Motivering omgevingsplan def.pdf
Tekst van het document
bouwen op onbenutte inbreidingslocaties ‘van binnen naar buiten’;
•
bouwen op uitleglocaties aan de rand van de grote kernen;
•
buitengebied: woningsplitsing;
24
•
buitengebied: functieverandering en hergebruik vrijkomende agrarische bebouwing (VAB’s);
•
buitengebied: landgoederen.
Beoordeling initiatief Het initiatief heeft geen betrekking op een uitbreiding van het aantal woningen. De lokale kwaliteitscriteria zijn daarom niet van toepassing op dit initiatief. Conclusie Het plan valt buiten de kaders van de Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek. 3.4.5 Uitnodigingskader wonen buitengebied Op 26 oktober 2023 heeft de gemeenteraad van Oude IJsselstreek het zogenoemde Uitnodigingskader wonen buitengebied vastgesteld. In dit uitnodigingskader zijn nieuwe en ruimere mogelijkheden opgenomen voor ontwikkeling van woningbouw in het buitengebied, in ruil voor sloop van gebouwen die vrijkomen in combinatie met inpassing van de plannen in het landschap. Ook biedt het uitnodigingskader ruimere en flexibelere mogelijkheden voor splitsing van woningen en de ontwikkeling van een landgoed. Kwaliteitsverbetering van het buitengebied is het belangrijkste doel van het uitnodigingskader. Door een alternatief te bieden voor vrijkomende en al vrijgekomen bebouwing in het buitengebied worden leegstand, verloedering en ongewenste activiteiten voorkomen. Ieder initiatief tot herontwikkeling dient te leiden tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Hoe dat gebeurt moet inzichtelijke worden gemaakt in een erfinrichtingsplan. Het beleid is gebaseerd op het idee dat ontwikkelruimte gecreëerd wordt en deze vervolgens weer wordt ingezet.
Ontwikkelruimte creëren kan door sloop van gebouwen en/of door de aanleg van landschapselementen. Dit kunnen één of meer maatregelen zijn. Een combinatie van maatregelen is mogelijk. Met die maatregelen – waaraan afhankelijk van de omvang – punten worden toegekend, wordt ontwikkelruimte gecreëerd. De gecreëerde ontwikkelruimte kan vervolgens voor diverse ontwikkelingen ten behoeve van wonen worden ingezet. Dit kan op de locatie waar gesloopt is, maar ook op een ander erf of door de ontwikkeling van een nieuw erf. Ook kan ontwikkelruimte worden ingezet voor de vergroting van de op grond van het bestemmingsplan toegestane maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken. Ontwikkelruimte kan worden ingezet door het omvormen van (agrarische) bedrijven in het buitengebied naar wonen, maar ook op bestaande woonerven door de toevoeging van één of meerdere woningen. Beoordeling initiatief Het Uitnodigingskader wonen buitengebied ziet alleen toe op ontwikkelingen waarbij sprake is van het toevoegen van extra woningen. Daarvan is in dit geval geen sprake, omdat de ontwikkeling betrekking heeft op herbouw van een bestaande bedrijfswoning op een andere plek. Conclusie Het plan valt buiten de kaders van het Uitnodigingskader wonen buitengebied. 3.4.6 Visie op Landschap, Natuur en Groene Kernen De Visie op Landschap, Natuur en Groene Kernen (VLNGK) biedt een gewenst toekomstbeeld.
De visie is in een interactief proces met bewoners, maar ook organisaties en verenigingen tot stand gekomen. De visie geeft richting aan de gewenste ontwikkeling van het landschap voor zowel het buitengebied als de kernen. De visie gaat in op de wijze waarop de kenmerkende landschappen voor de toekomst verder versterkt worden, in samenhang met de ontwikkelingen die de komende jaren spelen. Ook gaat de visie in op de gewenste groenstructuur in de kernen. De gemeente realiseert de visie niet alleen, een groot aantal zaken 25
pakt zij zelf op, maar de visie moet vooral ook anderen stimuleren om mee te werken aan een groene en gezonde leefomgeving. Beoordeling initiatief Met de ontwikkeling wordt op de planlocatie voorzien in een adequate landschappelijke inpassing. Hiermee wordt in de beoogde opzet zorggedragen voor een groene en gezonde leefomgeving, die past binnen het voor dit gebied kenmerkende landschap. Hiermee is de ontwikkeling in overeenstemming met de 'Visie op Landschap, Natuur en Groene Kernen'. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de Visie op Landschap, Natuur en Groene Kernen. 3.4.7 Notitie Uitbreiding niet-agrarische bedrijven in het buitengebied Op 19 mei 2020 heeft de gemeenteraad van Oude IJsselstreek de notitie ‘Uitbreiding niet-agrarische bedrijven in het buitengebied’ (Nabib) vastgesteld. Deze notitie biedt een kader voor uitbreiding van nietagrarische bedrijven in het buitengebied door tot een zorgvuldige afweging te komen tussen landschappelijke en economische belangen. Daarbij worden een stappenplan en een beslisboom gehanteerd. Beoordeling initiatief In relatie tot het stappenplan en de beslisboom uit de notitie kan worden opgemerkt dat in dit geval sprake is van een verzoek om uitbreiding van het bebouwd oppervlak van een niet-grondgebonden bedrijf, dat strijdigheid oplevert met het ter plaatse geldende omgevingsplan.
Volgens het stappenplan is in dat geval maatwerk nodig. Hieronder worden de verschillende stappen uit het stappenplan opgesomd en voorzien van een toelichting. Stap 1: toetsing aan algemene criteria Uit toetsing aan de provinciale omgevingsverordening (zie paragraaf 3.2.2) en de Ladder voor duurzame ontwikkeling (zie paragraaf 3.1.3) komt naar voren dat hieruit geen belemmeringen voortvloeien voor dit initiatief. Gebleken is dat verplaatsing naar een bedrijventerrein realistisch gezien niet haalbaar is. Stap 2: onderscheid gebiedsgebonden en niet-gebiedsgebonden bedrijven In deze situatie is sprake van een niet-gebiedsgebonden bedrijf, waarvoor het ‘nee, tenzij’-principe wordt gehanteerd. Stap 3: strijdigheid bestemmingsplan Het initiatief leidt tot strijdigheid met het bestemmingsplan (thans omgevingsplan). Stap 4: beschrijving strijdigheid Het bestemmingsvlak verandert van vorm en wordt qua oppervlakte met 373 m² vergroot, waarbij het bouwvlak en het maximum bebouwd oppervlak worden vergroot. Stap 5: uitbreidingswens groter of kleiner dan 10% De uitbreidingswens is meer dan 10% aan maximum bebouwd oppervlak. Stap 6: financiële onderbouwing voor uitbreidingswens > 10% Volgens deze stap moeten in een door initiatiefnemer aan te leveren financiële onderbouwing de volgende drie scenario’s met elkaar worden vergeleken: 1.
noodzakelijke investering voor uitbreiding op huidige locatie;
26
2. noodzakelijke investering voor nieuwbouw van alleen het uit te breiden deel op een andere locatie; 3. noodzakelijke investering voor nieuwbouw van het huidige bedrijf, inclusief de gewenste uitbreiding op een andere locatie. Zoals blijkt uit een brief van aaff Accountants en Advies B.V. (zie bijlage 7) is verplaatsing van het autobedrijf naar een bedrijventerrein financieel niet haalbaar gezien de bedrijfseconomische marges in de afgelopen jaren. De noodzakelijke investering voor de beoogde uitbreiding op de huidige locatie, die voornamelijk beperkt blijft tot herbouw van een bedrijfswoning op een andere plek, is de enige haalbare optie voor het bedrijf. Dit nog even los van de ook anderszins verstrekkende gevolgen zoals verwoord in paragraaf 3.2.2. Uitbreiding op de huidige locatie is hiermee in voldoende mate aangetoond vanuit economisch oogpunt. Dat betekent dat het initiatief volgens het stappenplan verder moet worden getoetst aan het ruimtelijke afwegingskader. Daarbij moet onder meer worden getoetst aan de ruimtelijke kwalitatieve normen uit stap 5 en de noodzakelijke compensatie van de met de uitbreiding gepaard gaande aantasting van de ruimtelijke kwaliteit via verevening. Ruimtelijk kwalitatieve normen In stap 5 zijn de volgende kwalitatieve normen vermeld: 1.
geen uitbreidingsmogelijkheden voor bedrijven, die in groene ontwikkelingszone (GO) of Gelders natuurnetwerk (GNN) gevestigd zijn; 2. het (totale) erf dient landschappelijk te worden ingepast met streekeigen beplanting (harde voorwaarde); 3. er dient compensatie plaats te vinden van aantasting van aanwezige landschaps- en/of natuurwaarden (harde voorwaarde) 4. in de parkeerbehoefte dient op eigen terrein te worden voorzien; 5. de activiteit mag niet leiden tot een onevenredige toename van de verkeersaantrekkende werking; 6. het (leef)milieu van in de omgeving aanwezige functies mag door de activiteit niet worden geschaad; 7. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende bestemmingen en functies mogen niet onevenredig worden aangetast; 8. er dient sprake te zijn van een goede landschappelijke inpassing waarvoor de initiatiefnemer een inrichtingsplan dient te overleggen.
27
Ad 1. Het bedrijf is niet gelegen in de Groene ontwikkelingszone of het Gelders Natuur Netwerk. Zie ook paragraaf 4.3.2. Ad 2. Landschappelijke inpassing van het erf vindt plaats met streekeigen beplanting. Zie daarvoor het landschappelijk inpassingsplan in bijlage 2. Ad 3. Voor zover er al sprake is van aantasting van aanwezige landschaps- en/of natuurwaarden worden deze ruimschoots gecompenseerd door de landschappelijke inpassing. Ad 4. Voor een vrijstaande bedrijfswoning zijn drie parkeerplaatsen benodigd. Deze zullen worden gerealiseerd op het erf waar herbouw van woning plaatsvindt. Zie ook paragraaf 4.10. Ad 5. De verkeersaantrekkende werking neemt niet toe door dit initiatief, omdat het aantal bedrijfswoningen niet toeneemt en ook het bedrijf als zodanig geen extra verkeer genereert in de beoogde situatie. Ad 6. Het leefmilieu van in de omgeving aanwezige functies wordt niet geschaad door de activiteit. Omliggende woningen liggen op een afstand van meer dan 100 meter van het beoogde bestemmingsvlak, hetgeen ruimschoots voldoende is om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te kunnen garanderen. De milieucontouren van het bedrijf veranderen boven feitelijk niet door de beoogde ontwikkeling. Zie ook paragraaf 4.4 en 4.7 voor een verdere uiteenzetting voor dit punt. Ad 7.
Het initiatief leidt niet tot een onevenredige aantasting van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende bestemmingen en functies. Deze aangrenzende bestemmingen en functies liggen op zodanige afstand dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden niet worden aangetast door dit initiatief. Zie ook het gestelde in paragraaf 4.4, 4.6 en 4.7. Ad 8. Het inrichtingsplan is onderdeel van de landschappelijke inpassing (zie bijlage 2). Hiermee vindt een duidelijke lokale versterking plaats van de landschappelijke kwaliteit en biodiversiteit. Voor het overige wordt in hoofdstuk 4 ingegaan op de voor deze ontwikkeling relevante omgevingsaspecten. Daaruit komt naar voren dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Verevening De vorm van verevening is niet nader gemotiveerd in het Nabib-beleid. Onder de Omgevingswet is in artikel 13.23 geregeld dat in een omgevingsplan kan worden bepaald dat een financiële bijdrage kan worden verhaald ten behoeve van ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. In artikel 8.21 lid 1 van het Omgevingsbesluit is opgenomen dat bij wijziging van de inrichting van landelijk gebied in ieder geval kan worden gedacht aan ontwikkelingen waarbij (1) vrijkomende agrarische bebouwing wordt verwijderd en (2) landschappelijke elementen worden hersteld of aangevuld.
28
De vervolgvraag is welk investeringsbedrag bij de vereveningsinspanning hoort. Als gekeken wordt naar andere plannen binnen de gemeente waar verevening is toegepast, worden de volgende bedragen per vierkante meter gehanteerd: •
€ 50,- per m² voor de toename bedrijfsbebouwing;
•
€ 15,- per m² voor de toename grondoppervlakte bedrijfsbestemming
De berekening is als volgt: €50,- per m² uitbreiding minus toepassing van afwijkingsmogelijkheden uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oude IJsselstreek 2017’ (artikelen 5.4.1 en 43.1.1). Deze uitbreidingsmogelijkheden worden gestapeld toegepast. Het omgevingsplan staat na toepassing van beide afwijkingsmogelijkheden 2.145 m2 x 1,10 (art. 5.4.1) x 1,10 (art. 43.1.1) = 2.594 m2 toe. De toekomstige bedrijfsbebouwing is 2.750 m2. Dat resulteert in een planologische toename van 156 m2 bedrijfsbebouwing. Dat betekent dat de vereveningsbijdrage € 50 x 156 m2 = € 7.800 bedraagt. De oppervlakte van de bedrijfsbestemming wordt met 373 m² vergoot. Hiervoor wordt met een verevening van € 15,- per m² gerekend. Dit komt neer een op vereveningsbijdrage van € 15 x 373 m² = € 5.595. Totaal bedraagt de vereveningsbijdrage € 7.800 + € 5.595 = € 13.395. Conclusie Het plan kan met inachtneming van de verplichte landschappelijke inpassing voldoen aan het in de Notitie Uitbreiding niet-agrarische bedrijven in het buitengebied opgenomen beoordelingskader voor uitbreiding van solitaire bedrijvigheid in het buitengebied. 3.4.8 Oude IJsselstreek Klimaatbestendig – Klimaatagenda 2022 -2026 Op 18 januari 2022 is de Klimaatagenda 2022-2026 vastgesteld. Met deze Klimaatagenda wordt de visie en ambitie voor een klimaatbestendige toekomst vastgelegd.
Daarnaast is een uitvoeringsagenda voor 2022 tot en met 2026 beschreven. Steeds duidelijker wordt welke maatregelen nodig zijn om de gevolgen van klimaatverandering, waaronder droogte, wateroverlast, overstromingen en hittestress aan te pakken De effecten van klimaatverandering worden opgedeeld in vier hoofdthema’s: •
Meer regen: wateroverlast. Neerslagpatronen veranderen door klimaatverandering. We krijgen te maken met grotere piekbuien en langere natte winterperiodes. Dit kan leiden tot meer hemelwateroverlast en grondwateroverlast.
•
Hoger water: overstromingen. Door het veranderende weer krijgen we in Oude IJsselstreek vaker te maken met stormen en een sterker fluctuerende rivierafvoer. Deze factoren betekenen een extra belasting op de dijken.
•
Meer hitte: hittestress. Klimaatverandering wordt ook wel ‘global warming’ genoemd. We moeten er rekening mee houden dat we in de zomer vaker met extreme hitte te maken krijgen.
•
Drogere zomers: droogte. Het wordt warmer en neerslagpatronen worden grilliger. Vooral in de zomers zullen we steeds meer te maken krijgen met langdurige periodes van droogte en de effecten van (zoet) watertekorten.
Beoordeling initiatief Op basis van de klimaatatlas gemeente Oude IJsselstreek is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen op de planlocatie als gevolg van klimaatverandering. •
Wateroverlast
29
Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel wateroverlast is op te maken dat ter plaatse van de herbouwplek van de bedrijfswoning sprake is van plasvorming bij de scenario’s met korte extreem hevige buien. Bij de scenario’s met langdurige extreme regen treedt geen plasvorming op. De plassen blijven gemiddeld 6 tot 12 uur staan. Dit heeft alles te maken met de verlaagde ligging van dit deel van het perceel ten opzichte van omliggend gebied. Door het bouwpeil in beperkte mate te verhogen is toekomstige wateroverlast eenvoudig te voorkomen. De Keurhorsterweg en Kasselderstraat blijven ook bij extreme regenval begaanbaar. •
Hittestress Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel hittestress is op te maken dat de temperatuur op de planlocatie vergelijkbaar is met omliggende erven. Het voorziene groen op de plek van de herbouw van de bedrijfswoning, welke bestaat uit de toevoeging van een houtsingel, vogelbosje, boomgaard en weide, zal hittestress enigszins tegengaan. Daarnaast zorgt dit voor een vergroting van de biodiversiteit binnen het plangebied. Verder is hier geen sprake van een stedelijk-hitteeiland-effect, zoals zich dat voordoet in de bebouwde kom. Voor de beoogde woning geldt dat deze goed geïsoleerd wordt conform de huidige normen. Daarmee is de woning ook minder gevoelig voor opwarming wat relevant is voor warmte in de nachtelijke periode. Bovendien zijn er technische mogelijkheden om de woning te koelen, wat direct kan worden meegenomen met de bouw. Op en in de directe omgeving van de planlocatie is geen sprake van oppervlaktewater dat door opwarming risico’s voor de volksgezondheid kan opleveren.
•
Droogte Op de planlocatie is in een gemiddelde zomer sprake van lage grondwaterstanden die zich momenteel in de range tussen 1,2 en 2,5 m – mv bevinden. In 2050 zal de planlocatie in een gemiddelde zomer te maken hebben met een grondwaterstand tussen de 1,8 en 2,5 m – mv. De gronden zijn volgens de kaartbeelden nu aan te merken als beperkt droogtegevoelig en in 2050 voor een deel ook als droogtegevoelig. Door het voornemen om het hemelwater binnen de planlocatie te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater langer in het gebied zelf aanwezig. Op en direct rondom de planlocatie is geen sprake van droogvallende beken en waterpartijen (met uitzondering van enkele sloten). De planlocatie ligt niet in een gebied waar een grotere kans op natuurbranden is bij langdurige droogte.
•
Overstroming Op de planlocatie is geen sprake van overstromingsgevaar door het bezwijken van een dijk langs de IJssel of Rijn.
Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat in voorliggend plan voldoende wordt ingezet op het voorkomen of beperken van mogelijke risico’s door klimaatverandering. Ter voorkoming van wateroverlast, tegengaan van droogte en vermindering van hittestress kunnen specifieke maatregelen worden getroffen in de vorm van ophoging van een deel van het terrein, het realiseren van voldoende waterberging en bouwtechnische maatregelen. Conclusie Het plan is in overeenstemming met Oude IJsselstreek Klimaatbestendig – Klimaatagenda 2022 - 2026. 3.4.9 Welstand Het gemeentelijk welstandsbeleid is vastgelegd in de Welstandsnota, waarin is opgenomen waar bij de toetsing voor een betreffend gebied of bouwwerk rekening mee moet worden gehouden. Toekomstige bouwplannen moeten wat betreft het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk getoetst worden aan het welstandsbeleid. In de nota worden algemene criteria gegeven waar bouwwerken aan moeten voldoen. Per gebied is specifiek welstandsbeleid opgesteld. Beoordeling initiatief
30
De planlocatie is gelegen in het gebiedstype buitengebied (G4). Hier geldt welstandsniveau 2 (regulier). Het beleid van de gemeente Oude IJsselstreek voor dit gebied is gericht op het behoud van cultuurhistorische, landschappelijke en/ of architectonische waarden en het voorkomen van onnodige verstening. Binnen deze randvoorwaarden kunnen veranderingen die voortkomen uit nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden. De welstandsbeoordeling richt zich op het handhaven of gericht veranderen en verbeteren van de basiskwaliteit van het gebied. De uitgangspunten van het welstandsbeleid zijn meegenomen bij de erfinpassing. Bij de uiteindelijk in te dienen aanvraag voor de ruimtelijke bouwactiviteit zal de commissie ruimtelijke kwaliteit hierover worden geraadpleegd. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de Welstandsnota opgesteld en wordt daarna met inachtneming daarvan verder uitgewerkt in de fase van de bouwaanvraag.
31
4. OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Bodem Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. Wettelijk kader In de Memorie van Toelichting bij de Aanvullingswet bodem Omgevingswet wordt beschreven dat de algemene doelstelling van het bodembeleid is, het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door de maatregelen van het in onderlinge samenhang: •
Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen.
•
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteit van de bodem.
•
Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.
Via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet is de algemene doelstelling van het bodembeleid opgenomen in de Omgevingswet en bijbehorende AMvB’s. In paragraaf 5.1.4.5 Bodemkwaliteit van het Bkl zijn instructieregels opgenomen over: •
Toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie
•
Nazorg
•
Aanwijzing bodembeheergebieden
•
Indeling landbodem en bodemfunctieklassen
Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m². Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89k Bkl).
Tot het moment waarop de instructieregels uit paragraaf 5.1.4.5. Bodemkwaliteit van het Bkl zijn opgenomen in het permanente omgevingsplan van de gemeente Oude IJsselstreek, gelden de artikelen 22.29 lid 1 sub c en 22.30 uit het omgevingsplan van de gemeente Oude IJsselstreek. Dit zijn de regels uit 32
de bruidsschat. Hierin is bepaald dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen wordt verleend als de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden, of bij overschrijding, aannemelijk is dat sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Toetsing In verband met de woningbouwontwikkeling is door Montferland Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Uit het naar aanleiding van dit onderzoek opgestelde bodemonderzoeksrapport d.d. 25 maart 2025 met nummer MM25033 (zie bijlage 3) kan het volgende worden opgemaakt: •
Op of nabij de bodemgevoelige locatie hebben geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden die van invloed kunnen zijn (geweest) op de bodemgevoelige locatie.
•
Tijdens de locatie inspectie zijn geen bijzonderheden zijn waargenomen.
•
Derhalve kan worden gesteld dat er geen aanleiding is voor het uitvoeren van een verkennend bodem- en asbestonderzoek volgens de NEN5740/NEN5707.
•
Uit milieukundig oogpunt is er naar onze mening geen bezwaar tegen de voorgenomen planologische procedure. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik.
•
Wanneer toch tijdens eventuele graafwerkzaamheden waarnemingen worden gedaan die op een verontreiniging wijzen, dan moet het werk direct gestopt worden en moet met het bevoegd gezag worden overlegd.
Conclusie Ten aanzien van het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.2 Archeologie en cultuurhistorie Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving moet een afweging plaatsvinden met betrekking tot eventueel op een locatie aanwezige archeologische en cultuurhistorische waarden. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspect archeologie en cultuurhistorie. Wettelijk kader Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: •
Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
•
Verplaatsing van beschermde monumenten;
•
Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
•
Aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
•
Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
De gemeenteraad van Oude IJsselstreek heeft op 5 maart 2015 het beleidsdocument “Cultuurhistorische inventarisatie, waarden-, verwachtingen-, en maatregelenkaart als basis voor het archeologiebeleid van de gemeente Oude IJsselstreek” vastgesteld, alsmede de erfgoedverordening. De erfgoedverordening maakt momenteel onderdeel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving moeten worden getoetst op het voorkomen van archeologische waarden en/of monumenten binnen het plangebied. Tevens moet worden bepaald of deze eventueel aanwezige waarden worden geschaad door de gewenste ontwikkeling binnen het plangebied. Toetsing 33
Uit de Archeologische Monumentenkaart (AMK) en de Indicatieve kaart archeologische waarden (IKAW) volgt dat de planlocatie ligt in een gebied met een lage archeologische verwachting (zie figuur 11).
Figuur 10: archeologische waardenkaart met planlocatie (rood omkaderd)
Ter plaatse zijn geen beschermde archeologische monumenten aanwezig of een anderszins vanuit cultuurhistorie te beschermen waarde (zoals een Rijksmonument, een gemeentelijk monument of een MIPobject). Gezien de archeologische verwachting is in relatie tot de beoogde ingrepen geen archeologisch vooronderzoek nodig. Dat blijkt ook uit de juridische doorvertaling van de archeologische waarden in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oude IJsselstreek 2017’. Daaruit volgt dat voor de locatie geen archeologische verwachtingswaarde is opgenomen (zie figuur 2 en 3). Naast de planlocatie is een maalderijcomplex gelegen welke een monumentale status (Rijksmonument) heeft. De gewenste ontwikkeling heeft geen invloed op de omgeving van dit beschermde rijksmonument. De ontwikkeling, sloop van de bestaande bedrijfswoning en bouw van de nieuwe bedrijfswoning, vind namelijk aan de andere zijde van het bedrijfsperceel plaats. Aan de zijde van het rijksmonument wijzigt er niets. Conclusie Er is geen onderzoek nodig naar archeologie en cultuurhistorie. Er worden geen archeologische of cultuurhistorische waarden aangetast met de realisatie van dit plan. Archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.3 Natuur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie. Wettelijk kader In het Bkl zijn diverse regels opgenomen ter bescherming van de natuur. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
34
4.3.1 Gebiedsbescherming Natura 2000 Bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving moet worden bepaald of een project of plan (mogelijke) significant negatieve effecten veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Voor plannen dient middels een voortoets, eventueel gevolgd door een passende beoordeling, getoetst te worden of het plan mogelijk significant negatieve effecten kan hebben op gevoelige habitattypen die gelegen zijn binnen omliggende Natura 2000-gebieden. Toetsing De planlocatie is gelegen op een afstand van ruim 13 km van het meest nabijgelegen Nederlandse Natura 2000-gebied Korenburgerveen (zie figuur 12). Op kortere afstand (ruim 7 km) ligt het meest nabijgelegen Duitse Natura 2000-gebied Hetter-Millinger Bruch mit Erweiterung (zie figuur 13). Vanwege de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen de locatie en Natura 2000-gebieden, kunnen negatieve effecten anders dan door stikstof bij voorbaat worden uitgesloten. Om te bepalen wat de gevolgen van de ontwikkeling zijn voor de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden zijn berekeningen uitgevoerd met het wettelijk voorgeschreven rekenmodel AERIUS Calculator. In bijlage 5 is het volledige stikstofonderzoek opgenomen. Daaruit valt op te maken dat de ontwikkeling in zowel de aanleg- als gebruiksfase niet leidt tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.
De ontwikkeling leidt dus niet tot nadelige gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende Natura 2000-gebieden. Ook leidt de ontwikkeling niet tot vergunningplicht voor de Natura 2000-activiteit.
Figuur 11: ligging planlocatie t.o.v. Natura 2000-gebieden (bron: aerius.nl)
35
Figuur 12: ligging planlocatie t.o.v. Duits Natura 2000-gebied (bron: aerius.nl)
Conclusie Het aspect gebiedsbescherming Natura 2000 vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.3.2 Gebiedsbescherming Gelders Natuurnetwerk/Groene ontwikkelingszone Gelderland heeft veel natuurgebieden. Samen vormen zij het Gelders Natuurnetwerk (GNN). De Groene ontwikkelingszone (GO) is het gebied dat tussen en rondom natuurgebieden ligt. Hierin liggen onder andere de ecologische verbindingszones, de verbindende schakels tussen de natuurgebieden. De begrenzing en de regels ter bescherming van het GNN en de Groene ontwikkelingszone zijn opgenomen in de Omgevingsverordening provincie Gelderland. Toetsing De planlocatie is niet gelegen binnen of nabij de begrenzingen van het GNN of de Groene ontwikkelingszone (zie figuur 14), waardoor negatieve effecten hierop zijn uit te sluiten. Er is buiten deze zones namelijk geen sprake van externe werking, zoals voor Natura 2000-gebieden wel het geval is.
36
Figuur 13: ligging planlocatie (bij blauwe marker) t.o.v. GNN/GO
Conclusie Het aspect provinciale gebiedsbescherming (GNN/GO) vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.3.3 Soortenbescherming Onder de Ow zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich zowel op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnet werk Nederland. Dit kan vorm krijgen in wet- en regelgeving, maar ook in fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Ow zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hiervoor actief beleid voeren. Gedacht kan worden aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Toetsing In het kader van de beoogde ontwikkeling is er door Natuurbank Overijssel een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd (“Quickscan natuurwaardenonderzoek Keurhorsterweg 3 Sinderen”, d.d.
28 maart 2025, kenmerk 7426, versie 1.0). De locatie is daarbij onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. De rapportage van die quickscan is opgenomen in bijlage 4. Uit de quickscan volgen onderstaande bevindingen en conclusies: •
Geen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën opzettelijk doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken);
37
•
Nader onderzoek naar de functie van de woning voor huismussen uitvoeren;
•
Nader onderzoek naar de functie van de woning voor vleermuizen uitvoeren;
Nader onderzoek huismussen en vleermuizen In 2025 is een deel van de op het erf aanwezige bebouwing aan de Keurhorsterweg 3 te Sinderen onderzocht op verblijfplaatsen van vleermuizen en nestplaatsen van huismussen. Hieronder volgt de conclusie. Het volledige rapport is bijgevoegd als bijlage 4a (nader onderzoek vleermuis en huismus door Natuurbank Overijssel met nummer 8035 en datum 20 oktober 2025). Onderzoek heeft aangetoond dat vleermuizen geen verblijfplaats in het onderzoeksgebied bezetten en dat er geen huismussen in het onderzoeksgebied nestelen. Dit nader onderzoek is door de gemeente en Omgevingsdienst beoordeelt. Met de huidige onderzoeksinspanningen is de huismus niet uit te sluiten van de locatie. Daarom is volgens de Provincie een meerjarig onderzoek of een vergunning nodig. In samenspraak met de Provincie is er een derde optie voorgesteld namelijk het aanbieden van alternatieve locaties. In dit geval wordt voorzien in het aanbieden van alternatieve locaties binnen het plangebied ten behoeve van het huisvesten van de huismus. Het compensatieplan is toegevoegd als bijlage 9. Hierin is opgenomen dat er 3 nestplaatsen zijn aangetroffen wat betekent dat er 6 alternatieve locaties moeten worden aangeboden.
Conclusie Het aspect natuur vormt, met de opmerking dat er geen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën opzettelijk worden gedood, geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.4 Geluid Een planlocatie kan bij een geluidsbron zijn gelegen, zoals een drukke weg, spoorweg, industrie of een windturbine. Bekeken moet worden of het plan geen hinder voor de omgeving vormt, en of de omgeving geen hinder vormt voor het plan. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen geluid van activiteiten en geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen (aandachtsgebieden). Wettelijk kader Geluid van activiteiten In paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl staan instructieregels over het geluid van activiteiten (bijv. windturbines) op de gevels van geluidgevoelige gebouwen. Op grond van deze instructieregels moet er in het omgevingsplan worden zorggedragen voor een aanvaardbare geluidsbelasting. Er is in ieder geval sprake van een aanvaardbare geluidsbelasting indien de standaard- en grenswaarden van artikel 5.65 van het Bkl worden opgenomen in het omgevingsplan. Tot het moment waarop de gemeente Oude IJsselstreek een permanent omgevingsplan heeft, gelden in de gemeente Oude IJsselstreek de regels van paragraaf 22.3.4 van het tijdelijk omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek. Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen In paragraaf 5.1.4.2a Bkl staan instructieregels over het geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen. Een geluidgevoelig gebouw (artikel 3.21 Bkl) is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: •
woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
•
onderwijsfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan;
•
gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
•
bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.
38
In paragraaf 5.1.4.2a.4 Bkl staan instructieregels voor het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden. Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Bkl). In het omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek zijn nog geen geluidaandachtsgebieden opgenomen waardoor het overgangsrecht geluidaandachtsgebied voor gemeentewegen, lokale spoorwegen en waterschapswegen van toepassing is (artikel 17.5 Omgevingsregeling), met bijbehorende afstanden: •
voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/u of minder geldt: 100 m;
•
voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid of een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en
•
voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.
Op grond van artikel 5.78s Bkl moet de geluidsbelasting van een weg op een geluidgevoelig gebouw in een geluidsaandachtgebied aanvaardbaar zijn. De geluidsbelasting is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden zoals deze zijn opgenomen in artikel 5.78t Bkl. Toetsing initiatief Geluid van activiteiten In de directe omgeving van de planlocatie bevinden zich naast woningen meerdere agrarische bedrijven en een enkel niet-agrarisch bedrijf. De afstand van de plek voor herbouw van de bedrijfswoning bedraagt meer dan 100 meter ten opzichte van omliggende bedrijven, zodat gezien de aard en omvang van deze bedrijven de geluidsbelasting aanvaardbaar kan worden geacht en het woon- en leefklimaat daarom niet in het geding is. Om dezelfde redenen is het voldoende aannemelijk dat de ontwikkeling niet leidt tot belemmeringen voor omliggende bedrijven. Railverkeerslawaai Het geluidaandachtsgebied voor een spoorweg bestrijkt een zone van maximaal 100 meter aan weerszijden van het spoor. Het plangebied ligt op een veel grotere afstand van spoorwegen, zodat hiervan geen belemmeringen uitgaan voor dit initiatief. Verkeerslawaai De planlocatie bevindt zich binnen de geluidaandachtsgebieden van de Keurhorsterweg en Kasselderstraat.
Voor een ontwikkeling binnen een geluidaandachtsgebied van een weg moet akoestisch onderzoek aantonen dat het verkeerslawaai op de gevel van de woning kan voldoen aan de standaardwaarden uit het Bkl. Voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen binnen een zone gelden volgens het Bkl standaardwaarden van 50 dB voor rijks- en provinciale wegen en 53 dB voor gemeentewegen. De Keurhorsterweg en Kasselderstraat zijn gemeentewegen waarvoor de standaardwaarde van 53 dB geldt. Zoals blijkt uit de informatie op de Atlas Leefomgeving (zie figuur 14) gaat het bij de Kasselderstraat om een rustige weg met een beperkte geluidbelasting op de omgeving. De Keurhorsterweg is duidelijk een drukkere weg, wat zich vertaalt in indicatieve geluidcontouren die zich veel verder uitstrekken dan bij de Kasselderstraat het geval is. Om die reden heeft Sain Milieuadvies de geluidsbelasting door wegverkeerslawaai berekend. Daaruit volgt dat ter plaatse van de beoogde woning ruimschoots kan worden voldaan aan de voor deze weg geldende standaardwaarde van 53 dB. Het woon- en leefklimaat is
39
daarmee aanvaardbaar te achten. Het volledige rapport is te raadplegen in bijlage 8 (Geluidbelasting door wegverkeerslawaai, Keurhosterweg 3 3-a Sinderen, met kenmerk 2023-3051-0-b4976/2479 en datum 25 november 2025)
Figuur 14: indicatieve geluidbelasting langs wegen (bron: Atlas Leefomgeving)
Industrielawaai De planlocatie bevindt zich buiten het aandachtsgebied van een industrieterrein. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.5 Luchtkwaliteit Bij het aspect luchtkwaliteit moet worden beoordeeld of een initiatief bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit en of ter plaatse van een initiatief de luchtkwaliteit aanvaardbaar is. Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden bijvoorbeeld zogeheten omgevingswaarden voor o.a. de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate
40
bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het initiatief binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een initiatief binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden luchtkwaliteit (zoals de gemeente Oude IJsselstreek) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten.
Echter, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient de lokale luchtkwaliteit onderzocht te worden, zodat onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Hiervoor dient het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van de rijksoverheid geraadpleegd te worden (https://www.cimlk.nl/kaart.). Het CIMLK geeft meer inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) op lokaal niveau tussen 2022 en 2030. Toetsing De gemeente Oude IJsselstreek ligt buiten de aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit, zodat het aspect luchtkwaliteit in beginsel slechts marginaal hoeft te worden getoetst. Er is immers geen sprake van de aanleg van auto(snel)wegen of tunnelbuistrajecten. Duidelijk is op dat op en rondom de planlocatie geen sprake is van feitelijke of dreigende overschrijding van grenswaarden. Zo blijkt uit het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit dat langs het dichtstbijzijnde meetpunt uit het CIMLK (bij de Aaltenseweg) sprake is van een jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) van 11,29 microgram/m3 (monitoringsronde 2024), terwijl voor deze parameter een omgevingswaarde van 40 microgram/m3 geldt.
Voor fijn stof (PM10) is hier sprake van een jaargemiddelde concentratie van 17,98 microgram/m3, terwijl ook voor deze parameter een omgevingswaarde van 40 microgram/m3 geldt. Hierbij moet worden aangetekend dat de Aaltenseweg een veel drukkere weg is dan de Keurhorsterweg, zodat de waarden langs de Keurhorsterweg lager zullen uitvallen dan hierboven aangegeven. Dat betekent dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de herbouwplek van de bedrijfswoning niet in het geding is. De ontwikkeling resulteert niet in extra verkeer van en naar de locatie, omdat het aantal woningen niet toeneemt en ook het bedrijf als zodanig in de beoogde situatie geen toename in verkeersgeneratie heeft ten opzichte van de bestaande situatie. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.6 Geur De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het plangebied zijn toegestaan. In het omgevingsplan moet daarom rekening 41
worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen optreedt. Wettelijk kader In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn instructieregels opgenomen (paragraaf 5.1.4.6 Bkl), op grond waarvan in het omgevingsplan regels moeten worden opgenomen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau binnen het plangebied aanvaardbaar is. In deze instructieregel zijn voor dat doel aanwijzingen opgenomen waaraan de regels voor waterzuiveringsinstallaties en het houden van landbouwhuisdieren moeten voldoen. Voor het overige is het aan de gemeente gelaten of en welke aanvullende regels nodig zijn om de geurbelasting door overige activiteiten in het plangebied aanvaardbaar te laten zijn. Tot het moment waarop deze regels zijn opgenomen in het permanente omgevingsplan van de gemeente Oude IJsselstreek, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.6 van het tijdelijke omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek, welke gelden voor de volgende activiteiten: •
geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf;
•
geur door het houden van fokteven van nertsen;
•
geur door andere agrarische activiteiten, zoals het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval;
•
geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken.
Toetsing In de directe omgeving van de plek van herbouw van de bedrijfswoning bevinden zich meerdere agrarische bedrijven: •
een melkrundveehouderij op de locatie Keurhorsterweg 1 op een afstand van 270 meter;
•
een akkerbouwbedrijf op de locatie Keurhorsterweg 8 op een afstand van 250 meter;
•
een akkerbouwbedrijf (varkenshouderij is beëindigd) op de locatie Kasselderstraat 2 op een afstand van 250 meter;
•
een bedrijf voor het houden van vrouwelijk jongvee op de locatie Keurhorsterweg 4 op een afstand van 430 meter.
Voor bovenstaande agrarische bedrijven geldt in beginsel een minimumafstand van 50 meter. Voor grotere mestbassins geldt daarnaast een minimumafstand van 100 meter. Aan die minimumafstanden wordt ruimschoots voldaan, zodat het woon- en leefklimaat niet in het geding is en deze agrarische bedrijven niet worden belemmerd in hun mogelijkheden. Overige veehouderijen bevinden zich op een afstand van meer dan 500 meter van de plek van herbouw van de bedrijfswoning, waarbij gezien de aard en omvang van deze veehouderijen het aspect geur geen belemmeringen oplevert voor deze ontwikkeling. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.7 Milieubelastende activiteiten Bij een wijziging van het omgevingsplan kan sprake zijn van het toestaan van milieubelastende activiteiten. In dat geval moet een afweging plaatsvinden over de omgevingskwaliteit.
42
Wettelijk kader Onder de Omgevingswet is het begrip ‘inrichting’ verdwenen en heeft het begrip ‘milieubelastende activiteit’ zijn intrede gedaan. Het begrip ‘milieubelastende activiteit’ (hierna: mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”. Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten). Het is een breed begrip want er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip. In dit gedeelte worden regels over mba’s bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan wordt opgenomen. Deze afdeling 2.3 is getiteld ‘Milieubelastende activiteiten’ en bevat gemeentelijke regels over mba’s. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De Bkl-regels spreken daarbij van ‘activiteiten’.
Uit de Nota van Toelichting van het Bkl blijkt dat daarmee mba’s worden bedoeld. Toetsing Bij deze ontwikkeling is feitelijk alleen sprake van herbouw van een bedrijfswoning, een hiermee samenhangende oppervlakte neutrale wijziging van het bestemmingsvlak en het vergroten van het maximum bebouwd oppervlak op de locatie. Dit leidt echter niet tot een zodanige intensivering van het bedrijf dat de milieucontouren hierdoor worden vergroot. Daarbij is het zo dat de afstand ten opzichte van omliggende woningen meer dan 100 meter bedraagt, terwijl voor een garagebedrijf op grond van de oude VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ (editie 2009) een richtafstand van 30 meter gold, terwijl op grond van de nieuwe VNG-handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ (editie 2024) in beginsel op een afstand van 50 meter rondom het bedrijf moet worden voldaan aan de standaardwaarden voor geluid en geur. In verband daarmee kan de ontwikkeling toelaatbaar worden geacht. Conclusie De milieubelastende activiteiten vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Aan de milieueffecten van die milieubelastende activiteiten worden regels gesteld in het omgevingsplan van rechtswege en het Besluit activiteiten leefomgeving.
4.8 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico (de aandachtsgebieden). Wettelijk kader De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en het groepsrisico (de aandachtsgebieden). Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);
43
Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar (Kaarten | Atlas Leefomgeving). In het plan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt in ieder geval aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor een aanvullende onderbouwing en eventueel extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een plan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het plan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebied gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Toetsing Op de planlocatie worden een beperkt kwetsbaar objecten in de vorm van een bedrijfswoning mogelijk gemaakt. Het betreft de herbouw van een bestaande bedrijfswoning, zodat het aantal woningen op de locatie per saldo niet toeneemt. In de omgeving zijn volgens de risicokaart (zie figuur 17) geen risicobronnen aanwezig, waarvan de risicocontouren of de aandachtsgebieden over de beoogde plek van herbouw van de bedrijfswoning liggen. Dat betekent dat risicovolle inrichtingen, basisnetroutes en buisleidingen op voldoende afstand van de planlocatie liggen en geen belemmeringen opwerpen voor de beoogde woningbouw. De enige relevante risicobron in de omgeving van de planlocatie is een op circa 130 meter
44
van de beoogde plek van herbouw van de bedrijfswoning gelegen DPO-leiding. Dit betreft een niet meer in gebruik zijnde pijpleiding van Defensie, die bedoeld was voor het vervoer van kerosine naar militaire vliegvelden. Voor deze DPO-leiding gelden geen in het kader van omgevingsveiligheid in acht te nemen afstanden. Figuur 15: kaartuitsnede risicokaart met planlocatie blauw omcirkeld (bron: atlasleefomgeving.nl)
Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.9 Water Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en worden sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben. Ook veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Het waterschap wil vroegtijdig meedenken over plannen en ontwikkelingen om samen met de gemeente en andere partners te zoeken naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving. Wettelijk kader Waterschap Rijn en IJssel: Waterbeheerprogramma 2022-2027 In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 zijn de doelen van het Waterschap Rijn en IJssel weergegeven in vier thema’s: • Klimaatrobuust gebied Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig in te vullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. • Veilig gebied Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst.
De ambitie van het waterschap is dat in 2050 de keringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar op ontwikkelingen kan worden ingespeeld. Daarbij is er aandacht voor een duurzame wijze van beheer en behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. • Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil in het uitvoeren van haar primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil het waterschap in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin ze haar taken klimaatneutraal uitvoert. • Gezonde leefomgeving Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Er wordt naar gestreefd dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico’s oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert. Waterschap Rijn en IJssel: Waterschapsverordening
45
In de Waterschapsverordening staan regels voor waterkeringen, watergangen en grondwater binnen het beheergebied van een waterschap. Zo staan er bijvoorbeeld regels in over water onttrekken, water lozen en andere activiteiten. Deze regels gelden voor iedereen. Soms is niet alleen de beek of dijk zelf beschermd, maar ook een strook grond erlangs. Ook deze zones staan aangegeven in de Waterschapsverordening. Per 1 januari 2024 zijn ook sommige rijksregels over lozingen vervallen. Deze regels van het rijk zijn nu in de Waterschapsverordening opgenomen. Het gaat bijvoorbeeld om lozingen op een oppervlaktewater van een waterschap of zuiveringtechnisch werk van een waterschap. Waterschap Rijn en IJssel: weging waterbelang De weging van het waterbelang is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. Het heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. De weging heeft betrekking op alle wateren en alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik en de functie van het projectgebied en de directe omgeving van het gebied, bijvoorbeeld veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit.
Met behulp van de weging van het waterbelang kan eenvoudig worden bepaald welke wateraspecten van belang zijn. Naarmate er een groter waterbelang is, zal een uitgebreidere procedure van de weging van het waterbelang moeten worden doorlopen. We maken onderscheid in de volgende drie resultaten van de weging van het waterbelang: 1. Plan raakt geen wateraspecten: geen wateradvies van het waterschap nodig. 2. Korte procedure: het plan past binnen de uitgangspunten van het waterschap. De initiatiefnemer of gemeente ontvangt van het waterschap een standaardwaterparagraaf, en werkt de voor het plan relevante wateraspecten uit. De waterparagraaf wordt vervolgens door het waterschap van een wateradvies voorzien. 3. Normale procedure: er zijn grote of meerdere wateraspecten van belang. De initiatiefnemer overlegt met het waterschap om tot maatwerk te komen. De initiatiefnemer brengt opties in beeld en onderbouwt keuzes m.b.t. de waterhuishouding. Gemeente: Water- en Rioleringsprogramma 2024-2028 In de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet waren gemeenten verplicht een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) op te stellen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, op 1 januari 2024, vervalt de verplichting voor het opstellen van een GRP.
Wel blijven gemeenten verplicht invulling te geven aan hun gemeentelijke watertaken en het onderbouwen van de benodigde rioolheffing. Om aan deze verplichting te voldoen, heeft de gemeente Oude IJsselstreek ervoor gekozen om een Wateren Rioleringsprogramma (WRP) op te stellen. Dit programma beschrijft hoe de gemeente omgaat met haar wettelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Daarnaast bevat dit programma: 1. een overzicht van de in de gemeente aanwezige voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater en het tijdstip waarop die voorzieningen naar verwachting aan vervanging toe zijn; 2. een overzicht van de aan te leggen of te vervangen voorzieningen als bedoeld onder 1; 3. een overzicht van de financiële gevolgen van het programma; 4. een overzicht van de wijze waarop de voorzieningen worden of zullen worden beheerd; de gevolgen voor het milieu van de aanwezige voorzieningen en van de in het plan aangekondigde activiteiten. Toetsing 46
Uit het doorlopen van de online vragenlijst op hetwateradvies.nl komt naar voren dat de ontwikkeling geen waterschapsbelangen raakt, waarvoor nader advies met worden ingewonnen. In dit verband kan nog wel het volgende worden opgemerkt: •
De beoogde woning zal voor het vuilwater worden aangesloten op de gemeentelijke riolering. Het hemelwater zal op eigen erf worden geïnfiltreerd. Hiervoor is voldoende ruimte beschikbaar zodat er geen sprake is van afwenteling van hemelwater richting belendende percelen. Daarbij is er tussen het bestaande perceel, waarop de bestaande en te behouden bedrijfswoning is gelegen, en het nieuwe perceel, waarop de nieuwe bedrijfswoning wordt gerealiseerd, een bestaande sloot met een lengte van circa 60 meter aanwezig. In principe wordt uitgegaan van het infiltreren van afkomend hemelwater direct in de bodem, echter zal deze sloot ook gebruikt kunnen worden om regenwater in te bergen. De gemeentelijke eis betreft dat 10 % van het verharde oppervlakte beschikbaar moet zijn voor waterberging. Uitgaan van een verhard oppervlakte van maximaal 400 m² (woning, bijgebouw en (half) verharding) dient er te worden voorzien in 40 m³ waterberging. Het eigen perceel, door water te infiltreren in eigen bodem rondom de verhardingen, en de naastliggende sloot, bieden hiervoor voldoende ruimte.