CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

Buitengebied, locatie Rabelingstraat 11, Silvolde_Toelichting.pdf

Raadsvergadering 4 juli 2024, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 14: Bestemmingsplan buitengebied, locatie Rabelingstraat 11 Silvolde13.753 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), worden aangemerkt als ‘gemend gebied’. Bij ‘gemengde gebieden’ moet gedacht worden aan: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.” De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied.

Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

23

“Buitengebied, locatie Rabelingstraat 11, Silvolde” Vastgesteld Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Silvolde, waar hoofdzakelijk woningen en woonerven aanwezig zijn. Het gebied kan daarom worden aangemerkt met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

4.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie plangebied

4.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

4.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De ontwikkeling behelst het aanleggen van een woning. Woonfuncties zijn geen milieubelastende functie en zijn daarom niet van negatieve invloed op het woon- en leefklimaat van omliggende milieugevoelige functies.

4.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie(s) binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. De functie wonen is aan te merken als milieugevoelige functie. In de nabijheid van het plangebied zijn een bedrijfsfunctie en enkele grondgebonden agrarische bedrijven aanwezig. De bedrijfsfunctie, gelegen aan de Rabelingstraat 9, kent een maximale richtafstand van 30 meter. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. Het dichtstbijzijnde grondgebonden agrarische bedrijf ligt op circa 200 meter afstand. Voor grondgebonden agrarische bedrijven geldt veelal de hoogste richtafstand voor het aspect ‘geur’. Hier wordt in paragraaf 5.6 nader op ingegaan. Aan de richtafstand van de overige aspecten wordt ruimschoots voldaan. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet zorgt voor een belemmering in de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven en ter plaatse van de nieuw te realiseren woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

24

“Buitengebied, locatie Rabelingstraat 11, Silvolde” Vastgesteld 4.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.6

Geur

4.6.1

Algemeen

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •

ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. Op grond van het bepaalde in artikel 1 van de Wgv is een geurgevoelig object als volgt gedefinieerd: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

4.6.2

Situatie plangebied

Zoals in paragraaf 5.5 ‘milieuzonering’ is aangegeven, bevinden zich nabij het plangebied een aantal veehouderijen. Dit betreffen grondgebonden veehouderijen, waarvan (planologisch toegestaan) de dichtstbijzijnde zich op circa 200 meter afstand bevindt. Hierbij wordt voldaan aan de richtafstand van 50 meter uit de Wgv. Het aspect geur vormt geen belemmering voor dit plan.

4.7

Ecologie

4.7.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

“Buitengebied, locatie Rabelingstraat 11, Silvolde” Vastgesteld 4.7.2

Gebiedsbescherming

4.7.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het plangebied ligt op circa 8,7 kilometer van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘NSG Hetter-Millinger Bruch, mit Erweiterung’. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder in de vorm van geluid, verstrooiing van licht etc. niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen is door BJZ.nu een zogenaamde AERIUS berekening uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 2 van deze toelichting. Hieronder wordt nader ingegaan op de belangrijkste resultaten en conclusies van deze berekening. AERIUS berekening Uit de AERIUS-berekening is gebleken dat zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden.

De ontwikkeling is in het kader van de Wet Natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie, niet vergunningplichtig. 4.7.2.3 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), in Gelderland het GNN genoemd, is de kern van het Nederlands natuurbeleid. In of in de directe nabijheid van het GNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. De voorgenomen ontwikkeling vindt niet plaats binnen het GNN. De ontwikkeling vindt daarnaast plaats op een bestaand woonperceel. Er kan dan ook worden geconcludeerd dat de voorliggende ontwikkeling niet gepaard zal gaan met aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het GNN.

4.7.3

Soortenbescherming

Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. In voorliggend geval is door Ecochore Natuurtechniek een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd in verband met het slopen van de stallen op het perceel. Voor de volledige quickscan wordt verwezen naar bijlage 3 bij deze toelichting. Hierna wordt kort ingegaan op de belangrijkste resultaten. Ondanks dat verblijfplaatsen van vleermuizen in de woning niet zijn uit te sluiten, zullen de geplande werkzaamheden niet resulteren in het verdwijnen of ongeschikt raken van verblijfplaatsen van vleermuizen. In de te slopen schuur zijn verblijfplaatsen van vleermuizen uit te sluiten. Daarnaast zullen de werkzaamheden geen ingrijpende effecten hebben op de foerageerfunctionaliteit of (groene lijnvormige) vlieggeleiding. Het erf grenst niet aan houtopstanden als laanbomen, struwelen of bossen waardoor essentiële functies voor vleermuizen niet aanwezig zullen zijn.

Vleermuizen zijn in beginsel weinig gevoelig voor verstoring door geluiden. Wel kunnen trillingen en een toename van verlichting een verstorend effect hebben. Alleen de woning heeft potenties voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Doordat hier geen werkzaamheden zijn gepland, is een afweging ten aanzien van trillingen niet noodzakelijk. Wel dient in het zomerhalfjaar (apriloktober) zorgvuldig te worden omgegaan met verlichting. Verlichting heeft een storend effect op vleermuizen, hoewel dit per soort sterk verschilt. Enkele individuen zullen rondom lichtbronnen foerageren op insecten, de meeste individuen zullen echter lichtbronnen zoveel mogelijk mijden. Hierdoor is het van belang dat tijdens en na de sloop en nieuwbouw een toename van (strooi)licht op de woning dient te worden voorkomen. Dit BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

“Buitengebied, locatie Rabelingstraat 11, Silvolde” Vastgesteld voorkomt dat eventuele verblijfplaatsen in de woning minder geschikt raken. Indien er geen sprake is van een significante toename van verlichting, is geen nadere afweging noodzakelijk. De werkzaamheden zullen niet resulteren in het verminderen of aantasten van verblijfplaatsen en/of foerageergebied van eventuele vleermuizen. Nader onderzoek naar vleermuizen is hierdoor niet noodzakelijk mits een significante toename van verlichting wordt voorkomen. Uit de quickscan is gebleken dat er geen nader onderzoek naar beschermde soorten of ontheffing noodzakelijk is. Wel dient tijdens de werkzaamheden verstoring van broedende vogels tijdens het broedseizoen te worden voorkomen. Bij uitvoering van de werkzaamheden binnen het broedseizoen is afstemming met een ecoloog noodzakelijk om de situatie te beoordelen.

4.7.4

Conclusie

Ten aanzien van gebiedsbescherming wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden en dat er geen sprake zal zijn van een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN. Ten aanzien van soortenbescherming wordt geconcludeerd dat er geen nader onderzoek of ontheffing noodzakelijk is. Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.8

Archeologie & Cultuurhistorie

4.8.1

Archeologie

4.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

4.8.1.2 Situatie plangebied De gemeente Oude IJsselstreek heeft haar archeologisch beleid doorvertaald door middel van dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan. Ter plaatse van het plangebied geldt voor een zeer klein gedeelte de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 1’. Ter plaatse van de dubbelbestemming vinden echter geen grootschalige bodemingrepen plaats. Een archeologisch onderzoek kan dan ook achterwege blijven. Wel blijft de meldingsplicht bij archeologische toevalsvondsten (Erfgoedwet art. 5.10) gelden.

4.8.2

Cultuurhistorie

4.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

“Buitengebied, locatie Rabelingstraat 11, Silvolde” Vastgesteld 4.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich binnen het plangebied geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden. De voorliggende ontwikkeling leidt dan ook niet tot een aantasting van cultuurhistorische waarden.

4.8.3

Conclusie

Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is in het kader van het voorliggende plan niet noodzakelijk. Daarnaast is er geen sprake van aanwezige cultuurhistorische waarden binnen het plangebied. De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.9

Besluit milieueffectrapportage

4.9.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: ▪

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.

▪

Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).

▪

Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere bestemmings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd.

4.9.2

Situatie plangebied

4.9.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘NSG Hetter-Millinger Bruch, mit Erweiterung’ bevindt zich op circa 8,7 kilometer afstand van het plangebied. Zoals in paragraaf 5.7.2.2 en bijlage 2 (stikstofberekening) van deze toelichting is beschreven is er geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Het

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

“Buitengebied, locatie Rabelingstraat 11, Silvolde” Vastgesteld voornemen is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningplichtig.

4.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Het realiseren van woningen is niet als activiteit opgenomen in de C-lijst van het Besluit MER. In de D-lijst de volgende activiteit opgenomen: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ (D 11.2). Binnen deze activiteit is sprake van een m.e.r-beoordelingsplicht indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. 2. 3.

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

Indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit de D-lijst kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit aangezien deze pas geldt bij 2.000 woningen of meer. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Indien hierbij de drempelwaarden uit de D-lijst voor deze activiteit (o.a. 2.000 woningen of meer) wordt vergeleken met de omvang van voorliggende ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele male kleinschaliger is. Er is dan ook geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk aan bod gekomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken.

4.9.3

Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan. Verder heeft er op kortere afstand tot Natura 2000-gebied een project van grotere omvang plaatsgevonden, namelijk het bestemmingsplan “Buitengebied, locatie Rabelingstraat 13, Silvolde”, waarbij uit de m.e.r.-aanmeldnotitie geen negatieve milieugevolgen zijn gebleken.

4.10

Kabels en leidingen

Binnen het plangebied liggen geen planologisch relevante kabels en leidingen. Met een zogenaamde klicmelding kan alle kabel- en leidinginformatie worden opgevraagd, zodat graafschade en gevaarlijke situaties worden voorkomen. Eventuele kabels en leidingen vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.11

Verkeer & parkeren

4.11.1 Algemeen Bij nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat. In dit geval wordt voor wat betreft de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie aangesloten bij de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren (december 2018)’ van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ opgesteld. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Overigens wordt opgemerkt

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

“Buitengebied, locatie Rabelingstraat 11, Silvolde” Vastgesteld dat bij iedere functie, in de CROW-publicatie, een maximum en minimum wordt genoemd. Dit is de bandbreedte. In voorliggend geval wordt van het gemiddelde uitgegaan. Ten aanzien van voorliggend plan worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: ▪ ▪ ▪

Stedelijkheidsgraad: weinig stedelijk (Bron: CBS Statline, gemeente Oude IJsselstreek); Stedelijke zone: buitengebied; Functie: koop, huis, vrijstaand

4.11.2 Parkeren Uitgaande van de bovenstaande uitgangspunten wordt de parkeerbehoefte als volgt berekend: Functie Koop, huis, vrijstaand Totaal

Parkeernorm per woning 2,4

Aantal woningen 1

Parkeerbehoefte 2,4 2,4 (afgerond: 3)

Het omliggende perceel is van ruimvoldoende omvang om te kunnen voorzien in de parkeerbehoefte van 3 parkeerplaatsen.

4.11.3 Verkeer Uitgaande van de eerder genoemde uitgangspunten wordt de verkeersgeneratie als volgt berekend: Functie Koop, huis, vrijstaand Totaal

Verkeersbewegingen per woning 8,2

Aantal woningen

Verkeersgeneratie

1

8,2 8,2 (afgerond: 9)

De verkeersgeneratie bedraagt in voorliggend geval afgerond 9 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. De verkeersbewegingen worden in voorliggend geval afgewikkeld via de Rabelingstraat. Deze weg is van ruim voldoende omvang om de deze geringe toename in verkeersbewegingen veilig en eenvoudig af te wikkelen.

4.11.4 Conclusie Er wordt geconcludeerd dat er vanuit verkeerskundig oogpunt geen belemmering zijn voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

“Buitengebied, locatie Rabelingstraat 11, Silvolde” Vastgesteld

4.12

Water

4.12.1 Beleid

4.12.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Voornamelijk de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

4.12.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Water Programma 20222027 (vastgesteld 18 maart 2022). Dit document geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Het belangrijkste uitgangspunt is het werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). In relatie tot de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt de doorwerking geregeld in de Omgevingswet.

4.12.1.3 Provinciaal beleid De Omgevingsvisie Gelderland is mede kader voor de wijze waarop omgegaan wordt met water in het plangebied. Het waterplan is beschreven aan de hand van een aantal thema’s zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Hierbij is rekening gehouden met de Europese kaderrichtlijn water en het beleid.

4.12.1.4 Waterschap Rijn en IJssel Het waterschap Rijn en IJssel zorgt voor het water in de omgeving. Vanuit het leidend principe ‘Water en mens in hun element’ draagt het waterschap bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht en is continu in beweging. Dat doet het waterschap door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en te zorgen voor stevige dijken. Als belangrijkste speerpunt voor de periode 2022-2027 ziet het waterschap de opgave om zijn gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor werkt het waterschap toe naar een andere balans van vasthouden-bergenafvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering. In het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft het waterschap zijn doelen en werkzaamheden weergegeven in vier thema’s. 

Klimaatrobuust gebied: Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer.

Veilig gebied: Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Onze ambitie is dat in 2050 de waterkeringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat we daarbij wendbaar BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

“Buitengebied, locatie Rabelingstraat 11, Silvolde” Vastgesteld inspelen op ontwikkelingen. We voeren ons beheer op een duurzame wijze uit en werken aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. 

Circulaire Economie en Energietransitie: Het waterschap wil in het uitvoeren van zijn primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij willen we in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin we onze taken klimaatneutraal uitvoeren.

Gezonde leefomgeving: Als waterschap zorgen we voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Wij streven ernaar dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico’s oplevert voor de volksgezondheid. Ons doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert.

4.12.2 Waterparagraaf

4.12.2.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

4.12.2.2 Watertoetsproces Het waterschap Rijn en IJssel is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde ‘korte procedure' van de watertoets wordt toegepast. De uitkomst van de watertoets is opgenomen in bijlage 4 van deze toelichting. Het plan raakt hiermee geen waterschapsbelangen. Het waterschap geeft een positief advies met betrekking tot de ontwikkeling.

4.12.2.3 Waterhuishoudkundige aspecten In voorliggend plan vindt een forse afname van het verhard oppervlak plaats. De 1.048 m² aan opstallen die worden gesloopt maken plaats voor een enerlodge. Door de toename aan onbebouwd oppervlak kan hemelwater makkelijk ter plaatse in de bodem geïnfiltreerd worden, wat leidt tot een ontlasting van het omliggende watersysteem. Het afvalwater wordt afgevoerd naar de gemeentelijke riolering.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

“Buitengebied, locatie Rabelingstraat 11, Silvolde” Vastgesteld

HOOFDSTUK 5 5.1

JURIDISCHE PLANOPZET

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

5.2

Opzet van de regels

5.2.1

Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.

5.2.2

Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten); Bestemmingsregels; Algemene regels (o.a. afwijkingsregels); Overgangs- en slotregels.

Algemene regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •

Begrippen (Artikel 1)

In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. •

Wijze van meten (Artikel 2)

Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. De op de verbeelding of in de regels aangegeven bouwhoogte wordt gemeten vanaf peil tot het hoogste punt (exclusief elementen zoals een schoorsteen, liftopbouw en dergelijke).

5.2.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: •

Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

“Buitengebied, locatie Rabelingstraat 11, Silvolde” Vastgesteld • •

5.2.4

Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.); Specifieke gebruiksregels: omschrijving van gebruiksactiviteiten die niet zijn toegestaan.

Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •

• • •

• •

5.2.5

Anti-dubbeltelregel (Artikel 5): Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene bouwregels (Artikel 6): In dit artikel zijn regels opgenomen omtrent bestaande bebouwing en ondergronds bouwen. Algemene gebruiksregels (Artikel 7): In dit artikel is opgenomen wat in dit bestemmingsplan als strijdig gebruik wordt gezien. Daarnaast zijn in dit artikel de regels omtrent parkeren opgenomen. Algemene afwijkingsregels (Artikel 8): In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Algemene wijzigingsregels (Artikel 9): In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om het bestemmingsplan op ondergeschikte punten te wijzigen. Overige regels (Artikel 10): In dit artikel is een bepaling omtrent voorrangsregels opgenomen.

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

5.3

Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Wonen (Artikel 3) De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, uitsluitend in de vorm van vrijstaande woningen. De bestemmingsregels zijn gewijzigd met dien verstande dat er binnen het bouwvlak twee woningen zijn toegestaan. Ter plaatse van de woonbestemming is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Hiermee wordt de sloopopgave en de landschappelijke inpassing juridisch geborgd. Waarde – Archeologische verwachting 1 (Artikel 4) In deze dubbelbestemming zijn regels omtrent archeologie opgenomen.

Deze dubbelbestemming is conform het geldende bestemmingsplan overgenomen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

“Buitengebied, locatie Rabelingstraat 11, Silvolde” Vastgesteld

HOOFDSTUK 6 6.1

UITVOERBAARHEID VAN HET PLAN

Economische uitvoerbaarheid

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald conform artikel 5 van de ministeriële regeling. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Ten behoeve van deze ontwikkeling is een planschadeovereenkomst (anterieure overeenkomst) met de initiatiefnemer gesloten. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Vooroverleg

6.2.1.1 Het Rijk In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

6.2.1.2 Provincie Gelderland Het plan is in kader van vooroverleg naar de Provincie Gelderland toegezonden. De Provincie heeft aangegeven dat er geen provinciale belangen in het geding zijn.

6.2.1.3 Waterschap Rijn en IJssel Het waterschap is geïnformeerd over het voornemen middels de digitale watertoets. Uit de watertoets blijkt dat de ‘korte procedure’ van toepassing is. In het kader van de voorliggende ontwikkeling worden er geen waterschapsbelangen geraakt. Nader vooroverleg met het waterschap is dan ook niet noodzakelijk.

6.2.2

Inspraak

Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In voorliggend geval wordt geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.

6.2.3

Zienswijzen

Het plan heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens de inzagetermijn zijn er geen zienswijzen ingediend. Het plan is daardoor ongewijzigd vastgesteld, met dien verstande dat het bestaande bouwvlak gesplitst is zodat elke woning een eigen bouwvlak heeft.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

“Buitengebied, locatie Rabelingstraat 11, Silvolde” Vastgesteld

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING Bijlage 1

Bodemonderzoek

Bijlage 2

AERIUS berekening

Bijlage 3

Quickscan ecologie

Bijlage 4

Watertoets

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/4746/documents/29563