CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

BP 'Kom Varsseveld, supermarkt Boterstraat' 20220511.pdf

Raadsvergadering 30 juni 2022, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 7: Bestemmingsplan Kom Varsseveld, supermarkt Boterstraat22.734 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Hoofdstuk 4

27

beoordeeld, indien er sprake is van geluidgevoelige bestemmingen ter plaatse van of nabij de ontwikkeling. 4.3.1 Onderzoek Met dit initiatief wordt de realisatie van een supermarkt ter plaatse van de voormalige zuivelfabriek te Varsseveld mogelijk gemaakt. Een supermarkt kan niet gezien worden als een geluidsgevoelige functie op basis van de Wet geluidhinder. Om deze reden is wegverkeerslawaai niet relevant voor dit initiatief. Het geluid naar de omgeving dat wordt gevormd door de gewenste supermarkt is behandeld in paragraaf 4.4 ‘Bedrijven en milieuzonering’. 4.3.2 Conclusie Vanuit het aspect geluid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde functiewijziging.

4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 2. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs 2

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 4

28

stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.4.2 Onderzoek Omgevingstype Het beoogde perceel wordt getransformeerd van ‘bedrijf’ naar ‘detailhandel’ en ‘verkeerverblijfsgebied’. Omdat er in de directe omgeving van het plangebied woningen, detailhandel en centrumbestemmingen gelegen zijn is er sprake van een gemengd gebied. In gemengd gebied bedraagt de richtafstand voor detailhandel 0 meter. In beginsel wordt daarmee altijd aan de richtafstand voldaan. In de praktijk is het echter niet uitgesloten dat omwonenden desondanks overlast kunnen ondervinden. Daarom is door Econsultancy alsnog een akoestisch onderzoek uitgevoerd, welke is opgenomen in bijlage 9. Hieronder wordt ingegaan op de resultaten van dit onderzoek. Akoestisch onderzoek industrielawaai Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als gevolg van de te realiseren supermarkt voldoet zowel aan de richtwaarde uit de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) als de grenswaarde uit het Activiteitenbesluit. In de dagperiode treedt ter plaatse van nieuw te realiseren woningen ten noorden van de supermarkt een overschrijding van de richt- en grenswaarde voor het maximale geluidniveau op. Deze overschrijding is het gevolg van de remontluchting van bevoorradende vrachtwagens.

Bij toepassing van stap 3 uit de VNG-publicatie wordt deze bron niet in de toetsing inbegrepen en treedt daarom niet langer een overschrijding op. Het Activiteitenbesluit sluit maximale geluidniveaus als gevolg van laden en lossen in de dagperiode uit van toetsing. Daarom wordt ook aan de grenswaarde uit het Activiteitenbesluit voldaan. In de avondperiode treedt ter plaatse van 1 nieuw te realiseren woning een overschrijding van de richt- en grenswaarde voor het maximale geluidniveau op als gevolg van het sluiten van een autoportier. Aan de richtwaarde uit de VNG-publicatie wordt wel voldaan. Met betrekking tot het Activiteitenbesluit wordt gerelateerd aan de grenswaarde voor het maximale geluidniveau in- en aanpandige woningen. In combinatie met de minimale eisen uit het Bouwbesluit wordt ook aan deze grenswaarde voldaan. De overschrijding kan daarom middels een maatwerkvoorschrift worden toegestaan. De geluidsbelasting als gevolg van de verkeersaantrekkende werking (indirecte hinder) is ter plaatse van woningen gelegen aan de nieuw te realiseren toegangsweg tussen Zuivelstraat en Eikenlaan hoger dan de grenswaarde van 50 dB(A). In combinatie met de minimale eisen uit het Bouwbesluit voldoet het geluidsniveau in de woning aan de grenswaarde.

4.4.3 Conclusie De aspecten ‘bedrijven en milieuzonering’ en ‘industrielawaai’ zorgen niet voor belemmeringen, mits voor de woning ten noorden van de supermarkt een maatwerkvoorschrift wordt vastgelegd.

Hoofdstuk 4

29

4.5 Verkeer en parkeren 4.5.1 Toetsingskader Het opstellen van parkeerbeleid is een autonome taak van gemeenten. Parkeerbeleid is van belang in verband met de verbetering van de bereikbaarheid en leefbaarheid in woonwijken, bedrijventerreinen en (winkel)centra. Andersom is het ook een onderwerp van ruimtelijke inrichting/locatiebeleid. Door het juiste bedrijf of kantoor op de juiste plaats te vestigen, kunnen onnodige verkeersbewegingen, toenemende verkeersonveiligheid en problemen met parkeerruimte worden voorkomen. Via parkeerbeleid kan de gemeente de verdeling van de schaarse parkeerruimte reguleren en overlast voorkomen. Het gemeentelijke beleidskader parkeren is in november 2008 vastgesteld door de Raad van de gemeente Oude IJsselstreek. Uitgangspunt van dit parkeerbeleid is dat er voldoende parkeergelegenheid is, zodat de hinder als gevolg van zoekgedrag en/of foutief geparkeerde auto’s wordt voorkomen. Bij de toepassing van de landelijke parkeerkencijfers van het CROW wordt uitgegaan van de bovengrens: dat is de gemeentelijke parkeernorm. De CROW-stedelijkheidscategorie van Oude IJsselstreek is ‘weinig stedelijk’ (kernen Ulft, Gendringen, Terborg, Silvolde en Varsseveld) en ‘niet stedelijk’ voor de overige kernen in de gemeente. In nieuwe situaties worden parkeernormen gebruikt als uitgangspunt bij de raming van de parkeerbehoefte.

De parkeernormen kennen een bandbreedte (een minimum- en een maximumnorm). Alleen wanneer aannemelijk kan worden gemaakt dat er minder parkeerplaatsen noodzakelijk zijn kan de gemeente toestaan dat van dit maximum wordt afgeweken. 4.5.2 Onderzoek Ten behoeve van onderhavig project is door Mobycon een verkeerskundig onderzoek uitgevoerd. Bovendien is er een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd naar de verkeersafwikkeling in het gebied. Beiden zijn opgenomen in bijlage 3 van onderhavig bestemmingsplan. Onderstaand wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies. Verkeersgeneratie supermarkt De verkeersgeneratie van de supermarkt wordt gebaseerd op de kencijfers voor ‘Fullservice supermarkt (middelhoog en hoog prijsniveau)’, waarbij wordt uitgaan van 1.800 m2 bruto vloeroppervlakte (bvo). Daarnaast wordt op basis van het GVVP Oude IJsselstreek 2010-2020 uitgegaan van een stedelijkheid van ‘weinig stedelijk’, gebiedstype ‘centrum’ en het maximale kencijfer. Het bijbehorende kengetal bedraag 105,1 motorvoertuigen per etmaal. Bovenstaande kengetallen resulteren in de volgende gemiddelde verkeersgeneratie in motovoertuigen per weekdagetmaal: (105,1 * 18 =) 1.892 mvt/ etmaal. Om de vermelde kencijfers om te rekenen naar gemiddelde verkeersgeneratie per werkdagetmaal, dienen deze met een factor 1,11 vermenigvuldigd te worden (bron: CROWpublicatie 317).

Dit komt neer op: 1.892 * 1,11 = 2.100 mvt/ etmaal. Verdeling verkeer over omliggende wegennet Het huidige en toekomstige verkeer van en naar de supermarkt verdeelt zich over het omliggende wegennet. Gezien de centrale ligging van de ontwikkeling, wordt aangenomen dat het

Hoofdstuk 4

30

verkeer zich evenredig over de windrichtingen verdeelt over de Karel Doormanstraat, Boterstraat en Eikenlaan. Omdat de Zuivelstraat eenrichtingsverkeer wordt vanaf de Karel Doormanstraat richting de Boterstraat, wordt daarnaast aangenomen dat al het vertrekkende verkeer zich via de Boterstraat zal afwikkelen. De huidige verkeersintensiteiten per etmaal in motorvoertuigen op de wegen rondom de ontwikkeling zijn aangeleverd door de gemeente. Deze verkeersintensiteiten zijn gebaseerd op het verkeersmodel van de gemeente en betreffen het basisjaar 2012. Om deze intensiteiten door te rekenen naar 2019, is een groeifactor van 1% per jaar op de cijfers toegepast. Tabel 4.1 geeft de resultaten weer.

Tabel 4.1: Huidige verkeersintensiteiten zonder ontwikkeling. *De intensiteiten op deze wegvlakken zijn volgens het verkeersmodel nihil

De verkeersgeneratie die de beoogde ontwikkeling genereert (zie onder ‘verkeersgeneratie supermarkt’ zijn volgens de beschreven verdeling toegedeeld en opgeteld bij de aangeleverde verkeersintensiteiten. Dit resulteert –gezamenlijk met naastgelegen woningbouwontwikkeling- in de volgende toekomstige intensiteiten, weergegeven in mvt:

Tabel 4.2: Verkeersintensiteiten met ontwikkeling

Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan geconcludeerd worden dat de intensiteiten vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid rondom de nieuw te bouwen supermarkt na de realisatie en ook in 2030 binnen de marges van de maximaal acceptabele intensiteiten blijven. Op basis van de uitgevoerde gevoeligheidsanalyse wordt geconcludeerd dat het verkeer van en naar de nieuw te bouwen supermarkt na de realisatie en ook in 2030 binnen de marges van de maximaal acceptabele intensiteiten afgewikkeld kan worden. Gezien de centrale ligging van de ontwikkeling geldt dit ook als de afwikkeling van het verkeer zich niet geheel evenredig over de wegen verdeelt. Door deze centrale ligging is de kans namelijk klein dat meer dan de helft van het verkeer zich via één weg zal afwikkelen.

Hoofdstuk 4

31

Op basis van deze conclusie kan gesteld worden dat het aspect verkeer de ontwikkeling niet in de weg staat. Laden en lossen Per dag worden 6 vrachtwagens verwacht voor de bevoorrading van de supermarkt. Aan de noordwestzijde van het pand worden de vrachtwagens gelost in een dock. Daarnaast worden per dag nog 2 bestelwagens verwacht. Het laad- en losdock wordt door een hoge muur (5 meter hoogte) gescheiden van de woonpercelen aan de noordzijde hiervan. De gebruiker van het pand geeft aan dat zij zich houden aan de richtlijnen uit het Activiteitenbesluit. Dat houdt in dat de laad- en losactiviteiten uit worden gevoerd tussen 07.00 uur ’s ochtends en 19.00 uur ’s avonds. Parkeerbehoefte Voor het berekenen van de toekomstige parkeervraag wordt uitgegaan van dezelfde uitgangspunten als benoemd onder ‘verkeersgeneratie supermarkt’. Het bijbehorende kengetal 5,1 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. Volgens deze normen zouden er bij de toekomstige supermarkt (5,1 * 18 =) 92 parkeerplaatsen gerealiseerd dienen te worden. Bij de supermarkt zijn 87 parkeerplaatsen, tegenover de supermarkt 20 parkeerplaatsen en aan de Eikenlaan 4 parkeerplaatsen in de openbare ruimte voorzien. In totaal zijn er daarmee 111 parkeerplaatsen in de openbare ruimte voorzien. De parkeervraag van de supermarkt (92 voertuigen) kan niet volledig worden bediend door het parkeerterrein bij de supermarkt.

Op de 20 voorziene parkeerplaatsen tegenover de supermarkt en de 4 voorziene parkeerplaatsen in de Eikenlaan is echter (naast de parkeervraag van 11 voertuigen vanuit de woningen), capaciteit beschikbaar om de overloop van de supermarkt (5 voertuigen) op te vangen. Lichthinder Als gevolg van onderhavige planontwikkeling zullen het aantal verkeersbewegingen in de omgeving van het plangebied toenemen. Als gevolg van de beoogde verkeersafwikkeling zullen daarom gedurende de avonduren ook auto’s via de Volharding en de Eikenlaan het plangebied verlaten. Als gevolg hiervan is eventueel lichthinder ter plaatse van de woning aan de Eikenlaan 10 –tegenover de inrit van de Volharding gelegen- een punt van aandacht. Over de lichtbundel van koplampen van auto´s is geen wet- en regelgeving aanwezig. Wel gelden er normen voor de wijze waarop koplampen moeten worden afgesteld. Deze normen beogen de bestuurder zicht te geven op de weg en zorgen ervoor dat de auto voldoende zichtbaar is voor medeweggebruikers. Over lichthinder in het algemeen is een richtlijn beschikbaar van de NSVV. Deze richtlijn is opgesteld ter voorkoming van lichthinder ter plaatse van onder andere woningen door straatverlichting, reclameverlichting, sportverlichting enz. Het gaat hierbij vooral om statische verlichtingsbronnen die continu aanwezig zijn en daardoor voor hinder kunnen zorgen.

De richtlijn gaat niet in op hinder door de lichtbundel van koplampen van auto’s. Dit betekent echter niet dat er geen hinder ondervonden kan worden van de lichtbundel van koplampen. Op basis van onderzoek kan echter niet kwantitatief worden vastgesteld of er over het algemeen geen hinder van de lichtbundel van koplampen wordt ondervonden. Er is daarom een kwalitatieve beoordeling uitgevoerd van de situatie.

Hoofdstuk 4

32

De periode van 18.00 tot de uiterste sluitingstijd van de supermarkt (22.00 uur) is hierbij vooral van belang, omdat dit de periode is waar het donker kan zijn en gebruik gemaakt zal worden van de woonkamer. In de winterperiode zal dit nog iets langer zijn, omdat het vanaf circa 17.00 uur donker is. Voor de zomerperiode is dit korter, omdat de zon dan later onder zal gaan. Er kan hierbij er vanuit gegaan worden dat er alleen sprake kan zijn van hinder wanneer de verlichtingssterkte door de koplampen hoger zal zijn dan de verlichtingssterkte die ontstaat door daglicht. Dat is het geval in de periode van 18.00 tot en met 22.00 uur. In de zomerperiode is de periode iets korter, in de waterperiode iets langer. De woning aan de Eikenlaan 10 is direct gelegen tegenover de uitrit van de Volharding. Voor deze woning gaat het dus om de auto’s die in de richting van de woning het plangebied uitrijden. Op basis van het verkeersonderzoek (zie bijlage 3) kan geconcludeerd worden dat het aantal autobewegingen dat het plangebied in deze periode verlaat beperkt is. De supermarkt zorgt tussen 19:00 en 22:00 uur in totaal voor ca. 210 motorvoertuigbewegingen 3. Dit betreft zowel arriverende als vertrekkende motorvoertuigen, dus 105 arriverende en 105 vertrekkende motorvoertuigbewegingen.

Deze bewegingen zullen evenredig over de twee ontsluitingswegen (Eikenlaan en Boterstraat) het plangebied verlaten. Tussen 19:00 uur en 22:00 uur zullen daarom in een worst-case scenario ca. 53 auto’s het plangebied via de Eikenlaan verlaten. Dat betekent dat er gemiddeld iedere 3,5 minuut een auto het plangebied uitrijdt. Gelet op deze beperkte frequentie zal de ondervonden overlast zeer beperkt zijn. De betreffende woning staat op ca. 16 meter van de nieuwe ontsluitingsweg. Raadpleging van het betreffende bouwdossier heeft uitgewezen, dat het hierbij gaat om een afstand tot het gedeelte van de woning waar zich een slaapkamer bevindt. De woonkamer zelf en overige ruimten in de woning waar personen zich overdag bevinden, liggen op een afstand van ca. 27 meter van de nieuwe ontsluitingsweg. Daarbij komt dat de woning grotendeels afgeschermd wordt door bestaande beplanting, welke het hele jaar voorzien is van blad. Gezien de afschermende werking van de haag tussen de lichtbundel en de woning zal er in de zomer en herfst geen lichthinder ontstaan. Een deel van de winter en het voorjaar zal de haag in bepekte mate licht doorlaten. Hierdoor zal een deel van het licht van koplampen in de woning kunnen schijnen.

Gelet op het beperkt aantal auto´s dat het plangebied via de uitrit verlaat, kan geconcludeerd worden dat de beperkte instraling niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat. De referentiesupermarkt die is gehanteerd in het verkeersonderzoek sluit om 21:00 uur. Uit de analyse blijkt dat in de 3 laatste openingsuren (dus tussen 18:00 en 21:00) ca. 210 motorvoertuigen zich van en naar de supermarkt bewegen. De veronderstelling is dat wanneer de beoogde supermarkt om 22:00 uur sluit, er in een worst-case scenario tussen 19:00 en 22:00 uur zich tevens ca. 210 motorvoertuigen van en naar de supermarkt zullen bewegen. Waarschijnlijk zal dit aantal lager zijn, gezien het naarmate het later wordt steeds rustiger wordt. 4.5.3 Conclusie Op basis van de conclusie die in het verkeer- en parkeeronderzoek is getrokken kan gesteld worden dat het aspect verkeer en parkeren de ontwikkeling niet in de weg staat.

3

De referentiesupermarkt die is gehanteerd in het verkeersonderzoek sluit om 21:00 uur. Uit de analyse blijkt dat in de 3 laatste openingsuren (dus tussen 18:00 en 21:00) ca. 210 motorvoertuigen zich van en naar de supermarkt bewegen. De veronderstelling is dat wanneer de beoogde supermarkt om 22:00 uur sluit, er in een worst-case scenario tussen 19:00 en 22:00 uur zich tevens ca. 210 motorvoertuigen van en naar de supermarkt zullen bewegen. Waarschijnlijk zal dit aantal lager zijn, gezien het naarmate het later wordt steeds rustiger wordt.

Hoofdstuk 4

33

4.6 Luchtkwaliteit 4.6.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;  het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;  het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd.

Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:  het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;  het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). 4.6.2 Onderzoek Onderzoek NIBM toets Om te bepalen wat de invloed is van het initiatief op de luchtkwaliteit is gebruik gemaakt van de NIBM toets. De verkeersgegevens die zijn bepaald in het verkeersonderzoek4 (paragraaf 4.5.2) zijn hiervoor gebruikt. De supermarkt genereert per werkdagetmaal 2100 motorvoertuigen. Er vanuit gaande dat de supermarkt 4x per dag bevoorraad wordt (dus 8 verkeersbewegingen) is het aandeel vrachtverkeer 0,4%5. Hieronder zijn de resultaten van de tool weergegeven.

Tabel 4.3: NIBM-tool: worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer

4 5

Verkeerskundig onderzoek supermarkt en woningbouw Boterstraat Varsseveld, 16 juli 2019, Mobycon 8 verkeersbewegingen = 0,38% van het totaal aantal verkeersbewegingen (2100)

Hoofdstuk 4

34

Met deze uitgangspunten is de NIBM-toets uitgevoerd, waarbij is uitgegaan van realisatie in 2020 (worst case scenario): Berekend is dat de bijdrage van het plan aan de concentraties voor NO 2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof) mogelijk in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De berekening laat zien dat het extra verkeer ten gevolge van het plan maximaal 1,76 µg/m3 bijdraagt aan de jaargemiddelde concentratie NO2. Voor de concentratie PM10 zal het verkeer maximaal 0,31 µg/m3 bijdragen. Het nader onderzoek is onderstaand beschreven. Onderzoek NSL-Monitoringstool 2019 Om te beschouwen of de gecumuleerde concentraties voldoen aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit wordt het planeffect opgeteld bij de heersende concentraties. Dit is inzichtelijk gemaakt door middel van de NSL-Monitoringstool 2019. De beschouwde rekenpunten zijn 15573717, 15573719 en 15573721 en geven de totale concentratie in de nabije omgeving van het plangebied. Voor het jaartal 2020 bedraagt de hoogste totale concentratie NO2 16,3 µg/m3 en voor PM10 17,3 µg/m3. Voor PM2,5 geldt een hoogste totale concentratie van 10,5 µg/m3. Id Rekenpunt Rekenpunt Rekenpunt Norm

15573717 15573719 15573721

NO2 μg/m3 16.3 16.2 16.1 40

PM10 μg/m3 17.3 17.3 17.2 40

PM10 overschrijdingsdagen 6.1 6.1 6.1 35

PM2.5 μg/m3 10.5 10.5 10.5 25

Jaar 2020 2020 2020

Tabel 4.4: NSL Monitoringstool: rekenpunten met bijbehorende concentraties

Wanneer het planeffect hierboven op wordt geteld worden de totale concentraties voor NO2 en PM10 respectievelijk 18,1 µg/m3 en 17,6 µg/m3. Deze concentraties blijven met de bijdrage van de ontwikkeling, ruim beneden de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Op grond van de gebleken samenhang tussen de concentraties voor PM10 (fijn stof) en PM2,5 (fijn stof) kan het volgende worden gesteld: vanwege het feit dat de concentratie voor PM 10 voldoet aan de grenswaarde kan in voldoende mate aannemelijk gemaakt worden dat ook voor PM2,5 de ontwikkeling niet in betekenende mate zal bijdragen en dat de geldende grenswaarde niet zal worden overschreden. Ook in het prognosejaar 2030 zal worden blijven voldaan aan de grenswaarden. 4.6.3 Conclusie De bijdrage van het extra verkeer ten gevolge van het plan draagt mogelijk in betekenende (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Daardoor is nader onderzoek uitgevoerd met gebruikmaking van de Monitoringstool. Hieruit blijkt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgestane ontwikkeling.

Hoofdstuk 4

35

4.7 Stikstofdepositie 4.7.1 Onderzoek Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd (zie bijlage 8). Doel van het onderzoek is toetsing van (negatieve) effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van de activiteiten die het initiatief mogelijk maakt, aan de Wet natuurbescherming. Het plangebied is gelegen op circa 12,8 kilometer van Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’. Hierdoor wordt de uitstoot van het wegverkeer niet meegenomen in de berekening. Voor het berekenen van het wegverkeer wordt gerekend met OPS, waarbij de berekening wordt ‘afgekapt’ op 5 kilometer afstand van het plangebied. Hierdoor zijn eventuele effecten op grotere afstand niet te herleiden. Om aan te tonen dat het plan geen invloed heeft op Natura 2000-gebieden op een afstand > 5 kilometer van het plangebied, zijn voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase berekeningen uitgevoerd met aanvullende puntbronnen, welke zijn ingevoerd op een afstand op minder dan 5 kilometer van het meest nabijgelegen stikstofgevoelige habitattypen. Daarnaast zijn voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase berekeningen uitgevoerd met aanvullende rekenpunten, welke zijn ingevoerd op circa 5 kilometer afstand van het plangebied ten noorden, oosten en zuiden van het plangebied.

Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. In bijlage 8 is de door AERIUS gegenereerde rapportage voor de aanleg- en gebruiksfase opgenomen en wordt de rekenwijze nader toegelicht. 4.7.2 Conclusie Uit de uitgevoerde AERIUS-berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden.

4.8 Externe veiligheid 4.8.1 Toetsingskader Externe veiligheid heeft betrekking op het vervoer en transport van gevaarlijke stoffen en bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen. Het vervoer van gevaarlijke stoffen via wegen en spoorlijnen wordt geregeld in het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Voor transport middels buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van toepassing. Voor externe veiligheid staan twee begrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hieronder worden beide begrippen verder uitgelegd.

Hoofdstuk 4

36

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico geeft de kans om te overlijden op een bepaalde plaats als gevolg van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Voor het plaatsgebonden risico geldt dat er geen nieuwe kwetsbare objecten aanwezig zijn of geprojecteerd worden binnen de 10-6/jaar-contour (wettelijk harde grenswaarde). Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6/jaar-contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Voor de definitie van de begrippen kwetsbare, en beperkt kwetsbare objecten wordt verwezen naar het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Groepsrisico Het groepsrisico geeft de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het groepsrisico is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Verantwoordingsplicht In de Besluiten externe veiligheid inrichtingen, transportroutes en buisleidingen is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen.

In de verantwoording moet worden ingegaan op de mogelijkheden ter bestrijding en beperking van de omvang van calamiteiten en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen. Tevens moet worden ingegaan op de aanwezige en te verwachten dichtheid van personen binnen het invloedsgebied van de leiding en het groepsrisico in relatie tot de oriëntatiewaarde. Dit valt onder de ‘beperkte verantwoording’. Aanvullend moet worden ingegaan op:  maatregelen getroffen door de beheerder van de activiteit ter beperking van het groepsrisico;  mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico;  mogelijkheden en voorgenomen maatregelen ter beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst. Activiteitenbesluit milieubeheer In dit besluit zijn veiligheidsafstanden en risiconormen ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten opgenomen. Veiligheidsafstanden zijn vastgesteld voor onder andere opslagtanks met propaan/propeen, aardgastankstations, en gasdrukmeet- en regelstations. Voor windturbines geldt het plaatsgebonden risico (PR) als risiconorm. Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations De circulaire is van toepassing bij een besluit ten aanzien van een LPG-tankstation onder werking van het Bevi, dat het mogelijk maakt dat er (meer) personen in de omgeving van een LPG-tankstation aanwezig kunnen zijn.

De effecten van bepaalde ongevalsscenario’s staan centraal. Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik In deze circulaire zijn veiligheidszones (A-, B- of C-zone) vastgesteld voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Binnen deze veiligheidszones worden de aanwezigheid van activiteiten en/of objecten uitgesloten.

Hoofdstuk 4

37

4.8.2 Onderzoek Ten behoeve van onderhavig project is door Econsultancy een quickscan uitgevoerd naar omliggende EV-relevante risicobronnen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies van dit onderzoek. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 10. Met behulp van de risicokaart kan een eerste indruk van de risicobronnen in de omgeving van een plangebied worden gemaakt. In figuur 4.1 is een uitsnede weergegeven van de risicokaart.

Figuur 4.1 Uitsnede risicokaart (Bron: risicokaart.nl)

Het plangebied is gezamenlijk met het naastgelegen woongebied (Plan van wijziging Kom Varsseveld, woningbouw zuivelfabriek) in de figuur zwart omcirkeld en geel gearceerd. Uit de kaart blijkt dat er in de nabije omgeving sprake is van risicovolle activiteiten. In onderstaande paragrafen worden de genummerde bronnen toegelicht. Inrichtingen Op circa 65 meter afstand tot het plangebied in zuidoostelijke richting ligt de inrichting Sportcomplex van Pallandt (1). De inrichting is aangeduid op de risicokaart vanwege de opslag van maximaal 1.500 liter chloorbleekloog. Er is geen plaatsgebonden risico van 10-6/jaar of hoger. Wel zou zich een toxische wolk kunnen vormen, met een effectgebied van 880 meter. Toxische wolken Bij het falen van tankwagens met vluchtige schadelijke stoffen of het branden van bepaalde materialen kunnen toxische wolken ontstaan. In dat geval moeten aanwezigen direct worden gewaarschuwd, bijvoorbeeld met behulp van sirenes en NL-Alert. Ramen en deuren moeten worden gesloten en aanwezigen moeten inpandig schuilen tot het gevaar is geweken. Bij voorkeur wordt de nieuwbouw uitgerust met ventilatievoorzieningen die eenvoudig centraal uitgeschakeld en/of dichtgezet kunnen worden.

Hoofdstuk 4

38

Op circa 280 meter in zuidoostelijke richting ligt een gasdrukregel- en meetstation van de Gasunie (2). Tot op 15 meter afstand is sprake van een plaatsgebonden risico van 10-6/jaar of hoger. Het invloedsgebied is gelijk aan de inventarisatieafstand van de aansluitende buisleiding (zie onder).. Transport De N318 Varsseveld – Winterswijk (3) is op de risicokaart aangeduid als transportroute voor gevaarlijke stoffen. De N318 ligt op tenminste 550 meter afstand tot het plan. Via de N318 worden de stoffen vervoerd in de categorieën LF1, LF2 en GF3. De inventarisatie van de laatstgenoemde is het grootst en bedraagt 355 meter. Het plan is ruim buiten deze afstand gelegen. Op 730 meter ten noordwesten van het plan worden gevaarlijke stoffen vervoerd via de A18/N18 (4). Het wegvak maakt deel uit van het Basisnet, waarin rekening wordt gehouden met het vervoer van stoffen in categorie GF3. Tijdens de meest actuele tellingen is ook vervoer in categorie LF1 en LF2 geregistreerd. Het plan ligt ruim buiten het invloedsgebied. Buisleidingen Op circa 280 meter ten oosten van het plan ligt een buisleiding (5) met een diameter van 4,5 inch en een werkdruk van 40 bar. De inventarisatie afstand voor deze buis bedraagt 50 meter. Een kwantitatieve risicoanalyse of verantwoording van het groepsrisico is niet aan de orde.

4.8.3 Conclusie Uit het onderzoek volgt dat in de directe nabijheid geen activiteiten plaatsvinden met een negatief effect op het plan. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde functiewijziging.

4.9 Water 4.9.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Waterrelevant beleid De planlocatie is gelegen binnen het beheersgebied van waterschap Rijn en IJssel en de gemeente Oude IJsselstreek. Waterschap Rijn en IJssel Het beleid van het waterschap is vastgelegd in het “Waterbeheerplan 2016-2021” (november 2015). De keur is de verordening van het waterschap met de regels voor de bescherming van waterstaatswerken (waterkeringen, oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden en kunstwerken zoals stuwen en gemalen) en voor het onttrekken van grondwater. In de Keur is vastgelegd voor

Hoofdstuk 4

39

welke activiteiten een vergunning noodzakelijk is. Voor specifieke, veel voorkomende activiteiten heeft het waterschap algemene regels. In de beleidsnotitie ‘Duurzaam en veilig water in de stad’ heeft waterschap Rijn en IJssel haar normen en uitgangspunten voor wateraspecten bij stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Het waterschap stelt dat de ontwikkeling van (nieuw) stedelijk gebied grote wijzigingen in functies en waterhuishoudkundige structuur met zich mee kan brengen. Het algemene uitgangspunt van het waterschap bij dergelijke ontwikkelingen is dat er bij realisatie van het plan géén afwenteling op de omgeving plaatsvindt. Het waterschap hanteert hiervoor de tritsen: “vasthouden – bergen – afvoeren” voor de waterkwantiteit en “schoonhouden – scheiden – schoonmaken” voor de waterkwaliteit. Daarnaast houdt het waterschap rekening met de voorspelde klimaatontwikkelingen. Ten aanzien van hemelwatervoorzieningen en kwantiteit dienen in een planlocatie de bergings- en infiltratievoorzieningen een bui van 40 mm (T=10+10%) te kunnen opvangen. Bij extreme neerslaggebeurtenissen dient bui T=100 + 10% tot aan maaiveld geborgen te kunnen worden, hierbij mag geen waterschade ontstaan. Het waterschap hanteert 110 mm in twee dagen voor de T=100+10% bui. De afvoerhoeveelheid bedraagt hierbij 27 mm, wat resulteert in een restopgave van 83 mm.

Indien het verhard oppervlak met meer dan 500 m2 toeneemt, moeten er maatregelen worden getroffen om versnelde afvoer naar het oppervlaktewater te voorkomen. Het waterschap hanteert een ondergrens van 500 m2 verhard oppervlak en een bovengrens van 2.500 m2 verhard oppervlak, waarbij uitwerking in een waterhuishoudkundig rapport verplicht is. Gemeente Oude IJsselstreek Het (hemel)waterbeleid van de gemeente Oude IJsselstreek is onder andere vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsplan Oude IJsselstreek (vGRP 2017-2020). Perceeleigenaren zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor de verwerking van het hemelwater op eigen terrein. Bij nieuwbouw geldt de verplichting om vuilwater en hemelwater gescheiden aan te bieden. Met het waterschap zijn afspraken gemaakt omtrent de waterhuishouding in nieuwbouwgebieden en de aanleg van waterberging. In situaties waarin redelijkerwijs niet van iemand kan worden verwacht om het hemelwater zelf te verwerken zorgt de gemeente voor de afvoer van het water, bijvoorbeeld als een (ingrijpende) wijziging van een bestaande situatie nodig zou zijn, vanwege ruimtegebrek of als de bodem ter plaatse ongeschikt is voor infiltratie. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient 10% van het oppervlak gereserveerd voor het realiseren van hemelwatervoorzieningen en/of waterberging.

Bij nieuwbouw in bestaand bebouwd gebied is de beschikbare ruimte vaak echter beperkt waardoor maatwerk vereist is. 4.9.2 Onderzoek In het kader van de bestemmingsplanwijziging is door Econsultancy een watertoets uitgevoerd. In deze paragraaf worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 12.

Hoofdstuk 4

40

Het planvoornemen voorziet in de herbestemming van de desbetreffende gronden ten behoeve van de realisatie van een supermarkt in combinatie met de realisatie van de ontsluiting en de openbare ruimte. De huidige bebouwingen en verhardingen worden volledig geamoveerd. Uit de watertoets blijkt dat er een waterbergingseis van toepassing is. Op basis van de toekomstig verhard oppervlak en de bergingseis bedraagt de waterbergingsopgave voor het plangebied in totaal circa 478 m3. Binnen de planlocatie is voldoende ruimte aanwezig om de wateropgave te kunnen bergen. Riolering Bij nieuwbouw dient hemelwater en afvalwater gescheiden te worden. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater mogelijkerwijs wijzigen. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken moeten worden. Tevens zal voor de aansluiting een vergunning aangevraagd moeten worden. Keur Voor alle handelingen aan of in de nabijheid van een watergang zoals: dempen, graven, bouwen, onttrekken, lozen etc. is in het kader van de keur een vergunning van het waterschap benodigd en zal in overleg aangevraagd moeten worden.

Kwaliteit In de Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen: Woningbouw nieuwbouw, Woningbouw beheer en Utiliteitsbouw is een tweetal maatregelen (S/U237 en S/U444) opgenomen die onder meer betrekking hebben op het verminderen van de emissie van milieubelastende stoffen naar het van daken afgevoerde hemelwater. Bij nieuwbouw wordt geadviseerd de emissies vanuit bouwmaterialen richting het oppervlaktewater zoveel mogelijk te beperken in verband met de waterkwaliteit en zoveel mogelijk gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk. Daarnaast dient het gebruik van onkruidbestrijdingsmiddelen zoveel mogelijk beperkt te worden en wordt geadviseerd bij voorkeur gebruik te maken van alternatieven hierin. Ook het wassen van auto’s is bij afkoppeling van hemelwater niet wenselijk. 4.9.2 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde functiewijziging.

4.10 Archeologie 4.10.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel

Hoofdstuk 4

41

mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Archeologische waarden mogen niet geschaad worden door ingrepen in de bodem. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 4.10.2 Onderzoek Er is door Econsultancy een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 4. Het bureauonderzoek wijst uit dat het plangebied, op basis van zijn landschappelijke situering, van oorsprong een gunstige ligging heeft gehad als (tijdelijke) bewoningslocatie. Echter, gegevens van bouwdossiers en eerder uitgevoerd milieuhygiënisch bodemonderzoek wijst uit dat ter plaatse van zowel de bebouwde als de onbebouwde terreindelen van het plangebied diepgaande bodemverstorende ingrepen/vergravingen hebben plaatsgevonden. Op basis van het bureauonderzoek geldt geen verwachting meer op de aanwezigheid van in situ liggende archeologische resten en/of sporen. Dit wordt bevestigd door de Omgevingsdienst. Hierdoor zijn er geen bezwaren tegen de voorgenomen herontwikkeling binnen het plangebied. Geadviseerd wordt dan ook om het plangebied vrij te geven.

4.10.3 Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde functiewijziging.

4.11 Flora en fauna 4.1.1 Toetsingskader Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). 4.11.2 Onderzoek Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. In het kader van een bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de sloop van de oude zuivelfabriek en nieuwbouw van woningen en supermarkt te Varsseveld, is door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de

Hoofdstuk 4

42

natuurwetgeving. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 5. Wettelijke gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Korenburgerveen”, bevindt zich op circa 12 kilometer afstand ten oosten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten.

Uit paragraaf 4.7 is reeds geconstateert dat uit de uitgevoerde AERIUS-berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Gelderland bestaat het NNN uit het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene ontwikkelingszone (GO). Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.

Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Het plangebied is niet gelegen binnen het GNN/GO. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN ligt ongeveer 350 meter ten noorden van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN/GO niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het GNN/GO wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Toetsing soortenbescherming Uit de quickscan blijkt dat gelet op de potentiele ecologische waarden het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid kan worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, een aantal zaken in acht wordt genomen.

Hoofdstuk 4

43

Huismus, gierzwaluw, vleermuizen, steenmarter Met betrekking tot de sloop zijn overtredingen ten aanzien van het verstoren/vernietigen van nestlocaties van huismus en gierzwaluw en verblijfplaatsen van een vleermuissoort op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek heeft inmiddels plaatsgevonden (zie bijlage 6). Uit het uitgevoerde vervolgonderzoek blijkt dat in de gebouwen binnen het plangebied zijn 12 zomer-, 1 winter-, en 2 paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis en 1 zomerverblijfplaats van de gewone grootoorvleermuis zijn aangetroffen. Daarnaast is een verblijfplaats van de steenmarter aanwezig. Bij vernielen of beschadigen van verblijfplaatsen van deze soorten wordt een overtreding begaan op de Wet natuurbescherming. Op 18 september 2020 heeft de provincie Gelderland hiervoor een ontheffing verleend. In het opgestelde activiteitenplan is onder andere beschreven worden welke compenserende en mitigerende maatregelen genomen worden, welk wettelijk belang wordt gebruikt, welke alternatieven overwogen zijn en of de gunstige staat van instandhouding in het geding komt. Als mitigerende maatregel is gekozen voor een alternatieve verblijfplaats in de vorm van het plaatsen van een faunatoren. De faunatoren is inmiddels geplaatst. Deze toren wordt met de specifieke functieaanduiding “faunatoren” in onderhavig bestemmingsplan opgenomen.

Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten. In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. 4.11.3 Conclusie Als mitigerende maatregel is gekozen voor een alternatieve verblijfplaats in de vorm van het plaatsen van een faunatoren. De faunatoren is inmiddels geplaatst. Deze toren wordt met de specifieke functieaanduiding “faunatoren” in onderhavig bestemmingsplan opgenomen. Er wordt hiermee voldaan aan de Wet natuurbescherming. Verder zal er voldaan moeten worden aan de voorwaarden zoals gesteld in de provinciale ontheffing. Er kan worden gesteld dat het aspect flora en fauna geen belemmering vormt voor de voorgenomen functiewijziging.

4.12 Molenbiotoop Het plangebied ligt in de molenbiotoop van molen De Engel, gelegen aan de Hiddinkdijk 4 te Varsseveld. Er rust daarom op de locatie de gebiedsaanduiding ‘Vrijwaringszone- molenbiotoop’, zoals opgenomen in artikel 27 van het bestemmingsplan ‘Kom Varsseveld 2010’. In het kader van de gebiedsaanduiding ‘molenbiotoop’ is door middel van een molenbiotooponderzoek bekeken of de betreffende molen niet belemmerd wordt door voorgenomen ontwikkeling. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 11 van dit plan. Onderstaand wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies uit dit onderzoek. Hoewel concreet de beoogde bouwhoogtes van de woningen de voorgeschreven molenbiotoopregels overschrijden, zijn zij gedeeltelijk lager of gelijkblijvend ten opzichte van de bestaande bouw van de voormalige zuivelfabriek De Volharding aan de Boterstraat te Varsseveld.

Hoofdstuk 4

44

Daarnaast zijn buiten het plangebied reeds wind- en zicht belemmerende factoren aanwezig, zoals grondgebonden woningen en hoge bomen. Daarom stelt De Hollandsche Molen vast op grond van artikel 27.1.3 sub c uit het bestemmingsplan ‘Kom Varsseveld 2010’ dat de voorliggende ontwikkelingsplannen geen blijvende onevenredige afbreuk aan het functioneren van de molen veroorzaken, nog afbreuk doen aan de landschappelijke waarde van molen De Engel. Hoewel de hoger toegestane bouwhoogte geen bezwaar lijkt te zijn in dit specifieke geval, is het wel van belang dat een vrijwaringszone molenbiotoop opgenomen wordt. Hiermee wordt geborgd dat toekomstige ontwikkelingen, zoals uitbreiding en/of inrichting van het groen getoetst worden aan de molenbiotooprichtlijnen. Met het oog op de veranderende wetgeving, is hiermee de toekomst van deze cultuurhistorische waarden beschermd.

Hoofdstuk 4

45

5.

JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

5.2 Plansystematiek Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om de ontwikkelingen zoals beschreven in hoofdstuk 2 juridisch-planologisch mogelijk te maken. De regels en de verbeelding zijn zodanig opgesteld dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvoor een juridisch kader bieden. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. inleidende regels; 2. bestemmingsregels; 3. algemene regels; 4. overgangs- en slotregels. Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages, hoogte, diepte, breedte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels.

Hoofdstuk 5

46

Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen. De opbouw van de bestemmingen is als volgt (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten):  bestemmingsomschrijving;  bouwregels;  nadere eisen;  afwijken van de bouwregels;  specifieke gebruiksregels;  afwijken van de gebruiksregels;  omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;  omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;  wijzigingsbevoegdheid. De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Ook kunnen aanduidingen die betrekking hebben op het gebruik (functieaanduidingen) zijn opgenomen. Middels deze functieaanduidingen is een specifiek gebruik ter plaatse bestemd of uitgesloten. Daarnaast wordt in de regels per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd. In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven. Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben.

Deze bestaan uit de volgende onderdelen:  anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.  algemene bouwregels: hier zijn algemene regels ten aanzien van overschrijding van de bouwgrenzen en ondergronds bouwen opgenomen met bijbehorende maatvoering.  algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd.  algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van nietingrijpende gebruiks- en/of bouwactiviteiten.  algemene wijzigingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.

Hoofdstuk 5

47

5.3 Bestemmingen Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit de volgende enkelbestemmingen. Bedrijf  De gronden binnen deze bestemming zijn bestemd voor een nutsvoorziening. Conform gemeentelijke standaard is de locatie van de nutsvoorziening aangeduid met een specifieke aanduiding en bouwvlak.  De maximale bouwhoogte bedraagt 4 meter en is eveneens aangeduid op de verbeelding.  Voor het overige zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan mits voldaan wordt aan de maatvoeringseisen. Detailhandel  De gronden binnen deze bestemming zijn bestemd voor een detailhandel ten behoeve van dagelijkse goederen, wegen en paden, water en overige voorzieningen zoals parkeer- en nutsvoorzieningen.  De gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd, wat is aangegeven op de verbeelding. Op één plek wordt voorzien in een faunatoren gelegen buiten het bouwvlak. Voor deze voorziening is een aanduiding opgenomen waarbinnen het bouwwerk is toegestaan, alsmede de bouwhoogte aangeduid.  De goot- en nokhoogte mogen niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven.  Bouwwerken geen gebouwen zijnde mogen maximaal 3 meter bedragen, erf- en terreinafscheidingen zijn maximaal 2 meter. In het verlengde van de laad- en losplaats komt een erfafscheiding.

In afwijking van de hierboven genoemde regeling is ter plaatse van de aanduiding een erf- en terreinafscheiding van maximaal 5 meter toegestaan.  Bij de algemene bouwregels wordt aangegeven dat voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd en in stand gehouden dienen te worden.  Er is tevens een voorwaardelijke verplichting dat het gebruik van detailhandel slechts is toegestaan indien de gronden in de Oranjestraat niet ten behoeve van detailhandel worden gebruikt. Het betreft de gronden kadastraal bekend gemeente Varsseveld, sectie I, nummers 968 en 970. Wonen  Een deel van de gronden krijgen de bestemming ‘Wonen’. Deze bestemming behoren bij de woonpercelen gelegen aan de Eikenlaan 3 en 5.  De gronden binnen deze bestemming zijn bestemd voor onder andere wonen met de bijbehorende tuinen en erven.  Hoofdgebouwen zijn niet toegestaan.  Voor de regeling van bijbehorende gebouwen is aansluiting gevonden op het vigerende bestemmingsplan Kom Varsseveld 2010. Dit betekent dat het bouwperceel inclusief de percelen Eikenlaan 3 en 5 worden bedoeld. Verkeer – Verblijfsgebied  De gronden binnen deze bestemming zijn bestemd voor verblijfsgebieden, wegen en pleinen, parkeervoorzieningen, water en overige voorzieningen zoals voor openbaar vervoer en groen.  De oppervlakte van gebouwen mag maximaal 50 m2 bedragen, met een maximale hoogte van 3 meter.

Hoofdstuk 5

48

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van verlichting, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer mogen maximaal 12 meter hoog zijn, masten 10 meter en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde 3 meter.

Vrijwaringszone - molenbiotoop Ter borging van de molenbiotoop is een regeling opgenomen middels de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’. Voor de gronden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone molenbiotoop' gelden, in afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald, de volgende regels: binnen de zone van 100 m gemeten vanaf de molen mogen bouwwerken worden gebouwd met een bouwhoogte van maximaal 5 m. Binnen de zone gemeten van 100 m vanaf de molen tot een afstand van 400 m gemeten vanaf de molen, mogen geen hogere gebouwen worden gebouwd dan door middel van een formule zoals opgenomen in de regels. Overige zone – groen Ten behoeve van een groene inpassing van het buitenterrein is een regeling opgenomen dat een minimum percentage van de aanduiding groen moeten worden ingericht conform de inrichtingsprincipes zoals opgenomen in de bijlage van de regels.

Hoofdstuk 5

49

6.

UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1 Economische uitvoerbaarheid Kostenverhaal In beginsel is de raad verplicht een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In een exploitatieplan wordt opgenomen welke kosten met de uitvoering van het bouwplan gemoeid zijn en wie welke kosten voor zijn of haar rekening gaat nemen. Dit is opgenomen in artikel 6.12 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening. Deze verplichting geldt niet als het 'verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd zijn', aldus lid 2 van dit artikel. In onderhavig geval zijn de kosten anderszins verzekerd. De initiatiefnemer en gemeente zijn een anterieure overeenkomst overeengekomen, waarbij vastgelegd is, dat de ontwikkel- en plankosten evenals planschadeclaims ten laste zijn van initiatiefnemer. De initiatiefnemer is namelijk 100% eigenaar van zijn grond en hij zal hier geheel voor eigen kosten de supermarkt en bijbehorende infrastructuur realiseren. Omdat het perceel gelegen is aan de openbare weg, hoeft de gemeente geen infrastructuur aan te leggen (is immers reeds voorhanden) of andere werken uit te voeren. Er zijn voor de gemeente dan ook geen kosten gemoeid, anders dan de kosten waarvoor de aanvrager conform de op het tijdstip van indiening geldende legesverordening- leges zal betalen.

Zo betaalt de aanvrager leges voor de benodigde planwijziging, de omgevingsvergunningsaanvraag, uitritvergunning en aansluiting op de riolering. Er is daarmee geen verplichting voor de gemeente om een exploitatieplan op te stellen. De kosten die de gemeente maakt in het kader van dit bouwplan worden verhaald op initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/4430/documents/24084