CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

Motivering TAM-omgevingsplan Buitengebied Kapelweg 13 en 13a Sinderen.pdf

Raadsvergadering 26 maart 2026, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 6: Omgevingsplan buitengebied, locatie Kapelweg 13 en 13a Sinderen19.591 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Beoordeling initiatief Op basis van de klimaatatlas gemeente Oude IJsselstreek is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen op de planlocatie als gevolg van klimaatverandering. •

Wateroverlast Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel wateroverlast is op te maken dat ter plaatse van de beoogde woningen geen sprake is van plasvorming met een grote waterdiepte na korte extreem hevige buien of bij langdurige extreme regen. De Kapelweg en Wissinklaan blijven ook bij extreme regenval begaanbaar.

•

Hittestress Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel hittestress is op te maken dat de temperatuur op de planlocatie vergelijkbaar is met andere agrarische erven in de omgeving. Na sloop van de bedrijfsbebouwing en de afname in verharding zal in combinatie met het voorzien groen de hittestress afnemen. Er is hier overigens geen sprake van een stedelijk-hitte-eiland-effect, zoals zich dat voordoet in de bebouwde kom. Voor de beoogde woningen geldt dat deze goed geïsoleerd worden conform de huidige normen. Daarmee zijn de woningen ook minder gevoelig voor opwarming wat relevant is voor warmte in de nachtelijke periode. Bovendien zijn er technische mogelijkheden om de woningen te koelen, wat direct kan worden meegenomen met de bouw.

•

Droogte Op de planlocatie is in een gemiddelde zomer sprake van lage grondwaterstanden die zich momenteel grotendeels in de range tussen 1,2 en 2,5 m – mv bevinden en voor een klein deel ook op een diepte van meer dan 2,5 m – mv. In 2050 treedt een kleine verslechtering op ten opzichte van de huidige situatie. De gronden zijn volgens de kaartbeelden nu en in 2050 aan te merken als beperkt droogtegevoelig tot droogtegevoelig. Door het voornemen om het hemelwater binnen de planlocatie te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater langer in het gebied zelf aanwezig. Aan de overzijde van de Wissinklaan bevindt zich een sloot waar momenteel in de zomer sprake kan zijn van stilstaand en in 2050 mogelijk van een situatie met droogval. Vanwege de beperkte omvang levert dit echter geen risico’s op voor de gezondheid. De planlocatie ligt niet in een gebied waar een grotere kans op natuurbranden is bij langdurige droogte.

•

Overstroming 26

De bijbehorende kaartbeelden laten zien dat er op de locatie geen sprake is van overstromingsrisico’s. Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat in voorliggend plan voldoende wordt ingezet op het voorkomen of beperken van mogelijke risico’s door klimaatverandering. Hierbij zijn geen specifieke mitigerende maatregelen nodig, anders dan de beoogde sloop van bedrijfsbebouwing c.q. de verwijdering van de agrarische bedrijfsopslagen en de landschappelijke inpassing/versterking. Conclusie Het plan is in overeenstemming met Oude IJsselstreek Klimaatbestendig – Klimaatagenda 2022 - 2026. 3.4.7 Welstand Het gemeentelijk welstandsbeleid is vastgelegd in de Welstandsnota, waarin is opgenomen waar bij de toetsing voor een betreffend gebied of bouwwerk rekening mee moet worden gehouden. Toekomstige bouwplannen moeten wat betreft het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk getoetst worden aan het welstandsbeleid. In de nota worden algemene criteria gegeven waar bouwwerken aan moeten voldoen. Per gebied is specifiek welstandsbeleid opgesteld. Beoordeling initiatief De planlocatie is gelegen in het gebiedstype buitengebied (G4). Hier geldt welstandsniveau 2 (regulier). Het beleid van de gemeente Oude IJsselstreek voor dit gebied is gericht op het behoud van cultuurhistorische, landschappelijke en/ of architectonische waarden en het voorkomen van onnodige verstening.

Binnen deze randvoorwaarden kunnen veranderingen die voortkomen uit nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden. De welstandsbeoordeling richt zich op het handhaven of gericht veranderen en verbeteren van de basiskwaliteit van het gebied. De uitgangspunten van het welstandsbeleid zijn meegenomen bij de erfinpassing. Bij de uiteindelijk in te dienen bouwaanvraag zal de commissie ruimtelijke kwaliteit worden geraadpleegd. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de Welstandsnota en wordt daarna met inachtneming daarvan verder uitgewerkt in de fase van de bouwaanvraag.

27

4. OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Bodem Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. Wettelijk kader In de Memorie van Toelichting bij de Aanvullingswet bodem Omgevingswet wordt beschreven dat de algemene doelstelling van het bodembeleid is, het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door de maatregelen van het in onderlinge samenhang: •

Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen.

•

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteit van de bodem.

•

Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.

Via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet is de algemene doelstelling van het bodembeleid opgenomen in de Omgevingswet en bijbehorende AMvB’s. In paragraaf 5.1.4.5 Bodemkwaliteit van het Bkl zijn instructieregels opgenomen over: •

Toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie

•

Nazorg

•

Aanwijzing bodembeheergebieden

•

Indeling landbodem en bodemfunctieklassen

Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m². Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89k Bkl).

Tot het moment waarop de instructieregels uit paragraaf 5.1.4.5. Bodemkwaliteit van het Bkl zijn opgenomen in het permanente omgevingsplan van de gemeente Oude IJsselstreek, gelden de artikelen 22.29 lid 1 sub c en 22.30 uit het omgevingsplan van de gemeente Oude IJsselstreek. Dit zijn de regels uit

28

de bruidsschat. Hierin is bepaald dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen wordt verleend als de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden, of bij overschrijding, aannemelijk is dat sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Toetsing In verband met de woningbouwontwikkeling is door Montferland Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Uit het naar aanleiding van dit onderzoek opgestelde bodemonderzoeksrapport d.d. 10 januari 2025 met nummer MM24141 (zie bijlage 2) kan het volgende worden opgemaakt: •

Tijdens het veldwerk is de opgeboorde grond zintuiglijk beoordeeld op de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging. In de oprit, boring A01 en 02 zijn in de laag van 0,20 tot 0,50 m -mv hoogovenslakken waargenomen.

•

De volledige hoogovenslakken laag van 0,30 tot 0,50 m -mv dient niet gezien te worden als bodem. Wel dient er bij eventuele werkzaamheden rekening gehouden te worden met de verwerking van deze laag.

•

In de hoogovenslakken houdende bovengrond is een licht verhoogde gehalten aan div. zware metalen aangetoond.

•

In de ondergrond direct onder de hoogovenslakken zijn geen verhoogde gehalten aangetoond.

•

De tevoren gestelde hypothese ‘De halfverharding kan op basis van het vooronderzoek als verdacht worden beschouwd’ dient te worden aangenomen.

•

Ter plaatse van de bovengrondse dieseltank zijn in zowel de grond als het grondwater geen verhoogde gehalten vastgesteld voor de geanalyseerde parameters.

•

De tevoren gestelde hypothese ‘De bovengrondse dieseltank kan op basis van het vooronderzoek als verdacht worden beschouwd’ wordt verworpen.

•

Ter plaatse van de vml. ondergrondse HBO-tank zijn in de grond geen verhoogde gehalten vastgesteld voor de geanalyseerde parameters.

•

Het grondwater is een licht verontreinigd met naftaleen.

•

De tevoren gestelde hypothese ‘De Vml. ondergrondse HBO-tank kan op basis van het vooronderzoek als verdacht worden beschouwd’ dient formeel gezien te worden aangenomen. De verhoging in het grondwater is echter gering en kan als niet significant beschouwd worden.

•

Uit de onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat er op de locatie geen ernstige bodemof grondwaterverontreinigingen aanwezig zijn. De vastgestelde waarden overschrijden enkel de achtergrond- en/ of streefwaarde, wat duidt op enkel lichte verontreinigingen.

•

In geen van de geanalyseerde parameters in zowel grond als grondwater is de waarde voor nader onderzoek (tussenwaarde) en/of de interventiewaarde overschreden.

•

Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen planologische procedure, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen directe risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik.

Aanvullend bodemonderzoek Op 9 mei 2025 heeft de Omgevingsdienst Achterhoek per e-mail de vraag gesteld waarom het erf, de toegangsweg van het bedrijf en mogelijke asbestverdachte druppelzones niet zijn betrokken in het bodemonderzoek. Op 12 mei 2025 is op dit bericht gereageerd. Daarbij is aangegeven dat de toegangsweg per abuis niet is meegenomen in het oorspronkelijke onderzoek. Dit wordt gecorrigeerd door middel van aanvullend veldonderzoek, waarbij direct inspectieboringen op het boerenerf worden uitgevoerd. Ten aanzien van de vermeende druppelzones is medegedeeld dat deze niet aanwezig zijn (geweest). De betreffende locaties zijn verhard of voorzien van een dakgoot, en het hoofdgebouw is uitgevoerd met een pannendak, waardoor de aanwezigheid van asbestverdachte druppelzones wordt uitgesloten. 29

Hieronder volgt de conclusie. Het volledige aanvullende onderzoek is bijgevoegd als bijlage 2a (Briefrapport aanvullend bodem- en asbestonderzoek met datum 26 mei 2025 en nummer MM24141). De tevoren gestelde hypothese ‘De verdachte open halfverharding kan als verdacht worden beschouwd’ dient te worden verworpen. In zowel de fijne als grove fractie is geen asbest aangetoond. De opgeboorde grond is zintuiglijk beoordeeld op de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging. Hierbij zijn geen indicaties waargenomen die hierop duiden. Derhalve kan worden gesteld dat er ter plaatse van het erf geen aanleiding is voor het uitvoeren van een verkennend bodem en/of asbestonderzoek volgens de NEN5740 en/of NEN5707. Conclusie Ten aanzien van het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.2 Archeologie en cultuurhistorie Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving moet een afweging plaatsvinden met betrekking tot eventueel op een locatie aanwezige archeologische en cultuurhistorische waarden. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspect archeologie en cultuurhistorie.

Wettelijk kader Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: •

Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;

•

Verplaatsing van beschermde monumenten;

•

Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;

•

Aantasting van de omgeving van een beschermd monument;

•

Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

De gemeenteraad van Oude IJsselstreek heeft op 5 maart 2015 het beleidsdocument “Cultuurhistorische inventarisatie, waarden-, verwachtingen-, en maatregelenkaart als basis voor het archeologiebeleid van de gemeente Oude IJsselstreek” vastgesteld, alsmede de erfgoedverordening. De erfgoedverordening maakt momenteel onderdeel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving moeten worden getoetst op het voorkomen van archeologische waarden en/of monumenten binnen het plangebied. Tevens moet worden bepaald of deze eventueel aanwezige waarden worden geschaad door de gewenste ontwikkeling binnen het plangebied. Toetsing Archeologie Volgens het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oude IJsselstreek 2017’ (thans onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan) vallen twee nieuwe kavels en de aangrenzende nieuwe watergang deels binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 1’. Dit betekent dat bij bodemingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 30 cm archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Daarvan is bij voorliggende initiatief sprake. De zone met een archeologische dubbelbestemming komt overeen met de hoge verwachtingszone op de archeologische maatregelenkaart van de gemeente Oude IJsselstreek (zie figuur 11).

De overige delen van het plangebied hebben geen archeologische dubbelbestemming in het bestemmingplan en een lage verwachting op de archeologische maatregelenkaart. 30

Figuur 11: archeologische waardenkaart met planlocatie

Door KSP Archeologie is een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (booronderzoek), verkennende en karterende fase, uitgevoerd (zie bijlage 3). Uit het rapport blijkt het volgende: •

Het doel van het archeologisch bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op de gemeentelijke archeologische maatregelenkaart is aan de dekzandkopjes in het zuiden en noordoosten van het plangebied een hoge archeologische verwachting toegekend en aan het noordwesten een lage verwachting. De ligging van de dekzandkopjes kon aan de hand van het AHN en historische kaartmateriaal nog enigszins worden bijgesteld. De dekzandkopjes hebben door hun ligging nabij een beek een hoge verwachting voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen. In het noordwesten komt een dekzandvlakte voor met een lage verwachting voor de zojuist genoemde complextypen en perioden.

•

Vervolgens is op deze dekzandkopjes de verwachting uit het bureauonderzoek getoetst door middel van een booronderzoek. Op het dekzandkopje in het zuiden van het plangebied was de bodemopbouw dermate verstoord op basis van de verkennende fase dat hier geen karterende fase is uitgevoerd. Bij het dekzandkopje in het noordoosten van het plangebied is zowel de verkennende fase als de karterende fase uitgevoerd. Op basis van de verkennende fase was de bodemopbouw hoger op het kopje intact, langs de randen zijn verstoringen aangetroffen op locaties waar een houtwal lag in het verleden. In de karterende fase bleek ook op het deel van het dekzandkopje dat historisch een akker was de bodemopbouw veelal verstoord. In het veelal geroerde opgeboorde sediment zijn tot aan de niet-geroerde top van het moedermateriaal (C-horizont) geen archeologische indicatoren aangetroffen.

•

De initiatiefnemer verklaarde dat meerdere decennia geleden bij egalisaties de humeuze bovengrond tijdelijk is weggenomen en een deel van het gele zand is afgevoerd. Op basis van de bodemverstoringen op dekzandkopje in het zuiden van het plangebied en het ontbreken van 31

archeologische indicatoren dekzandkopje in het noordoosten van het plangebied kan de hoge verwachting voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen naar een lage verwachting worden bijgesteld. Er wordt daarom geen vervolgonderzoek aanbevolen door KSP Archeologie. •

Er wordt geen archeologische dubbelbestemming of functieaanduiding geadviseerd in het te wijzigen omgevingsplan ter hoogte van de dekzandkopjes in het plangebied.

•

In aanvulling op de gemeentelijke archeologische beleidskaart is in het noordwesten van het plangebied op basis van de kadastrale kaart uit 1828 reeds bebouwing met de naam Wildenbeest aanwezig ter hoogte van Kapelweg 13. De boerderij Wildenbeest was minimaal sinds de 14e eeuw een van de goederen/horigen boerderijen van het rond 1100 gestichte hof te Sinderen.

•

Ter hoogte van het huis en erf, de bijbehorende boomgaard en oprijlaan op de kaart van 1828 geldt een zeer hoge archeologische verwachting voor een boerderij uit de 12e / 14e eeuw tot heden. KSP Archeologie adviseert om ter hoogte van de zone met een zeer hoge verwachting (zie figuur 11) een archeologische dubbelbestemming op te nemen waarbij onderzoek nodig is bij ingrepen dieper dan 30 cm over een oppervlak van meer dan 100 m². De geplande ingrepen in de plannen zijn echter dermate klein (het planten van één boom) dat een vervolgonderzoek voor deze geplande ingrepen niet aan de orde is.

Figuur 12 boorpunten- en advieskaart uit archeologisch onderzoek

Cultuurhistorie De boerderij op het adres Kapelweg 13 staat op de gemeentelijke monumentenlijst. Met dit plan wordt rekening gehouden met de bescherming van het monument, maar ook met de omgeving daarvan. Het is de bedoeling om de boerderij in ere te herstellen. Na sloop van de tegen de oorspronkelijke boerderij aangebouwde ligboxenstal zal de dan opnieuw vrij in het zicht komende muur in samenspraak met de gemeente worden gerestaureerd. In de daarvoor aan te vragen omgevingsvergunning zal de wettelijke meldingsplicht bij toevalsvondsten (Erfgoedwet, art. 5.10) opgenomen moeten worden. Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het gaat dan bijvoorbeeld om archeologische vondsten, oud muurwerk, een beerput of een waterput. Indien hier sprake van is wordt door de 32

Omgevingsdienst Achterhoek geadviseerd om de verantwoordelijk ambtenaar van de gemeente Oude IJsselstreek (of de regioarcheologen van de Omgevingsdienst Achterhoek) hierover direct te informeren. Conclusie Uit het archeologisch onderzoek blijkt dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan. Wel wordt aanbevolen een archeologische dubbelbestemming met hoge verwachting op te nemen ter hoogte van de bestaande boerderij, tuin en oprijlaan. Na beoordeling door de Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) wordt aangegeven dat deze hoge verwachtingszone moet worden uitgebreid ter hoogte van de historische boerderij, door hier een cirkel met een straal van 50 meter omheen te trekken. Zie de passage uit het advies van de ODA hieronder.

Figuur 13 Voorgestelde zone met een straal van 50 meter voor een zeer hoge archeologische verwachting en archeologische dubbelbestemming. Het middelpunt betreft de locatie van de historische boerderij in 1828.

De overige archeologische waarden binnen het plangebied mogen komen te vervallen. Dit is zo opgenomen in de regels. Er worden geen cultuurhistorische waarden aangetast met de realisatie van dit plan. 4.3 Natuur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie. Wettelijk kader In het Bkl zijn diverse regels opgenomen ter bescherming van de natuur. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 4.3.1 Gebiedsbescherming Natura 2000 Bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving moet worden bepaald of een project of plan (mogelijke) significant negatieve effecten veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Voor plannen dient middels een voortoets, eventueel gevolgd door een passende beoordeling, getoetst te

33

worden of het plan mogelijk significant negatieve effecten kan hebben op gevoelige habitattypen die gelegen zijn binnen omliggende Natura 2000-gebieden. Toetsing De planlocatie is gelegen op een afstand van circa 15,6 km van het meest nabijgelegen Nederlandse Natura 2000-gebied Korenburgerveen (zie figuur 14). Op een afstand van circa 5,3 km ligt het meest nabijgelegen Duitse Natura 2000-gebied Klevsche Landwehr, Anholt. Issel, Feldschlaggr. u. Regnieter Bach ( zie figuur 14). Vanwege de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen de locatie en Natura 2000-gebieden, kunnen negatieve effecten anders dan door stikstof bij voorbaat worden uitgesloten. Om te bepalen wat de gevolgen van de ontwikkeling zijn voor de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden zijn berekeningen uitgevoerd met het wettelijk voorgeschreven rekenmodel AERIUS Calculator. In bijlage 6 is het volledige stikstofonderzoek opgenomen. Daaruit valt op te maken dat de ontwikkeling in zowel de aanleg- als gebruiksfase niet leidt tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De ontwikkeling leidt dus niet tot nadelige gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende Natura 2000-gebieden. Ook leidt de ontwikkeling niet tot vergunningplicht voor de Natura 2000-activiteit.

Figuur 14: ligging planlocatie t.o.v. Nederlands Natura 2000 (bron: aerius.nl)

34

Figuur 15: ligging planlocatie t.o.v. Duits Natura 2000-gebied (bron: aerius.nl)

Conclusie Het aspect gebiedsbescherming Natura 2000 vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.3.2 Gebiedsbescherming Gelders Natuurnetwerk/Groene ontwikkelingszone Gelderland heeft veel natuurgebieden. Samen vormen zij het Gelders Natuurnetwerk (GNN). De Groene ontwikkelingszone (GO) is het gebied dat tussen en rondom natuurgebieden ligt. Hierin liggen onder andere de ecologische verbindingszones, de verbindende schakels tussen de natuurgebieden. De begrenzing en de regels ter bescherming van het GNN en de Groene ontwikkelingszone zijn opgenomen in de Omgevingsverordening provincie Gelderland. Toetsing De planlocatie is gelegen binnen de begrenzing van de Groene ontwikkelingszone. Het plangebied ligt in deelgebied 35. Dit is deelgebied IJzerlo – Silvolde. De kernkwaliteiten van de natuur en het landschap uit dit deelgebied bestaan uit: •

Kleinschalig kampenlandschap op dekzandruggen met de overgang naar het Oost-Nederlands Plateau bij Aalten.

•

De evz Boven-Slinge verbindt de Slangenburg met het land van Winterswijk en Duitsland; modellen: das en ijsvogelvlinder.

•

De evz Keizersbeek - Noorderbroek verbindt de bossen bij Anholt met Noorderbroek en Slangenburg; model: das.

•

Parel Bosjes van Wissink: eeuwenoud bos op rijke zandgronden; groeiplaats zwarte rapunzel.

•

Leefgebied steenuil.

•

Leefgebied kamsalamander.

•

Bijzondere, langgerekte dekzandrug met essen: Rug van IJzerlo

•

Cultuurhistorische en landschappelijke waarden van de beken, oude ontginningen en 35

kavelpatronen, hakhout, houtwallen, singels en boerderijen. •

Abiotiek: aardkundige waarden, kwel, bodem, grondwaterreservoir

Als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling in de Groene ontwikkelingszone moeten de kernkwaliteiten van het gebied versterkt worden. Er bevinden zich geen negatieve effecten op bovenstaande kernkwaliteiten. Tevens wordt het leefgebied van de steenuil vergroot, door het aanleggen van een hoogstam fruitboomgaard en de zoom-mantel-bosvegetatie. Ook zal er meer hakhout beheer gaan plaatsvinden binnen het plangebied, door de aanleg van struwelen en knotbomen. Buiten deze kernkwaliteiten zal er een positief effect voor bodem en lucht optreden, immers de agrarische bedrijvigheid gestaakt wordt en er meer bomen en heesters voor in plaats komen. Een mogelijk negatief effect kan zijn dat de kwaliteit ‘stilte, rust en duisternis’ verminderd, immers er in de toekomst meer bewoners en verlichting binnen het plangebied aanwezig zullen zijn. Door het staken van de bedrijfsactiviteiten zal de relatieve rust en stilte alsnog toenemen. Er treedt echter in ieder geval geen verlies van kernkwaliteiten op. Voor een volledige uitwerking van het versterkingsplan wordt verwezen naar bijlage 1.

Figuur 16: ligging planlocatie t.o.v. GNN (groene gebieden) en Groene ontwikkelingszone (oranje gebieden)

Conclusie Het aspect provinciale gebiedsbescherming (GNN/GO) vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.3.3 Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich zowel op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnet werk Nederland. Dit kan vorm krijgen in wet- en regelgeving, maar ook in fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Ow zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hiervoor actief beleid voeren. Gedacht kan worden aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat

36

zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Toetsing In het kader van de beoogde ontwikkeling is er door Natuurbank Overijssel een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd (“Quickscan natuurwaardenonderzoek Kapelweg 13-13a – Sinderen”, d.d. 12 december 2024, kenmerk 6887, versie 1.0). De locatie is daarbij onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. De rapportage van die quickscan is opgenomen in bijlage 4. Uit de quickscan volgen onderstaande bevindingen en conclusies: •

Opstellen versterkingsplan;

•

Nader onderzoek uitvoeren naar de functie van het plangebied voor steenuilen;

•

Beplanting rooien buiten de voortplantingsperiode van vogels (of broedvogelscan uitvoeren);

•

Geen grondgebonden zoogdieren en amfibieën doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken);

Nader onderzoek steenuilen In het kader van vervolgonderzoek is er door Natuurbank Overijssel een steenuil onderzoek uitgevoerd (“Steenuil onderzoek Kapelweg 13-13a – Sinderen”, d.d. 22 april 2025, kenmerk 7533, versie 1.0). De locatie is daarbij onderzocht of steenuilen een nestplaats bezetten. De rapportage hiervan is opgenomen in bijlage 5. Hieronder de conclusie uit dat rapport. •

Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat steenuilen een territorium bezetten op het erf. Er zijn in het geheel géén steenuilen waargenomen in het onderzoeksgebied.

•

Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt de aanwezigheid van een nestplaats van steenuilen in het onderzoeksgebied uitgesloten.

Conclusie Het aspect soortenbescherming vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.4 Geluid Een planlocatie kan bij een geluidsbron zijn gelegen, zoals een drukke weg, spoorweg, industrie of een windturbine. Bekeken moet worden of het plan geen hinder voor de omgeving vormt, en of de omgeving geen hinder vormt voor het plan. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen geluid van activiteiten en geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen (aandachtsgebieden). Wettelijk kader Geluid van activiteiten In paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl staan instructieregels over het geluid van activiteiten (bijv. windturbines) op de gevels van geluidgevoelige gebouwen. Op grond van deze instructieregels moet er in het omgevingsplan worden gezorgd voor een aanvaardbare geluidsbelasting. Er is in ieder geval sprake van een aanvaardbare geluidsbelasting indien de standaard- en grenswaarden van artikel 5.65 van het Bkl worden opgenomen in het omgevingsplan. Tot het moment waarop de gemeente Oude IJsselstreek een permanent omgevingsplan heeft, gelden in de gemeente Oude IJsselstreek de regels van paragraaf 22.3.4 van het tijdelijk omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek. Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen

37

In paragraaf 5.1.4.2a Bkl staan instructieregels over het geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen. Een geluidgevoelig gebouw (artikel 3.21 Bkl) is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: •

woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

•

onderwijsfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan;

•

gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of

•

bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

In paragraaf 5.1.4.2a.4 Bkl staan instructieregels voor het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden. Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Bkl). In het omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek zijn nog geen geluidaandachtsgebieden opgenomen waardoor het overgangsrecht geluidaandachtsgebied voor gemeentewegen, lokale spoorwegen en waterschapswegen van toepassing is (artikel 17.5 Omgevingsregeling), met bijbehorende afstanden: •

voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/u of minder geldt: 100 m;

•

voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid of een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en

•

voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.

Op grond van artikel 5.78s Bkl moet de geluidsbelasting van een weg op een geluidgevoelig gebouw in een geluidsaandachtgebied aanvaardbaar zijn. De geluidsbelasting is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden zoals deze zijn opgenomen in artikel 5.78t Bkl. Toetsing initiatief

Omschrijving

Kapelweg 34 Wissinklaan 16-16a Kroezendijk 12 Harterinkdijk 25

Houden van rundvee en varkens Fokken en houden van rundvee Fokken en houden van rundvee Fokken en houden van varkens

Werkelijke afstand

Adres

Geluid

Geluid van activiteiten In de directe omgeving van de planlocatie bevinden zich naast woningen enkele agrarische bedrijven en een enkel niet-agrarisch bedrijf. In onderstaande tabel zijn deze bedrijven vermeld. De afstanden in de tabel zijn gemeten vanuit de rand van de bestemmingsvlakken van deze bedrijven tot de grens van de planlocatie. Feitelijk zullen de woningen echter op grotere afstand van deze bedrijven worden gerealiseerd, zodat sprake is van een worst case beoordeling. In deze situatie is sprake van het omgevingstype ‘rustig woongebied’, zoals bedoeld in de VNG-handreiking Activiteiten en milieuzonering uit 2024. Volgens de in deze handreiking opgenomen ‘Bijlage A5 Indicatieve lijst met activiteiten met inschatting geluid en geur’ gelden de in onderstaande tabel genoemde afstanden, waarop mag worden verwacht dat aan de standaardgeluidnormen kan worden voldaan.

50 30 30 50

106 270 380 490

38

Gezien de afstand van omliggende bedrijven tot de planlocatie is het voldoende aannemelijk dat geluid van activiteiten geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Het initiatief belemmert de genoemde bedrijven in zoverre niet in hun bedrijfsvoering en mogelijkheden. Andersom mag ter plaatse van de bestaande en nieuwe woningen worden aangenomen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Railverkeerslawaai Het geluidaandachtsgebied voor een spoorweg bestrijkt een zone van maximaal 100 meter aan weerszijden van het spoor. De planlocatie ligt op een veel grotere afstand van spoorwegen, zodat hiervan geen belemmeringen uitgaan voor dit initiatief. Verkeerslawaai De planlocatie bevindt zich binnen de geluidaandachtsgebieden van de Kapelweg en Wissinklaan. Voor een ontwikkeling binnen een geluidaandachtsgebied van een weg moet worden aangetoond dat het verkeerslawaai op de gevel van de woning kan voldoen aan de standaardwaarden uit het Bkl. Voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen binnen een zone gelden volgens het Bkl standaardwaarden van 50 dB voor rijks- en provinciale wegen en 53 dB voor gemeentewegen. Volgens de Aanvullingswet geluid moet langs provinciale wegen echter vooralsnog worden getoetst aan de Wet geluidhinder, zodat hier momenteel een voorkeursgrenswaarde van 48 dB geldt.

De Kapelweg en Wissinklaan zijn gemeentewegen waarvoor de standaardwaarde van 53 dB geldt. Zoals blijkt uit de informatie op de Atlas Leefomgeving (zie figuur 16) gaat het om relatief rustige wegen met een beperkte geluidbelasting op de omgeving. Op enkele meters uit de Kapelweg bedraagt de geluidbelasting 51 dB, terwijl de geluidbelasting op enkele meters uit de Wissinklaan 48 dB bedraagt. Ter plaatse van de beoogde woningen bedraagt de geluidbelasting minder dan 45 dB. Om die reden is geen verder akoestisch onderzoek nodig naar de geluidbelasting van omliggende wegen. Het woon- en leefklimaat is hierbij niet in het geding.

39

Figuur 17: indicatieve geluidbelasting langs wegen (bron: Atlas Leefomgeving)

Industrielawaai De planlocatie bevindt zich buiten het aandachtsgebied van een industrieterrein. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 4.5 Luchtkwaliteit Bij het aspect luchtkwaliteit moet worden beoordeeld of een initiatief bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit en of ter plaatse van een initiatief de luchtkwaliteit aanvaardbaar is. Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden bijvoorbeeld zogeheten omgevingswaarden voor o.a. de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor 40

stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het initiatief binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een initiatief binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden luchtkwaliteit (zoals de gemeente Oude IJsselstreek) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. . Echter, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient de lokale luchtkwaliteit onderzocht te worden, zodat onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Hiervoor dient het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van de rijksoverheid geraadpleegd te worden (https://www.cimlk.nl/kaart.). Het CIMLK geeft meer inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) op lokaal niveau tussen 2022 en 2030. Toetsing De gemeente Oude IJsselstreek ligt buiten de aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit, zodat het aspect luchtkwaliteit in beginsel slechts marginaal hoeft te worden getoetst. Er is immers geen sprake van de aanleg van auto(snel)wegen of tunnelbuistrajecten. Duidelijk is op dat op en rondom de planlocatie geen sprake is van feitelijke of dreigende overschrijding van grenswaarden.

Zo blijkt uit het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit dat langs het dichtstbijzijnde meetpunt uit het CIMLK (aan de verderop gelegen Terborgseweg) sprake is van een jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) van 13,51 microgram/m3 (monitoringsronde 2023), terwijl voor deze parameter een omgevingswaarde van 40 micogram/m3 geldt. Voor fijn stof (PM10) is hier sprake van een jaargemiddelde concentratie van 15,75 micogram/m3, terwijl ook voor deze parameter een omgevingswaarde van 40 micogram/m3 geldt. Er zijn volgens het CIMLK binnen een straal van 500 meter geen veehouderijen aanwezig met een PM10-emissie van 800 kg/jaar. Volledigheidshalve is een berekening met de NIBM-tool uitgevoerd naar het extra verkeer dat zal worden gegenereerd door de beoogde ontwikkeling. De NIBM-tool is een rekentool waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtkwaliteit kan worden vastgesteld. Met de NIBM-tool kan op een eenvoudige en snelle manier bepaald worden of een plan niet in betekenende mate bijdraagt (NIBM) aan de lokale luchtkwaliteit. Daarbij is er in het kader van de “worst-case”-benadering uitgegaan van de CROW-norm dat dat per woning maximaal 8,6 (auto)verkeersbewegingen per etmaal plaatsvinden.

Er wordt voor de “worst-case” benadering derhalve uitgegaan van 5 x 8,6 = 43 (auto)verkeersbewegingen per etmaal (uitgaande van 2 bestaande en 2 nieuwe woningen op het bestaande erf en 1 nieuwe woning op het nieuwe erf). In figuur 17 is de berekening met de NIBM-tool weergegeven. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de toename van het verkeer niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit en dat er geen nader onderzoek nodig is.

41

De uitkomsten van de NIBM-tool en de gegevens uit het CIMLK voldoen bij elkaar opgesteld ruimschoots aan de hier geldende omgevingswaarden. Dat betekent dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen niet in het geding is.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2023 Jaar van planrealisatie

2025

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

43

Aandeel vrachtverkeer

0,0%

NO2 in μg/m3

0,02

PM10 in μg/m3

0,00

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig

Figuur 18: berekening met NIBM-tool

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.6 Geur De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het plangebied zijn toegestaan. In het omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen optreedt. Wettelijk kader In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn instructieregels opgenomen (paragraaf 5.1.4.6 Bkl), op grond waarvan in het omgevingsplan regels moeten worden opgenomen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau binnen het plangebied aanvaardbaar is. In deze instructieregel zijn voor dat doel aanwijzingen opgenomen waaraan de regels voor waterzuiveringsinstallaties en het houden van landbouwhuisdieren moeten voldoen. Voor het overige is het aan de gemeente gelaten of en welke aanvullende regels nodig zijn om de geurbelasting door overige activiteiten in het plangebied aanvaardbaar te laten zijn. Tot het moment waarop deze regels zijn opgenomen in het permanente omgevingsplan van de gemeente Oude IJsselstreek, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.6 van het tijdelijke omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek, welke gelden voor de volgende activiteiten: •

geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf;

•

geur door het houden van fokteven van nertsen;

•

geur door andere agrarische activiteiten, zoals het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval;

•

geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken.

Toetsing 42

In de directe omgeving van de planlocatie bevinden zich meerdere veehouderijen: •

een rundvee- en varkenshouderij op de locatie Kapelweg 34 op een afstand van 106 meter;

•

een melkrundveehouderij op de locatie Wissinklaan 16-16a op een afstand van 270 meter;

•

een melkrundveehouderij op de locatie Kroezendijk 12 op een afstand van 380 meter;

•

een varkenshouderij op de locatie Harterinkdijk 25 op een afstand van 490 meter.

Voor de melkrundveehouderijen geldt een minimaal in acht te nemen afstand van 50 meter. De varkenshouderij ligt op zodanig afstand (> 100 meter) dat in relatie tot de vergunde bedrijfsvoering met fokzeugen en de aanwezigheid van meerdere burgerwoningen in het tussenliggende gebied (op korte afstand van het bedrijf) duidelijk is dat de nieuwe woningen de mogelijkheden van dit bedrijf niet belemmeren en dat andersom sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.7 Milieubelastende activiteiten Bij een wijziging van het omgevingsplan kan sprake zijn van het toestaan van milieubelastende activiteiten. In dat geval moet een afweging plaatsvinden over de omgevingskwaliteit. Wettelijk kader Onder de Omgevingswet is het begrip ‘inrichting’ verdwenen en heeft het begrip ‘milieubelastende activiteit’ zijn intrede gedaan. Het begrip ‘milieubelastende activiteit’ (hierna: mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”.

Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten). Het is een breed begrip want er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip. In dit gedeelte worden regels over mba’s bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan wordt opgenomen. Deze afdeling 2.3 is getiteld ‘Milieubelastende activiteiten’ en bevat gemeentelijke regels over mba’s. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De Bkl-regels spreken daarbij van ‘activiteiten’. Uit de Nota van Toelichting van het Bkl blijkt dat daarmee mba’s worden bedoeld. Toetsing Bij deze ontwikkeling is alleen sprake van de realisatie van woningen. Bij deze woningen worden net als elders binnen de gemeente beroepen aan huis toegestaan. Daarnaast kunnen via een omgevingsvergunning aan huis verbonden bedrijven en bed & breakfast worden mogelijk gemaakt.

Het gaat hierbij om milieubelastende activiteiten met een beperkt ruimtebeslag en een beperkte milieubelasting, die in zijn algemeenheid aanvaardbaar zijn te achten binnen een woonomgeving. Voor bepaalde beroepen en bedrijven aan huis zijn regels gesteld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Voor andere beroepen en bedrijven aan huis zijn in het tijdelijke deel van het omgevingsplan regels van rechtswege opgenomen (de bruidsschat). Die regels blijven gelden naast het voorliggende omgevingsplan voor deze locatie. Conclusie 43

De milieubelastende activiteiten waarvan bij de bestaande en nieuwe woningen sprake kan zijn, vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Aan de milieueffecten van die milieubelastende activiteiten worden regels gesteld in het omgevingsplan van rechtswege en het Besluit activiteiten leefomgeving. 4.8 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico (de aandachtsgebieden). Wettelijk kader De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en het groepsrisico (de aandachtsgebieden). Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven.

Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar (Kaarten | Atlas Leefomgeving). In het plan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt in ieder geval aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor een aanvullende onderbouwing en eventueel extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een plan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het plan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan.

In een voorschriftengebied gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen, die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Toetsing Op de planlocatie worden kwetsbare objecten in de vorm van woningen mogelijk gemaakt. In de omgeving zijn volgens de risicokaart (zie figuur 18) meerdere risicobronnen aanwezig. Bij geen van die risicobronnen liggen de plaatsgebonden risicocontouren (PR=10-6) of de aandachtsgebieden over de beoogde woningen. Dat betekent dat risicovolle inrichtingen, basisnetroutes en buisleidingen op voldoende afstand van de

44

planlocatie liggen en geen belemmeringen opwerpen voor de beoogde woningbouw. Hieronder wordt kort ingegaan op de verschillende risicobronnen in de omgeving: •

propaantank

bij

Wildenbeest

BV,

Sinderenseweg

74

te

Sinderen,

waarbij

het

explosieaandachtsgebied de grootste contour (160 meter) oplevert, maar de afstand tot de grens van de planlocatie ten opzichte van deze contour zo’n 1400 meter bedraagt; •

propaantank

bij

Wildenbeest

BV,

Molenweg

12a

te

Breedenbroek,

waarbij

het

explosieaandachtsgebied de grootste contour (160 meter) oplevert, maar de afstand tot de grens van de planlocatie ten opzichte van deze contour zo’n 1160 meter bedraagt; •

propaantank bij particulier, Kasteelweg 1 te Sinderen, waarbij het explosieaandachtsgebied de grootste contour (30 meter) oplevert, maar de afstand tot de grens van de planlocatie ten opzichte van deze contour zo’n 880 meter bedraagt;

•

aardgasleidingen Gasunie (N-569-65 en N-569-72), ten westen van de planlocatie, waarbij het brandaandachtsgebied de grootste contouren (45 en 70 meter) oplevert, maar de afstand tot de grens van de planlocatie ten opzichte van deze contour zo’n 286 meter bedraagt;

•

aardgasleiding

Gasunie

(N-569-80),

ten

noorden

van

de

planlocatie,

waarbij

het

brandaandachtsgebied de grootste contour (92 meter) oplevert, maar de afstand tot de grens van de planlocatie ten opzichte van deze contour zo’n 435 meter bedraagt.

Figuur 19: kaartuitsnede risicokaart met planlocatie blauw bij blauwe marker (bron: Atlas Leefomgeving)

45

Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.9 Water Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en worden sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben. Ook veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Het waterschap wil vroegtijdig meedenken over plannen en ontwikkelingen om samen met de gemeente en andere partners te zoeken naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving. Wettelijk kader Waterschap Rijn en IJssel: Waterbeheerprogramma 2022-2027 In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 zijn de doelen van het Waterschap Rijn en IJssel weergegeven in vier thema’s: • Klimaatrobuust gebied Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig in te vullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. • Veilig gebied Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst.

De ambitie van het waterschap is dat in 2050 de keringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar op ontwikkelingen kan worden ingespeeld. Daarbij is er aandacht voor een duurzame wijze van beheer en behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. • Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil in het uitvoeren van haar primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil het waterschap in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin ze haar taken klimaatneutraal uitvoert. • Gezonde leefomgeving Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Er wordt naar gestreefd dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico’s oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert. Waterschap Rijn en IJssel: Waterschapsverordening In de Waterschapsverordening staan regels voor waterkeringen, watergangen en grondwater binnen het beheergebied van een waterschap. Zo staan er bijvoorbeeld regels in over water onttrekken, water lozen en andere activiteiten. Deze regels gelden voor iedereen.

Soms is niet alleen de beek of dijk zelf beschermd, maar ook een strook grond erlangs. Ook deze zones staan aangegeven in de Waterschapsverordening.

46

Per 1 januari 2024 zijn ook sommige rijksregels over lozingen vervallen. Deze regels van het rijk zijn nu in de Waterschapsverordening opgenomen. Het gaat bijvoorbeeld om lozingen op een oppervlaktewater van een waterschap of zuiveringtechnisch werk van een waterschap. Waterschap Rijn en IJssel: weging waterbelang De weging van het waterbelang is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. Het heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. De weging heeft betrekking op alle wateren en alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik en de functie van het projectgebied en de directe omgeving van het gebied, bijvoorbeeld veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit. Met behulp van de weging van het waterbelang kan eenvoudig worden bepaald welke wateraspecten van belang zijn. Naarmate er een groter waterbelang is, zal een uitgebreidere procedure van de weging van het waterbelang moeten worden doorlopen. We maken onderscheid in de volgende drie resultaten van de weging van het waterbelang: 1. Plan raakt geen wateraspecten: geen wateradvies van het waterschap nodig. 2. Korte procedure: het plan past binnen de uitgangspunten van het waterschap.

De initiatiefnemer of gemeente ontvangt van het waterschap een standaardwaterparagraaf, en werkt de voor het plan relevante wateraspecten uit. De waterparagraaf wordt vervolgens door het waterschap van een wateradvies voorzien. 3. Normale procedure: er zijn grote of meerdere wateraspecten van belang. De initiatiefnemer overlegt met het waterschap om tot maatwerk te komen. De initiatiefnemer brengt opties in beeld en onderbouwt keuzes m.b.t. de waterhuishouding. Gemeente: Water- en Rioleringsprogramma 2024-2028 In de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet waren gemeenten verplicht een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) op te stellen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, op 1 januari 2024, vervalt de verplichting voor het opstellen van een GRP. Wel blijven gemeenten verplicht invulling te geven aan hun gemeentelijke watertaken en het onderbouwen van de benodigde rioolheffing. Om aan deze verplichting te voldoen, heeft de gemeente Oude IJsselstreek ervoor gekozen om een Wateren Rioleringsprogramma (WRP) op te stellen. Dit programma beschrijft hoe de gemeente omgaat met haar wettelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Daarnaast bevat dit programma: 1.

een overzicht van de in de gemeente aanwezige voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater en het tijdstip waarop die voorzieningen naar verwachting aan vervanging toe zijn; 2. een overzicht van de aan te leggen of te vervangen voorzieningen als bedoeld onder 1; 3. een overzicht van de financiële gevolgen van het programma; 4. een overzicht van de wijze waarop de voorzieningen worden of zullen worden beheerd; de gevolgen voor het milieu van de aanwezige voorzieningen en van de in het plan aangekondigde activiteiten. Toetsing Uit het doorlopen van de online vragenlijst op hetwateradvies.nl komt naar voren dat de ontwikkeling waterschapsbelangen raakt, waarvoor er advies nodig voor de volgende onderdelen: 1. advies kwaliteit oppervlaktewater; 2. advies beheer en onderhoud van oppervlaktewater;

47

3. advies grondwaterbeheer. De resultaten van de digitale watertoets zijn opgenomen in bijlage 7. Hieronder wordt nader ingegaan op de verschillende adviesonderdelen. Advies kwaliteit oppervlaktewater Hemelwater dat van verhard oppervlak direct afstroomt naar het oppervlaktewater kan verontreinigd raken door specifieke activiteiten binnen een plan. Hierbij moet gedacht worden aan bijvoorbeeld agrarische bedrijven, industrieterreinen, tankstations, autobedrijven of sloperijen etc. Het waterschap zal in deze gevallen aanvullende voorzorgsmaatregelen adviseren om verontreiniging van oppervlaktewater te voorkomen. In de beoogde situatie is sprake van woonfuncties, waarbij uitsluitend gebruik zal worden gemaakt van duurzame bouwmaterialen. Het van daken en verhard terreinoppervlak afstromend hemelwater zal hierdoor niet leiden tot een verontreiniging van oppervlaktewater. Advies beheer en onderhoud van oppervlaktewater Het beheer en onderhoud van het watersysteem is erop gericht om de waterhuishouding op orde te houden of te verbeteren. Het gaat bij watergangen zowel om waterkwantiteit en -kwaliteit, als om beeldkwaliteit en waterbeleving. Het reguliere onderhoud bestaat voornamelijk uit het maaien van de water- en oevervegetatie. Het beheer en onderhoud van het watersysteem dient met het reguliere onderhoudsmaterieel van het waterschap (of zijn aannemers) mogelijk te zijn.

In situaties waar de ruimte beperkt is, bijvoorbeeld bij stedelijke herontwikkeling, is vroegtijdige afstemming met het waterschap nodig om te komen tot maatwerk. In de Legger zijn kern- en beschermingszones vastgelegd, waarmee de watergang en de bijbehorende onderhoudstroken worden beschermd. De onderhoudsstroken dienen vrijgehouden te worden van obstakels. Voor activiteiten binnen de kern- en beschermingszone dient een watervergunning aangevraagd te worden. In de figuur hieronder is een uitsnede van de Legger ter plaatse van de planlocatie weergegeven. Hieruit wordt duidelijk dat de er met de uitvoering van voorliggend plan in de kern- en beschermingszones en de bijbehorende onderhoudsstroken geen bebouwing of andere obstakels worden gerealiseerd die een belemmering kunnen vormen van het beheer en onderhoud van het watersysteem.

48

Figuur 20: kaartuitsnede Legger Waterschap Rijn en IJssel Advies grondwaterbeheer Het waterschap streeft naar doelmatig waterbeheer dat optimaal de functies en het huidige gebruik ondersteunt. Bij nieuwe functies moet worden aangesloten bij het gewenst grond- en oppervlaktewaterregime. Daarmee wil het waterschap structurele overlast door te hoog grondwater voorkomen en verdroging door te laag grondwater tegengaan. In relatie tot voorliggend plan is geen sprake van zodanig hoge grondwaterstanden dat hierdoor structurele overlast ontstaat. Verdroging door te laag grondwater is eveneens niet aan de orde, mede door de aan te leggen sloot aan de zuidzijde van het plangebied en de tweetal poelen, die dienen als infiltratievoorziening. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.10 Mobiliteit en parkeren Bij het initiatief dient rekening gehouden te worden met de verkeersgeneratie en het parkeren. Er moet onderbouwd worden of het aantal verkeerstromen niet onaanvaardbaar gaat toenemen en er moet gekeken worden naar voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Daarbij moet worden getoetst aan de meest recente inzichten, zoals vastgelegd in de op 5 maart 2024 vastgestelde Nota parkeernormen Oude IJsselstreek.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/5042/documents/33133