Bijlage 1_Nota van Uitgangspunten Omgevingsplan OIJ Kernen.pdf
Tekst van het document
Artikel xx Specifieke zorgplicht Degene die een milieubelastende activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen van het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu is verplicht: alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Bovengenoemde verplichting betekent in ieder geval dat: alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; de beste beschikbare technieken worden toegepast; geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit; de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zoveel mogelijk worden voorkomen of beperkt; de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.
27
De bevoegdheid om nadere eisen te stellen ziet er als volgt uit: Artikel yy Maatwerkvoorschrift 1 Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over artikel xx. 2 Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen van het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu. 3 Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 (instructieregels milieu) van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
4.1. Geluid Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat instructieregels (o.a. normen) voor:
het geluid van (geluidveroorzakende) activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en het toelaten van geluidgevoelige gebouwen in het geluidaandachtsgebied (van wegen, spoorwegen en industrieterreinen).
Geluidgevoelige gebouwen Het Bkl bevat een definitie van geluidgevoelige gebouwen. Hier vallen gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie (met bedgebied) en kinderopvang (met bedgebied) onder. Het Bkl bevat niet de mogelijkheid voor een gemeente om de definitie van geluidgevoelige gebouwen uit te breiden. Bij nieuwe ontwikkelingen moeten gemeenten in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wel rekening houden met geluid op niet door het Bkl aangewezen gebouwen en locaties.
Voormalige bedrijfswoningen Het Bkl geeft de gemeenteraad de mogelijkheid om in het omgevingsplan voormalige bedrijfswoningen aan te wijzen voor zover die voormalige bedrijfswoning met een agrarisch bedrijf, horecabedrijf of met een bedrijf op een bedrijventerrein functioneel verbonden was. De geluidnormen die in het omgevingsplan worden opgenomen zijn niet van toepassing op deze aangewezen voormalige bedrijfswoningen. De aanwijzing in het omgevingsplan dient per individueel geval gemotiveerd te worden.
Voorstel In het nieuwe omgevingsplan voor de kernen stellen wij voor geen voormalige bedrijfswoningen aan te wijzen. Indien in een individueel geval mocht blijken dat een dergelijke aanwijzing gewenst is, kan het omgevingsplan gewijzigd worden.
28
Geluidaandachtsgebieden (geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen) Het Bkl stelt dat het omgevingsplan waarborgt dat het geluid veroorzaakt door een (spoor)weg of industrieterrein op een voor geluid gevoelig object in een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is. Er wordt voldaan aan dit aanvaardbaarheidsvereiste indien het omgevingsplan de standaardwaarden van het Bkl overneemt. De geluidsaandachtsgebieden worden berekend op basis van de Omgevingsregeling en hoeven niet in het omgevingsplan opgenomen te worden. Het Bkl stelt dat in het omgevingsplan flexibiliteitsbepalingen kunnen worden opgenomen om ten behoeve van het toelaten van een geluidgevoelig gebouw af te wijken van de standaardwaarden (vergelijkbaar met het hogere grenswaardenbesluit zoals we dat nu kennen).
Geluidveroorzakende activiteiten Het Bkl bepaalt dat het omgevingsplan waarborgt dat het geluid veroorzaakt door een activiteit, anders dan het wonen, op een geluidgevoelig gebouw aanvaardbaar is. Er wordt voldaan aan dit aanvaardbaarheidsvereiste indien het omgevingsplan de standaardwaarden van het Bkl overneemt. Onder geluidveroorzakende activiteiten vallen nagenoeg alle activiteiten (zoals activiteiten van bedrijven). Het wonen valt dus niet onder de instructieregels van het Bkl. Het Bkl bevat zelf geen definitie van het begrip wonen, maar de toelichting bij het Bkl geeft aan dat een beroep of bedrijf aan huis en een ‘uit de hand gelopen hobby’ geen verband houden met de activiteit wonen. Dit is vergelijkbaar met het oude recht waar de milieuregels ook van toepassing zijn op activiteiten die worden verricht in een omvang alsof zij bedrijfsmatig zijn. Voorstel Wij stellen voor om in het nieuwe omgevingsplan Kernen expliciet op te nemen dat een beroep of bedrijf aan huis en hobbymatige activiteiten die het niveau overstijgen dat tot woongedrag behoort niet onder de activiteit wonen vallen (en dus een geluidveroorzakende activiteit zijn).
Het Bkl bepaalt verder ook dat de regels over geluid niet van toepassing zijn op:
het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval; onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee is vermengd;
Een activiteit die onder het oude recht wel wordt uitgezonderd van de geluidsregels voor activiteiten, maar door het Bkl niet, betreft:
het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden.
29
Het Bkl geeft gemeenten de mogelijkheid om voor activiteiten geen waarde vast te stellen, maar te volstaan met andere regels. De activiteit bijwonen van godsdienstige bijeenkomsten etc. is een grondwettelijk recht. Op grond van de Wet openbare manifestaties kan de gemeente nadere regels stellen aan duur en geluid als dit vanwege ervaren overlast noodzakelijk zou zijn. Voorstel Wij stellen voor om het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden, overeenkomstig het oude recht, in het nieuwe omgevingsplan Kernen uit te zonderen van de geluidsregels voor activiteiten.
Festiviteiten Onder het oude recht was op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) gemeente Oude-IJsselstreek (artikel 4:2 en 4:3) een regeling getroffen dat de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer niet gelden tijdens door het college aangewezen collectieve festiviteiten en aan het college gemelde incidentele festiviteiten. Op grond van het Bkl dient deze regeling in het omgevingsplan opgenomen te worden.
Gebieden met functiemenging Het Bkl bevat (zoals gezegd) standaardnormen om geluidgevoelige gebouwen te beschermen tegen geluidveroorzakende activiteiten. Deze standaardnormen van het Bkl zijn gelijk aan de waarden die in het oude recht waren opgenomen. Het Bkl geeft gemeenten de mogelijkheid om voor gebieden met functiemenging een soepelere norm of voor rustige gebieden een strengere norm te hanteren. Indien de gemeente een soepelere norm wil opnemen in het omgevingsplan, moet door middel van onderzoek vaststaan dat de binnenwaarde (het geluid binnen geluidgevoelige gebouwen) niet hoger is dan de normen die het Bkl daarvoor stelt. Indien de gemeente een strengere norm wil opnemen, moet aangetoond worden dat bestaande geluidveroorzakende activiteiten niet worden beperkt ten opzichte van het oude recht. Voorstel Wij stellen voor om in het nieuwe omgevingsplan Kernen geen rustige gebieden of gebieden met functiemenging aan te wijzen. Indien dit in de toekomst nodig of wenselijk wordt geacht, zal dit, na onderzoek, leiden tot een wijziging van het omgevingsplan.
30
Piekgeluid Naast de normen voor het continue geluid bevat het Bkl ook normen voor piekgeluid. Piekgeluiden zijn plotselinge en harde geluiden (bijvoorbeeld dichtslaan van autodeuren of laden en lossen met een vrachtwagen). Het Bkl bevat, in tegenstelling tot het oude recht, geen normen voor het maximale piekgeluid in de dagperiode (periode tussen 07.00 – 19.00). Het Bkl bevat dus alleen normen voor het piekgeluid in de avondperiode (19.00 – 23.00) en de nachtperiode (23.00 – 07.00). Aan deze wijziging ligt ten grondslag dat de wetgever normen voor het piekgeluid alleen maar noodzakelijk acht met het oog op het voorkomen van slaapverstoring. Verder is de norm van het Bkl voor het piekniveau in de nachtperiode hoger dan de norm in de Bruidsschat. Voorstel Wij stellen voor om in het nieuwe omgevingsplan Kernen, overeenkomstig de instructieregels van het Bkl, geen normen voor het piekgeluid in de dagperiode op te nemen. Indien dit in de toekomst nodig of wenselijk wordt geacht, zal dit, na onderzoek, leiden tot een wijziging van het omgevingsplan. Voor de hoogte van de normering voor het piekniveau (voor avond en nachtperiode) sluiten wij aan bij het Bkl. Onder het oude recht werden de twee onderstaande activiteiten uitgezonderd van de normen voor het piekgeluid:
het komen en gaan van bezoekers bij een activiteit waarvan horeca-, sport- of recreatieactiviteiten de kern vormen; of het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan.
In het Bkl worden deze twee activiteiten niet meer uitgezonderd. Het verrichten van sportactiviteiten in de open lucht en het komen en gaan van bezoekers kan gepaard gaan met maximale geluidsniveaus die hoger liggen dan de toegestane maximale geluidsniveaus (het gaat dan wel alleen maar om de avond- en nachtperiode). Onder het geluid door het komen en gaan van bezoekers wordt onder meer begrepen het dichtslaan van autoportieren en het starten en gas geven bij het wegrijden van voertuigen. Voor beide uitzonderingen geldt dat het redelijkerwijs niet mogelijk is deze pieken te beheersen op basis van een geluidsnorm. Verder is de zorgplicht met bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften (zoals beschreven in het begin van dit hoofdstuk onder het kopje Specifieke zorgplicht milieu) ook op deze activiteiten van toepassing, zodat in individuele overlast gevende situaties ingegrepen kan worden door het stellen van nadere regels.
Voorstel Wij stellen voor om het komen en gaan van bezoekers bij een activiteit waarvan horeca-, sport- of recreatieactiviteiten de kern vormen en het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan, overeenkomstig het oude recht, in het nieuwe omgevingsplan Kernen uit te sluiten van de normen voor piekgeluid.
31
Tankstations Voor tankstations hanteerde het oude recht (Activiteitenbesluit milieubeheer) een andere dagindeling dan het Bkl. Deze andere indeling heeft tot gevolg dat:
er in de tijd tussen 07.00 en 19.00 uur onder het Bkl geen norm voor piekgeluid geldt; de norm voor het piekgeluid in de tijd tussen 19.00 en 21.00 onder het Bkl een lagere norm voor het piekgeluid gaat gelden; in de tijd tussen 19.00 en 21.00 is de norm voor het geluid onder het Bkl lager en in de tijd tussen 21.00 en 23.00 is de norm van het Bkl hoger.
Het Bkl geeft gemeenten de mogelijkheid om de dagindeling en bijbehorende normering van het oude recht te blijven hanteren voor bestaande tankstations. Voor nieuwe tankstations is dit eerst mogelijk indien vast is komen te staan dat met de andere dagindeling en bijbehorende normering voldaan kan worden aan de normering voor de binnenwaarde (het geluid binnen geluidgevoelige gebouwen). Dit is pas mogelijk indien daar onderzoek naar gedaan is. Het omgevingsplan maakt de vestiging van nieuwe tankstations echter niet mogelijk. Indien de vestiging van een tankstation gewenst is, zal het omgevingsplan gewijzigd moeten worden. De omgevingsdienst heeft met een quickscan beoordeelt of het overnemen van de onder het oude recht geldende regeling voor bestaande tankstations kan leiden tot een overschrijding van de binnenwaarde bij aangrenzende woningen. Bij een tankstation in Varsseveld is daar gelet op het feit dat er autoportieren op minder dan 14 meter van woningen dichtslaan, kans op. Voor deze locatie zijn in het verleden echter maatwerkvoorschriften gesteld die ook onder het nieuwe recht blijven gelden. Voorstel Wij stellen voor om voor bestaande tankstations de dagindeling met bijbehorende normering van het oude recht te hanteren.
32
4.2. Trillingen Het Bkl bevat een instructieregel om er in het omgevingsplan zorg voor te dragen dat trillingen (in een frequentie van 1 tot 80 Hz) veroorzaakt door een activiteit (anders dan wonen en doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen) in trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Trillinggevoelig gebouw Onder een trillinggevoelig gebouw wordt door het Bkl, met uitzondering van woonschepen en woonwagens, hetzelfde verstaan als een geluidgevoelig gebouw (zie hiervoor). Voormalige bedrijfswoningen Bedrijfswoningen met een voormalige functionele binding met een trillingveroorzakende activiteit kunnen in het omgevingsplan worden uitgezonderd van de bescherming tegen trillinghinder. Dit geldt voor voormalige bedrijfswoningen in de agrarische sector, op een bedrijventerrein of in de horecasector. De aanwijzing in het omgevingsplan dient per individueel geval gemotiveerd te worden. Voorstel In het nieuwe omgevingsplan voor de kernen stellen wij voor vooralsnog geen voormalige bedrijfswoningen aan te wijzen. Indien in een individueel geval mocht blijken dat een dergelijke aanwijzing gewenst is, kan het omgevingsplan gewijzigd worden. Het Bkl stelt dat er sprake is van aanvaardbaarheid indien de standaardwaarden uit het Bkl in het omgevingsplan worden opgenomen.
Ten opzichte van de oude regelgeving (Activiteitenbesluit) is de normering voor herhaald voorkomende trillingen nieuw. De gemeente kan in het omgevingsplan gemotiveerd (na onderzoek) afwijken van de standaardwaarden uit het Bkl en voor rustige gebieden kiezen voor een strengere norm en voor bijvoorbeeld bedrijventerreinen voor een soepelere norm. De instructieregels over trillingen (en dus ook de normering) zijn niet van toepassing op trillingen veroorzaakt door activiteiten die samenhangen met wonen (wel op beroepen en bedrijven aan huis en ‘uit de hand gelopen hobby’s’) en doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. De gemeenteraad kan in het omgevingsplan echter wel regels over trillingen veroorzaakt door deze activiteiten stellen. Dit moet dan wel gemotiveerd worden. Bij nieuwe ontwikkelingen in de nabijheid van (spoor)wegen moet, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onderzoek worden gedaan naar hinder vanwege trillingen en eventueel te nemen maatregelen. Voorstellen
Wij stellen voor om in het nieuwe omgevingsplan Kernen de standaardwaarden uit het Bkl op te nemen. Wij stellen voor om op dit moment voor de activiteiten die niet onder de instructieregels vallen geen regels op te nemen.
33
4.3. Geur Het Bkl bevat een instructieregel om er in het omgevingsplan zorg voor te dragen dat de geur veroorzaakt door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Het Bkl maakt als het gaat om geurveroorzakende activiteiten onderscheid in:
het houden van landbouwhuisdieren; andere agrarische activiteiten; zuiveringstechnische werken; overige bronnen van geurhinder (vaak betiteld als industriële geurhinder).
Cumulatie van geurhinder De cumulatie van geurhinder (geurhinder door meerdere geurveroorzakende activiteiten op één geurgevoelig gebouw) valt blijkens de toelichting op het Bkl ook onder de ‘aanvaardbaarheidsinstructieregel’. Hoewel cumulatie in het oude recht (Activiteitenbesluit en Wet geurhinder en veehouderij) niet betrokken hoeft te worden bij de vergunningverlening van bedrijven, is in jurisprudentie over bestemmingsplannen bepaald dat er in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel degelijk rekening moet worden gehouden met cumulatie. Bij het toelaten van nieuwe functies zal er op grond van het Bkl rekening worden gehouden met cumulatie. Voorstel Wij stellen voor om in het nieuwe omgevingsplan Kernen geen expliciete bepaling over cumulatie van geurhinder op te nemen.
Geurgevoelige gebouwen Het Bkl bevat een definitie van het begrip geurgevoelig gebouw. Als geurgevoelige gebouwen worden aangemerkt: gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie (met bedgebied) en kinderopvang (met bedgebied). Met het begrip geurgevoelig gebouw heeft de rijkswetgever aansluiting gezocht bij het begrip geluidgevoelig gebouw. Het begrip is beperkter dan het begrip geurgevoelig object zoals dat gedefinieerd werd door de Wet geurhinder en veehouderij. Onder een geurgevoelig object werden ook kantoren, recreatiewoningen en vaste kampeermiddelen, zoals chalets, begrepen. De gemeenteraad kan in het omgevingsplan het begrip geurgevoelig gebouw, zoals gehanteerd door het Bkl, uitbreiden en ook locaties als geurgevoelig aanmerken. Voorstel Wij stellen voor om in het nieuwe omgevingsplan Kernen het begrip geurgevoelig object zoals deze gehanteerd werd onder het oude recht. Dit betekent dat kantoorgebouwen e.d. ook als geurgevoelig worden aangemerkt.
34
Voormalige bedrijfswoningen Het Bkl geeft de gemeenteraad de mogelijkheid om in het omgevingsplan voormalige bedrijfswoningen aan te wijzen voor zover die voormalige bedrijfswoning met een agrarisch bedrijf, horecabedrijf of met een bedrijf op een bedrijventerrein functioneel verbonden was. De geurnormen of maatregelen tegen geuroverlast (zoals de ontgeuringsinstallatie bij de horeca) die in het omgevingsplan worden opgenomen zijn niet van toepassing op deze aangewezen voormalige bedrijfswoningen. Voorstel In het nieuwe omgevingsplan Kernen stellen wij voor vooralsnog geen nieuwe voormalige bedrijfswoningen aan te wijzen. Indien in een individueel geval mocht blijken dat een dergelijke aanwijzing gewenst is, kan het omgevingsplan gewijzigd worden.
Geurveroorzakende activiteiten Onder geurveroorzakende activiteiten vallen nagenoeg alle activiteiten (waaronder bijvoorbeeld (agrarische) bedrijfsmatige activiteiten en horeca), anders dan het wonen. Het Bkl bevat zelf geen definitie van het begrip wonen, maar de toelichting bij het Bkl geeft aan dat een beroep of bedrijf aan huis en een ‘uit de hand gelopen hobby’ geen verband houden met de activiteit wonen. Voorstel Wij stellen voor om in het nieuwe omgevingsplan Kernen expliciet op te nemen dat een beroep of bedrijf aan huis en hobbymatige activiteiten die het niveau overstijgen dat tot woongedrag behoort geurveroorzakende activiteiten zijn en dus niet onder de activiteit wonen vallen.
Hoewel de activiteit wonen dus in beginsel niet onder de geurregels valt, heeft de gemeenteraad de mogelijkheid om hier in het omgevingsplan van af te wijken. Bijvoorbeeld door het stellen van regels over de geur van het stoken van hout in kachels en open haarden. Voorstel Wij stellen voor om in het nieuwe omgevingsplan Kernen geen regels op te nemen voor geurhinder ten gevolge van de activiteit wonen. In het nieuwe omgevingsplan Kernen wordt een zorgplicht opgenomen met daaraan gekoppeld een bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Via deze weg kan in een individuele overlastsituatie worden ingegrepen.
35
Agrarische geurhinder Het Bkl werkt voor het houden van landbouwhuisdieren en overige agrarische activiteiten (o.a. opslag van mest, substraat en voer) uit wat er in ieder geval wordt begrepen onder een aanvaardbare geurhinder. Agrarische geurhinder speelt echter met name in het buitengebied. De agrarische geurhinder zullen we dan ook regelen in het nieuwe omgevingsplan Buitengebied. Tot die tijd kunnen we voor de kernen volstaan met het overgangsrecht, zoals dat in de bruidsschat (het tijdelijke omgevingsplan) is opgenomen. Voorstel Wij stellen voor om het aspect agrarische geurhinder niet mee te nemen in het nieuwe omgevingsplan Kernen.
Zuiveringstechnisch werk Net als bij het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten werkt het Bkl voor geurhinder ten gevolge van een zuiveringstechnisch werk uit wat er in ieder geval wordt begrepen onder een aanvaardbare geurhinder. In het oude recht is dit opgenomen in het Activiteitenbesluit. Regels over de geurhinder van een zuiveringstechnisch werk hoeven alleen in een omgevingsplan te worden opgenomen indien het omgevingsplan de vestiging van een zuiveringstechnisch werk mogelijk maakt. De geurregels voor een zuiveringstechnisch werk zijn met name van toepassing op en in het buitengebied. De geurhinder vanwege een zuiveringstechnisch werk zullen we dan ook regelen in het nieuwe omgevingsplan Buitengebied. Tot die tijd kunnen we voor de kernen volstaan met het overgangsrecht, zoals dat in de bruidsschat (het tijdelijke omgevingsplan) is opgenomen. Voorstel Wij stellen voor om het aspect geurhinder bij een zuiveringstechnisch werk niet mee te nemen in het nieuwe omgevingsplan Kernen, gezien het feit dat er geen zuiveringstechnische werken zijn gelegen binnen dit deelgebied.
Bebouwingscontour geur Het Bkl bepaalt dat in het omgevingsplan de begrenzing van de bebouwingscontour geur wordt vastgelegd. De bebouwingscontour is de opvolger van het begrip bebouwde kom, zoals dat in de oude regelgeving wordt gehanteerd. Onder de oude regelgeving betreft het niet de bebouwde kom, zoals we die kennen uit de verkeerswetgeving, maar de stedenbouwkundige bebouwde kom. De wetgever wilde een eind maken aan de begripsverwarring (wat is nu bebouwde kom in het kader van geurhinder?) en heeft in het Bkl de verplichting opgenomen tot het aanwijzen van een bebouwingscontour geur. Binnen de bebouwingscontour geur gelden voor de geurbronnen (agrarische geurhinder en geurhinder door een zuiveringstechnisch werk) strengere geurnormen dan buiten de bebouwingscontour geur.
36
Wij nemen in het nieuwe omgevingsplan Kernen geen geurregels op voor de bronnen agrarische geurhinder en geurhinder door zuiveringstechnische werken. Omdat het overgangsrecht, zoals opgenomen in de bruidsschat, verwijst naar de bebouwde kom is het niet noodzakelijk om in het nieuwe omgevingsplan Kernen een bebouwingscontour geur op te nemen. Op het moment dat wij een nieuw omgevingsplan Buitengebied gaan opstellen, zullen we ook een bebouwingscontour geur vastleggen. Dit zal expliciet aan de gemeenteraad worden voorgelegd in de Nota van Uitgangspunten voor het nieuwe omgevingsplan Buitengebied. Voorstel In het nieuwe omgevingsplan Kernen nemen wij geen regels op over agrarische geurhinder en geurhinder door een zuiveringstechnisch werk. We hoeven dan ook geen bebouwingscontour geur aan te wijzen. Dit zal worden meegenomen in het nieuwe omgevingsplan Buitengebied.
Waar waarden gelden De normen die in de instructieregels van het Bkl zijn opgenomen, gelden op de gevel van gevoelige gebouwen. De gemeente mag in het omgevingsplan ook vastleggen dat de waarde geldt op een punt dichterbij de geurveroorzakende activiteit. De gemeente kan dit gebruiken om bijvoorbeeld de geurruimte van veehouderijen te beperken. Niet door uit te gaan van de gevel van het dichtstbijzijnde gevoelige gebouw, maar door geurnormen op te nemen die gelden op een referentiepunt op een vaste afstand van de veehouderij. Dit is denkbaar in een situatie waar het dichtstbijzijnde gevoelige gebouw op een grote afstand van een veehouderij staat. Indien de gemeente(raad) hiertoe zou besluiten, is wel een op de individuele situatie(s) gericht onderzoek en onderbouwing nodig. Voorstel In het nieuwe omgevingsplan Kernen nemen wij geen regels op over waar waarden gelden. Mocht in de toekomst blijken dat dit nodig of gewenst is dan zal het omgevingsplan, nadat daartoe onderzoek is verricht, worden gewijzigd.
Industriële geurhinder Het Bkl heeft voor andere dan de hiervoor genoemde bronnen (agrarisch en zuiveringstechnisch) niet uitgewerkt wat er wordt begrepen onder een aanvaardbare geurhinder. Voor enkele geurbronnen (o.a. restaurants) zijn er specifieke voorschriften opgenomen in de bruidsschat zoals een ontgeuringsfilter of een afvoerpijp (2 meter boven de daklijn). Deze specifieke voorschriften uit de bruidsschat (tijdelijk omgevingsplan) nemen wij vooralsnog niet mee in het nieuwe omgevingsplan Kernen. Overeenkomstig het bepaalde in het plan van aanpak voor de transitieperiode zullen wij deze voorschriften op een later moment thematisch en voor het hele grondgebied overzetten naar het permanente omgevingsplan. De specifieke zorgplicht voor geurhinder die in het oude recht (Activiteitenbesluit milieubeheer) was opgenomen, komt in het Bkl niet meer terug, omdat de wetgever van oordeel is dat de specifieke zorgplicht voor geurhinder weinig toevoegt aan de algemene zorgplicht voor milieu. De specifieke zorgplicht voor geurhinder sluit echter goed aan op de aanvaardbaarheidseis van het Bkl en is 37
kenbaarder dan een algemene zorgplicht voor het milieu en dus ook makkelijker te handhaven. Dit, omdat de specifieke zorgplicht voor geurhinder zich specifiek richt op activiteiten die geurhinder veroorzaken, terwijl de algemene zorgplicht voor milieu zich richt op alle activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Daarnaast biedt een specifieke zorgplicht voor geur de mogelijkheid om een verwijzing naar het Gelderse Geurbeleid (van de provincie) op te nemen. Voor industriële geur volgt de gemeente Oude IJsselstreek het Gelders geurbeleid om met behulp van specifiek onderzoek aan te tonen dat er sprake is van (on)aanvaardbare geurhinder.
Specifieke zorgplicht geur uit het oude recht:
38
Voorstel Wij stellen voor om in het nieuwe omgevingsplan Kernen de specifieke zorgplicht voor geurhinder, zoals die is opgenomen in het oude recht, over te nemen. De specifieke zorgplicht voor geurhinder wordt gekoppeld aan een bevoegdheid tot het nemen van een maatwerkvoorschrift, zodat in een eventuele individuele overlastsituatie concretere maatregelen kunnen worden voorgeschreven. Daarnaast zal voor de vraag wat (on)aanvaardbaar is, een verwijzing worden opgenomen naar het Gelderse Geurbeleid.
39
4.4. Bodem De Omgevingswet geeft voor bodem een aantal randvoorwaarden mee, maar het is primair aan de gemeente om te bepalen hoe zij invulling geeft aan het bodembeleid. Het Bkl bepaalt dat in het omgevingsplan:
regels worden opgenomen over het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie; moet worden gewaarborgd dat sanerende en beschermende maatregelen in stand worden gehouden; bodembeheergebieden kunnen worden aangewezen; de landbodem wordt ingedeeld in bodemfunctieklassen.
Naast deze instructieregels in het Bkl zijn er in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regels opgenomen over:
graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit; graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit; saneren van de bodem; het opslaan, zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van zonder bewerking herbruikbare grond of baggerspecie; het toepassen van bouwstoffen; het toepassen van grond of baggerspecie.
In het omgevingsplan kan de gemeenteraad door middel van een maatwerkregel afwijken van de regels, zoals die in het Bal zijn opgenomen. In het oude recht waren de regels over deze onderwerpen opgenomen in de Woningwet, de gemeentelijke bouwverordening (bouwen op een bodemgevoelige locatie) en met name de Wet bodembescherming, het Besluit uniforme saneringen en het Besluit bodemkwaliteit. De specifieke gemeentelijke keuzes zijn opgenomen in de nota bodembeer (deze is in regionaal verband opgesteld).
Voorstel Wij stellen voor om in het nieuwe omgevingsplan Kernen de keuzes die zijn gemaakt in de nota bodembeheer te vertalen in maatwerkregels.
40
4.5. Externe veiligheid In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) worden eisen aan het omgevingsplan gesteld ten aanzien van aangewezen risicobronnen en de bescherming van gevoelige objecten. De gevoelige objecten worden opgesplitst in 1) zeer kwetsbare gebouwen, 2) kwetsbare gebouwen en locaties en 3) beperkt kwetsbare gebouwen en locaties. De risicobronnen worden aangewezen in bijlage VII van het Bkl. De categorieën kwetsbare gebouwen en locaties worden aangewezen in bijlage VI van het Bkl. In de Bruidsschat zijn ook regels met betrekking tot externe veiligheid opgenomen. De veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland (VNOG) heeft een handreiking voor gemeenten gemaakt op welke wijze deze regels (overnemen of aanpassen) in het omgevingsplan zouden moeten landen. Voorstel Wij stellen voor om voor het nieuwe omgevingsplan Kernen de voorstellen uit de handreiking Bruidsschat van de VNOG over te nemen.
Zeer kwetsbare gebouwen De categorie zeer kwetsbare gebouwen is nieuw ten opzichte van het oude recht. De gebouwen in deze categorie vielen eerder onder de categorie kwetsbare objecten. Een gebouw is 'zeer kwetsbaar' als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen. Het gaat om de volgende gebouwen:
woonfunctie voor 24-uurszorg; basisscholen; scholen voor minderjarigen met een lichamelijke of geestelijke beperking; dagverblijf van personen met een lichamelijke of geestelijke beperking; gezondheidszorg met bedgebied (ziekenhuizen en verpleeghuizen); kinderopvang; gevangenissen.
Kwetsbare gebouwen en locaties Kwetsbare gebouwen zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing). Kwetsbare locaties zijn locaties bestemd voor grote evenementen met meer dan 5.000 bezoekers of voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen. Gebouwen en locaties zijn ook kwetsbaar als er veel personen een groot deel van de dag aanwezig zijn. Het gaat bijvoorbeeld om:
woonfunctie; bijeenkomstfunctie; kantoorfunctie (opp. groter dan 1500 m²); sportfunctie; middelbare scholen ; gezondheidszorg zonder bedgebied; locatie voor evenementen in de open lucht voor ten minste 5.000 personen.
41
Beperkt kwetsbare gebouwen en locaties De overige gebouwen en locaties zijn beperkt kwetsbaar. De gemeenteraad kan in het omgevingsplan andere categorieën van gebouwen of locaties aanmerken als zeer kwetsbaar, kwetsbaar of beperkt kwetsbaar en gebouwen of locaties meer bescherming bieden. Voorstel Wij stellen voor om voor het nieuwe omgevingsplan Kernen gebruik te maken van de indeling van gebouwen en locaties zoals het Bkl die voorstelt.
Plaatsgebonden risico In het Bkl worden instructieregels gegeven over het plaatsgebonden risico bij risicoactiviteiten. Voor zeer kwetsbare en kwetsbare gebouwen en locaties moet het plaatsgebonden risico in acht worden genomen en bij beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet er rekening worden gehouden met het plaatsgebonden risico. Dit betekent dat binnen een plaatsgebonden risicocontour van een risicobron geen zeer kwetsbare gebouwen of kwetsbare gebouwen en locaties mogen worden toegestaan en dat beperkt kwetsbare gebouwen of locatie pas na een beoordeling (dus vergunning) mogen worden toegestaan. Voorstel Wij stellen voor om in het nieuwe omgevingsplan Kernen de plaatsgebonden risicocontour van risicoactiviteiten aan te duiden, voor zover deze is gelegen buiten de grens van het perceel waarop het bedrijf is gelegen, en te regelen dat binnen de contour geen nieuwe zeer kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties zijn toegestaan.
Groepsrisico Het Bkl introduceert zogenaamde aandachtsgebieden rond risicobronnen. Deze aandachtsgebieden zijn nieuw. Als aandachtsgebied externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied. De aandachtsgebieden gelden op grond van de Omgevingswet en het Bkl en hoeven niet in het omgevingsplan aangewezen te worden. Uitgangspunt voor het nieuwe omgevingsveiligheidsbeleid is dat personen in gebouwen buiten een aandachtsgebied (brand, explosie of gifwolk) voldoende zijn beschermd. Binnen die aandachtsgebieden, of voor personen die verblijven op een locatie in de buitenlucht, zal bij nieuwe initiatieven moeten worden gekeken of en welke aanvullende beschermende maatregelen nodig en te treffen zijn.
42
Een (deel van een) aandachtsgebied kan in het omgevingsplan worden aangewezen als voorschriftengebied. Binnen het voorschriftengebied gelden op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) aanvullende bouwvoorschriften (verbeteren van de veiligheid) voor de nieuwbouw of vervangende nieuwbouw (en dus niet voor bestaande bouw) van zeer kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare gebouwen. Er geldt een plicht tot het aanwijzen van een voorschriftengebied als in een aandachtsgebied een zeer kwetsbaar gebouw wordt toegelaten. In Oude IJsselstreek wordt in beeld gebracht waar zich zeer kwetsbare gebouwen bevinden/worden toegelaten. Het is de verwachting dat de zeer kwetsbare gebouwen rond de zomer (2025) in beeld zijn gebracht. Deze worden geregistreerd in het landelijke systeem Register Externe Veiligheidsrisico’s. Voor het toestaan van nieuwe (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties binnen een aandachtsgebied wordt een vergunningplicht opgenomen in het omgevingsplan. Een nieuwe (beperkt) kwetsbaar gebouw of locatie is dan pas mogelijk nadat het college van B&W een vergunning heeft verleend en daarbij, na advies te hebben ingewonnen van de veiligheidsregio, een beoordeling heeft uitgevoerd van:
de mogelijkheden van risicocommunicatie; of er voldoende bluswater voorhanden is; of er opstelplaatsen voor brandweervoertuigen zijn; of het betreffende gebouw of de betreffende locatie voldoende bereikbaar is voor de hulpdiensten; of er verbetering mogelijk is in de alarmering of de vluchtroutes.
Voorstellen
Wij stellen voor om binnen de aandachtsgebieden in het omgevingsplan geen nieuwe zeer kwetsbare gebouwen toe te staan.
Wij stellen voor om voor nieuwe (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties binnen aandachtsgebieden een vergunningplicht in het nieuwe omgevingsplan Kernen op te nemen.
Toelaten en uitbreiden risicobronnen De instructieregels op het vlak van externe veiligheid hebben naast de bescherming van kwetsbare gebouwen ook betrekking op het toelaten van nieuwe of de uitbreiding van bestaande risicobronnen. In de systematiek van de bestemmingsplannen (zowel die van de kernen als die voor de bedrijventerreinen) worden de bestaande risicovolle inrichtingen aangeduid en toegestaan. Uitbreiding van deze bestaande risicovolle inrichtingen is binnen de bestemmingsplannen niet toegestaan indien het plaatsgebonden risico daarmee groter wordt dan het bouwperceel of dan is aangeduid op de verbeelding. Het begrip risicovolle inrichting komt onder de Omgevingswet niet terug. In bijlage VII van het Bkl is aangegeven wat er onder een risicobron wordt verstaan. Deze opsomming van risicobronnen is ruimer dan het begrip risicovolle inrichting zoals dat in de bestemmingsplannen wordt gehanteerd.
43
Voorstel Wij stellen voor om in het omgevingsplan geen nieuwe risicobronnen toe te staan en de uitbreiding van bestaande risicobronnen alleen direct toe te staan indien het aandachtsgebied binnen het eigen perceel is gelegen. Indien het aandachtsgebied niet binnen het eigen perceel ligt, is uitbreiding alleen toegestaan na verlening van een vergunning (omgevingsplanactiviteit).
44
4.6. Luchtkwaliteit Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels voor luchtkwaliteit als het gaat om:
de aanleg van een auto(snel)weg en een wegtunnelbuis, en de aanleg van wegen, spoor- en vaarwegen of het mogelijk maken van activiteiten die gevolgen hebben voor de verkeersintensiteit en het toestaan van bepaalde bedrijven in de aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof.
Deze instructieregels zijn niet relevant voor het nieuwe omgevingsplan Kernen, omdat de gemeente niet is aangewezen als aandachtgebied luchtkwaliteit (in de Omgevingsregeling) en het nieuwe omgevingsplan Kernen niet de aanleg van een auto(snel)weg en een wegtunnelbuis mogelijk maakt. De gemeente kan maatwerkregels stellen in het omgevingsplan over de luchtemissie van activiteiten. Voorbeelden zijn particuliere vuurkorven of het stoken van houtkachels 5. Deze activiteiten gaan we in het omgevingsplan onder een zorgplichtbepaling laten vallen met daaraan gekoppeld een bevoegdheid om in individuele gevallen van overlast maatwerkvoorschriften te kunnen nemen. Voorstel Wij stellen voor om in het omgevingsplan een zorgplichtbepaling op te nemen gekoppeld aan een bevoegdheid tot het nemen van maatwerkvoorschriften.
4.7. Lozingen De regels over het lozen van (huishoudelijk) afvalwater stonden in het Besluit lozing afvalwater huishoudens (Blah), het Activiteitenbesluit (voor zover uit een inrichting wordt geloosd) of in het Besluit lozingen buiten inrichtingen (Blbi). De wetgever gaat dit thema niet meer landelijk regelen, zodat de regels uit deze AMvB’s moeten worden overgezet naar het gemeentelijke omgevingsplan. Per 1 januari 2024 maken deze regels dan ook onderdeel uit van de bruidsschat en daarmee het tijdelijke Omgevingsplan van de gemeente Oude-IJsselstreek.
Voorstel Wij stellen voor om deze regels in een thematische wijziging in één keer voor het hele grondgebied van de gemeente over te zetten naar het permanente omgevingsplan. De regels over lozing worden meegenomen met de besluitvorming over het nieuwe omgevingsplan Kernen.
5.
Bijlagen
5
Zie ook Gezondheids- en hindereffecten door houtkachels van particulieren, STAB kennisdocument 2024 te raadplegen via https://stab.nl/wp-content/uploads/2019/11/STAB-Kennisdocument-Houtstook-september2019.pdf.
45
In deze bijlage zijn de consultatiereacties van externe partijen en ketenpartners op de concept Nota van Uitgangspunten beschreven. Daarnaast zijn de consultatiereacties voorzien van een reactie van de projectgroep van het omgevingsplan deelgebied Kernen.
5.1. Samenvatting consultatie ketenpartners In september en oktober 2024 is er gelegenheid geweest om een informele reactie te geven op de nota van uitgangspunten. De nota is verstuurd naar de provincie Gelderland, het Waterschap Rijn & IJssel, de VNOG, de GGD Noord en Oost-Nederland, de Gasunie en de Omgevingsdienst Achterhoek. Per organisatie zijn de opmerkingen samengevat en van een reactie voorzien. Ook is aangegeven of de opmerkingen aanleiding geven tot wijzigingen van de nota.
1. Provincie Gelderland De provincie heeft een drietal opmerkingen over paragraaf 2.2 die gaat over de instructieregels. a. Ze missen de instructieregels rondom landschap. Het accent voor deze regels ligt weliswaar in het buitengebied maar ze zijn overal van toepassing. b. In deze paragraaf worden de instructieregels van de provincie behandeld welke in de beleidsinventarisatie zijn beoordeeld als relevant dan wel mogelijk relevant voor het omgevingsplan Kernen. De vraag van de provincie is of dit op basis van de Omgevingsverordening 2024 is of inclusief de verwachte wijzigingen die per 1 januari 2025 in werking treden? Ze geven aan dat het handig is om de verwachte wijzigingen al mee te nemen. c. Over de instructieregel grondwater geeft de provincie aan dat er meerdere instructieregels rondom grondwater zijn in de verordening. In de nota is er maar één opgenomen. Reactie gemeente: In de Nota van Uitgangspunten hebben wij de instructieregels opgenomen die relevant zijn voor het deelgebied Kernen en relevant zijn gelet op het karakter van het op te stellen omgevingsplan voor dit deelgebied. De insteek van de Nota van Uitgangspunten en dus ook van het omgevingsplan voor het deelgebied Kernen is een beleidsneutrale ‘verhuizing’ van bestaande regels. In het omgevingsplan zullen dus geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt.
Instructieregels die betrekking hebben op nieuwe ontwikkelingen zijn in dit verband dus ook niet van belang. Nadat de Nota van Uitgangspunten is vastgesteld, zal het omgevingsplan worden opgesteld. In de motivering van het omgevingsplan zal als vanzelfsprekend worden ingegaan op de op dat moment geldende instructieregels.
Ad a. De instructieregels met betrekking tot landschap zien op motiveringsplichten bij nieuwe ontwikkelingen. Met het omgevingsplan deelgebied Kernen worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Ad b. De beschrijving in de Nota van Uitgangspunten betreft de instructieregels die ten tijde van het schrijven van de Nota van Uitgangspunten golden. In de motivering voor het omgevingsplan Kernen 46
zullen als vanzelfsprekend de instructieregels worden meegenomen zoals ze gelden op het moment van besluitvorming door de gemeenteraad. Ad c. Over het aspect grondwaterkwaliteit heeft Provinciale Staten de instructieregels vertaald in een voorbereidingsbesluit op basis waarvan het omgevingsplan van de gemeente al is gewijzigd met voorbeschermingsregels. Deze voorbeschermingsregels (gelden nu al en) zullen in het omgevingsplan worden overgenomen.
2. Waterschap Rijn en IJssel Het waterschap heeft vier inhoudelijke opmerkingen over het beleidsstuk ‘water- en rioleringsprogramma 2024-2028’. a. In de paragraaf staat dat kleinschalige inbreidingen worden aangesloten op de bestaande riolering waarbij hemelwater indien redelijkerwijs mogelijk op eigen terrein wordt verwerkt. Het waterschap geeft aan dat ze bij verwerking hiervan graag betrokken willen worden. b. In de paragraaf staat dat in het water- en rioleringsprogramma is opgenomen dat bij nieuwbouwprojecten minstens 10% van het bruto gebiedsoppervlak beschikbaar moet zijn voor water. Het waterschap geeft aan dat dit niet uit hun uitgangspuntennotitie volgt, maar dat deze zinsnede dat wel suggereert. Het voorstel is om deze zin te verplaatsen, zodat duidelijk is dat dit bij de uitgangspunten van de gemeente hoort. c. In de laatste twee zinnen van de paragraaf gaat het over ‘waterneutraal ontwikkelen’ bij stedelijke ontwikkelingen. Het waterschap stelt voor om de bron op te nemen: uitgangspunten notitie water in ruimtelijke plannen. Waterschap Rijn en IJssel (Juni 2021) d. Verder geeft het waterschap aan dat het beleid voor zowel stedelijk als landelijk gebied van het waterschap opgenomen moet worden. e. Tot slot heeft het waterschap een “algemene” opmerking over het beleidsstuk “Oude IJsselstreek Klimaatbestendig, Klimaatagenda 2022 – 2026”.
In deze paragraaf is opgenomen dat er per kern een klimaatadaptatieplan wordt opgesteld. Het waterschap geeft aan dat ze hierbij betrokken willen worden, omdat dit ook het watersysteem en waterveiligheid raakt. Reactie gemeente: Ad a. Bij nieuwe initiatieven / ontwikkelingen waar dit aan de orde is, zal het waterschap worden betrokken. Ad b. De zin wordt aangevuld om dit te verduidelijken. De tekst wordt dan: “Daarbij is het een gemeentelijk uitgangspunt dat ten minste 10% van het bruto gebiedsoppervlak beschikbaar moet zijn voor water.” Ad c. De bron wordt vermeld. Ad d. Het beleid van het Waterschap heeft ten grondslag gelegen aan de waterschapsverordening. Aan het omgevingsplan ligt het gemeentelijk beleid ten grondslag. Dit gemeentelijk beleid is afgestemd met het waterschap zoals ook het omgevingsplan voor het deelgebied Kernen met het waterschap zal worden afgestemd. Ad e. Deze opmerking is doorgegeven aan de betreffende beleidsambtenaar. 47
3. Veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland (VNOG) De VNOG heeft een aantal opmerkingen over hoofdstuk 3 ‘omgevingsplanactiviteit bouwen van een bouwwerk’. a. In paragraaf 3.1 (bouwregels bestemmingsplannen) staat dat het vanwege de bouwregels (concrete norm) niet noodzakelijk is om voor bouwwerken een nader beoordelingsmoment op te nemen in de vorm van een vergunningplicht. De VNOG vraagt of dit ook geldt voor de afstand tot perceelsgrenzen. b. In paragraaf 3.3.2 (bijbehorende bouwwerken) geeft de VNOG aan dat wat hun betreft bijbehorende bouwwerken bij industrie niet vergunningsvrij worden. c. In paragraaf 3.3.3 (bouwwerken geen gebouwen zijnde) vraagt de VNOG hoe wordt omgegaan met windturbines, zonneparken, energieopslagsystemen, buurtbatterijen. En hoe vergunningsvrij bouwen zich verhoudt t.o.v. een eventuele vergunningplicht voor een milieubelastende activiteit. Daarnaast heeft de VNOG een tweetal opmerkingen over hoofdstuk 4 ‘afwegingsruimte milieuregels’: d. In paragraaf 4.5 (externe veiligheid) onder ‘groepsrisico’ staat dat voor het toestaan van nieuwe (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties binnen een aandachtsgebied een vergunningplicht wordt opgenomen in het omgevingsplan. De VNOG voegt bij de toetsingscriteria een beoordeling toe: of het betreffende gebouw of de betreffende locatie voldoende bereikbaar is voor de hulpdiensten. e.
In paragraaf 4.7 (lozingen) stelt de ODA de vraag hoe wordt omgegaan met evenementen. Zijn deze bijvoorbeeld overal toegestaan, of juist niet? En hoeverre moet er nog wat over 'ander gebruik' opgenomen worden in omgevingsplannen? Tot slot heeft de VNOG een aantal ‘algemene’ opmerkingen: f.
De VNOG geeft aan dat niet wordt aangegeven in het document hoe wordt omgegaan met ETFAL. Is het mogelijk dat aan één locatie meerdere functies toegekend kunnen worden? Dat betekent dan dat ook functieverandering mogelijk is. Dat kan weer gevolgen hebben voor brandveiligheidsvoorzieningen, omgevingsveiligheidsrisico's en het handelingsperspectief van VNOG.
g. In paragraaf 1.5 is opgenomen dat per milieuaspect wordt aangegeven hoe de regels uit de bruidsschat en het BKL worden uitgewerkt in het omgevingsplan. De VNOG merkt op dat er in de bruidsschat ook regels staan over brandveiligheid, zoals over bluswater en bereikbaarheid. En vraagt of de Vangnetregeling Omgevingswet ook wordt verwerkt, omdat daar wijzigingen van de Bruidsschat in zitten. h. Als de gemeente met de implementatie van de Bruidsschat in het omgevingsplan aan de slag gaat, vraagt de VNOG om contact met hen op te nemen. Reactie gemeente:
48
De exacte regeling van het omgevingsplan zal als vanzelfsprekend afgestemd worden met de VNOG. Bij deze nadere en meer gedetailleerde afstemming kan ook gesproken worden over mogelijke optimalisering van de regeling vanuit veiligheidsoogpunt. Ad a. Indien de afstand tot perceelsgrenzen ook nu al is neergelegd in concrete bouwregels (bijvoorbeeld: “de afstand van een vrijstaande woning tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 3 meter”) zal dat straks in het omgevingsplan ook het geval zijn. Ad b. Het uitgangspunt van de Nota van Uitgangspunten is om bestaande regels beleidsneutraal te verhuizen naar het omgevingsplan. Indien het advies van de VNOG is om vanuit veiligheidsoogpunt af te wijken van dit uitgangspunt zal hier over gesproken moeten worden en zal er ook bestuurlijke besluitvorming over moeten volgen. Ad c. Zie de opmerking onder Ad b. De regeling voor vergunningvrij bouwen staat los van een eventuele vergunningplicht vanwege het zijn van een vergunningplichtige milieubelastende activiteit. Ad d. De aanvullende beoordelingsregel wordt overgenomen in de Nota van Uitgangspunten. Ad e. Het gebruik dat wordt toegestaan zal uitdrukkelijk in het omgevingsplan worden opgenomen. Dit geldt ook voor evenementen.
Het uitgangspunt daarbij is dat de huidige mogelijkheden voor het gebruiken van gronden en bouwwerken voor het houden van evenementen zal worden overgenomen in het omgevingsplan. Ad f. Indien het bestemmingsplan functieverandering mogelijk maakt, dan wordt deze mogelijkheid overgenomen in het omgevingsplan. Indien het advies van de VNOG is om vanuit veiligheidsoogpunt af te wijken van dit uitgangspunt zal hier over gesproken moeten worden en zal er ook bestuurlijke besluitvorming over moeten volgen. Ad g. De vangnetregeling wordt als vanzelfsprekend verwerkt. Deze geldt immers nu al. De regels over brandveiligheid in de “Bruidsschat” worden overgenomen in het omgevingsplan. In de Nota van Uitgangspunten is hierover het volgende opgenomen: “In de Bruidsschat zijn ook regels met betrekking tot externe veiligheid opgenomen. De veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland (VNOG) heeft een handreiking voor gemeenten gemaakt op welke wijze deze regels (overnemen of aanpassen) in het omgevingsplan zouden moeten landen.” Ad h. De VNOG wordt in elke stap van het proces ‘het maken van een omgevingsplan voor het deelgebied Kernen’ betrokken. De volgende stap zal het terinzage leggen van een concept regeling betreffen.
4. GGD Noord en Oost-Nederland
49
De GGD werkt met ‘kernwaarden voor een gezonde leefomgeving’. Dit is een set van waarden die idealiter in elk ruimtelijk plan of -beleid aan de orde komen. De GGD heeft getoetst welke kernwaarden terugkomen in de toekomstvisie van de gemeente en de nota van uitgangspunten (zie de tabel hieronder). De GGD adviseert om de kernwaarden die niet in de toekomstvisie en de nota worden genoemd, uit te werken in het omgevingsplan. Daarnaast adviseren ze ook om de ambities die in de toekomstvisie staan maar niet in de nota, alsnog op te nemen en uit te werken in het omgevingsplan.
Op enkele thema’s gaat de GGD wat dieper in en geeft hierover advies: a. Luchtkwaliteit. Dit wordt buiten de instructieregels in het Bkl als niet relevant aangemerkt voor de kernen vanwege het ontbreken van snel- en autowegen. Echter is ook in een situatie met een relatief minder slechte luchtkwaliteit alsnog gezondheidswinst te behalen. Ook drukke lokale wegen kunnen ter plekke leiden tot een hogere blootstelling aan bijvoorbeeld NO2 of roetdeeltjes. Voor specifieke planregels zie: paragraaf 4.5 van de Handreiking. Aansluiten bij het Schone Lucht Akkoord heeft als voordeel dat met andere gemeenten kennis en ervaring kan worden uitgewisseld over specifieke planregels. Daarnaast is het aan te bevelen om in de planvorming rekening te houden met de aangescherpte normen zoals deze in het voorstel van de Europese Commissie betreft de Richtlijn luchtkwaliteit zijn opgenomen. b. Geluid. De standaardwaarden voor wegverkeer in het Bkl zijn veelal aan de hoge kant en kunnen in de praktijk leiden tot hinder en gezondheidsrisico’s. Het is mogelijk om van de standaardwaarden af te wijken door gebiedsgerichte geluidsnormen op te nemen. Daarnaast kan bij nieuwbouw een ‘aangename zijde’ worden verplicht. Zie voor meer informatie par. 4.10.2 e.v. in de Handreiking. c. Houtstook.
Het voorstel in de Nota is om dit onder een zorgplicht te laten vallen en zo nodig een maatwerkvoorschrift toe te passen in het geval van overlast. Het valt te overwegen om houtstook als milieubelastende activiteit te benoemen zodat specifieke voorschriften kunnen worden gesteld voor het gebruik van kachels en open haarden. Ook kan ten behoeve van preventie aan de voorkant worden overwogen om bij nieuwbouw vast te leggen dat er standaard geen rookkanaal wordt aangelegd. Zie voor verdere suggesties par. 4.2.6 t/m 4.2.9 in de Handreiking. 50
Ook bij dit onderwerp biedt het ondertekenen van het Schone Lucht Akkoord laagdrempelig toegang tot voorbeelden van planregels bij andere gemeenten. d. Veehouderijen. Veehouderij in de nabijheid van gevoelige bestemmingen zoals woningen kunnen leiden tot gezondheidsrisico’s. Het gaat niet alleen om geur maar ook om risico’s die samenhangen met fijnstof, endotoxinen en de verhoogde kans op longontsteking binnen 2 kilometer van geiten houderijen. Het is aan te raden om minimale afstanden vast te leggen in het omgevingsplan. e. Bewegen. In de nota is ervoor gekozen om factoren die bewegen bevorderen te regelen in beleid en niet in regels. Volgens de opstellers zijn er geen relevante regels af te leiden uit het beleid ter zake. In de Handreiking staan echter wel wat suggesties, zie hiervoor par. 4.2. f.
Groen. In de Nota is ook voor dit thema gekozen om groen in de woonomgeving te regelen in beleid en niet in regels. Het is echter in principe wel mogelijk om regels vast te stellen. Zie hiervoor par. 4.3 in de Handreiking.
Reactie gemeente: De insteek van de Nota van Uitgangspunten en dus ook het eerste omgevingsplan (voor het deelgebied Kernen) is een beleidsneutrale ‘verhuizing’. Indien er beleid wordt gemaakt waarin doelstellingen worden geformuleerd waaraan een regeling in het omgevingsplan kan bijdragen, zal het omgevingsplan op dit onderdeel gewijzigd worden. Ad a. De (milieu)instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving vormen voor ons het uitgangspunt voor het omgevingsplan. Indien beleid wordt vastgesteld waarin (binnen de door het Bkl gestelde grenzen) gemeentelijke keuzes worden gemaakt (bijvoorbeeld strengere normen voor luchtkwaliteit) zal dit ook worden doorvertaald naar het omgevingsplan. Ad b. Zie reactie bij Ad a. Ad c. Indien er beleid op het gebied van houtstook wordt vastgesteld door de gemeente zal dit ook worden doorvertaald naar regels in het omgevingsplan. Tot dat moment kan er in individuele overlastgevende situaties worden opgetreden. Ad d. Voor geitenhouderijen is een tijdelijk verbod opgenomen in de provinciale omgevingsverordening alsmede een instructieregel op basis waarvan de provinciale regeling voor het tijdelijk verbod moet worden overgenomen in gemeentelijke omgevingsplannen. Indien er regels in het omgevingsplan worden opgenomen die zien op agrarische bedrijvigheid dan zal deze provinciale instructieregel moeten worden opgevolgd. Ad e.
De handreiking waar de GGD naar verwijst, betreft geen gemeentelijk beleid. Indien er door de gemeente beleid wordt vastgesteld waarin doelstellingen worden geformuleerd waaraan een regeling in het omgevingsplan kan bijdragen, zal het omgevingsplan op dit onderdeel gewijzigd worden. Ad f. Zie reactie bij Ad e.
5. Gasunie 51
De Gasunie geeft aan dat zij geen opmerkingen hebben. Wel wijzen zij op de Staalkaart Netbeheer Nederland “Elektriciteit en gas in het omgevingsplan”. Dit is een tool voor de inpassing van de energie-infrastructuur in het omgevingsplan.
6. Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) De ODA heeft verschillende opmerkingen gemaakt in hoofdstuk 4 van de nota ‘afwegingsruimte milieuregels’. a. De ODA geeft aan dat, in tegenstelling tot wat in de nota staat, de bruidsschat niet beleidsneutraal is ten opzichte van het ‘oude recht’. b. In paragraaf 4.1 (geluid) staat dat stemgeluid wordt uitgezonderd. De vraag wat er met 'stemgeluid' wordt gedaan, wordt verder niet beantwoord. c. In paragraaf 4.1 (geluid) onder ‘piekgeluid’ staat dat voor de hoogte van de normering voor het piekniveau aangesloten wordt bij het Bkl. De ODA stelt voor om toe te voegen dat er wordt aangesloten bij het piekniveau van de avond- en nachtperiode. d. In paragraaf 4.3 (geur) geeft de ODA aan dat ’rekening houden met de cumulatie van geur’ bij vergunningverlening niet meer noodzakelijk is. Geadviseerd wordt om dit te verduidelijken. e. In paragraaf 4.3 (geur) onder ‘bebouwingscontour geur’ wijst de ODA erop dat uit het overgangsrecht blijkt dat de bebouwingscontour geur niet voor 2032 hoeft te worden vastgesteld (art. 12.14 Bkl). f.
In paragraaf 4.5 (externe veiligheid) onder ‘beperkt kwetsbare gebouwen en locaties’ staat het volgende: de instructieregels van het Bkl voor (beperkt) kwetsbare gebouwen zijn inhoudelijk vergelijkbaar met die in het huidige recht (Besluit externe veiligheid inrichtingen). De ODA vraagt wat hiermee wordt bedoeld. De ODA stelt voor om op te nemen: "Voor zeer kwetsbare gebouwen gelden aanvullende instructieregels". In het eerste geval is het logischer om deze passage te verplaatsen naar plaatsgebonden risico. Het tweede geval moet duidelijker worden benoemd dat het om de definitie gaat of misschien helemaal weglaten.
g. In paragraaf 4.5 (externe veiligheid) onder ‘groepsrisico’ staat dat het de verwachting is dat eind 2024 de zeer kwetsbare gebouwen in beeld zijn gebracht. De ODA geeft aan dat zodra deze in beeld zijn gebracht, er gekeken moet worden in hoeverre deze gebouwen liggen in een aandachtsgebied. Voor bestaande gebouwen geldt namelijk dat er geen voorschriftengebieden hoeven worden aangewezen. h. In paragraaf 4.5 (externe veiligheid) onder ‘groepsrisico’ staat het voorstel om voor nieuwe (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties binnen aandachtsgebieden een vergunningplicht in het nieuwe omgevingsplan Kernen op te nemen. De ODA vraagt wat het toetsingskader wordt. i.
In paragraaf 4.5 (externe veiligheid) onder ‘toelaten en uitbreiden risicobronnen’ is het voorstel opgenomen om in het omgevingsplan geen nieuwe risicobronnen toe te staan. De ODA geeft aan dat de gemeente zich hierdoor klem zet in het kader van energietransitie. In 2025 komt bijv. EOS in het Bal. Dit heeft mogelijk gevolgen voor de realisatie van buurtbatterijen. Wijziging van bestaande risicobronnen is ook uitgesloten. Dit wil je mogelijk
52
wel, bijvoorbeeld bij het omzetten van een benzine-/lpg-station naar een waterstoftankstation. j.
In paragraaf 4.6 (luchtkwaliteit) adviseert de ODA om voor houtstook een verwijzing op te nemen naar de methodiek van StAB.
k. Tot slot merkt de ODA op dat in het document vaak wordt verwezen naar 'oud' en 'huidig' recht. Het advies is te verwijzen naar specifieke wetsartikelen, zoals Abm en Omgevingswet.
Reactie gemeente: Ad a. Een geheel beleidsneutrale Bruidsschat is inderdaad niet mogelijk. De wetgeving is immers gewijzigd. De strekking is echter wel beleidsneutraal. Ad b. Hier geldt hetzelfde als onder het ‘oude recht’. Stemgeluid zal moeten worden betrokken bij besluitvorming over nieuwe ontwikkelingen. Het omgevingsplan voor het deelgebied Kernen maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Als dit aan de orde is, heeft de ODA (net als voorheen) een adviserende rol. Ad c. De voorgestelde verduidelijking wordt overgenomen. Ad d. De Nota van Uitgangspunten richt zich op het omgevingsplan en niet op de milieubelastende activiteit. Ad e. Dit is informatie en geen opmerking op de Nota van Uitgangspunten. Ad f. De betreffende zin is verwijderd. Ad g. Als de aandachtsgebieden bekend zijn, zal inderdaad gekeken moeten worden in hoeverre de bestemmingsplannen binnen die aandachtsgebieden zeer kwetsbare gebouwen toestaan. Als dit het geval is, moeten voorschriftgebieden worden aangewezen in het omgevingsplan. Binnen een voorschriftgebied gelden (voor nieuwbouw) de bouwkundige eisen van paragraaf 4.2.14 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Ad h.
In de Nota staat het volgende: “Een nieuwe (beperkt) kwetsbaar gebouw of locatie is dan pas mogelijk nadat het college van B&W een vergunning heeft verleend en daarbij, na advies te hebben ingewonnen van de veiligheidsregio, een beoordeling heeft uitgevoerd van: a. de mogelijkheden van risicocommunicatie; b. of er voldoende bluswater voorhanden is; c. of er opstelplaatsen voor brandweervoertuigen zijn; d. of het betreffende gebouw of de betreffende locatie voldoende bereikbaar is voor de hulpdiensten. e. of er verbetering mogelijk is in de alarmering of de vluchtroutes.”
53
Ad i. Nieuwe risicobronnen zijn niet uitgesloten, het omgevingsplan gaat alleen geen binnenplanse mogelijkheid bevatten om ze mogelijk te maken. Op het moment dat duidelijk is dat voor bepaalde type risicobronnen dit onder bepaalde voorwaarden wel wenselijk mis, zal het omgevingsplan op dit punt worden aangepast. Ad j. Deze verwijzing gaan we opnemen. Ad k. De verwijzingen naar ‘huidig recht’ zullen vervangen worden door verwijzingen naar ‘oud recht’. Het noemen van artikelen van het oude recht zien wij niet als meerwaarde voor de Nota van Uitgangspunten.