Bijlage 3 De kwaliteit van Achterhoekse erven.pdf
Tekst van het document
ACHTERHOEKSE ERVEN VERANDEREN KADERNOTA RUIMTELIJKE KWALITEIT
REGIO ACHTERHOEK ADVIESCOMMISSIE VOLKSHUISVESTING EN RUIMTELIJKE ORDENING
MEI 2008
ACHTERHOEKSE ERVEN VERANDEREN KADERNOTA RUIMTELIJKE KWALITEIT
COLOFON In opdracht van de regio Achterhoek, Adviescommissie Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening Concept April 2008 Gelders Genootschap AUTEURS Jan Wabeke, Annemiek Weijs Gelders Genootschap
REGIO ACHTERHOEK ADVIESCOMMISSIE VOLKSHUISVESTING EN RUIMTELIJKE ORDENING Gemeenten Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Oost-Gelre, Oude IJsselstreek, Winterswijk
MEI 2008
Achtergronden en tekstblokken in de kadernota
4
• Aanleidingen voor de kadernota ‘Achterhoekse Erven Veranderen’
7
• Dakenlandschap
50
• Achtergrond van het beleid
9
• Vernieuwende ontwerpen, nieuwe vormen
52
• Schema van de opbouw van een erf
10
• Altijd een erf met meerdere gebouwen?
54
• Schaalvergroting door de jaren heen
12
• Sloop van bebouwing, draagt dit bij aan ruimtelijke kwaliteit?
56
• Voorbeelden van nieuwe gebouwen op bestaande erven
16
• De status van het welstandsadvies (rood en groen)
60
• Verschillen per streek
20
• Stappen van het proces
61
• Factoren die een rol spelen bij het herkennen van nederzettingsvormen
23
• Vragen die inzicht kunnen bieden in de kwaliteit van een plek
62
• Achtergrond: De ontwikkeling van kransen en zwermen van erven
24
• Wanneer de kadernota niet toereikend is voor de opgave....
62
• Es of enk
24
• Een ontwerp omvat:
62
• Achtergrond: De ontwikkeling van het kampenlandschap
28
• Achtergrond: De ontwikkeling van de rivier- en beekdal nederzettingen
32
• Achtergrond: De ontwikkeling van landgoederen en scholtegoederen
36
• Achtergrond: De ontwikkeling van planmatige, rationele nederzettingen
38
• Streekeigen beplanting
42
• Landschappelijke versterking
44
• Inspiratie....
45
• Meerdere eigenaren op een erf
46
• Wat is oorspronkelijk?
48
Achterhoekse erven veranderen - Mei 2008
INHOUD 1.
INLEIDING • Aanleiding ............................................................................... 7 • Doel van de kadernota ........................................................... 7 • Status en implementatie ......................................................... 9 • Leeswijzer .............................................................................. 11
2.
HET ERF • Ensemble van gebouwen ....................................................... 13 • Hiërarchie ............................................................................... 13 • Toegang tot het erf ................................................................. 13 • Indeling van het terrein: collectief gedeelte van het erf .......... 15 • Indeling van het terrein: privé-gedeelte van het erf ................ 15 • Indeling van de gebouwen ...................................................... 19 • Massa en vorm ....................................................................... 19
3.
HET ERF IN ZIJN OMGEVING • Algemeen ................................................................................ 23 • Landschapstypen en nederzettingsvormen ............................ 23 • Kransen of zwermen van erven .............................................. 25 • Kampnederzettingen .............................................................. 29 • Rivier en beekdalnederzettingen ............................................ 33 • Landgoederen en scholtegoederen ........................................ 37 • Planmatige, rationele nederzettingen .................................... 39
4.
VERSCHILLENDE OPGAVEN • Verbouwen van een boerderij ................................................. 45 • Splitsen van een boerderij ...................................................... 47 • Wonen of werken in een schuur of stal ................................... 49 • Nieuwe bebouwing ..................................................................53 • Realisatie grootschalige bedrijfsbebouwing ............................ 55
5.
UITGANGSPUNTEN EN CRITERIA • Uitgangspunten voor transformerende erven ......................... 58 • Beoordelingscriteria puntsgewijs ............................................ 59
6.
ONTWERPPROCES • Leeswijzer ............................................................................... 61 • Doelen in het planproces ........................................................ 63 Regio Achterhoek - Gelders Genootschap
5
v.l.n.r terrein met erfinrichting, het terrein met gebouwen en het totale erf
Het erf en het landschap hebben een sterke band met elkaar. De ondergrond waarop het erf is gesitueerd, het type landschap waarin het erf ligt en het type bedrijfsactiviteit zijn allen bepalend voor de ontwikkeling en verschijningsvorm van een erf. Om helder te kunnen communiceren over erven en veranderingen van erven is het van belang vast te stellen wat er onder een erf wordt verstaan. ERF: een perceel grond (terrein) met de daarbij behorende terreininrichting en ensemble van gebouwen.
6
Achterhoekse erven veranderen - Mei 2008
1. INLEIDING Aanleiding Van oudsher is de bebouwing in het Achterhoekse landschap gegroepeerd op erven. Op die erven vormen gebouwen en erfbeplanting een samenhangend geheel. De Achterhoekse gemeenten hebben momenteel te maken met een toenemend aantal aanvragen voor transformatie van erven (verbouw, nieuwbouw, splitsing, functieverandering, schaalvergroting, veranderingen aan terreininrichting, etc.). Evenals in andere regio’s daalt het aantal agrarische bedrijven in de Achterhoek, terwijl de overige bedrijven zich moeten aanpassen aan de moderne bedrijfsvoering. Dit heeft directe gevolgen voor de vitaliteit van het landelijk gebied. Er ontstaat leegstand van stallen en soms ook van woningen, het landelijk gebied wordt op plekken niet langer beheerd door de agrariër en verrommelt steeds meer. Daarnaast is het landelijk gebied de laatste jaren steeds voller gebouwd en daardoor verder versteend. Om de vitaliteit van het landelijk gebied te vergroten is een verruiming van de mogelijkheden om nieuw te bouwen geboden. Daaraan zijn echter expliciet een aantal regels gebonden die ruimtelijke kwaliteitswinst tot doel hebben. Ook de schaalvergroting ligt gevoelig in kwetsbaar landschap en ook daar behoeft de ruimtelijke kwaliteit aandacht. De afgelopen jaren is in verschillende gemeenten ervaring opgedaan met functieverandering.
Deze ervaring leert dat er behoefte is aan een nota waarin een aantal uitgangspunten voor veranderende erven is vastgesteld en borgen van ruimtelijke kwaliteit in het proces plaatsvindt. Doel is dan ook de ruimtelijke kwaliteitswinst daadwerkelijk plaats te laten vinden bij veranderingen van erven.
Aanleidingen voor de kadernota ‘Achterhoekse erven veranderen’ Na een aantal jaren ervaring op te hebben gedaan op het gebied van functieverandering en erftransformaties is het volgende aan het licht gekomen: • Vergelijkbare beleidskeuzes komen terug bij verschillende locaties. Het zou beter zijn niet steeds opnieuw het wiel uit te vinden, maar op hoofdlijnen een aantal uitgangspunten helder vast te stellen. Dit geeft ook duidelijkheid naar de initiatiefnemers. • Anderzijds is er juist behoefte aan maatwerk per locatie, want elke locatie en opgave biedt specifieke mogelijkheden voor ruimtelijke kwaliteit. Dit pleit ervoor om kwaliteit niet te veel vooraf dicht te timmeren, maar in te zetten op borging via een goed proces. • Deskundigheid m.b.t. architectuur en landschap moeten op het juiste moment worden ingebracht. Specifieke kennis is vaak beperkt aanwezig bij de ambtelijke projectleiders, die dit soort processen begeleiden. Als deze aspecten pas bij de welstandstoets aan de orde komen leidt dit tot ongewenste situaties en worden kansen gemist. In een goed proces kan de inbreng van welstand effectiever worden gemaakt. • Veel welstandsnota’s gaan uit van de bestaande kenmerken en bieden te weinig aanknopingspunten voor de veranderingen die nu aan de gang zijn.
Doel van de kadernota Deze nota vormt het beleidskader voor het ruimtelijk ontwerp van veranderingen van erven in het buitengebied in de regio Achterhoek. Bij veranderingen gaat Regio Achterhoek - Gelders Genootschap
7
8
Achterhoekse erven veranderen - Mei 2008
INLEIDING het om bouw- en aanlegactiviteiten in verband met functieveranderingen en ten behoeve van bestaande functies. Het kader kan ook gebruikt worden bij de aanleg van nieuwe erven en uitbreiding van een bestaand erf. Met het ruimtelijk ontwerp wordt hier de integrale ontwerpopgave bedoeld, die speelt bij de transformatie van een (voormalig) agrarisch erf. Landschap, natuurwaarden, cultuurhistorie, gebruikswaarden, stedenbouw en architectuur worden daarbij in samenhang beschouwd. Het beleidskader omvat algemene doelen, ontwerpuitgangspunten en een set van spelregels voor het ontwerp van bebouwing en erf. Het gaat over het landschap, de erfontwikkeling, de bebouwing en de erfinrichting. Het accent ligt op het schaalniveau van het erf. Daarnaast omvat dit beleidskader uitgangspunten voor het ontwerpproces. Een proces, dat uitgaat van maatwerk per locatie, waarbij het accent meer ligt op regie en de begeleiding van plannen dan op toetsing. Inzet van de juiste deskundigheid op de juiste momenten. Status en implementatie Het is de bedoeling dat de Achterhoekse gemeenten dit beleidskader vaststellen als welstandsbeleid en ruimtelijke visie voor ontwikkelingen op erfniveau. Deze kadernota wordt door de Regio aangeboden aan de gemeenten ter implementatie.
Achtergrond van het beleid Landelijk VAB beleid: In 2006 is de ‘Nota Ruimte’ vastgesteld. Hierin is verruiming van de mogelijkheid tot nieuwbouw in het landelijk gebied opgenomen, met als doel de vitaliteit van het landelijk gebied te vergroten. Het verruimen van de mogelijkheden is daarbij expliciet gekoppeld aan de ontwikkeling van landschappelijke kwaliteit, realisatie van extra natuurareaal of waterbergingscapaciteit. Provinciaal VAB beleid: De provincie heeft dit in het streekplan verwerkt door o.a. mogelijkheden tot functieverandering op te nemen. In het streekplan zijn een voorwaarden waaraan moet worden voldaan opgenomen. Verder wordt de mogelijkheid geboden om per regio een eigen, meer uitgewerkt beleid te hanteren. Regionaal VAB beleid: De Achterhoekse gemeenten hebben naar aanleiding van deze mogelijkheden gezamenlijk de beleidsnotitie “Functies zoeken plaatsen zoeken functies” vastgesteld en hebben zich daarin uitgesproken de ontwikkeling aan te grijpen om de ruimtelijke kwaliteit en de leefbaarheid van het buitengebied een impuls te geven. Ontwikkeling landbouw bedrijven: Het reconstructieplan voor de Achterhoek en Liemers wil ruimte scheppen voor de ontwikkeling van de landbouw door schaalvergroting mogelijk te maken. Dit met behoud van landschappelijke waarden.
De belangrijkste opgave voor de reconstructie is het herstel van bestaande waardevolle cultuurlandschappen en de ontwikkeling van nieuwe (functionele) landschappen. De landbouw kan zich ontwikkelen in zogenaamde verwevingsgebieden en in landbouwontwikkelingsgebieden (LOG’s). De LOG’s zijn bedoeld voor bedrijven die verplaatst moeten of willen worden, omdat ze op de huidige locatie niet kunnen groeien. De landbouw ontwikkelt zich in principe nog steeds vanuit bestaande erven. Daarvoor blijven de erfprincipes van toepassing, die zijn beschreven in deze nota. Met name in LOG’s zullen ook nieuwe erven ontstaan, die een afwijkende vorm hebben. Nieuwe landgoederen: Volgens het Streekplan is een nieuw landgoed een openbaar toegankelijk bos- en/of natuurcomplex (al dan niet met overige gronden) met daarin een woongebouw ‘van allure’ met maximaal drie wooneenheden en een minimale omvang van de bebossing van 5 hectares. Bovendien vormt het woonhuis een architectonische eenheid met het omringende groen. Per gemeente kan voor nieuwe landgoederen aanvullend beleid worden opgesteld. Deze nieuwe landgoederen kunnen ook worden aangelegd in van oorsprong agrarische landschappen. Het karakter van deze landschappen is dan richtinggevend voor de toekomstige ontwikkeling. Het landgoed zal dan meestal één of meer bestaande of nieuwe “erven” in de zin van deze nota omvatten.
Regio Achterhoek - Gelders Genootschap
9
inrichting van het prive erf afscheiding voor/achter, opzij
Schema met de kenmerken van het erf en van het erf in zijn omgeving
10
Gebouwen: . plaats . massa/vorm . ensemble . orientatie, entree indeling: vrijstaand, dubbel, rij, drieling, vierling . functies . hierarchie: indeling in hoofd en bijgebouwen
Achterhoekse erven veranderen - Mei 2008
aansluiting op paden
inrichting van het collectief erf
aansluiting op landschap
Vorm van de rand van het erf
toegang naar het erf positie t.o.v. de weg . nederzettingsvorm . type landschap omgeving . type architectuur omgeving
INLEIDING Leeswijzer Deze kadernota is ingestoken vanuit de schaal van het erf. Elk erf bevat een aantal kenmerken die de verschijningsvorm van het erf bepalen. (Zie het schema op de pagina hiernaast) Deze kenmerken zijn variabel en zorgen er daardoor voor dat geen enkel Achterhoeks erf er hetzelfde uitziet. Toch zijn de erven in de Achterhoek wel te herkennen als typische ‘Achterhoekse erven’. Een deel van de kenmerken is gericht op de landschappelijke context. Deze zorgen voor de verankering van het erf binnen de directe omgeving, maar ook binnen de Achterhoek als regio. Het zijn kenmerken die afhankelijk zijn van omgevingsfactoren als het landschapstype waarin het erf ligt, het type nederzettingsvorm en de architectuur van de streek. Het zorgt ervoor dat er binnen de Achterhoek verschillende typen erven voorkomen. Dit wordt beschreven in hoofdstuk 3 ‘het erf in zijn omgeving’. De andere kenmerken die mede het uiterlijk van het erf bepalen zijn minder direct omgevingsafhankelijk. Deze zijn eveneens karakteristiek voor de Achterhoek. Ze zijn binnen een aantal basisprincipes in te delen en worden al eerder in hoofdstuk 2 ‘het erf’ toegelicht. In hoofdstuk 4 zijn de verschilllende opgaven die kunnen spelen bij erftransformaties nader toegelicht. Er wordt in dit hoofdstuk ingegaan op de aandachtspunten bij de verschillende opgaves.
De verschillende opgaves hebben betrekking op het verbouwen van een boerderij of stal en op het nieuw bouwen van een woning, kantoorgebouw of bedrijfsgebouw. In hoofdstuk 5 zijn alle uitgangspunten en criteria puntsgewijs opgenomen. Inzicht in zowel de omgevingskenmerken als de kenmerken van het erf zelf is belangrijk om tot een goede erftransformatie te komen. Het onderzoeken van de kenmerken en de waarden van het erf vormt het startpunt voor het ontwerpproces. In deze kadernota
zijn doelen opgenomen die worden nagestreefd in de verschillende fasen van het ontwerproces. Hieraan kan elke gemeente zijn eigen invulling geven in de vorm van een eigen proces. De doelen zijn opgenomen in hoofdstuk 6 ‘Het ontwerpproces’. Naast de inhoud in de hoofdstukken is er in de nota een aantal losse tekstblokken opgenomen. Hierin wordt verschillende informatie geboden, zowel achtergrondinfo als voorbeelden. De tekstblokken kunnen los van de doorlopende tekst gelezen worden, waar welke informatie staat is openomen in een lijst op pagina 6.
HET ERF De kenmerken die binnen de Achterhoek omgevingsafhankelijk zijn: • de nederzettingsvorm waarbinnen het erf valt, • de aansluiting op het landschap, • het type architectuur in de omgeving, • de plaats van de gebouwen op het erf, • de oriëntatie van de gebouwen, • de positie van het erf t.o.v. de weg, • de vorm van de rand van het erf, • de aansluiting op paden.
HET ERF IN ZIJN OMGEVING De kenmerken die binnen basisprincipes van de Achterhoek vallen zijn: • het ensemble van gebouwen, • de hiërarchie tussen hoofd en bijgebouwen, • de toegang naar het erf, • de inrichting van het collectieve gedeelte van een erf, • de inrichting van het privé-gedeelte van het erf (scheiding van erven, voor, achter, opzij), • de massa en vorm van de gebouwen, • de indeling en de entree van de gebouwen.
Regio Achterhoek - Gelders Genootschap
11
Het hoofdgebouw vormt samen met de bijgebouwen een helder ensemble. De gebouwen dicht bij elkaar rond een collectieve ruimte gesitueerd.
In de erfopzet is duidelijk hiërarchie te zien. Het hoofdgebouw is dominant in vorm en massa en situering. De bijgebouwen zijn eenvoudiger in vorm, hebben minder massa en staan achter het hoofdgebouw geplaatst.
Een toegang tot het erf, waardoor het erf een ruimtelijke eenheid is
Schaalvergroting door de jaren heen: Tot de jaren 60 bleven nieuwe schuren of stallen ondergeschikt aan het volume van de oorspronkelijke hoeve op het erf. De meeste boerenbedrijven hebben vanaf de jaren ’60 een eerste fase van schaalvergroting ondergaan waarbij de maten en volumes van de nieuw toegevoegde schuren soms groter zijn dan die van het hoofdgebouw. Deze passen echter wel binnen de maat en schaal van het erf en zijn vaak nog ondergeschikt aan het hoofdgebouw door bijvoorbeeld de situering. Een tweede fase van schaalvergroting vindt de laatste jaren plaats, waarbij de nieuwe schuren qua maat en schaal buitenproportioneel worden ten opzichte van de maat van de eerdere bebouwing en erf.
12
Achterhoekse erven veranderen - Mei 2008
2. HET ERF Het ensemble van gebouwen De hoofd en bijgebouwen van een erf vormen gezamenlijk een ensemble. De gebouwen staan nooit verspreid op het terrein maar altijd geclusterd. De richting van de bebouwing binnen het ensemble is afhankelijk van de nederzettingsvorm en de plek in het landschap waar het erf zich bevindt. Op boerenerven waar schaalvergroting heeft plaatsgevonden zijn grote nieuwe schuren en stallen soms naast het oude erf geplaatst, waardoor er twee erven (soms enigszins in elkaar verknoopt) worden beleefd. Het heldere oorspronkelijke ensemble wordt daardoor vertroebeld. Het ensemble van gebouwen is een kenmerk van elk erf en bepaalt een groot deel van de ruimtelijke kwaliteit. Aandachtspunten bij erftransformatie: • Alle gebouwen van het erf vormen gezamenlijk een ensemble van bebouwing • Nieuwe bebouwing: bij afwezigheid hoofdgebouw, nieuw hoofdgebouw toevoegen, welke aansluit bij het reeds aanwezige ensemble. Alleen in bijzondere situaties is een andere compositie van gebouwen mogelijk. • Nieuwe bebouwing: bij aanwezigheid hoofdgebouw enkel bijgebouwen toevoegen, die aansluiten bij het reeds aanwezige ensemble. • Te slopen bebouwing zo kiezen dat het ensemble blijft bestaan of het oorspronkelijke ensemble wordt teruggebracht.
• Gaafheid van grote dakvlakken: licht Hiërarchie De gebouwen op erven zijn over het algemeen volgens een bepaalde hiërarchie op het terrein gesitueerd. Op een boerenerf is sprake van een hoofdgebouw met bijgebouwen. De gebouwen staan nooit ver verspreid over het hele erf maar staan altijd
geclusterd. Doordat functioneel alle schuren en stallen goed bereikbaar moeten zijn liggen deze aan een collectieve ruimte op het erf. Deze is voorzien van (half)verharding. Bijgebouwen die in de laatste jaren zijn toegevoegd passen soms niet meer bij de schaal van de overige bebouwing van het erf. Ze verstoren dan de oorspronkelijk aanwezige hiërarchie. Soms zijn ze enigszins los van het erf gesitueerd, aan de overzijde van de weg, of als bijgebouw dat niet is aangesloten bij het collectieve erf. Hiërarchie is het tweede principe van een boerenerf en uit zich zowel in de situering als in de architectuur en omvang van de gebouwen. Aandachtspunten bij erftransformatie: • De oorspronkelijke boerderij of het oorspronkelijke woonhuis manifesteert zich in principe als het belangrijkste gebouw. Dit uit zich in situering, uitstraling: ‘het gezicht’, volume, massa, hoogte, detaillering en materiaalgebruik. • Aandacht voor de vraag: welke gebouwen te slopen, en hoe nieuwe gebouwen te situeren? • Aandacht voor de oorspronkelijke contour van het erf. • Aandacht voor de bijzondere positie van het woongedeelte van het hoofdgebouw ten opzichte van de bijgebouwen. Woongedeelte uit het zicht van de bijgebouwen.
Voorbeeld: Erven die schaalvergroting hebben ondergaan, zijn soms uitgebreid met grote stallen buiten de oorspronkelijke erfgrens. Bij erftransformaties kunnen deze gebouwen worden gesloopt waardoor het erf zijn oorspronkelijke contour weer terug krijgt.
De toegang tot het erf Vanaf de doorgaande weg is er in principe één toegang tot het erf, vanaf het erf zijn er soms aansluitingen op een systeem van zandwegen en wandelpaden. Sporadisch snijdt de doorgaande weg het erf in tweeën. Een tweede ontsluiting van het achtererf (deze sluit niet aan op de toegangsweg) bestaat soms als het erf duidelijk uit twee compartimenten bestaat. Regio Achterhoek - Gelders Genootschap
13
Het privé- gedeelte van het erf is kleinschalig ingericht. De tuin, de boomgaard en twee grote bomen hebben hun plek.
14
Achterhoekse erven veranderen - Mei 2008
Het collectieve gedeelte van het erf vormt het functionele centrale gedeelte. Alle bijgebouwen staan richting het collectieve deel van het erf.
HET ERF Bij boerenerven die een schaalvergroting hebben ondergaan bestaat er soms een tweede toegang vanaf de doorgaande weg tot het erf. Een tweede toegang tot het erf is niet gewenst bij erven die getransformeerd worden tot woon- en leef erven omdat dit het beeld oproept van meer dan één erf. Aandachtspunten bij erftransformatie: • Het erf heeft slechts één aansluiting op de doorgaande weg. • Als het erf duidelijk uit twee compartimenten bestaat eventueel een tweede entree vanaf een andere toegangsweg tot achtererf. • Aantakken op de bestaande zandpaden die makkelijk bereikbaar zijn vanaf het erf of herstellen van zandpaden. Indeling van het terrein: het collectieve gedeelte van het erf Het collectieve gedeelte van het erf wordt als functioneel gedeelte van het boerenerf beschouwd. In het collectieve deel moeten grote werktuigen kunnen verplaatsen en daarom is dit deel verhard. Wanneer de collectieve ruimte groot is vindt er soms (tijdelijke) opslag plaats. De plek kan verschillen door de situering van de hoofd en bijgebouwen op het terrein. Voor de inrichting heeft dit geen gevolgen. Die is overal zo dat alle bijgebouwen en ook de achterzijde van het hoofdgebouw kunnen worden betreden vanaf het collectieve gedeelte van het erf. De grondvorm van het collectieve erf is soms afhankelijk van de nederzettingvorm waarvan het erf deel uitmaakt.
Zo is deze bij erven die gesitueerd zijn in ontginningen bijna altijd rechthoekig van vorm en is de vorm minder duidelijk bij erven die gesitueerd zijn in het kampenlandschap. De bedrijfsgebouwen van boerenbedrijven worden steeds groter. De moderne bedrijfsvoering brengt met zich mee dat grote voertuigen bij het bedrijf moeten
kunnen komen. Bij een aantal boerderijen ontstaat daardoor een tweedeling op het erf. Het oude erf wordt steeds meer een woon- en leef erf, terwijl daarnaast een functioneel erf ontstaat voor de bedrijfsvoering. De functionele bebouwing sluit dan niet meer aan bij het collectieve deel van het erf en krijgt vaak een eigen toegangsweg. Aandachtspunten bij erftransformatie: • Bij nieuwbouw (ook van nieuwe stallen) aandacht voor clustering rond collectieve ruimte, de gebouwen staan dicht bij elkaar. • Alle entrees van gebouwen (uitgezonderd die van het woongedeelte van het hoofdgebouw) richten op het collectieve gedeelte van het erf. • Het collectieve gedeelte van het erf wordt bij erftransformaties in het kader van functieverandering in principe (semi-) openbaar terrein. • Bergingen en garages plaatsen in eenvoudige volumes rond het collectieve erf. • Bij verandering van het erf naar een woonfunctie het functionele erf met zijn ontsluiting opheffen, indien deze een eigen toegang heeft en niet aansluit op het collectieve erf.
Functies als de moestuin en houtopslag horen rond het privé gedeelte van het erf.
Indeling van het terrein: het privé-gedeelte van het erf Het privé-gedeelte van het erf ligt in de meeste gevallen aan de zijde van het woonhuis dat grenzend aan de weg is gesitueerd. Het privé-gedeelte werd oorspronkelijk gebruikt voor de moestuin en de boomgaard. Deze hebben tegenwoordig vaak plaats gemaakt voor een siertuin met algemene beplanting. Streekeigen beplanting is soms verdwenen of is vervangen door algemeen in Nederland voorkomende soorten. Vaak staan er een of twee grote bomen bij de entree van het woonhuis. Regio Achterhoek - Gelders Genootschap
15
VOORBEELDEN VAN NIEUWE GEBOUWEN OP BESTAANDE ERVEN
16
Eenvoudig volume, zadeldak
Behoud van silhouet
Introverte gevel
Ingetogen door gesloten gevel
Sober materiaalgebruik
Schuurachtige uitstraling
Ingetogen door naar achter liggende open gevel
Hallehuisconstructie
Achterhoekse erven veranderen - Mei 2008
Zadeldak, topgevel met hout bekleed
Introverte gevel
Lichttoetreding zonder dakopbouw
Sober materiaalgebruik
Beleving kappen vanuit omliggende landschap
Hoofd en bijgebouwen verschillen in volume
Geïnspireerd door indeling woon en werk gedeelte T-huis
Bijgebouw, terughoudend kleurgebruik
Regio Achterhoek - Gelders Genootschap
17
Voorbeeld: Vaak heeft een transformatie van het werkgedeelte van het hoofdgebouw in een woonfunctie tot gevolg dat er nieuwe eisen aan de bebouwing worden gesteld, bijvoorbeeld meer lichtinval in het gebouw. Hieraan kan tegemoet gekomen worden met behoud van de karakteristiek van de boerderij door bijvoorbeeld staldeuren om te vormen tot ramen. De ramen zijn naar achteren geplaatst zodat de oorspronkelijke opening zichtbaar blijft.
Het woongedeelte en het werkgedeelte verschillen in oriëntatie. Rond het woongedeelte van het huis zijn woonfuncties als de moestuin en de boomgaard gesitueerd. De gebouwen van het bedrijfsgedeelte zijn allemaal gericht op het collectieve gedeelte van het erf.
18
Achterhoekse erven veranderen - Mei 2008
Verschillen in woon en werkgedeelte komen naar voren in het beeld van de gevels. Het woongedeelte met meestal een groot raam, en een of twee kleinere ramen en een voordeur, het bedrijfsgedeelte met een grote staldeur en twee kleinere mestdeuren.
HET ERF Aandachtspunten bij erftransformatie: • Het terrein rondom het woongedeelte van het hoofdgebouw is in principe kleinschalig ingericht (denk aan moestuin en boomgaard). • Erfinrichting is verzorgd, bescheiden en in harmonie met de groene omgeving. Streekeigen beplanting, verhardingen, afrasteringen, hekken, poorten en verlichting nastreven. De indeling van de gebouwen De hoofdgebouwen van de boerenerven kennen een indeling in een woon- en een werkgedeelte. Dit is ontstaan vanuit de ‘oervorm’ van de boerderij waarbij wonen en werken in een gebouw geïntegreerd waren. In het voorhuis van de boerderij werd gewoond en in het achterhuis bevonden zich de stallen: de deel. In schuren en hokken die in dezelfde stijl waren gebouwd stond vee. Deze onderverdeling uit zich in de architectuur van het gebouw: in de gevel van het woongedeelte zijn een aantal grotere ramen en een voordeur gesitueerd, die in eerste instantie alleen bij begrafenissen en bruiloften werd gebruikt. Het beeld van de zijgevels is introvert omdat deze laag zijn en de kap altijd gesloten is. Hierin zitten meestal in het woongedeelte een aantal kleine ramen en de keukendeur en in het stalgedeelte stalraampjes en soms een lage staldeur. Aan de achterzijde, het werkgedeelte, bevindt zich een grote staldeur (de deeldeur) en een tweetal kleine mestdeuren.
Tegenwoordig komt het steeds meer voor dat delen van het achterhuis of het gehele achterhuis worden ingenomen door de woonfunctie. Vaak is er vanuit het oorspronkelijke woongedeelte van de boerderij geen zicht op de bijgebouwen en richt dit gedeelte zich op het landschap. Aandachtspunten bij erftransformatie:
Bij verbouw van bestaande boerderij tot woning: • Behoud hoofdvorm, in het bijzonder de kap. • De indeling in woon- en werkgedeelte beleefbaar houden. Behoud van soberheid / geslotenheid van het werkdeel t.o.v. het meer sprekende woonhuis. Ook bij nieuwbouw hoofdgebouw gebruik maken van dit kenmerk. • Bij transformatie van de deel gebruik maken van karakteristieke gevelindeling. • De toegang naar het woonhuis; wanneer het oorspronkelijke woonhuisgedeelte van de ontsluitingsweg afgekeerd ligt, kan worden overwogen een entreezone in de deel op te nemen. • Bergingen, garages, etc. situeren aan de werkzijde van het erf. Gebruik maken van grote volumes onder een zadeldak, of als wagenschuur • Bijgebouwen sober qua vorm van massa en materialisatie.
erf aanwezig. Daarnaast zijn er door de jaren heen bijgebouwen op het erf gebouwd. Het voor de Achterhoek kenmerkende hoofdgebouw bestaat uit een rechthoekig grondvlak met daaraan soms een aanbouw. Het hoofdgebouw is opgebouwd met lage zijgevels en een grote kap (Hallehuistype). Vanaf een afstand zijn de zijgevels nauwelijks beleefbaar en wordt de dichte kap beleefd. Kenmerkend is ook dat er grote volumes vanuit de omgeving worden beleefd. Tijdens de ontwikkeling van het erf is de grondvorm van het gebouw soms ook mee ontwikkeld. Zo zijn in de loop der jaren de varianten T-huis (hallehuis dat aan de voorzijde in twee richtingen is uitgebreid) en krukhuis (hallehuis dat aan de voorzijde aan een kant is uitgebreid) ontstaan. Ook komen er boerderijtypen voor die een variant vormen op het T-huistype waarbij het achterhuis aan beide zijkanten is uitgebouwd en waarbij in eerste instantie alles in een gebouw gehuisvest was.
Bij verbouw van schuren tot woonhuis: • Entree naar erf bij deel, relatief gesloten gevel • De woonzone naar de buitenzijde van het erf richten. • Behoud van de eenvoud van de schuur t.o.v. het hoofdgebouw. • Opener gevel op één plek mogelijk.
Aandachtspunten bij erftransformatie: • In de architectuur van nieuwe gebouwen de karakteristiek van de Achterhoekse boerderijen verwerken. Deze karakteristiek zit onder andere in de kappen van de bebouwing en de grote volumes. • Zowel het hoofdgebouw als de bijgebouwen hebben een eenvoudige rechthoekige grondvorm. • Vanuit de omgeving bestaat het beeld van gesloten tot de grond reikende kappen. • Karakteristieke of historische bebouwing behouden, respecteren en alleen het verbouwen van de gebouwen toestaan. Dit met behoud van karakteristieke kenmerken. • In de architectuur van nieuwbouw vorm, kleur en materiaalgebruik aanluiten bij de karakteristieken uit de omgeving. Eigentijdse oplossingen zijn dan mogelijk.
Bij nieuwbouw: • Eenvoudige basisvorm, zadeldak, lage goten. • Steile kap • Nieuwbouw hoofdgebouw: Rekening houden met het beeld dat hoort bij de oorspronkelijke indeling van het hoofdgebouw. • Nieuwbouw van stallen: introverte gevels Massa en vorm Vaak is het oorspronkelijke hoofdgebouw nog op het
Regio Achterhoek - Gelders Genootschap
19
VERSCHILLEN PER STREEK Streekeigen kenmerken zijn het meest duidelijk afleesbaar aan de oudere bebouwing. Hoe jonger de agrarische bebouwing of het woonhuis op het erf hoe meer de architectuurmode van de tijd van realisatie doorklinkt in de vormgeving. Veel streekkarakteristieken verschuiven in de Achterhoek van oost naar west, van de IJsselvallei naar de Rijksgrens. Van noord naar zuid liep vroeger midden door de Achterhoek een gebied dat minder toegankelijk was. Het bestond uit bossen in het noorden en uitgestrekte veengebieden in het zuiden. Daardoor viel de manier van bouwen en erfontwikkeling, die in oorsprong overal hetzelfde was, ten oosten en westen van deze zone onder een andere culturele invloedssfeer. In het oosten zien we invloeden uit het Münsterland, die zich uiten in het verdwijnen van de afgewolfde daken, het opkomen van betimmerde houten topgevels en het verdwijnen van riet als dakbedekking. In het westen bleven de afgewolfde daken en het riet als dakbedekking gehandhaafd. Hier zien we vanuit Rijndal en IJsseldal eerder dan in het oosten de T-boerderij opkomen en komen ook wit geschilderde gevels voor. In de voornamere boerenhoeven in het westen zijn invloeden vanuit de stedelijke bouwkunst te vinden, die zijn te verklaren uit de nabijheid van de IJsselsteden.
20
Achterhoekse erven veranderen - Mei 2008
Riet als dakbedekking in het westen van de Achterhoek
Scholtenboerderijen in het Oosten van de Achterhoek
Afgewolfde kappen in het westen van de Achterhoek
In het oosten van de Achterhoek: topgevels van hout met gaffelteken
In het westen komen wit gepleisterde boerderijen voor
Rond Winterswijk opvallend oranje-rode baksteen
In het middengebied komen beide invloedssferen samen. Hier treffen we verhoudingsgewijs veel jongere bebouwing aan. Op van oorsprong geïsoleerde plekken in dit midden zijn ook oudere hallehuizen gehandhaafd. Ook de geografie verschilt van oost naar west. Het oostelijk deel van de Achterhoek ligt op het oostnederlands plateau. Dit gebied ligt hoger en is reliëfrijker dan het westen. Men treft hier van oudsher op verschillende plaatsen leem aan in de grond evenals klei voor het bakken van dakpannen en bakstenen. Rond Winterswijk werd baksteen op industriële wijze gefabriceerd. Ook langs de IJssel en de Oude IJssel komt baksteenfabricage voor. Van oudsher heeft elke streek zijn eigen soort baksteen, die zorgt voor een streekeigen karakter. Vooral rond Winterswijk is de baksteen opvallend oranje rood. Langs de Duitse grens komt men op enkele plekken nog vakwerkboerderijen tegen. De meeste daarvan zijn verdwenen. In het oosten komen ook de scholteboerderijen voor, met vaak grote monumentale woongedeeltes. De ruimtelijke structuur van de Achterhoek wordt gekenschetst door het coulissenlandschap op het plateau van Winterswijk, het rationeel verkavelde agrarisch middengebied, het landgoederenlandschap van de Graafschap, het IJssellandschap, de Oude IJsselzone en Montferland. De landschappelijke verschillen vormen de belangrijkste identiteitsdrager van de Achterhoek.
De Achterhoek is opgebouwd uit een unieke lappendeken van historisch gegroeide (agrarische) cultuurlandschappen. Deze worden aan elkaar geregen door oost-west lopende beken en watergangen die hun weg zoeken van het hoger gelegen Winterswijks plateau naar de IJsselvallei. Hoewel veranderd door schaalvergroting en intensivering in de landbouw, rationalisering van wa-
terlopen en uitbreidingen voor wonen en werken bij dorpen en steden, is het cultuurlandschap in de Achterhoek nog relatief authentiek. De kleinschaligheid van het landschap is karakteristiek met zijn grote verwevenheid van natuur, landbouw, woningbouw, industrie en recreatie. Het gevarieerde en authentieke landschap wordt vanwege de rust, ruimte, diversiteit en het groene karakter door velen als mooi bestempeld. De grote en kleine dorpen vormen het voor de Achterhoek zo karakteristieke kleinschalige landschap.
Winterswijk Doetinchem
Aalten
Kaart met grens over het midden van de Achterhoek, het gebied dat minder toegankelijk was.
Bocholt
Emmerich am Rhein
Regio Achterhoek - Gelders Genootschap
21
Kampen en hoevelandschap Neede
Heideontginningen
Borculo Vorden
Eibergen
Landgoederenzone
Ruurlo
Stedenband Oude IJssel
Hengelo
Groenlo
Rivierduinen Zelhem
Montferland
Lichtenvoorde Winterswijk
Doetinchem
Oeverwallen Didam
Varsseveld Aalten
Komgronden
Silvolde
Rivierweiden
Ulft Gendringen s’Heerenberg Kaart met verschillende landschapstypen. Uit de structuurvisie van de regio Achterhoek, gemaakt door SAB.
22
Achterhoekse erven veranderen - Mei 2008
Dinxperlo
Terras
3. HET ERF IN ZIJN OMGEVING Algemeen Naast de eigenschappen die algemeen gelden voor erven in de Achterhoek zijn er ook eigenschappen die karakteristiek zijn voor de plek die het erf in het landschap heeft. Vragen die van belang zijn om een erf bij erftransformatie in het landschap te kunnen versterken zijn: Hoe liggen de erven in het Achterhoekse landschap? Op welke plekken liggen ze en waarom? Op welke manier zijn ze verbonden met het landschap? Wat is de relatie met andere erven in de buurt? Hoe veranderen deze kenmerken in de tijd? In de ruimtelijke structuurvisie voor de Achterhoek is een staalkaart van landschapstypen opgenomen. Deze staalkaart vormt de onderlegger voor het herkennen van patronen, waarop bebouwing in het Achterhoekse landschap voorkomt. Dit zijn de nederzettingsvormen. De nederzettingsvormen zijn te herkennen in de wijze waarop bebouwing in het Achterhoekse landschap is gesitueerd. Sommige nederzettingsvormen zijn typisch voor een landschapstype, maar vergelijkbare vormen zien we in verschillende landschapstypen terugkomen. De koppeling tussen landschapstypen en nederzettingsvormen staan in de tabel hiernaast weergegeven. Bij de nederzettingsvormen is een onderscheid gemaakt tussen oude gegroeide patronen en geplande patronen.
In de oude agrarische landschappen met de oude gegroeide patronen kan een onderscheid worden gemaakt tussen es- of enk nederzettingen, kampnederzettingen, beekdalnederzettingen en landgoederen. Er zijn duidelijke verschillen tussen deze vormen, maar ook overeenkomsten. In de praktijk zijn er ook veel overgangsvormen. Het belangrijkste verschil tussen kamp- en es nederzettingen is dat bij een es nederzetting de ruimtelijke
samenhang tussen afzonderlijke erven duidelijk in het landschap zichtbaar is. Bij een es liggen de erven bij elkaar in een krans of een zwerm. Bij een kampnederzetting liggen de erven meer verspreid. De overgang tussen een kampnederzetting en een nederzetting in een beekdal is ook niet scherp te trekken. Bij beekdalnederzettingen gaat het om de grotere beekdalen van de Oude IJssel en de Gelderse IJssel en om de kleinere beekdalen zoals de Berkel, de Slinge’s en andere beken. In tegenstelling tot de lagere delen van Nederland is het aantal nederzettingen met geplande patronen in de Achterhoek beperkt en van relatief jonge datum. De meeste planmatige structuren ontstonden bij de verkaveling en ontginning van voormalige woeste gronden en natte gronden in de 19de en in de 20ste eeuw.
Nederzettingvorm Oude gegroeide patronen Essen of enken
Kampen Rivier- en beekdalen
Landgoederen etc.
Geplande patronen
Landschapstype
Kampen en hoevelandschap Rivierduinen Landgoederenzone Kampen en hoevelandschap Landgoederenzone Rivierduinen Oeverwal, kommen Terras Landgoederenzone Kampen en hoevelandschap
Factoren die een rol spelen bij het herkennen van verschillende nederzettingsvormen • kleinschaligheid van het Achterhoekse landschap. De indeling uit de structuurvisie is gemaakt op macroniveau. Bij de verandering van een erf gaat het om het microniveau en dan kan sprake zijn van een ander landschapstype. Bijvoorbeeld een ontginning binnen een hoevelandschap. • planmatige patronen of gegroeide patronen Bij planmatige patronen is een gebied systematisch in cultuur gebracht. De meeste gebieden van deze gebieden in de Achterhoek zijn van jonger datum. Bij gegroeide patroon gaat het om hoevelandschappen, oeverwallen etc. • de ontwikkelingsgeschiedenis Er zijn oude erven (voor 1840), jongere erven (tot 1940), ruilverkaveling/ nieuw vestiging (na 1940). In elk landschaptype komen deze drie voor. De oude erven vooral in de gegroeide gebieden en de nieuwere erven vooral in de planmatige gebieden. • de oorspronkelijke functie en gebruiksmogelijkheden van gronden Oorspronkelijk zijn het vooral gemengde boerenbedrijven waarbij gewoond werd. De vaak beperkte gebruiksmogelijkheden van de gronden bepalen de ruimtelijke vorm. In de loop der tijd ontstaan er meer specialisaties van bedrijven. Omdat de gebruiksmogelijkheden van gronden toenemen, wordt de ruimtelijke en functionele relatie met het landschap functioneler.
• eigendomssituatie/ bestuurlijke situatie Bijvoorbeeld grootgrondbezit, zoals landgoederen, scholtegoederen en bestuursvormen als de markegenootschappen. Ook de wijze waarop de eigen landbouwgronden zijn gelegen bepaalt de organisatie van het erf.
Heide- en veenontginning Komgronden Rivierweiden
Regio Achterhoek - Gelders Genootschap
23
Achtergrond: de ontwikkeling van kransen en zwermen van erven. In de late middeleeuwen werd in de Achterhoek een groot deel van de landbouwgronden bestuurd door marken, een samenwerkingsverband tussen boeren. De marke had de zeggenschap over de gemeenschappelijke bouwlanden (es of enk), weilanden en woestere gronden (heide, veld, broek). De gewaarde boerderijen lagen aan de rand van de hoger gelegen es, op de overgang naar de lager gelegen weidegronden. Ze lagen ook vaak aan de rand van een beekdal. Zo ontstonden kransen of zwermen van boerderijen aan de rand van de es en/of langs beekdalen. De meeste boerderijen liggen nog steeds op de plek waar ze ooit zijn gesticht, terwijl de omgeving in de loop der tijd sterk is veranderd. Hun erfopzet is bepaald door de geschiedenis. De situering van deze erven werd bepaald door de logistiek van het toenmalige grondgebruik. Op de es was de grond te waardevol om op te bouwen en lager kon niet, want daar was het weer te nat. Vanaf elk erf was er een verbinding met de es, en een aantal verbindingen naar weidegronden en woeste gebieden. Deze wegen liepen van hoog naar laag. Via deze wegen was het erf aangesloten op een “doorgaande” verbinding, die bij voorkeur aan de lage kant van de erven liep, tenzij het daar te nat was. De erven lagen dus niet aan een doorgaande weg, maar elk op hun eigen plek onderaan de es.
De erven in een krans vormden een samenhangend geheel. Tussen de erven was er een fijnvertakt netwerk van voetpaden, met soms een kerkepad of schoolpad als hoofdpad. Het landschap in de krans was relatief kleinschalig. Het bestond uit privé-kavels, boomgaarden, moestuinen, bosjes en houtwallen. Rond veel erven lag oorspronkelijk een gracht, maar die zijn al lang verdwenen. Toch is de grens tussen het erf en de omgeving vaak wel duidelijk aangegeven, bijvoorbeeld door hagen. Doordat de erven niet direct aan de weg liggen wordt vanuit de omgeving vooral het silhouet van stoere kappen en erfbeplantingen ervaren. De lage zijgevels zijn door het reliëf van het landschap aan het zicht onttrokken. De toegangswegen leiden de bezoeker vaak eerst naar de deel, de oorspronkelijke bedrijfsfunctie van de boerderij, terwijl het oorspronkelijke woongedeelte gericht is naar het landschap. De es werd verkaveld, evenals de natte en woeste gronden. De waterhuishouding verbeterd en soms werden essen zelfs geëgaliseerd. Daardoor is het oorspronkelijke landschap niet overal meer herkenbaar. Toch tekenen zich nog op veel plekken de essen af, doordat ze hoger liggen, relatief open zijn en grotendeels in gebruik zijn als landbouwgrond. Een andere grote verandering vond plaats in het netwerk van wegen en paden. Het fijnvertakte padennetwerk tussen de erven is meestal volledig verdwenen.
Één weg heeft een ontsluitingsfunctie gekregen, waarop de erven vaak met een eigen toegangsweg zijn aangesloten. In de kransen en zwermen zijn een groot aantal kleinschalige landschapselementen verdwenen. Door al deze veranderingen is het soms lastig een krans of zwerm nog als een samenhangend geheel te ervaren. Anderzijds is op veel plekken de omvang van de erven fors toegenomen. Er is veel meer en ook grotere bebouwing. Er ontstaat een spanning met de schaal van het oorspronkelijke erf. Daar waar de erven dicht bij elkaar liggen ontstaat daardoor soms een samenklontering van erven. rechts: twee erven zoals ze voorkomen in kransen en zwermen van erven
24
Es of enk In het oostelijk deel van de Achterhoek spreekt men van Es of d’n Es. In het westen en in het zuiden gebruikt men de benaming eng of d’n enk
Achterhoekse erven veranderen - Mei 2008
HET ERF IN ZIJN OMGEVING KRANSEN OF ZWERMEN VAN ERVEN (ES- OF ENK NEDERZETTINGEN) Kransen of zwermen van erven De erven die binnen een krans of binnen een overblijfsel van een krans zijn gesitueerd rondom en aan de rand van een hoger gelegen es. Ze liggen binnen het kampen- en hoevelandschap. Ook de zwermen van erven liggen aan de rand van een hoger gelegen es en zijn qua erfopbouw vergelijkbaar. De erven in een krans vormen van oudsher een samenhangend geheel. Tegenwoordig is dit soms lastig te herkennen. Toch tekenen zich nog op veel plekken de essen af, doordat ze hoger liggen, relatief open zijn en grotendeels in gebruik zijn als landbouwgrond.
Boven: schema en luchtfoto van een krans van erven. Beneden: schema en luchtfoto van een zwerm van erven
Regio Achterhoek - Gelders Genootschap
25
Knooperven zoals deze oorspronkelijk voorkwamen. Een uitgebreid stelsel van kleine paden verbond de erven met elkaar. De paden liepen daarbij over het erf. De erven liggen aan de rand van de es op de overgang tussen hoog en laag gelegen grond
26
Achterhoekse erven veranderen - Mei 2008
Door schaalvergroting is de wegenstructuur aangepast. Ook zijn de paden die de erven onderling verbonden grotendeels verdwenen. De erven liggen nu aan een grote geasfalteerde weg. De toegang tot het erf ligt daardoor vaak niet meer op de plek waar deze oorspronkelijk lag.
De erfbeplanting is gevarieerd in hoogte en soorten. Hierdoor ontstaat een afwisselend beeld van kappen en beplanting.
HET ERF IN ZIJN OMGEVING KRANSEN OF ZWERMEN VAN ERVEN (ES- OF ENK NEDERZETTINGEN) Toegang naar het erf en positie t.o.v. de weg De boerderijen lagen oorspronkelijk aan een netwerk van paden en wegen. Veel van deze paden en wegen zijn verdwenen. De boerderijen worden nu ontsloten door een bredere asfaltweg waaraan de erven in kransen doorgaans direct zijn gepositioneerd. De erven in zwermen hebben vaker een toegangsweg als erfontsluiting. Door de nieuwe positionering van de grotere weg worden de erven soms ontsloten met meer dan één toegang. Oriëntatie van bebouwing Het hoofdgebouw en de bijgebouwen vormen gezamenlijk een ensemble van bebouwing. Binnen dit ensemble is de oriëntatie van de gebouwen ten opzichte van elkaar van belang evenals de oriëntatie van het erf in het landschap. De gebouwen staan vaak scheef ten opzichte van elkaar in het grondplan. Het landschap is bepalend voor de plaatsing van de gebouwen, die is afgestemd op nattere en drogere gronden. De oriëntatie van het erf ten opzichte van de huidige weg gaat volgens een minder duidelijk principe. Dit komt omdat er bij de erven in zwermen en erven in kransen sprake is van een wegenstructuur die jonger is dan het erf zelf.
Vorm van de rand van het erf Erven die aan de rand van een es zijn gepositioneerd hebben van oorsprong opgaande beplanting aan de zijde van de es staan die beschutting biedt aan de gebouwen en de ruimte direct eromheen. Veel voorkomende soorten in het essen- en hoevelandschap zijn populier en eik. De windwerende beplanting staat niet per definitie in een singel of houtwal maar staat meestal groepsgewijs aan de rand van het erf. Doordat er geen sprake is van doorgaande beplanting ontstaat er een beeld waarbij delen van de gesloten
kappen en groen elkaar afwisselen. Aansluiting op het landschap De erven in het essen en hoevelandschap liggen op een logische plek in het landschap, op de overgang tussen hoog en laag, aan de rand van een es. De essen horen per definitie vrij te zijn van opgaande massa. Het contrast tussen de lege essen en de zone waarin de erven gelegen zijn was voorheen groter. Nu worden grote groene structuren beleefd door beplante beken en belangrijke wegen die herkenbaar zijn in het landschap. Aansluiting op paden De erven zijn niet meer sterk verbonden met de padenstructuur in het gebied. Oorspronkelijk was deze padenstructuur wel aanwezig (zie knooperven) maar deze is in de loop van de tijd verdwenen. Aandachtspunten en kansen bij verandering • versterken samenhang krans of zwerm • openheid van de es, samenhangend complex van landbouwgronden • afbakening van het erf t.o.v. de omgeving • verkleining van uitgegroeid erf tot oorspronkelijke landschappelijke contour • padenstelsel door de krans / zwerm, paden naar nabijgelegen hoeven • versterken kleinschalig landschap in de krans/zwerm (moestuinen, boomgaarden, bosjes, paardenweitjes, houtwallen) • oriëntatie bebouwing naar lijnen in het landschap • behoud silhouetwerking vanaf de es, dakenlandschap • Kansen om het landschap te versterken zitten in het verdichten van de groene structuren in de zone waarin de erven zijn gepositioneerd.
Regio Achterhoek - Gelders Genootschap
27
Achtergrond: de ontwikkeling van het kampenlandschap Het systeem van de kampen heeft veel gemeen met dat van de essen. De erven liggen aan de rand van een zogenaamde bouwkamp of eenmans es. Deze kampen liggen op zichzelf en maken geen deel uit van een essencomplex. Het zijn kleine opbollende akkers. De boerderijen liggen op de overgang naar weidegrond maar het systeem is in tegenstelling tot een essencomplex individueel per kamp geregeld. De wegen in het kampenlandschap ontstonden vanuit elk erf, waarbij het beloop werd bepaald door het gebruik van eigen gronden. Door het aan elkaar knopen van deze privé weggetjes ontstond een wegenstelsel, dat grillig en bochtig was. De boeren in kampengebieden werkten samen. Er was een fijnvertakt padenstelsel, dat alle hoeven verbond en vaak ook met een kerkpad of schoolpad. In het kampenlandschap zijn in de loop der jaren veranderingen opgetreden. De meeste kampenlandschappen zijn sterk gerationaliseerd. De kleinschalige, ongeordende structuur voldeed niet aan de eisen van de moderne landbouw. De schaal van de percelen is veel groter geworden, bouwkampen zijn vlak gemaakt en de natte en woeste onderdelen zijn in cultuur gebracht. De landschappen zijn daardoor veel opener en minder gevarieerd geworden. Nieuwe wegen zijn aangelegd en bochten afgesneden. Het padenstelsel is grotendeels verdwenen.
Veel hoeven liggen wat toevallig in het landschap, maar soms is de glooiing van de oorspronkelijke bouwkamp nog herkenbaar. Op veel plekken is de omvang van de erven fors toegenomen. Er is veel meer en ook grotere bebouwing. Door het uitbreiden van het oorspronkelijke erf met nieuwe en grotere gebouwen, ontstaat een spanning met de schaal van het oorspronkelijke erf. Daar waar de erven dicht bij elkaar liggen ontstaat daardoor soms een samenklontering van erven.
Rechts: twee erven zoals ze voorkomen in kampnederzettingen
28
Achterhoekse erven veranderen - Mei 2008
HET ERF IN ZIJN OMGEVING KAMPNEDERZETTINGEN Kampnederzettingen Het kampenlandschap bestaat uit een aaneenschakeling van afzonderlijke erven, met elk hun eigen stukje landschap gevormd door bomenlanen en bosstructuren. De erven liggen aan de rand van de akker, meestal grenzend aan zowel een bosrand als een weiland. Op een aantal plekken is het kampenlandschap nog aanwezig zoals het er oorspronkelijk was. Op de meeste plekken is echter een groot deel van de beplantingsstructuren verdwenen. Door de kleinschaligheid van het landschap, de kleine ruimtes die ontstaan door de opgaande structuur, worden de afzonderlijke erven vanuit een beperkt aantal plekken in het landschap beleefd. Het totaal van kampnederzettingen is ruimtelijk zeer herkenbaar in het landschap.
Schema en luchtfoto’s van kampnederzettingen.
Regio Achterhoek - Gelders Genootschap
29
Op sommige erven zijn de nieuwe bijgebouwen niet betrokken bij de oorspronkelijke opzet van het erf. Het terugbrengen tot de oorspronkelijke landschappelijke contour is dan aandachtspunt.
30
Achterhoekse erven veranderen - Mei 2008
De oriëntatie van de boerderij op het erf verschilt per erf. Meestal heeft het woongedeelte zicht op de akker.
Het erf ligt altijd tegen een achtergrond van groen. Doordat elk erf zijn eigen ruimte heeft die wordt gevormd door bos- en laanstructuren, is er bij de erven minder noodzaak tot windkeringen aan de randen van het erf. Deze zijn vrij open met enkele clusters van opgaande bebouwing.
HET ERF IN ZIJN OMGEVING KAMPNEDERZETTINGEN Toegang naar het erf en positie t.o.v. de weg De boerderijen liggen veelal aan een vertakt systeem van wegen en paden. Vanaf de doorgaande weg is er in principe één toegang tot het erf. Vanaf het erf zijn er aansluitingen op een systeem van zandwegen en wandelpaden. Het principe van de knooperven is in het kampenlandschap op een aantal plekken nog terug te vinden. Bij boerenerven die een schaalvergroting hebben ondergaan bestaat er soms een tweede toegang vanaf de doorgaande weg tot het erf. Oriëntatie van bebouwing De oriëntatie van het hoofdgebouw op het erf en binnen de kamp is verschillend. Soms is het woongedeelte met de kopse kant op de es gericht maar vaak ook met de zijkant. De gebouwen staan nooit verspreid over de kamp maar altijd geclusterd. De bijgebouwen hebben altijd hun plek rondom het bedrijfsgedeelte van het hoofdgebouw. Later toegevoegde bijgebouwen die noodzakelijk waren ten behoeve van schaalvergroting (vanaf jaren ’50) sluiten aan bij het cluster en hebben tevens een plek aan de collectieve ruimte. Bijgebouwen die in de laatste jaren zijn toegevoegd en niet meer passen bij de schaal van het erf met zijn bebouwing zijn vaak enigszins los van het erf gesitueerd. Soms aan de overzijde van de weg, soms als bijgebouw dat niet is aangesloten bij het collectieve gedeelte van het erf.
Vorm van de rand van het erf De erven in het kampenlandschap liggen vrijwel allemaal met een of meerdere zijden tegen de rand van de ruimte die omsloten is met bos of laanstructuren. De andere zijden van de erven liggen vrij open in de ruimte. Aan deze zijden staan kleine boomgroepen boomgaarden of solitaire bomen.
Aansluiting op het landschap De erven in het kampenlandschap liggen op de grens van hoog en laag op de rand van een kleine es of bouwkamp die duidelijk is omkaderd door bos en laanstructuren. Het kampenlandschap is op sommige plaatsen zeer herkenbaar aanwezig als gaaf landschap. De boerenerven in het kampenlandschap liggen in dit landschap verankerd, doordat de erven aan de rand van een eigen ruimte zijn gesitueerd. Hierdoor worden ze opgenomen in de massa van de randen van de ruimtes. Aansluiting op paden In het kampenlandschap is het knoopervensysteem beleefbaar. De erven zijn vaak aangesloten op één of meerdere zandwegen. Dit is karakteristiek voor dit landschap.
Voorbeeld Knooperven: Op het erf van Boeyink in Zelhem is het knoopervensysteem beleefbaar. Het oude zandpad loopt vanuit de weilanden, over het erf, weer verder de weilanden in.
Aandachtspunten en kansen bij verandering • Versterken samenhang tussen erf en landschap (bouwkamp zichtbaar maken, houtwallen, paden). • Afbakening van het erf t.o.v. de omgeving. • Verkleining van uitgegroeid erf tot oorspronkelijke landschappelijke contour. • Padenstelsel, paden naar nabijgelegen hoeven • Versterken kleinschalige landschap rond erf (moestuinen, boomgaarden, bosjes, paardenweitjes, houtwallen). • Oriëntatie bebouwing naar lijnen in het landschap. • Behoud silhouetwerking vanaf de bouwkamp, dakenlandschap. • Bebouwing tegen achtergrond van groen. • Beplanting rondom het erf in kleine clusters van opgaande beplanting. • Ligging van het erf in eigen ruimte m.b.t. mogelijkheden tot functieverandering.
Regio Achterhoek - Gelders Genootschap
31
Achtergrond: de ontwikkeling van de rivier en beekdalnederzettingen Grote delen van de Achterhoek liepen in vroeger tijd regelmatig onder water. Dit zorgde voor vruchtbare grond, maar beperkte de mogelijkheden voor vestiging van boerderijen. Dit is de reden dat veel boerderijen aan de rand van hoger gelegen essen of kampen liggen. In lager gelegen gebieden was men aangewezen op natuurlijke hoogtes, zoals rivierduinen, dekzandruggen, dekzandkopjes, stroomruggen en oeverwallen. Deze situatie komt voor in de bredere rivier- en beekdalen, zoals langs de Gelderse IJssel, de Oude IJssel en in mindere mate langs de Berkel, de Slinges en andere kleinere beken. Waar natuurlijke hoogtes ontbraken of te laag waren moest men de bouwplaats ophogen tot zogenaamde pollen of terpen. In het nederzettingspatroon is dit terug te herkennen. De vorm van de natuurlijke hoogte is bepalend; soms langgerekt, soms rond. We zien een concentratie van erven op hogere plekken, die een contrast vormt met het ontbreken van erven in de omgeving. Net als bij de essen en de kampen is de plaats van het erf in de eerste plaats bepaald door de landschappelijke condities. De wegen ontstonden vanuit elk erf, waarbij het beloop werd bepaald door het gebruik van eigen gronden. Ontsluitingswegen, die later ontstonden, volgen vaak de hoogte in het landschap, waardoor het lijkt dat de erven aan de weg staan.
De erven zijn met een aparte toegangsweg ontsloten. Op een aantal plekken is de bebouwing op de oeverwal of de stroomrug verder verdicht, waardoor de afzonderlijke erven lijken te zijn opgegaan in een klein dorp of buurtschap. Op andere plekken is het kleinschalige op de hoge rug verdwenen, waardoor de samenhang tussen de afzonderlijke erven is verzwakt.
rechts: twee erven zoals ze voorkomen in rivierdal- en beekdalnederzettingen
32
Achterhoekse erven veranderen - Mei 2008
HET ERF IN ZIJN OMGEVING
RIVIER- EN BEEKDALNEDERZETTINGEN
Rivier- en beekdalnederzettingen Erven binnen deze nederzettingen liggen op de natuurlijk hoger gelegen delen van het rivier en beekdalenlandschap. De plek van de erven is in eerste instantie bepaald door de landschappelijke condities. Doordat de hogere delen vaak beperkt in ruimte zijn, liggen de erven relatief dicht bij elkaar. De erven liggen op terpen of pollen wanneer de hogere delen te beperkt in ruimte zijn. Dit is met name in de beekdalen. In het landschap van de rivier- en beekdalen zijn vaak nog oude lopen van de beek of rivier te herkennen, de randen van deze oude lopen zijn fors ingeplant. De wegen zijn in dit nederzettingstype vaak van bomenrijen voorzien.
Schema en luchtfoto’s van rivier- en beekdal nederzettingen
Regio Achterhoek - Gelders Genootschap
33
De erven zijn op de hogere delen gesitueerd. Omdat deze schaars zijn liggen de erven relatief dicht bij elkaar. De erven liggen zowel direct aan de weg als van de weg af gepositioneerd.
34
Achterhoekse erven veranderen - Mei 2008
Bebouwing is georiënteerd op de lijnen in het landschap. De bebouwing staat evenwijdig of haaks ten opzichte van elkaar op het terrein. Soms is een kleine groep gebouwen op een andere lijn in het landschap georiënteerd. Binnen de groep staan de gebouwen dan wel in dezelfde richting.
In rivier- en beekdalnederzettingen komen sterk beplante en minimaal beplante erven voor. De mate waarin de erven beplant zijn hangt af van de plek in het landschap. Vanuit de omgeving zijn altijd (delen van) gebouwen zichtbaar.
HET ERF IN ZIJN OMGEVING Toegang naar het erf en positie t.o.v. de weg De erven in de rivierdalen liggen zowel direct aan de weg als van de weg af. De erven hebben in principe één toegang. Opvallend zijn de relatief lange toegangswegen tot de erven die van de weg afliggen. Deze zijn in de delen waar veel opgaande beplanting voorkomst beplant. In de meer open gebieden zijn ze onbeplant. Vanaf de weg worden deze erven ervaren alsof ze midden in de weilanden liggen. Oriëntatie van bebouwing De bebouwing op erven in rivierdalen staat over het algemeen haaks of evenwijdig ten opzichte van elkaar gepositioneerd. Alle bebouwing is georiënteerd op lijnen in het landschap waardoor soms een deel van de bebouwing op het erf is gedraaid ten opzichte van de rest van de bebouwing. De grondvorm van de erven is daardoor vaak een veelhoek. De plaats van het woongedeelte op het erf varieert, maar ligt over het algemeen aan de wegzijde. Vorm van de rand van het erf De manier van erfbeplanting aan de rand van het erf verschilt binnen de rivierdalnederzettingen. De erven die op de oeverwallen liggen zijn heel gevarieerd, soms stevig beplant, soms liggen ze bijna kaal in het landschap. De erven op de rivierduinen en rivierweiden zijn vaak wel stevig beplant aan alle zijden van het erf. Er bestaat wel altijd zicht op delen van het erf vanuit het landschap.
Aansluiting op het landschap De erven in de rivierdalen zijn gesitueerd op de hogere delen van het landschap. Het landschap in de rivier en beekdalen bestaat voornamelijk uit weidegronden. De patronen die de beken en de rivier hebben achtergelaten in de loop der jaren zijn leesbaar
RIVIER- EN BEEKDALNEDERZETTINGEN
in het landschap Kansen voor landschapsversterking zitten in het versterken van deze oude patronen in het landschap met behulp van beplanting. De wegenstructuur rondom de beken en de rivier is vooral parallel op de beek of aan oude beeklopen georiënteerd. De meeste wegen worden begeleid door twee rijen bomen. De erven in de rivierdalnederzettingen sluiten aan op de lijnen in het landschap, zowel met beplanting als met richtingen van bebouwing e.d. Er bestaan kansen voor landschapsversterking door hierop aan te sluiten. Aansluiting op paden Opvallend is dat veel erven in rivier- en beekdalnederzettingen aangesloten zijn op een of meer onverharde paden. Deze zijn echter meestal privé en daardoor niet toegankelijk voor recreatief gebruik. Aandachtspunten en kansen bij verandering • Versterken samenhang per oeverwal, stroomrug, dekzandrug etc. (schaal, houtwallen, paden, moestuinen, boomgaarden, bosjes, paardenweitjes). • Afbakening van het erf t.o.v. de omgeving, met o.a. windsingels en beplantingsclusters. • Verkleining van uitgegroeid erf tot oorspronkelijke landschappelijke contour (op de pol, op de hoogte). • Padenstelsel, herstel van paden naar nabijgelegen hoeven. • Oriëntatie van de bebouwing naar lijnen in het landschap. • Silhouetwerking vanaf open land.