CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Engbergseweg 1a Voorst_Toelichting.pdf

Raadsvergadering 23 april 2026, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 7: TAM-omgevingsplan “Buitengebied, locatie Engbergseweg 1A, Voorst"16.522 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Engbergseweg 1a Voorst

Natuur Netwerk Nederland(NNN) Het plangebied is niet gelegen binnen het NNN. Delen van het Gelders natuurnetwerk liggen op circa 20 meter afstand van het plangebied. Het Gelders natuurnetwerk kent geen externe werking, waardoor dit geen belemmering vormt voor voorliggend initiatief. Natura 2000-gebied Het plangebied bevindt zich op circa 16,4 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Nederlandse Natura 2000-gebied 'Rijntakken'. Gezien de geruime ligging tot Natura 2000-gebieden en de zeer beperkte bouwwerkzaamheden en de zeer beperkte toename aan verkeersbewegingen in de nieuwe situatie, kan op voorhand gesteld worden dat de toename aan stikstofemissies als gevolg van dit initiatief verwaarloosbaar klein zal zijn, zodat nadelige gevolgen op Natura 2000-gebieden op voorhand uit te sluiten zijn. Het plangebied ligt op circa 4 kilometer afstand van Duitse stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Het Duitse stikstofbeleid verschilt echter van het Nederlandse: volgens de Duitse overheid is geen sprake van een negatief effect van stikstof op Natura 2000 indien de toename in depositie lager is dan 7 mol/N/jaar. Gezien de kleine omvang van het planinitiatief en de afstand tot de Duitse Natura 2000-gebieden kan op voorhand al gesteld worden dat nadelige effecten op Natura 2000-gebieden uit te sluiten zijn. Houtopstanden Bij de ontwikkeling gaan geen houtopstanden verloren.

Soortenbescherming Op basis van het uitgevoerde ecologisch onderzoek zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot soortenbescherming. Binnen het plangebied zijn geen beschermde planten aangetroffen en de aanwezige vegetatie biedt geen geschikt leefgebied voor beschermde flora. Voor zoogdieren geldt dat de steenmarter en wezel mogelijk gebruikmaken van de omliggende beplanting, maar aangezien deze behouden blijft, ontstaan er geen negatieve effecten op deze soorten. Ook voor amfibieën, reptielen, vlinders en andere ongewervelden is het plangebied niet van ecologisch belang. Daarnaast zijn er geen vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen in de gebouwen of bomen binnen het plangebied, en blijven de bestaande Toelichting

41

foerageergebieden en vliegroutes behouden. Voor broedvogels geldt dat de aanwezige beplanting buiten het plangebied niet wordt aangetast en dat de transfomatie van de schuren tot woning geen effect heeft op gebouw bewonende vogelsoorten. Gezien deze bevindingen wordt geconcludeerd dat de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving niet worden overtreden en dat nader onderzoek niet noodzakelijk is. Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 4.4

Geluid

Wet- en regelgeving Geluid door activiteiten Paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl bevat instructieregels voor geluid door activiteiten deze regels beschermen geluidgevoelige gebouwen tegen geluid door activiteiten. Het gaat om geluid van alle aan een locatie toe te delen activiteiten behalve het wonen. In de regels van artikel 5.59 is geformuleerd dat er in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Overigens gaat het om het geluid van alle activiteiten samen. In artikel 5.56 van het Bkl zijn standaardwaarden opgenomen die aan de eis van aanvaardbaarheid voldoen. Overigens kan een gemeente gemotiveerd afwijken van de standaardwaarden, mits aan de aanvaarbaarheid eis kan worden voldaan. Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw moet het geluid op de geluidgevoelige gebouwen beoordeeld worden. Hiertoe zijn in paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl instructieregels opgenomen. De instructieregels hebben tot doel het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken.

Hiervoor zijn in het Bkl eisen gesteld aan het geluid op geluidgevoelige gebouwen in specifieke geluidaandachtsgebieden. Een geluidgevoelig gebouw is een: gebouw met een woonfunctie; 42

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Engbergseweg 1a Voorst

gebouw met een onderwijsfunctie; gebouw voor kinderopvang met bedden; gebouw voor gezondheidszorg met bedden. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied gelden de instructieregels uit afdeling 3.5 van het Bkl. Een geluidaandachtsgebied is een gebied langs een weg, spoorweg of rond industrieterrein waar geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Bkl). De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen. Met het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied dient er altijd rekening te worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid en het milieu. Bij het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw in een geluidsaandachtsgebied of het wijzigen of aanleggen van een geluidsbron met een geluidaandachtsgebied moet de geluidbelasting worden getoetst. Geluidwaarden worden uitgedrukt in standaardwaarden en grenswaarden. De standaardwaarden en grenswaarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort en gelden voor een geluidgevoelig gebouw dat langer dan 10 jaar is toegelaten (artikel 5.78, tweede lid, Bkl). De standaardwaarde is een aanvaardbaar geluidsniveau waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken.

Het uitgangspunt is dat het geluid op een geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde (artikel 5.78t Bkl). Het geluid is dan in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade is klein. Meer geluid dan de standaardwaarde kan echter als aanvaardbaar beoordeeld worden (artikel 5.78u tot en met 5.78ad Bkl). Een grenswaarde is een uiterste grens waar niet van mag worden afgeweken. Voor een beperkt aantal gevallen kan er worden afgeweken van grenswaarden uit het Bkl. Dit kan bij zwaarwegende economische of andere zwaarwegende maatschappelijke belangen (artikel 5.78aa lid 1 onder a Bkl). Ten slotte voor andere gebouwen – dan geluidgevoelig gebouw – of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Doorwerking plangebied Geluid van activiteiten Toelichting

43

Er is geen onderzoek naar geluid door activiteiten uitgevoerd. In de directe omgeving vinden geen bedrijfsmatige activiteiten of andere relevante activiteiten plaats die kunnen leiden tot een overschrijding van de geluidsnormen, waardoor de kans hierop gering is. Geluid van industrieterreinen De planlocatie is niet gelegen binnen een zone of geluidaandachtsgebied voor industrielawaai. Zodoende zal het aspect geluid van industrieterreinen geen belemmering vormen. Geluid van wegen en spoorwegen Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat het wegverkeerslawaai van de Engbergseweg op de gevels van de geplande woningen grotendeels binnen de vastgestelde normen blijft (zie Bijlage 5). Bij de zuidelijke woning wordt de standaardwaarde van 53 dB overschreden aan de zuidoost- en zuidwestgevels, met een maximale gevelbelasting van 58 dB. Voor de nieuwe woning in de bestaande kapschuur (westelijke woning) worden de grenswaarden niet overschreden. Omdat maatregelen om de geluidbelasting te verlagen naar 53 dB verkeerskundig, financieel en stedenbouwkundig niet haalbaar zijn, is het realistisch om voor de zuidelijke woning een hogere waarde van 58 dB toe te staan. Wel moet aanvullend onderzoek aantonen dat het maximaal toelaatbare binnenniveau uit het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt gewaarborgd.

Hiervoor zijn extra geluidwerende voorzieningen noodzakelijk, die nader worden onderzocht in een gevelweringsonderzoek. Het gevelweringsonderzoek wordt bij de aanvraag 'omgevingsvergunning onderdeel bouwen' aangeleverd. Op basis van deze conclusies vormt het wegverkeerslawaai geen belemmering voor de ontwikkeling, mits de benodigde geluidwerende maatregelen worden getroffen. De planlocatie is niet gelegen binnen een zone of geluidaandachtsgebied voor spoorwegen. Zodoende zal het aspect geluid van spoorwegen geen belemmering vormen. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

44

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Engbergseweg 1a Voorst

4.5

Luchtkwaliteit

Wet- en regelgeving In paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl staan instructieregels voor het beschermen van de luchtkwaliteit. De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10) (artikel 5.51 lid 2 tot en met 5 van het Bkl). In de aandachtsgebieden kan niet worden uitgesloten dat lokaal een overschrijding van de rijksomgevingswaarden kan optreden, rekening houdend met de realisatie van eventuele werken en activiteiten in deze gebieden. Boven genoemde paragraaf heeft betrekking op activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied. In sommige gevallen kunnen activiteiten buiten het aandachtsgebied zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Om deze reden dient een gemeente een initiatief soms te toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. Indien een project of activiteit weinig bijdraagt aan luchtverontreiniging is toetsen aan de omgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) voor luchtkwaliteit niet nodig (artikel 5.52 van het Bkl).

In juridische termen heet dat: niet in betekenende mate (NIBM). Dus het 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ìg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties (artikel 5.53 en 5.54 Bkl). Afdeling 8.5.1.2 van het Bkl bevat specifieke beoordelingsregels over milieubelastende activiteiten. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bkl. Deze gaan over: beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ammoniakemissies van veehouderijen; Toelichting

45

geologische opslag van CO2. Doorwerking plangebied Het plangebied bevindt zich niet in een aandachtsgebied zoals bedoeld in artikel 5.51 van het Bkl. Desondanks is voor onderhavig plangebied de luchtkwaliteit ter plaatse getoetst aan de hand van de kaart van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Er is daarbij uitgegaan van de volgende grenswaarden voor stikstofoxide en fijnstof: Tabel 1: grenswaarde luchtkwaliteit Stof

Toetsing van

Grenswaarde

Stikstofoxide (NO2)

Jaargemiddelde concentratie

40 µg/m3

Uurgemiddelde concentratie

Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m3

Fijnstof (PM10)

Jaargemiddelde concentratie

40 µg/m3

24-uurgemiddelde concentratie

Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3

Fijnstof (PM2,5)

Jaargemiddelde concentratie

25 µg/m3

Gekeken naar het dichtstbijzijnde meetpunt gelegen aan de N317 ten noorden van het plangebied zijn de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 gelegen onder de grenswaarden. Het aantal PM10 overschrijdingsdagen is daarbij ook minder dan de grens van 35 dagen. Gekeken naar de jaargemiddelde concentratie PM2,5 op dezelfde punten wordt duidelijk dat ook deze onder de grenswaarde van 25 µg/m3 ligt. De luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig planinitiatief. Daarnaast behoort de realisatie van de beoogde ontwikkeling tot de categorie gevallen dat 'niet in betekende mate' bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Om de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 te berekenen, heeft de overheid een tool ontwikkeld. Deze is hieronder ingevuld op basis van de te verwachten verkeersgeneratie. De verwachtte verkeersgeneratie bedraagt 17 verkeersbewegingen per etmaal (zie paragraaf 4.10 Mobiliteit en parkeren voor de berekening). Bij het invullen van deze gegevens kan geconcludeerd worden dat de bijdrage van het extra verkeer ten gevolge van de ontwikkeling niet in betekenende 46

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Engbergseweg 1a Voorst

mate is.

Figuur 11: worst-case berekening luchtkwaliteit Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 4.6

Geur

Wet- en regelgeving Geurhinder kan bij verschillende bedrijfsmatige activiteiten voorkomen, onder meer bij landbouwactiviteiten, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties en overige milieubelastende activiteiten. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl zijn instructieregels gesteld over activiteiten die geur veroorzaken op geurgevoelige gebouwen. In artikel 5.91 Bkl is bepaald dat de woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie en bijeenkomstfunctie voor kinderopvang als geurgevoelige gebouwen worden aangemerkt. Deze gebouwen moeten in ieder geval beschermd worden tegen geurhinder. De instructieregels moeten zorgen voor een aanvaardbaar geurhinderniveau (artikel 5.92 lid 2 van het Bkl). De gemeente bepaalt zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Doorwerking plangebied Ten noordwesten van het plangebied is een boerderij gelegen op 125 meter afstand. Het plangebied heeft reeds de functie 'wonen', hierdoor zal de bedrijfsvoering van de boerderij niet ingeperkt worden door de toevoeging van twee woningen. Andersom geldt dat het plangebied al aangemerkt is als geurgevoelige functie, er zal hierdoor geen nieuwe geurgevoelige worden ontwikkeld. De beoogde ontwikkeling Toelichting

47

maakt eveneens geen ontwikkeling mogelijk die geurhinder veroorzaakt. Daarmee vormt het omgevingsaspect geur geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 4.7

Milieubelastende activiteiten

Wet- en regelgeving Milieubelastende activiteiten zijn activiteiten die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactivitieit. Beoordeeld moet worden of een nieuwe milieubelastende activiteit mogelijk wordt gemaakt en, zo ja, op welke manier de omgevingskwaliteit geborgd kan worden. Doorwerking plangebied Binnen het plangebied wordt enkel een woonfunctie toegestaan. Er is geen spake van een milieubelastende activiteit. Hinder op de omgeving kan worden uitgesloten. Conclusie Het aspect milieubelastende activiteiten vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 4.8

Omgevingsveiligheid

Wet- en regelgeving Paragraaf 5.1.2 van het Bkl bevat instructieregels over de manier waarop het omgevingsplan externe veiligheid moet waarborgen bij het toedelen van functies aan locaties; de zogeheten omgevingsveiligheid. Gemeenten dienen regels op te nemen in het omgevingsplan om kwetsbare gebouwen en locaties te beschermen vanwege externe veiligheidsrisico's. In de instructieregels van het Bkl wordt onderscheid gemaakt in de kwetsbaarheid van gebouwen en locaties. Hierin wordt uitgegaan van drie niveaus: 1. zeer kwetsbare gebouwen; 2. kwetsbare gebouwen en locaties; 3. beperkt kwetsbare gebouwen en locaties. 48

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Engbergseweg 1a Voorst

De exacte indeling van de bovengenoemde gebouwen en locaties is te vinden in Bijlage VI van het Bkl. Hieronder vallen ook gebouwen die nog niet aanwezig zijn, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning mogen worden gebouwd (geprojecteerd gebouw). Het staat de gemeente vrij om een gebouw of locatie tot een zwaardere categorie te rekenen. Risicobronnen zijn activiteiten met externe veiligheidsrisico's. Voor deze activiteiten dienen gemeenten regels op te nemen in het omgevingsplan. De instructieregels hiervoor staan in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De activiteiten welk zijn aangewezen als risicobronnen zijn aangewezen in bijlage VII van het Bkl. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat per jaar iemand die onbeschermd en continu op een plek. verblijft komt te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Dit kan zijn: blootstelling aan hitte door brand, overdruk door een explosie of een concentratie giftige stoffen in de lucht. Deze kans is groter of gelijk aan 1 op één miljoen, of te wel PR 10-6. Het plaatsgebonden risico is ruimtelijk vertaald naar vaste afstanden tot gebouwen en locaties. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl.

Deze afstanden zijn genoemd in Bijlage VII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving. Groepsrisico en aandachtsgebieden Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de kans dat als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen een groep van tien of meer personen overlijdt (het groepsrisico). Bij een beoordeling van het groepsrisico wordt gebruik gemaakt van aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn een kenmerk van een activiteit met externe veiligheidsrisico's. Het zijn gebieden rond een activiteit met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er zijn een drietal aandachtsgebieden: een brandaandachtsgebied, een explosieaandachtsgebied, en een gifwolkaandachtsgebied.

Toelichting

49

Deze gebieden en hun begrenzing zijn beschreven in artikel 5.12 Bkl. Voor bepaalde activiteiten kan de omvang van deze gebieden worden afgelezen uit een tabel in Bijlage VII bij het Bkl en in bepaalde gevallen moet de omvang van deze gebieden worden berekend. Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register Externe Veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Doorwerking plangebied Zoals hierboven is aangeven zijn er drie verschillende niveaus om de kwetsbaarheid van een gebouw of locatie te bepalen. Hiervoor is gekeken onder meer naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is; de aanwezigheidsduur van personen; en in hoeverre personen zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident.

Gebouwen die als woonfunctie zijn aangemerkt vallen binnen de categorie 'kwetsbare gebouwen en locaties'. In de nabijheid van het plangebied zijn de volgende risicobronnen aanwezig (zie ook figuur 12): A. Op circa 900 meter ten westen van het plangebied bevindt zich een tankstation waardoor er op geruime afstand een brand- en explosieaandachtsgebied is. B. Op circa 1,4 kilometer ten oosten van het plangebied bevindt zich een opslagtank van propaan. Hierdoor geldt op geruime afstand een explosieaandachtsgebied. C. Er zijn ook een aantal activiteiten in figuur 12 te zien waar een afgebakend gebied voor geldt. Het plangebied ligt ruimschoots buiten deze gebieden.

50

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Engbergseweg 1a Voorst

Figuur 12: uitsnede risicokaart, plangebied ter hoogte van blauwe bol met 'i' (bron: Atlasleefomgeving) Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 4.9

Water en klimaatadaptatie

Wet- en regelgeving Waterwet De Waterwet gaat grotendeels op in de Omgevingswet. De volgende onderdelen blijven in de Waterwet achter: de regels voor het Deltaprogramma, de Deltacommissaris en het Deltafonds. Er staat ook een aantal financiële bepalingen in de Waterwet. Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) is vastgesteld op 18 maart 2022. In Toelichting

51

het NWP beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein. Zo moet Nederland zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. Ook moeten we blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en aan een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. Ook verdient de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening aandacht. Daarnaast hebben diverse functies het water nodig, zoals scheepvaart, landbouw en natuur. In het NWP zijn deze uitdagingen uitgewerkt en is aangegeven hoe hiermee om wordt gegaan. Besluit kwaliteit leefomgeving Paragraaf 5.1.3 van het Bkl bevat instructieregels voor het beschermen van de waterbelangen. Er wordt gesteld dat in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van het watersystemen. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 tot en met 5.49 van het Bkl rijksregels met betrekking tot: Het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; Het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; Het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. De watertoets die was opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening is vervangen door een inhoudelijke instructieregel die is opgenomen in artikel 5.37 van het Bkl.

De 'weging van het waterbelang', voorheen bekend als de watertoets, biedt de waterbeheerder de mogelijkheid aandacht te vragen voor waterveiligheid en voor het voorkomen van wateroverlast in het kader van waterrobuust bouwen. De oorspronkelijke watertoets wordt niet langer voorgeschreven. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van artikel 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Waterschap Rijn en IJssel Het plangebied is gelegen binnen de grenzen van het Waterschap Rijn en IJssel. Het Waterschap is daarmee verantwoordelijk voor het opstellen van regels en leggers die betrekking hebben tot het water. Hierin wordt geregeld op welke wijze men schade aan dijken en oevers dient te voorkomen hoe watertekorten, wateroverlast 52

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Engbergseweg 1a Voorst

en watervervuiling voorkomen worden, maar stelt ook regels over waar wel en niet gebouwd mag worden langs of nabij wateren en waterstaatswerken. Waterbeheerprogramma 2022-2027 In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 zijn de doelen van waterschap Rijn en IJssel weergegeven in vier thema's: 1. Klimaatrobuust gebied Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. 2. Veilig gebied Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. De ambitie van het waterschap is dat in 2050 de keringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar op ontwikkelingen kan worden ingespeeld. Daarbij is er aandacht voor een duurzame wijze van beheer en behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. 3. Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil in het uitvoeren van haar primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil het waterschap in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin ze haar taken klimaatneutraal uitvoert. 4.

Gezonde leefomgeving Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Er wordt naar gestreefd dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico's oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert. Water- en Rioleringsprogramma Oude IJsselstreek 2024-2028 De gemeente Oude IJsselstreek beschikt over een goed onderhouden rioolstelsel dat zorgt voor de afvoer van afval- en hemelwater. Waar mogelijk heeft een gescheiden rioleringsstelsel de voorkeur, zodat schoon regenwater direct in het oppervlaktewater of de bodem kan infiltreren. Dit vermindert de belasting op het Toelichting

53

rioolsysteem en helpt wateroverlast te voorkomen. Daarnaast zet de gemeente in op klimaatadaptieve maatregelen, zoals het beter verwerken van regenwater, om de riolering toekomstbestendig te maken. Doorwerking plangebied Riolering Het onderhavig planinitiatief maakt gebruik van de reeds aanwezige riolering in het plangebied. De benodigde rioleringsinfrastructuur is al aanwezig en zal in het verdere ontwikkelingsproces integraal worden benut. Tegelijkertijd zal het hemelwater echter losgekoppeld worden van het bestaande stelsel, om te voorkomen dat het regenwater het rioolstelsel verder belast. Door het hemelwater afzonderlijk af te voeren, kan de rioleringsdruk verminderd worden en wordt een duurzamer waterbeheer gerealiseerd. Watercompensatie Vanwege de afname van het totale verhard oppervlak in het plangebied, is er geen watercompensatie nodig. Namelijk, op dit moment is het gehele voorste deel van het perceel verhard; in de toekomst zal dit groen worden ingericht. Het planinitiatief resulteert in een vermindering van het aantal vierkante meters verharding, waardoor de belasting op het waterbeheer wordt verlaagd. Klimaatadaptatie Hemelwateroverlast Figuur 13 en 14 geven een indicatie van maximale waterdiepte die op een bepaalde plek kan optreden als gevolg van hevige neerslag: buien waarbij 70mm neerslag valt in 2 uur en 140 mm neerslag in 2 uur.

Deze buien komen in het huidige klimaat op een bepaalde locatie gemiddeld eens per 100 jaar respectievelijk eens per 1.000 jaar voor. Door klimaatverandering kunnen die kansen aan het einde van de eeuw twee keer zo groot zijn. Figuur 13 toont de waterdiepte die optreedt bij een hevige bui van 70 mm in 2 uur. Rond de huidige kapschuur en ten zuiden van de woning treed een waterophoping op van maximaal 30 centimeter.

54

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Engbergseweg 1a Voorst

Figuur 13: uitsnede plangebied, waterdiepte bij 70 mm/2 uur (bron: Klimaateffectatlas) Figuur 14 laat de waterdiepte zien bij een hevige regenbui van 140mm per 2 uur. In een groot gedeelte van het plangebied treedt waterophoping op. De waterophoping varieert voornamelijk tussen de 5 en 30 cm. Op sommige plekken treedt echter een waterophoping van meer dan 30 centimeter op.

Figuur 14: uitsnede plangebied, waterdiepte bij hevige bui 140 mm/2 uur (bron: Klimaateffectatlas) Voor het gehele plangebied geldt dat er ruimte voor water in de grond is tussen de 250mm en 500mm (Zie figuur 15). Zodoende kan er geconcludeerd worden dat in de Toelichting

55

huidige situatie ruimte in de grond is voor de grootste hoeveelheid water bij hevige regenbuien. Doordat het totaal m2 aan verhard oppervlak afneemt zal de situatie in het plangebied verbeteren.

Figuur 15: uitsnede plangebied, ruimte voor water in de grond (bron: Klimaateffectatlas) Overstromingsrisico Overstromingsdiepte geeft waardevolle informatie zoals de overstromingskenmerken voor een gebied. De overstromingsdieptekaarten geven aan hoe diep een gebied kan overstromen. De overstromingsdiepte is van grote invloed op de omvang van de schade en het aantal slachtoffers. De maximale overstromingsdiepte geeft inzicht in de overstromingskenmerken van een gebied. Op een locatie zijn vaak verschillende overstromingen mogelijk: Grote kans: de kans dat een gebied ongeveer 1 keer in de 10 jaar overstroomt. Middelgrote kans: de kans dat een gebied ongeveer 1 keer in de 100 jaar overstroomt Kleine kans: de kans dat een gebied ongeveer 1 keer in de 1000 jaar overstroomt Bijzonder kleine kans: de kans dat een gebied ongeveer 1 keer in de 100.000 jaar overstroomt. 56

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Engbergseweg 1a Voorst

Voor het plangebied geldt dat er een kleine kans dat het plangebied overstroomd. Figuur 16 laat de kaart zien voor een kleine kans op overstroming. In de omgevingsverordening zijn regels opgenomen omtrent wateroverlast regionale wateren Waterschap Rijn en IJssel. Artikel 3.11 regelt dat 1 maal per 100 jaar overstromingen mogen plaatsvinden voor locaties waar feitelijk bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen aanwezig zijn. Onderhavig planinitiatief valt binnen deze regel.

Figuur 16: uitsnede plangebied, overstromingsdiepte kleine kans (bron: Klimaateffectatlas) Conclusie Het aspect water en klimaatadaptatie vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 4.10

Mobiliteit en parkeren

Wet- en regelgeving Bij het toelaten van een nieuwe functie moet worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. Het meest recente parkeerbeleid is opgenomen in de 'Nota parkeernormen Oude IJsselstreek' Vastgesteld door het College van B&W op 5 maart 2024. Het vigerend beleid met betrekking tot de te hanteren parkeernormen is opgenomen in het Toelichting

57

'Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan 2012-2020. De gemeente Oude IJsselstreek heeft een parkeerbeleid opgesteld om ervoor te zorgen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen voldoende parkeerruimte beschikbaar is. Hierbij dient de parkeerbehoefte van auto en fiets gebiedsgericht gefaciliteerd te worden. Dit beleid vormt de basis voor het beoordelen van nieuwe bouwplannen en vergunningen, zodat parkeerproblemen zoveel mogelijk worden beperkt. Doorwerking plangebied De parkeernormen zijn gebaseerd op de kencijfers van het CROW, zoals vastgelegd in de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren' (publicatie 381). Deze cijfers, die rekening houden met de stedelijkheid, functie en ligging, vormen de basis voor het bepalen van het aantal parkeerplaatsen. Bij toekomstige actualisaties van de parkeerkencijfers door het CROW zal de Nota Parkeernormen worden herzien en, indien nodig, worden aangepast om de juiste afstemming op de actuele situatie te waarborgen Inmiddels heeft CROW de publicatie 381 vervangen door publicatie 744. Voorts zal gerekend worden met de meest recente parkeernormen. Autoparkeren Met onderhavig planinitiatief wordt op eigen terrein ruimte gerealiseerd om parkeren op te lossen. Het plangebied is gelegen in het buitengebied en behoort tot niet stedelijk. Voor de volledigheid is in tabel 2 de parkeerbehoefte berekend.

Uit het berekenen van de parkeerbehoefte blijken er 4.8, afgerond 5, parkeerplaatsen benodigd te zijn. Met voorliggend initiatief wordt dit op eigen terrein gerealiseerd. Zodoende kan er geconcludeerd worden dat het planinitiatief voldoet aan de meest recente uitgave van het CROW en daarmee het parkeernormenbeleid van de gemeente Oude IJsselstreek. De reeds bestaande woning wordt ook voorzien van parkeerplaatsen op eigen terrein. Tabel 2: berekening parkeerbehoefte autoparkeren Soort

Aantal

Parkeernorm Parkeernorm Totaal

Totaal

woning

woningen

(bewoners)

(bezoekers)

bewoners

bezoekers

2.1

0.3

4.2

0.6

Koop, huis, 2

Totaal

4.8

vrijstaand Op figuur 17 is te zien hoe de parkeervraag wordt opgelost op eigen terrein.

58

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Engbergseweg 1a Voorst

Figuur 17: parkeervoorzieningen op eigen terrein (bron: initiatiefnemer) Verkeersgeneratie De gemeente Oude IJsselstreek beschikt niet over cijfers voor de verkeersgeneratie, derhalve is aansluiting gezocht bij de verkeersgeneratie van de CROW op basis van de kerncijfers uit 'CROW-publicatie 744'. In deze kerncijfers wordt gebruik gemaakt van een bandbreedte (minimum-maximum), de Nota Parkeernormen hanteert als uitgangspunt dat in alle zones het gemiddelde van de bandbreedte wordt gehanteerd. Het plangebied wordt gekenmerkt als 'Buitengebied ' en 'niet stedelijk'. Hierdoor is een gemiddelde bandbreedte van 8.2 van toepassing. In de toekomstige situatie is er een toename van 16.4 verkeersbewegingen. Dit is inclusief het aandeel van bezoekersverkeer bij de woningen. Het plangebied wordt ontsloten door de straat 'Engbergseweg'. Voor deze straat zijn geen verkeersgegevens bekent. Wel categoriseert deze weg zich als gebiedsontsluitingsweg. Hiervoor geldt een maximale verkeersintensiteit van 8.000 voertuigen per etmaal. Een toevoeging van 17 verkeersbeweging is geen significante toename en zal geen belemmering vormen voor de omliggende wegen. Toelichting

59

Conclusie Het aspect mobiliteit en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 4.11

Trillingen

Wet- en regelgeving Net als geur en geluid kunnen trillingen nadelige invloed hebben op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Trillingen kunnen effect hebben op de gezondheid en het welzijn. Om trillinghinder te voorkomen, zijn er streef-, standaard- en grenswaarden voor trillingen. Paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl bevat instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen. Hierin zijn onder meer regels opgesteld die voorzien dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Overigens gaat het om trillingen van alle activiteiten samen. In artikel 5.87 en 5.78a van het Bkl zijn standaardwaarden opgenomen die aan de eis van aanvaardbaarheid voldoen. Overigens kan een gemeente gemotiveerd afwijken van de standaardwaarden (artikel 5.86 lid 2 van het Bkl). Daarnaast heeft de gemeente de mogelijkheid om hogere waarden toe te staan (artikel 5.88 en 5.89 van het Bkl). In afdeling 8.5 van het Bkl staan beoordelingsregels voor de omgevingsvergunning milieubelastende activiteit. Ten slotte voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Bal. Doorwerking plangebied Het thema trillingen zal geen belemmering vormen voor de onderhavige ontwikkeling, aangezien het plangebied niet nabij een spoorweg bevindt.

Volgens de geldende richtlijnen, zoals de SBR-richtlijn 'hinder voor personen in gebouwen 2006' en de handreiking nieuwbouw en spoortrillingen, is een beoordeling van het risico op trillinghinder voornamelijk noodzakelijk binnen een afstand van 100 meter van het spoor. In sommige gevallen wordt het onderzoeksgebied uitgebreid tot 250 meter, afhankelijk van specifieke omstandigheden zoals de bodemopbouw en het treintype. Aangezien het plangebied buiten de 250 meter ligt, is het risico op hinder door op voorhand uit te sluiten. Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 60

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Engbergseweg 1a Voorst

4.12

Kabels en leidingen

Wet- en regelgeving Onder de grond liggen netwerken van kabels en leidingen voor onder andere nutsvoorzieningen, (tele)communicatie en riolering. Graafwerkzaamheden in de openbare weg voor de aanleg, uitbreiding en of onderhoud van deze werken mogen alleen gebeuren met vergunning en/of instemming van de gemeente. Het wettelijk kader ten aanzien van plaatsing van antennes en zendmasten ten behoeve van mobiele telecommunicatie wordt in de kern gevormd door de Omgevingswet. Antenne-installaties tot vijf meter hoogte zijn in principe bouwvergunningvrij. Antennes voor C2000, het communicatienetwerk voor hulpverleningsdiensten zijn bouwvergunningvrij, ongeacht hun hoogte. Doorwerking plangebied Binnen het plangebied bevinden zich geen planologisch belangrijke kabels en leidingen. Mogelijk zijn diverse niet-planologisch relevante leidingen aanwezig zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen en/of drainageleidingen. Deze kabels en leidingen zijn veelal aangelegd langs/in combinatie met aanwezige weginfrastructuur. Bij graafwerkzaamheden op het terrein dient hiermee rekening te worden gehouden. Voor uitvoering van de graafwerkzaamheden zal daarom een Klic-melding gedaan worden. Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 4.13

Milieueffectrapportage

Wet- en regelgeving In het milieueffectrapport (MER) worden de effecten van een project op het milieu beschreven. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit kan worden afgeleid of een project mer-plichtig is. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan Toelichting

61

of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van MER-plichtige plannen en programma's uit de Bijlage bij het Besluit MER. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije MER-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MER beoordelingsprocedure. Doorwerking plangebied Door het bevoegd gezag zal moeten worden bepaald of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als genoemd in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Ter volledigheid is in het kort ingegaan op de relevante aspecten: Natuur: Er worden geen negatieve effecten op een Natura 2000-gebied verwacht. Cultuur/archeologie : Er worden geen archeologische resten geschaad met de ontwikkeling. Daarnaast past de ontwikkeling binnen de cultuurhistorische waarden van de omgeving. Verkeer : De ontwikkeling ziet niet op een significante toename in verkeersbewegingen. Geluid : Ten aanzien van wegverkeerlawaai is er sprake van een overschrijding van de standaardwaarde.

t Lucht: De luchtkwaliteit van het plangebied voldoet aan de normen. Daarnaast valt de ontwikkeling in een categorie waarin het niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Bodem: Er is geen sprake van overschreidende bodemverontreiniging ter plaatse van het plangebied. Ongevallen : Er is geen sprake van een toename van het groepsrisico. Gezondheidseffecten : De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een toename van risico's voor de menselijke gezondheid. Conclusie Geconcludeerd wordt dat nadelige milieueffecten kunnen worden uitgesloten, mits er bouwtechnisch rekening wordt gehouden met de geluidsbelasting op de gevels. 62

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Engbergseweg 1a Voorst

Het opstellen van een milieueffectrapport is dan ook niet aan de orde. 4.14

Gezondheid

Wet- en regelgeving De grondslag voor het beschermen van de gezondheid is artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet. Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Het artikel benadrukt de samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in plaats van een sectorale. De Omgevingswet is in ieder geval gericht op veiligheid en gezondheid van de mens. Bij veiligheid gaat het om aspecten van fysieke veiligheid zoals externe veiligheid en veiligheid tegen overstromingen. Bij gezondheid van de mens gaat het om aspecten zoals geluid en luchtverontreiniging. Een goede omgevingskwaliteit duidt op het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Doorwerking plangebied Veilige en gezonde fysieke leefomgeving Het initiatief draagt bij aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving door te voldoen aan de relevante normen voor milieubelasting en fysieke veiligheid. Uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde ontwikkeling. Daarnaast wordt de ruimtelijke inrichting geoptimaliseerd door het verminderen van verharding en het toevoegen van groen, wat bijdraagt aan een klimaatbestendige omgeving.

Hiermee wordt invulling gegeven aan de doelstellingen van de Omgevingswet om een leefomgeving te creëren die veilig, gezond en toekomstbestendig is. Goede omgevingskwaliteit De ontwikkeling sluit aan bij de bestaande ruimtelijke structuur en draagt bij aan een goede omgevingskwaliteit door zorgvuldig in te passen binnen het landschap. De transformatie van de bestaande groepsaccommodatie en kapschuur tot woning en de toevoeging van landschappelijke beplanting versterken de samenhang in het gebied. De nieuwe woningen worden landschappelijk ingepast door middel van erfbeplanting en het behoud van karakteristieke groene structuren. Hierdoor blijft het kleinschalige en groene karakter van het gebied behouden, in lijn met de ambities van de Omgevingswet op het gebied van stedenbouwkundige en Toelichting

63

landschappelijke kwaliteit.

64

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Engbergseweg 1a Voorst

Hoofdstuk 5 Juridische planopzet 5.1

Opzet planregels

Onderhavig TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het omgevingsplan. Woningbouw op deze locatie is in strijd met het Omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek, waardoor dit Omgevingsplan gewijzigd moet worden. Het TAM-omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat los staat van de rest van het Omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het Omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het Omgevingsplan. Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22a van het Omgevingsplan. De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch gedeelte van het TAM-omgevingsplan. De motivering is niet juridisch bindend, maar kan wel gebruikt worden als nadere uitleg bij de regels. Op de bij het TAM-omgevingsplan behorende verbeelding zijn alle noodzakelijke gegevens ingetekend. Er wordt onderscheid gemaakt in functies en aanduidingen. De functies zijn de belangrijkste elementen. De op de verbeelding opgenomen functies zijn in overeenstemming met de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012).

Door deze standaarden wordt de kleur en codering van de functies bepaald. De functies zijn op het renvooi weergegeven in alfabetische volgorde. Elke op de verbeelding weergegeven functie is gekoppeld aan een functieregel in de regels. De regels laten vervolgens bij elke functie zien op welke wijze de gronden binnen de desbetreffende functie gebruikt en bebouwd mogen worden. Daarbij wordt onder meer verwezen naar aanduidingen op de verbeelding. Aanduidingen in samenhang met de regels, geven duidelijkheid over datgene wat binnen een functievlak al dan niet is toegestaan. De regels zijn onderverdeeld in vijf hoofdstukken: De 'Inleidende bepalingen', bestaande uit een begrippenlijst en regels met betrekking tot de 'wijze van meten'; Toelichting

65

De 'Specifieke Regels over functies', die in dit TAM-omgevingsplan te onderscheiden zijn in regels voor functies; De 'Algemene regels over functies' die in principe betrekking hebben op alle functies die in het plangebied voorkomen; De 'Regels ter bescherming van waarden en objecten', die mede als functie hebben om verwachtte waarden te behouden, beschermen en veiligstellen. De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3. De 'Overgangsregels' die bestaan uit het overgangsrecht (voor bestaande bouwwerken en bestaand gebruik dat van het TAM-omgevingsplan afwijkt). 5.1.1

Inleidende bepalingen

Hoofdstuk 1 bevat bepalingen die gelden voor het gehele plangebied en bestaan uit: 1. Toepassingsbereik: in dit artikel is opgenomen dat het TAM-omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het 'Omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek' en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen. Het artikel geeft aan voor welk werkingsgebied de regels van toepassing zijn. Tevens wordt aangegeven dat specifieke artikelen uit de Omgevingswet en het omgevingsplan van rechtswege niet van toepassing zijn, indien strijdigheid bestaat met de regels uit het TAM- omgevingsplan. 2. Begrippen 3. Meten en rekenen 5.1.2

Specifieke Regels over functies

In Hoofdstuk 2 zijn regels opgenomen voor de functie 'Agrarisch met waarden' (Artikel 4) en 'Wonen' (Artikel 5). Agrarisch met waarden Voor de gronden grenzend aan de woonfunctie is de functie Agrarisch met waarden opgenomen. Hier zijn hobbymatige agrarische activiteiten toegestaan en zijn de gronden bedoeld voor het behoud, herstel en/of ontwikkeling van de natuur- en landschapswaarden. Verder zijn paardenbakken, extensief (dag)recreatief medegerbuik en water(huishoudkundige) voorzieningen toegestaan. Onder voorwaarden mogen bouwwerken en paardenbakken worden gebouwd. Wonen

66

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Engbergseweg 1a Voorst

Voor in het plangebied gelegen woningen is de functie Wonen opgenomen. In of bij woningen is ook het uitoefenen van aan huis verbonden beroepen toegestaan, even als tuinen en erven, parkeer- speel- en groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding. Naast de woningen zijn tevens, onder voorwaarden, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. 5.1.3

Algemene regels over functies

Hoofdstuk 3 bevat de algemene bepalingen. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied en zijn van algemene aard. Deze worden daarom niet nader toegelicht in deze paragraaf. 5.1.4

Regels ter bescherming van waarden en objecten

In Hoofdstuk 4 zijn regels opgenomen die als doel hebben specifieke waarden in het plangebied te beschermen. In voorliggend TAM-omgevingsplan gaat het om de volgende waarden: Waarde – Archeologische verwachting 1 (Artikel 11) Een locatie die is aangewezen als Waarde - Archeologische verwachting 1 heeft mede als functie het behoud, bescherming en veiligstelling van te verwachten archeologische waarden in de bodem. Archeologisch onderzoek is benodigd bij bodemingrepen groter dan 250 m2 of grondroerende werkzaamheden dieper dan 30 cm vanaf maaiveld. Waarde - Archeologische verwachting 2 (Artikel 12) Een locatie die is aangewezen als Waarde - Archeologische verwachting 2 heeft mede als functie het behoud, bescherming en veiligstelling van te verwachten archeologische waarden in de bodem. Archeologisch onderzoek is benodigd bij bodemingrepen groter dan 1.000 m2 of grondroerende werkzaamheden dieper dan 30 cm vanaf maaiveld. 5.1.5

Overgangsregels

In Hoofdstuk 5 staan de overgangsregels. In Artikel 13 wordt aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met het omgevingsplan.

Toelichting

67

5.1.6

Handhaafbaarheid

Het TAM-omgevingsplan is het juridisch instrument om te bepalen welke ruimte voor welke bouw- en gerbuiksactiviteiten aangewend mag worden. In dit TAM-omgevingsplan zijn voorschriften opgesteld waarbij het bestaande gebruik van gebouwen en bouwwerken in principe het uitgangspunt vormt. Dit betekent dat de huidige situatie in regels is vastgelegd. Het handhavingsbeleid is erop gericht dat deze regels ook worden nageleefd. Het TAM-omgevingsplan bindt zowel burgers als de gemeente en is dan ook de basis voor handhaving en handhavingsbeleid. Handhaving is van cruciaal belang om de in het plan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten ook op langere termijn daadwerkelijk te kunnen 'vasthouden'. Daarnaast is de handhaving van belang uit een oogpunt van rechtszekerheid: alle grondeigenaren en gebruikers dienen door de gemeente op eenzelfde manier aan het plan gehouden te worden. Met deze oogmerken is in het TAM-omgevingsplan allereerst gestreefd naar een zo groot mogelijke eenvoud van de regels. Hoe groter de eenvoud (en daarmee de toegankelijkheid en leesbaarheid), hoe groter de mogelijkheden om in de praktijk toe te zien op de naleving van het TAM-omgevingsplan. Onder handhaving wordt niet alleen het repressief optreden verstaan, maar ook preventie en voorlichting.

Repressief optreden bestaat uit toezicht en opsporing en in het verlengde daarvan – na afweging van belangen waaronder de effectiviteit van optreden – correctie, bestaande uit sancties en maatregelen. De sancties en maatregelen kunnen bestaan uit het stilleggen van activiteiten, aanschrijvingen, bestuursdwang, strafrechtelijk optreden en de dwangsom. Preventief handelen bestaat uit voorlichting en vooroverleg voor het indienen van een aanvraag om een vergunning en voorts het weigeren van de vergunning en eventuele afwijkingen.

68

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Engbergseweg 1a Voorst

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid van het plan 6.1

Economische uitvoerbaarheid

6.1.1

Kostenverhaal

Afdeling 13.6 van de Omgevingswet bevat de regeling voor kostenverhaal. De wet geeft de uitgangspunten en vereisten op basis waarvan wordt bepaald of kostenverhaal verplicht is en hoe de kostenverhaalsbijdrage wordt bepaald. De verplichting tot kostenverhaal geldt voor particuliere grondeigenaren die een bouwplan als bedoeld in artikel 13.11 Omgevingswet en artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit kunnen realiseren. Het gaat dan bijvoorbeeld om de bouw van een of meerdere woningen of een nieuw hoofdgebouw. Doorwerking plangebied Volgens artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit, dat betrekking heeft op de activiteiten waarbij een afdwingbare financiële bijdrage kan worden opgesteld, valt dit planinitiatief onder de plicht tot kostenverhaal. De hiermee samenhangende kosten worden gedekt via legesheffing. Dit houdt in dat de kosten die de gemeente maakt voor vergunningverlening, toezicht en handhaving, worden verhaald door middel van leges. Op deze manier worden de gemeentelijke uitgaven die samenhangen met de uitvoering van het plan op een efficiënte en transparante wijze gecompenseerd, zonder aanvullende financiële verplichtingen. 6.1.2

Nadeelcompensatie

Nadeelcompensatie heeft betrekking op vergoeding van schade veroorzaakte door rechtmatige besluiten en handelen van de overheid. Nadeelcompensatie binnen de Omgevingswet gaat over besluiten of maatregelen: die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten; die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving. De schadeoorzaken zijn limitatief opgesomd in artikel 15.1 van de Omgevingswet. Dit betekent dat de wet de schadeoorzaken uitputtend regelt. Er zijn dus geen andere schadeoorzaken mogelijk dan die in de Omgevingswet staan. Schadeoorzaken zijn onder meer: een omgevingsvergunning, een regel in het omgevingsplan met Toelichting

69

rechtstreekse rechten of verplichtingen voor burgers en bedrijven of een maatwerkvoorschrift. Doorwerking plangebied Met onderhavig planinitiatief wordt geen nadelig effect verwacht. 6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Participatie

In artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit staat de zogenaamde motiveringsplicht vroegtijdige publieksparticipatie omgevingsplan beschreven: 'Bij de kennisgeving van het voornemen om een omgevingsplan vast te stellen dient te worden aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken.' (artikel 10.2 lid 1 van het Omgevingsbesluit). 'Bij het vaststellen van een omgevingsplan dient hier verslag van te worden gedaan. Hierbij wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij wordt aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepasselijke decentrale participatiebeleid.' (artikel 10.2 lid 2 van het Omgevingsbesluit). In 2021 is een plan ingediend voor een camping. Daartegen zijn door omwonenden bezwaren ingediend in verband met de verkeersaantrekkende werking van de camping. Het plan voor de camping is om deze reden ingetrokken. In plaats daarvan is huidig voornemen om twee extra woningen te realiseren ingediend, waarmee wordt tegemoetgekomen aan de bezwaren van de omwonenden. Ten behoeve van dit plan zijn opnieuw de omwonenden benaderd. Een beknopt verslag van het participatietraject is bijgevoegd als Bijlage 6.

70

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Engbergseweg 1a Voorst

Jufferenwal 30, 8011 LE Zwolle Postbus 432 8000 AK Zwolle

t 08 8236 8236 e info@rombou.nl i www.rombou.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/5049/documents/33271