CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Buitengebied, locatie Huis Landfort_vastgesteld_Toelichting.pdf

Raadsvergadering 23 november 2023, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 6: Bestemmingsplan ‘Buitengebied, locatie Huis Landfort’18.343 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Voor het beoogd gebruik is het niet nodig om de bodemkwaliteit te bepalen. Het is de verwachting dat de bodemkwaliteit geen significante verandering ondergaat door het beoogd gebruik. In het geval van calamiteiten, bijvoorbeeld door uitlekken van vloeistoffen door voertuigen, zal de terreinbeheerder hier maatregelen moeten treffen om enige vorm van milieubelasting tegen te gaan. Conclusie Het aspect bodem staat de uitvoering van het plan niet in de weg. Het uitvoeren van 40

Buitengebied, locatie Huis Landfort

een nader verkennend bodemonderzoek is niet noodzakelijk. 4.2

Archeologie en cultuurhistorie

Op 5 maart 2015 heeft de gemeenteraad de archeologische waardenkaart, cultuurhistorische waardenkaart en de erfgoedverordening vastgesteld. Voor de gemeente is het belangrijk om in ruimtelijke plannen archeologische en cultuurhistorische waarden structureel te gaan meewegen. Daarvoor is een inventarisatie voor het gehele grondgebied van de gemeente uitgevoerd. Er is gekeken waar al archeologische waarden bekend zijn en er is gekeken of er op andere plekken archeologische resten te verwachten zijn. Al deze gegevens (uit eerdere onderzoeken, literatuurstudie en kennis van de geologie en geomorfologie) zijn samengevoegd en verwerkt tot een archeologische waarden- en verwachtingenkaart en een daarop gebaseerde archeologische maatregelenkaart. Archeologie Bij ruimtelijke plannen en projecten die archeologische resten in de bodem kunnen aantasten, moet rekening worden gehouden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze (naar verwachting) in 2023 in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie.

Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. In de Erfgoedwet zijn archeologische resten beschermd. Wanneer de bodem wordt verstoord moeten archeologische resten intact blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld. Toetsing De werkzaamheden zullen plaatsvinden binnen de dubbelbestemmingen "Waarde archeologie 2" en "Waarde - archeologie 3". Er geldt voor een archeologisch Toelichting

41

onderzoek een ondergrens van 5.000 m² en dieper dan 30 centimeter vanaf het maaiveld binnen de gebieden met verwachtingswaarde 3. Voor de gronden met verwachtingswaarde 2 geldt een ondergrens van 1.000 m² en 30 centimeter. De archeologische dubbelbestemmingen zijn rechtstreeks ontleend aan de archeologische waardenkaart van de gemeente. De verwachting varieert van middelhoog tot laag. De lage verwachtingswaarde ligt aan de westzijde van het terrein over circa 2/3 van het gebied. De middelhoge verwachtingswaarde ligt aan oostzijde op het overige gedeelte. Zie ook de onderstaande uitsnede van de verbeelding waarop de archeologische dubbelbestemmingen zijn aangegeven.

Figuur 4.1 uitsnede verbeelding parkeervoorziening De grondwerkzaamheden zullen hoofdzakelijk bestaan uit het aanleggen van (half)verharding. Deze werkzaamheden zullen niet dieper zijn dan 30 centimeter. Op enkele punten (aanleg hekwerken en beplanting) zullen er wel grondbewerkingen zijn op meer dan 30 centimeter diepte, maar dit zal de ondergrens qua oppervlakte niet overschrijden. Omdat het terrein lager gelegen is dan de weg en bijbehorende berm zal het parkeerterrein enkele centimeters worden opgehoogd. Voor ophoging met meer dan 1 meter geldt een vergunningsplicht. Deze hoogte wordt niet overschreden. 42

Buitengebied, locatie Huis Landfort

Rondom het landhuis zijn geen ontwikkelingen of werkzaamheden in de bodem verwacht vanwege het conserverende karakter van dit onderdeel van het bestemmingsplan. Aangezien de werkzaamheden voor de aanleg van de parkeerplaats de onder vrijstellingsgrenzen niet overschrijden, is verder geen archeologisch onderzoek vereist. Er worden geen archeologische waarden aangetast met de realisatie van dit plan. Bij het uitvoeren van grondwerkzaamheden geldt de wettelijke meldingsplicht bij toevalsvondsten (Erfgoedwet, art. 5.10). In de omgevingsvergunning voor het aanleggen van de parkeervoorziening zal deze meldingsplicht worden opgenomen. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De historische buitenplaats Huis Landfort is van cultuurhistorische waarde. De buitenplaats is aangewezen als rijksmonumentencomplex (512219), bestaande uit het in oorsprong 17e eeuwse hoofdgebouw, de 18e en 19e eeuwse historische tuinen parkaanleg, de massieve kettingbrug als toegangsbrug uit 1903, een in oorsprong 19e eeuwse bakstenen duiventoren (ca. 1825) naar ontwerp van J.T.

Ubbing, een laat 19e eeuwse of vroeg 20ste eeuwse bakstenen tuinmuur met kas en veranda en een ijzeren brug uit 1872 over de singel. In het bestemmingsplan Buitengebied Oude IJsselstreek 2017 heeft de historische buitenplaats om die reden dan ook de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie'. Het voorliggende bestemmingsplan is overwegend conserverend van aard. De voornaamste ontwikkeling, die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, is de realisatie van de parkeervoorziening. De parkeervoorziening wordt aangelegd buiten de gronden die de genoemde dubbelbestemming hebben. Deze gronden zijn in de huidige situatie in gebruik als wei- annex bouwland. Door de parkeervoorziening landschappelijk zorgvuldig in te passen en een groene uitstraling te geven door middel van het toepassen van onder andere inheems bosplantsoen en hagen, voegt deze zich op een natuurlijke wijze in het landschap. De cultuurhistorische waarde van de buitenplaats wordt daardoor niet aangetast. Toelichting

43

Conclusie Bij de aanleg van de parkeervoorziening worden de oppervlakteondergrenzen overschreden. Echter zal de ondergrens qua verstoringsdiepte niet of slechts op enkele plekken worden overschreden. Op basis van het planvoornemen is het uitvoeren van nader archeologisch onderzoek dan ook niet noodzakelijk. Verder is vastgesteld dat het plan de cultuurhistorische waarden van de buitenplaats niet zal aantasten. 4.3

Flora en fauna

De twee Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (1979) en Habitatrichtlijn (1992) vormen samen de belangrijkste natuurbeschermingswetgeving op Europees niveau. De Vogelrichtlijn heeft tot doel in het wild levende vogelsoorten op het grondgebied van de EU te beschermen. De Habitatrichtlijn waarborgt de biologische diversiteit door het in stand houden van natuurlijke leefgebieden en de wilde flora en fauna. Beide richtlijnen verplichten de lidstaten tot het aanwijzen van te beschermen gebieden, zogeheten speciale beschermingszones. Het netwerk van speciale beschermingszones die op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn aangewezen wordt over het algemeen als Natura 2000 aangeduid. Rijksregels over natuurbescherming staan in de Wet natuurbescherming (verder: Wnb). De wet kent een algemene zorgplicht voor iedereen in Nederland ten aanzien van Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en in het wild levende dieren en planten. De Wnb geeft de provincies de opdracht om gebieden aan te wijzen die behoren tot het 'natuurnetwerk Nederland', een samenhangend landelijk ecologisch netwerk. Andere gebieden kunnen de provincies aanwijzen als bijzondere provinciale natuurgebieden dan wel bijzondere provinciale landschappen.

De Wnb bevat -voor zover voor bestemmingsplannen relevant- regels voor de bescherming van gebieden, voor de bescherming van soorten en over houtopstanden. Ruimtelijke plannen dienen getoetst te worden aan bovenstaande regelgeving. Toetsing Gebiedsbescherming In de omgeving van de locatie Landfortseweg 4 bevinden zich meerdere Natura 2000-gebieden waar sprake is van een te hoge belasting met stikstof. Het meest 44

Buitengebied, locatie Huis Landfort

dichtbijgelegen gebied is het Duitse gebied NSG Hetter-Millinger Bruch, mit Erweiterung, op een afstand van circa 2 kilometer van de planlocatie. Zie ook figuur 4.2.

Figuur 4.2 afstand tussen de planlocatie en dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden Stikstofberekening Gebruiksfase Het aantal verkeersbewegingen neemt in de aangevraagde situatie slechts beperkt toe. De ontwikkeling vindt bovendien plaats op een afstand van meer dan 15 kilometer van de Nederlandse Natura 2000-gebieden. De toename aan stikstofdepositie is in dit geval op basis van ervaringscijfers als verwaarloosbaar klein te beschouwen. Uit de bijgevoegde AERIUS-berekening (zie bijlage 7) blijkt inderdaad dat het verkeer geen nadelige gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden in Nederland aangezien de berekende depositie 0,00 mol/ ha / jaar bedraagt. Vanwege de aanzienlijke afstand tot de Nederlandse Natura 2000-gebieden zijn andere effecten dan stikstof niet te verwachten. Het enige andere mogelijke effect op grotere afstand van een Natura 2000-gebied hangt samen met (grootschalige) grondwateronttrekking of andere hydrologische maatregelen. Daarvan is in dit geval geen sprake. Het is in dit geval bij voorbaat duidelijk dat de aangevraagde situatie niet leidt tot negatieve gevolgen voor de Nederlandse Natura 2000-gebieden. Een passende beoordeling is daarom niet nodig. Aanlegfase Toelichting

45

Op 2 november 2022 is er door de Raad van State een streep gehaald door de vrijstelling voor bouw- sloop en eenmalige aanlegactiviteiten. Het gevolg is dat ook berekent moet worden wat de stikstofdepositie op de relevante Natura 2000-gebieden in de aanlegfase is. Om op de juiste wijze de stikstofdepositie van de aanlegfase te bepalen, is in kaart gebracht welk bouwmaterieel en transportbewegingen noodzakelijk zijn. Het overzicht van het bouwmaterieel en de transportbewegingen over de openbare weg is toegevoegd als bijlage 8. De AERIUS-berekening van de aanlegfase is bijgevoegd als bijlage 9. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat ook het transport en de inzet van materiaal in de aanlegfase van de parkeervoorziening geen nadelige gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden in Nederland aangezien de berekende depositie 0,00 mol per hectare per jaar bedraagt. Duitse Natura 2000-gebieden De beoordeling van stikstofdepositie op Duitse Natura 2000-gebieden vindt plaats volgens de Duitse beoordelingsmethode. Volgens die methode beperkt het onderzoek zich tot projecten waarvan de stikstofdepositie meer dan 7,14 mol per hectare per jaar bedraagt. In zowel de AERIUS-berekening van de gebruiksfase als die van de aanlegfase zijn rekenpunten ingevoerd op de Duitse Natura 2000-gebieden en enkele beekjes.

In de berekeningen van de gebruiksfase is een hoogste depositie berekend van 0,04 mol per hectare per jaar op het beekje. In de gebruiksfase wordt geen depositie berekend op het meest nabijgelegen Duitse Natura 2000-gebied. Zie hiervoor de bijlage 7. In de berekeningen van de aanlegfase is een hoogste depositie berekend van 0,01 mol per hectare per jaar op de grens van het meest nabijgelegen Duitse Natura 2000-gebied (te weten gebied NSG Hetter-Millinger Bruch, mit Erweiterung). De hoogste depositie op het beekje bedraagt 0,05 mol per hectare per jaar. Deze waarden liggen beneden de 7,14 mol per hectare per jaar. Zie ook de als bijlage 9 toegevoegde AERIUS-berekening. De stikstofdepositie als gevolg van de ontwikkeling voldoet hiermee aan het Duitse beleid. Een nadere toetsing van de stikstofdepositie aan de kritische depositiewaarde is daarom niet nodig. Quickscan Wet natuurbescherming

46

Buitengebied, locatie Huis Landfort

In verband met de realisatie van de parkeervoorziening is een flora en fauna onderzoek uitgevoerd. Deze quickscan heeft als doel in te schatten of er in het plangebied planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden van de voorgenomen ontwikkeling en ingrepen. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ontwikkeling en ingrepen invloed kunnen hebben op Natura 2000-gebieden en houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het veldonderzoek en de effectbeoordeling zijn uitgevoerd door een erkend en deskundig senior ecoloog. Onderstaand zijn de bevindingen van de ecoloog samengevat. Het volledige rapport is als bijlage 10 aan dit bestemmingsplan toegevoegd. Habitatrichtlijnsoorten Planten Vanwege de ligging en de kenmerken van het gebied zijn er geen geschikte omstandigheden voor planten van de Habitatrichtlijn aanwezig. Vleermuizen Verblijfplaatsen Geschikte verblijfpaatsen ontbreken in het plangebied vanwege de afwezigheid gebouwen en het ontbreken van bomen met holtes, (spechten)gaten, spleten, scheuren, loshangende schors en dergelijke.

Essentiële vliegroutes Vanwege de ruimtelijke indeling van het plangebied en de omliggende bosranden en bosstrookje is er geen aanleiding te veronderstellen dat deze in gebruik zijn als essentiële vliegroute. Bovendien blijven alle bomen gespaard. Essentieel foerageergebied Binnen het plangebied ontbreekt belangrijk onmisbaar foerageergebied. Mogelijk dat de bosranden langs het plangebied in gebruik zijn als foerageerplek. Deze plekken blijven echter in stand bij de voorziene ontwikkeling van het landbouwperceel tot parkeervoorziening. Ook zijn in de directe omgeving meerdere andere geschikte foerageerplekken aanwezig. Toelichting

47

Grondgebonden zoogdieren De aanwezigheid van beschermde grondgebonden zoogdieren van de Habitatrichtlijn kan op voorhand worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren die vanuit de Habitatrichtlijn zijn beschermd (bever, hamster, hazelmuis, lynx, otter en wolf) komen niet in het plangebied en omgeving voor en er zijn hier ook geen geschikte leefgebieden voor deze soorten aanwezig. Amfibieën en reptielen Er zijn uit het plangebied en directe omgeving geen waarnemingen bekend van amfibieën (boomkikker, geelbuikvuurpad, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, rugstreeppad en vroedmeesterpad) van de Habitatrichtlijn en zijn ook niet te verwachten. Ook zijn uit het plangebied en wijde omgeving geen waarnemingen bekend van reptielen (gladde slang, muurhagedis en zandhagedis) van de Habitatrichtlijn en deze zijn ook niet te verwachten. Vissen De aanwezigheid van vissen van de Habitatrichtlijn (houting en steur) kan op voorhand worden uitgesloten. Geschikt leefgebied in de vorm van (grote) rivieren ontbreekt. Dagvlinders, libellen en andere ongewervelden De aanwezigheid van dagvlinders, libellen en andere ongewervelden die zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn zijn niet te verwachten.

Vogelrichtlijnsoorten Van de 16 vogelsoorten met vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen (jaarrond beschermde nesten), categorie 1 t/m 4, zijn van 9 soorten waarnemingen bekend uit de ruime omgeving van het plangebied, te weten: buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, ooievaar, roek, sperwer en steenuil. Voor gierzwaluw, grote gele kwikstaart, huismus en ooievaar ontbreken geschikte elementen in het plangebied en directe omgeving om als nestplaats te kunnen functioneren. Tijdens het veldbezoek is specifiek gezocht naar jaarrond beschermde nesten van buizerd, havik, roek, sperwer en steenuil in bomen direct grenzend aan het landbouwperceel, maar deze zijn niet aangetroffen.

48

Buitengebied, locatie Huis Landfort

Jaarrond beschermde vogelnesten en/of in gebruik zijnde vaste rustplaatsen zijn niet aanwezig in het plangebied. Nationaal beschermde soorten Planten Er zijn geen groeiplaatsen bekend in het plangebied en de directe omgeving van nationaal beschermde plantensoorten van de Wet natuurbescherming (‘Andere soorten’). Grondgebonden zoogdieren Er zijn uit de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend van een aantal grondgebonden zoogdieren van de lijst met Nationaal beschermde soorten (‘Andere soorten’, artikel 3.10), te weten: boommarter, bunzing, das, eekhoorn, grote bosmuis, haas, konijn, ree en steenmarter. Voor een groot deel van deze soorten vormt het plangebied geen geschikt leefgebied en voor enkele andere van deze soorten heeft Provincie Gelderland een vrijstelling verleend voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud. De ecoloog heeft tijdens het veldbezoek extra aandacht geschonken aan het bosstrookje noordelijk van het te ontwikkelen landbouwperceel en de omliggende greppels, greppelranden en slootoever. Niet-vrijgestelde soorten zijn niet aangetroffen. Reptielen en amfibieën Van de nationaal beschermde reptielen (adder, hazelworm en levendbarende hagedis) zijn geen waarnemingen bekend van het plangebied en wijde omgeving. Deze soorten stellen zeer specifieke eisen aan de kwaliteit van hun leefgebied.

Vanwege de ligging en kenmerken van het plangebied worden reptielen niet verwacht. Vissen De aanwezigheid van nationaal beschermde vissen (beekdonderpad, beekprik, elrits, gestippelde alver, grote modderkruiper en kwabaal) kan worden uitgesloten. Er zijn geen waterelementen in het plangebied zelf aanwezig. Dagvlinders, libellen en andere ongewervelden Vanwege de kenmerken van het plangebied (landbouwperceel met Italiaans raaigras Toelichting

49

als groenbemester) kunnen beschermde dagvlinders, libellen en andere ongewervelden worden uitgesloten. Mogelijk dat de bosranden grenzend aan het plangebied gebruikt worden als leefgebied, maar deze blijven bij de voorziene ontwikkeling tot parkeervoorziening intact en voldoende functioneel. Uit het onderzoeksrapport is gebleken dat er geen nader onderzoek noodzakelijk is voor de aanwezige flora en fauna in het gebied. Wél Wel kunnen meer of minder algemene broedvogels de begroeiingen in of aan de randen van het plangebied gebruiken als nestgelegenheid. De werkzaamheden kunnen daarom het best buiten het broedseizoen worden uitgevoerd. In het kader van de zorgplicht is het bovendien noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel aanwezige zoogdieren, reptielen en amfibieën. Mochten deze toch worden aangetroffen tijdens de (aanleg) werkzaamheden, dan zal al het redelijkerwijs mogelijke gedaan moeten worden om het doden of verwonden van individuen te voorkomen. Conclusie Uit de uitgevoerde AERIUS-berekeningen kan worden vastgesteld dat het planvoornemen geen significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen in de Natura 2000-gebieden. Ook overige effecten anders dan stikstof zijn niet te verwachten. Verder is door middel van de ecologische quickscan vastgesteld dat beschermde flora en fauna door de ontwikkeling niet in het geding is. 4.4

Geluid

Voor de beoordeling van het onderdeel geluid moet in algemene zin aan de volgende punten worden voldaan: de normen uit de Wet geluidhinder (Wgh) worden in acht genomen; bedrijven in de omgeving worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd; op en rond het plangebied blijft sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; het geluidbeleid wordt in acht genomen. Dit is niet van toepassing voor Oude IJsselstreek. Bij het opstellen van ruimtelijke plannen binnen een geluidzone waarbij geluidgevoelige bestemmingen (zoals woningen) zijn betrokken is de Wgh van toepassing. De Wgh kent drie geluidbronnen waarvoor geluidzones gelden: railverkeerslawaai; wegverkeerslawaai: 50

Buitengebied, locatie Huis Landfort

industrielawaai. Wanneer een ontwikkeling in een zone valt zoals aangegeven in de Wgh, zal akoestisch moeten worden aangetoond dat aan de grenswaarden in deze wet wordt voldaan. Kan niet worden voldaan aan deze grenswaarden, dan bestaat onder voorwaarden de mogelijkheid hogere grenswaarden vast te stellen. Toetsing Het plangebied is niet gelegen in een akoestisch aandachtsgebied; er is geen sprake van de toevoeging van geluidszones. Om die reden hoeft geen akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen inrichtingen als bedoeld in de Wet milieubeheer. Het voorgenomen plan voorziet ook niet in een toevoeging van een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer. Van aantasting van het woon- en leefklimaat rondom het plangebied is ook geen sprake. De meest dichtbij gelegen woningen liggen op ruim 200 meter (ten westen) en 300 meter (ten zuiden) van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten is deze afstand meer dan voldoende om een instandhouding van het woon- en leefklimaat te garanderen. De aan- en afrijroutes die worden gebruikt zijn de Landfortseweg en Hogestraat. Er valt een kleine toename te verwachten van verkeer. 's Avonds zijn er zelden bijeenkomsten (minder dan 6 keer per jaar). Als er een bijeenkomst is, dan zijn dat kleine groepen (30-40 personen max).

Die parkeren dan niet op de nieuwe parkeerplaats, maar rijden door tot aan koetshuis en parkeren daar. Reden hiervan is dat de oprijlaan naar het koetshuis niet verlicht is. Door naast het koetshuis te parkeren hoeven de bezoekers niet over een onverlichte laan te lopen. Ook in de avonduren kan in principe worden geparkeerd op de nieuwe parkeerplaats. Maar aangezien wandelaars 's avonds het park niet in mogen (het park is 's avonds gesloten) en er in het koetshuis alleen ruimte is voor kleine groepen, zal de parkeerplaats 's avonds niet of nauwelijks gebruikt worden. Gelet op het voorgaande wordt voor het berekenen van de indirecte hinder vanwege de verkeersaantrekkende werking van het parkeerterrein uitgegaan van: Dagperiode: 280 passages personenauto's en 4 passages bussen Avondperiode: 70 passages personenauto's en 2 passages bussen Nachtperiode: geen relevante passages voertuigen. Uitgaande van deze gegevens wordt voldaan aan de voorkeurswaarde van 50 dB(A) Toelichting

51

op de gevel van de maatgevende woning Landfortseweg 3. Ook wordt, gelet op de afstand tot woningen, voldaan aan de beoordelingsniveaus van het Activiteitenbesluit. De kleine toename van verkeer valt binnen de grenzen van wat redelijkerwijs te verwachten valt op dit type weg. De verwachte geluidsbelasting van deze wegen ligt tussen de 51 en 60 dB (bron: atlasleefomgeving.nl), de voorgenomen ontwikkeling zal hier geen wijziging in aanbrengen. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief. 4.5

Luchtkwaliteit

Op 15 november 2007 is de zogeheten 'Wet luchtkwaliteit' in werking getreden. Met de 'Wet luchtkwaliteit' wordt de wijziging van de Wet milieubeheer op het gebied van luchtkwaliteitseisen bedoeld. De 'Wet luchtkwaliteit' vervangt het 'Besluit luchtkwaliteit 2005'. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (hierna: het NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate bijdragen' (hierna: NIBM) aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor een ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging, en een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In het Besluit NIBM en de ministeriële regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels 52

Buitengebied, locatie Huis Landfort

vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Als een project 'niet in betekenende mate' (nibm) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, dan is geen toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit nodig. De nibm-bijdrage komt overeen met 3% van de norm voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof of stikstofdioxide. Dit komt neer op 1,2 µg/m³. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantooren woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Het betreft de volgende categorieën: kantoorlocaties groter dan 33.333 m² bruto vloeroppervlak bij één ontsluitingsweg; kantoorlocaties groter dan 66.667 m² bruto vloeroppervlak met twee ontsluitingswegen; woningbouwlocaties met meer dan 500 woningen met één ontsluitingsweg, en woningbouwlocaties met meer dan 1.000 woningen met twee ontsluitingswegen. Voor projecten die combinaties hiervan vormen geldt een speciale formule (zie bijlage 3b van de Regeling NIBM). Projecten die gebruik maken van dezelfde ontsluitingsstructuur dienen bij elkaar te worden opgeteld.

Toetsing Voorliggend plan voorziet in de aanleg van een parkeerterrein met een maximale capaciteit van 140 parkeerplekken en het herbestemmen van het bestaande landhuis met koetshuis met haar functies. Binnen en rondom dit plangebied is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Om inzicht te krijgen in de effecten van de extra verkeersbewegingen is een berekening uitgevoerd met behulp van de NIBM-tool. Het Besluit nibm is niet zondermeer toepasbaar, omdat de ruimtelijke procedure voorziet in de realisatie van een parkeerplaats. Bij dit soort ontwikkelingen is bekend dat de verkeersaantrekkende werking groot is en het aspect stikstofdioxide (NO2) problematisch kan zijn. De resultaten van de berekening zijn weergegeven in figuur 4.3. In de berekening is uitgegaan van gemiddeld 140 voertuigbewegingen heen en 140 terug zonder vrachtverkeer. Uit de berekening met de NIBM-tool blijkt dat deze toename aan Toelichting

53

verkeersbewegingen niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De berekening laat zien dat de bijdrage aan de luchtverontreiniging minder bedraagt dan 1,2 µg/m3.

Figuur 4.3 Berekening NIBM-tool Omdat het planvoornemen ‘niet in betekenende mate’ (nibm) bijdraagt aan de luchtverontreiniging is toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit niet nodig. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. 4.6

Bedrijven & Milieuzonering

Milieuaspecten worden geregeld via de daartoe geëigende wetgeving, maar daar waar het de ruimtelijke ordening raakt, dient met deze aspecten rekening te worden gehouden. Het gaat dan om de situering van milieugevoelige objecten ten opzichte van milieuhinderlijke elementen. Van belang is dat de omgevingskwaliteit passend is voor de nieuwe bestemmingen. Andersom geldt dat met de nieuwe bestemmingen de aanwezige bedrijven en functies niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering en ontwikkeling. De toelaatbaarheid van bedrijvigheid kan globaal worden beoordeeld met behulp van de methodiek van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Deze publicatie biedt een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau en geeft informatie over de milieukenmerken van verschillende typen bedrijven. Op basis van de milieukenmerken van de verschillende typen bedrijven en inrichtingen wordt een indicatie van de afstanden 54

Buitengebied, locatie Huis Landfort

gegeven, die als gevolg van deze kenmerken moeten worden aangehouden tussen de diverse typen bedrijven en een rustige woonwijk. Deze afstanden hebben uitdrukkelijk niet het karakter van een norm of een richtlijn. Bij het bepalen van de richtafstanden wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten: het betreft gemiddeld moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; de richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstypen "rustige woonwijk" en "rustig buitengebied". Er kan ook sprake zijn van een gemengd gebied. In dergelijke gebieden is sprake van een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en bedrijven. Bij dit omgevingstype is het volgens de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering toegestaan om de richtafstanden met één afstandsstap naar beneden bij te stellen. Een richtafstand van 50 meter is op die manier bijvoorbeeld te verlagen naar 30 meter.

In gevallen waarbij het onderdeel gevaar de richtafstand bepaalt, mag dit niet zomaar zonder verdere onderbouwing; de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten; bij activiteiten met ruimtelijk duidelijk te onderscheiden deelactiviteiten kunnen deze activiteiten desgewenst als afzonderlijk te zoneren activiteiten worden beschouwd, bijvoorbeeld bij de ligging van de activiteit binnen zones met een verschillende milieucategorie. Toetsing In deze situatie is sprake van een rustig buitengebied. Het gaat hier over een aanvraag voor parkeerplaatsen. Voor de aangevraagde activiteiten geldt een maximale richtafstand van 30 meter (zie onderstaande tabel). De omschrijvingen komen uit bijlage 1 van de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering. Ze sluiten zo goed mogelijk aan bij de aangevraagde bedrijfsactiviteiten. Hierbij geldt de richtafstand tussen de grens van de bedrijfsbestemming en de gevel van de woning.

Met de aanleg van de parkeervoorziening wordt er een functie gerealiseerd die voor Toelichting

55

mogelijke milieuhinder kan zorgen. Voor een dergelijke functie gelden de richtafstanden, zoals weergegeven in de tabel hierboven. De meest nabijgelegen woning ligt op ten minste 160 meter afstand van de te realiseren parkeerplaatsen. Er wordt voldaan aan de richtafstand van 30 meter. Ter plaatse van de nabijgelegen woningen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omdat de parkeervoorziening geen gevoelige functie betreft, is het uitgesloten dat bedrijven in de omgeving door deze nieuwe functie worden belemmerd in de bedrijfsvoering. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt dus geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voorliggend plan. 4.7

Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) gehanteerd.

Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van 56

Buitengebied, locatie Huis Landfort

een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Bevi en Revi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Circulaire effectafstanden LPG-tankstations In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. In beginsel zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 60 meter en geen zeer kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 160 meter toegestaan. Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk.

Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt en basisnet), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb en Revb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. Toetsing In voorliggend plan wordt een parkeerplaats aangelegd en het landhuis herbestemd met een gelijkblijvend gebruik. De parkeerplaats is geen kwetsbaar object volgens Toelichting

57

artikel 1 van het Bevi. Er hoeft dus niet getoetst te worden of risicobronnen in de buurt van invloed zijn op het plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR). Voor de volledigheid is dit toch toegevoegd bij dit bestemmingsplan. Aan de hand van de risicokaart (zie figuur 4.4) is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van meer dan 3 km van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen. Andersom voorziet voorliggend plan niet in de toevoeging van een nieuw risicovol object, er wordt dus ook geen risicocontour toegevoegd.

Figuur 4.4 Uitsnede risicokaart met in het rood de locatie van het plangebied (Bron: Risicokaart.nl) Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voorliggend plan.

58

Buitengebied, locatie Huis Landfort

4.8

Water

Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de Watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten. Bij de toetsingsprocedure gaat het om het hele proces van vroegtijdig meedenken, informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 Het Waterschap Rijn en IJssel (WRIJ) heeft op 13 januari 2022 het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. Aanleiding Het waterbeheerprogramma (WBP) is een belangrijk instrument, waarmee WRIJ aangeeft welke beleidsdoelen het nastreeft, welke inspanningen het pleegt om dat beleid te realiseren en welke financiële middelen daarmee gemoeid zijn. De sturende werking ervan wordt mede bepaald door de mate waarin doelen en maatregelen geconcretiseerd worden. Voor het overgrote deel zijn de langetermijndoelen voor de beleidsthema’s al vastgesteld; het WBP geeft aan hoe WRIJ in de planperiode met deze doelen aan de gang gaat en waar WRIJ in 2027 denkt te staan. Gedurende de looptijd van het WBP kan/zal tussentijds bepaald worden of er aanleiding is het WBP te actualiseren; dit is aan de orde als koers of de kaders significant wijzigen.

Water en mens in hun element Vanuit het leidend principe ‘Water en mens in hun element’ draagt WRIJ bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht en is continu in beweging. Dat doet WRIJ door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en stevige dijken. De beleidsdoelen worden in samenwerking met netwerkpartners opgesteld (open planvorming) en gebiedsgericht vertaald naar haalbare wateropgaven en programmaopdrachten (gebiedsprocessen). De programmaopdrachten worden in samenwerking met de betrokkenen in het gebied doorgezet naar uitvoering (co-creatie). Toelichting

59

Wateropgaven De wereld om ons heen is blijvend in verandering en die veranderingen lijken ook steeds sneller te gaan. Toenemende risico’s met betrekking tot droogte en wateroverlast, een groeiende vraag naar woningen, de natuur- en milieuopgaven zoals stikstofdepositie. WRIJ ziet dat de samenhang van de wateropgaven met andere opgaven in het gebied vragen om nauwe samenwerking met de partners (zoals gemeenten en provincies), inwoners en bedrijven. Het betreft het samenwerken aan wateropgaven die WRIJ nu in beeld heeft en wateropgaven die de komende periode nog worden uitgewerkt. Hoe WRIJ dat de komende zes jaar wil gaan doen samen met de omgeving, dat wordt beschreven in dit WBP. Kerntaken De kerntaken van WRIJ zijn: het peilbeheer van grond- en oppervlaktewater; het onderhouden en beheren van de waterkeringen en watergangen; het transporteren en zuiveren van afvalwater; het verbeteren van de waterkwaliteit; de vergunningverlening, toezicht en handhaving.

Klimaatrobuust gebied De ambitie is om richting 2050 wendbaar invulling te geven aan het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem. Dit doet WRIJ in combinatie met aanpassingen in gebruik en inrichting van de omgeving, zodat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. Veilig gebied De bescherming tegen hoog water is een randvoorwaarde om veilig te kunnen wonen en werken in het gebied. WRIJ zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst, door dagelijks beheer van keringen en door continu inzicht in de keringen. WRIJ voert het beheer op een duurzame wijze uit en werkt aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. De ambitie is dat in 2050 de keringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar wordt ingespeeld op ontwikkelingen. Daarnaast heeft WRIJ een sterke adviesrol in de 60

Buitengebied, locatie Huis Landfort

ruimtelijke ordening en is het een sterke partner in de calamiteitenbestrijding. Circulaire Economie en Energietransitie WRIJ wil in het uitvoeren van de primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil WRIJ in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin de taken klimaatneutraal worden uitgevoerd. Hiervoor moeten zoveel mogelijk de grondstofbehoefte worden beperkt en ervoor worden gezorgd dat er geen sprake is van waardevermindering van grondstoffen. De afvalstromen moeten zo klein mogelijk zijn. En bovenal: WRIJ moet met diens werkwijze zorgen voor 95% minder emissie van broeikasgassen. Gezonde leefomgeving WRIJ zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Het streven is dat water in de leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico’s oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert. WRIJ verwacht met deze plannen de woon-, werken leefomgeving van de Achterhoek, Liemers en Overijssel nog toekomstbestendiger te maken. Toetsing Voor het plan is d.d. 28 juni 2021 een watertoets uitgevoerd. De uitkomsten van de watertoets zijn als bijlage 11 opgenomen.

Aan de westzijde grenst de parkeervoorziening direct aan een leggerwatergang. Hierdoor zijn er waterschapsbelangen gemoeid met het planvoornemen. De belangen van de watergang moeten geborgd worden bij de verdere realisatie van het plan. Uit de watertoets en het overleg met het Waterschap blijken de volgende aspecten van belang voor de verdere realisatie van het planvoornemen: 1. Er loopt een watergang van het waterschap langs de locatie. Deze moet bereikbaar blijven voor beheer- en onderhoud en daarmee voor het materiaal om langs de watergang te rijden. Hier moet rekening mee gehouden worden binnen het plan; 2. Bij de aanleg van de parkeerplaats dient de toename verharding gecompenseerd te worden met waterberging. Dit om problemen met wateroverlast te voorkomen. Als uitgangspunt geldt dat er waterberging aangelegd moet worden Toelichting

61

voor 40 mm over de toename aan verharding; 3. Afstroming van regenwater direct naar de naastgelegen watergang moet worden voorkomen. Ad 1 Aan de westzijde van het parkeerterrein loopt een watergang van het waterschap. Hier is nu nog sprake van een tweezijdig onderhoudspad. Met de aanleg van de parkeerplaats zal dit wijzigen naar een éénzijdig onderhoudspad. Omdat het plangebied direct aan een leggerwatergang grenst zullen de belangen van de watergang geborgd dienen te worden. Hiervoor zal een omgevingsvergunning aangevraagd worden. Tevens zal een watervergunning aangevraagd worden omdat er binnen 5 meter van de watergang (beschermingszone) werkzaamheden verricht gaan worden. Het waterschap heeft in een reactie op de plannen voor de aanleg van het parkeerterrein aangegeven dat de aanleg van de parkeervoorziening geen probleem oplevert voor het onderhoud aan de watergang. In de praktijk doet het waterschap het onderhoud de laatste jaren al vanaf één zijde. Dit omdat het maaipad toch al niet helemaal doorliep tot het bovenstroomse gedeelte. Daarmee is het voor het bestemmingplan voor de parkeerplaats geen probleem. Wél geldt hier dat er sprake is van de noodzaak van een watervergunning, zoals hierboven al benoemd. In de watervergunninng zullen door het waterschap de details vastgelegd worden over wat wel en niet mogelijk is aan beplanting in deze zone.

Ad 2 Het parkeerterrein wordt halfverhard aangelegd. De plaatsen waar de auto's parkeren worden gemaakt van waterdoorlatende ecorasters waartussen gras groeit. In figuur 4.5 is een foto weergegeven van dit systeem.

62

Buitengebied, locatie Huis Landfort

Afbeelding 4.5 ecorasters met gras De rijbanen van het parkeerterrein worden gemaakt van waterdoorlatend streekeigen materiaal (Achterhoeks Padvast). Het regenwater dat op het parkeerterrein valt zal voor een belangrijk deel direct in de bodem infiltreren. Het water dat afstroomt, bijvoorbeeld bij hevige buien, komt terecht in de beplantingsvakken rondom het parkeerterrein. In deze beplantingsvakken zal het 'overtollige' water infiltreren in de bodem door een lichte verlaging in de beplantingsvakken. Zie hiervoor ook het bijgevoegde ontwerp van de parkeervoorziening (bijlage 4). Ad 3 Zoals in paragraaf 2.2.2 is aangegeven wordt de parkeervoorziening iets opgehoogd en in zuidelijke richting op afschot gelegd. Overtollig afstromend water zal daarom in zuidelijke richting stromen naar de groenstrook. De leggerwatergang ligt ten westen van de parkeervoorziening. Hier komt het overtollig afstromend regenwater dus niet in terecht. Conclusie Omdat de parkeerplaatsen binnen 5 meter uit een beschermingszone van een watergang worden aangelegd, is het aanvragen van een watervergunning bij het waterschap, voorafgaand aan de werkzaamheden, een vereiste. Bij de inrichting van de parkeervoorziening is er rekening mee gehouden dat het water niet afstroomt naar de nabijgelegen watergang. Onderhoud aan de watergang wordt door de aanleg van de voorziening niet belemmerd. Toelichting

63

Het aspect water staat de uitvoering van het plan niet in de weg. 4.9

Parkeren en verkeer

Bij ruimtelijke plannen moet worden aangetoond dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor de verkeer- en parkeersituatie ter plaatse. Toetsing Verkeer Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van een parkeerterrein met de omvang van maximaal 140 plekken. Deze omvang is nodig om de piekdrukte op te kunnen vangen tijdens zakelijke bijeenkomsten, studiedagen of speciale gelegenheden op Huis Landfort. Op rustige dagen is de verwachting dat het parkeerterrein slechts in beperkte mate wordt gebruikt. Wanneer er geen activiteiten of bijeenkomsten van de stichting zijn, zal doorgaans slechts een beperkt aantal plaatsen bezet zijn vooral door recreanten die voor een wandeling door de omgeving komen. Het aantal bezoekers is sterk afhankelijk van het weertype en de aard van eventuele activiteiten op het terrein van Huis Landfort. Tijdens rustige dagen is het te verwachten dat de huidige ontsluitingswegen (Landfortseweg en Hogestraat) de capaciteit hebben om deze aantallen te verwerken. Dit verschilt niet veel met de huidige situatie. Tijdens piekmomenten kunnen er enige opstoppingen ontstaan wanneer veel bezoekers tegelijkertijd de in- en uitrit van de parkeerplaats in de bocht van de Hogestraat gebruiken. Aangezien het gaat om enkele momenten per maand, bij speciale evenementen/gelegenheden bij Huis Landfort, is dit niet structureel.

Bij deze momenten zullen mogelijk ook verkeersregelaars worden ingezet om de voortgang van het verkeer zo veel mogelijk te waarborgen en dus de overlast voor de omgeving zo veel mogelijk te beperken. De hoeveelheid verkeer richting het plangebied en Huis Landfort zal als gevolg van voorliggend plan toenemen. Deze toename zal echter voor het grootste deel van het jaar beperkt zijn. Enkel bij speciale gelegenheden is het mogelijk dat de drukte veel toeneemt. Dit zijn uitzonderingen, er is alsnog sprake van goede ruimtelijke ordening. Parkeren 64

Buitengebied, locatie Huis Landfort

Het plan voorziet in de ontwikkeling van 140 parkeerplekken voor auto's en 2 parkeerplaatsen voor bussen. Dit is omdat de huidige parkeerplaats bij de ingang van Huis Landfort niet voldoet aan de gevraagde capaciteit. Het betreft hier slechts 12 plekken, dit is niet toereikend voor de normale dagelijkse bezoekersstroom richting het landgoed. Met de parkeerplaats kunnen voertuigen op een verantwoorde manier worden geparkeerd op de dagen waarop bijeenkomsten, openstellingen en dergelijke worden georganiseerd. De behoefte van het aantal parkeerplaatsen is niet aan de hand van de CROW normen vastgesteld vanwege het bijzondere en hybride karakter van Huis Landfort als particuliere buitenplaats met een beoogde publieksfunctie. Maar ook omdat de parkeervoorziening gebruikt zal worden door recreanten en toeristen die de historische buitenplaats niet zullen bezoeken en recreëren in de omgeving. De parkeerbehoefte is daarom vastgesteld op basis van de ervaringscijfers van GLK, het beleidsplan van sEL en de nieuwe ontwikkelingen zoals studiedagen en kennis- en netwerkbijeenkomsten in het Koetshuis. Zie hiervoor ook paragraaf 2.2.2. Door de aanleg van het parkeerterrein zal de parkeersituatie rondom Huis Landfort sterk worden verbeterd, wat uiteindelijk ook de verkeersveiligheid ten goede komt. Bezoekers hoeven dan niet meer langs de Landfortseweg te parkeren.

Conclusie Het plan voldoet op het gebied van verkeer en parkeren en vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. 4.10

Kabels en leidingen

Uit de toelichting en verbeelding van bestemmingsplan ‘Buitengebied Oude IJsselstreek 2017’ is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn. Voorafgaand aan graafwerkzaamheden zal een klic-melding uitgevoerd worden. 4.11

M.e.r.-Beoordeling

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan of ruimtelijk plan kan op drie manieren met een milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een Toelichting

65

m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.- plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.- (beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r., bijlage D, onder artikel 11 (Woningbouw, Stedelijke ontwikkeling, Industrieterreinen) staat onder artikel 11.3 genoemd dat een m.e.r-beoordeling moet plaatsvinden in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject (met inbegrip van winkelcentra of parkeerterreinen) indien: a. een oppervlakte van 100 hectare of meer, b. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of c. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Toetsing Een passende beoordeling is nodig als op voorhand niet uitgesloten kan worden dat het plan significante gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied.

Daarbij vormt de huidige feitelijke (planologisch legale) situatie het uitgangspunt. Het voorliggende bestemmingsplan is grotendeels conserverend van aard. De ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt is de aanleg van de nieuwe parkeervoorziening. Uit de AERIUS-berekeningen (zie paragraaf 4.3) blijkt dat zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase geen significant negatieve gevolgen opterden voor de Natura 2000-gebieden. In dat geval is er geen passende beoordeling nodig als bedoeld in artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming. Om te bepalen of een m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn. 1. Drempelwaarden Besluit m.e.r. De beoogde ontwikkeling blijft onder de drempelwaarden van alle activiteiten zoals 66

Buitengebied, locatie Huis Landfort

opgenomen in onderdeel D 11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r. Uit de verrichte onderzoeken, zoals verwoord in dit hoofdstuk, blijkt voorts dat het voornemen geen significante effecten op de omgeving heeft. Voor het voornemen hoeft daarmee geen (vorm vrije) m.e.r.-beoordelingsprocedure of een plan - m.e.r. te worden opgesteld. 2. Ligging binnen een gevoelig gebied In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een 'gevoelig gebied'. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Onderhavig plangebied is niet gelegen binnen een 'gevoelig gebied' zoals gedefinieerd in het Besluit m.e.r. In de hoofdstukken 3 en 4 van de toelichting is reeds aangegeven dat het plan gelet op de aard, omvang en ligging geen negatieve effecten heeft ten opzichte van dergelijke gevoelige gebieden. 3. Belangrijke milieugevolgen In de bijgevoegde aanmeldingsnotitie mer-beoordeling bestemmingsplan 'Buitengebied, locatie Huis Landfort' (zie bijlage 12) zijn de verschillende milieuaspecten afgewogen. Daaruit is gebleken dat de aanleg van de nieuwe parkeervoorziening geen belangrijke nadelige negatieve gevolgen heeft voor het milieu. Een aanvullende m.e.r.-beoordeling is hierdoor dan ook niet noodzakelijk.

Conclusie Gezien de resultaten van de aanmeldnotitie is het uitvoeren van een aanvullende m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk. 4.12

Klimaatadaptatie

Ten aanzien van klimaatadaptie zijn voor de aanleg van de parkeervoorziening de aspecten wateroverlast, verdroging en hitte met name van belang. Wateroverlast wordt voorkomen door voldoende infiltratiemogelijkheden. De halfverharding en de groene omzoming van de parkeervoorziening maakt dat hemelwater langzaam kan infiltreren binnen de omliggende beplanting en het niet verharde deel van de voorziening. Met hoog opgaande beplanting wordt verdroging van het oppervlak tegengegaan. Ook is er in het beplantingsplan bewust gekozen voor soorten die relatief goed met de veranderende klimatologische omstandigheden kunnen omgaan. Toelichting

67

Om wateroverlast op de parkeervoorziening tegen te gaan wordt het terrein enkele centimeters opgehoogd. Hierdoor zal in natte periodes van het jaar en bij hevige buien de parkeervoorziening goed bruikbaar blijven. De halfverharding heeft ten opzichte van een volledig verhard terrein als voordeel dat in warme perioden het terrein minder opwarmt. De onverharde delen van het terrein zullen de warmte absorberen en zorgen voor relatieve koelte. Bovendien zorgen de bomen in het beplantingsplan voor schaduwrijke plekken om auto's op zonnige dagen onder te parkeren en hittestress tegen te gaan.

68

Buitengebied, locatie Huis Landfort

Hoofdstuk 5 Juridische planopzet 5.1

Algemeen

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de landelijke standaard (SVBP2012). Hieronder wordt de opbouw en dergelijke van de regels kort toegelicht. 5.2

Inleidende regels

Begrippen (artikel 1) In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten (artikel 2) Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Toelichting

69

5.3

Bestemmingsregels

5.3.1

Opbouw bestemmingen

Bestemmingsomschrijving Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals agrarisch met waarden en wonen. Bouwregels In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding. Wat betreft de toegestane bouwhoogten wordt zo veel als mogelijk aangesloten bij de regels uit het bestemmingsplan 'Buitengebied Oude IJsselstreek 2017'. Afwijken van de bouwregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde bouwregels. Specifieke gebruiksregels In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Het is niet de bedoeling alle mogelijke strijdig gebruiksvormen te noemen, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de doeleindenomschrijving. Afwijken van de gebruiksregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels. 5.3.2

Bestemmingen

Hieronder volgt in het kort een beschrijving van de gebruikte bestemmingen. Agrarisch (artikel 3) en Agrarisch met waarden (artikel 4) 70

Buitengebied, locatie Huis Landfort

In dit bestemmingplan is de bestemming "Agrarisch" en ''Agrarisch met waarden'' overgenomen uit het geldende bestemmingsplan als basisbestemming voor de omliggende gronden. De bestemming "Agrarisch met waarden" vereist extra aandacht, in deze gebieden moet rekening worden gehouden met landschappelijke waarden. Voor de betreffende locatie gaat het om houtwallen, zandwegen en reliëf. Deze landschapswaarden worden beschermd doordat voor de uitvoering van bepaalde werkzaamheden een vergunning moet worden aangevraagd. Bij die aanvraag wordt dan beoordeeld of de landschapswaarden door de gevolgen van de voorgestelde ingreep niet blijvend afbreuk wordt gedaan. Bos (artikel 5) De percelen die als 'Bos' zijn bestemd, zijn bestemd voor bosgebieden. Het doel is om deze te behouden of te herstellen. De percelen met de bestemming 'Bos' zijn ook bestemd voor het ontwikkelen van landschappelijke- en natuurwaarden. Soms is het toegestaan om een bouwwerk op het perceel te plaatsen, hiervoor moet het college van burgemeester en wethouders eerst toestemming geven.

Gemengd (artikel 6) De bestemmingen ''Gemengd'' voorzien in het behoud van het gemengde karakter van deze bebouwing, waarbij voldoende vrijheid wordt geboden voor onderlinge uitwisseling tussen de toegelaten gebruiksvormen (dienstverlening, horecabedrijf in categorie 1, congrescentra en conferentie-oorden, kantoor, maatschappelijke voorzieningen en wonen, al dan niet in combinatie met inwoning/ mantelzorg). Recreatie - Dagrecreatie (artikel 7) De voor ''Recreatie - Dagrecreatie'' aangewezen gronden zijn bestemd voor onder andere parkeren. Verkeer (artikel 8) De bestemming ''Verkeer'' is gegeven aan wegen, straten, wandel en fietspaden. Water (artikel 9) De bestemming ''Water'' is gegeven aan de waterpartijen die in het plangebied aanwezig zijn. Waarde - Archeologie 1 (Artikel 10) De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die Toelichting

71

gronden aangewezen bestemmingen, ook bestemd voor het behoud, bescherming en veiligstelling van te verwachten archeologische waarden in de bodem. Waarde - Archeologische verwachting 1 (artikel 11) De voor 'Waarde - Archeologische Verwachting 1' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, ook bestemd voor het behoud, bescherming en veiligstelling van te verwachten archeologische waarden in de bodem. Waarde - Archeologische verwachting 2 (artikel 12) De voor 'Waarde - Archeologie Verwachting 2' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, ook bestemd voor het behoud, bescherming en veiligstelling van te verwachten archeologische waarden in de bodem. Waarde - Archeologische verwachting 3 (artikel 13) De voor 'Waarde - Archeologie Verwachting 3' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, ook bestemd voor het behoud, bescherming en veiligstelling van te verwachten archeologische waarden in de bodem. Waarde - Cultuurhistorie (artikel 14) Met deze dubbelbestemming worden de bestaande cultuurhistorische waarden op de landgoederen, bestaande uit lanenstructuur, cultuurhistorisch waardevolle gebouwen, waterpartijen en landschappelijke elementen, beschermd. 5.4

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/4589/documents/27886