CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. Motivering TAM omgevingsplan.pdf

Raadscommissie gecombineerd 19 november 2025, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 7: Omgevingsplan Buitengebied, Varsseveldseweg 38 Terborg15.523 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Gezien de berekende stikstofdepositie op de natuurgebieden in Nederland, in combinatie met de afstand tot het natuurgebied, is het niet aannemelijk dat dergelijke hoge deposities worden verwacht op de natuurgebieden in Duitsland. Ook directe effecten zijn, gezien de afstand tot de planlocatie, uitgesloten. Het aspect flora en fauna inclusief stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.

4.4

Geluid

Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. De omgevingswet kent een stelsel van normen om geluidhinder te voorkomen door wegverkeer, railverkeer en industrieterreinen met een GPP (geluidproductieplafond). De waarde van het geluid mag bij nieuwe ontwikkelingen op geluidgevoelige gebouwen in principe niet meer bedragen dan de standaardwaarde. Voldoen aan de standaardwaarde leidt tot een voldoende kwaliteit voor de leefomgeving. Indien de waarde van het geluid net voldoet aan de standaardwaarde dan kan onder voorwaarden een hogere waarde van het geluid toch worden toegelaten. Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met geluidaandachtsgebieden. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw of locatie binnen een geluidaandachtsgebied moet het aspect geluid beoordeeld worden.

37

Overigens moet ook waar geen sprake is van een geluidaandachtsgebied in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties het aspect geluid afgewogen worden. Aangezien het plangebied niet gelegen is binnen een geluidaandachtsgebied van een spoorweg en/of in de nabijheid van een gezoneerd industrieterrein is gelegen, hoeft alleen aandacht besteed te worden aan het aspect wegverkeerslawaai. Adviesburo Van der Boom heeft een onderzoek uitgevoerd naar de waarde van het geluid door wegverkeer op de locatie Varsseveldseweg 38 te Terborg, waarbij de ontwikkeling bestaat uit het realiseren van een woonfunctie. Het rapport d.d. 16 februari 2024 is bijgevoegd in Bijlage 5. De conclusies worden hieronder samengevat weergegeven. De ontwikkeling ligt buiten de bebouwde kom van Terborg, binnen de geluidzone van de provinciale weg N818 (Varsseveldseweg) op 44 meter uit de wegas. De locatie ligt tevens op ruim 70 meter uit de Kwakstraat. Dit is een lokale weg met een lage verkeersintensiteit. Deze weg is akoestisch niet relevant. De geluidbelasting door de Varsseveldseweg (N818) wordt conform de Aanvullingswet Geluid getoetst aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting door wegverkeer op de Varsseveldseweg (N818) bedraagt ten hoogste 53 dB na aftrek ex art 110-g Wgh (rekenpunt 1).

De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee door wegverkeer op de Varsseveldseweg (N818) overschreden. De maximale hogere waarde van 53 dB wordt niet overschreden. Het verlagen van de geluidbelasting door het treffen van maatregelen aan de bron of in de overdracht is financieel, civieltechnisch en stedenbouwkundig niet haalbaar. Voor de gevels van de woning dient een hogere waarde te worden aangevraagd voor de geluidbelasting door wegverkeer op de Varsseveldseweg (N818) van 53 dB conform tabel III.2. Voor gevels met een waarde van het gezamenlijk geluid van ten hoogste 53 dB bedraagt de benodigde karakteristieke geluidwering GA;k 20 dB. Dit is de minimale waarde conform het Bbl. Voor de gevels van de ontwikkeling zijn geen aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig. Bij het toetsen of sprake is van een “goede ruimtelijke ordening” is voor de Varsseveldseweg (N818) aangesloten bij het toetsingskader van de Wgh. Aan dit toetsingskader wordt voldaan na het verlenen van hogere waarden (zie paragraaf 4.3 van het rapport). Voor het aspect geluid zal sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening / evenwichtige toedeling als voor de woning daarnaast wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering.

Bij de beoordeling van het akoestisch onderzoek heeft de Omgevingsdienst Achterhoek opgemerkt dat de geluidisolatie van de gevels voldoende moet zijn in het verblijfsgebied van de woning aan de eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) te voldoen. In artikel 5.23 is aangegeven dat de Ga;k van de uitwendige scheidingsconstructie minimaal het verschil tussen een vastgestelde hogere waarde voor het gezamenlijk geluid, en 33 dB moet bedragen. Adviesburo Van der Boom heeft op basis van de materialisatie en het voorlopig ontwerp van de woning de benodigde berekeningen uitgevoerd. Dit is opgenomen is het rapport 'Geluidwering wegverkeer woning Varsseveldseweg 38 te Terborg' d.d. 1 oktober 2024. Dit rapport is bijgevoegd in Bijlage 6.

38

De samenvatting wordt alhier weergegeven: Met de geluidwerende voorzieningen zoals omschreven in hoofdstuk 2 van het rapport kan aan de eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving voor de geluidwering worden voldaan (ventilatie middels susroosters in de geluidbelaste gevel, kozijnen met een goede enkelvoudige kierdichting, akoestische dubbele beglazing, geluidwerende gevel- en dakconstructies). Voor alle beschouwde verblijfsgebieden blijkt dat bij de geadviseerde voorzieningen aan de geluidweringseis GA;K wordt voldaan. Met het verlenen van een beschikking hogere grenswaarde geluid van 53 dB als gevolg van het wegverkeer en het uitvoeren van de woning met de geadviseerde voorzieningen wordt aan de geluidweringseis GA;K voldaan. Hiermee vormt het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van voorliggend initiatief.

4.5

Luchtkwaliteit

Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;  Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft.

Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden (die liggen in de grotere stedelijke agglomeraties) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. De rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit gelden niet voor arbeidsplaatsen. Daartoe behoren bijvoorbeeld bedrijventerreinen, maar ook bedrijfswoningen. Binnen de projectlocatie wordt een woning gelegaliseerd, zodat er formeel één woning wordt toegevoegd. Eén van de 'standaardgevallen NIBM' volgens artikel 5.54 Bkl is het toevoegen van hoogste 1.500 woningen met één ontsluitingsweg.

Voorliggend plan valt ruimschoots binnen deze getalsmatige grens, zodat de kwaliteit van de buitenlucht niet in betekenende mate wordt beïnvloed door dit initiatief.

39

Tenslotte moet in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties afgewogen worden of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan aanvaardbaar is om een nieuwe woning te realiseren. De luchtkwaliteit wordt met name bepaald door enkele maatgevende stoffen veroorzaakt door het wegverkeer. In de ruimtelijke ordeningspraktijk zijn daarom vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) langs wegen van belang. De Europese grenswaarden van stikstofdioxide bedraagt als jaargemiddelde concentratie maximaal 40 µg NO2/m3 en van fijn stof 40 µg PM10/m3 respectievelijk 25 µg PM2,5/m3, waarbij dit laatste maximaal 35 keer per jaar met meer dan 50 µg PM2,5/m3 overschreden mag worden. Uit de kaartgegevens van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (www.cimlk.nl, monitoringsronde 2023 en monitoringsjaar 2022) blijkt voor een meetpunt in de directe nabijheid van de locatie Varsseveldseweg 38 te Terborg dat de jaargemiddelde totale concentraties stikstofdioxide 11,74 µg/m³, fijn stof PM10 15,75 µg/m³ (met 6 overschrijdingsdagen per jaar) en fijn stof PM2,5 8,68 µg/m³ bedroegen. Deze waarden liggen ruimschoots onder de grenswaarden. Hierdoor is er ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt daarom geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.6

Milieubelastende activiteiten

Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van (vaak technische) milieunormen in het omgevingsplan/vergunning. In deze paragraaf dient onderzocht te worden of de ontwikkeling een nieuwe milieubelastende activiteit (mba's) mogelijk maakt en zo ja, wat dit betekent voor de omgevingskwaliteit. Het begrip 'milieubelastende activiteit' (mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”. Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van 'directe lozingen' en wateronttrekkingsactiviteiten). Met de woonactiviteiten op de planlocatie worden geen nieuwe milieubelastende activiteiten toegevoegd. De instructieregels in het Bkl zijn immers niet van toepassing op het wonen. Wel hebben initiatiefnemers een bestaand kleinschalig kampeerterrein, wat al planologisch is toegestaan. Bovendien zijn bij deze verblijfsrecreatieve functie geen milieubelastende activiteiten betrokken, zodat de Bkl-instructieregels ook hier niet van toepassing zijn.

Met de legalisatie van de verbouwde schuur tot woning wordt een nieuw gevoelig gebouw toegevoegd, wat voor omliggende bedrijven met milieubelastende activiteiten tot beperkingen zou kunnen leiden. Voor het voormalige café met inpandige bedrijfswoning aan de Varsseveldseweg 36 is een aanvraag omgevingsvergunning ingediend om hier te mogen wonen. Daarmee mogen er geen milieubelastende activiteiten meer worden uitgeoefend aan de Varsseveldseweg 36, die direct ten noorden van de planlocatie is gesitueerd. Aan de Varsseveldseweg 34 is een metaalbewerkingsbedrijf gevestigd. Voor dit bedrijf wordt functieverandering voorzien naar de vestiging van enkele kleinere bedrijven in de milieucategorie 1 of 2 op de locatie, waarbij tevens wordt beoogd om twee van de drie bedrijfswoningen om te zetten naar burgerbewoning. Sowieso zijn andere burgerwoningen tussen dit bedrijf en de planlocatie gesitueerd, zodat die woningen maatgevend zijn. In de directe omgeving van de planlocatie zijn geen agrarische bedrijven gelegen.

40

Geconcludeerd kan worden dat het toevoegen van de woning aan de Varsseveldseweg 38 weliswaar een gevoelig gebouw is, maar deze is niet maatgevend en derhalve niet belemmerd voor omliggende bedrijven met milieubelastende activiteiten. Deze bedrijven worden niet gehinderd worden door dit initiatief. Er zijn geen milieubelastende activiteiten die een belemmering vormen voor de uitvoering van dit plan.

4.7

Omgevingsveiligheid

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:  Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving;  Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);  Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving;  Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar.

In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

41

Figuur 15: Uitsnede kaartbeeld 'Veilige omgeving' / Register Externe Veiligheid met de planlocatie ter plaatse van het open blauwe cirkeltje (bron: atlasleefomgeving.nl) Met de voorgenomen activiteit door het planologisch toevoegen van een woning worden geen milieubelastende activiteiten toegestaan. Wel kan de projectlocatie mogelijk blootgesteld zijn aan bestaande veiligheidsrisico's in de omgeving. Hiervoor is het Register Externe Veiligheid geraadpleegd. In figuur 15 is te zien dat de planlocatie op ruime afstand van meer dan 1,6 km tot risicobronnen is gelegen. Deze risicobronnen en de daarbij behorende aandachtsgebieden betreffen het vervoer van gevaarlijke stoffen over de snelweg A18. De instructieregels externe veiligheid zijn niet van toepassing op de planlocatie. Ter plaatse van en in de nabijheid van de Varsseveldseweg 38 te Terborg bevinden zich geen stationaire of mobiele risicobronnen. Met betrekking tot het aspect omgevingsveiligheid voldoet de planlocatie aan een goed woon- en leefklimaat.

42

4.8

Water

De weging van het waterbelang is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. Het heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. Deze watertoets heeft betrekking op alle wateren en alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik en de functie van het plangebied en de directe omgeving van het gebied, bijvoorbeeld veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit. Rijksbeleid - Het Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale water- beleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om over- stromingen te voorkomen.

In het Nationaal Water Programma 2022-2027 worden allereerst de nationale belangen opgesomd:  waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit);  waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater;  waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem;  in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit;  realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO2arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur;  verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit;  behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1. een veilige en klimaatbestendige delta. 2. een concurrerende, duurzame en circulaire delta. 3. een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. Provinciaal beleid - Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem.

Dit systeem bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater en is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. De provincie onderschrijft de ambitie van de Europese Kaderrichtlijn Water dat uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik en voert deze uit. De beschermde gebieden voor grondwater, waterberging, de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 zijn leidend bij de uitwerking van dit beleid in programma's of in kaders in de verordening. Er worden condities gesteld voor effectief en zuinig gebruik van drinkwater, speciale waterecologie (Hoogst Ecologisch Niveau wateren en Specifiek Ecologische Doelstelling wateren), (grond)waterafhankelijke landnatuur plus de beschermingszones natte landnatuur en grondwateronttrekkingen voor drinkwater en industrie, groter dan 150.000 m3/jaar.

43

De provincie stelt via uitvoerend beleid de doelen voor de regionale wateren voor de Kaderrichtlijn Water vast en geeft daarbij ook invulling aan de voorzieningenniveaus. Met de Gelderse waterschappen en de landbouw geeft de provincie invulling aan het vasthouden van water in de bodem, het grondwater en de haarvaten van het watersysteem. Bescherming tegen overstromingen vindt primair plaats op basis van preventie, waar nodig aangevuld met maatregelen in de ruimtelijke ordening en evacuatie. Deze bescherming gebeurt bij voorkeur in combinatie met het ontwikkelen en versterken van karakteristieke riviernatuur in Natura 2000-gebieden. Waterbeheerprogramma 2022-2027 In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 zijn de doelen van waterschap Rijn en IJssel weergegeven in vier thema's:  Klimaatrobuust gebied Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer.  Veilig gebied Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. De ambitie van het waterschap is dat in 2050 de keringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar op ontwikkelingen kan worden ingespeeld.

Daarbij is er aandacht voor een duurzame wijze van beheer en behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken.  Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil in het uitvoeren van haar primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil het waterschap in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin ze haar taken klimaatneutraal uitvoert.  Gezonde leefomgeving Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Er wordt naar gestreefd dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico's oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert. Beleid Waterschap Rijn en IJssel en gemeente Oude IJsselstreek De gemeente Oude IJsselstreek en het Waterschap Rijn en IJssel hebben een Gemeentelijk Waterplan 2010-2020 opgesteld. In dit waterplan wordt een integrale visie gegeven op water in Oude IJsselstreek. Deze visie geeft een doorkijk naar de middellange termijn (circa 10 jaar) en de lange termijn (2030). Aan de visie is een uitvoeringsprogramma gekoppeld voor de korte termijn (5 jaar).

Het waterplan biedt handvatten voor het opstellen van ruimtelijke plannen, voor de afstemming met rioolbeheer en geeft zo inzicht in de mogelijkheden om te komen tot een duurzaam watersysteem binnen de gemeente. Er wordt gestreefd naar een gezond, veerkrachtig, kwalitatief goed, aantrekkelijk en op de toekomst berekend watersysteem en waterketen. Naast het Gemeentelijk Waterplan 2010-2020 geldt ook het Gemeentelijk Rioleringsplan 2017-2020. In het rioleringsplan wordt aangegeven dat een particulier een eigen verantwoordelijkheid heeft voor het hemelwater dat op eigen terrein valt. Bij nieuwbouw verwerkt de particulier het hemelwater op eigen perceel.

44

Watertoets Het Waterschap Rijn en IJssel geeft in de 'Handreiking Watertoets' de inhoudelijke thema's voor de watertoets. Deze vormen de basis voor de planbeoordeling door het waterschap en het daaruit voortvloeiende wateradvies. In figuur 16 is de watertoetstabel met de voor dit initiatief van belang zijnde waterhuishoudkundige thema's opgenomen.

Thema

Toetsvraag

Relevantie

Intensiteit#

Veiligheid

1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade) 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier?

Nee

2

Nee

2

1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1m3/uur? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI of rioolgemaal van het waterschap?

Nee

2

Nee

1

Nee

1

1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2.500m2? 2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500m2? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laaggelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes?

Nee

2

Nee

1

Nee

1

Nee

1

Oppervlaktewaterkwal iteit

1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd?

Nee

1

Grondwateroverlast

1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? 2. Is in het plangebied sprake van kwel? 3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren? 4. Beoogt het plan aanleg van drainage?

Nee

1

Nee Nee

1 1

Nee

1

Grondwaterkwaliteit

1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking?

Nee

1

Inrichting en beheer

1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?

Ja

1

Nee

2

1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? 2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?

Nee

1

Nee

1

Riolering en Afvalwaterketen

Wateroverlast (oppervlaktewater)

Volksgezondheid

45

Natte natuur

1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur? 4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied?

Nee

2

Nee

2

Nee

1

Nee

1

Verdroging

1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied?

Nee

1

Recreatie

1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?

Nee

2

Cultuurhistorie

1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?

Nee

1

Figuur 16: Watertoetstabel ingevuld voor het planinitiatief De intensiteit van het watertoetsproces is afhankelijk van de antwoorden op bovenstaande vragen. Als er op een categorie 2 vraag een 'ja' is geantwoord is een uitgebreide watertoets noodzakelijk. Is er op geen van de categorie 2 vragen een 'ja' geantwoord dan kan een verkorte watertoets doorlopen worden. In dit geval geldt op grond van de tabel de verkorte watertoets. Nagenoeg alle vragen zijn ontkennend beantwoord, zodat er geen wateradvies bij het waterschap hoeft te worden gevraagd. Alleen de vraag of er een water in eigendom en beheer is bij het waterschap is positief beantwoord. Dit omdat aangrenzend ten zuiden van het plangebied de Scholten Sloot is gelegen. Voor deze watergang geldt volgens de legger dat deze tot de keur- en beschermingszone van het waterschap behoort. De eerste vraag van de watertoetstabel is echter toch ontkennend beantwoord, omdat in het zuidelijk deel van het plangebied geen fysieke wijzigingen plaatsvinden. Het hemelwater in het plangebied wordt al in de bodem geïnfiltreerd. Het erf is en blijft grotendeels ongewijzigd. Met de verbouwactiviteiten van de bewoonde schuur tot woning zal mogelijkerwijs bestaande verharding worden betrokken bij de woning. Daarnaast zal eventueel een stallingsruimte voor voertuigen worden gerealiseerd.

De toename aan verharding en bebouwing blijft ruimschoots onder de genoemde 500 m2. Omdat niet alle vragen ontkennend zijn beantwoord, is de vragenlijst ook digitaal doorlopen op de Digitale Watertoets (dewatertoets.nl). Het resultaat van deze check is bijgevoegd in Bijlage 7. Op basis van de vragen en antwoorden zijn een drietal adviezen gegeven:  Advies beheer en onderhoud van oppervlaktewater Uit de details van dit advies blijkt dat het beheer en onderhoud van het watersysteem met het reguliere onderhoudsmaterieel van het waterschap mogelijk dient te zijn. De kern- en beschermingszones van de Scholten Sloot, die in de Legger worden beschermd, moeten vrijgehouden worden van obstakels. De bestaande houtsingel die het weiland in het zuidelijke deel van het plangebied begrensd is buiten deze zones gelegen. Het planinitiatief voor de te legaliseren woning brengt geen wijzigingen met zich mee in het zuidelijk deel van het plangebied. Er zijn geen activiteiten binnen de kern- en beschermingszone, zodat een watervergunning niet benodigd is. Het beheer en onderhoud van de Scholten Sloot wordt niet gehinderd door dit initiatief en blijft zonder meer mogelijk. 46

 Advies kwaliteit oppervlaktewater Binnen het plangebied vinden geen specifieke activiteiten plaats, waardoor hemelwater dat van verhard oppervlak afstroomt naar het oppervlaktewater, verontreinigd kan raken. Bovendien bevindt het gedeelte waar activiteiten plaatsvinden c.q. waar de woning wordt gelegaliseerd en het kampeerterrein met paardenstal zich in het noordelijke deel van het plangebied op meer dan 100 m afstand van de Scholten Sloot. Aan de rand van het plangebied bevinden zich wel enkele greppels/droogstaande slootjes waar het hemelwater kan infiltreren. Deze greppels staan niet in directe verbinding met het oppervlaktewater van de Scholten Sloot. Andere voorzorgsmaatregelen om verontreiniging van oppervlaktewater te voorkomen, zijn niet benodigd.  Advies grondwaterbeheer Het voorgenomen plan voorziet in de legalisatie van een woning. Dit kleinschalige initiatief is in de praktijk al het huidige gebruik, bovendien hoeft hiervoor het waterbeheer niet gewijzigd te worden. Er is reeds sprake van een doelmatig waterbeheer dat optimaal de functies en het huidige gebruik ondersteunt. Het aspect water vormt geen belemmering voor dit plan.

4.9

Duurzaamheid

Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen. In deze onderbouwing is het begrip duurzaamheid uitgesplitst in drie categorieën; 'energietransitie', 'circulariteit' en 'klimaatadaptatie'. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl. Energietransitie Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuw te bouwen bouwwerken. De te legaliseren woning betreft echter een bestaand bouwwerk en dient beoordeelt te worden als een te verbouwen woning. Om voor de te legaliseren woning een comfortabel woon- en leefklimaat te behalen zullen er aanvullende isolatiemaatregelen genomen worden. Zo worden er onder andere kantplanken tegen een groot deel van de gevels van de woning geplaatst. Deze zorgen naast de isolerende werking voor meer eenheid in de uitstraling van de woning. Daarnaast bevinden zich op het dak van de te legaliseren woning en aangebouwde serre al zonnepanelen. Met deze maatregelen wordt aan de Bbl-eisen voor bestaande bouw voldaan. Circulariteit Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de milieuprestatie van een woonfunctie, een kantoorgebouw en nevengebruiksfuncties daarvan (artikel 4.159 Bbl).

Een berekening milieuprestatie wordt vereist bij nieuwbouw van bouwwerken ten dienste van genoemde functies. Voor bestaande bouwwerken is een dergelijke berekening niet benodigd. Het behouden van het pand en het benutten met een goede functie draagt bij aan een circulaire economie. Klimaatadaptatie Voor het kader voor klimaatadaptatie en water wordt verwezen naar het beleid van rijk, provincie, gemeente en waterschap op het gebied van klimaatadaptatie en water. Zo heeft de provincie ook instructieregels voor klimaatadaptatie opgenomen, zie hiervoor paragraaf 3.2.

47

Tevens is de klimaatatlas geraadpleegd, die is opgesteld voor de gemeente Oude IJsselstreek. Uit de kaartbeelden die horen bij het aspect wateroverlast blijkt dat ter plaatse van de woning en het kleinschalige kampeerterrein geen plasvorming wordt verwacht bij een korte extreme bui (van 70 mm in één uur). Bij een lange extreme bui (160 mm in twee uur) kan aldaar enige plasvorming optreden variërend van 5 tot 20 cm, waarbij dit laatste uitsluitend verwacht wordt op het achterste deel van het kampeerterrein. Bij de woning is een kleine kans op waterschade. In het zuidelijke deel van het plangebied, zijnde het weiland, paardenbak en houtsingel kan bij de korte extreme bui 5 tot 15 cm plasvorming optreden, wat bij de lange extreme bui oploopt tot 15 tot 30 cm plasvorming. Eventuele plasvorming in dit onbebouwde zuidelijke deel is niet bezwaarlijk. Het plangebied is geen specifiek aandachtsgebied voor hitte, want op warme dagen zal de hitte normaal aanvoelen. Ter plaatse van de verharding in de directe omgeving van de bewoonde schuur en de parkeerplaats wordt mogelijk wel iets meer warmte ervaren. Het kampeerterrein is nauwelijks verhard, in agrarisch gebied gelegen en daar is relatief veel verkoelende beplanting aanwezig. Met de planvorming worden nog meer bomen en groen aangebracht, wat verkoeling oplevert bij warme dagen.

De bijbehorende kaartbeelden laten wat betreft grondwaterstanden en droogtegevoeligheid in 2050 beperkte verandering zien ten opzichte van de huidige situatie ter plaatse van het plangebied. Het grondwater binnen het plangebied kan wegzakken tot 1,8 – 2,5 m beneden maaiveld, terwijl dat nu voor een groot deel van het zuidelijke deel van het plangebied nog 1,2 – 1,8 m beneden maaiveld kan wegzakken. Door het hemelwater binnen het plangebied te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater in het gebied zelf aanwezig. Tot slot zijn er geen overstromingsrisico's ter plaatse van de planlocatie of in de directe omgeving op de kaart 'Overstromingen' van de klimaatatlas weergegeven. Een eventuele dijkdoorbraak van de (Oude) IJssel of de Rijn kan dit hoog en ten opzichte van deze rivieren ver weg gelegen gebied niet bereiken. Specifieke maatregelen om overstromingsrisico's te beperken zijn niet nodig. Het plan houdt voldoende rekening met de diverse duurzaamheidsaspecten, waarbij klimaatadaptatie geen belemmering vormt voor voorliggend initiatief.

4.10

Verkeer en parkeren

Verkeer Het voorgenomen plan voorziet in het toestaan van een hoofdfunctie wonen, waarbij het bestaande kleinschalige kampeerterrein wordt voortgezet als nevenactiviteit bij deze woonfunctie. De reeds decennialang bewoonde schuur wordt daarbij omgezet naar een burgerwoning, zodat de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte van de woning op zichzelf ongewijzigd blijft. Ook het aantal verkeersbewegingen en de parkeerbehoefte van het kampeerterrein blijven gelijk. Voor de verkeersgeneratie kan o.b.v. de kengetallen van het CROW (publicatie 381 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie') uitgaande van één woning binnen de categorie 'koop, huis, vrijstaand', een niet-stedelijke verstedelijkingsgraad en het gebiedstype 'buitengebied' uitgegaan worden van maximaal 8,6 verkeersbewegingen per etmaal. Voor een camping/kampeerterrein geldt in het buitengebied een verkeersgeneratie van 2,6 tot 2,8 verkeersbewegingen per etmaal. Uitgaande van de maximaal 25 standplaatsen en de gemiddelde verkeersgeneratie van 2,7 levert dit tezamen met de woning in totaal afgerond maximaal 76 verkeersbewegingen per etmaal op. Opgemerkt wordt dat niet alle standplaatsen gedurende het gehele seizoen volledig bezet zullen zijn.

Daarnaast treedt de verkeersgeneratie van het kleinschalig kampeerterrein uitsluitend gedurende het kampeerseizoen op, zodat in de winterperiode alleen de verkeersbewegingen van de woning plaatsvinden. De bestaande ontsluiting van de planlocatie op de Varsseveldseweg/N818 wordt gehandhaafd. Deze provinciale weg heeft ruimschoots voldoende capaciteit om deze verkeersbewegingen op te vangen.

48

Parkeren Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de aard en omvang van de activiteit waarin het plan voorziet. Om de parkeerbehoefte te bepalen, is gebruik gemaakt van de kengetallen van 'Nota Parkeernormen' d.d. 26 januari 2024 van de gemeente Oude IJsselstreek. Bij de berekening van de parkeerbehoefte is uitgegaan van één woning in de categorie 'Koop, huis, vrijstaand' van de tabel behorend bij 'Gendringen, Silvolde & Terborg' en in het 'Buitengebied'. Hiervoor wordt een parkeernorm van gemiddeld 2,4 parkeerplaatsen per woning gehanteerd. Voor een 'camping (kampeerterrein)' geldt in het buitengebied een parkeerkencijfer van 1,2 parkeerplaatsen per standplaats. Dit betekent dat er voorzien moet worden in afgerond naar boven 33 parkeerplaatsen binnen het plangebied. Op elke standplaats/camperplaats is voorzien in één parkeerplaats. Eventuele tweede auto's of bezoekers van de campinggasten zullen moeten parkeren op de verharde parkeerplaats alvorens zij het kampeerterrein zelf betreden. Hier is in elk geval ruimte voor 8 extra parkeerplaatsen, naast de 3 parkeerplaatsen behorend bij en gelegen direct naast de woning. Binnen het plangebied zijn in totaal 36 parkeerplaatsen aanwezig, zodat wordt voldaan aan de parkeerbehoefte. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit initiatief.

4.11

Kabels en leidingen

Binnen en nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen gelegen die een belemmering zouden kunnen vormen voor voorliggend plan.

4.12

M.E.R.-beoordeling

De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan:  Dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project-m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit of;  Waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is. In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen.

Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma's die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd. De beoogde ontwikkeling is te categoriseren als een Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen, zoals opgenomen onder Nr. J11 in Bijlage V bij het Ob. Om te beoordelen of aanzienlijke milieueffecten zijn te verwachten is onderstaand een plan-m.e.r.(-beoordeling) uitgevoerd.

49

Plan-m.e.r. beoordeling Dit initiatief betreft het toevoegen van een woning in het buitengebied, zodat dit een kleine wijziging op een klein gebied op lokaal niveau betreft, waarvoor een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld. Om deze reden kan sprake zijn van een plan-m.e.r-beoordeling. Zoals gezegd is deze beoordeling alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. In paragraaf 1.2 Ligging plangebied, en paragraaf 2.1 Huidige situatie is de plaats van het project nader toegelicht. De kenmerken van het project zijn uitgebreid beschreven in paragraaf 2.2 Toekomstige situatie. In dit hoofdstuk, zijnde hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten zijn de diverse aspecten van de fysieke leefomgeving onderzocht. Uit de beoordeling van deze omgevings- c.q. milieuaspecten is gebleken dat er geen aanzienlijke milieueffecten en geen significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden zijn. Een uitgebreidere plan-m.e.r.-beoordeling is niet noodzakelijk. Het aspect m.e.r. beoordeling vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig initiatief.

4.13

Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling 'buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied' mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. In het Bkl (artikel 5.129g) is bepaald dat bij een activiteit of een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen.

Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als 'de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.' Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 bruto vloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. Dit plan voorziet in de legalisatie van een woning in een bestaand pand. Hierdoor wordt 1 woning in het buitengebied toegevoegd, zodat dit ruimschoots minder is dan 11 woningen en er geen sprake van een woningbouwlocatie is. Hierdoor betreft dit initiatief geen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wel dient gemotiveerd te worden waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Deze motivatie blijkt uit de concrete en aantoonbare behoefte, aangezien initiatiefnemers hier al meer dan een decennium woonachtig zijn. De voorliggende ontwikkeling voldoet aan de Ladder voor duurzame verstedelijking, zodat het plan niet in strijd is met het Bkl.

50

4.14

Gezondheid

De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. De maatschappelijke doelen van de Omgevingswet zijn in artikel 1.3 van die wet als volgt geformuleerd: Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Naast het functioneel doelmatig gebruiken van de tot woning verbouwde schuur, is in de voorgaande paragrafen reeds gemotiveerd dat voldaan wordt aan de Bkl-instructieregels die betrekking hebben op de aspecten geluid, geur, luchtkwaliteit en bodem. Deze instructieregels zijn specifiek bedoeld ter bescherming van de gezondheid en het milieu. Daarnaast voldoet dit initiatief aan de maatschappelijke behoeften van de initiatiefnemers aan woonruimte met voldoende ruimte voor het hobbymatig houden van enkele paarden.

Daarnaast wordt met het kleinschalige kampeerterrein bijgedragen aan de positieve recreatieve beleving van de campinggasten. Ook het instandhouden van de aanwezige landschapselementen evenals de versterking hiervan met extra landschappelijke inrichting draagt bij aan een gezonde fysieke leefomgeving. Dit initiatief heeft een positieve bijdrage aan het aspect gezondheid, waarbij tevens de kwaliteit van de leefomgeving wordt verbeterd.

51

52

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Een wijziging van het omgevingsplan mag geen regels bevatten die op voorhand onuitvoerbaar zijn. De financiële kosten van dit particuliere initiatief mogen daarom niet voor rekening van de gemeente Oude IJsselstreek komen. De voorliggende ontwikkeling wordt gerealiseerd op initiatief van particuliere initiatiefnemers, die daarmee optreden als projectontwikkelaar. Het plan wordt geheel op eigen grond gerealiseerd en er is geen sprake van wijzigingen in de openbare ruimte. Daardoor zijn er geen kosten die door de gemeente verhaald moeten dan wel kunnen worden. De gemeente en de projectontwikkelaar hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de ontwikkelaar als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling ten aanzien van het kostenverhaal. De kosten van het vaststellen van de wijziging van het omgevingsplan (leges) inclusief het daarvoor benodigde onderzoek, komen voor rekening van initiatiefnemers. In geval voor realisatie van het onderhavige initiatief een schadeveroorzakend besluit nodig is als bedoeld in artikel 15.1, eerst lid van de Omgevingswet, kan dit tot voor vergoeding in aanmerking komende nadeelcompensatie leiden. Daarvoor heeft de gemeente met initiatiefnemer een verhaalsovereenkomst als bedoeld in artikel 13.3c Ow opgenomen in de anterieure overeenkomst.

Zodoende is voor wat betreft nadeelcompensatie de uitvoerbaarheid van het initiatief geborgd. De economische uitvoerbaarheid van de wijziging van het omgevingsplan is hiermee voldoende aangetoond.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Participatie Door onder andere een handhavingsverzoek van enkele buren zijn de relaties verslechterd. Door de aanwezigheid van deze derde belanghebbenden tijdens een bezwaarschriftenprocedure zijn zij op de hoogte van dit plan tot legalisatie van de woning. Procedure wijziging van het omgevingsplan De gemeente publiceert de wijziging van het omgevingsplan digitaal via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB), het landelijke publicatieplatform. De regels van het ontwerp-omgevingsplan komen dan automatisch in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO-LV) c.q. Omgevingsloket. Via het onderdeel 'Regels op de Kaart' kan iedereen zien welke regels waar gelden. Het TAM-omgevingsplan Varsseveldseweg 38 te Terborg en de daarbij behorende hebben van van 31 oktober 2024 tot en met 11 december 2024 als ontwerp ter inzage gelegen. Binnen deze termijn heeft eenieder de mogelijkheid gehad om een zienswijze in te brengen. Gedurende de inzagetermijn is 1 zienswijze binnengekomen. De zienswijze is samengevat en beantwoord in de Nota van zienswijzen, welke bij de raadsstukken is gevoegd. Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijziging van het omgevingsplan voor de planlocatie Varsseveldseweg 38 te Terborg.

53

5.3

Eindconclusie

Het planinitiatief tot legalisering van de bestaande woning en het als nevenfunctie bestemmen van het kleinschalige kampeerterrein is, gelet op beleid, omgevingsaspecten, volkshuisvesting, economisch en maatschappelijk uitvoerbaar. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

54

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/5011/documents/32300