CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting Hoofdstraat 3 Varsselder-Veldhunten en Westelijke Oude Aaltenseweg 5 Varsseveld.pdf

Raadscommissie Fysieke Leefomgeving (FL) 9 oktober 2024, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 6: Bestemmingsplan "Hoofdstraat 3 Varsselder-Veldhunten en Westelijke Oude Aaltenseweg 5 Varsseveld"17.185 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Doordat de derogatiebe-

33

schikking van de EU na 2015 niet is verlengd, dient Nederland overigens op dit moment te voldoen aan de Europese luchtkwaliteitsnormen. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein.

Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. 4.5.1

Toetsing Hoofdstraat 3 te Varsselder-Veldhunten Op onderhavige locatie wordt een horeca bestemming omgezet naar één burgerwoningen en worden vier woningen gerealiseerd. Om de te bepalen of de ontwikkeling niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit is de NIBM-tool gehanteerd. In paragraaf 4.4.2 zijn de verwachte verkeersbewegingen bepaald. Deze gegevens zijn overgenomen in de navolgende NIBM-tool.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2022

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

40

Aandeel vrachtverkeer

10,0%

NO2 in μg/m3

0,05

PM10 in μg/m3

0,01

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m

3

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig

Afbeelding 13: Worst-case berekening Varsselder Hoofdstraat 3:

34

1,2

Uit de NIBM-tool is op te maken dat de grens voor NIBM niet wordt overschreden. Raadpleging van de NSL-monitoringstool heeft aangetoond dat er geen sprake is van (dreigende) grenswaarde-overschrijdingen. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Vanuit zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het plan op het gebied van luchtkwaliteit geen belemmering. 4.5.2

Toetsing Westelijke Oude Aaltenseweg 5 te Varsseveld

Afbeelding 14: Worst-cast berekening Varsseveld Westelijke Oude Aaltenseweg 5

Op onderhavige locatie wordt een bedrijfsbestemming omgezet naar een woonbestemming en wordt een woning. Om de te bepalen of de ontwikkeling niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit is de NIBM-tool gehanteerd. In paragraaf 4.4.3 zijn de verwachte verkeersbewegingen bepaald. Deze gegevens zijn overgenomen in de navolgende NIBM-tool. Uit de NIBM-tool is op te maken dat de grens voor NIBM niet wordt overschreden. Raadpleging van de NSL-monitoringstool heeft aangetoond dat er geen sprake is van (dreigende) grenswaarde-overschrijdingen. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Vanuit zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het plan op het gebied van luchtkwaliteit geen belemmering. 4.5.3

Conclusie Hoewel de NIBM-tool per locatie is ingevuld is de gezamenlijke uitstoot nog steeds onder de grens van NIBM. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.6

Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikke-

35

lingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. 4.6.1

Toetsing Hoofdstraat 3 te Varsselder-Veldhunten In onderhavige situatie is sprake van het mogelijk maken van nieuwe, gevoelige functies in de zin van het aspect bedrijven en milieuzonering. De directe omgeving van het plangebied kent grotendeels uit agrarische gronden en woonbestemmingen waardoor het gebied op basis van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering (2009)’ wordt getypeerd als een ‘rustig buitengebied’. De dichtstbijzijnde bedrijvigheid is in de navolgende tabel opgenomen inclusief de bijbehorende omschrijving uit de VNGpublicatie en de daaruit volgende grootste richtafstanden. Bedrijfssoort

Adres

Omschrijving VNG

Waterplantenkwekerij

Elsterweg 3a

Tuinbouw

Grootste richtafstand (m) 30 (geluid)

Gemeten afstand (m) ± 20

Afbeelding 15: richtafstanden bedrijven omgeving Hoofdstraat 3 Varsselder

Aan de Elsterweg 3a is een kweker van waterplanten gevestigd. Het bouwvlak is op 20 meter gelegen van de dichtstbijzijnde toekomstige woning. Zodoende wordt in principe niet voldaan aan de richtafstand voor geluid, echter vinden de enige bedrijfsactiviteiten welke geluid produceren op een ruime afstand van 75 meter plaats. Daarmee is een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd ter plaatse van de beoogde woning en wordt de omliggende bedrijvigheid niet belemmerd in ontwikkelingsmogelijkheden. 4.6.2

Toetsing Westelijke Oude Aaltenseweg 5 te Varsseveld SAB heeft door middel van een quick scan 9 gekeken naar de invloed van de ontwikkeling en die van de omgeving op de beoogde ontwikkeling.

9 SAB. Memo bedrijven en milieuzonering Westelijke Oude Aaltenseweg 5.7 april 2022.

36

Hinder van plan op omgeving De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van woningen. ‘Wonen’ betreft geen hinderveroorzakende functie. Dit betekent dat er geen nadere toetsing van de woningen richting de omgeving noodzakelijk is. Hinder van bestaande bedrijvigheid op de ontwikkeling Naast de hinder die een ontwikkeling zelf kan veroorzaken, dient ook onderzocht te worden of de beoogde ontwikkeling zelf hinder kan ondervinden van hinderveroorzakende functies uit de omgeving. Woningen moeten worden aangeduid als milieuhindergevoelig. Aangezien er in de omgeving van de ontwikkellocatie op grond van het bestemmingsplan diverse hinderveroorzakende functies mogelijk zijn en feitelijk gezien zijn gevestigd, zijn deze geïnventariseerd. Daaruit blijkt dat wordt voldaan aan de richtafstanden van alle omliggende functies: de sportvelden, het station, de omliggende bedrijven en de gronden voor maatschappelijke doeleinden. 4.6.3

Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.7

Externe veiligheid Algemeen Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijk besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen’ (Bevi), het ‘Besluit externe veiligheid buisleidingen’ (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden.

4.7.1

Toetsing Hoofdstraat 3 te Varsselder-Veldhunten Om de haalbaarheid van het plan aan te kunnen tonen is onderzoek verricht naar de aanwezigheid van stationaire en mobiele bronnen in de omgeving van het plangebied. De conclusies zijn navolgend weergegeven. De navolgende afbeelding bevat een

37

fragment van de digitale risicokaart. De globale ligging van het plangebied is aangeduid met het blauwe kader.

Afbeelding 16: Uitsnede risicokaart met de planlocatie weergegeven met het blauwe kader (bron: Risciokaart.nl)

De planlocatie is niet in het invloedgebied gelegen van een risicobron.

4.7.2

Toetsing Westelijke Oude Aaltenseweg 5 te Varsseveld Om de haalbaarheid van het plan aan te kunnen tonen is onderzoek verricht naar de aanwezigheid van stationaire en mobiele bronnen in de omgeving van het plangebied. De conclusies zijn navolgend weergegeven. De navolgende afbeelding bevat een fragment van de digitale risicokaart. De globale ligging van het plangebied is aangeduid met het blauwe kader.

38

Afbeelding 17: Uitsnede risicokaart met de planlocatie weergegeven met het blauwe kader (bron: Risciokaart.nl)

De planlocatie is niet in het invloedgebied gelegen van een risicobron. 4.7.3

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.8

Water Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. In deze waterparagraaf worden de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling afgewogen.

4.8.1

Beleid Rijksbeleid - Het Nationaal Waterplan 2016-2021 Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen.

39

In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: − Nederland blijft de veiligste delta in de wereld. − Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater. − Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. − Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement. − Nederlanders leven waterbewust. Het kabinet zet de veranderingen in het waterveiligheidsbeleid voort en zal hiertoe een wetsvoorstel met nieuwe normen voor de primaire keringen voorbereiden. Nieuwe normen zijn nodig, omdat de huidige eisen aan primaire keringen grotendeels uit de jaren zestig van de vorige eeuw dateren. Sindsdien zijn het aantal mensen en de economische waarde achter de dijken toegenomen. Ook is nieuwe kennis beschikbaar gekomen over de werking van de keringen en de gevolgen van overstromingen. De doelen op het gebied van waterveiligheid zijn omgerekend naar normspecificaties voor de keringen. Deze zijn niet meer gebaseerd op dijkringen, maar op dijktrajecten. Elk dijktraject krijgt een norm-specificatie die past bij de gevolgen in dat specifieke gebied. De normspecificaties zijn ingedeeld in zes klassen, waarbij de overstromingskans varieert van 1/300 per jaar tot 1/100.000 per jaar. Het Rijk onderkent het belang van verbinden van ruimte en water.

Bij het aanpakken van wateropgaven en de uitvoering van watermaatregelen vindt daarom afstemming plaats met andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied, zodat scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of, beter nog, elkaar versterken. Het kabinet streeft daarbij ook naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven. Omgekeerd is het van belang om bij ruimtelijke opgaven vroegtijdig rekening te houden met wateropgaven en de veerkracht van watersystemen. De gewenste betere verbinding tussen water en ruimte geldt voor alle opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Provinciaal beleid - Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem. Dit systeem bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater en is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.

De provincie onderschrijft de ambitie van de Europese Kaderrichtlijn Water dat uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik en voert deze uit. De beschermde gebieden voor grondwater, waterberging, de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 zijn leidend bij de uitwerking van dit beleid in programma’s of in kaders in de verordening. Er worden condities gesteld voor effectief en zuinig gebruik van drinkwater, speciale waterecologie (Hoogst Ecologisch Niveau wateren en Specifiek Ecologische Doelstelling wateren), (grond)waterafhankelijke landnatuur plus de beschermingszones natte landnatuur en grondwateronttrekkingen voor drinkwater en industrie, groter dan 150.000 m3/jaar.

40

De provincie stelt via uitvoerend beleid de doelen voor de regionale wateren voor de Kaderrichtlijn Water vast en geeft daarbij ook invulling aan de voorzieningenniveaus. Met de Gelderse waterschappen en de landbouw geeft de provincie invulling aan het vasthouden van water in de bodem, het grondwater en de haarvaten van het watersysteem. Bescherming tegen overstromingen vindt primair plaats op basis van preventie, waar nodig aangevuld met maatregelen in de ruimtelijke ordening en evacuatie. Deze bescherming gebeurt bij voorkeur in combinatie met het ontwikkelen en versterken van karakteristieke riviernatuur in Natura 2000-gebieden. Waterschapsbeleid Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Rijn en IJssel Op 21 december 2021 is het waterbeheerprogramma van waterschap (WPB) Rijn en IJssel vastgesteld en vervangt het Waterbeheerplan 2016-2021. In dit waterbeheerprogramma beschrijft het waterschap Rijn en IJssel voor de periode 2022 – 2027 op welke wijze gezorgd wordt voor: een goede bescherming tegen hoog water, een goed functionerend regionaal watersysteem en het zuiveren van afvalwater Het waterbeheerprogramma zoekt verbinding met het werk van de provincies, gemeenten, Rijkswaterstaat en het Rijk.

Het waterbeheer schept vaak randvoorwaarden voor gebruikers van het water, maar biedt ook mogelijkheden en meerwaarde voor maatschappelijke gebruikers, zoals burgers, agrariërs en terreinbeheerders, ondernemers en (drinkwater)bedrijven, recreanten en de naburige Duitse waterbeheerders. Vanuit de omgevingsverkenning is het beleid voor de planperiode 2022-2027 beschreven voor de primaire taakgebieden van het waterschap: − Naar een betere balans tussen nat en droog en gebiedsgerichte aanpak: klimaat robuust gebied; − Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water; − Afstemming van functies op de draagkracht van het systeem en een gezond watersysteem: gezonde leefomgeving; − Afvalvermindering, wendbare keten: Circulaire economie en energietransitie. Het programma is, naast in deze thema’s, ook in verschillende deelgebieden uitgewerkt. De kenmerken, de ontwikkelingen en de opgaven die gebiedsspecifiek zijn worden achter elkaar weergegeven. Het beleid is verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap, zoals de verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.

Watervisie 2030 De Watervisie geeft aan hoe het waterschap aankijkt tegen de gewenste ruimtelijke inrichting van het beheersgebied, om de wateropgaven waarvoor ze staan duurzaam op te lossen. Er moet daartoe een betere afstemming worden gevonden tussen de waterwensen van de verschillende grondgebruiksvormen en het watersysteem zelf. Omdat ruimtelijke oplossingen op langere termijn duurzamer zijn, krijgen deze de voorkeur boven technische oplossingen. Bij het zoeken naar ruimtelijke oplossingen geldt het natuurlijk watersysteem als ideaalbeeld. Een dergelijk watersysteem heeft onder meer de mogelijkheid om (in

41

geval van veel neerslag) voldoende water op te vangen en water (in geval van te zware belasting) voldoende te reinigen. Water moet richtinggevend zijn bij toekomstige stedelijke uitbreiding. Bij overschot wordt regenwater in de bodem geïnfiltreerd of naar het oppervlaktewater geleid. Het waterschap streeft ernaar regenwater niet meer via de riolering af te voeren. Het rioleringsstelsel wordt aldus minder zwaar belast, waardoor de kans op overstorten van rioolwater op oppervlaktewater kleiner wordt. Keur Waterschap Rijn en IJssel legt de eigen regels vast in de zogeheten Keur. Dat is de traditionele benaming voor de verordening waarmee de veiligheid van dijken, watergangen en kades wordt geregeld. Maar ook het al dan niet toestaan van activiteiten of bouwwerken nabij het water en de dijken, lozingen op het oppervlaktewater en het oppompen van grond- en oppervlaktewater zijn erin geregeld. In artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een plan daarbij overleg pleegt met onder andere de waterschappen. In artikel 3.1.6 (Bro) is aangegeven dat in de toelichting van een plan is beschreven op welke wijze in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. 4.8.2

Toetsing Hoofdstraat 3 te Varsselder-Veldhunten Raadpleging van het Actueel Hoogtebestand Nederland wijst uit dat het maaiveld omstreeks NAP +18 meter ligt. In navolgende afbeelding is een uitsnede van de legger van het waterschap weergegeven. In of aangrenzend aan het plangebied zijn geen watergangen die in het beheer zijn bij het waterschap of waterkeringen aanwezig.

Afbeelding 18: Uitsnede legger, met globale aanduiding plangebied (rood) (Bron: Waterschap Rijn & IJssel).

De bodemsamenstelling van het plangebied bestaat uit ‘Vorstvaaggronden; grof zand (Zb30)’ en ‘Poldervaaggronden; lichte zavel (KRn1)’ welke het kenmerk heeft van Grof

42

zand en of grind beginnend tussen 0.4 en 1.2 m-mv. en tenminste 0.4 m dik. De gemeten gemiddeld hoogste grondwaterstand op rond het plangebied bedraagt 70 cm – maaiveld10. Met onderhavig initiatief wordt een toename van verharding 370 m2 mogelijk gemaakt. Een toename in het verharde oppervlak resulteert in een versnelde afvoer van hemelwater. Als dit hemelwater niet vertraagd wordt afgevoerd wordt het watersysteem zwaarder belast en het waterbezwaar naar benedenstroomse gebieden afgewenteld. Ook is er geen aanvulling van het grondwater. Het uitgangspunt is dat het plan minimaal hydrologisch neutraal is, of een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. De toename van verharding moet gecompenseerd worden door een waterbergende voorziening aan te leggen. Hierin wordt het hemelwater verzameld en geïnfiltreerd in de ondergrond of vertraagd afgevoerd naar het oppervlaktewater. Het volume van de waterbergende voorziening moet zodanig groot zijn dat een bui T100+10% kan worden geborgen, zonder dat schade aan gebouwen ontstaat. Het benodigde volume kan berekend worden door het oppervlak aan nieuw verhard gebied (m 2) te vermenigvuldigen met 80 mm. De benodigde infiltratiecapaciteit komt voor de nieuwbouw uit op 370 x 0,08 = 29,6 m3.

Het totale oppervlak van het perceel is 990 m2, de toename in verhard oppervlak bedraagt 370 m2, zodoende blijft er 620 m2 over voor de realisatie van hemelwaterinfiltratie. Zoals in navolgende afbeelding is te zien, bestaat de bodem uit zandgrond.

Vanwege de laaggelegen grondwaterstand en de goede doorlatendheid van de bodem is de infiltratievoorziening op de planlocatie goed te realiseren. In de planregels is

10

DINOloket grondwaterstand, geraadpleegd op 10-12-2021 43

een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat de hemelwatervoorziening moet worden gerealiseerd en in stand gehouden moet worden. 4.8.3

Toetsing Westelijke Oude Aaltenseweg 5 te Varsseveld Raadpleging van het Actueel Hoogtebestand Nederland wijst uit dat het maaiveld omstreeks NAP +16 meter ligt. In navolgende afbeelding is een uitsnede van de legger van het waterschap weergegeven. In of aangrenzend aan het plangebied zijn geen watergangen die in het beheer zijn bij het waterschap of waterkeringen aanwezig. De bodemsamenstelling van het plangebied bestaat uit ‘Gooreerdgronden; lemig fijn zand (pZn23)’. De gemeten gemiddeld hoogste grondwaterstand op rond het plangebied bedraagt 100 cm – maaiveld11.

Afbeelding 19: Uitsnede legger, met globale aanduiding plangebied (rood) (Bron: Waterschap Rijn & IJssel).

Met onderhavig initiatief wordt een direct toename van verharding van 130 m2 mogelijk gemaakt. Een toename in het verharde oppervlak resulteert in een versnelde afvoer van hemelwater. Als dit hemelwater niet vertraagd wordt afgevoerd wordt het watersysteem zwaarder belast en het waterbezwaar naar benedenstroomse gebieden afgewenteld. Ook is er geen aanvulling van het grondwater. Het uitgangspunt is dat het plan minimaal hydrologisch neutraal is, of een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. De toename van verharding moet gecompenseerd worden door een waterbergende voorziening aan te leggen. Hierin wordt het hemelwater verzameld en geinfiltreerd in

11

DINOloket grondwaterstand, geraadpleegd op 14-12-2021 44

de ondergrond of vertraagd afgevoerd naar het oppervlaktewater. Het volume van de waterbergende voorziening moet zodanig groot zijn dat een bui T100+10% kan worden geborgen, zonder dat schade aan gebouwen ontstaat. Het benodigde volume kan berekend worden door het oppervlak aan nieuw verhard gebied (m 2) te vermenigvuldigen met 80 mm. De benodigde infiltratiecapaciteit komt voor de nieuwbouw uit op 130 x 0,08 = 10,4 m3. Het totale oppervlak van het perceel is 600 m2, de toename in verhard oppervlak bedraagt 130 m2, zodoende blijft er 470 m2 over voor de realisatie van hemelwaterinfiltratie. Zoals in navolgende afbeelding is te zien, bestaat de bodem uit zandgrond.

Vanwege de laaggelegen grondwaterstand en de goede doorlatendheid van de bodem is de infiltratievoorziening op de planlocatie goed te realiseren. In de planregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat de hemelwatervoorziening moet worden gerealiseerd en in stand gehouden moet worden. 4.8.4

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.9

Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een nega45

tief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Voor beide locaties heeft SAB een onderzoek 12 naar ecologie uitgevoerd. 4.9.1

Toetsing Hoofdstraat 3 te Varsselder-Veldhunten Quickscan Natuur Gebiedsbescherming Uit de quick scan blijkt dat het natura 2000 – gebied Korenburgerveen op 14 kilometer afstand ligt. Door de afstand tot de Natura 2000-gebieden en de kleinschaligheid van de ontwikkeling zijn verstoringen op voorhand uitgesloten. De bescherming van Natura 2000 staat de ontwikkelingen niet in de weg en aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Verder blijkt uit de quick scan dat in de omgeving geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg.

Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. In het plangebied zijn essentiële elementen, zoals essentieel leefgebied of verblijfplaatsen, van andere beschermde soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, niet aanwezig. De bescherming van deze categorie soorten staat de ontwikkeling niet in de weg. Bescherming houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen binnen deze deelgebieden. Conclusie − Houd rekening met de zorgplicht;

12 SAB.Quickscan natuur.210417.23 mei 2022.

46

− Houd rekening met broedende vogels; − Werk alleen buiten de broedperiode van de roek (broedperiode loopt van 1 februari tot en met 31 juli). 4.9.2

Toetsing Westelijke Oude Aaltenseweg 5 te Varsseveld Quickscan Natuur Gebiedsbescherming Uit de quick scan blijkt dat het natura 2000 – gebied Korenburgerveen op 13 kilometer afstand ligt. Door de afstand tot de Natura 2000-gebieden en de kleinschaligheid van de ontwikkeling zijn verstoringen op voorhand uitgesloten. De bescherming van Natura 2000 staat de ontwikkelingen niet in de weg en aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Verder blijkt uit de quick scan dat in de omgeving geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg.

Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. In de directe omgeving zijn daarnaast minimaal acht roekennesten aanwezig. Om verstoring van deze nesten te voorkomen, mogen de ontwikkelingen alleen buiten de broedperiode van de roek worden uitgevoerd. De broedperiode van de roek loopt van 1 februari tot 31 juli. Indien dit niet werkbaar is, moet in overleg bekeken worden of andere oplossingen mogelijk zijn. Verder zijn mogelijk verblijfplaatsen of leefgebied van steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel aanwezig. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien verblijfplaatsen of leefgebied aanwezig blijken, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk.

47

Bescherming houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen binnen deze deelgebieden. Conclusie − Houd rekening met de zorgplicht; − Houd rekening met broedende vogels; − Laat nader onderzoek uitvoeren naar steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel voordat het plangebied verstoord wordt ten behoeve van de beoogde ontwikkeling. Nader onderzoek Wet natuurbescherming Ontheffing Wet natuurbescherming nodig? In het plangebied is onderzoek13 verricht naar de aanwezigheid van essentiële elementen van steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel. Uit het onderzoek blijkt dat essentiële elementen niet aanwezig zijn binnen het plangebied. Om de werkzaamheden door te laten gaan is dan ook geen ontheffing Wet natuurbescherming nodig. Wel dient te allen tijde rekening gehouden te worden met broedende vogels en de zorgplicht. Daarnaast blijkt uit de quick scan (SAB, 2022) dat er roeken aanwezig zijn net buiten het plangebied. Om verstoring van deze soorten te voorkomen dient er buiten de broedperiode van de roek te werk te gaan. Deze loopt van 1 februari tot 31 juli. Broedperiode en zorgplicht De zorgplicht van de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing.

Iedereen moet voldoende zorg in acht nemen voor alle in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving. Dit kan bijvoorbeeld door de werkzaamheden te verrichten buiten kwetsbare periodes (het voortplantings- en winterslaapseizoen). Ook kan er gefaseerd worden gewerkt om dieren de kans te geven om te vluchten. Broedende vogels, vanaf het bouwen van het nest tot het uitvliegen van de jongen, zijn strikt beschermd. De broedende vogels en hun jongen mogen niet verstoord, verwond en gedood worden. Daarnaast mogen in gebruik zijnde nesten ook niet beschadigd en vernield worden. Zonder maatregelen kan dit bij ruimtelijke ingrepen wel gebeuren. Er is echter voor ruimtelijke ontwikkelingen geen vrijstelling hiervoor te verkrijgen in het kader van de Wet natuurbescherming. Wij adviseren daarom om de werkzaamheden buiten de broedperiode te starten, zodat er vanwege de dan aanwezige verstoring geen vogels in de buurt gaan broeden. De werkzaamheden kunnen dan vervolgens wel in de broedperiode doorlopen. Vervolgstappen − Werk alleen buiten de broedperiode van de roek (broedperiode loopt van 1 februari tot en met 31 juli); − Houd rekening met broedende vogels; − Houd rekening met de zorgplicht.

13 SAB. Nader onderzoek Wet natuurbescherming. 210417. 4 januari 2023

48

4.9.3

Conclusie Met inachtneming van de vervolgstappen ten tijde van de vergunning verlening zijn er voor het aspect natuur geen beperkingen voor wat betreft de ontwikkeling.

4.10

Stikstof Algemeen Op grond van de Wet natuurbescherming worden soorten en habitattypen in Natura 2000-gebieden beschermd waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd. Hieruit volgt dat een project of plan niet mag leiden tot negatieve effecten op de instandhoudings-doelstellingen. In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelasting van stikstof (stikstofoxiden en ammoniak) een knelpunt aanwezig bij de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Nieuwe ontwikkelingen, die een toename van de stikstofdepositie tot gevolg hebben, kunnen hierdoor “significante negatieve effecten” hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen. Effecten van een plan of een project op de stikstofdepositie kunnen ontstaan tijdens de realisatie - en/of de gebruiksfase. Met het rekenmodel AERIUS-Calculator kan de stikstofdepositie (mol N/ha/jaar) op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de ontwikkeling worden berekend. Voor het berekenen van de stikstofdepositie worden in het rekenmodel de emissies van stikstof in de verschillende bronnen ingevoerd. Het rekenmodel berekent vervolgens de verspreiding van deze stikstofemissies en de stikstofdepositie binnen de Natura 2000-gebieden op stikstofgevoelige habitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden van soorten.

Toetsing In het kader van de Wet natuurbescherming is het noodzakelijk de mogelijke stikstofuitstoot door de beoogde ontwikkeling inzichtelijk te maken. Dit is inzichtelijk gemaakt in een onderzoek stikstofdepositie14 waarvan de conclusies navolgend gegeven zijn. Aanlegfase Met de gehanteerde parameters blijkt dat uit de uitgevoerde berekeningen van de aanlegfase er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Gebruiksfase Met de gehanteerde parameters blijkt dat uit de uitgevoerde berekeningen van de gebruiksfase er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Conclusie Geconcludeerd wordt dat aan de hand van de gehanteerde parameters significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten. Er is geen vergunning ten behoeve van de Wet natuurbescherming benodigd.

14

SAB. Onderzoek stikstofdepositie, Varsselder-Veldhunten en Varsseveld, 14 april 2023 49

4.11

Geur

4.11.1

Algemeen De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt in eerste instantie het wettelijk kader bij de beoordeling van een aanvraag om een milieuvergunning voor dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft hiervoor geurbelastingsen afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van de (geprojecteerde) veehouderij. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad.

4.11.2

Toetsing Hoofdstraat 3 te Varsselder-Veldhunten De locatie is gelegen in de gemeente Oude IJsselstreek. Deze gemeente valt in een concentratiegebied (conform de Meststoffenwet). Verder ligt de locatie in het buitengebied waar veehouderijen aanwezig kunnen zijn. Er is derhalve een quickscan geur onderzoek15 uitgevoerd. Daaruit blijkt dat de dichtbij gelegen veehouderij 319 m verwijderd is van het plangebied. De veehouderij bestaat uit va-dieren. Er is géén sprake van veehouderijen met ou-dieren binnen een straal van 500 meter. Gezien onderhavig plangebied in het buitengebied ligt, en eveneens in een concentratiegebied, geldt een richtafstand van 50 meter voor va-dieren. Hieraan wordt voldaan voor alle in de omgeving gelegen veehouderijen. Geconcludeerd wordt dat het aspect geur, afkomstig van veehouderijen, geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling.

4.11.3

Toetsing Westelijke Oude Aaltenseweg 5 te Varsseveld In de directe omgeving van de Westelijke Oude Aaltenseweg 5 te Varsseveld zijn geen bedrijven gelegen welke dieren houden met een vastgestelde geuremissie. Ook zijn er nabij het plangebied geen bedrijven gelegen met dieren waarvoor een vaste afstand geldt en waarbij de ontwikkeling binnen deze vaste afstand plaats vindt. Een goed woon- en leefklimaat voor het aspect geur is zodoende gewaarborgd.

4.11.4

Conclusie Het aspect ‘geur’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.12

Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeolo15 SAB. Quick scan geur.14 april 2023.

50

gische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. 4.12.1

Toetsing Hoofdstraat 3 te Varsselder-Veldhunten Ter plaatse van de Hoofdstraat 3 te Varsselder-Veldhunten is er een dubbelbestemming ‘Waarde Archeologische verwachting 1’. Dit betekent dat bij ingrepen met een omvang van meer dan 250 m2 waarbij de bodem dieper dan 30 cm onder maaiveld wordt verstoord een rapport moet worden overlegd waaruit blijkt dat de archeologische waarde van het plangebied voldoende is vastgesteld. Een archeologisch onderzoek werd derhalve uitgevoerd16. Het wijst uit dat in het plangebied archeologische resten aanwezig kunnen zijn gerelateerd aan alle archeologische complextypen van het Laat Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Op basis van historische bronnen en kaarten en ligging in de bebouwde kom van Veldhunten geldt de voornaamste verwachting voor bewoning in de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. De kans dat archeologische resten worden verstoord bij de voorgenomen werkzaamheden wordt echter als klein ingeschat. Vanuit de Omgevingsdienst Achterhoek is geadviseerd om het plangebied vrij te geven tot een diepte van 80 cm. In de dit bestemmingsplan is zodoende een dubbelbestemming opgenomen waarbij de onderzoeksplicht begrenst is op grondbewerkingen dieper dan 80 cm vanaf het maailveld.

4.12.2

Toetsing Westelijke Oude Aaltenseweg 5 te Varsseveld Ter plaatse van de Westelijke Oude Aaltenseweg 5 te Varsseveld is er een lage archeologische verwachtingswaarde vastgesteld, waarvoor binnen de gemeente Oude IJsselstreek geen onderzoeksplicht geldt. In het vigerende bestemmingsplan heeft dit ervoor gezorgd dat er geen dubbelbestemming met betrekking tot archeologie is opgenomen. Er bestaat zodoende geen onderzoeksplicht en er hoeft geen archeologisch rapport overlegt te worden voor de ontwikkeling.

4.12.3

Conclusies Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.13

Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen.

16 Bureau voor Archeologie (2022) Hoofdstraat 3, Varsselder, gemeente Oude IJsselstreek: een

bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende en karterende fase, Rapportnummer 1148 4 februari 2022. 51

4.13.1

Toetsing Hoofdstraat 3 te Varsselder-Veldhunten Voorliggend plan gaat uit van een landschappelijke inpassing zodat de vier toekomstige woningen op een zorgvuldige wijze ingepast worden. De woningen worden eveneens ingepast in de aanwezige stedenbouwkundige structuren. Verder bevinden zich in of direct rondom het plangebied geen gemeentelijke en/of rijksmonumenten. De ontwikkeling van het onderhavige plangebied leidt dan ook niet tot (in)directe schade aan cultuurhistorisch waardevolle bebouwing in de omgeving.

4.13.2

Toetsing Westelijke Oude Aaltenseweg 5 te Varsseveld Voorliggend plan gaat uit van een landschappelijke inpassing zodat de drie toekomstige woningen op een zorgvuldige wijze ingepast worden. De woning wordt eveneens ingepast in de aanwezige stedenbouwkundige structuren. Verder bevinden zich in of direct rondom het plangebied geen gemeentelijke en/of rijksmonumenten. De ontwikkeling van het onderhavige plangebied leidt dan ook niet tot (in)directe schade aan cultuurhistorisch waardevolle bebouwing in de omgeving.

4.13.3

Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

52

5

Wijze van bestemmen

5.1

Algemeen

5.1.1

Wat is een bestemmingsplan? Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat: − de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en − de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ). Een bestemmingsplan regelt derhalve: − het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: − het bebouwen van de gronden; − het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.

Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.

5.1.2

Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1 Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.

53

2 Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. 5.1.3

Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1 Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2 Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.

Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3 Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een antidubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels. 4 Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

5.2

Bestemmingsplan

5.2.1

Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het be-

54

stemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. 5.2.2

Bestemmingen in dit bestemmingsplan De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen hiervoor is beschreven. Verkeer De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen en straten, wandel en fietspaden, geluidwerende voorzieningen, parkeer-, groen- en speelvoorzieningen, een parkeerterrein uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein', straatmeubilair, openbaar vervoersvoorzieningen en nutsvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding met bijbehorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Wonen De beide locaties binnen het plangebied worden voorzien van de enkelbestemming ‘Wonen’. De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met aan-huis-gebonden beroepen, een bed en breakfast, hobbymatige agrarisch gebruik, paardenbakken en bestaande opslag. De woningen dienen binnen het bouwvlak te worden opgericht. Er geldt een maximale inhoud per woning van 750 m3 en ter plaatse van Hoofdstraat 3 een maximale bouwhoogte van 7,5 m en een maximale goothoogte van 3,5 m en ter plaatse van de Westelijke Oude Aaltenseweg 5 een maximale bouwhoogte van 9,5 m en een maximale goothoogte van 6,5 m. Het maximum te bebouwen oppervlakte van woningen en bijbehorende bouwwerken is op de verbeelding per bouwvlak aangegeven.

Bijbehorende bouwwerken mogen een maximale bouwhoogte van 6 m en een maximale goothoogte van 3 m hebben. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt een maximale bouwhoogte van 2 meter (erf- en terreinafscheidingen), dan wel 1 meter (erf- en terreinafscheidingen voor zover gelegen voor de voorgevellijn) of 3 meter (overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde). Binnen de bestemming wonen is ten slotte nog een voorwaardelijke verplichting opgenomen om te kunnen garanderen dat de asbestweg voor het gebruik gesaneerd wordt. Waarde – Archeologische verwachting 1 De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 1’ is opgenomen ter bescherming van de archeologische waarden binnen het plangebied. Op grond van deze dubbelbestemming geldt bij bepaalde bodemingrepen een vergunningenstelsel voor het bouwen en voor uitvoeren van een werk, geen gebouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

5.2.3

Algemene regels Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht.

55

6 6.1

Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Op basis van artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkelingen die concreet mogelijk worden gemaakt door het bestemmingsplan moeten (economisch) uitvoerbaar zijn, omdat er anders sprake is van een oneigenlijke bestemming. Het voorliggende plan wordt gerealiseerd op particulier initiatief. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de ontwikkelaar als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling van kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking, het opstellen van een exploitatieplan is daarom overeenkomstig artikel 6.12, lid 2 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening niet nodig. Gesteld kan worden dat er geen verplichting is om tegelijkertijd met de ruimtelijke procedure een exploitatieplan op te stellen. De economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is hiermee aangetoond.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Overleg Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en de provincie. Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het bestemmingsplan. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld. In het kader van dit bestemmingsplan is overleg gevoerd met de betrokken instanties.

6.2.2

Omgevingsdialoog Op 23 mei 2023 is een omgevingsdialoog gehouden waarbij alle aanliggende/omwonende voor de locatie Hoofdstraat 3 uitgenodigd waren en waar bijna alle omwonende aanwezig waren. Het plan is uitgelegd waarbij is aangegeven dat de zaal en toiletruimtes van de disco worden gesloopt, de woning in oude staat wordt hersteld en de horeca bestemming wordt omgezet naar woonbestemming. Daarnaast worden dan vier woningen gerealiseerd bestaande uit twee middenwoningen ten behoeve van starters en twee levensloopbestendige hoekwoningen. Het meest rechtergedeelte van

56

de huidige parkeerplaats wordt parkeerplaats voor het achtergelegen Vijverplantenland. Op deze avond zijn de volgende opmerkingen gemaakt: • De nieuwe bewoners moeten geen bezwaar gaan maken tegen dierenoverlast. • Er mag niet op straat geparkeerd worden. • Wat gebeurd er met het hekwerk/haag achter de disco? • Hoe wordt parkeren geregeld? • Geen verkeersdrempel op de weg. • Graag een trottoir voor de woningen. • De bouwstijl van de woningen mag wel wat spannender. Hierop volgend is uitgelegd dat er een parkeervoorziening achter de huidige bebouwing wordt gerealiseerd. Het hekwerk aan de achterzijde blijft behouden. Een trottoir en een wat spannendere stijl is een goed idee wat in de vervolgfase mee wordt genomen. Wat betreft het geen bezwaar maken van dierenoverlast en een eventuele verkeersdrempel heeft de initiatiefnemer geen invloed op maar zal opgenomen worden met de gemeente. Over de parkeerplaats van Vijverplantenland zijn geen opmerkingen gekomen. 6.2.3

Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor een periode van zes weken van 26 oktober 2023 tot 6 december 2024 voor een ieder ter inzage gelegen. Een ieder heeft in deze periode zienswijzen kunnen indienen. In deze periode zijn er 5 zienswijzen ingebracht welke zijn beantwoord in de Nota zienswijzen en ambtshalve wijzigingen. Naar aanleiding van de zienswijzen zijn de volgende wijzigingen doorgevoerd: • •

•

De toetsing aan het beleidsstuk ‘Regionale structuurvisie Achterhoek’ is verwijderd uit de toelichting. De bestaande woning + bijgebouw aan de Hoofdstraat heeft een totale maximale oppervlakte van 250 m2 en de 4 nieuwbouw woningen met bijgebouwen krijgen een gezamenlijke oppervlakte van 370 m2, tezamen is dat 620 m2. Deze oppervlaktes zijn geborgd in de bestemmingsplan regels onder artikel 4.2.3, in de verbeelding door middel van een aanduiding ‘maximum bebouwd oppervlakte (m2) en verduidelijkt in de toelichting. Doordat aan de Hoofdstraat 825 m2 aan bebouwing is toegestaan en er maar 620 m2 wordt gebruikt, wordt de overgebleven 205 m2 ingezet voor de te realiseren woning aan de Westelijke Oude Aaltenseweg. In artikel 4.3.4 van de planregels wordt de volgende regel opgenomen: Tot een gebruik strijdig met de bestemming wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden met de bestemming 'Wonen' voor de functies als bedoeld in artikel 4.1, tenzij is aangetoond dat:

57

o

• • •

•

bij de nieuwbouw aan de Hoofdstraat minimaal 29,6 m3 hemelwaterinfiltratie wordt gerealiseerd, gebaseerd op een toename in verharding van 370 m2; o bij de nieuwbouw aan de Westelijke Oude Aaltenseweg minimaal 10,4 m3 hemelwaterinfiltratie wordt gerealiseerd, gebaseerd op een toename in verharding van 130 m2; o een toename van verhard oppervlak, bovenop de genoemde oppervlaktes bij lid a en b, moet gecompenseerd worden waarbij 0,08 m3 infiltratievoorziening per toegenomen vierkante meter verhard oppervlak moet worden gerealiseert; o de hemelwaterinfiltratievoorzieningen uit lid a, b en c dienen in stand gehouden te worden. In de toelichting wordt in paragraaf 4.8.2 en 4.8.3 de benodigde hemelwaterinfiltratie nader onderbouwd. In de paragraaf ‘Verkeer’ van de toelichting wordt de term ‘rest bebouwde kom’ vervangen door ‘buitengebied’. In artikel 4.3.5 van de planregels wordt de volgende voorwaardelijke verplichting opgenomen: Ten aanzien van het bouwen van gebouwen binnen de aanduiding ‘overige zone - voorwaardelijke verplichting 2’ geldt dat de bodem gesaneerd moet worden zoals is geconcludeerd in het rapport ‘Verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek Westelijke Oude Aaltenseweg 5 Varsseveld’ zoals bijgevoegd als bijlage 3 van deze regels zodat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik, voordat gebouwen gebouwd mogen worden.

In artikel 4.3.6 van de planregels wordt de volgende voorwaardelijke verplichting opgenomen: Ten aanzien van het bouwen van woningen geldt dat bij de aanvraag omgevingsvergunning een bouwakoestisch onderzoek overlegt moet worden waarin wordt aangetoond dat de wettelijke binnenwaarden van 33 dB behaald worden.

58

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/4766/documents/29976