CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.1509.OP000029-ON01_Bijlagen bij regels.pdf

Raadsvergadering 23 april 2026, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 14: TAM-omgevingsplan “Buitengebied, locatie Koksallee 12 Megchelen”19.548 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

TAM-Omgevingsplan Buitengebied, Locatie Koksallee 12 Megchelen Gemeente Oude IJsselstreek

TAM-Omgevingsplan Buitengebied, Locatie Koksallee 12 Megchelen Gemeente Oude IJsselstreek

PLANGEGEVENS IDN Projectnummer Titel Projectleider Auteur STATUS Concept Voorontwerp Ontwerp Vastgesteld

DETAILS NL.IMRO.1509.OP000029-ON01 TAM-omgevingsplan Buitengebied, locatie Koksallee 12 Megchelen M. Ottink M. Ottink & D. Meis

DATUM 28 oktober 2025

Inhoudsopgave

Bijlagen bij regels

3

Bijlage 1

Landschappelijke inpassing bestaande situatie

3

Bijlage 2

Landschappelijke inpassing nieuwe situatie

5

Bijlage 3

Ruimtelijk Kwaliteitsplan

8

Bijlage 4

Quickscan flora & fauna

21

Bijlage 5

Verkennend bodemonderzoek

54

2

TAM-omgevingsplan Buitengebied, locatie Koksallee 12Megchelen

Bijlagen bij regels Bijlage 1 Landschappelijke inpassing bestaande situatie

ruimte voor ontwikkeling

3

A:

Bestaande knotbomen, 2 zomereiken (Quercus robur).

B: B1:

Bestaande fruitbomen, sortiment Oud-Hollandse rassen, 6 stuks (Malus ‘diverse cultivars’). 2 stuks pruimen ‘Prunus domestica’

C:

Bestaande gewone es, Fraxinus excelsior.

D:

Bestaande perenbomen, Pyrus communis, 2 stuks.

E:

Bestaande laurierhaag, Prunus laurocerasus ‘Rotundifolia’.

F:

Bestaande conifeerhaag, Thuja occidentalis ‘Brabant’.

G:

Bestaande buxushaag, Buxus sempervierens’.

H:

Bestaande meidoornhaag, Crataegus monogyna.

I:

Bestaande walnoot, Juglans regia, 1 stuk.

Project: Bestaande situatie groen

Getekend:

BM

Status:

Adres:

Koksallee 12

Gecontroleerd:

NH

Formaat: A3

DO

Plaats:

Mechelen

Datum:

16-10-2025

Noord:

^

Schaal: 1:1000

Bijlage 2 Landschappelijke inpassing nieuwe situatie

ruimte voor ontwikkeling

5

A:

Bestaande knotbomen, 2 zomereiken (Quercus robur).

B: B1:

Bestaande fruitbomen, sortiment Oud-Hollandse rassen, 5 stuks (Malus ‘diverse cultivars’). 2 stuks kwetsen ‘Prunus domestica’

C:

Bestaande gewone es, Fraxinus excelsior.

D:

Bestaande perenbomen, Pyrus communis, 3 stuks.

E:

Bestaande laurierhaag, Prunus laurocerasus ‘Rotundifolia’.

F:

Bestaande conifeerhaag, Thuja occidentalis ‘Brabant’.

G:

Bestaande buxushaag, Buxus sempervierens.

H:

Bestaande meidoornhaag, Crataegus monogyna.

I:

Bestaande walnoot, Juglans regia, 1 stuk.

Project: Bestaande situatie groen

Getekend:

BM

Status:

Adres:

Koksallee 12

Gecontroleerd:

NH

Formaat: A3

DO

Plaats:

Mechelen

Datum:

22-10-2025

Noord:

^

Schaal: 1:1000

A:

Te verbouwen woonhuis.

B:

Te behouden bijgebouw.

C:

Te slopen bijgebouwen.

D:

Tuin/gazon.

E:

Erfverharding met parkeermogelijkheden (5 stuks).

F:

Bestaande houtopstanden.

G:

Weiland/grasland.

H:

Nieuw te planten walnoot in de maat 14-16 (stamomtrek in centimeters) en voor zien van t wee boompalen.

I:

Nieuw te planten fruitbomen in de maat 10-12 (stamomtrek in centimeters) en elk voor zien van twee boompalen. Aanplanten met de soorten: Appel, peer en pruim, totaal 6 stuks in gelijke verhouding .

J:

Mantelzorgwoning.

K:

Nieuw te planten hagen. Aanplanten in de maat 80-100 (hoogte in centimeters). Aanplanten met 5 stuks per strekkende meter. Totaal 510 stuks op een lengte van 102 meter. Soort: Spaanse aak of haagbeuk.

L:

Nieuw aan te planten knotbomen. Aanplanten met een 3-jarige onbewortelde wilgenstek (Salix alba). Totaal 8 stuks aan te planten.

Fragment uit 1930 (bron: topotijdreis.nl)

Project: Landschappelijke inpassing

Getekend:

BM

Status:

Adres:

Koksallee 12

Gecontroleerd:

NH

Formaat: A3

DO

Plaats:

Mechelen

Datum:

22-10-2025

Noord:

^

Schaal: 1:1000

Bijlage 3 Ruimtelijk Kwaliteitsplan

8

TAM-omgevingsplan Buitengebied, locatie Koksallee 12Megchelen

RU I M T E L I J K K WA L IT E IT S P L A N • Ko k s a l l e e 12 -

M e g ch e l e n • Tubbergen, 24 oktober 2025 - Definitief

RKP Koksallee 12

2

Datum:

24 oktober 2025, Tubbergen

Gewijzigd:

-

Status:

Definitief

Opgesteld:

N+L Landschapsontwerpers nl-landschap.nl info@nl-landschap.nl

Auteur: Getekend: Gecontroleerd:

BM BM NH

Inhoudsopgave:

1. Aanleiding 2. Huidige situatie 3. Nieuwe situatie

03 04 08

1. Aanleiding 1.1 Korte historie planlocatie Ten noordwesten van de dorpskern van Megchelen, aan de Koksallee 12, bevindt zich het erf van de initiatiefnemer. Op het erf staan diverse agrarische gebouwen die niet langer in gebruik zijn voor agrarische doeleinden. Uit historische kaarten blijkt dat ter plaatse al sinds circa 1850 sprake is van bebouwing. Het plangebied ligt op een rivierterrasvlakte, die ontstaan is tijdens warmere periodes onder invloed van de rivier. Tijdens deze periodes sneden de rivieren zich afwisselend in en erodeerden, wat leidde tot de vorming van meerdere terrasniveaus. Het rivierterras waarop Koksallee 12 is gelegen, is bedekt met overstromingsklei, wat zorgt voor natte omstandigheden. Het gebied wordt gekenmerkt door openheid, waterstructuren en agrarisch gebruik. Groenstructuren bestaan vooral uit groenstructuren met bomen. Vroeger ook langs perceelsranden, nu vooral langs wegen.

is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing en blijft het karakter van het erf behouden. 1.3 Ruimtelijk kwaliteitsplan De gemeente Oude IJsselstreek stelt bij ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied een landschappelijk inpassingsplan met onderbouwing als belangrijke voorwaarde. Dit plan beschrijft het plangebied, het omliggende landschap en de voorgenomen ontwikkeling en resulteert in een weergave van de nieuwe situatie die aansluit bij de gevraagde uitgangspunten voortkomend uit de ‘Standaard Landschappelijke Inpassing’ die de gemeente heeft opgesteld.

1.2 Wens initiatiefnemer De initiatiefnemer is voornemens een deel van de voormalige agrarische bebouwing te slopen en een ander deel te behouden en te herbestemmen als bijgebouw bij de bestaande woning. Daarnaast is men voornemens om aan de noordzijde van het erf een (tijdelijke) mantelzorgwoning te realiseren. In het nieuwe plan zal de totale oppervlakte aan bebouwing afnemen ten opzichte van de huidige situatie. Bij de ontwikkeling wordt zorgvuldig rekening gehouden met het omliggende landschap en de bijbehorende structuren. Hierdoor

Plangebied (Bron: topotijdreis.nl).

3

2. Huidige situatie 2.1 Landschapstype Het zuidwestelijke deel van de gemeente Oude IJsselstreek is gevormd onder invloed van de rivier. Dit gebied maakte vroeger deel uit van de oude IJssel, waarbij de lage delen regelmatig overstroomden of zeer nat waren door een hoge grondwaterstand. Het plangebied ligt op een rivierterrasvlakte, die ontstaan is tijdens warmere periodes. Tijdens deze periodes sneden de rivieren zich afwisselend in en erodeerden zij zijwaarts, wat leidde tot de vorming van meerdere terrasniveaus. Het rivierterras waarop Koksallee 12 is gelegen, is bedekt met overstromingsklei, wat zorgt voor natte omstandigheden. De hogere delen van het gebied rondom de Oude IJssel bestaan voornamelijk uit ooivaagronden, terwijl de lagere delen, waaronder de planlocatie, uit poldervaaggronden bestaan. Van oorsprong worden de kleigronden vanwege hun natte karakter vooral gebruikt als hooi- of weiland. De kavelgrenzen worden traditioneel gemarkeerd door elzensingels of meidoornhagen. Door schaalvergroting in de landbouw zijn veel van dergelijke landschapselementen deels verdwenen. De boerderijen liggen verspreid langs de wegen en zijn opgebouwd volgens een rechtlijnige structuur.

2.2 Historische landschapsanalyse Van oorsprong was het plangebied kleinschalig van opzet, met kavelgrenzen die werden gemarkeerd door elzensingels of Planlocatie gelegen in het riverterassen landschap. (Bron: www.oude-ijsselstreek.nl).

4

meidoornhagen, zoals ook zichtbaar is op het historische kaartbeeld omstreeks 1900. Vanaf de jaren dertig werd het landschap grootschaliger door schaalvergroting in de landbouw en verbeterde afwateringstechnieken. Hierdoor verdwenen veel groenstructuren en werden kleine sloten gedempt. Ook is op dat moment de weg verlegd. De weg lag aanvankelijk meer naar het westen welke nog herkenbaar is in de landschappelijke structuur. Het erf is al oud en komt op kaarten voor van voor 1850. Het kent een orthogonale opzet die aanvankelijk de kavelstructuur volgde. 2.3 Nieuwe elementen Bij nieuwe ontwikkelingen dienen de landschappelijke kenmerken van het rivierterraslandschap behouden te blijven en, waar mogelijk, te worden hersteld en/ of versterkt. Er ligt een kans om de landschappelijke herkenbaarheid te versterken, bijvoorbeeld in de vorm van lage elementen zoals kruidenrijke grasstroken en hagen, passend bij de openheid van het gebied. Wanneer echter specifiek wordt gekeken naar het erf op de planlocatie, valt op dat dit in de basis al een groene uitstraling heeft. Daarom verdient het de voorkeur om in te zetten op het behoud van de bestaande landschappelijke elementen, aan te vullen met nieuwe beplantingsvormen die aansluiten bij het karakter van het landschap.

Omstreeks 1930 (Bron: topotijdreis.nl).

Omstreeks 1990 (Bron: topotijdreis.nl).

Omstreeks 1970 (Bron: topotijdreis.nl).

Omstreeks 2024 (Bron: topotijdreis.nl).

5

2.4 Bestaande situatie In de bestaande situatie is er sprake van meerdere vormen van beplanting. Overwegend is de beplanting als passend te beoordelen. Het draagt bij aan de herkenning van het landschap. Aan de oostzijde is sprake van een rij fruitbomen, in dit geval appelbomen. Hoewel fruitboomgaarden normaal gesproken anders ingevuld zijn, is er sprake van een passende opzet. De betreffende bomen staan langs op een oude landschapsstructuur. Voor langs de weg staan wederom enkele fruitbomen, een gewone es als solitair en een tweetal knoteiken. Ook deze beplanting past in dit landschap. Ook een tweetal peren en een vrijgroeiende walnoot hebben beeldbepalende en landschappelijke waarden. Net als de voorgaande beplantingen wordt voorgesteld om deze te behouden. Tot slot is rondom de moestuin sprake van een haag. De haag bestaat uit een viertal soorten, te weten: laurier, conifeer, buxus en meidoorn. Hoewel meidoorn wel passend is, wordt voorgesteld om het geheel te rooien. De hagen maken plaats voor een meer passende variant.

6

A:

Bestaande knotbomen, 2 zomereiken (Quercus robur).

B: B1:

Bestaande fruitbomen, sortiment Oud-Hollandse rassen, 5 stuks (Malus ‘diverse cultivars’). 2 stuks kwetsen ‘Prunus domestica’

C:

Bestaande gewone es, Fraxinus excelsior.

D:

Bestaande perenbomen, Pyrus communis, 3 stuks.

E:

Bestaande laurierhaag, Prunus laurocerasus ‘Rotundifolia’.

F:

Bestaande conifeerhaag, Thuja occidentalis ‘Brabant’.

G:

Bestaande buxushaag, Buxus sempervierens.

H:

Bestaande meidoornhaag, Crataegus monogyna.

I:

Bestaande walnoot, Juglans regia, 1 stuk.

Bestaande situatie, niet op schaal (Bron: N+L).

7 Project: Bestaande situatie groen

Getekend:

BM

St atus:

DO

Adres:

Koksallee 12

Gecontroleerd:

NH

Formaat: A3

Plaats:

Mechelen

Datum:

22-10-2025

Noord:

^

Schaal: 1:10 0 0

3. Nieuwe situatie 3.1 Samenvatting huidige situatie Het plangebied ligt ten noordwesten van Megchelen, in het rivierenlandschap op de overgang van het rivierweidelandschap naar het rivierterrassenlandschap. De planlocatie bevindt zich in het laatstgenoemde landschapstype. Op historische kaartbeelden rond 1850 is het erf al zichtbaar. In de loop der jaren is het erf geleidelijk uitgebreid tot de huidige situatie. De planlocatie omvat een woning met meerdere voormalige agrarische opstallen. De agrarische functie wordt echter omgezet naar de woonfunctie waarbij enkele opstallen worden gesloopt. De huidige erfopzet kenmerkt zich door een rechtlijnige, kleinschalige structuur. In de loop der tijd zijn veel oorspronkelijke groenstructuren verdwenen. De erven in dit gebied liggen verspreid in het landschap, doorgaans op de iets hogere gronden.

door het toevoegen van landschapselementen. In dit geval betekent dat een vereiste van 5.020 punten. Het is echter niet haalbaar om dit volledig te realiseren binnen de context van het landschap ook gelet op de bestaande beplanting. De bestaande beplanting had in een nieuwe situatie 600 punten opgeleverd. De kernkwaliteit van het rivierenlandschap is namelijk de openheid. Wanneer het volledige puntenaantal zou worden ingevuld met nieuwe beplanting, zou dit ten koste gaan van deze karakteristieke openheid. Om die reden wordt in dit plan maatwerk voorgesteld: hoewel niet volledig aan het puntensysteem kan worden voldaan, wordt de ruimtelijke kwaliteit met de voorgenomen maatregelen aantoonbaar versterkt. Totaal zijn er 1.710 punten in te zetten. Zie tabel rechts.

3.2 Puntensysteem In de huidige situatie is het erf voorzien van meerdere bestaande landschapselementen die bijdragen aan de herkenning van het landschap. Uit de bijgevoegde tabel blijkt dat er op het erf onder meer 11 hoogstamfruitbomen, 2 knotbomen en twee solitaire bomen aanwezig zijn. Het plangebied heeft een oppervlakte van 5.020 m2. Volgens het gemeentelijke puntensysteem dient bij een ruimtelijke ontwikkeling een gelijk aantal punten te worden behaald Tabel landschapselementen per landschapstype (Bron: www.oude-ijsselstreek.nl).

8

Adres en plaats Koksallee 12, Megchelen Perceelnummer(s) GDG00-I-1598 Oppervlakte plangebied (m2) 5.020 m2 Landschapselementen Nieuw aan te leggen landschap Te verwijderen landschap Optioneel; aanwezig landschap Elzensingel Laan Knotboom 8 2 Fruitlaan Bomenrij Solitaire bomen 1 2 Hoogstamboomgaard 6 10 Houtwal of houtsingel Struweelrand Vogelbosje Knip- of scheerheg 102 Struweelhaag Poel en klein- historisch water Rietzoom en klein rietperceel Natuurvriendelijke oever Puntentabel Fruitbomen Solitaire boom scheer haag Knotbomen

Aantal

Punten 6 1 102 8 totaal

Tabellen. Bron: N+L Landschapsontwerpers).

Totaal 40 50 10 50

240 50 1020 400 1710

Landschapselement Naam landschapsele

Omschrijving en sam

9

Oppervlakte of aanta

Soortnamen in Nede

Adres en plaats Koksallee 12, Megchelen Perceelnummer(s) GDG00-I-1598 Oppervlakte plangebied (m2) 5.020 m2 Landschapselementen Nieuw aan te leggen landschap Te verwijderen landschap Optioneel; aanwezig landschap Elzensingel Laan Knotboom 8 2 Fruitlaan Bomenrij Solitaire bomen 1 2 Hoogstamboomgaard 6 10 Houtwal of houtsingel Struweelrand Vogelbosje Knip- of scheerheg 102 Struweelhaag Poel en klein- historisch water Rietzoom en klein rietperceel Natuurvriendelijke oever

3.3 Nieuwe situatie In de nieuwe situatie worden twee agrarische opstallen (C) gesloopt en wordt een tijdelijke mantelzorgwoning (J) Puntentabel gerealiseerd. Deze mantelzorgwoning wordtAantal Fruitbomen Solitaire boom parallel gepositioneerd tenscheeropzichte van haag Knotbomen het te behouden bijgebouw (B). Daarmee is het passend in de nieuwe erfopzet. Er is bewust gekozen om de karakteristieke boerderij (A) aan de achterzijde open te houden, zodat er na sloop een visuele en ruimtelijke verbinding met het omliggende landschap ontstaat en behouden blijft. Om de bestaande ruimtelijke kwaliteit te behouden en verder te versterken, worden nieuwe groenstructuren aangeplant. De noordoostelijke perceelsgrens wordt voorzien van beplanting in de vorm van knotbomen (L). Ten westen van de woning (A) wordt een fruitgaard (I) gerealiseerd en op het erf wordt een extra solitaire boom (H) aangeplant. Opnieuw een walnoot, nu ter versterking (bestuiving) van de bestaande walnoot. Daarnaast wordt langs de zuidwestelijke erfgrens een haag (K) toegevoegd.

Deze maatregelen dragen bij aan een landschappelijke inpassing die zowel aansluit bij de historische structuur van het erf als bij de kernkwaliteiten van het rivierenlandschap. Punten 6 1 102 8

Totaal 40 50 10 50

240

50 3.4 Maatregelen ten behoeve van de 1020 400 ruimtelijke kwaliteit 1710 Om de totaal ruimtelijke kwaliteit te behouden en waar mogelijk te versterken, worden meerdere maatregelen getroffen. Er wordt verwezen naar de tabel rechts.

Met de voorgestelde ontwikkeling wordt voldaan aan het geldende beleid. Daarnaast is zorgvuldig rekening gehouden met de landschappelijke context waarin het erf is gelegen. Door middel van een doordachte landschappelijke inpassing wordt de samenhang met het omringende rivierenlandschap behouden en versterkt.

Landschapselement I Naam landschapselement Omschrijving en samenstelling Oppervlakte of aantallen

Soortnamen in Nederlands en Latijn inclusief maatvoering

Landschapselement K Naam landschapselement Omschrijving en samenstelling Oppervlakte of aantallen Soortnamen in Nederlands en Latijn inclusief maatvoering Landschapselement H Naam landschapselement

Hoogstamfruitgaard Nieuw aan te planten hoogstamfruitgaard. Bestaande uit 6 nieuw aan te planten fruitbomen in de maat 10-12 (stamomtrek in centimeters). 6 stuks Malus domestica 'Notarisappel' Malus domestica 'Oranje Reinette van pomona' Pyrus communis 'Clapp’s Favourite' Pyrus communis 'Gieser Wildeman' Prunus domestica 'Betuwse kwets' Prunus avium 'Mierlose Zwarte' Scheerhaag Nieuw aan te planten haag met de soort Spaanse aak of haagbeuk, aanplanten met 5 stuks per strekkende meter, totaal 500 stuks aan te planten op een totale lengte van 100 meter. 510 stuks Eenstijlige meidoorn- Crataegus monogyna – 80/100 (hoogte in centimeters). Solitaire boom

Omschrijving en samenstelling

Nieuw aan te planten solitaire walnoot in de maat 14-16 (stamomtrek in centimeters)

Oppervlakte of aantallen

1 stuk

Soortnamen in Nederlands en Latijn inclusief maatvoering

Walnoot - Juglans regia - 14-16 (stamomtrek in centimeter)

Landschapselement L Naam landschapselement

Knotbomen

Omschrijving en samenstelling

Nieuw aan te planten knotbomen. Aanplanten met een 3-jarige onbewortelde wilgenstek

Oppervlakte of aantallen

8 stuks met een afstand van 5 m h.o.h.

Soortnamen in Nederlands en Latijn inclusief maatvoering

Schietwilg - Salix alba, 3 jarige- onbewortelde wilgenstek

Aanplant tabel plantgoed (Bron: N+L - landschapsontwerpers).

10

A:

Te verbouwen woonhuis.

B:

Te behouden bijgebouw.

C:

Te slopen bijgebouwen.

D:

Tuin/gazon.

E:

Erfverharding met parkeermogelijkheden (5 stuks).

F:

Best aande houtopstanden.

G:

Weiland/grasland.

H:

Nieuw te planten walnoot in de maat 14-16 (st amomtrek in centimeters) en voor zien van t wee boompalen.

I:

Nieuw te planten fruitbomen in de maat 10-12 (st amomtrek in centimeters) en elk voor zien van twee boompalen. Aanplanten met de soorten: Appel, peer en pruim, totaal 6 stuks in gelijke verhouding .

J:

Mantelzorgwoning .

K:

Nieuw te planten hagen. Aanplanten in de maat 80-100 (hoogte in centimeters). Aanplanten met 5 stuks per strekkende meter. Tot aal 510 stuks op een lengte van 102 meter. Soort: Spaanse aak of haagbeuk.

L:

Nieuw aan te planten knotbomen. Aanplanten met een 3-jarige onbewortelde wilgenstek (Salix alba). Tot aal 8 stuks aan te planten.

Fragment uit 1930 (bron: topotijdreis.nl)

Nieuwe situatie, niet op schaal (Bron: N+L). Project: Landschappelijke inpassing

Getekend:

BM

St atus:

Adres:

Koksallee 12

Gecontroleerd:

NH

Formaat: A3

DO

Plaats:

Mechelen

Datum:

22-10-2025

Noord:

^

Schaal: 1:1000

11

l a n d s c h a p s o n t w e r p e r s

12

Kupersweg 14 • 7651 LA Tubbergen • info@nl-landschap.nl • www.nl-landschap.nl

Bijlage 4 Quickscan flora & fauna

ruimte voor ontwikkeling

21

versie 1

Ambachtstraat 7 4051 AH Ochten M 06 26 810 089 KvK 91795850 info@deinterimecoloog.nl

P25014/rap01/v1 De Interim Ecoloog B.V. is lid van het Netwerk Groene Bureaus en conformeert zich aan de gedragscode van het NGB

Fam. Van Rekum Koksallee 12 7078 AB Megchelen

1.1

Aanleiding

3

1.2

Doel

3

2.1

Huidige situatie plangebied

4

2.2

Voorgenomen ontwikkeling

6

3.1

Literatuuronderzoek

8

3.2

Veldbezoek

8

3.3

Wettelijk kader

9

4.1

Flora

11

4.2

Broedvogels – nesten jaarrond beschermd

11

4.3

Broedvogels – overige

14

4.4

Vleermuizen

15

4.5

Overige soorten

19

4.6

Algemene zorgplicht

20

4.7

Specifieke zorgplicht

21

4.8

Uitvoerbaarheid en evenwichtige toedeling van functies aan locaties

21

5.1

Natura 2000

23

5.2

Bijzondere nationale of provinciale natuurgebieden

24

5.3

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

27

De initiatiefnemers zijn voornemens om twee schuren op het erf van de Koksallee 12 te Megchelen te slopen. Dit is in het kader van een bestemmingswijziging van het terrein van agrarisch met bedrijfswoning naar een woonbestemming. Uit de quickscan natuurwetgeving blijkt dat de huismus en steenuil op het erf voorkomen, maar dat de slopen schuren geen functie hebben voor deze soorten. Verder kunnen er algemene soorten broedvogels voorkomen. Voor algemene broedvogels is het nodig om te starten met werken buiten het broedseizoen (1 maart – 1 augustus) of na een voorafgaande broedvogelcontrole. Door de werkzaamheden kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen in het te slopen gebouw 2 verloren gaan, zodat het nodig is om nader onderzoek uit te voeren naar vleermuizen. Voor overige beschermde soorten zijn er geen vervolgstappen noodzakelijk. De resultaten zijn samengevat in onderstaande tabel.

Vaatplanten

nee

Vogels (cat. 1)

nee

Vogels (overige)

nee

Vleermuizen

ja

Overige zoogdieren

nee

Reptielen

nee

Amfibieën

nee

Vissen

nee

Insecten en ongewervelden

nee

De huismus broedt in het te behouden woonhuis, maar de te slopen schuren hebben geen functie voor deze soort. De steenuil broedt in een nestkast in een hoogstam fruitboom op het erf, maar de te slopen schuren hebben geen functie voor deze soort. (starten met) werken buiten het broedseizoen of na een voorafgaande broedvogelcontrole Gebouw 1 is niet geschikt voor vleermuizen, gebouw 2 wel. De werkzaamheden kunnen leiden tot vernietiging van verblijfplaatsen. Nader onderzoek nodig naar aan- of afwezigheid.

Ten aanzien van beschermde gebieden geldt dat direct negatieve effecten zijn uit te sluiten door de afstand van het plangebied tot Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten door stikstofdepositie zijn uitgesloten door de beperkte omvang van het initiatief en de hoge rekenkundige ondergrens die in Duitsland wordt toegepast. Er zijn geen negatieve effecten of vervolgstappen ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde gebieden, omdat het plangebied buiten en op ruime afstand van deze gebieden ligt. Uit de toetsing aan de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van de Gelderse Streek Liemers volgt dat deze doelen niet geschaad worden. Zie ook de tabel op de volgende pagina voor een samenvatting van de gebiedsbescherming.

Natura 2000

850 m

Geen

Geen

Stikstofgevoelige habitattypen

850 m

Geen

Geen

Natuurnetwerk Nederland

700 m

Geen

Geen

n.v.t.

Geen effecten op de kernkwaliteiten of ontwikkeldoelen

Gelderse Streek: Liemers

Het plangebied betreft het erf gelegen aan de Koksallee 12 te Megchelen. Op dit adres is een agrarische bedrijfswoning aanwezig met drie schuren/opstallen. Het voornemen is om de bestemming te wijzigen naar een woonbestemming. Als onderdeel hiervan moeten twee schuren gesloopt worden. Er worden geen bomen gekapt of watergangen gedempt. De bescherming van planten en dieren is in Nederland vanaf 1 januari 2024 geregeld via de Omgevingswet (Ow). In het kader van deze wet is het bij ruimtelijke ontwikkelingen en ingrepen verplicht om te inventariseren welke beschermde soorten flora en fauna voor kunnen komen in het plangebied en of de werkzaamheden negatieve effecten kunnen hebben op deze soorten. Als de werkzaamheden kunnen leiden tot overtreding van verbodsbepalingen uit de Ow is een nader onderzoek nodig en moet mogelijk een vergunning (activiteit flora en fauna) worden aangevraagd.

Het doel van de quickscan natuurwetgeving is om na te gaan welke soorten in het plangebied voorkomen en of en zo ja welke negatieve effecten optreden op deze soorten door het projectvoornemen. Als de aanwezigheid van beschermde soorten nog niet zeker is, worden de noodzaak en mogelijke planning van het nader onderzoek bepaald. De volgende vragen worden per soortgroep behandeld in deze quickscan: - Welke beschermde soorten (inclusief essentiële onderdelen van het leefgebied, zoals beschermde nesten of verblijfplaatsen) komen voor in het plangebied? - Is er sprake van negatieve effecten door het projectvoornemen en zijn deze te voorkomen door het nemen van mitigerende maatregelen? - Is er nader onderzoek naar één of meerdere soort(groep)en nodig? - Is een vergunningaanvraag nodig vanwege het optreden van schadelijke handelingen (flora- en fauna-activiteit)? Daarnaast wordt beknopt nagegaan of er effecten kunnen optreden op beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden en onderdelen van het Natuur Netwerk Nederland) en wordt beschreven of een nadere toetsing aan de bescherming van deze gebieden noodzakelijk is.

Het plangebied is gelegen aan de Koksallee 12 te Megchelen (zie figuur 1). Het plangebied omvat een woning met drie schuren en opstallen. Op het erf staan verder diverse bomen, en er is een haag aanwezig. Het achtererf loopt zonder duidelijke scheiding over in het weiland.

1 2

Figuur 1. Projectlocatie te Megchelen. Het perceel is blauw omlijnd, de te slopen schuren rood. In geel de locatie van een steenuilkast. Bron ondergrond: PDOK Viewer.

Schuur 1 betreft een halfopen werktuigberging. Het dak is van golfplaten (zonder asbest), en ligt op houten dwarsbalken. Er is geen dakbeschot. De gevels bestaan uit metselwerk zonder spouw. De achtergevel is deels van enkelwandig hout. Verder zijn de buitengevels grotendeels opgetrokken uit een enkelwandige laag van metalen golfplaten. Aan de kopse kanten is een metalen windveer aanwezig met een zeer ruim en open profiel. Schuur 2 is een voormalige stal waar enkele dieren gehouden konden worden. De gevels bestaan uit metselwerk met tot circa 1,8 m hoogte een spouw, die geïsoleerd is met steenwol of vergelijkbaar materiaal. Er zijn geen open stootvoegen in dit geveldeel. De hogere muren van de kopse kanten zijn enkelwandig, omdat hier geen binnenmuur gemetseld is. Het dak ligt op houten dwarsbalken zonder een dakbeschot. De kopse kanten hebben een metalen windveer, die op een houten dwarslat zit gemonteerd. Aan de noordwestzijde is de gevelafwerking ook

deels van metalen of kunststof planken, dit is waarschijnlijk van relatief recente datum (< 10 jaar oud). De westkant van het gebouwtje heeft zwarte pannen met een lichte bollig. Aan de oostkant van deze schuur zijn eveneens zwarte pannen aanwezig, maar dit is een platter type (stormpan). Tussen de woning en schuur 2 is een houten overkapping gebouwd, deze blijft behouden, evenals de woning. In de dakgoten van de woning zijn diverse huismussen gezien. Aangezien de woning behouden blijft, is deze verder niet geïnspecteerd. Op het terrein staan enkele hoogstam fruitbomen aan de oostzijde. In één van deze bomen is een steenuilkast aanwezig, die vrij recent geplaatst is. Volgens de eigenaar zijn er dit jaar vier jonge steenuilen geringd. Er is een actieve steenuilenwerkgroep die alle nestkasten in de regio regelmatig onderzoekt en onderhoud. Watergangen, poelen of tuinvijvers ontbreken binnen het plangebied. In figuur 2 zijn enkele foto’s opgenomen die een beeld geven van de huidige situatie van het plangebied.

Schuur 1

Schuur 1 – dak zonder dakbeschot

Schuur 2 Schuur 2 Figuur 2. Huidige situatie van het plangebied per 6 juni 2025. Foto’s De Interim Ecoloog.

De voorgenomen werkzaamheden betreffen de sloop van beide schuren (zie ook figuur 4). Dit is nodig omdat bij een planwijziging naar wonen, de schuren als bijgebouw gaan tellen en anders het maximale oppervlakte bijgebouwen wordt overschreden. Er is nog geen planning van de werkzaamheden bekend, de sloop vindt plaats nadat de wijziging van het Omgevingsplan is goedgekeurd. Behoudens de sloop van de twee schuren zijn er geen werkzaamheden die zijn beoordeeld in deze rapportage.

Figuur 3. De huidige bestemming van het plangebied (agrarisch) met het bouwvlak. Bron: Regels op de kaart.

Figuur 4. De voorgenomen werkzaamheden in het plangebied (sloop gebouwen met rood kruis). Bron: opgave terreineigenaar.

Voor de quickscan is een literatuuronderzoek uitgevoerd. Hiertoe is de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd op 12 maart 2025 (www.ndff-ecogrid.nl), met gegevens tot vijf jaar terug. Het zoekgebied dat hiervoor is toegepast is hieronder weergegeven in figuur 5. Voor het zoekgebied is het omringende agrarisch buitengebied van Gendringen en Megchelen genomen.

Figuur 5. Het zoekgebied in de NDFF (zwarte kader) dat voor dit project (rood) is toegepast. Bron ondergrond: NDFF.

Op 6 juni 2025 is het plangebied in de ochtend bezocht (09:00-10:00 uur). Hierbij was er sprake van droog en half bewolkt weer, bij een temperatuur van 14 graden Celsius met windkracht 3-4 Bft. Bij het veldbezoek is het plangebied onderzocht op de geschiktheid als leefgebied voor beschermde soorten. De nadruk ligt op soorten die uit het literatuuronderzoek naar voren zijn gekomen, en die te verwachten zijn in een agrarische omgeving, zoals de huismus en steenmarter. Er wordt echter altijd breder gekeken, omdat niet alle mogelijk aanwezige soorten in een literatuuronderzoek worden aangetroffen. Tevens is kort de omgeving geschouwd.

Een beknopt wettelijk kader van de Ow en de regels rondom het NNN is opgenomen in bijlage 1. In de provincie Gelderland zijn de volgende soorten vrijgesteld van de bepalingen uit de Ow in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen, voor wat betreft het vangen of doden van dieren of het vernielen of beschadigen van voortplantings- of rustplaatsen: Soorten amfibieën en zoogdieren vrijgesteld Aardmuis

Huisspitsmuis

Bastaardkikker

Konijn

Bosmuis

Kleine watersalamander

Bruine kikker

Meerkikker

Dwergmuis

Ondergrondse woelmuis

Dwergspitsmuis

Ree

Egel

Rosse woelmuis

Gewone bosspitsmuis

Tweekleurige bosspitsmuis

Gewone pad

Veldmuis

Haas

Vos

Voor wat betreft vogels geldt de volgende lijst met soorten waarvan het nest jaarrond beschermd is (cat. 1) in de provincie Gelderland: Vogelsoorten categorie 1: nesten jaarrond beschermd Boomvalk

Ooievaar

Buizerd

Ransuil

Gierzwaluw

Roek

Grote gele kwikstaart

Slechtvalk

Havik

Sperwer

Huismus

Steenuil

Kerkuil

Wespendief

Oehoe

Zwarte wouw

In deze rapportage worden soorten van categorie 2 behandeld als algemene broedvogel, tenzij de omstandigheden aanleiding geven tot een jaarrond beschermde status. Dit is in lijn met het beleid van de provincie Gelderland.

Vogelsoorten categorie 2: nesten jaarrond beschermd bij onvoldoende alternatieven Blauwe reiger

Middelste bonte specht

Boerenzwaluw

Nachtzwaluw

Bonte vliegenvanger

Oeverzwaluw

Boomklever

Patrijs

Boomkruiper

Raaf

Bosuil

Ruigpootuil

Draaihals

Spreeuw

Gekraagde roodstaart

Tapuit

Glanskop

Torenvalk

Grauwe vliegenvanger

Tureluur

Groene specht

Veldleeuwerik

Grote bonte specht

Velduil

Grutto

Wulp

Huiszwaluw

Zeearend

IJsvogel

Zwarte kraai

Kleine bonte specht

Zwarte mees

Kleine vliegenvanger

Zwarte roodstaart

Kortsnavelboomkruiper

Zwarte specht

Kwartel

In dit hoofdstuk wordt per soortgroep besproken welke soorten uit het literatuuronderzoek naar voren komen, welke soorten op basis van het veldbezoek verwacht worden en welke soorten kunnen worden uitgesloten op basis van het literatuur- en veldbezoek. Als een soort te verwachten is, wordt een beknopte effectanalyse gemaakt.

Uit het literatuuronderzoek blijkt dat de volgende beschermde soorten in of rond het plangebied voorkomen: - Kartuizer anjer, kleine wolfsmelk. Bij het veldbezoek zijn geen beschermde soorten aangetroffen, ondanks een bezoek in het groeiseizoen. Het plangebied omvat twee schuren, die ongeschikt zijn als groeiplaats voor beschermde soorten. De vegetatie rondom de schuren bestaat uit algemene grassoorten, brandnetel, hondsdraf en melkdistel. Dit duidt op een hoge voedselrijkdom van de bodem. Kartuizer anjer en kleine wolfsmelk groeien op zandige, voedselarme, warme en kalkhoudende bodems. Dergelijke groeiplaatsen ontbreken in het plangebied. Geschikte groeiplaatsen voor beschermde plantensoorten zijn daarom niet aanwezig. Op grond van de bevindingen van het veldbezoek en het ontbreken van waarnemingen, wordt de aanwezigheid van groeiplaatsen van beschermde plantensoorten uitgesloten.

De aanwezigheid van en effecten op beschermde plantensoorten zijn met zekerheid uit te sluiten. Nadere vervolgstappen in het kader van de Ow zijn voor deze soortgroep niet noodzakelijk.

Uit het literatuuronderzoek blijkt dat onder andere de volgende soorten in of rond het plangebied voorkomen: - Boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief, zwarte wouw. In het plangebied en in een zone van 75 m daaromheen zijn geen nesten van deze soorten bekend uit de NDFF.

Huismus

In en rondom het plangebied zijn huismussen gezien en gehoord (zie figuur 6). In de dakgoten van de woning zijn meerdere huismussen waargenomen. Naar schatting zijn er zeker 3-4 paartjes aanwezig hier. Het plangebied biedt geschikt leefgebied omdat er groenstructuren zijn en heggen als schuilplaats en open zand voor stofbaden. In de te slopen schuren zijn geen geschikte nestplekken aangetroffen en ook zijn geen (oude) nesten gezien op de houten steunbalken e.d.. Er zijn ook geen huismussen gezien op het dak van de loodsen (alleen de woning werd gebruikt ten tijde van het veldbezoek). De dakbedekking van beide te slopen gebouwen rust enkel op houten regelwerk, er is geen dakbeschot. Onder bijv. dakpannen is er daardoor geen beschutte

ruimte aanwezig waar potentieel nesten aanwezig zijn (die dan ook niet te zien zijn). Er zijn dus geen nesten ‘gemist’. Op grond van het veldbezoek is de conclusie dan ook dat er geen nestplaatsen in de te slopen gebouwen aanwezig zijn. Ook vormen deze gebouwen geen onmisbaar essentieel leefgebied, omdat de gebouwen geen open zand, water of groenstructuren omvatten. Met het slopen van de schuren wordt de Ow zodoende niet overtreden. Er worden immers geen nest- of rustplaatsen of essentiële delen van het leefgebied aangetast. Wel moet verstoring van (alle) broedvogels worden voorkomen, zie daarvoor par. 4.3.

Figuur 6. Huismus in appelboom in de voortuin. Foto: De Interim Ecoloog.

Gierzwaluw

De gierzwaluw broedt bij hoge gevels met een vrije aanvliegruimte in de bebouwde kom (het zijn koloniebroeders). Losstaande woningen en agrarische gebouwen in het buitengebied worden niet gebruikt door de gierzwaluw. Daarnaast zijn er geen geschikte kantpannen of andere openingen bij de kopse kanten aanwezig. De aanwezigheid van de gierzwaluw wordt daarom met zekerheid uitgesloten.

Steenuil

Op het erf is een steenuilkast aanwezig. Deze is in 2024 geplaatst door de lokale steenuilenwerkgroep (zie figuur 1 voor locatie en figuur 7 voor een foto van de nestkast). In 2025 zijn vier jonge steenuilen geringd uit deze kast (pers. meded. eigenaar). Op het erf zijn steenuil sporen (krijtstrepen) te vinden op diverse locaties, zoals buitenlampen die aan de te behouden schuur hangen. Door het voornemen om twee schuren te slopen wordt het functioneel leefgebied van de steenuil niet aangetast. In de schuren bevinden zich geen nestplaatsen. De nestkast in de boom blijft behouden en fungeert ook als rustplaats. Het foerageergebied van de steenuil omvat een gebied van 200-500 m rondom het nest, afhankelijk van de kwaliteit van het biotoop. Met het

slopen van gebouwen gaat er echter geen foerageergebied verloren. Wel moet verstoring van broedende vogels voorkomen worden, zie daarvoor par. 4.3.

Kerkuil

Open kapschuren in agrarisch gebied, zoals schuur 1, vormen vaak locaties waar kerkuil kan broeden (met name als er nestkasten zijn geplaatst) of waar ze vaste roestplaatsen (rustplaatsen) hebben. Dergelijke plaatsen zijn te vinden door te zoeken naar sporen (uitwerpselen > krijtstrepen; en braakballen). In schuur 1 is geen kerkuil waargenomen bij het veldbezoek. Ook zijn er geen sporen zoals braakballen waargenomen. Er zijn ook geen krijtstrepen waargenomen, en er zijn geen nestkasten van kerkuil aanwezig in de schuur. Schuur 2 is niet geschikt omdat er geen openingen zijn naar de binnenzijde van de schuur, zodat die schuur niet toegankelijk is voor kerkuil. Op grond hiervan wordt de aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen van de kerkuil in het plangebied uitgesloten. Aanvullend heeft ook de steenuilenwerkgroep aangegeven dat kerkuil niet in dit gebied voorkomt (pers. meded. eigenaar locatie).

Figuur 7. Steenuilkast in dicht bebladerde hoogstam fruitboom op het erf (zie figuur 1 voor de locatie). Foto: De Interim Ecoloog.

Overige soorten

De waarnemingen van overige vogels met een jaarrond beschermd nest betreffen vaak overvliegende exemplaren. Er is daarom bij het veldbezoek met name gelet op geschikte broedplaatsen voor deze soorten. In de bomen op het erf zijn geen grote nesten gezien die gebruikt kunnen worden door soorten als buizerd, havik of wespendief. Voor de grote gele kwikstaart ontbreken stromende watergangen in en langs het erf. De ooievaar heeft een groot, opvallend nest op een plek met goed uitzicht. Een dergelijk nest is niet gezien. De slechtvalk broedt op zeer hoge gebouwen welke afwezig zijn in het plangebied. De roek is een koloniebroeder, een kolonie van deze soort is in het broedseizoen zeer opvallend. Een dergelijke kolonie is niet waargenomen. De aanwezigheid van andere soorten met een jaarrond beschermd nest anders dan huismus en steenuil wordt dan ook met zekerheid uitgesloten.

Het plangebied omvat nestplaatsen van de huismus in de te behouden woning. Ook is er een nestkast voor steenuil aanwezig op het erf. De nest(plaats)en van deze soorten zijn het hele jaar beschermd. De te slopen schuren vormen echter geen nestlocatie of onderdeel van het onmisbare functioneel leefgebied, zodat er geen verbodsbepalingen worden overtreden door het voornemen om deze twee gebouwen te slopen. Wel moet altijd rekening worden gehouden met mogelijke verstoring van vogels in het broedseizoen, zie daarvoor par. 4.3. Voor overige soorten met een jaarrond beschermd nest zijn er geen geschikte broedlocaties en biotopen aanwezig in het plangebied en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten.

Uit het literatuuronderzoek blijkt dat diverse soorten algemene broedvogels rond het plangebied kunnen voorkomen, zoals merel en roodborst. Ook kunnen er soorten voorkomen van cat. 2 (zie par. 3.3/bijlage 1 voor verdere toelichting), zoals spreeuw. Bij het veldbezoek is een oud nest van een duif waargenomen in schuur 1 in de noordwesthoek (zie figuur 8). Dit broedsel is waarschijnlijk mislukt. Er zijn geen nesten van zwaluwen (zoals huiszwaluw) aan de bebouwing aangetroffen, of nesten van boerenzwaluw in de schuren. Voor boom- en struikbroeders is er geschikt biotoop aanwezig op het erf zelf, evenals voor algemene tuinsoorten zoals vink, merel, heggenmus, winterkoning en roodborst.

Figuur 8. Restanten van een duivennest in schuur 1. Dit broedsel is waarschijnlijk mislukt, getuige de larven van insecten in het nest. Foto: De Interim Ecoloog.

Het is daarom nodig om voorzorgsmaatregelen te nemen om negatieve effecten op broedvogels, zoals verstoring of het vernielen van nesten, uit te sluiten. Door te starten met sloopwerkzaamheden buiten het broedseizoen of na een voorafgaande broedvogelcontrole kunnen negatieve effecten op broedvogels en het optreden van schadelijke handelingen voorkomen worden. Een nader onderzoek of vergunningaanvraag is niet nodig. In verband met de aanwezigheid van huismus en steenuil (beide zijn vroege soorten) kan voor het broedseizoen

worden aangehouden de periode half februari – half juli, echter niet de periode maar de aanwezigheid van een nest in aanbouw of actief in gebruik zijnd nest is hiervoor van belang.

De aanwezigheid van algemene broedvogels in of rondom het plangebied tijdens het broedseizoen is niet uit te sluiten. Door het nemen van voorzorgsmaatregelen kunnen negatieve effecten voorkomen worden en zijn verdere vervolgstappen niet nodig.

Uit het literatuuronderzoek (NDFF) blijkt dat de volgende soorten in of rond het plangebied voorkomen: - Gewone dwergvleermuis. Duidelijk is dat de omgeving weinig onderzocht is (waarnemerseffect). Op grond van de landelijke verspreiding zijn tevens de volgende soorten te verwachten: - Ruige dwergvleermuis - Gewone grootoorvleermuis - Laatvlieger - Rosse vleermuis - Watervleermuis Op grond van de verspreidingskaart van meervleermuizen, gepubliceerd door het Netwerk Groene Bureaus1, ligt het plangebied niet in het verwachtingsgebied van verblijfplaatsen van deze soort. Bij het eventueel bepalen van een onderzoeksinspanning in het gebied is het dus niet nodig om rekening te houden met deze soort. Zie ook figuur 9 hiervoor. Mogelijk dat ook meer zeldzame, aan bossen gebonden soorten zoals bosvleermuis of franjestaart. In het plangebied en de directe omgeving zijn echter geen bossen aanwezig, zodat dergelijke soorten hier verder niet behandeld worden.

1

Vleermuisprotocol 2021 (geactualiseerd voor meervleermuis)

Figuur 9. Locaties van bekende verblijven van meervleermuis (rode en blauwe stippen) en de gebieden waar onderzoek naar deze soort daarom noodzakelijk is (rood en blauw gearceerd). Het plangebied (zwarte ster) ligt buiten deze gebieden. Bron kaart: Netwerk Groene Bureaus/vleermuisvakberaad.

Verblijfplaatsen De open kapschuur (gebouw 1) is niet geschikt voor vleermuizen. De gevels zijn enkelwandig zonder spouw, en er is geen dakbeschot. Hierdoor zijn er geen beschutte ruimtes waar vleermuizen kunnen verblijven. Door het slopen van deze schuur treden dan ook geen negatieve effecten op vleermuizen op. Voor gebouw 2 geldt dat de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen niet geheel is uit te sluiten. De gevels van dit gebouw zijn gedeeltelijk dubbelwandig met spouw. Op sommige plaatsen is deze geïsoleerd met steenwol of een vergelijkbaar materiaal. Er zijn ook plekken waar dit steenwol niet aanwezig lijkt, of naar beneden is gezakt. Er zijn geen stootvoegen die toegang geven aan vleermuizen, maar de bovenkant van deze muren is open. Met name aan de westzijde van de schuur. De invliegopening (dakrand) zit hier op 1,5 m hoogte. Voor veel soorten is dat te laag, maar een behendige vlieger als de gewone grootoorvleermuis kan hier wel onderdoor en kan gebruik maken van de ruime spouw (deze soort hangt graag ‘vrij’). De gewone grootoorvleermuis kan ook via de daklijst aan de noordkant toegang krijgen tot het gebouw. Hier is de muur enkelwandig, maar de daklijst kiert, waardoor er vleermuizen door naar binnen kunnen kruipen.

Onder deze daklijst kunnen ook soorten als gewone of ruige dwergvleermuis of laatvlieger een enkele keer verblijven (zomer- of paarverblijf of individueel winterverblijf). Dit geldt ook voor open stootvoegen die wel zijn dichtgemaakt aan de binnenzijde, maar gebruikt kunnen worden door ruige dwergvleermuis. Kraamverblijfplaatsen worden niet verwacht, omdat er geen ruime spouwmuren zijn. In figuur 10 en 11 zijn de mogelijkheden voor vleermuizen nader geïllustreerd.

Door de voorgenomen sloopwerkzaamheden gaan mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen verloren. Dit is een overtreding van art. 11.46 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Door zorgvuldig werken zijn negatieve effecten op individuen, zoals doden, wel te voorkomen. Het is nodig om een nader ecologisch onderzoek te laten uitvoeren naar de aanwezige soorten en verblijfsfuncties (zie figuur 12 voor welke gevels geschikt zijn voor vleermuizen). Op grond hiervan kan het vervolg worden bepaald. Als geen vleermuizen aanwezig zijn, zijn er geen verdere vervolgstappen. Wanneer er wel verblijfsfuncties worden aangetroffen, is een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig die kan worden aangevraagd bij de provincie Gelderland. De gemeente Oude IJsselstreek beschikt niet over een generieke ontheffing op basis van een Soorten Management Plan (SMP), zodat het niet mogelijk is om op basis van een SMP een doormachtiging te krijgen waarbij er geen nader onderzoek nodig is. Er is onderzoek nodig naar zomer-, paar- en winterverblijfplaatsen van gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis. Dit zijn gebouwbewonende soorten die mogelijk voorkomen in het plangebied. Boombewonende soorten als rosse vleermuis en watervleermuis zijn hier uit te sluiten.

Er zijn onvoldoende grote en beschutte ruimtes als kraamverblijf, en massa-winterverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis zijn niet aanwezig in tochtige schuren. Het onderzoek kan plaatsvinden door middel van diverse onderzoeksrondes in de periode half mei tot eind september, conform het vleermuisprotocol (zie voetnoot op pag. 15).

Figuur 10. Links: de metalen of houten geveldelen van schuur 1 zijn enkelwandig en bieden hierdoor geen beschutten plaatsen die vleermuizen kunnen gebruiken als verblijfplaats. Rechts: het metselwerk is uitgevoerd zonder spouw. Foto’s: De Interim Ecoloog.

Figuur 11. Gebouw 2. Linksboven een aanzicht vanaf de noordzijde. De rode lijn geeft ruimte onder de daklijst weer waar vleermuizen tussen kunnen kruipen. Rechtsboven: de westgevel waar vleermuizen onder het dak door in de spouw kunnen kruipen. Rechtsonder: stootvoegen in de gevel, deze komen rechtstreeks aan in de schuur zelf (er is hier geen spouwmuur). Van binnen is dit dichtgemaakt met een houten plank, de stootvoeg zelf is echter nog wel toegankelijk. Linksonder: de pannen liggen op een houten raamwerk, er is geen dakbeschot en dus geen mogelijkheden voor huismus of vleermuizen om onder het dak te verblijven. Foto’s: De Interim Ecoloog.

Vliegroutes en foerageergebied De werkzaamheden leiden niet tot het aantasten of onderbreken (ook niet tijdelijk) van lijnvormige structuren. Omdat geen groenstructuren worden verwijderd wordt het potentiële foerageergebied van vleermuizen niet aangetast. Negatieve effecten op essentiële vliegroutes en foerageergebied zijn uit te sluiten. Er zijn voor die onderdelen van het leefgebied van vleermuizen geen vervolgstappen nodig in het kader van de Omgevingswet.

De werkzaamheden overlappen met het leefgebied van vleermuizen. Gebouw 2 biedt mogelijkheden als verblijfplaats voor vleermuizen. Er is een nader ecologisch onderzoek nodig naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten. Op grond van dat onderzoek zijn mogelijk nog vervolgstappen en een vergunningaanvraag noodzakelijk. Gebouw 1 is niet geschikt voor vleermuizen. Negatieve effecten op vliegroutes of foerageergebieden treden niet op.

Figuur 12. De vleermuis geschikte delen van de gevel van gebouw 2 in rood aangegeven. Deze gevels zijn met één veldwerker te overzien. Bron ondergrond: DPOK Viewer.

Grondgebonden zoogdieren Uit de omgeving zijn de volgende soorten bekend: bever, bunzing, das, eekhoorn, otter, steenmarter en wezel. In het plangebied en directe omgeving ontbreken watergangen (greppels die in natte tijden watervoerend zijn maar ‘s zomers droog staan niet meegerekend) en oeverzones. Zodoende is de aanwezigheid van bever en otter met zekerheid uit te sluiten. Bunzing, steenmarter en wezel zijn marterachtigen die verblijfplaatsen kunnen hebben in struweel, in holten onder boomwortels of in holen van muizen en mollen (wezel). De steenmarter kan ook verblijven in leegstaande gebouwen of verscholen hoekjes. De aanwezigheid van uitwerpselen verraadt dan echter de aanwezigheid van deze soort. De te slopen schuren zijn ongeschikt voor bunzing en wezel, en sporen van steenmarter zoals prooiresten of latrines zijn niet aangetroffen. De schuren zijn opgeruimd en schoon, zodat er voldoende zicht was op evt. sporen. De aanwezigheid van deze drie marterachtigen wordt daarom met zekerheid uitgesloten.

Figuur 13. Links schone ondergrond in schuur 1 (zonder sporen van steenmarter, of bijvoorbeeld kerkuil) en rechts schuur 2 die volledig schoon en aangeveegd is. Foto’s: De Interim Ecoloog.

In de bomen op het erf zijn geen nesten aangetroffen van de eekhoorn (de bolvormige nesten zijn goed te vinden) en bomen vormen geen onderdeel van het initiatief. Op het erf zijn ook geen sporen van de das gevonden, zoals graafsporen, vluchtpijpen of vaste looproutes. Negatieve effecten op de eekhoorn en de das zijn uit te sluiten. Overige soortgroepen Uit de omgeving zijn de volgende soorten bekend: - amfibieën: rugstreeppad (Netterdensche broek/zandwinning); - reptielen: geen; - vissen: grote modderkruiper; - dagvlinders: grote vos, grote weerschijnvlinder, kleine ijsvogelvlinder; - nachtvlinders: teunisbloempijlstaart. - libellen: beekrombout, gevlekte witsnuitlibel, sierlijke witsnuitlibel - overige ongewervelden: geen. Binnen het plangebied of de directe omgeving ontbreken permanent watervoerende greppels of watergangen of poelen zodat het voorkomen van vissen, amfibieën, libellen en overige ongewervelden is uitgesloten. Door het ontbreken van de waardplanten (waaronder iep, wilgen, teunisbloem en basterdwederik) is het voorkomen van beschermde soorten dag- en nachtvlinders die in de omgeving voorkomen uitgesloten.

Het voorkomen van leefgebied en voortplantingsbiotoop van beschermde amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, nachtvlinders, libellen en overige ongewervelden is op voorhand uit te sluiten. Negatieve effecten op deze soorten treden niet op en er zijn geen vervolgstappen nodig in het kader van de Ow.

In de Ow is een zorgplicht opgenomen (art. 1.6 en 1.7 Ow). Een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit of het nalaten ervan nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving, is verplicht om deze gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken danwel de activiteit achterwege te laten. De zorgplicht geldt voor alle ‘disciplines’. Vertaald naar het onderdeel natuur betekent dit een algemene fatsoenseis voor de redelijke omgang met

planten en dieren. De zorgplicht houdt in dat alle mogelijke inspanning wordt gepleegd om onnodige schade aan planten en dieren te voorkomen. De initiatiefnemer is zelf verantwoordelijk voor een goede naleving van dit artikel uit de Ow. Voorbeelden van maatregelen in het kader van de zorgplicht zijn bijvoorbeeld: - Verwijder niet meer groenstructuren dan strikt noodzakelijk is voor de werkzaamheden. - Gebruik infrarood beveiligingscamera’s voor nachtelijke beveiliging van bouwplaatsen, om lichtverstoring naar de omgeving te voorkomen. - Bij sloopwerk of graafwerkzaamheden: werk in één richting om aanwezige algemene fauna de kans te geven zelfstandig het werkgebied te verlaten. - Sla bouwmaterialen op daar waar er al (half)verharding aanwezig is en vermijd groene locaties hiervoor.

Voor flora- en fauna-activiteiten die nadelig kunnen zijn voor planten en dieren, geldt de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (art. 11.27 Bal). Bij activiteiten moet daarom worden nagegaan of er vogel- of habitatrichtlijnsoorten, nationaal beschermde soorten (Bijlage IX Ow) of Rode Lijst-soorten en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats aanwezig (kunnen) zijn. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Voor de beschermde soorten is in voorgaande paragrafen reeds een beoordeling gemaakt. Uit een beoordeling op basis van het veldbezoek blijkt dat er geen bijzondere of natuurlijke habitats aanwezig zijn, er is immers alleen sprake van te slopen bebouwing. Het is daarom uitgesloten dat er belangrijk leefgebied voor bijzondere, zeldzame of Rode lijst-soorten aanwezig is. Om die reden zijn er vanuit de specifieke zorgplicht geen aanvullende maatregelen nodig bovenop maatregelen die al genomen moeten worden, zoals maatregelen om het verstoren van broedvogels te voorkomen. De initiatiefnemer is zelf verantwoordelijk voor een goede naleving van zowel de algemene als de specifieke zorgplicht.

Voor het wijziging van de bestemming van het terrein, kan het noodzakelijk zijn dat de uitvoerbaarheid en evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) worden beoordeeld. Het plan is uitvoerbaar. Hoewel er nog nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen nodig is, is het verkrijgen van een vergunning flora- en fauna-activiteit redelijkerwijs mogelijk. Dergelijke vergunningen worden vrijwel altijd verleend, en in het plangebied zijn geen belangrijke functies, zoals kraamverblijven of massa-winterverblijfplaatsen te verwachten. Daarnaast zijn er ruime mogelijkheden aan bestaande bebouwing om te compenseren indien dat nodig blijkt. Het plan is daarmee niet evident onuitvoerbaar, en daarmee is het geen belemmering voor de wijziging van de bestemming als het vleermuisonderzoek nog niet is uitgevoerd.

In lijn hiermee, kan het voornemen om de bestemming te wijzigen, niet leiden tot een nietevenwichtige toedeling van functies. Er worden namelijk geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt met een potentieel grote negatieve impact op natuur. Ook blijft er bebouwing op het erf aanwezig, en dus in brede zin, mogelijkheden voor gebouwgebonden fauna waaronder, om een verblijfplaats te vinden op het erf.

Het plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied (zie figuur 14). Het dichtstbijzijnde gebied is een Duits Natura 2000-gebied genaamd NSG Hetter-Millinger Bruch, met Erweiterung op circa 850 m afstand van het plangebied. Nederlandse Natura 2000-gebieden liggen niet binnen 10 km van het plangebied (Rijntakken ligt op ruim 14 km afstand, en het Korenburgerveen op meer dan 20 km afstand). Door de afstand tot beschermde gebieden, de tussenliggende bebouwing en infrastructuur, en gezien de lokale aard van de werkzaamheden, kunnen negatieve effecten van de werkzaamheden door bijvoorbeeld geluid, licht of trillingen op voorhand worden uitgesloten. Dit geldt ook voor de effecten (verzuring/vermesting) van stikstofdepositie. Voor Duitse Natura 2000gebieden geldt een ondergrens van 7 mol N/ha/jr. Dergelijke deposities worden alleen veroorzaakt door grote agrarische of industriële activiteiten dicht op dergelijke gebieden. De kleinschaligheid van onderliggend initiatief maakt dat een dergelijke toename in depositie met zekerheid is uitgesloten. Het is wel altijd mogelijk om een AERIUS-berekening uit te voeren om vast te stellen of er sprake is van een toename van depositie.

Figuur 14. De ligging van het plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van Duitse Natura 2000-gebieden (paars). Bron: AERIUS Calculator.

Direct negatieve effecten op beschermde Natura 2000-gebieden zijn op voorhand uit te sluiten door de afstand van het plangebied tot beschermde gebieden (850 m). Negatieve effecten door stikstofdepositie zijn uitgesloten door de beperkte omvang van het initiatief en de hoge rekenkundige ondergrens die in Duitsland wordt toegepast.

Het plangebied ligt niet in een bijzonder nationaal natuurgebied. Zodoende is de specifieke zorgplicht voor deze gebieden ook niet van toepassing is. De locatie ligt wel in het landschap Gelderse streken: Liemers (Omgevingsverordening Provincie Gelderland). Bij nieuwe plannen moet rekening worden gehouden met de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen. Onderhavig plan moet zodoende getoetst worden aan deze doelen. Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek Liemers wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek Liemers. Dit is hieronder in de tabel uitgewerkt. Het plan heeft geen negatieve effecten op de kernkwaliteiten of ontwikkeldoelen en zodoende zijn er geen vervolgstappen in dit kader benodigd. Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen Liemers Kernkwaliteiten

Ontwikkeldoelen

Toetsing

1 Oude landstreek tussen Rijn, Ruimtelijke ontwikkelingen houden Geplande Pannerdens kanaal, IJssel en Oude IJssel: rekening met en dragen zo mogelijk ontwikkeling Gelderse Poort van de Delta, “kraan van bij aan de kernkwaliteiten van de heeft geen Nederland”. Een overwegend open Liemers. De ontwikkeling van het negatief effect rivierenlandschap met rivieren, landschap van de Liemers richten op het uiterwaarden of rivierweiden, op de versterking van de identiteit ruimtelijk rivierduinen (langs Oude IJssel), dijken, als ‘poort van de delta’. Accentueren aanzien van de kleinschalige oeverwallen en open van de landschappelijke opbouw locatie komgronden. Landschap mede gevormd van het rivierengebied, in contrast door continue strijd tegen het water en met de hoge, droge en bosrijke de klei-, zand- en grindwinningen van de stuwwallen. Verbetering van de laatste decennia. Grensligging, nauwe recreatieve beleving. Met relatie met het vergelijkbare aanliggende versterking van het kleinschalig Duitse land. landschap op de oeverwallen. Dijkversterking met ruimtelijke kwaliteit en de dijk als scenic route. 2 Van oudsher wringt de Rijn zich tussen de stuwwallen van Montferland en Nijmegen. Met nadien indrukwekkende en unieke splitsingspunten van rivieren.

De toeristisch-recreatieve beleving van de landschappelijk unieke splitsingspunten van rivieren meer benutten.

n.v.t.

3 Complexen van Rijnstrangen (oude Bijzondere aandacht geven aan de n.v.t. rivierarmen) ten noorden van het beleefbaarheid van de Rijnstrangen splitsingspunt van Rijn en Waal: met als uniek deel van het opvallend microreliëf parallel aan de rivierenlandschap, door behouden voormalige stroombeddingen. en versterken van deze bijzondere Aanwezigheid van talrijke, hoger gelegen landschapselementen en door crevasse-afzettingen (doorbraak van de respecteren van het microreliëf. rivier die niet heeft doorgezet). Tevens verbeteren van de toegankelijkheid passend bij de natuurwaarden. Crevassen zichtbaar maken en gebruiken tegen verdroging. Kansen voor

Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen Liemers Kernkwaliteiten

Ontwikkeldoelen

Toetsing

landschapsversterking met klimaatadaptie. 4 Een samenhangende eenheid van De stuwwalkern blijvend behouden Geen bossen op hooggelegen beboste en besloten voor natuur en natuurontwikkeling of rondom de stuwwalkern (met dekzanden) van en gepaste recreatieve planlocatie Montferland (met uitlopers naar toegankelijkheid. Openhouden van Duitsland) met karakteristieke krans van de oude bouwlanden. Aanleggen en kleine dorpen en open essen. versterken van de ecologische verbindingen van de stuwwal naar andere gebieden zoals de Achterhoek en de Veluwe. 5 Een reeks van sterk uitgegroeide kernen Landschapsversterking doorvoeren n.v.t. Westervoort-Duiven-Zevenaar-Didam. in de ontwikkelings-as WestervoortDuiven-Zevenaar-Didam, vanwege de stedelijke druk. De doortrekking van de A15 zal invloed hebben op de dynamiek in dit gebied door de betere bereikbaarheid. Dit vraagt zorgvuldige ruimtelijke ordening, gekoppeld aan landschappelijke investeringen. 6 Zichtlijnen op stuwwalcomplexen Veluwe, Montferland en Nijmegen. O.a. zicht op Elterberg (en Reichswald).

Creëren van de belvedères vanaf Montferland over de omgeving.

n.v.t., de planlocatie ligt niet op een stuwwal

7 Open, grootschalig en weids komgebied Behoud van de open weidsheid n.v.t. ten zuiden van Giesbeek – Angerlo met door zeer terughoudendheid te zijn rivierterrassen en onregelmatige ten aanzien van ruimtelijke verkaveling. Met oude ontwikkelingen. Optimaliseren van bewoningsplaatsen, ruime geleding door waterhuishouding. Blijvend laanbeplanting en zicht op de Veluwe. benutten voor grondgebonden en duurzame veehouderij. Zoveel mogelijk de karakteristieke verkaveling en zichtlijnen respecteren. 8 Bijzondere openheid van het Looveld Behoud van de open weidsheid n.v.t. :landschappelijke eenheid in het door zeer terughoudendheid te zijn noorden begrensd door de Lee, met een ten aanzien van ruimtelijke onbebouwd en zeer weids karakter en ontwikkelingen. Blijvend benutten gave verkavelings-structuur. Zichtlijnen voor grondgebonden en duurzame vanaf de Loodijk. veehouderij en mogelijk voor klimaatadaptatie. Zoveel mogelijk de karakteristieke verkaveling en zichtlijnen respecteren.

Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen Liemers Kernkwaliteiten 9 Ecologische waarden met name langs beken en rivieren en in weidevogelgebieden. Natura 2000 waarden in Rijnstrangen.

Ontwikkeldoelen

Toetsing

Intensief inzetten op het verder n.v.t.: aanleggen van ecologische planlocatie ligt verbindingszones en behoud en niet in Natura ontwikkeling van 2000 en niet weidevogelgebieden. Beschermen langs een rivier, Natura 2000 waarden. Verbeteren beek of (oude) van de biodiversiteit van weteringen Rijnstrang en andere watergangen in het gebied. Waar mogelijk natuurontwikkeling combineren met klimaatadaptie en recreatieve toegankelijkheid.

10 Concentratie van historische waterlinies: Cultuurhistorische waarden van n.v.t., geen Limes (UNESCO-waarde), Hollandse waterlinies beleefbaar maken en waterlinies Waterlinies (UNESCO-waarde), IJssellinie, toeristische potentie vergroten. aanwezig Circumvallatielinie en Mauritslinie. Bijzondere aandacht geven aan de beleefbaarheid van overblijfselen van, en verwijzingen naar de Limes als uniek deel van het rivierenlandschap. 11 Rust en ruimte en relatieve onbekende gebieden zoals het Gelderse Eiland.

Rust en ruimte koesteren en Planvoornemen gepaste verbetering van recreatieve heeft geen toegankelijkheid. negatief effect op rust en ruimte

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/5049/documents/33361