CConstaterende datOude Ijsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 11 Quickscan ecologie.pdf

Raadscommissie gecombineerd 15 juni 2023, gemeente Oude IjsselstreekBij agendapunt: 11: Bestemmingsplan Woongebied Meglo, voormalige Kwekerij Venhorst10.261 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan Meghlo te Megchelen Toetsing aan de Wet natuurbescherming 14 februari 2022

Kenmerk

R001-1281765VSX-V02-mdg-NL

Verantwoording Titel

Quickscan Meghlo te Megchelen

Opdrachtgever

Plantencentrum Louis Venhorst & Zonen B.V.

Projectleider

Jordy Houkes

Auteur

Vincent Sanders

Kwaliteitscontrole

Nils Rutjes

Uitvoering inspectiewerk

Vincent Sanders

Projectnummer

1281765

Aantal pagina’s

43

Foto voorblad

Luchtfoto plangebied en omgeving (bron: Cyclomedia)

Datum

14 februari 2022

Handtekening

Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.

Colofon TAUW bv Handelskade 37 Postbus 133 7400 AC Deventer T +31 57 06 99 91 1 E info.deventer@tauw.com

2/43

Kenmerk

R001-1281765VSX-V02-mdg-NL

Inhoud 1

2

3

Inleiding ..................................................................................................................................... 5 1.1

Doel .................................................................................................................................... 5

1.2

Wettelijk kader .................................................................................................................... 5

1.3

Te beschouwen natuurwet- en regelgeving ....................................................................... 5

1.3.1

Natura 2000-gebieden ................................................................................................ 5

1.3.2

Provinciaal beschermde gebieden .............................................................................. 6

1.3.3

Houtopstanden ............................................................................................................ 7

1.3.4

Beschermde soorten ................................................................................................... 7

1.4

TAUW en biodiversiteit ....................................................................................................... 7

1.5

Kwaliteit .............................................................................................................................. 7

Huidige situatie, beoogde ontwikkeling en uitgangspunten ....................................................... 8 2.1

Huidige situatie ................................................................................................................... 8

2.2

Beoogde ontwikkeling ...................................................................................................... 15

2.3

Uitgangspunten werkzaamheden en toetsing .................................................................. 16

Soortenbescherming ............................................................................................................... 17 3.1

Beschermingsregime en bepalingen ................................................................................ 17

3.2

Vrijstellingen ..................................................................................................................... 17

3.3

Zorgplicht ......................................................................................................................... 18

3.4

Werkwijze ......................................................................................................................... 18

3.5

Literatuuronderzoek ......................................................................................................... 19

3.6

Toetsing beschermde soorten .......................................................................................... 19

3.6.1

Flora .......................................................................................................................... 19

3.6.2

Grondgebonden zoogdieren ..................................................................................... 20

3.6.3

Vleermuizen .............................................................................................................. 26

3.6.4

Vogels ....................................................................................................................... 30

3.6.5

Amfibieën .................................................................................................................. 34

3.6.6

Reptielen ................................................................................................................... 35

3.6.7

Vissen ....................................................................................................................... 36

3.6.8

Vlinders ..................................................................................................................... 36

3.6.9

Libellen ...................................................................................................................... 37

3/43

Kenmerk

R001-1281765VSX-V02-mdg-NL

3.6.10 4

5

Biodiversiteit ............................................................................................................................ 38 4.1

Algemeen ......................................................................................................................... 38

4.2

Aanbevelingen en kansen voor biodiversiteit ................................................................... 38

Conclusies en aanbevelingen.................................................................................................. 39 5.1

Aanleiding en doel ............................................................................................................ 39

5.2

Relevante natuurwet- en regelgeving .............................................................................. 39

5.3

Conclusies toetsing .......................................................................................................... 39

5.3.1

Natura 2000-gebieden .............................................................................................. 39

5.3.2

Provinciaal beschermde gebieden ............................................................................ 39

5.3.3

Houtopstanden .......................................................................................................... 40

5.3.4

Soortenbescherming ................................................................................................. 40

5.4 6

Overige ongewervelden ............................................................................................ 37

Consequenties planvorming en uitvoering ....................................................................... 41

Literatuur ................................................................................................................................. 43

4/43

Kenmerk

R001-1281765VSX-V02-mdg-NL

1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft het doel van de toetsing, de relevante natuurwetgeving, de wijze van kwaliteitsborging en de te hanteren uitgangspunten voor de toetsing.

1.1

Doel

In opdracht van Plantencentrum Louis Venhorst & Zonen B.V. heeft TAUW onderzoek gedaan naar de consequenties van de geldende natuurwet- en regelgeving voor het realiseren van woningen ten noorden van Megchelen. De beoogde ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de natuurwetgeving, of als de benodigde vergunningen worden afgegeven en/of ontheffingen kunnen worden verleend. Voor de beoogde ontwikkeling is tevens een bestemmingsplanwijziging nodig. In deze rapportage volgt het antwoord op de volgende vragen: • Welke natuurwet- en regelgeving is van belang? • •

In hoeverre is de beoogde ontwikkeling (mogelijk) strijdig met de geldende natuurwet- en regelgeving? Zijn maatregelen en/of een vergunning/ontheffing/melding nodig?

• •

Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering? Is een bestemmingsplanwijziging redelijkerwijs uitvoerbaar?

1.2

Wettelijk kader

De Wet natuurbescherming is het wettelijke stelsel voor bescherming van Natura 2000-gebieden, soorten (flora en fauna) en houtopstanden. Het beschermingsregime gaat uit van het ‘nee, tenzijprincipe’. Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Gelderland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning of ontheffing. Provinciale Staten (PS) van de provincie Gelderland kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van verbodsbepalingen met betrekking tot beschermde soorten. Naast de Wet natuurbescherming geldt vanuit provinciale ruimtelijke beleidsregels ook regelgeving met betrekking tot beschermde gebieden zoals het Natuurnetwerk Nederland.

1.3

Te beschouwen natuurwet- en regelgeving

1.3.1 Natura 2000-gebieden In Nederland zijn 158 gebieden aangewezen als Natura 2000-gebied, beschermd vanuit de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn; van nog eens drie gebieden is de aanwijzing nog in procedure.

5/43

Kenmerk

R001-1281765VSX-V02-mdg-NL

Het plangebied is in Nederland gelegen, maar ligt op korte afstand van Duitse Natura 2000gebieden (Hetter-Millinger Bruch op circa 440 m). Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied in Nederland is gelegen op circa 15 km (Rijntakken). Negatieve effecten door stikstofdepositie als gevolg van de aanleg- en gebruiksfase op voor stikstof gevoelige habitattypen zijn door de afstand niet te verwachten. Zekerheid kan echter alleen worden verkregen met een AERIUS-berekening. Het bevoegd gezag kan een dergelijke berekening vereisen op wettelijke basis. Effecten als gevolg van stikstofdepositie op de Duitse Natura 2000-gebieden zijn niet op voorhand uit te sluiten. Door het opstellen van een AERIUS-berekening (met eigen rekenpunten op de Duitse Natura 2000-gebieden) kan ook zekerheid verkregen worden of er negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie optreden op Duitse Natura 2000-gebieden. Deze dienen te worden beoordeeld conform vigerende Duitse wet- en regelgeving. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Met deze wet is binnen de Wet natuurbescherming een partiële vrijstelling opgenomen van de Nederlandse Natura 2000-vergunningsplicht voor tijdelijke stikstofemissies van activiteiten tijdens de aanlegfase.

Verstoringsfactoren zoals geluid, licht en optische verstoring van de aanlegfase en gebruiksfase zorgen vanwege de afstand tot de Natura 2000-gebieden en lokale aard van de werkzaamheden met zekerheid niet tot negatieve effecten in Natura 2000-gebieden. 1.3.2

Provinciaal beschermde gebieden

1.3.2.1 Natuurnetwerk Nederland Veel natuurgebieden in Nederland zijn beschermd als onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. Het Natuurnetwerk Nederland omvat bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden met als doel deze beter met elkaar en het omliggende gebied te verbinden. Provincies zijn verantwoordelijk voor het begrenzen van de gebieden. Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Een toetsing van de effecten op het Natuurnetwerk Nederland van ontwikkelingen die daarbuiten plaatsvinden (externe werking) is in provincie Gelderland niet van toepassing (provincie Gelderland, 2017). Toetsing van die effecten op het Natuurnetwerk Nederland is daarom niet noodzakelijk. 1.3.2.2 Overige beschermde gebieden In de provincie Gelderland zijn naast het Natuurnetwerk Nederland ook gebieden aangeduid en beschermd als weidevogelgebieden, ganzenrustgebieden en natte landnatuur. Daarnaast zijn er ook Groene ontwikkelzones aangewezen. Dit zijn zones die bestaan uit gebieden met andere bestemmingen dan natuur, maar die ruimtelijk verweven zijn met het Natuurnetwerk Nederland en daar functioneel mee samenhangen. Binnen deze zones wordt ingezet op versterking van die ruimtelijke samenhang. Het plangebied maakt geen deel uit van weidevogelgebied, ganzenrustgebied, natte landnatuur of Groene ontwikkelzone. Een toetsing van effecten vanwege

6/43

Kenmerk

R001-1281765VSX-V02-mdg-NL

externe werking is voor deze gebieden ook niet noodzakelijk. Een toetsing van effecten op deze gebieden is daarom niet aan de orde. 1.3.3

Houtopstanden

Bomenrijen langer dan 20 bomen en houtopstanden groter dan 10 are zijn beschermd, met enkele uitzonderingen. Dit heeft als doel het totale bosoppervlak in Nederland te behouden. Het plangebied ligt buiten de bebouwde kom van Oude IJsselstreek, waardoor de wetsartikelen aangaande houtopstanden van toepassing zijn. De bomen in het plangebied zijn onderdeel van een kwekerij, waardoor deze onder de categorie kweekgoed vallen. Toetsing van eventuele effecten op beschermde houtopstanden is niet aan de orde, omdat bescherming van houtopstanden niet geldt voor kweekgoed (Wet natuurbescherming, artikel 4.1e). 1.3.4

Beschermde soorten

Onder de Wet natuurbescherming zijn diverse planten- en diersoorten specifiek beschermd en voor alle soorten geldt dat negatieve effecten zoveel mogelijk voorkomen moeten worden. Vanwege het mogelijk voorkomen van (beschermde) flora en fauna in en nabij het plangebied is een toetsing van eventuele effecten op beschermde soorten noodzakelijk.

1.4

TAUW en biodiversiteit

Naast de natuurwet- en regelgeving biedt ieder project mogelijkheden voor maatregelen ten gunste van de biodiversiteit. In hoofdstuk vier zijn enkele specifieke kansen voor dit project beschreven.

1.5

Kwaliteit

TAUW garandeert dat alle relevante beschermde gebieden en houtopstanden bij het ecologisch onderzoek zijn betrokken. Voor soortenbescherming is geen volledige zekerheid te geven over de aan- of afwezigheid van beschermde soorten. Dat komt doordat beschermde soorten soms in heel kleine aantallen voorkomen en in sommige jaren zelfs afwezig kunnen zijn. Door inzet van deskundige ecologen en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethodes wordt de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. Mede daarom is TAUW aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus, een samenwerkingsverband van adviesbureaus die ecologisch advies geven en ecologisch onderzoek verrichten.

7/43

Kenmerk

R001-1281765VSX-V02-mdg-NL

2 Huidige situatie, beoogde ontwikkeling en uitgangspunten Dit hoofdstuk beschrijft de huidige situatie, het voorgenomen plan en de uit te voeren werkzaamheden.

2.1

Huidige situatie

In de jaren 80 is er aan de rand van het dorp Megchelen een uniek park ontstaan met een oppervlakte van circa 8 ha. Het park beschikt over een grote collectie bijzondere loof- en naaldbomen, heesters en rhododendrons is uniek in zijn soort. Het gaat om plantencentrum Louis Venhorst en Zonen BV, aan de Julianaweg 21 in Megchelen, Gelderland. Het plantencentrum grenst aan de noordzijde van het dorp Megchelen. Het plantencentrum heeft een parkachtig karakter en is openbaar toegankelijk voor geïnteresseerden. Aan de westzijde van het plangebied staat een oude veestal, waar twee schuren tegenaan zijn gebouwd. Aan de oostzijde van het plangebied staat een kassencomplex waar planten die gevoelig zijn voor kou in de winter naar verplaatst worden. De zuidelijke uitloper betreft een deel van het plantencentrum waar voorheen onder andere buxussen werden gekweekt. In tegenstelling tot de overige delen van het plangebied is dit gedeelte niet tot nauwelijks in gebruik en is het terrein verwilderd. Zo is er een ruige ondergroei ontstaan van grassen en bramen, afwisselend met enkele vrijstaande bomen. Aan de zuidkant van het parkachtig deel van het plantencentrum is een meer open en kaal landschap aanwezig. Aan de westkant, ten zuiden van de schuren, ligt een grote steenhoop die deels overgroeid is met vegetatie.

In de noordwesthoek van het plangebied is een grote poel aanwezig met helder water, maar weinig watervegetatie. De poel wordt omgeven door hoge bomen, waardoor deze voor het overgrote deel van de dag permanent in de schaduw ligt. Ten oosten van de Julianaweg ligt een parkeerterrein van het plantencentrum die omgeven is door opgaand groen en weiland. Figuur 2.1 toont de ligging van het plangebied. Figuur 2.2 tot en met 2.12 geeft een sfeerimpressie van het plangebied.

8/43

Kenmerk

R001-1281765VSX-V02-mdg-NL

Figuur 2.1 Ligging van het plangebied (globaal begrensd)

9/43

Kenmerk

R001-1281765VSX-V02-mdg-NL

Figuur 2.2 Middengedeelte zuidelijke uitloper plangebied met sterk verruigde ondergroei

Figuur 2.3 Zuidelijke uitloper van het plangebied, het perceel met oude buxussen

10/43

Kenmerk

R001-1281765VSX-V02-mdg-NL

Figuur 2.4 Steenhopen ten zuiden van de schuren

Figuur 2.5 De oude veestal met twee nieuwere schuren ernaast

11/43

Kenmerk

R001-1281765VSX-V02-mdg-NL

Figuur 2.6 Open plek in het parkgedeelte van het plantencentrum

Figuur 2.7 Poel in de noordwesthoek van het plangebied

12/43

Kenmerk

R001-1281765VSX-V02-mdg-NL

Figuur 2.8 Wandelpaden door het parkgedeelte van het plantencentrum

Figuur 2.9 Noordelijke rand van het plangebied

13/43

Kenmerk

R001-1281765VSX-V02-mdg-NL

Figuur 2.10 Het verkoopgedeelte en de kassen van het plantencentrum

Figuur 2.11 Parkeerplaats van het plantencentrum ten oosten van de Julianaweg

14/43

Kenmerk

R001-1281765VSX-V02-mdg-NL

Figuur 2.12 Ten noorden van de parkeerplaats is opslag en verruigd grasland aanwezig

2.2

Beoogde ontwikkeling

In het dorp Megchelen is de laatste jaren een grote behoefte ontstaan aan nieuwbouwlocaties voor starters. Ook is er behoefte aan doorstroomwoningen en levensloopbestendige huizen om jongelui de mogelijkheid te bieden in het dorp te blijven wonen. Om te voorzien in de woningbehoefte is het plan om de volgende type woningen/voorzieningen te realiseren: • Starterswoningen (12 stuks) • Vrijstaande woningen (15 stuks) • • •

Boerderijwoningen (2 stuks) Schuurwoningen (2 stuks) Landhuizen/buitenplaatsen (4 stuks)

• • •

Zorgwoningen (8 stuks) Horeca (1 stuk) Museum (1 stuk)

•

Sequoia eco-lodges (4 stuks)

Deze woningen en voorzieningen zullen in het plangebied gerealiseerd worden, waarna het plangebied ‘Park Meghlo’ zal heten. Het plan is om groene delen van het plangebied grotendeels intact te laten, waardoor het parkachtig karakter behouden blijft. De visie is om de natuurwaarden die binnen het plangebied voorkomen, grotendeels te behouden.

15/43

Kenmerk

R001-1281765VSX-V02-mdg-NL

In figuur 2.13 is de beoogde ontwikkeling in concept weergegeven. Alle bruin gemarkeerde delen betreft nieuwe bebouwing of wijzigingen aan bestaande bebouwing.

Figuur 2.13 Overzicht van de beoogde ontwikkeling Park Meghlo (totaal overzicht in concept)

2.3

Uitgangspunten werkzaamheden en toetsing

De volgende uitgangspunten worden gehanteerd bij de toetsing in dit rapport: • Het vergraven of dempen van oppervlaktewater is geen onderdeel van de werkzaamheden •

Exacte werkzaamheden aan het woonhuis langs de Julianaweg zijn nog onbekend. Voor werkzaamheden op deze locatie wordt alleen benoemd welke mogelijke beschermde functies aanwezig zijn. Wanneer exacte werkzaamheden bekend zijn, dient nader bepaald te worden of onderzoek naar beschermde soorten nodig is

16/43

Kenmerk

R001-1281765VSX-V02-mdg-NL

3 Soortenbescherming Dit hoofdstuk beschrijft of het voorgenomen plan of project negatieve effecten heeft op beschermde flora en fauna en of vervolgstappen nodig zijn.

3.1

Beschermingsregime en bepalingen

Het onderdeel soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming heeft bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar soms ook in Europa in hun voortbestaan worden bedreigd. De Wet natuurbescherming kent 3 beschermingsregimes: •

Vogels: Het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn Europees beschermd via de Vogelrichtlijn Dieren en planten: Het gaat hier om inheemse dieren en planten, die zijn Europees

•

beschermd via de Habitatrichtlijn en/of de verdragen van Bern en Bonn Nationale soorten: Het gaat hier om soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn of de verdragen van Bern en Bonn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal

•

beschermd Per beschermingsregime geldt een aantal verbodsbepalingen. Tabel 3.1 geeft een samenvatting van de verbodspalingen. Ze voorzien in de bescherming van verblijfplaatsen en de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Gelderland kan een ontheffing verlenen van de verboden zoals benoemd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10. Dit kan alleen wanneer er sprake is van een geldend wettelijk belang, er geen reële alternatieven zijn en er geen effect is op de staat van instandhouding beschermde soorten.

3.2

Vrijstellingen

In de Wet natuurbescherming is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren landelijk beschermd onder de categorie ‘nationale soorten’, zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Gedeputeerde Staten van provincie Gelderland heeft bij verordening deze soorten ‘vrijgesteld’ van de ontheffingsplicht (provincie Gelderland, 2017). Dit betekent dat voor deze soorten geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht (zie paragraaf 0). Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing. Tabel 3.1 Verbodsbepalingen soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming. VR = Vogelrichtlijn, HR = Habitatrichtlijn. Cijfers verwijzen naar de wetsartikelen Vogels - VR Beschermingsregime

Dieren - HR/

Planten -

Dieren -

Planten -

Bonn/Bern

HR/

nationaal

nationaal

Verbodsbepaling

Bonn/Bern

Dieren of planten: Doden of vangen Storen/verstoren

3.1.1

3.5.1

3.10.1.a

3.1.4 (tenzij 3.1.5)

17/43

Kenmerk

R001-1281765VSX-V02-mdg-NL

Vogels - VR Beschermingsregime

Dieren - HR/ Bonn/Bern

Verbodsbepaling

Planten -

Dieren -

Planten -

HR/

nationaal

nationaal

Bonn/Bern

Plukken, verzamelen, afsnijden,

3.5.5

3.10.1.c

ontwortelen of vernielen Onder zich hebben of vervoeren

3.2.6

3.6.2

3.6.2

Plaatsen: Vernielen, beschadigen of

3.1.2

wegnemen nesten Beschadigen of vernielen rust-

3.1.2

3.5.4

Vernielen (VR: en beschadigen)

3.1.2

3.5.3

Rapen

3.1.3

3.5.3

Onder zich hebben

3.1.3

3.10.1.b

of voortplantingsplaatsen Eieren:

3.3

Zorgplicht

De zorgplicht (Wet natuurbescherming, artikel 1.11) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten achterwege worden gelaten. De initiatiefnemer neemt de noodzakelijke maatregelen om negatieve gevolgen te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken/ongedaan te maken. Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wet natuurbescherming geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is overal van toepassing, binnen en buiten beschermde gebieden. Ten aanzien van de zorgplicht zijn de volgende maatregelen van toepassing: • Takkenrillen, stobben en ander materiaal worden voorzichtig verwijderd en buiten de

•

invloedsferen van de werkzaamheden neergelegd. Eventuele dieren die eronder schuilen en niet zelfstandig weg vluchten worden ook buiten het werkterrein geplaatst Bosschages en struweel binnen de werkterreinen worden verwijderd in de periode medio september tot en met januari. Hierbij wordt langzaam één richting gewerkt om fauna de kans te geven te vluchten

Om de hierboven genoemde maatregelen voor een aannemer overzichtelijk en praktisch uitvoerbaar te maken adviseren wij deze op te nemen in een ecologisch werkprotocol.

3.4

Werkwijze

De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten is bepaald aan de hand van de volgende gegevens: • • •

Regionale en landelijke verspreidingsatlassen en -data Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) (geraadpleegd op 11 november 2021) De Ecoviewer van TAUW

•

Een oriënterend veldbezoek op maandag 15 november 2021

18/43

Kenmerk

R001-1281765VSX-V02-mdg-NL

De ecoloog controleert tijdens het oriënterende veldbezoek of de locatie voldoet aan eisen die soorten aan hun leefomgeving stellen. Ook kijkt de ecoloog naar aanwijzingen van de aanwezigheid (zichtwaarnemingen en sporen van terreingebruik, zoals holen, uitwerpselen, haren, prooi- of voedselresten).

3.5

Literatuuronderzoek

Tabel 3.2 geeft een overzicht van alle beschermde soorten die op basis van verspreidingsgegevens en biotoop mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomen. Tabel 3.2 Beschermde soorten die op basis van verspreidingsgegeven en habitat mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomen Soortgroep

Mogelijk aanwezige beschermde soorten

Flora

Blauw guichelheil, grote leeuwenklauw en kleine wolfsmelk

Grondgebonden zoogdieren

Bever, otter, eekhoorn, das, steenmarter, boommarter, bunzing, hermelijn, wezel, grote bosmuis, waterspitsmuis, wolf

Vleermuizen

Gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, franjestaart, baardvleermuis, meervleermuis en watervleermuis

Vogels - jaarrond

Buizerd, wespendief, havik, sperwer, boomvalk, slechtvalk, steenuil, kerkuil, ransuil,

beschermde nesten

gierzwaluw, roek en huismus

Vogels - jaarrond

Blauwe reiger, boerenzwaluw, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, bosuil,

beschermd: afhankelijk van

ekster, gekraagde roodstaart, glanskop, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote

ecologische factoren

bonte specht, huiszwaluw, ijsvogel, kleine bonte specht, koolmees, kortsnavelboomkruiper, oeverzwaluw, pimpelmees, spreeuw, torenvalk, zwarte kraai, zwarte mees en zwarte roodstaart

Vogels – in gebruik zijnde

Diverse soorten

nesten Amfibieën

Kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad

Reptielen

Hazelworm

Vissen

Beekdonderpad en grote modderkruiper

Vlinders

Grote vos, grote weerschijnvlinder, kleine ijsvogelvlinder, sleedoornpage en teunisbloempijlstaart

Libellen

Beekrombout en gevlekte witsnuitlibel

Overige ongewervelden

Geen vermelding in literatuur

3.6

Toetsing beschermde soorten

In de volgende paragrafen zijn de effecten van de beoogde ontwikkeling op de in tabel 4.2 genoemde soorten beschreven. 3.6.1 Flora Blauw guichelheil kan onder andere aangetroffen worden op braakliggend terrein, in moestuinen, op omgewerkte grond en op ruderale plaatsen (FLORON, 2021). Grote leeuwenklauw kan onder

19/43

Kenmerk

R001-1281765VSX-V02-mdg-NL

andere aangetroffen worden in bermen langs onverharde wegen, akkers, waterkanten, braakliggende grond en tuinen (FLORON, 2021). Kleine wolfsmelk groeit onder andere op braakliggende grond, akkers en op open plaatsen langs bermen en paden (FLORON, 2021). In het plangebied zijn delen braakliggend, zijn open onverharde paden aanwezig. Ook is op een enkele plek omgewerkte grond aanwezig. De werkzaamheden leiden mogelijk tot het vernietigen van bovengenoemde beschermde planten (overtreding Wet natuurbescherming, artikel 3.10, lid 1, sub c). Nader onderzoek naar blauw guichelheil, grote leeuwenklauw en kleine wolfsmelk is noodzakelijk in de bloeiperiode van deze soorten. Gedurende één veldbezoek wordt het plangebied systematisch nagelopen op beschermde flora. In de periode juni tot en met augustus kan de aan- of afwezigheid van blauw guichelheil, grote leeuwenklauw en kleine wolfsmelk vastgesteld worden. Afhankelijk van de uitkomsten van het nader onderzoek is het nemen van maatregelen en een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. 3.6.2 Grondgebonden zoogdieren Eekhoorns komen voor in loofbos, naaldbos, gemengd bos, tuinen, parken en houtwallen nabij bos. Mits er voldoende voedsel beschikbaar is komen ze ook voor in bebouwd gebied. Het voedsel bestaat uit eikels, noten, kegels, knoppen, bladeren, bessen, schors, paddenstoelen, rupsen, vogeleieren en jonge vogels.

Ze verblijven meestal in zelfgemaakte nesten in bomen van twijgen en bladeren en bekleden de binnenkant met mos, gras, bast of wol (Zoogdiervereniging, 2021). In het plangebied is geschikt habitat voor eekhoorn aanwezig, zoals het parkachtig deel van het plantencentrum. Tijdens het veldbezoek zijn alle bomen gecontroleerd op eekhoornnesten. Dit was goed te doen doordat de bladdichtheid laag was, door het naderende winterseizoen. In enkele bomen zijn eekhoornnesten aangetroffen (zie figuur 3.1). Daarbij is één groot nest (zie figuur 3.2) aangetroffen en vier kleinere nesten, waarvan één nest vervallen is doordat alleen de bekleding van mos in de boom hing. Er wordt vanuit gegaan dat het grote nest het hoofdnest is, omdat deze veel bladeren van dit jaar bevat en het nest een grote doorsnede en bolronde vorm heeft. Door aanwezigheid van meerdere bladernesten behoort het hele parkgedeelte van het plangebied tot het leefgebied van eekhoorn. Het overgrote deel van het parkachtig deel van het plangebied blijft behouden. Hierdoor heeft de ontwikkeling slechts een beperkt effect op het foerageergebied van eekhoorn. Doordat de ingreep op het foerageergebied beperkt is en het overgrote deel beschikbaar blijft is er geen aantasting van essentieel foerageergebied van eekhoorn. Aangaande foerageergebied van eekhoorn is dan ook geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig.

De bomen waar het hoofdnest in bevind, het meest westelijke nest en het eerste nest ten noorden van het hoofdnest blijft behouden. Het twee nesten van eekhoorn die langs de grens van het plangebied in de noordoosthoek zijn gesitueerd bevinden zich op of langs een nieuw aan te leggen pad. Uit een mondelinge mededeling met de mede-eigenaar van het plantencentrum blijkt dat er gewerkt kan worden rondom bomen die voor eekhoorn van belang zijn. Wanneer alle bomen met eekhoornnesten behouden blijven is er geen overtreding van de Wet

20/43

Kenmerk

R001-1281765VSX-V02-mdg-NL

natuurbescherming. Wel adviseren wij om een ecologisch werkprotocol voor de aannemer op te stellen, om te garanderen dat de bomen met eekhoornnesten behouden blijven. Mochten één of meerdere bomen met een eekhoornnest toch moeten wijken, dan is dit een overtreding van de Wet natuurbescherming, artikel 3.10, lid 1, sub a (mogelijk doden) en b (vernietigen verblijfplaats). In dat geval is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig.

Figuur 3.1 Nesten van eekhoorn binnen de grenzen van het plangebied

21/43

Kenmerk

R001-1281765VSX-V02-mdg-NL

Figuur 3.2 Hoofdnest van eekhoorn langs de grens van het plangebied

22/43

Kenmerk

R001-1281765VSX-V02-mdg-NL

Steenmarter verblijft voornamelijk in gebouwen met openingen. Boommarter verblijft voornamelijk in boomholtes en wordt ook weleens aangetroffen in bebouwing. In het plangebied is alleen een mogelijke verblijfplaats aanwezig in de schuren aan de westkant van het plangebied (zie figuur 3.3). Deze hebben openingen waar steenmarter en/of boommarter naar binnen kan gaan. De kassen zijn niet geschikt, doordat deze enkel uit glas bestaan. Boomholtes zijn niet aangetroffen, waardoor een verblijfplaats in bomen is uitgesloten. Aantasting van essentieel leefgebied is uitgesloten, omdat grote delen van het park behouden blijven en beide soorten flexibel zijn in foerageermogelijkheden. De beoogde ontwikkeling vindt plaats op of direct nabij geschikte verblijfplaatsen van steenmarter en boommarter. De werkzaamheden leiden mogelijk tot het doden van individuen en het vernietigen van verblijfplaatsen (overtreding Wet natuurbescherming, artikel 3.10, lid 1, sub a en b). Nader onderzoek naar het voorkomen van steenmarter en boommarter in en rond de schuren is daarom noodzakelijk. Dit onderzoek wordt uitgevoerd met cameravallen in de periode april tot en met juni, gedurende zes weken.

Figuur 3.3 Potentiële verblijfplaats van steenmarter/boommarter

Bunzing, hermelijn en wezel behoren tot de groep kleine marterachtigen. Kleine marterachtigen zijn aan te treffen op plekken met voldoende dekking, zoals bij takkenrillen, takkenhopen, steenhopen en verruigde terreinen. Op deze locaties zijn ook verblijfplaatsen aan te treffen, bovengronds maar ook ondergronds. In het plangebied zijn dergelijke habitats aanwezig, namelijk het verruigde terrein in de zuidelijke uitloper van het plangebied, langs de noordgrens van het park en de steenhopen ten zuiden van de schuren aan de westkant van het plangebied (zie figuur 3.4).

23/43

Kenmerk

R001-1281765VSX-V02-mdg-NL

Ook een deel wat buiten het plangebied valt is gedeeltelijk geschikt en is momenteel in gebruik door het plantencentrum. Het voorkomen van hermelijn is uitgesloten, tegenwoordig komt deze soort voornamelijk in het westen van Nederland voor. In overige delen van Nederland wordt de soort alleen nog aangetroffen in waterrijke habitats. Dergelijke habitats ontbreken in het plangebied. De beoogde ontwikkeling vindt plaats op of direct nabij geschikte verblijfplaatsen van bunzing en wezel. De werkzaamheden leiden mogelijk tot het doden van individuen en het vernietigen van verblijfplaatsen (overtreding Wet natuurbescherming, artikel 3.10, lid 1, sub a en b). Provincie Gelderland hanteert sinds kort beleid dat aangeeft dat regulier onderzoek met cameravallen niet volstaat om aanwezigheid van bunzing en wezel uit te sluiten. Er zijn (nog) geen andere methodes die wel geschikt zijn. Indien een gebied geschikt wordt geacht, dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Gelet op de geschiktheid van het plangebied, adviseren wij voor bunzing en wezel een ontheffing aan te vragen en de nodige maatregelen te nemen ten gunste van bunzing en wezel.

Figuur 3.4 Potentieel leefgebied kleine marterachtigen (bunzing en wezel)

24/43

Kenmerk

R001-1281765VSX-V02-mdg-NL

Grote bosmuis komt voor in allerlei soorten biotopen, mits er enige dekking is zoals lage begroeiing of verspreid liggende stenen. Zo komt hij voor in bos(randen) met weinig ondergroei, niet te nat rietland, parken, braakliggend land, duinen, heide en tuinen (Zoogdiervereniging, 2021). In het plangebied is grotendeels geschikt habitat aanwezig, door het parkachtige karakter en de verruigde delen van het plangebied. De beoogde ontwikkeling vindt plaats op of direct nabij de geschikte verblijfplaatsen van grote bosmuis. De werkzaamheden leiden mogelijk tot het doden van individuen en het vernietigen van verblijfplaatsen (overtreding Wet natuurbescherming, artikel 3.10, lid 1, sub a en b). Nader onderzoek naar het voorkomen van grote bosmuis is daarom noodzakelijk. Dit onderzoek vindt plaats in de (na)zomer of herfst, voordat de vorstperiode start. Afhankelijk van de uitkomsten van het nader onderzoek is het nemen van maatregelen en een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Bever, otter en waterspitsmuis zijn aan water gebonden zoogdieren. In het plangebied is alleen een kleine poel zonder enige vorm van oevervegetatie aanwezig. De poel is te klein als leefgebied voor bever en otter en voor waterspitsmuis is er onvoldoende dekking langs de oever. Hierdoor ontbreekt het in het plangebied voor deze soorten aan geschikt habitat.

Er zijn daarom geen geschikte verblijfplaatsen voor bever, otter en waterspitsmuis aanwezig in het plangebied. Het voorkomen van bever, otter en waterspitsmuis in het plangebied en negatieve effecten door het voornemen zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar en een ontheffing van de Wet natuurbescherming voor bever, otter en waterspitsmuis is niet nodig. Das verblijft in grote ondergrondse burchten in natuurgebieden, bosschages en het agrarisch landschap. De burchten zijn vaak aan te treffen in rustige gebieden met voldoende dekking. Rondom de burcht wordt gefoerageerd op graslanden en/of in bosschages. Burchten van das zijn eenvoudig te inventariseren en zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. Hierdoor zijn verblijfplaatsen van das in het plangebied uitgesloten. Er zijn ook geen sporen zoals pootafdrukken in modder, dassenwissels, dassenharen aan prikkeldraad en foerageer- en mestputjes aangetroffen. Hierdoor is aanwezigheid van essentieel foerageergebied in het plangebied uitgesloten. Gelet op voorgaande is het voorkomen van das in het plangebied en negatieve effecten door het voornemen uitgesloten. Nader onderzoek naar en een ontheffing van de Wet natuurbescherming voor das is niet nodig. Wolf leeft in Nederland in rustige, uitgestrekte bosgebieden en heideterreinen.

Het plangebied is te klein van oppervlakte en bovendien is er veel verstoring aanwezig door bezoekers, al dan niet begeleidt met honden. Hierdoor ontbreekt het in het plangebied aan geschikt habitat voor wolf. Er zijn daarom geen geschikte verblijfplaatsen voor wolf aanwezig in het plangebied. Het voorkomen van wolf in het plangebied en negatieve effecten door het voornemen zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar en een ontheffing van de Wet natuurbescherming voor wolf is niet nodig.

25/43

Kenmerk

3.6.3

R001-1281765VSX-V02-mdg-NL

Vleermuizen

Hoewel vleermuizen zoogdieren zijn, worden deze vanwege hun afwijkende eigenschappen als afzonderlijke groep behandeld. Er zijn drie typen leefgebied van vleermuizen te onderscheiden, namelijk: verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes. Deze worden hieronder per type leefgebied beschreven. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn te allen tijde wettelijk beschermd. Indien foerageergebied en/of vliegroutes een essentieel onderdeel van het leefgebied van vleermuizen vormen, zijn deze functies eveneens wettelijk beschermd. Er wordt daarom onderscheid gemaakt in essentiële foerageergebieden en vliegroutes en niet-essentiële foerageergebieden en vliegroutes. 3.6.3.1 Verblijfplaatsen Verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden zich, afhankelijk van de soort, in woningen, allerlei andere bouwwerken zoals kerken, kantoorpanden en bunkers, in grotten, in boomholtes of achter schors en in kieren van bomen. Globaal kan daarbij onderscheid gemaakt worden tussen in gebouwen verblijvende vleermuissoorten en in bomen verblijvende vleermuissoorten. Omdat vleermuizen een duidelijke jaarcyclus kennen, maken wij onderscheid tussen verschillende typen verblijfplaatsen, namelijk zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaatsen. In de schuren aan de westkant van het plangebied is één gevel aan de noordzijde van de schuur gemaakt van bakstenen (zie figuur 3.5 en 3.6).

Hier kunnen vleermuizen tegenop kruipen en onder de bekleding van het dak naar binnen treden. Overige delen zijn voor vleermuizen niet toegankelijk door het gebruikte bouwmateriaal, wat vrij glad is waardoor vleermuizen hier niet tegenop kunnen kruipen. Door het gebruikte bouwmateriaal is de schuur ongeschikt als kraam- en winterverblijfplaats voor vleermuizen, omdat er weinig isolatiewaarde zit in de buitenste schil. Dergelijke verblijfplaatsen moeten een goede temperatuurbuffering hebben waardoor een stabiele temperatuur in de verblijfplaats ontstaat. Zomer- en paarverblijfplaatsen kunnen wel aanwezig zijn in de schuur. De beoogde ontwikkeling vindt daardoor plaats nabij geschikte verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen. Hierdoor leiden de werkzaamheden mogelijk tot het verstoren en/of vernietigen van verblijfplaatsen van vleermuizen (overtreding Wet natuurbescherming, artikel 3.5 lid 2 en 4). Om aan te tonen of uit te sluiten dat verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied aanwezig zijn is nader onderzoek noodzakelijk gedurende vijf bezoeken in de periode mei tot en met september. In tabel 3.3 is samengevat naar welke soorten vleermuizen en typen verblijfplaatsen onderzoek nodig is. Afhankelijk van de uitkomsten van het nader onderzoek is het nemen van maatregelen en een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk.

De exacte werkzaamheden aan het woonhuis langs de Julianaweg zijn nog niet bekend. Deze dienen nader bekeken te worden, om te bepalen of er een mogelijk effect is op verblijfplaatsen van vleermuizen in de woning. Er zijn geen bomen in het plangebied aangetroffen met boomholtes en loszittend schors. Dit komt door het gevoerde beheer in het park. Wanneer een boom oud is wordt deze verwijderd en jonge

26/43

Kenmerk

R001-1281765VSX-V02-mdg-NL

bomen kunnen veelal niet verouderen omdat deze verkocht worden. Verblijfplaatsen van in bomen verblijvende soorten (bijvoorbeeld rosse vleermuis) zijn dan ook uitgesloten. Nader onderzoek naar in bomen verblijvende vleermuizen is daarom niet nodig en het overtreden van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming is uitgesloten. Tweekleurige vleermuis verblijft uitsluitend in hoge bouwwerken, die ontbreken in het plangebied. Hierdoor zijn verblijfplaatsen van deze soort binnen de grenzen van het plangebied uitgesloten. Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van tweekleurige vleermuis en een ontheffing van de Wet natuurbescherming is niet nodig.

Figuur 3.5 Bakstenen gevel aan de noordgevel van de schuren aan de westkant van het plangebied

27/43

Kenmerk

R001-1281765VSX-V02-mdg-NL

Figuur 3.6 Potentiële verblijfplaats van vleermuizen in de noordelijke gevel van de schuren

3.6.3.2

Foerageergebieden

Foerageergebieden van vleermuizen zijn onder andere groen- of waterstructuren zoals struweel, bomenrijen, andere opgaande begroeiing en watergangen. In het plangebied zijn dergelijke foerageergebieden aanwezig in de vorm van opgaande begroeiingen in het park. Deze foerageergebieden zijn mogelijk essentieel voor het behoud van lokale vleermuispopulaties, omdat het parkachtig deel van het plantencentrum het enige grote groene gebied is met opgaande begroeiingen wat grenst aan Megchelen. Hierdoor kan het overgrote deel van het plangebied een essentiële functie hebben voor de vleermuizen die verblijven in het dorp Megchelen. Grote delen van het parkachtig deel van het plantencentrum, wat mogelijk een essentiële functie heeft als foerageergebied voor vleermuizen, blijft behouden. De ingrepen die nodig zijn om de beoogde ontwikkeling te realiseren betreffen een marginaal deel van het totale oppervlak van het parkachtig deel van het plangebied. Hierdoor blijft het gebied zijn functie als (mogelijk essentieel) foerageergebied behouden. De ingegrepen zijn te marginaal om te spreken van een aantasting van essentieel foerageergebied van vleermuizen. Het is hiermee uitgesloten dat foerageergebieden verloren gaan die essentieel zijn voor het behoud van lokale vleermuispopulaties.

Een nader onderzoek naar foerageergebied van vleermuizen en een ontheffing van de Wet natuurbescherming hiervoor is dan ook niet nodig.

28/43

Kenmerk

3.6.3.3

R001-1281765VSX-V02-mdg-NL

Vliegroutes

Vliegroutes worden gevormd door lijnvormige elementen zoals bomenrijen, randen van bebouwing en watergangen. In het plangebied zijn dergelijke lijnvormige elementen aanwezig in de vorm van bomenrijen langs de randen van het plangebied. Deze vliegroutes zijn mogelijk essentieel voor het behoud van lokale vleermuispopulaties. Via deze groenstructuren kan het plangebied bereikt worden, wat voor vleermuizen die in Megchelen verblijven mogelijk een belangrijke foerageerfunctie heeft. Grote delen van de bomenrijen langs de randen blijven behouden, waardoor de mogelijke vliegroute van vleermuizen behouden blijft. De bomen en overige groenstructuren tussen de Nieuweweg en de Sportlaan in Megchelen vormen mogelijk een essentieel onderdeel van een vliegroute naar het parkachtig deel van het plangebied, waar vleermuizen kunnen foerageren. Wanneer deze plek (zie figuur 3.7) wordt aangetast gaat mogelijk een essentiële vliegroute van vleermuizen verloren. De werkzaamheden leiden mogelijk tot het aantasten van een essentiële functie van het plangebied voor lokale vleermuispopulaties. Om aan te tonen of uit te sluiten dat een essentiële vliegroute tussen de Nieuweweg en de Sportlaan aanwezig is, is nader onderzoek nodig. Afhankelijk van de uitkomsten van het nader onderzoek is het nemen van maatregelen en het aanvragen van een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk.

Figuur 3.7 Locatie die mogelijk een essentieel onderdeel vormt van een vliegroute voor vleermuizen

29/43

Kenmerk

R001-1281765VSX-V02-mdg-NL

Tabel 3.3 Mogelijk aanwezige soortfunctiecombinaties in het plangebied Type functie

Vleermuissoorten

Zomerverblijf in gebouw

Gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, franjestaart, baardvleermuis en meervleermuis

Paarverblijf in gebouw

Gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, baardvleermuis en meervleermuis

Kraamverblijf in gebouw

Uitgesloten

Winterverblijf in gebouw

Uitgesloten

Massawinterverblijf in gebouw

Uitgesloten

Verblijfplaatsen in bomen

Uitgesloten

Essentieel foerageergebied

Alle genoemde soorten (tabel 3.2)

Essentiële vliegroute

Alle genoemde soorten (tabel 3.2)

3.6.4 3.6.4.1

Vogels Vogels - jaarrond beschermde nesten

De nesten van vogelsoorten in deze categorie zijn het hele jaar beschermd, evenals de functionele leefomgeving rondom het nest. De functionele leefomgeving betreft alle elementen in de omgeving van een nestlocatie die een vogelsoort nodig heeft om het nest als zodanig succesvol te laten functioneren. Bij het verdwijnen van één van deze elementen kan het nest minder of niet meer functioneren en kan indirect een aantasting van het nest plaatsvinden. In het plangebied zijn veel bomen aanwezig, waar in potentie in bomen broedende soorten zoals buizerd, wespendief, havik, boomvalk, ransuil en roek kunnen nestelen. Er zijn geen clusters van nesten in en rond het plangebied aangetroffen, waardoor het voorkomen van roekennesten en essentieel leefgebied van roek is uitgesloten. Naast de werkzaamheden van het plantencentrum wordt het plangebied frequent bezocht door wandelaars en honden, waardoor er onvoldoende rust is om tot broeden te komen voor de soorten buizerd, wespendief, havik en boomvalk. Het voorkomen van buizerd, wespendief, havik, boomvalk en roek in het plangebied en negatieve effecten door het voornemen zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een ontheffing van de Wet natuurbescherming voor deze soorten is niet nodig. Sperwer en ransuil zijn meer tolerant voor verstoring.

Zo broedt sperwer in toenemende mate in stedelijk gebied en dan vooral op plekken met grote tuinen of in parken. Ransuil wordt regelmatig in of nabij stedelijk gebied broedend aangetroffen en is dus tolerant voor menselijke aanwezigheid. Er zijn tijdens het veldbezoek geen uitgesproken grote nesten aangetroffen waar deze soorten normaliter op broeden. Echter kan in de groenblijvende naaldbomen een nest van sperwer of ransuil gemist zijn. Naast de parkeerplaats, ten oosten van de Julianaweg, is in het plangebied een klein tot middelgroot nest met enigszins dikke takken aangetroffen. Hoewel het nest wat klein is kan deze door sperwer en/of ransuil gebruikt worden. De werkzaamheden leiden mogelijk tot het verstoren en/of doden van individuen en het vernietigen van eieren, rustplaatsen en nesten (overtreding Wet natuurbescherming, artikel 3.1, lid 1, 2 en 4). Nader onderzoek naar

30/43

Kenmerk

R001-1281765VSX-V02-mdg-NL

sperwer en ransuil is daarom noodzakelijk. Voor sperwer zijn drie veldbezoeken met een tussenperiode van tenminste tien dagen nodig in de periode maart tot en met half juli. Voor ransuil zijn drie avondbezoeken met een tussenperiode van tenminste tien dagen nodig in de periode van 20 februari tot 20 juli. Slechtvalk broedt op hoge bouwwerken zoals flatgebouwen, kerktoren, bruggen en hoogspanningsmasten. Dergelijke bouwwerken zijn niet aanwezig in het plangebied. Huismus en gierzwaluw broedt in gebouwen met openingen. Voor gierzwaluw dient er een vrije aanvliegroute te zijn en voor beide soorten dient de invliegopening voldoende hoog te zitten (meer dan drie meter). Dergelijke gebouwen zijn niet aanwezig in het plangebied. Het woonhuis aan de Julianaweg 21 heeft mogelijk broedgelegenheid voor huismus en/of gierzwaluw, echter blijft deze behouden. Mogelijk dat nog nader te bepalen werkzaamheden aan dit woonhuis wel effect hebben op huismus en/of gierzwaluw. Wanneer de exacte werkzaamheden bekend zijn dient dit nader bekeken te worden. Vooralsnog is er geen negatief effect te bepalen. Aantasting van essentieel leefgebied van huismus is niet aan de orde, omdat de tuinen intact blijven. Gelet op bovenstaande zijn negatieve effecten op slechtvalk, gierzwaluw en huismus uitgesloten.

Nader onderzoek naar en het aanvragen van een ontheffing van de Wet natuurbescherming voor slechtvalk, gierzwaluw en huismus is niet nodig. In het plangebied is een nestkast voor steenuil aanwezig (zie figuur 3.8 en 3.9). Deze bevindt zich op de overgang van bomen naar weiland, op de locatie waar de sequoia-lodges zijn beoogd. Uit een mondelinge mededeling van de eigenaar van het plantencentrum blijkt dat er geen steenuilen zijn aangetroffen tijdens controle door de lokale natuurvereniging, waardoor een nestlocatie is uitgesloten. Mogelijk dat de nestkast wel een functie heeft als rustplaats. Aan de randen van de opening zijn beschadigingen te zien, wat wijst dat een onbekend dier weleens gebruik maakt van de kast. In de schuren aan de westkant van het plangebied wordt niet direct een verblijfplaats van steenuil verwacht, maar er is wel één opening in het midden van het dak aanwezig waar mogelijk een steenuil naar binnen kan treden. In de omgeving van het plangebied zijn meerdere boerenerven aanwezig die geschikt zijn voor steenuil. Het is niet op voorhand uitgesloten dat een steenuil rust in de nestkast of de schuur aan de westkant van het plangebied en/of een steenuil uit de omgeving foerageert langs de randen van het plangebied.

De werkzaamheden leiden mogelijk tot het verstoren en/of doden van individuen en het vernietigen van eieren, rustplaatsen en nesten (overtreding Wet natuurbescherming, artikel 3.1, lid 1, 2 en 4). Een aantasting van essentieel foerageergebied van steenuil wordt ook gezien als een aantasting van de nestlocatie. Nader onderzoek naar nest- en rustplaatsen van steenuil is daarom noodzakelijk gedurende drie avondbezoeken in de periode februari tot en met april. Aan de hand van de resultaten kan bepaald worden of en zo ja waar territoria van steenuil aanwezig zijn en kan een inschatting gemaakt worden of het plangebied een essentiële functie heeft voor steenuil. Afhankelijk van de uitkomsten van het nader onderzoek is het nemen van maatregelen en een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk.

31/43

Kenmerk

R001-1281765VSX-V02-mdg-NL

Kerkuilen nestelen vrijwel uitsluitend in nestkasten die geplaatst zijn in gebouwen zoals op boerenerven. In de schuren aan de westkant zijn geen nestkasten of sporen van kerkuil aangetroffen. Een rustplaats tussen de dakbedekking wordt eveneens niet verwacht, maar kan niet op voorhand met zekerheid worden uitgesloten. Wanneer hier een rustplaats aanwezig is kunnen de werkzaamheden leiden tot het verstoren en/of doden van individuen en het vernietigen van de rustplaats (overtreding Wet natuurbescherming, artikel 3.1, lid 1, 2 en 4). Om met zekerheid een rustplaats uit te sluiten is nader onderzoek nodig. Dit kan worden gecombineerd met de onderzoeksinspanning die nodig is voor steenuil. Hierdoor vergt het geen extra onderzoek. Essentieel foerageergebied van kerkuil is uitgesloten, doordat kerkuilen een zeer groot foerageergebied hebben van wel 60 tot 1200 hectare (BIJ12, 2017). Hierdoor kan het voornemen, met beperkte ingrepen en een kleine mate van verstoring, geen invloed hebben op essentiële onderdelen van een mogelijk foerageergebied van kerkuil. Negatieve effecten op essentieel foerageergebied van kerkuil is uitgesloten. Het nemen van vervolgstappen of een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangaande deze functie is niet nodig.

Figuur 3.8 Locatie van de nestkast voor steenuil

32/43

Kenmerk

R001-1281765VSX-V02-mdg-NL

Figuur 3.9 De nestkast voor steenuil aan de noordgrens van het plangebied

3.6.4.2

Vogels - jaarrond beschermd: afhankelijk van ecologische factoren

Bij vogelsoorten uit deze categorie gaat het om vogels die vaak elk jaar terugkeren naar de omgeving waar ze gebroed hebben, maar die wel flexibel zijn om een nieuw nest te maken of zich elders te vestigen. Het gaat dus om de bescherming van het functionele leefgebied en dit is alleen aan de orde als de betreffende soort voor zijn voortplanting uitsluitend afhankelijk is van dat functionele leefgebied en er geen alternatieven of uitwijkmogelijkheden in de omgeving zijn. Een omgevingsscan is nodig om per soort te bepalen of het nest en het functionele leefgebied bij dit voornemen jaarrond beschermd zijn. Daarbij spelen de landelijke staat van instandhouding (die voortkomt uit onder andere verspreiding, populatie en trend), het belang van de in en nabij het plangebied aanwezige populatie en alternatief leefgebied in de directe omgeving een belangrijke rol. Boerenzwaluw, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, bosuil, brilduiker, groene specht, grote bonte specht, ijsvogel, kleine bonte specht, koolmees, kortsnavelboomkruiper, oeverzwaluw, pimpelmees, raaf, zeearend, zwarte kraai en zwarte roodstaart hebben allemaal een gunstige staat van instandhouding (Sovon, 2021). Maatregelen ten gunste van deze soorten worden daarom niet nodig geacht. Nesten van deze vogels zijn wel beschermd tijdens het broedseizoen (zie paragraaf 3.6.4.3).

33/43

Kenmerk

R001-1281765VSX-V02-mdg-NL

Blauwe reiger, gekraagde roodstaart, glanskop, grauwe vliegenvanger, hop, huiszwaluw, spreeuw, torenvalk en zwarte specht hebben allemaal een matig ongunstige staat van instandhouding (SOVON, 2020). Draaihals, eider, ekster en tapuit hebben een ongunstige staat van instandhouding (SOVON, 2021). Van de genoemde soorten in bovenstaande alinea worden alleen in bomen broedende soorten binnen het plangebied verwacht. In de omgeving van het plangebied is voldoende alternatief leefgebied aanwezig. Zo kunnen deze soorten uitwijken naar landgoed Landfort, verschillende bosschages langs de Broerdijk richting Gendringen en grotere bosgebieden ten noorden en zuiden van Anholt (Duitsland). Hierdoor is er geen nader onderzoek nodig en is een overtreding van de Wet natuurbescherming niet aan de orde. 3.6.4.3 Vogels - in gebruik zijnde nesten De nesten van alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd wanneer ze als broedlocatie in gebruik zijn. Bij het veldbezoek zijn geschikte nestlocaties van broedvogels aangetroffen, zoals de verschillende bomen in het plangebied en in de verruigde delen van het plangebied. De werkzaamheden leiden mogelijk tot het verstoren en/of doden van individuen en het vernietigen van eieren, rustplaatsen en nesten (overtreding Wet natuurbescherming, artikel 3.1, lid 1, 2 en 4). Vogels kunnen gedurende het gehele jaar gaan broeden.

Het is daarom belangrijk om hier voorafgaand aan de werkzaamheden rekening mee te houden. De kans op een broedgeval is het grootst in de periode maart tot en met augustus. Het advies is om de start van de werkzaamheden uit te voeren buiten deze periode. Ook buiten deze periode zijn broedende vogels beschermd. Het is noodzakelijk om voorafgaand aan de werkzaamheden een controle op nesten van broedvogels door een ter zake kundige ecoloog uit te voeren. Indien een broedende vogel aanwezig is, kan het nodig zijn om de werkzaamheden uit te stellen totdat de jongen zijn uitgevlogen en niet meer afhankelijk zijn van het nest. Mogelijk kan een deel van de werkzaamheden wel uitgevoerd worden door het aanhouden van een door een ecoloog vastgestelde verstoringsvrije zone. De momenten waarop een broedvogelcontrole nodig is kan worden vastgelegd in een ecologisch werkprotocol. 3.6.5

Amfibieën

Kamsalamander is voor de voortplanting afhankelijk van stilstaande wateren met een goed ontwikkelde onderwatervegetatie. De poel mag niet geheel in de schaduw liggen (RAVON, 2021). Poelkikker plant zich voort in onbeschaduwde wateren met een uitbundig begroeide oeverzone (RAVON, 2021). Rugstreeppad is voor de voortplanting afhankelijk van ondiepe, zonnig gelegen wateren zonder watervegetatie. Het ontbreekt in het plangebied aan dergelijke habitats. Daarom zijn geen geschikte voortplantingsplaatsen en landhabitat voor kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad aanwezig in het plangebied. Het voorkomen van deze soorten in het plangebied en negatieve effecten door het voornemen zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar en een ontheffing van de Wet natuurbescherming voor kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad zijn niet nodig.

34/43

Kenmerk

3.6.6

R001-1281765VSX-V02-mdg-NL

Reptielen

Het voorkeurshabitat van hazelworm bestaat uit enigszins vochtige, met dicht begroeide en bedekte gebieden. De soort komt voor in bossen, bosranden, heide, houtwallen, struwelen, spooren wegbermen, kalkgraslanden, vestigingswerken, steenhopen, ruderale plaatsen en tuinen. De meeste waarnemingen hebben betrekking op bosgebieden en heideterreinen (Creemers, R.C.M. & van Delft, J.J.C.W. 2009). De soort komt op Nederlands grondgebied voor op grote afstand tot het plangebied (meer dan acht kilometer). Op Duits grondgebied komt de soort tot dicht bij de Nederlandse grens voor (zie figuur 3.10). In het plangebied is suboptimaal habitat aanwezig in de zuidelijke uitloper van het plangebied door de sterke verruiging van het terrein. Ook de noordgrens van het plangebied is potentieel geschikt doordat hier structuurrijke vegetatie aanwezig is. Overige delen zijn ongeschikt door het ontbreken van structuurrijke vegetatie. De aanwezigheid van een relictpopulatie hazelworm is uitgesloten. Er zijn uit het verleden geen waarnemingen van de soort bekend in of in de directe omgeving van het plangebied. Op basis van oude kaartgegevens (Topotijdreis, 2021) valt af te leiden dat er in de afgelopen decennia geen sprake is geweest van optimaal habitat in de directe omgeving dat voldoet aan de eisen die hazelworm stelt aan zijn leefomgeving.

De afstand tot het dichtstbijzijnde ‘bosgebied’ waar de soort eventueel voorkomt is 1,5 kilometer. Er is tussen beide locaties geen sprake van een ecologische corridor. Ook is er geen sprake van groene stapstenen die een geschikte habitatplek vormen voor hazelworm. Tot slot vormen de verkeerswegen en bebouwde kom een barrière voor de soort. Hierdoor is het uitgesloten dat hazelworm het suboptimale habitat in het plangebied heeft kunnen koloniseren. Het voorkomen van hazelworm in het plangebied en negatieve effecten door het voornemen zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar hazelworm en een ontheffing van de Wet natuurbescherming voor hazelworm is niet nodig.

35/43

Kenmerk

R001-1281765VSX-V02-mdg-NL

Figuur 3.10 Voorkomen van hazelworm in Duitsland (1900-2014). De rode pijl geeft bij benadering de ligging van het plangebied weer

3.6.7 Vissen Beekdonderpad komt voor in snelstromende beken met een bodem van grind en stenen. Grote modderkruiper komt voor in ondiepe wateren met een dikke modderlaag en een uitbundige waterplantengroei (RAVON, 2021). Het ontbreekt in het plangebied aan dergelijke habitats. Er zijn daarom geen geschikte voortplantings- en overwinteringsplaatsen voor beide soorten aanwezig in het plangebied. Het voorkomen van beekdonderpad en grote modderkruiper in het plangebied en negatieve effecten door het voornemen zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar en een ontheffing van de Wet natuurbescherming voor beekdonderpad en grote modderkruiper zijn niet nodig. 3.6.8 Vlinders Teunisbloempijlstaart komt voor in verschillende habitats, zoals natuurgebieden, stedelijk gebied, ruderale terreinen en langs infrastructuur. De soort plant zich voort op teunisbloem, wilgenroosje, basterdwederik en grote kattenstaart. De soort wordt aangetroffen op open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen (De Vlinderstichting, 2021). De soort overwintert als pop in de strooisellaag of graaft zich in tot enkele centimeters in de bodem. In het plangebied zijn

36/43

Kenmerk

R001-1281765VSX-V02-mdg-NL

geschikte voortplantingsplaatsen aangetroffen. Op de steenhopen groeien teunisbloemen en tussen de beplanting op het terrein groeien verspreidt basterdwederiken. In de directe omgeving van deze waardplanten zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om te overwinteren als pop. De beoogde ontwikkeling vindt plaats op potentieel geschikte voortplantingsplaatsen en winterhabitat van teunisbloempijlstaart. De werkzaamheden leiden mogelijk tot het verstoren en/of doden van individuen en het vernietigen van eieren en leefgebied (overtreding Wet natuurbescherming, artikel 3.5, lid 1, 2, 3 en/of 4). Nader onderzoek naar de functie van het plangebied voor teunisbloempijlstaart is daarom noodzakelijk in de periode juni tot en met augustus gedurende drie verspreide veldbezoeken. Afhankelijk van de uitkomsten van het nader onderzoek kunnen het nemen van maatregelen en een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn. Grote vos komt voor in vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. Als waardplant maakt grote vos gebruik van iep, maar ook zoete kers en sommige wilgensoorten. Deze waardplanten dienen vrij te staan in het landschap. Grote weerschijnvlinder komt voor in vochtige bossen en gebruikt daarbij boswilg en grauwe wilg als waardplant.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/4641/documents/26690