CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 De kwaliteit van Achterhoekse erven.pdf

Raadsvergadering 26 oktober 2023, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 5: Uitnodigingskader wonen buitengebied17.843 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Regio Achterhoek - Gelders Genootschap

35

Achtergrond: de ontwikkeling van landgoederen en scholtegoederen In de Achterhoek komen in de loop der tijd verschillende vormen van grootgrondbezit voor, waarbij de boerderijen onder gezag of leiding van de grootgrondbezitter werden geëxploiteerd. Dit heeft op een aantal plekken duidelijk zijn sporen achtergelaten in de kenmerken van het landschap en de erven. Een sterke concentratie van landgoederen is aanwezig in het noordwesten van de Achterhoek: rond Vorden en Ruurlo. Ook langs de IJssel en langs de Oude IJssel liggen veel landgoederen. Rond Winterswijk zijn de zogenaamde scholtegoederen een vorm van grootgrondbezit. Vaak maken oorspronkelijke es- of kampnederzettingen onderdeel uit van een landgoed. De samenhang binnen het landgoed komt tot uiting in het wegenstelsel, de centrale positie van het huis van de landgoedeigenaar, overeenkomst in vormgeving van pachtboerderijen en andere bezittingen, systematische ontginningen van oorspronkelijke woeste gronden en vaak is er relatief veel bos. In deze gebieden liggen erven, die veel overeenkomsten vertonen met erven in kamp- en es nederzettingen. Daarnaast liggen in deze gebieden oorspronkelijke landarbeiderswoningen, soms solitair of soms in een rij. De meeste grootgrondbezitters waren behoudend. In deze gebieden is de rationalisatie van het landschap vaak minder ingrijpend geweest.

De oorspronkelijke ligging van de erven is hier nog vaak goed herkenbaar. Ook de oorspronkelijke boerderijen zijn vaak behouden gebleven. Rond sommige kleine landarbeiderswoningen is schaalvergroting opgetreden in de vorm van bedrijfsbebouwing.

36

Achterhoekse erven veranderen - Mei 2008

HET ERF IN ZIJN OMGEVING

LANDGOEDEREN EN SCHOLTEGOEDEREN

Landgoederen en scholtegoederen De landgoederenlandschappen kenmerken zich door een uitzonderlijke afwisseling. Deze bestaat uit opvallend grote scholtehuizen en villa’s omsloten door dichte loofbossen, pachtboerderijen met rode daken temidden van essen, kronkelende beken omgeven door hoog opgaande bomen en bosranden, onregelmatige percelen, zandwegen en paden en rechte laanstructuren. Vaak maken es- en kampnederzettingen onderdeel uit van het landgoed. Ook liggen landgoederen en scholtegoederen naast ontginningsnederzettingen en beekdalnederzettingen. Het belangrijke verschil met de overige nederzettingsvormen is de organisatievorm van de land- en scholtegoederen. Het zijn beide vormen van grootgrondbezit waarbij een grote villa of een scholteboerderij het hoofdgebouw vormen. Kleine pachtboerderijen en arbeiderswoningen maken deel uit van het bezit. De kenmerken en aandachtspunten van erven uit de andere nederzettingsvormen gelden ook voor de erven die deel uitmaken van de landgoederen en scholtegoederen. Met als onderscheid dat hier aangesloten kan worden op ruimtelijke samenhang binnen de landgoederen en scholtegoederen.

Schema en luchtfoto’s van landgoederen en scholtegoederen

Aandachtspunten en kansen bij verandering • Versterken samenhang binnen het landgoed/ scholtegoed • Samenhang in architectuur en erfopbouw • Aandacht voor aanwezige kenmerken • Aandacht voor de verschillende nederzettingsvormen waarvan de pachterven deel uitmaken • Aandacht voor de nieuwe organisatievorm in relatie tot de ruimtelijke samenhang

Regio Achterhoek - Gelders Genootschap

37

Achtergrond: de ontwikkeling van planmatige, rationele nederzettingen In tegenstelling tot de lagere delen van Nederland is het aantal nederzettingen met een sterk planmatige structuur in de Achterhoek beperkt en van relatief jonge datum. De meeste planmatige structuren ontstonden bij de verkaveling en ontginning van voormalige woeste gronden en natte gronden in de 19de en in de 20ste eeuw. Veel jonge ontginningen zijn relatief klein van omvang en liggen aan de rand van oudere landschappen, waarvan ze lastig soms zijn te onderscheiden. Een aantal is vrij groot, zoals het Wolfersveen, het Halse Veen, het Ruurlose Broek, de Holterhoek/ Eibergse Veld. Ook door de naoorlogse ruilverkaveling zijn op sommige plekken rationele nederzettingspatronen ontstaan. Hier zijn de boerderijen van jonge datum. Alle ontginningsgebieden worden gekenmerkt door rechte wegen, rechte sloten en rechte verkavelingen. Bij de grotere gebieden is de regelmaat groter dan bij de kleinere; vaak staan de lijnen haaks op elkaar. Bij de kleinere gebieden sluiten de lange lijnen aan bij het hoevelandschap, van waaruit de ontginning plaats vond en zijn de kavels meer trapeziumvormig. Hoewel deze gebieden relatief vlak zijn en er vaak lange zichtlijnen zijn verschilt de mate van openheid per gebied sterk.

De hoger gelegen ontginningsgebieden neigen meer naar een coulissenlandschap, omdat hier veel bosjes, houtwallen en wegbegeleidende beplanting voorkomen. De erven met hun bebouwing vallen in het beeld vaak weg tegen een bosrand. De lager gelegen gebieden zijn in het algemeen veel opener. De erven, die met bebouwing en erfbeplanting geconcentreerd liggen aan een weg, vormen een gestructureerd gegeven in het landschap. In al deze gebieden liggen erven aan de weg. Soms geconcentreerd, soms gelijkmatig verspreid. Soms aan één kant van de weg en soms juist afwisselend aan de ene of aan de andere kant van de weg. De afstand van de erven tot de weg verschilt per situatie. Soms liggen ze direct aan de weg en soms heeft elk een eigen “oprijlaan”, vaak met opgaande beplanting erlangs. De bebouwing is volgens een rechthoekig patroon geplaatst, waarbij één as evenwijdig loopt aan de zijdelingse perceelsgrens. Als deze perceelgrens niet haaks op de wegas staat, staat de bebouwing dus scheef ten opzichte van de weg. Het woonhuisgedeelte van de boerderij is naar de weg gekeerd. Deze staat vaak (vrijwel) los van de schuren. Schuren staan achter het woonhuis met de nok evenwijdig aan de perceelsgrens. Vaak ontwikkelt de bebouwing zich in de loop der tijd steeds verder in de diepte van het perceel.

Rechts: twee erven zoals ze voorkomen in planmatige, rationele nederzettingen

38

Achterhoekse erven veranderen - Mei 2008

HET ERF IN ZIJN OMGEVING

PLANMATIGE, RATIONELE NEDERZETTINGEN

Planmatige, rationele nederzettingsvormen Erven binnen planmatige rationele nederzettingen liggen gesitueerd aan een rechte ontginningsweg. De erven zelf hebben een rationele vorm met haakse hoeken. Het landschap is relatief jong en de boerenerven en boerderijen zijn dit ook. De mate van openheid en zicht binnen het gebied verschilt sterk. Hoger gelegen ontginningen zijn meer bebost en beplant, lager gelegen ontginningen bevatten een meer open structuur met veel weidse uitzichten.

Boven: schema en luchtfoto van broekland Onder: Links een sterk planmatige veenontginning en rechts een half open landschap

Regio Achterhoek - Gelders Genootschap

39

Positie van de erven aan de rechte ontginningsweg. De randen van de erven hebben dezelfde richting als de perceelsgrenzen binnen de ontginning.

40

Achterhoekse erven veranderen - Mei 2008

Het woonhuis oriënteert zich op de weg. Er bestaat altijd een afstand tussen het woonhuis en de weg.

HET ERF IN ZIJN OMGEVING Toegang naar het erf en positie t.o.v. de weg De erven binnen de planmatige rationele nederzettingen liggen aan de weg. De positie ten opzichte van de weg verschilt in: erven die direct aan de weg zijn gesitueerd en erven die verder van de weg af gesitueerd zijn en een toegangsweg bezitten. De vorm van de erven is rechthoekig en het erf is altijd georiënteerd op de richting van de verkaveling. Oriëntatie van bebouwing De planmatige rationele nederzettingen zijn relatief jong, in deze gebieden komt dan ook relatief meer bebouwing voor die niet typisch streekeigen is (d.w.z. boerderijen die door het hele land voorkomen). Naast het Hallehuistype komt er een zekere diversiteit aan andere boerderijtypen voor die van oorsprong in een andere streek van Nederland werden gebouwd. Ondanks de verschillende boerderijtypen zijn de gebouwen op het erf volgens een vast principe op het erf geplaatst. Dit principe houdt in dat het woonhuis een aantal meters vanaf de weg is geplaatst zodat er een voortuin ontstaat. Alle schuren, stallen en andere bijgebouwen zijn achter de woning geplaatst. De richting van de bebouwing is parallel aan de erfgrens. Er is wel variatie in richting, deze is echter alleen haaks op elkaar. Vorm van de rand van het erf De rand van het erf varieert in de verschillende ontginningsgebieden.

Op hoger gelegen gebieden is er vaak meer erfbeplanting aanwezig dan in de lager gelegen gebieden. Omdat er in de ontginningsgebieden sprake is van grote open ruimtes zijn rondom de erven windsingels en houtwallen toegepast. Soms eenzijdig, soms tweezijdig, afhankelijk van de oriëntatie van het erf. In grote open gebieden worden de erven soms rondom beplant met houtwallen.

PLANMATIGE, RATIONELE NEDERZETTINGEN

Oorspronkelijk was de houtwal een functioneel onderdeel van het boerenbedrijf; men haalde er hakhout uit om het huis mee te verwarmen of om op te koken, gebruikte het om palen voor afrastering van te maken. De bomen die groot waren gegroeid werden gebruikt in de constructie van nieuwe schuren en stallen. Tegenwoordig vervult de houtwal meestal enkel nog de windwerende functie en draagt deze bij aan ecologische verbindingen, de cultuurhistorie en de beleving van het landschap. Doordat in houtwallen een afwisseling zit tussen jonge bomen, oude bomen en struikvormers is het beeld op het boerenerf van buitenaf het meest groen met hier en daar een glimp van de bebouwing.

• • • • • • •

Opvallende gebouwen in open landschap. Beplanting langs lange hoofdlijnen. Nieuwe paden langs kavelsloten t.b.v. toegankelijkheid van het gebied. In halfopen landschap: bossen en andere opgaande groene elementen. Contouren van het erf behouden, geen scheve stukken grond aan het erf verbinden. Nieuwe gebouwen schikken in de bestaande richtingen van gebouwen op het erf. Indien mogelijk een het erf aansluiten op bestaande wandelpaden en zandwegen.

Aansluiting op het landschap De erven in de ontginningsgebieden liggen ingebed in de structuur van het landschap. De erven liggen aan de ontginningswegen en de rechte verkavelingsrichting is terug te vinden in de rationele opzet van de erven. De mate van erfbeplanting neemt toe naarmate de ruimtes waarin de erven liggen groter worden. Aansluiting op paden Het gebied van de planmatige rationele nederzettingen is relatief jong. Het systeem van de knooperven werd in de tijd dat deze gronden werden ontgonnen al lang niet meer toegepast. De hoeveelheid aanwezige paden en zandwegen is van oorsprong niet zo groot. De wel aanwezige paden en zandwegen zijn vaak in privaat eigendom waardoor deze niet bijdragen aan de toegankelijkheid van het gebied. Aandachtspunten en kansen bij verandering • Kenmerken planmatige structuur. • Onderscheid open landschap + halfopen landschap. • Lange zichtlijnen. Regio Achterhoek - Gelders Genootschap

41

Streekeigen beplanting Bij het boerenerf horen een aantal groene elementen zoals houtwallen, hagen, boomgaarden, beplanting op de erfgrens etc. De streekeigen soorten voor deze groene elementen zijn verschillend in gebieden die relatief nat en gebieden die relatief droog zijn. De verdeling op het erf in woon en werkgedeelte zijn ook in beplanting te herkennen. Aan de woonzijde zijn hagen, de boomgaard(en), de moestuin en de siertuin te vinden. Aan de achterzijde zijn meer de houtwallen, struiken, en boomsingels te vinden. Het toepassen van streekeigen beplanting draagt bij aan de verankering van het erf in het landschap.

Houtwallen Houtwallen in kampnederzettingen en in es- en enk nederzettingen bestaan gedeeltelijk uit andere soorten dan houtwallen op boerenerven in heide en broekontginningen. Algemene soorten in alle houtwallen zijn eik, ruwe berk, meidoorn en veldesdoorn. In de kamp-, es- en enk nederzettingen komen ook de soorten lijsterbes, hazelaar, hondsroos, vuilboom, Gelderse roos en hulst voor. In heide en broekontginningen komen naast de algemene soorten ook zwarte els, boswilg, hondsroos en vooral in de broekontginningen ook es voor. Houtwallen kunnen goed worden toepast als erfafscheiding, en daarnaast ook langs schuren en stallen. In de verschillende landschapstypen kunnen extra houtwallen bijdragen aan versterking van het karakter van het landschap omdat deze bijna overal voor het grootste deel zijn verdwenen. In het kampenlandschap geldt dit extra omdat ze hier zo kenmerkend voor het landschap zijn.

42

Achterhoekse erven veranderen - Mei 2008

Struiken De struiken die voorkomen op het erf zijn streekgebonden aan de Achterhoek. In de lagere delen waar de bodem wat natter is komen met name sering, boerenjasmijn en bessenstruiken voor. Op de wat drogere bodems komt naast deze soorten ook hulst voor.

Hagen De moestuin, de boomgaard en de voortuin worden door hagen afgeschermd. De soorten voor de hagen van de moestuin en de voortuin zijn met name beuk, haagbeuk en liguster. Binnen de hagen rondom de moestuin en de siertuin wordt soms buxus gebruikt om delen van de tuinen te scheiden. In bosrijke gebieden staan vaker hekken rondom de tuinen met daartegen kamperfoelie en klimop geplant. De hagen rondom de boomgaarden zijn vaak van de soorten meidoorn of veldesdoorn.

Bomen Rond het woonhuis staan vaak een of twee grote monumentale bomen zoals een kastanje, linde of notenboom in de kamp, es en enk nederzettingen. In de heide en broekontginningen is dat vaak een kastanje. Naast het huis komen verder nog berk, een hoogstamfruitbomen, sierappels of sierperen voor. Langs de toegangsweg tot het erf staan eiken die dicht bij elkaar zijn geplant, in alle nederzettingstypes. Soms staan er ook een of twee rijen eiken als erfafscheiding. In de boomgaard staan hoogstamfruitbomen als appel, peer, pruim, kers en op de drogere gronden ook noot. In kamp, es- en enk nederzettingen komen ook zogenaamde eikengaarden voor, groepen eiken in grid geplant, zonder onderbeplanting. Kleine bosjes die worden aangeplant in het kampenlandschap versterken het landschap. Langs schuren en stallen kunnen singels van bomen voor verankering in het landschap zorgen.

Beekbegeleidende beplanting Op erven die grenzen aan een beek kunnen soorten als grauwe wilg en inlandse vogelkers rond de beek bijdragen aan de verankering van het erf in het landschap. In heideontginningen langs sloten en in broekontginningen langs sloten en in lage delen komen knotwilgen voor.

Regio Achterhoek - Gelders Genootschap

43

Landschappelijke versterking

Verbouw van het oorspronkelijke hoofdgebouw

44

Achterhoekse erven veranderen - Mei 2008

Transformaties van erven die het verbouwen van bestaande gebouwen omvatten, hebben weinig impact op de landschappelijke verankering van het erf. Vaak verandert daar weinig aan. Om landschappelijke kwaliteitswinst te behalen kan gedacht worden aan het versterken van de eigenschappen die bij het nederzettingstype horen waarvan het erf deel uitmaakt. Bijvoorbeeld door laanstructuren aan te brengen in een Landgoederenlandschap of Kampenlandschap, door houtwallen aan te brengen langs kavelgrenzen van weilanden in rationele nederzettingen, of door beekbegeleidende beplanting aan te brengen in beekdalnederzettingen. Op het erf zelf kan gedacht worden aan het gebruiken van streekeigen beplantingen of het aanleggen van hoogstamboomgaarden. In het LOP heeft elke gemeente aangegeven welke onderdelen van het landschap kunnen worden versterkt.

4. VERSCHILLENDE OPGAVEN Bij de veranderingen aan erven kan men verschillende opgaven onderscheiden. Daarbij spelen telkens andere aspecten een rol. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de volgende opgaven: • Verbouw van een boerderij • Splitsen van een boerderij • Wonen of werken in een schuur of stal • Sloop en nieuwbouw op het erf • Realisatie grootschalige bedrijfsbebouwing Een erf omvat zowel terrein, bebouwing als terreininrichting en heeft een landschappelijke context. Veranderingen aan gebouwen door verbouw, sloop of nieuwbouw hebben gevolgen voor de terreinindeling en daarmee ook voor het totale erf.

oorspronkelijke bedrijfsgedeelte een gesloten beeld opleveren en dat erkers en serres (mits terughoudend vormgegeven) alleen aan het woongedeelte van de boerderij denkbaar zijn. Aan de binnenkant van de boerderij moet aandacht besteed worden aan het handhaven van de hoofdstructuur en van belangrijke karakteristieke elementen.

Verbouwen van een boerderij. Het oorspronkelijke bedrijfsgedeelte van de boerderij wordt verbouwd tot woonruimte, berging/garage of nieuwe werkruimte behorend bij de woning. Bijvoorbeeld voor een kantoor aan huis, een atelier, een winkel in streekproducten of een werkplaats aan huis. De inrichting van het erf In deze gevallen blijft er één eigenaar op het erf, waardoor de aanpassing van de terreininrichting minder ingrijpend zal zijn. Die vinden vooral plaats rondom het voormalige bedrijfsgedeelte. De boerderij Bij de verbouwing worden de oorspronkelijke kenmerken van de boerderij gerespecteerd. Deze kunnen worden bepaald in een cultuurhistorische waardestelling. Zo dient de oorspronkelijke indeling van de boerderij met een woon- en een bedrijfsgedeelte ook na verbouw herkenbaar te zijn vanuit het omliggende landschap. Belangrijk is dat de gevels aan de voor- en achterzijde van de boerderij duidelijk anders worden behandeld, dat de grote dakvlakken in het

Inspiratie..... •

• • • • •

Er zijn verschillende boeken gemaakt over erven en erftransformaties. Enkele titels en sites ter inspiratie: www.bouwenbijboerderijen.nl www.bronckhorst.nl onder infobalie, plannen en projecten is een voorbeeldenboek opgenomen Traditie en vernieuwing: gezamenlijke uitgave van provincie Overijssel en het Oversticht. Kiezen voor een fraaie omgeving: uitgave van de gemeente Ede www.landschapsbeheergelderland.nl voor info over streekeigen beplanting

Regio Achterhoek - Gelders Genootschap

45

Meerdere eigenaren op één erf

Rechtsboven: ‘Deel’ verbouwd tot slaapzaal voor 30 personen. Onder: gedeelte van de boerderij verbouwd tot restaurant

46

Achterhoekse erven veranderen - Mei 2008

De samenhang in vormgeving en inrichting van het erf komt min- of meer vanzelf tot stand zolang er sprake is van één eigenaar. Bij functieverandering naar wonen of woon-werkfuncties krijgen we te maken met meerdere eigenaren of huurders op één erf, die elk hun eigen wensen en ideeën hebben. Bijvoorbeeld m.b.t.: • erf- en tuininrichting, erfafscheiding, erfbeplanting • plaats en vorm van bijgebouwen • onderhoud en verbouw van gebouwen Mensen hebben verschillende wensen m.b.t. privacy en het idee van buiten wonen. Meerdere woningen op een erf betekent dat je niet om elkaar heen kunt en dat je samen een aantal zaken moet regelen. Bij de indeling van het erf en de woonplattegronden zou zo moeten zijn dat bewoners de mogelijkheid hebben meer op zichzelf te wonen. Functies, die minder privacygevoelig zijn kan men daarom het best naar het collectieve gedeelte van het er richten; bijvoorbeeld de entree, bergingen, een kantoor of een keuken. Terwijl woonkamers en slaapkamers op de begane grond het best naar de buitenzijde gericht kunnen worden. Collectieve zaken moeten op een zakelijke wijze worden geregeld, bijvoorbeeld via een vereniging van eigenaren. Over welke zaken collectieve afspraken gemaakt moeten worden hangt af van het ruimtelijk ontwerp en de relatie met het landschap. Onder meer m.b.t.

onderhoud en beheer van: • het gemeenschappelijke erf en de toegangswegen • erfafscheidingen t.o.v. de omgeving • erfafscheidingen tussen privétuinen • opgaande beplanting als bomen, houtwallen en bosjes • landschapselementen in de omgeving van het erf • onderhoud, beheer, verbouw van gebouwen

VERSCHILLENDE OPGAVEN Splitsen van een boerderij Soms bestaat er behoefte aan een extra woning op het erf voor bijvoorbeeld een familielid dat meewerkt op de boerderij of voor ouders die niet meer op de boerderij werken. Aan deze behoefte wordt voldaan door de boerderij te splitsen. De ‘deel’ wordt dan getransformeerd tot een woning. Ook kan een deel van de boerderij worden afgesplitst t.b.v. recreatie, een gastenverblijf of een werkruimte, met een andere eigenaar en/of gebruiker dan de bestaande woning. Zo’n boerderij krijgt dan als het ware meerdere “voordeuren”.

torische waardestelling. Behoud van de indeling van de boerderij in woongedeelte en (voormalig) agrarisch bedrijfsgedeelte. De oorspronkelijke indeling is uitgangspunt voor een nieuwe indeling. Nieuwe kleine bijgebouwen passen niet bij de massa’s en volumes die kenmerkend zijn voor de gebouwen van een erf. Bijgebouwen als garages e.d. kunnen een plek vinden binnen de bestaande bebouwing. Wagenschuren of andere schuren kunnen hiervoor uitkomst bieden.

De inrichting van het erf Een belangrijk punt bij splitsing is de toegang naar de verschillende onderdelen. Ook is er vaak meer behoefte aan verharding, parkeerruimte, afbakening van verschillende privé-ruimte etc. Volledig toegeven aan deze wensen zou betekenen dat het erf uit elkaar valt. Het erfinrichtingsplan moet ervoor zorgen dat vanuit het omliggende landschap het erf met de bijbehorende bebouwing en erfinrichting als één samenhangend erf leesbaar blijft. Belangrijke punten zijn: één toegangsweg naar het erf, de plaats van de tuin op het erf en afscheidingen van de privé-tuinen. Afscheidingen van privé-tuinen als hagen en andere opgaande groenelementen passen goed bij het boerenerf. Wanneer een deel van het erf wordt gebruikt door een andere eigenaar, ontstaat soms (ook later) de behoefte naar bijvoorbeeld een tweede toegang tot het erf. Starten met een goed doordacht ontwerp waarin het ‘één erf principe’ is meegenomen is daarom belangrijk. De boerderij Evenals bij het verbouwen van een bestaande boerderij geldt; Aandacht voor de oorspronkelijke waarden. Deze kunnen worden bepaald in een cultuurhisRegio Achterhoek - Gelders Genootschap

47

Wat is oorspronkelijk? Veel Achterhoekse erven en boerderijen kennen een lange bouwgeschiedenis. De oudste erven zijn ontwikkeld vanaf de middeleeuwen. Tot in de 19de eeuw zijn het vooral hallehuizen en overheersen hout, riet en vakwerkconstructies met leem als bouwmateriaal. In de tweede helft van de 19de worden de meeste boerderijen gemoderniseerd. Vanaf dat moment is het gebruikelijk dat baksteen wordt toegepast voor gevels en dakpannen en soms riet voor de daken. Bij veranderingen werden de bestaande onderdelen, die nog bruikbaar waren, verwerkt in de nieuwe boerderij. Zo kan men in de 19de eeuwse boerderijen nog oudere gebintconstructies, vloeren, kelders, fundamenten, en bouwmuren aantreffen. Door de tijd heen hebben zich wijzigingen voorgedaan door nieuwbouw, sloop of verbouw van boerderijen. Ook werden vele panden uitgebreid of ‘verfraaid’ in de bouwmode welke op dat moment gangbaar was. Door al deze wijzigingen zijn er bij panden nog sporen uit het verleden herkenbaar, zoals gevelopeningen en ‘moeten’, bouwsporen in de gevel waaraan te zien is dat er ooit een bouwwerk tegen aan gestaan heeft of dat de betreffende gevel oorspronkelijk een andere vorm bezat. Ondanks deze wijzigingen bleef de structuur van de gebouwen wel overeind.

De hoofdstructuur van het boerderijcomplex De historische boerderij bestaat uit verschillende onderdelen, die elk een duidelijke structuur bezitten. We onderscheiden het woongedeelte, het bedrijfsgedeelte (de “deel”) en één of meer aangebouwde schuren. Gebinten verdelen de deel en de schuren in de lengterichting in meerdere traveeën. In de dwarsrichting zien we een open middendeel en stalruimtes langs de zijgevels. Bij verbouw van het boerderijcomplex dient de aanwezige hoofdstructuur altijd behouden te blijven. Bij splitsing vormt de aanwezige indeling het uitgangspunt. Respect voor de ontwikkelingsgeschiedenis Veel boerderijen in de Achterhoek hebben een eeuwenlange bouwgeschiedenis. Het is dan ook lastig om te bepalen wat waardevol en oorspronkelijk is en wat niet. In beginsel dienen zoveel mogelijk elementen behouden te worden, die vertellen van het gebruik en de bewoners van de boerderij door de jaren heen. Latere toevoegingen en verbouwingen kunnen als storend worden ervaren. Bijvoorbeeld een doorzonraam; kenmerkend voor de mode van de jaren 70. In die gevallen kan worden teruggegrepen op oudere situaties. Bij verbouwingen dienen waardevolle elementen uit de bouwgeschiedenis van het pand zoveel mogelijk bewaard te worden. Bij meer ingrijpende bouwplannen dient daarom altijd een bouwhistorische scan te worden uitgevoerd.

Er moet worden aangetoond, dat een zorgvuldige afweging is gemaakt tussen aanwezige historische waarden en hedendaagse wensen en mogelijkheden.

48

Achterhoekse erven veranderen - Mei 2008

VERSCHILLENDE OPGAVEN Wonen of werken in een schuur of stal Stallen, schuren, spiekers, hooimijten en andere bebouwing maken van oudsher deel uit van het Achterhoekse boerenerf. Ze vormen met de boerderij het gebouwenensemble op het erf. Het behoud van deze bouwwerken is van belang voor de cultuurhistorische waarde en voor de agrarische karakteristiek van het landschap. Door deze gebouwen een nieuwe functie te geven, kunnen ze behouden blijven. Bijvoorbeeld één of meerdere woningen, een woning in combinatie met een kantoor, meerdere bedrijven of recreatieve functies. Soms kan een schuur ook gebruikt worden als bergruimte of voor één of meer garages.

nen. Afscheidingen van privé-tuinen als hagen en andere opgaande groenelementen passen goed bij het boerenerf. Wanneer een deel van het erf wordt gebruikt door een andere eigenaar, ontstaat soms (ook later) de behoefte naar bijvoorbeeld een tweede toegang tot het erf. Starten met een goed doordacht ontwerp waarin het ‘één erf principe’ is meegenomen is daarom belangrijk.

Het te behouden gebouw Bij het verbouwen van schuren, stallen etc. is uitgangspunt dat er met respect met de karakteristieke kenmerken wordt omgegaan. Deze kunnen worden bepaald in een cultuurhistorische waardestelling. Dit soort gebouwen zijn ondergeschikt aan de boerderij. Daarom past een zekere ingetogenheid bij verbouw. Belangrijk is dat het vaak eenvoudige silhouet in tact blijft. Wanneer meerdere eenheden in een gebouw worden gesitueerd zijn de entrees van de eenheden ook aandachtspunt. Daarnaast is voor de bebouwing een uitgangspunt dat de schuur als één gebouw beleefbaar blijft (aanbouwen zijn alleen mogelijk als ze passen bij de kenmerken van het gebouw).

Foto midden: Verbouw van schuur tot restaurant/ partycentrum Foto’s rechts: Verbouw van schuur tot kantoor.

Inrichting van het erf Het erfinrichtingsplan moet ervoor zorgen dat vanuit het omliggende landschap het erf met de bijbehorende bebouwing en erfinrichting als één samenhangend erf leesbaar blijft. Belangrijke punten zijn: één toegangsweg naar het erf, de plaats van de tuin op het erf en afscheidingen van de privé-tui-

Regio Achterhoek - Gelders Genootschap

49

Dakenlandschap De Achterhoekse boerenerven kenmerken zich door het dakenlandschap. Vanuit het landschap worden erven beleefd als een groep bebouwing waarvan voornamelijk de daken met grote oppervlaktes zichtbaar zijn. Grote kappen zijn kenmerkend voor boerderijen en schuren in de Achterhoek. Dit dateert van oudsher toen dakpannen goedkoper bouwmateriaal was dan baksteen. De gevels werden bij aanbouw daarom laag gehouden en er werd zoveel mogelijk dak gebouwd. Dat zie je nu nog terug in het landschap.

50

Achterhoekse erven veranderen - Mei 2008

Het dakenlandschap is kenmerkend voor de Achterhoek. Voor nieuw te bouwen boerderijen, bijgebouwen of schuren is dan ook het belangrijkste uitgangspunt de grote gesloten dakvlakken. Dan bouw je op een nieuwe manier verder in een oude traditie en worden de kenmerken van het Achterhoekse landschap versterkt. Nieuw bouwen met grote gesloten dakvlakken lijkt een hele opgave. Toen de grote boerderijen met gesloten dakvlakken werden gebouwd, werden de ruimtes onder het dak niet gebruikt om te wonen, tegenwoordig is die wens er wel. Lichttoetreding is dan een belangrijke randvoorwaarde. Vaak wordt in eerste instantie gedacht aan dakkappellen (dakopbouwen), deze breken echter het dakvlak en zijn daarom niet wenselijk. Het optillen van een deel van het dakvlak kan wel, mits op verantwoord ontworpen. Dat wil zeggen: in de bouwstijl van het gebouw en voldoende gedetailleerd. Er zijn echter veel meer mogelijkheden om ruimtes onder het dak van licht te voorzien. Verschillende voorbeelden zijn opgenomen om te laten zie hoe voor voldoende licht kan worden gezorgd, waarbij het dakvlak zo min mogelijk aangetast word. Lichtstraten en het optillen van het dakvlak zijn oplossingen voor lichttoetreding die zijn te verkiezen boven dakkapellen. De daken in het Achterhoeks landschap voegen zich als het ware in de achtergrond. Mede daardoor worden de erven als vanzelfsprekend ervaren.

Door de ouderdom wordt de kleur van het dak steeds minder opvallend en past het steeds meer bij de overige kleuren in het landschap. Door de juiste materialen en materiaalkleuren te gebruiken voegen nieuwe daken zich ook in het landschap. De aandachtpunten zijn dan de terughoudendheid in kleurgebruik en ook in de intensiteit van kleuren. Daarnaast is het materiaalgebruik aandachtspunt. Als uitgangspunt geldt dat er wordt aangesloten bij de steekeigen dakbedekking: (ongeglazuurde) pannen of riet.

Regio Achterhoek - Gelders Genootschap

51

Vernieuwende ontwerpen, nieuwe vormen

Midden: Rij ontwerpschetsen voor VAB locatie in Montferland, voortbordurend op bouwwerken als de T-boerderij en de wagenschuur. Rechts: Voorbeelden van nieuwe gebouwen in het landelijk gebied

52

De neiging bestaat om nieuwe ontwikkelingen te verpakken in oude vormen. Vormen worden afgeleid van bestaande vormen, die bedacht zijn voor andere functies en gemaakt werden met andere bouwtechnieken. Er is niets mis met het voortborduren op bestaande, streekeigen vormen en materialen. Maar nieuwe, inspirerende vormen kunnen ook een verrijking zijn voor de omgeving. Nieuwe opgaven en programma’s mogen nieuwe vormen scheppen, die blijk geven van een creatief, eigentijds en bloeiend platteland. De gemeenten in de regio Achterhoek willen initiatiefnemers en ontwerpers uitdagen tot het bedenken van nieuwe vormen, die een waardevolle bijdrage geven aan het toekomstige beeld van de Achterhoek. Het is mogelijk dat nieuwe vormen niet zondermeer passen binnen de randvoorwaarden, zoals in deze nota geformuleerd. Maar gemeentebesturen kunnen hiervan afwijken, wanneer overtuigend kan worden gemotiveerd, dat deze nieuwe vormen kwaliteit toevoegen aan het landschap en de architectuur van de streek. Plannen dienen wel altijd rekening te houden met bestaande kwaliteiten. Ook dienen nieuwe vormen in het algemeen niet zo extravert te zijn, dat ze als het ware het landschap overschreeuwen.

Achterhoekse erven veranderen - Mei 2008

VERSCHILLENDE OPGAVEN Nieuwbouw op het erf (binnen bestaande schaal) Op erven waar bebouwing gesloopt wordt mogen nieuwe woningen gebouwd worden. Deze nieuwe bebouwing gaat deel uitmaken van het erf. Plaats nieuwe gebouwen Soms mag er nieuw gebouwd worden op een erf, omdat er storende of minder waardevolle gebouwen gesloopt worden. Juist in die situaties, waar relatief grote agrarische gebouwen gesloopt kunnen worden, die qua schaal en situering niet zo goed aansluiten bij het historische erf, kan een grote kwaliteitsverbetering worden bereikt. Het is dan wel van belang de omvang van het erf terug te brengen. Vanuit de omgeving gezien is het belangrijk dat het erf als één geheel beleefbaar blijft. Wanneer gebouwen ver uit elkaar gesitueerd worden, wordt dat vanuit de omgeving beleefd als meerdere erven. Het tegengaan van de verstening wordt dan niet ervaren. Belangrijk is daarom dat de nieuwe gebouwen dicht bij de bestaande gebouwen gesitueerd worden, met ingangen aansluitend bij het collectieve gedeelte van het erf. De traditionele opzet van een erf is het vertrekpunt. De nieuwe gebouwen vormen een ensemble met de bestaande gebouwen. Om te bereiken dat de nieuwbouw binnen de erfopzet ondergeschikt blijft ten opzichte van het hoofdgebouw, wordt deze achter het oorspronkelijke woongedeelte gesitueerd.

Evenzo is een nieuw hoofdgebouw altijd prominent ten opzichte van de secundaire gebouwen gesitueerd. De organisatie op het erf is altijd zodanig dat verharding wordt beperkt. Er wordt aandacht besteed aan de situering van de privé-gedeeltes. De richting van de nieuwe gebouwen sluit aan bij de lijnen in het landschap en bij de richtingen die kenmerkend zijn voor het nederzettingstype waarin het erf ligt. Bij het

zoeken van een plaats voor nieuwe gebouwen draait het om de hiërarchie en het ensemble. Versterking van het landschap en terreininrichting Het erf dient vanuit de omgeving als een eenheid te worden ervaren. Aandacht voor de randen van het erf is belangrijk, deze kunnen fors aangezet worden met houtwallen of groepen van inheemse struikvormers en bomen. Bij sommige nederzettingstypen kunnen ook bosranden worden aangeplant. Aanwezige landschapselementen aansluitend aan het erf als houtwallen, bomenrijen, beekbegeleidende beplanting, maar ook zandpaden moeten behouden blijven. Om het landschap te versterken kunnen deze ook worden hersteld of toegevoegd. Erven, die in het verleden te ver zijn uitgegroeid, dienen te worden teruggebracht tot een omvang, die past binnen het landschap. Op het erf zelf kan gedacht worden aan versterking van de terreininrichting door het toepassen van streekeigen beplanting als hagen, boomgaarden en siertuinen. Afscheidingen van privé-gedeeltes zijn altijd groene elementen. Verlichting is slechts beperkt aanwezig en eenvoudig vormgegeven. Met nieuwe verharding wordt terughoudend omgegaan.

moet gewaakt worden voor het ‘verdampen’ van de volumes die kenmerkend zijn voor bebouwing van een erf. Te kleine volumes hebben het effect dat het erf als ‘popperig’ ervaren wordt vanuit de omgeving. Ook nieuwe bijgebouwen hebben voldoende schaal, als referentie kunnen oude wagenschuren gebruikt worden. Materiaalgebruik en detaillering Aan nieuwe bebouwing mag gezien worden dat het gebouwd is in het ‘nu’. De gebouwen mogen een eigentijdse uitstraling hebben, maar moeten daarbij wel aansluiten bij de bestaande bebouwing in de omgeving. Dit wordt deels bereikt door de vorm van de gebouwen en deels door het materiaalgebruik en de detaillering. Bij materialen kan gedacht worden aan hout, baksteen, pannen en riet. Overige materialen zijn niet per definitie uitgesloten, het nieuwe gebouw straalt wel een zekere soberheid uit. Terughoudendheid in kleurgebruik is een vereiste. Nieuwe bijgebouwen zijn door de materialisering, kleur en detaillering altijd ondergeschikt aan het hoofdgebouw. De gevels van de gebouwen sluiten aan bij de oorspronkelijke indeling van de gevels: sprekende kopgevels en sobere zijgevels.

Vorm van de gebouwen Nieuwe gebouwen hebben een eenvoudig, rechthoekig grondplan. Nieuwe hoofdgebouwen kunnen een T-vorm als grondplan hebben, mits er voldoende volume gecreëerd wordt. De nieuwe volumes zijn voorzien van zadeldaken met lage goten en steile kappen van ca. 45 graden. Wolfskappen, mansardekappen en schildkappen kunnen worden toegepast mits dit past binnen de eigenschappen per streek en de goten laag zijn. De nieuw toe te voegen volumes zijn fors en passen bij de schaal van de bebouwing die bij een erf hoort. Hiertoe kunnen meerdere wooneenheden of functies samengevoegd worden onder één kap. Er Regio Achterhoek - Gelders Genootschap

53

Altijd een erf met meerdere gebouwen? Een boeren erf als ensemble van gebouwen en erfinrichting is een belangrijke bouwsteen van het Achterhoekse landschap. Het vervangen van zo’n erf door één woning (of één te klein gebouw) zorgt er meestal voor dat je een schakel in het landschapsbeeld gaat missen. Dit is zeker het geval als het erf deel uitmaakt van een reeks of een groep erven. Dit is ook zo als de landschapsstructuur in de omgeving sterk gericht is op dat erf. Het vervangen van een erf door een aantal losse gebouwen elk op een apart perceel verstoort ook het evenwicht tussen landschap en bebouwing. Bebouwde percelen gaan sterker het landschapsbeeld domineren en dat is in strijd met de wens om verstening terug te dringen. Naast het boeren erf komen ook andere bebouwingsthema’s voor in het Achterhoekse landschap. In sommige situaties is het vervangen van een boeren erf door zo’n ander thema denkbaar.

Foto’s: Voorbeelden van nieuwe schuren, duidelijk een slag groter. Verschil is te zien in ligging kaal in het landschap of omgeven met groen en in eenduidige en gelede massa’s

54

Voorbeeld: Bebouwingslinten Waar het bestaande erf onderdeel is van een relatief dicht bebouwingslint is het erf als afzonderlijke eenheid minder waarneembaar. In die situaties zou men kunnen kiezen om alleen het hoofdgebouw te handhaven, mits daardoor de samenhang in het bebouwingslint niet wordt verstoord. Wat ook meespeelt is dat met name in sterk rationele landschappen de structuur zo’n sterk kader kan vormen, dat de erven daaraan ondergeschikt zijn.

Achterhoekse erven veranderen - Mei 2008

VERSCHILLENDE OPGAVEN Realisatie grootschalige bedrijfsbebouwing Agrarische bedrijven met toekomst hebben vaak behoefte aan stallen en gebouwen, die veel groter zijn dan de oorspronkelijke boerderij. Daarbij stelt de bedrijfsvoering specifieke eisen, die zich niet verdragen met de kenmerken van het oorspronkelijke agrarische erf. De toegankelijkheid voor zwaar verkeer stelt eisen aan de oprit en de verharding. Een kleinschalige erfinrichting ligt minder voor de hand. Versterking van het landschap Om de opname van dergelijke grote gebouwen in het landschap acceptabel te maken moet realisatie altijd samengaan met duurzame versterking van de structuur van het landschap. Hierbij wordt niet gedacht aan een randje zogenaamd schaamgroen rond het bedrijf of erfbeplanting, die bij de eerstvolgende uitbreiding zou kunnen sneuvelen. Gezocht moet worden naar structuren, die een lange houdbaarheidsdatum hebben, zoals wegen, paden, watergangen of bepaalde perceelsgrenzen. Gedacht kan worden aan de aanplant van een bosrand, enkele boomgroepen, een bomenrij of een houtwal. Wat gewenst is, is afhankelijk van het landschap ter plaatse.

(In dynamische gebieden, zoals landbouwontwikkelings-gebieden, kan gedacht worden om deze structuren collectief aan te brengen en de kosten te verrekenen bij de vergunningverlening.) Versterken oorspronkelijk erf Het is belangrijk dat het oorspronkelijke erf een sterke eenheid blijft vormen; een sterke compositie van karakteristieke gebouwen, opgaande beplanting en erfinrichting. De erfinrichting dient vooral groen te zijn en zo min mogelijk verhard.

bedrijfsgebouwen kan met verschillende aspecten rekening worden gehouden. Het moderne bedrijfserf is niet ondergeschikt, maar nevengeschikt ten opzichte van het oorspronkelijke boerenerf. Er is sprake van een twee-eenheid, waarbij beide erven een eigen karakteristiek hebben. Enkele stevige landschapselementen dragen bij aan de samenhang tussen beide erven (bijvoorbeeld een bosje, een houtwal, een boomgaard etc.) Nieuwe bedrijfsgebouwen worden zo geplaatst, dat het oorspronkelijke erf het beeld domineert vanuit de belangrijkste gezichtspunten. Het bedrijfserf ligt achter het oude erf of ernaast, maar dan wat naar achter geschoven. Er wordt ook rekening gehouden met de lijnen in het landschap en andere bebouwde erven in de omgeving. Het bedrijfserf krijgt een aparte ontsluiting naar de weg. De organisatie op het erf is zodanig dat verharding wordt beperkt. Meer representatieve bedrijfsonderdelen worden gekeerd naar de weg of de belangrijkste zichtzijde. Opslag, voederkuilen etc. worden uit het zich geplaatst en opgenomen in erfbeplanting (bijvoorbeeld hagen). Vorm van de bedrijfsgebouwen Grote gebouwen dienen zo mogelijk geleed, waardoor het beeld ontstaat van meerdere gebouwen, die tegen elkaar zijn gebouwd. Logistiek, functionaliteit en bouwwijze bepalen wat hierin mogelijk is.

De lengteas van de bedrijfsgebouwen speelt in op de lijnen van het landschap en/of op de dominante noklijnen van het bestaande gebouwen. Vanuit het landschap domineren de lange, steile kappen en de lage gootlijnen de zijgevels. Naar de belangrijkste zichtzijde wordt meer schaal aangebracht in de bouwmassa en de gevel, zodat een zekere harmonie ontstaat met de oorspronkelijke boerderij.

Plaats nieuwe bedrijfsgebouwen Bij het zoeken naar een goede plek voor de nieuwe Regio Achterhoek - Gelders Genootschap

55

SLOOP VAN BEBOUWING. DRAAGT DIT BIJ AAN RUIMTELIJKE KWALITEIT? Een belangrijke vraag bij erftransformaties is in hoeverre sloop van bebouwing bijdraagt aan verbetering van de ruimtelijke kwaliteit? De ruimtelijke kwaliteitswinst kan immers worden gecompenseerd door het toestaan van nieuwe functies en bouwmogelijkheden. De ruimtelijke kwaliteit, die bij sloop in het geding is, kan betrekking hebben op: • De cultuurhistorische of de beeldkwaliteit van de opstallen op zichzelf. • De cultuurhistorische of de beeldkwaliteit van de opstallen voor het erf als geheel en in relatie tot het landschap. Of een gemeente sloop wel of niet moet stimuleren hangt af van het antwoord op de volgende vragen: Is een sloopvergunning vereist? Dit speelt bij een beschermd monument, een beschermd gebied of in geval het bestemmingsplan een aanlegvergunning eist. In deze regelingen zijn uitgangspunten opgenomen voor beoordeling van de sloopaanvraag. In hoeverre levert sloop ruimtelijke kwaliteit op? Sloop zorgt voor meer ruimtelijke kwaliteit.

Wanneer is aangetoond, dat sloop een ruimtelijke kwaliteitswinst oplevert, kan de volgende vraag worden gesteld: In hoeverre is compensatie in de vorm van nieuw rood mogelijk? Dit is afhankelijk van een aantal punten: • Hoe groot is de ruimtelijke kwaliteitswinst? • Wat zijn de sloopkosten? • Is nieuw bouwvolume gewenst om het ensemble van gebouwen op het erf evenwichtig te houden? • Is er op deze locatie behoefte aan nieuw rood?

56

Achterhoekse erven veranderen - Mei 2008

Sloop vermindert de ruimtelijke kwaliteit. Sloop kan leiden tot vermindering van ruimtelijke kwaliteit. In die gevallen wordt sloop niet bevorderd, maar wordt ingezet op behoud en hergebruik van de opstallen. Dan spelen de volgende punten: • Draagt het toelaten van andere functies, bijvoorbeeld woningen, bij aan de mogelijkheden voor hergebruik? • Als men toch kiest voor sloop zal het kwaliteitsverlies gecompenseerd moeten worden met nieuwe ruimtelijke kwaliteit. • Wanneer de opstallen op zichzelf niet van waarde zijn, maar sloop leid tot een onevenwichtigheid in het ensemble van gebouwen op het erf, kan de mogelijkheid worden geboden om een nieuw bouwvolume te realiseren met een passende functie, bijvoorbeeld woningen. Deze optie komt in beeld als is aangetoond, dat hergebruik niet mogelijk is. Sloop is neutraal. Het levert niet meer of minder ruimtelijke kwaliteit op. Als sloop niet meer of minder ruimtelijke kwaliteit oplevert, is er geen noodzaak vanuit algemeen belang om sloop of hergebruik te stimuleren.

Voorbeeld van sloop en nieuwbouw Een deel van de schuren is gesloopt, een woning is ervoor in de plaats gekomen. Het erf en de verankering ervan zijn versterkt

Bij functieverandering of hergebruik kan een ruimtelijke kwaliteitsbijdrage worden gevraagd van de initiatiefnemer (verevening). Door uit te gaan van dit vereveningsprincipe kunnen de gemeenten waarborgen dat nieuwe initiatieven daadwerkelijk een positieve bijdrage leveren aan de typische kenmerken (karakter, identiteit) van een gebied of aan de prioriteiten die voor dat gebied zijn geformuleerd.

Keuze: Afbreken of restaureren?

Regio Achterhoek - Gelders Genootschap

57

UITGANGSPUNTEN VOOR ERFTRANSFORMATIE Stedenbouwkundige kenmerken Bij erftransformatie zijn in het bijzonder de volgende kenmerken van belang. • Gebouwen zijn gegroepeerd en maken deel uit van een erf. De compositie van de bouwmassa’s en de inrichting van het bijbehorende tererin roepen een evenwichtig beeld op. • De opzet van het erf verschilt per landschapstype, nederzettingsvorm of de ouderdom van het erf. Zo liggen de erven in de oude hoevelandschappen vaak op enige afstand van de doorgaande wegen, terwijl in de jongere landschappen de erven aan de weg liggen. Per erf is er in principe één bescheiden toegangsweg. • Op een erf is de oorspronkelijke boerderij het belangrijkste gebouw. Deze zijn meestal van het hallehuistype of varianten daarvan. Andere gebouwen op het erf zijn hieraan visueel ondergeschikt, bijvoorbeeld door situering, architectuur en/of omvang. Nieuwere schuren kunnen door hun situering, architectuur en/of omvang spanning oproepen met het oorspronkelijke gebouwenensemble. Functieverandering biedt dan mogelijkheden hier verbetering in aan te brengen. • Er is een duidelijk onderscheid tussen de oriëntatie van de gebouwen naar het erf en de oriëntatie naar de omgeving. Agrarische gebouwen zijn in beginsel zijn gericht op het erf. Aan de buitenzijde van de bebouwing ligt vaak een tuin, die met hagen of houtwallen is omzoomd.

Alleen het woonhuisgedeelte van de oorspronkelijke boerderij is gericht naar de omgeving. Bij jongere landschappen zijn woongedeeltes of aparte woonhuizen gericht naar de weg.

58

Achterhoekse erven veranderen - Mei 2008

Beleiduitgangspunten Belangrijk is dat wordt aangetoond dat het plan bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit en de vitaliteit van het buitengebied. Dit kan betrekking hebben op: • De landschappelijke en/of ecologische kwaliteit. Bijvoorbeeld herstel of behoud van kleinschalige landschapselementen; een passende inrichting van het erf; versterken van erfbeplanting, versterking van aanwezige nederzettingsvormen. • De kwaliteit van publieke ruimte Bijvoorbeeld het netwerk van fiets- en wandelpaden of andere routes. • De beeldkwaliteit van de bebouwing. Bijvoorbeeld hergebruik van waardevolle gebouwen, sloop van storende gebouwen of zorgvuldige nieuwbouw en verbouw. Groen en rood; landschapsontwerp De gemeente wil dat “rood” en “groen” bij bouwen en aanleggen in samenhang worden beschouwd. Een landschapsontwerp op hoofdlijnen vormt de basis voor elke nieuwe ontwikkeling. Ingrijpende bouwplannen in het buitengebied gaan altijd vergezeld van een landschapsontwerp op hoofdlijnen en een plan van aanleg voor het erf en directe omgeving van het bouwwerk.

•

•

• •

•

• Planologische uitgangspunten functieverandering (bron: regionale beleidsnotitie ‘functies zoeken plaatsen zoeken functies’ die ten grondslag ligt aan deze nota.) • Functieverandering is alleen van toepassing op fysiek bestaande, legale vrijgekomen (en ook vrijkomende) gebouwen die gelegen zijn in het buitengebied; • Er kan bij nieuwe functies onderscheid worden gemaakt tussen een (nieuwe) nevenfunctie en de hoofdfunctie; • Het beleid richt zich op maatwerk waarbij wordt

• • •

gestreefd naar win-win-situaties; Functieverandering moet leiden tot een bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit en vitaliteit dan wel andere aan het buitengebied gebonden kwaliteiten; Verevening (kwaliteitsbijdrage) kan nadrukkelijk als instrument / voorwaarde worden ingezet om ruimtelijke kwaliteit te bewaken en/of te bereiken. Ook sloop wordt gezien als een vorm van verevening; De in de omgeving aanwezige functies mogen niet onevenredig worden geschaad; De nieuwe functies moeten binnen de aard en schaal van de omgeving passen. Door dit beleid voor functieverandering moet de (landschappelijke) kwaliteit van een gebied minimaal gelijk blijven, maar bij voorkeur verbeterd worden. Bij het bepalen van de landschappelijke kwaliteit, en de eventuele verbetering, wordt aansluiting gezocht bij gemeentelijke landschaps (-ontwikkelings-) plannen en de Streekplanuitwerking voor de ‘Kernkwaliteiten’ van waardevolle landschappen; De nieuwe functie mag geen onaanvaardbare aantasting zijn van karakteristieke of monumentale gebouwen; Nieuwe functies mogen geen onaanvaardbare verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben; Bij verbouw/nieuwbouw moet worden voldaan aan beleid voor beeldkwaliteit en welstand; Buitenopslag van goederen en stalling buiten is niet toegestaan; Detailhandel is slechts toegestaan voor streekeigen en/of ter plaatse vervaardigde agrarische producten;

5. UITGANGSPUNTEN EN CRITERIA BEOORDELINGSCRITERIA PUNTSGEWIJS Algemeen • De gemeente wil dat bij die bouwactiviteiten de bestaande waardevolle kenmerken behouden blijven en de vervlakking van het karakter van het buitengebied wordt tegengegaan. Het onderscheid in de landschappelijke identiteit van verschillende gebieden moet worden versterkt. In cultuurhistorisch waardevolle gebieden gebeurt dit zoveel mogelijk volgens oude patronen. In andere gebieden kan worden gekozen voor nieuwe vormen, die beter passen bij de huidige functies. • De gemeente wil echter ook bevorderen dat nieuwe architectonische en landschappelijke kwaliteiten tot stand komen. • De gemeente streeft naar plannen, die bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit en de vitaliteit van het buitengebied. Dit kan betrekking hebben op: • De landschappelijke en/of ecologische kwaliteit. Bijvoorbeeld herstel of behoud van kleinschalige landschapselementen; een passende inrichting van het erf; versterken van erfbeplanting, versterking van aanwezige nederzettingsvormen. • De kwaliteit van publieke ruimte. Bijvoorbeeld het netwerk van fiets- en wandelpaden of andere routes. • De beeldkwaliteit van de bebouwing. Bijvoorbeeld hergebruik van waardevolle gebouwen, sloop van storende gebouwen of zorgvuldige nieuwbouw en verbouw. Plaatsing/situering • Behoud en versterking oorspronkelijke kenmerken boeren erf.

Belangrijke vragen: Welke gebouwen te slopen? Hoe nieuwe gebouwen te situeren? • Gebouwen geconcentreerd op afzonderlijke bouwpercelen. Verbrokkeling complex vermijden.

•

•

•

•

Per ensemble roepen compositie van bouwmassa’s en inrichting bijbehorende erf een evenwichtig beeld op. Compositie van gebouwen en inrichting erf passen bij landschapstype. Kenmerken landschap worden versterkt. Architectuur van nieuwbouw afgestemd op waardevolle kenmerken van te handhaven bebouwing in het ensemble en in andere ensembles in de omgeving, voorzover daarmee een visuele relatie bestaat (bijvoorbeeld in een krans langs een es of in een reeks langs de weg). Erfinrichting is verzorgd, bescheiden en in harmonie met de groene omgeving. Streekeigen verhardingen, afrasteringen, hekken en poorten nastreven. Per erf in beginsel één bescheiden toegangsweg.

Massa/vorm • Bij nieuwbouw telkens meerdere woningen en/of functies combineren tot één bouwmassa onder één dak, zodat stevig volume ontstaat dat past bij bestaande bebouwing. (Vrijstaande woningen zijn mogelijk, mits voldoende volume, passend binnen ensemble en onder een zadeldak). • Geen herhaling van gelijke bouwmassa’s • Eenvoudige hoofdvormen nastreven. Nieuwe gebouwen eenduidige, kloeke hoofdmassa; Duidelijk ondergeschikte toevoegingen; Zadeldaken met grote dakvlakken en lage gootlijnen. • Oorspronkelijke boerderij of woonhuis manifesteert zich in principe als belangrijkste gebouw. Andere gebouwen op erf zijn hieraan visueel ondergeschikt, bijvoorbeeld door situering, architectuur en/of omvang. • Gebouwen in beginsel gericht op gemeenschappelijk erf met aan buitenzijde van de bebouwing tuin, die door hagen of houtwallen

•

op samenhangende wijze is ingekaderd. Op elk erf één herkenbaar hoofdgebouw, meestal oorspronkelijke boerderij of woonhuis, met ook gezicht naar omgeving.

Kleur- en materiaalgebruik • Kleur- en materiaalgebruik afstemmen op de karakteristiek in het landschap, waarbij het gebruik van gedekte kleuren (roodbruine bakstenen voor de gevels en antracietgrijze pannen als dakbedekking) het meeste voorkomt. • Rieten dakbedekking kan mits het voorkomt in de omgeving en dit past bij de stijl van het bouwwerk en zorgvuldig is gedetailleerd. • Voor kozijnen en eventuele gevelbetimmering is in principe hout toegepast. • Bij materialen en detailleringen zijn meer eigentijdse oplossingen mogelijk voor nieuwe gebouwen, mits afgestemd per erf. Afstemming op andere erven in de omgeving is nodig, indien daarmee een visuele relatie bestaat Detaillering • Bij detaillering moeten de aanwezige fijne en/of ambachtelijke onderdelen behouden blijven. • De detaillering van nieuwe onderdelen moet qua vorm en uitstraling passen bij de aanwezige details. • Geen onderbrekingen van doorgaande dakvlakken, lage goten. Kleine daken niet afgewolfd. Afwerking erf In het beeld van de erfinrichting overheersen natuurlijke elementen ( hagen, heggen of houtwallen). Terughoudend wordt omgaan met de toepassing van bouwkundige elementen en objecten. Het toepassen van verharde oppervlakken wordt beperkt. Indien verharding nodig is dan bij voorkeur halfverharding. Regio Achterhoek - Gelders Genootschap

59

De status van het welstandsadvies (rood en groen)

Aan het begin van het proces moet voor de gemeente duidelijk worden wat de kwaliteiten van het te transformeren erf zijn. Een terreinbezoek kan daarbij helpen

60

Gestreefd wordt naar één integraal advies over de ruimtelijke kwaliteit van bebouwing en erfinrichting. Juist de samenhang tussen rood en groen is van essentieel belang bij verandering van erven. Zo’n advies kan worden gegeven door een welstandscommissie, die deskundigheid heeft m.b.t. architectuur en landschap. Zo’n welstandscommissie wordt ook wel commissie ruimtelijke kwaliteit genoemd. Het welstandsadvies is conform de woningwet een weigeringsgrond voor de bouwvergunning. Daarbij gaat het welstandsadvies over uiterlijk en plaatsing van gebouwen. Een erfinrichtingsplan is vereist, omdat het inzicht geeft in de ruimtelijke context van het bouwplan. Een welstandsadvies over de erfinrichting is geen weigeringsgrond voor de bouwvergunning. Het welstandsadvies over de erfinrichting kan een rol spelen bij het verlenen van een aanlegvergunning, bij het verlenen van vrijstelling, het stellen van nadere eisen of bij wijziging van een bestemmingsplan. Dit dient in het bestemmingsplan te worden geregeld. De gemeente kan het welstandsadvies over de erfinrichting ook betrekken bij het sluiten van privaatrechtelijke overeenkomsten om het beheer van de erfinrichting veilig te stellen. Het is van belang dat in een integraal welstandsadvies over een erftransformatie het afzonderlijke oordeel over de bebouwing en de erfinrichting tot uiting komt.

Achterhoekse erven veranderen - Mei 2008

6. PROCES Het Achterhoekse erf is een belangrijk element in het landschapsbeeld van de Achterhoek. Het ontwerpen aan een Achterhoeks erf is maatwerk. Beleid en regels geven duidelijkheid over wat mogelijk is en wat niet mag, maar zorgen op zichzelf nog niet voor ruimtelijke kwaliteit. Daarvoor is inspiratie nodig, inzicht in de situatie, vakkennis en goed overleg. Daarom wordt in deze kadernota aandacht gevraagd voor het proces van planvorming. Een proces, waarbij aandacht is voor enerzijds de wensen van de initiatiefnemer en anderzijds voor de kwaliteit van de omgeving, waar vooral de gemeente voor staat. Zo’n proces moet laagdrempelig zijn. De initiatiefnemer moet worden uitgedaagd om vroeg in het proces in gesprek te treden. Vroeg in het proces moet de vraag worden gesteld, wat de bijdrage aan ruimtelijke kwaliteit zou kunnen zijn. Dan gaat het om bestaande kenmerken en waarden en nieuwe mogelijkheden. Gaandeweg het ontwerpproces wordt concreter welke resultaten bereikt kunnen worden. Wanneer op deze wijze wordt gewerkt kunnen de gemeente en haar adviseurs hun energie richten op begeleiding en sturing van het ontwerp in de goede richting en is toetsing achteraf een formaliteit. De doelen die worden nagestreefd in het proces zijn inzichtelijk gemaakt, hier staat de regio Achterhoek als regio achter.

Per gemeente wordt er een eigen invulling aan de doelen gegeven in de vorm van een vastgelegd proces. Het proces kan daarmee per gemeente verschillen, de doelen die elke gemeente daarmee voor ogen heeft, zijn overal in de regio gelijk.

1. • • • • •

INITIATIEF Publieksfolder, Infopakket, Keukentafelgesprek Overleg projectleider, inhoudelijk ambtenaar/ rayonarchitect Kenmerken en waarden locatie + Kadernota Meewerken ja/ nee Bepalen proces, afspraken

2. • • •

UITGANGSPUNTEN EN RANDVOORWAARDEN Initiatief complexer (niet binnen kadernota) Nader onderzoek -> notitie van uitgangspunten Uitgangspunten vastgesteld door gemeentebestuur

3. • •

SCHETSPLAN OF VOORLOPIG ONTWERP Instemming over hoofdlijnen ontwerp Evt. bijstellen randvoorwaarden

4.

VERGUNNINGEN/ CONTRACTEN/ CONVENANTEN

5.

REALISATIE EN BEHEER

Regio Achterhoek - Gelders Genootschap

61

De volgende vragen kunnen inzicht bieden in de kwaliteit van de plek: • Wat zijn de kwaliteiten en de kenmerken van het bestaande erf? Wat is waardevol aan bebouwing, groenelementen en overige terreininrichting? • Wat zijn de historische, landschappelijke waarden en wat is de bestaande beeldkwaliteit? Staan er bijzondere bomen op het terrein? Zijn er nog zandpaden die het erf met een ander erf verbinden? • Wat is de cultuurhistorische en archeologische verwachtingswaarde? • Wat staat er in andere beleidsstukken, zoals het landschapsontwikkelingsplan, dat relevant is voor deze opgave? • Welke kansen zijn er voor kwaliteitsverbetering?

Wanneer de kadernota niet toereikend is voor de opgave.... In dit kader kan een workshop georganiseerd worden waarin diverse deskundigen met de initiatiefnemer verkennen, wat de uitgangspunten zouden moeten zijn voor de uitwerking van het plan. Door alle disciplines en betrokkenen tegelijk bij elkaar te brengen voorkom je voor de initiatienemer een tocht langs de sectoren en krijg hij snel inzicht in de mogelijkheden. Inspiratie en creativiteit worden zo bevorderd.

Een ontwerp omvat: De hoofdopzet van het erf. De compositie van bouwmassa’s. De indeling van het erf en de ontsluiting. De samenhang met het landschap en het nederzettingspatroon. Schets van nieuwbouw en/of verbouwplan. Een idee over de toekomstige eigendom en beheer.

62

Achterhoekse erven veranderen - Mei 2008

PROCES Doel van het planproces Hoofddoel is het borgen van ruimtelijke kwaliteit bij erftransformaties. Daarbij spelen de volgende subdoelen: • Het helpen van de initiatiefnemer om op een hel dere en snelle manier door het proces van transformatie van een erf te lopen. • Het integraal tegemoet komen aan de belangen van de gemeente. (zowel groen, als verkeer, als cultuurhistorie, als milieu, als stedenbouw komen voldoende aan bod) • Het behalen van de beoogde ruimtelijke kwaliteitswinst door het proces van erftransformatie op een goede manier te doorlopen. Uitgangspunten bepalen in de initiatieffase Wanneer een initiatiefnemer bij de gemeente komt met een initiatief, is het van belang voor zowel de gemeente als voor de initiatiefnemer dat inzichtelijk wordt hoe het proces verder gaat verlopen. Een snel en doeltreffend verloop van het proces valt of staat bij duidelijke communicatie.

Zowel voor de initiatiefnemer als voor de gemeente is het daarom gewenst dat in een vroeg stadium helder is: • Wat de wensen van de initiatiefnemer zijn? • Wat de bestaande kwaliteiten en kansen voor de plek zijn? • Van welke kwaliteiten en kansen de gemeente zich tot doel heeft gesteld deze te willen behouden of versterken? • Welk beleid er van toepassing is op de plek? (hindercircels, bestemmingsplan, LOP e.d.) Met deze inzichten kan bepaald worden hoe het proces verder eruit zal zien, of er nog onderwerpen nader onderzocht moeten worden, of de uitgangspunten en randvoorwaarden uit deze nota toereikend zijn om het plan uiteindelijk op ruimtelijke kwaliteit te toetsen en of er aanvullingen op de uitgangspunten

en randvoorwaarden nodig zijn. Uiteindelijk moet duidelijk zijn aan welke uitgangspunten en randvoorwaarden er getoetst gaat worden voordat de initiatiefnemer verder kan met het schetsplan. Alleen op die manier kunnen in het schetsplan alle uitgangspunten en randvoorwaarden meegenomen worden.

eigenaren op het erf komen helder is wie waarop kan worden aangesproken en de ruimtelijke kwaliteit ook na realisatie kan worden behouden.

Uitwerking van een schetsplan Het is belangrijk dat in het schetsplan zowel de bebouwing, als de terreininrichting, als de verankering in het landschap inzichtelijk wordt gemaakt. Een deskundig ontwerper (architect, landschapsarchitect of stedenbouwkundige) kan daarbij helpen. Doel is dat een schetsplan uiteindelijk alle ingrediënten bevat zodat het getoetst kan worden aan de randvoorwaarden en uitgangspunten. Daarnaast zorgt de gemeente voor een goede begeleiding van het ontwerpproces, zodat het ontwerp op een doeltreffende manier kan worden gemaakt en de aanpassingen die aan het ontwerp moeten worden gedaan kunnen plaatsvinden in een aantal doeltreffende slagen. Vergunningen en beheer Het plan moet getoetst worden aan de ruimtelijke uitgangspunten en randvoorwaarden door de welstandscommissie. Deze geeft vervolgens advies aan de burgemeester en wethouders, die uiteindelijk de vergunningen moet geven. Het is van belang dat er met de initiatiefnemer wordt afgesproken in welke fase van het proces deze worden aangevraagd zodat voor de initiatiefnemer duidelijk is wanneer deze wat moet doen. Ook is het voor de gemeente van belang dat er afspraken worden gemaakt over beheer en onderhoud van landschapselementen en terreininrichting van het getransformeerde erf, zodat wanneer er meerdere Regio Achterhoek - Gelders Genootschap

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/4579/documents/27483