefomgeving in de omgeving aanwezig is om zich te kunnen vestigen. Voor bovenstaande soorten blijft het plangebied ook na de ruimtelijke ingreep een geschikt leefgebied, er is geen negatieve invloed op de regionale populatie. Door het aanleggen van de nieuwe toegangswegen, het aanplanten van nieuwe beplanting en het bouwen van de nieuwe woningen tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een vogel gedood en een bezet vogelnest beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd.

De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vogels wordt door de voorgenomen activiteiten niet aangetast.

4

Werkzaamheden die kunnen leiden tot het beschadigen of vernielen van vogelnesten dienen bij voorkeur buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen, mits geen bezette vogelnesten beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet nest uit te sluiten. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden en dat voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren waarvan mogelijk de voortplantingsplaats en/of rustplaats negatief worden beïnvloed, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van de voortplantingsplaats en/of rustplaats’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken.

Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren neemt door de voorgenomen activiteiten niet af. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën gedood worden en dat (winter)rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde amfibieën, waarvan mogelijk de (winter)rustplaats negatief beïnvloed wordt, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van rust- en voortplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde amfibieën geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken.

Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: • Werkzaamheden uitvoeren buiten de voortplantingsperiode van vogels (of broedvogelscan uitvoeren); • Geen grondgebonden zoogdieren en amfibieën doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken);

5

HOOFDSTUK 1 INLEIDING Het voornemen bestaat een landgoed op te richten met drie nieuw te bouwen woningen nabij het bestaande erf Over de IJssel 3-3a in Ulft. Om de nieuwe woningen te ontsluiten wordt een nieuw erftoegangspad van halfverharding aangelegd naar de verharde weg Over de IJssel. Ten behoeve van het beheer van het landgoed wordt een zandpad aangelegd in het verlengde van het erftoegangspad. Ten noordoosten van de nieuwe woningen wordt een wadi aangelegd. De agrarische percelen krijgen een natuurbestemming en in het plangebied wordt nieuwe landschappelijke beplanting aangeplant. Het landgoed wordt toegankelijk gemaakt voor wandelaars. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Omgevingswet op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven.

Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet (soorten en Natura 2000-gebied) en de Omgevingsverordening Gelderland (Gelders Natuurnetwerk).

6

HOOFDSTUK 2 HET PLANGEBIED 2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd op het adres Over de IJssel 3 in Ulft in de gemeente Oude IJsselstreek. Het adres ligt ten noordwesten van het dorp Ulft en ten zuiden van Silvolde. Aan de zuidzijde van het plangebied ligt de rivier Oude IJssel. Ten noorden van het plangebied ligt het voormalige kasteel Schuilenburg. Op de onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.

Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid (bron: topotijdreis.nl).

7

2.2 Beschrijving van het plangebied Het terrein waar het landgoed geraliseerd wordt bestaat uit een woonerf dat omgeven wordt door agrarisch cultuurland. Het plangebied ligt voor het grootste deel ten noorden van de weg Over de IJssel, een klein deel ligt ten zuiden van de weg. Het agrarisch cultuurland bestaat uit grasland, een poel, solitaire bomen, struweel, een loofhoutbosje, houtsingel en struweel. De agrarische percelen bestaan uit graslanden die jaarrond begraasd worden of beheerd worden als hooiland. De opgaande beplanting in het landgoed bestaat uit beplanting van knotwilgen, zwarte elzen, essen, boswilg, walnoot en zomereik. Het struweel bestaat uit een gemengde aanplant van meidoorn, veldesdoorn, sleedoorn, rode kornoelje en liguster. Rondom het bestaande woonerf ligt een siertuin met solitaire bomen, gazon en scheerhagen. Het bomenbestand op het erf bestaat uit es, linde, lijsterbes, walnoot en zomereik. Op de onderstaande afbeelding wordt de begrenzing van het plangebied weergegeven met de gele omkadering.

Luchtfoto met de begrenzing van het plangebied, aangegeven met de gele lijn (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

8

HOOFDSTUK 3 VOORGENOMEN ACTIVITEITEN 3.1 Algemeen Het voornemen bestaat een landgoed op te richten met drie nieuw te bouwen woningen nabij het bestaande erf Over de IJssel 3-3a in Ulft. Om de nieuwe woningen te ontsluiten wordt een nieuw erftoegangspad van halfverharding aangelegd naar de verharde weg Over de IJssel. Ten behoeve van het beheer van het landgoed wordt een zandpad aangelegd in het verlengde van het erftoegangspad. Ten noordoosten van de nieuwe woningen wordt een wadi aangelegd. De agrarische percelen krijgen een natuurbestemming en in het plangebied wordt nieuwe landschappelijke beplanting aangeplant. Het landgoed wordt toegankelijk gemaakt voor wandelaars. Op onderstaande afbeelding wordt de wenselijke inrichting van het plangebied weergegeven. De totale oppervlakte van het nieuwe landgoed bedraagt circa 6,2 hectare (inclusief bestaand erf).

Plattegrond van het wenselijke eindbeeld (bron: Natuurbank Overijssel).

9

Concept 3D-impressie van het nieuwe erf (bron: studio natuurlijk bouwen).

De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Omgevingswet flora- en fauna-activiteit: • Bouwen drie nieuwe woningen; • Aanleggen nieuwe toegangswegen; • Aanplanten solitaire bomen en heesters; • Aanplant rijen elzen, knotwilgen en zwarte populier • Aanleggen wadi; • Realiseren heuvel met gemengd inheems bosplantsoen; • Aanplanten scheerhagen; • Bewonen nieuwe woningen; • Exploitatie landgoed; 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, licht en trillingen tijdens de werkzaamheden; Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; • Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; • Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten; 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer.

De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang 10

van de tijdelijke en/of permanente situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt gekeken naar het bouwen van drie nieuwe woningen, het aanleggen van de wadi en nieuwe toegangswegen en het aanplanten van nieuwe beplanting op het terrein. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: Om de effecten van een voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het soms van belang ook buiten het plangebied te kijken. In voorliggend geval grenst het plangebied aan agrarisch cultuurland, de openbare weg en een klein stukje bos aan de noordzijde van het plangebied . Er is aanleiding te veronderstellen dat beschermde soorten en/of -waarden buiten het plangebied op een dusdanige wijze aangetast worden, dat dit leidt tot wettelijke consequenties. 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied is niet gelijk aan het plangebied. De bomen aan de noordzijde van het plangebied worden meegenomen in het onderzoeksgebied.

Met de gele lijn wordt het plangebied weergegeven en met de gele en rode lijn wordt het onderzoeksgebied weergegeven (bron: topotijdreis.nl).

11

HOOFDSTUK 4 TOETSINGSKADERS 4.1 Algemeen In dit Hoofdstuk worden de diverse toetsingskaders toegelicht waaraan het initiatief getoetst wordt. 4.2 Omgevingswet; Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning noodzakelijk. 4.3 Omgevingswet; Soortenbescherming In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten.

In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (Artikel 11.37 t/m Artikel 11.40 Bal): 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van, van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. 2. Het verbod geldt niet, als: a. het verrichten van die activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1°.een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2°.een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3.

Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort Soorten Habitatrichtlijn (Artikel 11.46 t/m Artikel 11.48 Bal); Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; 12

d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Andere Soorten (Artikel 11.54 Bal) Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. Het verbod geldt niet als: a. het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden; b.

het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of c. de activiteit deel uitmaakt van: 1°.een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2°.een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LVVN) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Ow een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Omgevingswet. Er is dan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig.

4.4 Specifieke zorgplicht Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Het Bal geeft aan waaruit de specifieke zorgplicht in ieder geval bestaat. Dat is hierna toegelicht.

13

Toelichtingen op de verschillende verbodsbepalingen Bal.

Het is niet geheel duidelijk wat de consequenties zijn van een effect van een activiteit op soorten die vermeld staan op de Rode Lijst, evenals het toetsen van het effect van een activiteit op ‘trekvogels’. Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat: a. voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van: 14

1° van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; 2° van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn; 3° dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3°, van de wet; en 4° voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats; b. als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f.

het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen Nieuw is de zorgplicht voor het aantasten van belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats van vogels en soorten van de Rode lijst. Voor activiteiten die leiden tot overtreding van een verbodsbepaling dient een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen te worden (dit heette in de Omgevingswet een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit). Indien sprake is van het aantasten van belangrijk leefgebied of natuurlijke habitat van een Rode lijstsoort, dient een document opgesteld te worden. Dit zal vergelijkbaar zijn met een ecologisch werkprotocol (EWP). In een EWP wordt beschreven op welke wijze een negatief effect op beschermde soorten, soorten van de Rode Lijst en belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats voorkomen kan worden, of hoe dit hersteld kan worden. Ook wordt een monitoringsplicht ingevoerd tijdens en na de uitvoering van de werkzaamheden, indien maatregelen getroffen worden. Dit geldt alleen voor belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats.

4.5 Regelgeving ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk Het Besluit kwaliteit leefomgeving is een AMvB onder de Omgevingswet waarin onder andere regelgeving over de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is opgenomen. De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Gelderland zijn opgenomen in de vigerende provinciale omgevingsverordening van de provincie Gelderland.

15

HOOFDSTUK 5 GEBIEDSBESCHERMING 5.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteiten op Natura 2000gebied en het Gelders Natuurnetwerk. 5.2 Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone Om de biodiversiteit nu en voor toekomstige generaties Gelderlanders veilig te stellen, beschermt de provincie het Gelders Natuurnetwerk. Het Gelders Natuurnetwerk is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Een groot deel van de Gelderse natuurgebieden is internationaal beschermd: de Natura 2000-gebieden. Juist in deze gebieden moet de biodiversiteit worden behouden of verbeterd. De provincie geeft in het natuurbeleid prioriteit aan het behalen van de Natura 2000-doelen in de Natura 2000-gebieden. Het Gelders Natuurnetwerk vervult daarnaast een belangrijke rol bij het behoud van de biodiversiteit. De Ecologische verbindingszones maken voor een klein deel uit van het Gelders Natuurnetwerk. De provincie wil de natuur van het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone beschermen tegen aantasting en heeft daarom regels opgenomen in de Omgevingsverordening. Centraal staat de bescherming van de kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten bestaan uit bestaande natuurwaarden, uit nog te ontwikkelen potentiële waarden en de omgevingscondities zoals stilte.

De (nog te ontwikkelen) natuurwaarden zijn beschreven en als bijlage bij de Omgevingsverordening opgenomen. De omgevingscondities zijn in de bijlage bij de Omgevingsverordening wel benoemd, maar er heeft geen provincie dekkende inventarisatie plaatsgevonden. Bij projecten kan op maat een effectbeschrijving worden gemaakt voor de relevante omgevingscondities.

16

Ligging t.o.v. het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone Het plangebied ligt buiten gronden die tot het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene ontwikkelingszone (Go) behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone in de omgeving van het plangebied weergegeven.

GNN Go

Het plangebied ligt buiten gronden die tot de Groene ontwikkelingszone en het Gelders Natuurnetwerk behoren.

Ligging van Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene ontwikkelingszone (Go) in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode ster aangeduid. Gronden die tot de GNN behoren worden met de donkergroene kleur aangeduid. Gronden behorend tot de Go worden met de lichtgroene kleur aangeduid (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

Beschermingsregime De bescherming van het GNN en de Go kennen geen externe werking. Toetsing aan provinciaal beleid Omdat het plangebied buiten de GNN en Go ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. de GNN en Go. 5.3 Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de A opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EUlidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Beschermingsregime Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan.

Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: 17

• de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten; De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Ligging van het plangebied t.o.v.

Natura-2000 Het plangebied ligt op minimaal 15,72 kilometer afstand van Nederlands Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Nederlandse Natura 2000-gebied is Rijntakken. Op de onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.

Minimaal 15,72 kilometer afstand tussen het plangebied en de gronden die tot Natura 2000 behoren.

Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de blauwe cirkel aangeduid. Gronden die tot Nederlands Natura 2000 behoren worden met de okergele kleur aangeduid en gronden die tot Duits Natura 2000-gebied behoren worden met de paarse kleur aangeduid (bron: calculator.aerius.nl).

18

Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen uitgesloten worden. Beoordeling stikstof (ontwikkelfase) Ten behoeve van de totale ontwikkeling wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de afvoer van sloopmateriaal, de aanvoer van bouwmateriaal en vervoer van materieel en personeel. Gelet op de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (15,72 kilometer) kan een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied tijdens de ontwikkelfase op voorhand uitgesloten worden. Daarom hoeft er voor de ontwikkelfase geen stikstofberekening uitgevoerd te worden. Beoordeling stikstof (gebruiksfase) Het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied neemt door het bewonen van de nieuwe woningen en de exploitatie van het landgoed toe ten opzichte van de huidige situatie. Gelet op de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (15,72 kilometer) kan een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied tijdens de gebruiksfase op voorhand uitgesloten worden.

Daarom hoeft voor de gebruiksfase geen stikstofberekening uitgevoerd te worden. 5.4 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het GNN (geen externe werking). Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied, zoals geluid, trillingen of optische verstoring, kunnen ook worden uitgesloten.

19

HOOFDSTUK 6 SOORTENBESCHERMING 6.1 Verwachting en bureauonderzoek

6.1.1 Algemeen Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • •

Bronnenonderzoek (o.a. internet en de Nationale databank flora en fauna); Veldbezoek op 5-08-2025 door ervaren ecoloog;

6.1.2 Bronnenonderzoek Op 4 augustus 2025 is de NDFF geraadpleegd om te kijken of er beschermde planten en dieren zijn waargenomen in het plangebied en de directe omgeving. In onderstaand zoekgebied zijn 38 waarnemingen opgenomen van de volgende soortgroepen; vogels (70), amfibieën (1) dagvlinders (3), nachtvlinders (5) , wespen, bijen en mieren (7), kevers (2), alle insecten (7), geleedpotigen (5), mossen (1), schimmels (3) en vaatplanten (2). De volgende vogels zijn waargenomen; aalscholver (2), blauwe reiger (2), bosuil, buizerd (2), ekster, fazant, fuut, gaai, grauwe gans (2), groene specht, groenling, grote lijster, grote zilverreiger (2), ijsvogel (2), knobbelzwaan, koekoek (16), kokmeeuw, koolmees, merel, oehoe, oeverloper, pimpelmees, roek, scholekster, soepgans (17), toendrarietgans (2), waterhoen (3), wilde eend en zwarte kraai. Verder zijn er in het plangebied 48 hazen waargenomen. Alle overige waarnemingen betreffen algemene en niet beschermde soorten die niet relevant zijn voor deze studie. Op de onderstaande afbeelding is het zoekgebied in de NDFF weergegeven.

Met de zwarte lijn wordt het zoekgebied in de NDFF weergegeven. Er is in de periode 2020-2025 – 38 flora- en faunawaarnemingen in het plangebied en de directe omgeving (bron: NDFF).

20

6.2 Veldonderzoek In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 5 augustus 2025 tijdens de daglichtperiode (ochtend) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50) en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28). Methode per soortgroep Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. De onderzoeksperiode is beperkt geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels. Slechts een deel van de vogelsoorten bezet een territorium in deze tijd vertoont territorium-indicerend gedrag (zang/balts). Een groot deel van de in Nederland voorkomende broedvogels heeft in deze tijd van het jaar al uitgevlogen jongen. In het plangebied is gekeken naar vogels, oude nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal.

Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek en onderzoek naar voortplantingslocaties. Er is in het plangebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het plangebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab-, en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen. Vleermuizen bezetten de zomer- en kraamverblijfplaatsen in deze tijd van het jaar. Er is in het plangebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen. Het plangebied is bezocht op een moment op de dag dat vleermuizen niet foerageren en geen lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute. De mogelijke betekenis van het plangebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken in het plangebied.

Amfibieën De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën en onderzoek naar voortplantingswateren. Enkele soorten zoals heikikker en bruine kikker kunnen de voortplanting reeds voltooid hebben en eisnoeren/klompen in wateren afgezet hebben. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het plangebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten. Reptielen De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar reptielen. Bij geschikte weersomstandigheden, warm en zonnig weer, kunnen de meeste reptielen die in Nederland voorkomen in augustus waargenomen worden. Bij koud weer zijn de meeste reptielen niet actief. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor reptielen en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde

21

eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het normale verspreidingsgebied. Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als dag- en nachtvlinders, reptielen, libellen, bladmossen, sporenplanten, vissen, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die (soms) moeilijk nieuw leefgebied koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren en planten. In het plangebied worden geen beschermde ongewervelden verwacht zoals beschermde weekdieren (platte schijfhoren en de Bataafse stroommossel) en kevers (juchtleerkever, vermiljoenkever en vliegend hert). De voorgenomen ontwikkelingen vinden plaats buiten het functionele leefgebied van bovengenoemde soorten. Mogelijk komen er populaties van beschermde nachtvlinders (teunisbloempijlstaart), voor in de omgeving van het plangebied. Voor bovenstaande soort geldt dat het plangebied niet als geschikt leefgebied wordt beschouwd omdat waardplanten ontbreken.

Daarnaast zijn alle beschermde planten (grotendeels) gebonden aan natuurreservaten zoals Natura 2000gebied. Alle beschermde planten stellen kritische eisen aan de standplaats (vochtgehalte, zuurgraad en voedselrijkdom) en bijbehorend beheer. Dergelijke standplaatsen zijn niet aanwezig op voedselrijke plekken waar het beheer ontbreekt of niet gericht is op verschraling. Het plangebied sluit ook niet aan op de eisen die beschermde libellen stellen aan het habitat. Zo ontbreken grotere open wateren, (snelstromende) beken en verlandingswateren. Het plangebied ligt buiten het verspreidingsgebied van de soort grote modderkruiper (NDFF, 2025). Door het ontbreken van specifieke waardplanten zoals: wilg, sleedoorn en teunisbloem worden beschermde dag- en nachtvlinders niet behandeld in deze rapportage. 6.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van vogels.

Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en er nestelen mogelijk vogels in de heesters en bomen rondom de plekken waar de nieuwe toegangswegen en beplanting wordt gerealiseerd. Vogels die hier mogelijk een nestplaats bezetten zijn; merel, vink, roodborst, winterkoning, heggenmus, wilde eend, roodborsttapuit, geelgors, grote lijster, zanglijster, zwartkop, tuinfluiter, spreeuw, grauwe vliegenvanger, bonte vliegenvanger, boomkruiper, fitis, tjiftjaf en houtduif. In het agrarisch cultuurland waar de woningen worden gebouwd zijn geen vogelnesten aangetroffen. Daarnaast wordt het door de besloten ligging tussen meerdere houtwallen niet als geschikte nestelplaats voor weidevogels als wulp en kievit beschouwd. In de bomen in en rondom het plangebied zijn geen nesten van roofvogels en uilen waargenomen. Daarnaast zijn er in de bomen rondom het plangebied ook geen roofvogel- of uilennesten waargenomen. Ook zijn in de bomen rondom het plangebied geen nesten van kraaiachtigen aangetroffen die als nestplaats voor ransuil kunnen dienen. In het bos ten noordwesten van het plangebied is in december 2020 twee keer een baltsende oehoe waargenomen. Aangezien deze soort er alleen in 2020 is waargenomen en niet meer in de jaren na 2020, kan geconcludeerd worden dat de oehoe in het bos ten noordwesten van het plangebied geen nestplaats bezet.

In het bos ten noordwesten van het plangebied zijn in het verleden ook bosuilen waargenomen. Gezien de aanwezigheid van oude bomen is de kans groot dat er bosuilen nestelen in dit bos. Bosuilen die eventueel in dit bos nestelen worden door de voorgenomen activiteiten niet negatief beïnvloed

22

Ten noorden van het plangebied zijn meerdere waarnemingen gedaan van steenuil, zie onderstaande kaart.

Waarnemingen van steenuil in de omgeving van het plangebied. de ligging van het plangebied wordt weergegeven met de rode cirkel. De waarnemingen van steenuil worden weergegeven met de groene stippen. (bron: NDFF, 2025).

Er zijn geen geschikte nestelplaatsen voor steenuilen waargenomen in het plangebied zoals oude wilgen met holen of bomen met nestkasten. Mogelijk behoort het plangebied wel tot het foerageergebied van steenuilen. Het plangebied vervult voor steenuilen geen essentiële functie voor een nestplaats die mogelijk ten noorden van het plangebied aanwezig is. Door de voorgenomen activiteiten neemt de geschiktheid van het plangebied als foerageergebied voor steenuilen niet af. Door het bouwen van de woningen, het aanleggen van toegangswegen en het realiseren van nieuwe beplanting wordt mogelijk een vogel verstoord of gedood en een bezet vogelnest beschadigd of vernield. De functie van het plangebied als foerageergebied neemt door de voorgenomen activiteiten niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Rooien beplanting en uitvoeren sloop- en bouwwerkzaamheden tijdens de voortplantingsperiode van vogels; Grondgebonden zoogdieren Het plangebied behoort tot een functioneel leefgebied van verschillende beschermde grondgebonden zoogdieren zoals rosse woelmuis, huisspitsmuis, veldmuis, dwergmuis, bosmuis, egel, wezel, hermelijn, steenmarter, bunzing, eekhoorn, haas, vos en ree.

Voorgenoemde soorten benutten het plangebied als foerageergebied, maar mogelijk bezetten rosse woelmuizen, huisspitsmuizen, veldmuizen, bosmuis, egel, haas er een voortplantingsplaats en rustplaats in holen en gaten in de grond en aan de randen van de percelen bij beplanting. Er bestaat een kans dat de houtwallen door wezel, hermelijn en bunzing benut worden om een verblijfplaats te bezetten. Deze houtwallen worden door de voorgenomen activiteiten niet 23

aangetast. Een verblijfplaats van een steenmarter wordt niet in het plangebied verwacht omdat bebouwing ontbreekt. Ten noorden van het plangebied zijn bij de Schuilenburg zijn boommarters waargenomen. Mogelijk bezetten boommarters ook een verblijfplaats in de bomen bij de Schuilenburg. Er bestaat een kleine kans dat boommarters een verblijfplaats bezetten in de houtwallen in het plangebied. Deze eventuele verblijfplaatsen en verblijfplaatsen bij de Schuilenburg worden door de voorgenomen activiteiten niet negatief beïnvloed. Het plangebied ligt waarschijnlijk buiten het verspreidingsgebied van de soort grote bosmuis – de dichtstbijzijnde waarnemingen van de soort zijn gedaan in het bos bij de Slangenburg ten oosten van Doetinchem en het bos bij de Vennebulten, ter hoogte van Harreveld. In de omgeving van het plangebied ontbreken waarnemingen van de soort grote bosmuis. Door de voorgenomen activiteiten gaat er geen potentieel leefgebied van grote bosmuizen verloren. Ten zuiden van het plangebied bij de Oude IJssel zijn bevers waargenomen. Het functioneel leefgebied van bevers beperkt zich tot de directe omgeving van de Oude IJssel, de soort wordt niet in het plangebied verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied voor de soort. Op ongeveer 500 meter ten noordwesten van het plangebied is pootafdruk van een das waargenomen.

De bossen en houtwallen ten noordwesten van het plangebied behoren tot het leefgebied van dassen en waarschijnlijk is er in deze bossen een burcht aanwezig. In het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geen sporen van dassen waargenomen. Hoewel sporen van dassen ontbreken, foerageren dassen mogelijk wel incidenteel in het plangebied. Door de voorgenomen activiteiten neemt de geschiktheid van het plangebied als leefgebied voor dassen niet af.

De ligging van het plangebied wordt weergegeven met de rode cirkel. De waarneming van een pootafdruk van een das wordt weergegeven met de groene stip (bron: NDFF).

24

Door het aanplanten van nieuwe beplanting, het aanleggen van toegangswegen en het bouwen van nieuwe woningen wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een voortplantingsplaats en/of rustplaats beschadigd of vernield. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren neemt niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Verwijderen beplanting; - Verwijderen opgeslagen spullen en materialen; - Uitvoeren grondverzet; Vleermuizen • Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een voortplantingsplaats en/of rustplaats in het plangebied bezetten. De bomen in het plangebied zijn ongeschikt voor vleermuizen om een verblijfplaats te bezetten omdat de boomstammen geen holtes of loshangend schors hebben. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen verblijfplaats beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen; • Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd.

Vermoedelijk foerageren verschillende vleermuissoorten rondom de beplanting in het plangebied. Gelet op de inrichting en de kleine oppervlakte wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen; • Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen; Amfibieën Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van amfibieën. Verschillende amfibieënsoorten benutten het plangebied als foerageergebied en bezetten er mogelijk een (winter)rustplaats en/of voortplantingsplaats. De poelen op het terrein worden waarschijnlijk door algemene amfibieën als 25

bastaardkikker, kleine watersalamander en bruine kikker benut als voortplantingsbiotoop. Daarnaast bestaat er een kleine kans dat de poelen door zeldzamere amfibieën als poelkikker en kamsalamander worden benut als voortplantingsbiotoop. Bij een poel aan de zuidwestzijde van het dorp Ulft, op ruime afstand van het plangebied, is een rugstreeppad waargenomen. Het plangebied ligt buiten het verspreidingsgebied van de soort heikikker. De poelen in het plangebied worden niet als geschikt leefgebied voor rugstreeppad en heikikker beschouwd. Het plangebied wordt door het ontbreken van geschikt habitat niet als leefgebied voor rugstreeppadden en heikikkers beschouwd. Beide soorten stellen specifieke eisen aan hun habitat en het plangebied voldoet niet aan deze eisen. De poelen in het plangebied zijn te voedselrijk voor heikikker en rugstreeppad. Daarnaast zijn de poelen als voortplantingsbiotoop voor rugstreeppad te diep en worden larven van rugstreeppadden door bastaardkikkers gepredeerd. Door het aanleggen van nieuwe poelen aan de noordzijde van het terrein wordt geen amfibie gedood en wordt geen verblijfplaats beschadigd of vernield. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een amfibie gedood en een (winter)rustplaats beschadigd of vernield.

Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Uitvoeren grondverzet; Reptielen In het plangebied worden geen verblijfplaatsen van reptielen verwacht. De dichtstbijzijnde waarnemingen van reptielen bevinden zich op ruime afstand van het dorp. In het dorp Ulft bij de straat Leeuwerik is in juni 2022 een hazelworm waargenomen en bij het spoortalud ten oosten van Terborg is een hagedis (onbekend) waargenomen. Gezien het feit dat de dichtstbijzijnde waarnemingen van reptielen zich op ruime afstand van het plangebied bevinden, en het plangebied een matig geschikt leefgebied vormt, worden er geen reptielen in het plangebied verwacht. Daarnaast neemt de geschiktheid van het plangebied als leefgebied voor reptielen door de voorgenomen activiteiten niet af. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen reptiel gedood en wordt geen verblijfplaats beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen; Rode-lijstsoorten Het plangebied is gecontroleerd op de aanwezigheid van Rode-lijstsoorten. Het plangebied wordt als geschikt foerageergebied voor grauwe vliegenvanger, boerenzwaluw, huiszwaluw, grote lijster, koekoek en haas beschouwd. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de geschiktheid van het plangebied als foerageergebied voor Rode-lijstsoorten toe.

Naast de eerdergenoemde Rode-lijstsoorten worden er geen andere Rode-lijstsoorten in het plangebied verwacht zoals planten, paddenstoelen of korstmossen. Deze zijn namelijk (grotendeels) gebonden aan plekken met specifieke standplaatsfactoren zoals Natura 2000-gebied. Vrijwel alle Rode-lijst-planten, paddenstoelen en -korstmossen stellen kritische eisen aan de standplaats/substraat (vochtgehalte, zuurgraad en voedselrijkdom) en eventueel bijbehorend beheer. Dergelijke standplaatsen zijn niet aanwezig op voedselrijke plekken waar het beheer ontbreekt of niet gericht is op verschraling. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen;

26

Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het plangebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten. 6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en er nestelen mogelijk vogels in het plangebied. In het plangebied nestelen mogelijk de categorie 2 soorten boomkruiper, bonte vliegenvanger en grauwe vliegenvanger. Door de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een nestplaats van deze soorten negatief beïnvloed. Voor categorie 2 soorten geldt dat deze beschermd zijn, tenzij is aangetoond dat er voor de betreffende soort voldoende alternatieve leefomgeving in de omgeving aanwezig is om zich te kunnen vestigen. Voor bovenstaande soorten blijft het plangebied ook na de ruimtelijke ingreep een geschikt leefgebied, er is geen negatieve invloed op de regionale populatie. Door het aanleggen van de nieuwe toegangswegen, het aanplanten van nieuwe beplanting en het bouwen van de nieuwe woningen tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een vogel gedood en een bezet vogelnest beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats.

Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vogels wordt door de voorgenomen activiteiten niet aangetast. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het beschadigen of vernielen van vogelnesten dienen bij voorkeur buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen, mits geen bezette vogelnesten beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet nest uit te sluiten.

Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Aanplanten nieuwe beplanting, aanleggen nieuwe toegangswegen en bouwen nieuwe woningen buiten de voortplantingsperiode van vogels (of broedvogelscan uitvoeren); Grondgebonden zoogdieren Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden en dat voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren waarvan mogelijk de voortplantingsplaats en/of rustplaats negatief worden beïnvloed, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van de voortplantingsplaats en/of rustplaats’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden, dienen ze weggevangen te worden (zie onderstaande tabel voor toepasbare vangmiddelen), of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren neemt door de voorgenomen activiteiten niet af.

27

Toepasbare vangmiddelen om beschermde grondgebonden zoogdieren weg te vangen uit het plangebied. Deze vangmiddelen zijn het hele jaar toepasbaar in de gehele provincie (bron: Omgevingsverordening Gelderland d.d. 20-03-2023).

Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen grondgebonden zoogdieren doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken); Vleermuizen • Verblijfplaatsen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt er geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen verblijfplaats beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen; • Essentieel foerageergebied Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen niet af. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling.

Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen; •

Essentiële Vliegroute

28

Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op (essentiële) vliegroutes1 van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen; Amfibieën Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën gedood worden en dat (winter)rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde amfibieën, waarvan mogelijk de (winter)rustplaats negatief beïnvloed wordt, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van rust- en voortplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde amfibieën geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën gedood worden, dienen ze weggevangen te worden (zie tabel op pagina 25 voor toepasbare vangmiddelen), of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning floraen fauna-activiteit vereist.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/5049/documents/33381