Bijlage 5 Quickscan flora en fauna.pdf
Tekst van het document
Quickscan natuurwaardenonderzoek Den Dam 2 – Breedenbroek
Effectbeoordeling in het kader van de Omgevingswet, Gelders Natuurnetwerk en Natura 2000
1
Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Den Dam 2 Breedenbroek Effectbeoordeling in het kader van de Omgevingswet, Gelders Natuurnetwerk en Natura 2000
Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Nobelstraat 5-7 7131 PZ Lichtenvoorde BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0850-509852
Opdrachtgever: Locis Adviseurs Abonnementhouder van de Nationale Databank Flora en Fauna
Projectnummer en versie: 7506 versie 1.0 Ligging plangebied: Den Dam 2 Breedenbroek Auteur: M. Mateman
Status: definitief Rapportdatum: 10-04-2025 (aangepast op 1-10-2025) Veldwerk uitgevoerd door: J. Van Middelkoop
De vermelde medewerkers in deze rapportage zijn akkoord met openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving.
2
Inhoudsopgave SAMENVATTING ................................................................................................................................................... 4 HOOFDSTUK 1
INLEIDING ............................................................................................................................... 6
HOOFDSTUK 2
HET PLANGEBIED ...................................................................................................................... 7
2.1 Situering ................................................................................................................................................ 7 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................ 8 HOOFDSTUK 3
VOORGENOMEN ACTIVITEITEN .................................................................................................... 9
3.1 Algemeen .............................................................................................................................................. 9 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden ............. 9 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ............................................................................................................ 9 HOOFDSTUK 4
TOETSINGSKADERS ................................................................................................................. 11
4.1 Algemeen ............................................................................................................................................ 11 4.2 Omgevingswet; Natura 2000............................................................................................................... 11 4.3 Omgevingswet; Soortenbescherming ................................................................................................. 11 4.4 Specifieke zorgplicht............................................................................................................................ 12 4.5 Regelgeving en aanzien van het Gelders Natuurnetwerk ................................................................... 14 HOOFDSTUK 5
GEBIEDSBESCHERMING............................................................................................................ 15
5.1 Algemeen ............................................................................................................................................ 15 5.2 Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone ...................................................................... 15 5.3 Natura 2000......................................................................................................................................... 17 5.4 Slotconclusie........................................................................................................................................ 19 6.1 Verwachting en bureauonderzoek ...................................................................................................... 20 6.2 Veldonderzoek .................................................................................................................................... 21 6.3 Resultaten ........................................................................................................................................... 24 6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep ............................................................................ 30 6.5 Historische gegevens en overige bronnen ..........................................................................................
33 6.6 Volledigheid van het onderzoek.......................................................................................................... 33 HOOFDSTUK 7
CONCLUSIES .......................................................................................................................... 34
3
SAMENVATTING Op het adres Den Dam 2 in Breedenbroek en in een bos ten zuiden het erf zijn meerdere toestellen t.b.v. survivalsport geplaatst. Het bos is in 1999 door de eigenaar aangeschaft en de sporttoestellen zijn ook in dit jaar in het bos geplaatst. Op het erf Den Dam 2 was voorheen een houtbedrijf met zaagmachines aanwezig. De sportactiviteiten op zowel de bedrijfslocatie als in het bos leiden momenteel tot strijdigheid met het omgevingsplan. Het omgevingsplan dient gewijzigd te worden om deze strijdigheid op te heffen. De boslocatie behoudt de functie bos. Hierin is, naast de standaard gebruiksmogelijkheid van dit bos, toegevoegd dat dat er survivalsport mogelijk is. Bijbehorende bouwwerken, zoals klimtoestellen, zijn toegestaan waarvan de maximale hoogte 3 meter mag bedragen. In deze quickscan wordt het gebruik van het erf en het bos als plek om te sporten getoetst. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Omgevingswet op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd.
Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 9 april 2025 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden: Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het GNN (geen externe werking). Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden. Overige negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring, kunnen ook worden uitgesloten.
Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een voortplantingsplaats en/of rustplaats. Het plangebied wordt door vleermuizen en vlinders uitsluitend benut als foerageergebied. In het bos waar de sporttoestellen geplaatst zijn is een buizerdnest aangetroffen. Door de ingebruikneming van het erf en bos als plek om te sporten tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet buizerdnest verstoord, beschadigd of vernield. Om te achterhalen of dit nest bezet is moet er nader onderzoek uitgevoerd worden naar de functie van het bos aan de zuidkant van het plangebied voor de soort buizerd. Er bestaat daarnaast een kleine kans dat vogels vlak naast de sporttoestellen een nestplaats gaan bezetten. Door de ingebruikname van de sporttoestellen tijdens de voortplantingsperiode van vogels worden mogelijk vogelnesten in de omgeving van de sporttoestellen verstoord.
Wanneer de verstoring van deze vogels zonder jaarrond beschermd nest tijdelijk van aard is, leidt dit niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Het is de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om ervoor te zorgen dat vogelnesten die in de directe omgeving van de sporttoestellen nestelen niet dusdanig verstoord worden dat er vogels gedood worden en nestplaatsen verloren gaan. Door de ingebruikneming van het erf en bos als plek om te sporten worden geen grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en worden geen voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen beschadigd 4
of vernield. Mogelijk neemt de kwaliteit van het foerageergebied van sommige grondgebonden zoogdieren amfibieënsoorten iets af. De meeste grondgebonden zoogdieren en amfibieën zijn nachtactief, hierdoor wordt het foerageergebied van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën niet veel aangetast. Daarnaast is het foerageergebied van de in het plangebied voorkomende soorten niet beschermd en leidt afname van de kwaliteit van deze soorten niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Voor het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: • Nader onderzoek uitvoeren naar de functie van het plangebied voor buizerd;
5
HOOFDSTUK 1
INLEIDING Op het adres Den Dam 2 in Breedenbroek en in een bos ten zuiden het erf zijn meerdere toestellen t.b.v. survivalsport geplaatst. Het bos is in 1999 door de eigenaar aangeschaft en de sporttoestellen zijn ook in dit jaar in het bos geplaatst. Op het erf Den Dam 2 was voorheen een houtbedrijf met zaagmachines aanwezig. De sportactiviteiten op zowel de bedrijfslocatie als in het bos leiden momenteel tot strijdigheid met het omgevingsplan. Het omgevingsplan dient gewijzigd te worden om deze strijdigheid op te heffen. De boslocatie behoudt de functie bos. Hierin is, naast de standaard gebruiksmogelijkheid van dit bos, toegevoegd dat dat er survivalsport mogelijk is. Bijbehorende bouwwerken, zoals klimtoestellen, zijn toegestaan waarvan de maximale hoogte 3 meter mag bedragen. In deze quickscan wordt het gebruik van het erf en het je als plek om te sporten getoetst. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Omgevingswet op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd.
Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet (soorten en Natura 2000-gebied) en de Omgevingsverordening Gelderland (Gelders Natuurnetwerk).
6
HOOFDSTUK 2
HET PLANGEBIED
2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd rondom het adres Den Dam 2 Breedenbroek in de gemeente Oude IJsselstreek. De planlocatie is bekend onder de gemeente Oude IJsselstreek, sectie A, nummers 2928, 2587, 2719, en 2933. Op de onderstaande afbeelding staat de globale ligging van het plangebied weergegeven.
De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid (bron: topotijdreis.nl).
7
2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bestaat uit de woning en het omliggende erf op het adres Den Dam 2 in Breedenbroek een grasveld ten noorden van het erf en een stuk bos ten zuiden van het erf. Het erf bestaat uit een woning en zes schuren, de buitenruimte rondom de schuren bestaat grotendeels uit verharding en gazon waarop verschillende sporttoestellen zijn geplaatst. In de buitenruimte rondom de sporttoestellen is weinig opgaande beplanting aanwezig. Het grasveld ten noorden van het erf wordt omzoomd door een meidoornhaag. Het bos ten zuiden van het erf bestaat uit een gemengde houtopstand van fijnspar, zomereik, zoete kers, ruwe berk, els, vlier taxus en rododendron. Ook in het bos zijn op verschillende plekken sporttoestellen geplaatst. Op de onderstaande luchtfoto wordt de begrenzing van het plangebied weergegeven met de gele omkadering.
Met de gele lijn wordt de begrenzing van het plangebied weergegeven (bron: topotijdreis.nl).
8
HOOFDSTUK 3
VOORGENOMEN ACTIVITEITEN
3.1 Algemeen Op het adres Den Dam 2 in Breedenbroek en in een bos ten zuiden het erf zijn meerdere toestellen t.b.v. survivalsport geplaatst. Het bos is in 1999 door de eigenaar aangeschaft en de sporttoestellen zijn ook in dit jaar in het bos geplaatst. Op het erf Den Dam 2 was voorheen een houtbedrijf met zaagmachines aanwezig. De sportactiviteiten op zowel de bedrijfslocatie als in het bos leiden momenteel tot strijdigheid met het omgevingsplan. Het omgevingsplan dient gewijzigd te worden om deze strijdigheid op te heffen. De boslocatie behoudt de functie bos. Hierin is, naast de standaard gebruiksmogelijkheid van dit bos, toegevoegd dat dat er survivalsport mogelijk is. Bijbehorende bouwwerken, zoals klimtoestellen, zijn toegestaan waarvan de maximale hoogte 3 meter mag bedragen. In deze quickscan wordt het gebruik van het erf en het bos als plek om te sporten getoetst. Hieronder staat een plattegrond en verbeelding van o.a. een hindernisbaan die in het bos is geplaatst.
Links een plattegrond met de plek van de hindernisbaan in het bos, rechts een verbeelding (bron: Locis Adviseurs).
De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Omgevingswet: • Exploitatie erf en bos t.b.v. sportactiviteiten;
3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden; Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; • Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; • Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten;
3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt gekeken naar de ingebruikneming van verschillende toestellen op het erf en in een bos t.b.v. sport.
9
Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: Om de effecten van de voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het soms van belang ook buiten het plangebied te kijken. In voorliggend geval grenst het plangebied aan de openbare weg, andere erven, en agrarisch cultuurland. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat beschermde soorten en/of -waarden buiten het plangebied op een dusdanige wijze aangetast worden, dat dit leidt tot wettelijke consequenties. 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied is gelijk aan het plangebied.
10
HOOFDSTUK 4
TOETSINGSKADERS
4.1 Algemeen In dit Hoofdstuk worden de diverse toetsingskaders toegelicht waaraan het initiatief getoetst wordt. 4.2 Omgevingswet; Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning noodzakelijk. 4.3 Omgevingswet; Soortenbescherming In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten.
In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (Artikel 11.37 t/m Artikel 11.40 Bal): 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder Omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van, van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. 2. Het verbod geldt niet, als: a. het verrichten van die activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1°.een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2°.een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3.
Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort. Soorten Habitatrichtlijn (Artikel 11.46 t/m Artikel 11.48 Bal); Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder Omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; 11
d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Andere Soorten (Artikel 11.54 Bal) Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder Omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. Het verbod geldt niet als: a. het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden; b.
het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of c. de activiteit deel uitmaakt van: 1°.een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2°.een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Ow een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Omgevingswet. Er is dan geen Omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit nodig. 4.4 Specifieke zorgplicht Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming.
Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.
12
Het Bal geeft aan waaruit de specifieke zorgplicht in ieder geval bestaat. Dat is hierna toegelicht.
Het is niet geheel duidelijk wat de consequenties zijn van een effect van een activiteit op soorten die vermeld staan op de Rode Lijst, evenals het toetsen van het effect van een activiteit op ‘trekvogels’. Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat: a. voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van: 1° van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; 2° van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn; 3° dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3°, van de wet; en 4° voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats; b.
als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, 13
of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen Nieuw is de zorgplicht voor het aantasten van belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats van vogels en soorten van de Rode lijst. Voor activiteiten die leiden tot overtreding van een verbodsbepaling dient een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen te worden (dit heette in de Wet natuurbescherming een ontheffing). Indien sprake is van het aantasten van belangrijk leefgebied of natuurlijke habitat van een Rode lijstsoort, dient een document opgesteld te worden. Dit zal vergelijkbaar zijn met een ecologisch werkprotocol (EWP). In een EWP wordt beschreven op welke wijze een negatief effect op beschermde soorten, soorten van de Rode Lijst en belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats voorkomen kan worden, of hoe dit hersteld kan worden. Ook wordt een monitoringsplicht ingevoerd tijdens en na de uitvoering van de werkzaamheden, indien maatregelen getroffen worden. Dit geldt alleen voor belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats. 4.5 Regelgeving en aanzien van het Gelders Natuurnetwerk Het Besluit kwaliteit leefomgeving is een AMvB onder de Omgevingswet waarin onder andere regelgeving over de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk (GNN/Ecologisch Hoofdstructuur (EHS) is opgenomen.
De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. GNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het GNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de GNN in Gelderland zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Gelderland.
14
HOOFDSTUK 5
GEBIEDSBESCHERMING
5.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteiten op Natura 2000gebied en het Gelders Natuurnetwerk. 5.2 Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone Om de biodiversiteit nu en voor toekomstige generaties Gelderlanders veilig te stellen, beschermt de provincie het Gelders Natuurnetwerk. Het Gelders Natuurnetwerk is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Een groot deel van de Gelderse natuurgebieden is internationaal beschermd: de Natura 2000-gebieden. Juist in deze gebieden moet de biodiversiteit worden behouden of verbeterd. De provincie geeft in het natuurbeleid prioriteit aan het behalen van de Natura 2000-doelen in de Natura 2000-gebieden. Het Gelders Natuurnetwerk vervult daarnaast een belangrijke rol bij het behoud van de biodiversiteit. De Ecologische verbindingszones maken voor een klein deel uit van het Gelders Natuurnetwerk. De provincie wil de natuur van het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone beschermen tegen aantasting en heeft daarom regels opgenomen in de Omgevingsverordening. Centraal staat de versterking van de kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten bestaan uit bestaande natuurwaarden, uit nog te ontwikkelen potentiële waarden en de omgevingscondities zoals stilte.
De (nog te ontwikkelen) natuurwaarden zijn beschreven en als bijlage bij de Omgevingsverordening opgenomen. De omgevingscondities zijn in de bijlage bij de Omgevingsverordening wel benoemd, maar er heeft geen provincie dekkende inventarisatie plaatsgevonden. Bij projecten kan op maat een effectbeschrijving worden gemaakt voor de relevante omgevingscondities.
15
Ligging t.o.v. het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone Het plangebied ligt buiten gronden die tot het Gelders Natuurnetwerk of de Groene ontwikkelingszone behoren. Op de onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Go
Ligging van Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene ontwikkelingszone (Go) in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode ster aangeduid. Gronden die tot de Gelders Natuurnetwerk behoren worden met de donkergroene kleur aangeduid. Gronden die behoren tot de Groene ontwikkelingszone worden met de lichtgroene kleur aangeduid (gelderland.maps.arcgis.com).
Beschermingsregime De bescherming van het Gelders Natuurnetwerk kent geen externe werking. Toetsing aan provinciaal beleid Omdat het plangebied buiten het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Gelders Natuurnetwerk.
16
5.3 Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Beschermingsregime De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten; De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op.
In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.
17
Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Het plangebied ligt op minimaal 15,68 kilometer afstand van Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is Korenburgerveen. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Minimaal 15,68 kilometer afstand tussen het plangebied en de gronden die tot Natura 2000 behoren.
Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de blauwe cirkel aangeduid. Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met de okergele kleur aangeduid (bron: calculator.aerius.nl).
Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen uitgesloten worden. Beoordeling stikstof (ontwikkelfase) Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de uitstoot van stikstof niet toe in de ontwikkelfase. Daarom hoeft voor de ontwikkelfase geen stikstofberekening uitgevoerd te worden. 18
Beoordeling stikstof (gebruiksfase) Het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied neemt door de exploitatie van het erf en bos als plek om te sporten mogelijk toe ten opzichte van de huidige situatie. Gelet op de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (15,68 kilometer) kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden tijdens de gebruiksfase, op voorhand uitgesloten worden. Daarom hoeft er voor de gebruiksfase geen stikstofberekening uitgevoerd te worden.
5.4 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het GNN (geen externe werking). Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden. Overige negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring, kunnen ook worden uitgesloten.
19
HOOFDSTUK 6
SOORTENBESCHERMING
6.1 Verwachting en bureauonderzoek 6.1.1 Algemeen Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: Aalscholver • Bronnenonderzoek (o.a. internet en de Nationale databank flora en fauna); • Veldbezoek op 9-04-2025 door een ervaren ecoloog; 6.1.2 Bronnenonderzoek Op 8 april 2025 is de NDFF geraadpleegd en is er gekeken of er waarnemingen van beschermde planten en dieren in of nabij het plangebied zijn opgenomen in de databank. In het zoekgebied zijn in de afgelopen vijf jaar 70 waarnemingen opgenomen. Dit betreft de volgende soortgroepen; vogels (25), grondgebonden zoogdieren (1), vaatplanten (15), korstmossen (1), insecten (28) en geleedpotigen (1). De volgende vogelsoorten zijn waargenomen. Op 29 mei 2020 zijn er een waarschijnlijk broedende steenuil en kerkuil (atlascode 2) waargenomen op de schuur met het oranje dak bij de Kempermolen, zie rode cirkel op de onderstaande kaart. De overige waargenomen vogelsoorten betreffen; aalscholver (1), kauw (2), meerkoet (12) en wilde eend (8). Alle meerkoeten en wilde eenden zijn waargenomen ter hoogte van de Keizersbeek ten zuiden van het plangebied. De aalscholver is ook ter hoogte van de Keizersbeek waargenomen en de kauwen zijn waargenomen ten noorden van het plangebied bij de Molenweg.
De egel (verkeersslachtoffer) is waargenomen ten noordoosten van het plangebied aan de molenweg. Alle overige waargenomen vaatplanten, korstmossen, insecten en geleedpotigen betreffen algemene en niet beschermde soorten. Op de onderstaande luchtfoto staat het zoekgebied en de waarnemingen in de NDFF weergegeven.
Met de zwarte lijn wordt het zoekgebied in de NDFF weergegeven, met de groene stippen worden de waarnemingen weergegeven. Er zijn in de periode 2020-2025 – 70 waarnemingen gedaan in de directe omgeving van het plangebied (bron: NDFF). 20
In deze quickscan zijn de natuurwaarden in het bos en het erf ten tijde van het erfbezoek op 9 april 2025 beoordeeld. De sporttoestellen zijn in 1999 geplaatst. De natuurwaarden die aanwezig waren in het bos ten tijde van het plaatsen van de toestellen kunnen niet meer getoetst worden. De (beschermde) dieren die nu nog een verblijfplaats in het bos bezetten zijn in de afgelopen 25 jaar waarschijnlijk gewend geraakt aan de sportactiviteiten in het bos (habituatie). In de onderstaande tabel staan alle soorten opgenomen waarvoor het plangebied een potentieel leefgebied vormt. Voor alle soorten die in de onderstaande tabel staan beschreven staat in het hoofdstuk soortbespreking toegelicht waarom de soorten wel of geen functioneel leefgebied bezetten in het plangebied. Soortgroep
Mogelijk aanwezige beschermde soorten
Flora
Geen. Geschikte standplaatsomstandigheden voor beschermde planten ontbreken op het erf en in het bos.
Grondgebonden zoogdieren
Wezel, vos, grote bosmuis, veldmuis, steenmarter, rosse woelmuis, ree, huisspitsmuis, konijn, hermelijn, haas, egel, eekhoorn, das, bunzing, bosmuis, boommarter, aardmuis. Gewone dwergvleermuis, laatvlieger, watervleermuis, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis. Boomvalk, buizerd, ransuil, kerkuil, steenuil, sperwer, wespendief, havik Bonte vliegenvanger, boerenzwaluw, boomklever, groene specht, grauwe vliegenvanger, grote bonte specht, kleine bonte specht, middelste bonte specht, spreeuw, huiszwaluw gekraagde roodstaart, zwarte roodstaart, zwarte kraai Diverse algemene broedvogels Kleine watersalamander, poelkikker, gewone pad, bruine kikker, bastaardkikker, kamsalamander Geen. Het plangebied ligt volledig buiten het verspreidingsgebied van beschermde reptielen. Geen. Geschikt habitat ontbreekt volledig Grote vos, grote weerschijnvlinder, teunisbloempijlstaart, kleine ijsvogelvlinder Geen. Geschikt habitat ontbreekt volledig Geen. Geschikt habitat ontbreekt volledig
Vleermuizen Vogels - jaarrond beschermde nesten Vogels - jaarrond beschermd: afhankelijk van ecologische factoren
Vogels – in gebruik zijnde nesten Amfibieën Reptielen Vissen Vlinders Libellen Overige ongewervelden
6.2 Veldonderzoek In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 9 april 2025 tijdens de daglichtperiode (ochtend) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50) en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28). Methode per soortgroep Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van broedvogels. De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar broedvogels. De meeste vogelsoorten bezetten een territorium in deze tijd van het jaar en vertonen territorium-indicerend gedrag (zang/balts). Slechts een deel van de zomergasten moet nog terugkeren uit overwinteringsgebied zoals spotvogel, zomertortel, grauwe vliegenvanger en bosrietzanger, voor onderzoek naar zomergasten die laat terugkeren uit overwinteringsgebied is de onderzoeksperiode minder geschikt. In het plangebied is gekeken naar vogels, oude nesten en sporen die 21
op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren, eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie die het onderzoeksgebied vervult voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek, maar matig geschikt voor onderzoek naar voortplantingslocaties. Grondgebonden zoogdieren hebben geen zogende jongen in deze tijd van het jaar. Wel benutten veel grondgebonden zoogdieren de voortplantingsplaats als vaste rustplaats buiten de voortplantingsperiode. Er is in het plangebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het plangebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is beperkt geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen omdat een deel van de vleermuizen in deze tijd van het jaar de winterverblijfplaats bezetten.
Sommige vleermuissoorten bezetten de winterverblijfplaats op enige afstand (>100km) van de zomerverblijfplaats. Sommige vleermuizen in winterrust zitten diep weggekropen in gebouwen of bomen, maar er zijn ook vleermuizen die aan de binnenzijde van gebouwen hangen, zoals op tochtvrije zolders. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen. Het plangebied is bezocht op een moment op de dag dat vleermuizen niet foerageren en geen lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute. De mogelijke betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Amfibieën Het plangebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde amfibieën. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën en onderzoek naar voortplantingswateren. Enkele soorten zoals heikikker en bruine kikker kunnen de voortplanting reeds voltooid hebben en hebben eisnoeren/klompen in wateren afgezet. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het plangebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten.
Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het normale verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten. Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als dag- en nachtvlinders, reptielen, libellen, bladmossen, mossen, korstmossen en sporenplanten, vissen, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die (soms) moeilijk nieuw leefgebied koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren en planten. In het plangebied worden geen beschermde ongewervelden verwacht zoals beschermde weekdieren (platte schijfhoren en Bataafse stroommossel) en kevers (juchtleerkever, vermiljoenkever en vliegend hert). De voorgenomen ontwikkelingen vinden plaats buiten het functionele leefgebied van bovengenoemde soorten. Mogelijk komen er populaties van beschermde nachtvlinders (teunisbloempijlstaart), voor in de omgeving van het plangebied. Voor bovenstaande soort geldt dat het plangebied niet als geschikt leefgebied wordt beschouwd omdat waardplanten ontbreken.
22
Daarnaast zijn alle beschermde planten (grotendeels) gebonden aan natuurreservaten zoals Natura 2000gebied. Alle beschermde planten stellen kritische eisen aan de standplaats (vochtgehalte, zuurgraad en voedselrijkdom) en bijbehorend beheer. Dergelijke standplaatsen zijn niet aanwezig op voedselrijke plekken waar het beheer ontbreekt of niet gericht is op verschraling. Het plangebied sluit ook niet aan op de eisen die beschermde vissen en libellen stellen aan het habitat. Zo ontbreken grotere open wateren, (snelstromende) beken en verlandingswateren. Door het ontbreken van specifieke waardplanten zoals: wilg, sleedoorn en teunisbloem worden beschermde dag- en nachtvlinders niet behandelt in deze rapportage.
23
6.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en er nestelen mogelijk vogels in de bomen rondom de sporttoestellen in het bos. Vogels die hier mogelijk een nestplaats bezetten zijn; merel, vink, gaai, zanglijster, zwartkop, spotvogel, grauwe vliegenvanger, grote lijster, roodborst, buizerd heggenmus, tjiftjaf, koolmees, pimpelmees, staartmees en boomkruiper. De bomen in het bos zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van holen waar spechten een nestplaats kunnen bezetten, deze zijn niet aangetroffen. Wel is er in een van de bomen een buizerdnest aangetroffen, zie onderstaande foto.
Met de rode cirkel wordt het buizerdnest weergegeven. Van alle categorie 2 soorten, die aan het begin van dit hoofdstuk beschreven staan; bonte vliegenvanger, boerenzwaluw, boomklever, groene specht, grauwe vliegenvanger, grote bonte specht, kleine bonte specht, middelste bonte specht, spreeuw, huiszwaluw gekraagde roodstaart, zwarte roodstaart, zwarte kraai geldt dat deze niet in het plangebied zijn aangetroffen. Daarnaast zijn er ecologisch geen zwaarwegende redenen om de nesten als jaarrond beschermd aan te merken. Boomvalk De boomvalk leeft in open gebied, bij voorkeur in de buurt van water, bomen en een bosrand. De boomvalk broedt onder andere in oude nesten, vaak zijn die van kraaien geweest, in bomen en soms in hoogspanningsmasten. Aangezien er geen oude kraaiiennesten of andere grote nesten, afgezien van een buizerdnest, in het plangebied aanwezig zijn, wordt de soort boomvalk uitgesloten in het plangebied. Sperwer De sperwer leeft in allerlei landschappen. De sperwer broedt in bossen en in bosjes op het boerenland, maar soms ook in tuinen, parken en op erven. Aangezien er geen grote nesten, afgezien van een buizerdnest, in het plangebied aanwezig zijn, wordt de soort sperwer uitgesloten in het plangebied. 24
Ransuil De ransuil leeft en broedt in gebieden met bomen en bosjes, zoals boerenland, natuurgebieden, maar ook in dorpen. Ze jagen in gebieden met lage begroeiing zoals weilanden. Het nest wordt in een boom gebouwd en is vaak een oud kraaien- of eksternest. Door de afwezigheid van kraai- en eksternesten wordt er geen nest van een ransuil in het plangebied verwacht. Wespendief De wespendief leeft vooral in gemengde bossen en loofbossen met open plekken, hoogvenen, heide en grasland. Belangrijk is dat er wespen voorkomen. De wespendief broedt in bossen of bosjes in half open landschap en bouwt zijn nest hoog in een boom. In het plangebied is afgezien van het buizerdnest geen nest van een andere roofvogel aangetroffen. Havik De havik leeft en broedt in het bos. Voor zijn voedsel jaagt de havik in het bos en in open gebied. Voor de soort havik is het bos in het plangebied te klein om een nestplaats te bezetten. Doorgaans nestelen haviken in grotere aaneengesloten bossen met weinig verstoring. In het plangebied is afgezien van het buizerdnest geen ander roofvogelnest aangetroffen. Aan de noordwestzijde van het bos hangt een steenuilenkast, er is gecontroleerd of deze kast bezet wordt door steenuilen, er zijn geen broedende steenuilen aangetroffen.
In of rondom de gebouwen en in de beplanting op het erf nestelen mogelijk zwarte roodstaart, gekraagde roodstaart, witte kwikstaart, pimpelmees, koolmees, roodborst, winterkoning en heggenmus. Aan de zuidzijde van de schuur die op de onderstaande luchtfoto staat weergegeven met de gele omkadering hangen twee steenuilenkasten en in de schuur hangen twee kerkuilenkasten. Deze kasten zijn opgehangen in het kader van een Omgevingsvergunningsprocedure voor de verbouw van de schuur die staat weergegeven met de rode omkadering. In deze schuur hebben in het verleden steenuilen en kerkuilen genesteld, zie o.a. hoofdstuk 6.1.2 van deze rapportage. De steenuilenkasten aan de zuidzijde van de schuur met de gele omkadering zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van steenuilnesten, er zijn geen broedende steenuilen aangetroffen. De kerkuilkasten zijn niet gecontroleerd maar aangezien de schuur alleen via de noordzijde toegankelijk is worden eventueel nestelende kerkuilen niet nadelig beïnvloed door sportactiviteiten op het erf ten zuiden van de schuur.
25
Met de gele omkadering wordt de schuur weergegeven waar aan de binnenzijde twee kerkuilenkasten hangen en aan de zuidzijde twee steenuilenkasten hangen. Deze kasten zijn opgehangen in het kader van een Omgevingsvergunningsprodedure voor de verbouw van de schuur die met de rode omkadering staat weergegeven waar in het verleden kerkuilen en steenuilen gebroed hebben.
Door de ingebruikname van het erf en het bos voor sportactiviteiten wordt mogelijk een vogel gedood en een bezet vogelnest beschadigd of vernield. De functie van het plangebied als foerageergebied neemt door de voorgenomen activiteiten af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet - Ingebruikname erf en bos voor sportactiviteiten (tijdens de voortplantingsperiode van vogels); Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen maar het bos in plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende grondgebonden zoogdiersoorten als bosmuis, veldmuis, huisspitsmuis, bosspitsmuis, rosse woelmuis, grote bosmuis, egel, bunzing, wezel, steenmarter, vos, ree en eekhoorn. Bosmuizen, veldmuizen, huisspitsmuizen, bosspitsmuizen, grote bosmuis en rosse woelmuis, wezel en egel benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk bezetten deze soorten er ook een voortplantingsplaats en/of rustplaats. Deze soorten kunnen een voortplantingsplaats en/of rustplaats bezetten in holen en gaten in de grond en onder opgeslagen spullen en materialen. De delen van het bos die benut worden voor het uitoefen van sportactiviteiten zijn minder geschikt voor grondgebonden zoogdieren om een voortplantingsplaats en/of rustplaats te bezetten. In het bos zijn geen holen van dassen of vossen aangetroffen.
De dichtstbijzijnde dassenpopulatie bevindt zich op ruime afstand van het plangebied, daarom worden dassen uitgesloten in het plangebied. Er zijn van dassen ook geen graafsporen of looproutes gevonden. Gezien het schaarse voorkomen van de soort wezel in de omgeving Breedenbroek (NDFF, 2025) is het onwaarschijnlijk dat deze soort een verblijfplaats bezet in het bos. Toch bestaat er een kleine kans dat wezels een voortplantingsplaats en/of rustplaats bezetten in holen en gaten onder de grond en onder de hopen strooisel in het bos. Ook egels kunnen een voortplantingsplaats en/of rustplaats bezetten onder strooisel in het bos. Het bos wordt mogelijk incidenteel door vos, bunzing, steenmarter en eekhoorn benut als foerageergebied maar er zijn van deze soorten geen verblijfplaatsen aanwezig. De hopen strooisel zijn ongeschikt voor grotere 26
marterachtigen zoals steenmarter en bunzing om een verblijfplaats te bezetten. Een verblijfplaats van een bunzing wordt niet in het plangebied verwacht omdat geschikte plekken voor een verblijfplaats zoals oude holen van bijvoorbeeld konijnen en vossen of steenhopen en houtstapels ontbreken. Verder ontbreekt een geschikte plek voor een steenmarter of boommarter om een voortplantingsplaats en/of rustplaats te bezetten omdat er geen holen in bomen aanwezig zijn of dichte takkenrillen. De bomen in het plangebied zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van eekhoornnesten maar deze zijn niet aangetroffen. De dichtstbijzijnde hermelijnenpopulaties bevinden zich bij de Aa-strang bij Dinxperlo en de Oude IJssel bij Ulft (NDFF, 2025) deze populaties bevinden zich op ruim voldoende afstand om de aanwezigheid van hermelijn uit te sluiten in het plangebied. De buitenruimte rondom de sporttoestellen op het erf behoort tot functioneel leefgebied van algemene en weinig kritische grondgebonden zoogdiersoorten zoals bosmuis, huisspitsmuis en rosse woelmuis. Daarnaast kunnen verschillende grondgebonden zoogdieren op het erf mogelijk incidenteel foerageren. Op de plekken waar op het erf wordt gesport zijn geen verblijfplaatsen van bovengenoemde soorten aanwezig.
Aangezien de plekken op het erf en in het bos die gebruikt worden voor het uitoefenen van sportactiviteiten geen voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van grondgebonden zoogdieren bevatten wordt door de ingebruikneming van het erf en bos als plek om te sporten geen grondgebonden zoogdieren gedood en worden geen voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen beschadigd of vernield. Mogelijk neemt de kwaliteit van het foerageergebied van sommige grondgebonden zoogdieren iets af. De meeste grondgebonden zoogdiersoorten zijn nachtactief, hierdoor wordt het foerageergebied van beschermde grondgebonden zoogdieren niet veel aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Ingebruikneming van erf en bos als plek om te sporten; Vleermuizen • Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen verblijfplaatsen bezetten in de directe omgeving van de sporttoestellen. Er bestaat een zeer kleine kans dat vleermuizen een verblijfplaats bezetten in bomen en gebouwen rondom de sporttoestellen. Het gebruik van de sporttoestellen vindt plaats buiten de periode van de dag dat vleermuizen actief zijn. Daarnaast is er bij de toestellen geen verlichting geplaatst om deze ’s avonds te kunnen gebruiken. Daarnaast worden vleermuizen door de ingebruikneming van de sporttoestellen niet negatief beïnvloed.
Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen voortplantingsplaats en/of rustplaats beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen; • Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren verschillende vleermuissoorten in het bos en het erf in het plangebied. Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer en de kleine oppervlakte, wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen;
27
• Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen; Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen maar het bos in het plangebied wordt als functioneel leefgebied voor verschillende amfibieënsoorten beschouwd. Amfibieën als bastaardkikker, bruine kikker en gewone pad benutten het plangebied vermoedelijk als functioneel leefgebied. Deze amfibieën overwinteren hoofdzakelijk in holen en gaten in de grond, onder stobben en stammen in holle bomen en onder strooisel. De dichtheid van overwinterende amfibieën in landbiotoop is bij het ontbreken van voortplantingsbiotoop laag. In een poel aan de Luimesweg op ongeveer 300 meter afstand ten zuiden van het plangebied bevindt zich een populatie kamsalamanders.
Deze kamsalamanders bezetten een (winter)rustplaats in de directe omgeving van de voortplantingsbiotoop in de poel. Door het ontbreken van open water en de ligging van het plangebied wordt het plangebied als ongeschikt leefgebied voor kamsalamanders beschouwd. Daarnaast vormt de Keizersbeek een barrière voor deze kamsalamanders om het plangebied te kunnen bereiken. De Keizersbeek wordt niet als geschikt leefgebied voor kamsalamanders beschouwd door de snelle stroming en de aanwezigheid van vissoorten die amfibieën prederen.
28
Het zoekgebied in de NDFF wordt weergegeven met de zwarte omlijning. De ligging van het plangebied wordt met de rode ster aangeduid, de waarnemingen van kamsalamander worden weergegeven met de groene stippen (bron: NDFF).
Aangezien de plekken op het erf en in het bos die gebruikt worden voor het uitoefenen van sportactiviteiten geen voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van amfibieën bevatten wordt door de ingebruikneming van het erf en bos als plek om te sporten geen amfibieën gedood en worden geen voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen beschadigd of vernield. Mogelijk neemt de kwaliteit van het foerageergebied van sommige amfibieën iets af. De meeste amfibieënsoorten zijn nachtactief, hierdoor wordt het foerageergebied van beschermde grondgebonden zoogdieren niet veel aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet; - Ingebruikneming van erf en bos als plek om te sporten; Rode-lijstsoorten Het plangebied is gecontroleerd op de aanwezigheid van Rode-lijstsoorten. Verschillende Rodelijstsoorten zoals grauwe vliegenvanger, grote lijster en spotvogel kunnen incidenteel in het plangebied foerageren en er mogelijk een nestplaats bezetten. Door de voorgenomen activiteiten worden er geen grauwe vliegenvangers, grote lijsters en spotvogels gedood en neemt de geschiktheid van het plangebied als foerageergebied voor deze soorten niet af. Er worden geen overige Rode-lijstsoorten in het plangebied verwacht zoals planten, paddenstoelen en korstmossen. Deze zijn namelijk (grotendeels) gebonden aan plekken met specifieke standplaatsfactoren zoals Natura 2000-gebied.
Alle Rode-lijstplanten, -paddenstoelen en -korstmossen stellen kritische eisen aan de standplaats/substraat (vochtgehalte, zuurgraad en voedselrijkdom) en eventueel bijbehorend beheer. Dergelijke standplaatsen zijn niet aanwezig op voedselrijke plekken waar beheer ontbreekt of niet gericht is op verschraling.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen; Dag- en nachtvlinders Het bos ligt in het verspreidingsgebied van de volgende beschermde vlinders: Grote weerschijnvlinder De grote weerschijnvlinder is een vlinder en leeft in vochtige bossen met oude(re) loofbomen, bossen met wilgen en groepen bosjes in beekdalen. Er worden door de voorgenomen activiteiten geen waardplanten van grote weerschijnvlinder, grauwe wilg en boswilg, beschadigd of vernield. Kleine ijsvogelvlinder De kleine ijsvogelvlinder is een vlinder en leeft in vochtige gemengde bossen en loofbossen. Vooral op open plekken en in bosranden komen ze voor. Voor de kleine ijsvogelvlinder is het belangrijk dat er kamperfoelie (plant) groeit. Aangezien er in het plangebied geen kamperfoelie aanwezig is, ontbreekt de soort kleine ijsvogelvlinder in het plangebied. Teunisbloempijlstaart De teunisbloempijlstaart is een vlinder en leeft vooral op open plekken in het bos en in bosranden. Belangrijk voor de teunisbloempijlstaart is dat er teunisbloem (plant) en wilgenroosje (plant) groeit. Mogelijk groeien de waardplanten van de soort teunisbloempijlstaart in het bos in het plangebied. Deze groeien echter niet op plekken waar gesport wordt en de waardplanten worden door de sportactiviteiten niet beschadigd of vernield.