CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

406801.MOT.TAMO.Kom Silvolde, IKC Pastoor Bluemersplein 5, Silvolde.20260210.pdf

Raadsvergadering 26 maart 2026, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 5: Omgevingsplan Kom Silvolde, IKC Pastoor Bluemersplein 5, Silvolde17.369 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Rond het projectgebied bevinden zich geen overige cultuurhistorisch waardevolle lijnen of elementen die mogelijke negatieve effecten ondervinden van het initiatief. 4.2.3

Conclusie

De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.

4.3

Natuur

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie. 4.3.1

(Wettelijk) kader

Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen bij het uitoefenen van hun taken zorgdragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden; onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur. De soortenbescherming richt zich in het nationale beleid op aangewezen beschermde soorten in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Nationaal beschermde soorten. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000-gebieden, de gebieden aangewezen als Natuurnetwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming in het kader van de Omgevingswet zich op het thema faunabeheer. De opdracht om bij het uitvoeren van taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet zorg te dragen voor de natuur, is in hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) opgenomen. In hoofdstuk 11 van het Bal zijn hiervoor regels opgenomen over activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden, activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild en activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen. 4.3.2

Toetsing

Door Buro Ontwerp en Omgeving is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 5. Navolgend volgt kort de conclusie ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming. Gebiedsbescherming Natura 2000

bestemmingsplan "TAM-Omgevingsplan Kom Silvolde, IKC Pastoor Bluemersplein 5, Silvolde" (vastgesteld)

23

Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is het 'Klevsche Landwehr, Anholtsche Issel, Feldschlaggraben und Regnieter Bach', dat zich op ongeveer 4,5 kilometer ten zuiden van het projectgebied in Duitsland bevindt. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid door de voorgenomen plannen zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, niet te verwachten. Gezien het type werkzaamheden en de ligging van het projectgebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden zijn er geen negatieve effecten als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door trilling, geluid en mechanische effecten. Door het gebruik van werktuigen kunnen er wel indirecte gevolgen zijn door stikstofdepositie vanuit de lucht. Om deze reden is door Buro Ontwerp & Omgeving een voortoets stikstofdepositie (AERIUS-berekening) uitgevoerd. Deze is als Bijlage 7 toegevoegd aan deze motivering. Uit de berekening blijkt dat voor zowel de realisatiefase als de gebruiksfase geen toename aan stikstofdepositie groter dan 0,00 mol N/ha/jr per jaar is.

Natuurnetwerk Nederland Het projectgebied maakt geen deel uit van het Gelders Natuurnetwerk. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 200 meter ten westen van het projectgebied. Op ongeveer 280 meter ten westen bevindt zich de Groene Ontwikkelingszone. Bij het toetsingskader van het Natuurnetwerk Nederland is geen sprake van externe werking. Nadelige effecten voor, tijdens en na inrichting van het projectgebied op het Gelders Natuurnetwerk zijn niet te verwachten door de aard van de werkzaamheden en de afstand. De kernkwaliteiten van het Natuurnetwerk worden niet aangetast. Houtopstanden De groenvoorzieningen in het plangebied vallen niet onder de definitie houtopstanden, zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Omgevingswet. De eventueel te kappen bomen en/of struiken bevinden zich binnen de bebouwingscontour houtkap. De rijksregels over het vellen van houtopstanden zijn daarom niet van toepassing (artikel 11.111, Bal). Indien er houtopstanden worden geveld dient echter rekening te worden gehouden met de aanvraag van een Omgevingsvergunning bij het Omgevingsloket. Er wordt geadviseerd om een Vergunningcheck uit te voeren, alvorens wordt besloten om groenvoorzieningen te verwijderen. Soortenbescherming Op basis van de quickscan is gebleken dat verschillende beschermde soorten potentieel voorkomen in het projectgebied.

Het betreft verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten, de aanwezigheid van kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn, wezel en steenmarter), gierzwaluw, huismus, algemene vogelsoorten, algemene grondgebonden zoogdieren en algemene soorten reptielen en amfibieën. Voor de vleermuizen, gierzwaluw en huismus is nader onderzoek nodig en voor kleine marterachtigen is nader onderzoek nodig indien de stroken bosschages (gedeeltelijk) verdwijnen. Voor de andere soorten geldt de specifieke zorgplicht voor deze soorten. Vanwege de resultaten uit de quickscan is een nader ecologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 6 toegevoegd aan deze motivering. Uit het onderzoek blijkt dat er sprake is van twee gecombineerde zomer-/paarverblijven van de gewone dwergvleermuis. Negatieve effecten op deze soort kunnen niet worden uitgesloten door de sloopwerkzaamheden van de bestaande bebouwing. Negatieve effecten op andere verblijfsfuncties of andere vleermuissoorten kunnen wel worden uitgesloten. Er moet een activiteitenplan en een aanvraag omgevingsvergunning worden opgesteld om een ontheffing te krijgen voor de werkzaamheden. In het nader onderzoek is ook de aanwezigheid van de egel aangetoond. Hiervoor geldt de specifieke zorgplicht.

Werkzaamheden waarbij de egel kan worden verstoord moeten plaatsvinden buiten de kwetsbare periodes (het voortplantings- en winterslaapseizoen, tussen 1 september en 31 oktober). Hieronder valt in ieder geval het verwijderen van groenvoorzieningen. Voordat groenvoorzieningen worden verwijderd, moet nog een visuele check worden uitgevoerd. Binnen het projectgebied kunnen ook enkele vogelsoorten voorkomen waarvan het nest niet jaarrond is 24 bestemmingsplan "TAM-Omgevingsplan Kom Silvold e, IKC Pastoor Bluemersplein 5, Silvolde" (vastgesteld)

beschermd. In het nader onderzoek zijn de winterkoning, roodborst, tjiftjaf, koolmees en merel waargenomen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen, beschadigen of weg te nemen. Tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart tot en met 15 juli) zijn werkzaamheden verboden als deze kunnen leiden tot beschadiging of vernieling van nesten. Aangeraden wordt de werkzaamheden daarom buiten het broedseizoen uit te voeren. 4.3.3

Conclusie

In het geval van de egel en enkele algemene vogelsoorten geldt dat de specifieke zorgplicht geldt. Voor de dwergvleermuis moet een activiteitenplan worden opgesteld en een aanvraag omgevingsvergunning worden gedaan. Als hieraan wordt voldaan, vormt het aspect natuur verder geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.

4.4

Geluid

Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door bedrijven, wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. 4.4.1

(Wettelijk) kader

De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen, zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen, worden via de Aanvullingswet geluid, het Aanvullingsbesluit geluid en de Aanvullingsregeling geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.

De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; het bevorderen van bronmaatregelen; het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels; het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels. Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met geluidaandachtsgebieden. De geluidaandachtsgebieden worden rekenkundig afgeleid van geluidproductieplafonds en basisgeluidemissies. De geluidaandachtsgebieden moeten op termijn digitaal op kaart worden ontsloten in de Centrale Voorziening Geluidgegevens. De geluidnormen zijn opgenomen in het Bkl. Er moet ook rekening worden gehouden met cumulatie van alle relevante geluidbronnen. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw of locatie binnen een geluidaandachtsgebied moet het aspect geluid beoordeeld worden. Overigens moet ook waar geen sprake is van een geluidaandachtsgebied, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, het aspect geluid afgewogen worden.

bestemmingsplan "TAM-Omgevingsplan Kom Silvolde, IKC Pastoor Bluemersplein 5, Silvolde" (vastgesteld)

25

4.4.2

Toetsing

Met het plan is sprake van herontwikkeling van een schoolgebouw door middel van sloop en nieuwbouw. In de huidige situatie is al een gebouw aanwezig. Het nieuwe gebouw is weliswaar een geluidgevoelig gebouw, maar komt verder van de weg af te liggen dan in de huidige situatie het geval is. De geluidbelasting op de gevels van het nieuwe gebouw zal daarom niet toenemen en mogelijk zelfs afnemen. De nieuwe woningen in de zuidwestelijke hoek van het projectgebied liggen verder van de openbare weg af dan de huidige woningen. Op basis van de Atlas Leefomgeving blijkt dat ter plaatse van de bestaande woningen de geluidbelasting niet hoger is dan 50 dB. Dit ligt lager dan de grenswaarde van 53 dB. De bestaande wegen rondom het projectgebied zorgen dus niet voor een onevenredige geluidbelasting op de gevels van de woningen. Het doodlopende deel van het Pastoor Bluemersplein komt uit wel op deze woningen. Aangezien het een doodlopende weg betreft met enkel bestemmingsverkeer voor de woningen of het IKC, is de geluidsbelasting van deze woningen dusdanig laag dat dit niet van (negatieve) invloed zal zijn. In de nabijheid van het projectgebied zijn verder geen spoorlijnen of gezoneerde bedrijventerreinen aanwezig. Het projectgebied ligt dan ook niet in de geluidaandachtgebieden van deze bronnen en akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk. 4.4.3

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.

4.5

Luchtkwaliteit

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit. 4.5.1

(Wettelijk) kader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Met de NIBM-tool kan op een eenvoudige en snelle manier berekend worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden (die liggen in de grotere stedelijke agglomeraties) blijft 26 bestemmingsplan "TAM-Omgevingsplan Kom Silvold e, IKC Pastoor Bluemersplein 5, Silvolde" (vastgesteld)

toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. De rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit gelden niet voor arbeidsplaatsen. Daartoe behoren bijvoorbeeld bedrijventerreinen, maar ook bedrijfswoningen. Ten slotte moet in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet afgewogen worden of de luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief aanvaardbaar is om een nieuwe woning te realiseren. 4.5.2

Toetsing

Het voorgenomen plan zorgt voor een sloop en nieuwbouw van een IKC en de realisatie van 6 levensloopbestendige woningen. Het aantal verkeersstromen zal daardoor niet significant toenemen. De ontwikkeling draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is de lokale luchtkwaliteit onderzocht, zodat onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van de rijksoverheid geraadpleegd. Het CIMLK geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) in het projectgebied tussen 2023 en 2030. Het CIMLK maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2023, 2025 en 2030 in het projectgebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's.

Het rekenpunt (09220971_88662) dat het dichtst bij het projectgebied ligt (gelegen aan de Ulftseweg), kent de volgende gemeten waarden voor NO2, PM10 en PM2,5 in 2023: NO2: 16,9127 µg/m3 PM10: 15,5774 µg/m3 PM2,5: 8,6031 µg/m3 Voor NO2 en PM10 verbindingen geldt een grenswaarde van 40 µg/m3. Voor PM2,5 geldt een grenswaarde van 20 µg/m3. De hoeveelheid NO2, PM10 en PM2,5 in het projectgebied blijft ruimschoots onder de gestelde grenswaarden. De monitoringstool maakt dus duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2023, 2025 en 2030 in het projectgebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. Vanaf 2030 gelden vanuit de Europese Unie strengere eisen met betrekking tot de luchtkwaliteit. De grenswaarden voor NO2 en PM10 worden dan aangescherpt naar 20 µg/m3 en de grenswaarde voor PM2,5 naar 10 µg/m3. Ook als deze strengere normen worden gehanteerd voldoet de huidige luchtkwaliteit aan het Europese beleid. 4.5.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.

4.6

Geur

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur. 4.6.1

(Wettelijk) kader

Bij bedrijven kunnen activiteiten plaatsvinden die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Er moet dus worden beoordeeld of de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar is. De instructieregels van het Bkl voor geur afkomstig van rioolwaterzuiveringen en landbouwhuisdieren zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de bestemmingsplan "TAM-Omgevingsplan Kom Silvolde, IKC Pastoor Bluemersplein 5, Silvolde" (vastgesteld)

27

functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. 4.6.2

Toetsing

Met het initiatief is sprake van de sloop van een schoolgebouw en nieuwbouw van een IKC. Daarnaast worden 6 levensloopbestendige woningen gerealiseerd. De meest nabijgelegen veehouderijen bevinden zich op 800 á 1.100 meter van het projectgebied, aan de noordoost- en zuidoostzijde van de bebouwde kom van Silvolde. (Geur)hinder van deze veehouderijen is dan ook uitgesloten. Er bevinden zich verder ook geen geurveroorzakende bedrijven in de nabijheid van het projectgebied. Er is sprake van een goed leefklimaat binnen het projectgebied. 4.6.3

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.

4.7

Milieubelastende activiteiten

4.7.1

(Wettelijk) kader

Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van (vaak technische) milieunormen in het omgevingsplan/vergunning. In deze paragraaf is duidelijk gemaakt op welke manier aan het reguleren van de omgevingskwaliteit vanuit het thema milieubelastende (bedrijfs)activiteiten in een omgevingsplan vorm zou kunnen worden gegeven dan wel via een omgevingsvergunning kan worden geregeld. 4.7.2

Toetsing

Met het plan is sprake van herontwikkeling van een school binnen het projectgebied in de vorm van sloop en nieuwbouw. Rondom het projectgebied bevinden zich voornamelijk woningen. Aan de Lichtenbergseweg 30A bevindt zich een koffiezaak en aan het Pastoor Bluemersplein 1 een rijschool. De laatste betreft een bedrijf aan huis met één lesauto. Er is dus geen sprake van een groot aantal voertuigbewegingen die (geluids)hinder kunnen veroorzaken ter plaatse van de school. De koffiezaak betreft een verkooppunt van koffieapparatuur. Parkeren vindt plaats aan de Lichtenbergseweg. Aangezien er tussen deze parkeerplaatsen en het nieuwe schoolgebouw al bestaande woningen zijn, wordt de bedrijfsvoering verder niet gehinderd. Door de sloop en herbouw van het IKC is er een gewijzigde situering van het gebouw, waarbij het nieuwe IKC iets meer richting het oosten wordt gepositioneerd ten opzichte van de huidige situatie. Door deze verschuiving vergroot de afstand tot het ten noorden gelegen Almende College, wat een verbetering betekent voor de milieusituatie van beide onderwijsinstellingen. Het nieuwe gebouw komt weliswaar dichterbij bij de woningen aan de Lichtenbergseweg en de Boterweg te liggen, maar de speelpleinen en parkeerplaatsen (de voornaamste geluidproducerende activiteiten binnen het projectgebied) komen juist verder van deze woningen af te liggen.

Om die reden is er geen sprake van een verslechtering van de geluidssituatie voor de woningen aan deze straten. Ten opzichte van de huidige situatie komen de speelpleinen wel dichter bij de woningen aan het Pastoor Bluemersplein te liggen. De gronden waarop deze speelpleinen worden gerealiseerd, beschikken echter nu al over de functie ‘Maatschappelijk’. De planologische mogelijkheden ter plaatse blijven daarmee ongewijzigd. Bovendien worden langs de langzaamverkeersroute, die door het projectgebied loopt, voldoende groene afscheidingen geplaatst. Deze dragen niet alleen bij aan het visueel afschermen van het terrein van het IKC, maar kunnen ook een geluidsreducerende werking hebben. Naast het IKC worden er ook 6 levensloopbestendige woningen mogelijk gemaakt. Ook deze woningen worden afgeschermd door de groene afscheidingen die langs de langzaamverkeersroute lopen. Samenvattend leidt de ontwikkeling van het nieuwe IKC niet tot een toename van hinder voor de omgeving en past deze binnen de bestaande milieuzonering van het omgevingsplan.

28 bestemmingsplan "TAM-Omgevingsplan Kom Silvold e, IKC Pastoor Bluemersplein 5, Silvolde" (vastgesteld)

4.7.3

Conclusie

Het aspect milieubelastende activiteiten vormt geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.

4.8

Omgevingsveiligheid

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. 4.8.1

(Wettelijk) kader

De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Met een initiatief moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties.

Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Binnen een initiatief dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het initiatief kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 'Besluit bouwwerken leefomgeving' (Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). 4.8.2

Toetsing

Met het plan is sprake van de sloop van een schoolgebouw en nieuwbouw van een IKC, waarbij ook 6 nieuwe levensloopbestendige woningen worden gerealiseerd. Zowel een basisschool als een kinderopvang wordt als zeer kwetsbaar gebouw beschouwd. Deze mogen dus niet zomaar worden gerealiseerd in aandachtsgebieden. De woningen betreffen kwetsbare gebouwen. De navolgende afbeelding bevat een uitsnede van de externe veiligheidskaart van de Atlas Veiligheid. De globale ligging van het projectgebied is hierop aangeduid met een blauwe cirkel.

bestemmingsplan "TAM-Omgevingsplan Kom Silvolde, IKC Pastoor Bluemersplein 5, Silvolde" (vastgesteld)

29

Uitsnede externe veiligheidskaart van de Atlas Leefomgeving

In de directe omgeving van het projectgebied bevinden zich geen stationaire of mobiele risicobronnen. Een nadere toetsing aan het aspect omgevingsveiligheid is daarom niet noodzakelijk. 4.8.3

Conclusie

Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.

4.9

Water

4.9.1

(Wettelijk) kader

In artikel 5.37 van het Bkl is een instructieregel voor het meewegen van het waterbelang opgenomen. In de navolgende paragrafen wordt het beleid van het waterschap en de gemeente beschreven. Daarop volgt de toetsing aan het aspect water, het resultaat van de Digitale Watertoets en het overleg met het waterschap. WaterschapsverordeningwaterschapRijn en IJssel De waterschapsverordening bevat de regels van het Waterschap Rijn en IJssel over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de watersystemen, de zuiveringtechnische werken en de wegen die in beheer zijn bij Waterschap Rijn en IJssel. De waterschapsverordening berust op artikel 2.5 van de Omgevingswet en vervangt de keur en de algemene regels. Bovendien bevat de waterschapsverordening regels over lozingen. Lozingen waren eerst op het niveau van de centrale overheid geregeld. Waterbeheerprogramma2022-2027 In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van Waterschap Rijn en IJssel staat beschreven wat de doelen zijn voor de komende zes jaar in de Achterhoek en Liemers en hoe het waterschap deze wil halen. Naast het uitvoeren van kerntaken zijn het aanpassen van de leefomgeving aan de gevolgen van klimaatverandering en waterveiligheid de grootste prioriteiten. Ook een schone leefomgeving en de circulaire economie en energietransitie staan hoog op de agenda.

Voor het waterbeheerprogramma zijn de werkzaamheden van het waterschap weergegeven in vier thema's. 30 bestemmingsplan "TAM-Omgevingsplan Kom Silvold e, IKC Pastoor Bluemersplein 5, Silvolde" (vastgesteld)

Klimaatrobuust gebied De ambitie is om richting 2050 wendbaar invulling te geven aan het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem. Dit wordt gedaan in combinatie met aanpassingen in gebruik en inrichting van de omgeving, zodat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. Veilig gebied De bescherming tegen hoog water is een randvoorwaarde om veilig te kunnen wonen en werken in ons gebied. Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Dat wordt gedaan door dagelijks beheer van de keringen en door continu inzicht in de keringen. Het beheer wordt op een duurzame wijze uitgevoerd en er wordt gewerkt aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. De ambitie is dat de keringen van het waterschap in 2050 voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar ingespeeld wordt op ontwikkelingen. Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil bij het uitvoeren van haar primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil zij in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin de taken klimaatneutraal worden uitgevoerd.

Gezonde leefomgeving Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Het waterschap streeft ernaar dat het water in de leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico's oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert. Water- en Rioleringsprogramma Oude IJsselstreek2024-2028 Het water- en rioleringsprogramma beschrijft hoe de gemeente omgaat met haar wettelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater en anticipeert daarbij op raakvlakken met vakgebieden zoals klimaatadaptatie, landschap en groen. Daarnaast bevat het programma onder meer een overzicht van de in de gemeente aanwezige voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater en het tijdstip waarop die voorzieningen naar verwachting aan vervanging toe zijn. 4.9.2

Het Wateradvies

Het projectgebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rijn en IJssel. Voor het doorlopen van Het Wateradvies gebruikt dit waterschap de website www.hetwateradvies.nl. Het waterschap kijkt, op basis van de antwoorden die op de website worden ingevuld, of bij de ruimtelijke ontwikkeling voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse en geeft een wateradvies. Op basis van Het Wateradvies (dat is opgenomen als bijlage bij de quickscan water, zie ook verderop in deze paragraaf) wordt door het waterschap geconcludeerd dat er waterstaatkundige belangen zijn. Deze belangen zijn zodanig van aard en omvang dat overleg met het waterschap gewenst is. Daarom is de 'normale procedure' in gang gezet. 4.9.3

Overleg Waterschap Rijn en IJssel

De bevindingen van Het Wateradvies zijn met het Waterschap Rijn en IJssel gedeeld. Vanuit het waterschap wordt de voorgenomen planontwikkeling akkoord bevonden. Een verdere uitwerking van het wateraspect is opgenomen in paragraaf 4.9.4.

bestemmingsplan "TAM-Omgevingsplan Kom Silvolde, IKC Pastoor Bluemersplein 5, Silvolde" (vastgesteld)

31

4.9.4

Toetsing

Door Buro Ontwerp & Omgeving is een quickscan water uitgevoerd. Het rapport is bijgevoegd als Bijlage 8. In de huidige situatie is het projectgebied bebouwd met een schoolgebouw en bijbehorend(e) schoolplein, toegangsweg en parkeerplaatsen. Ongeveer 8.510 m2 van het onderzoeksgebied is verhard en ongeveer 3.460 m2 onverhard. In de toekomstige situatie is het projectgebied groener ingericht, waardoor de totale verharding afneemt met ongeveer 1.640 m2 naar 6.870 m2. Aangezien het projectgebied groter is dan 1.500 m2 geldt er een minimale bergingseis van 80 mm per m2 op basis van de eisen van het waterschap. De gemeente Oude IJsselstreek hanteert een bergingseis van 20 millimeter, of 10% van het bruto oppervlak. De bergingseis van het waterschap is groter en is daarom leidend. Met een totale oppervlakte van 6.870 m2 in de nieuwe situatie is een totale bergingsopgave van (afgerond) 550 m3 benodigd. Hemelwater dient op eigen terrein behandeld te worden volgens de reeks infiltratie-vasthouden-bergen en vertraagd afvoeren. Vanwege de ligging van het projectgebied op een rivierduin is het grondwater te diep om oppervlaktewater aan te leggen. Binnen het projectgebied is ruimte om ongeveer 160 m3 aan waterberging via wadi's te realiseren. De precieze detaillering van deze wadi's en bergingsoplossingen voor de overige opgave vindt op een later moment in de ontwikkeling plaats.

Aangezien het huidige schoolgebouw al is aangesloten op het bestaande rioolssyteem wordt ervan uitgegaan dat het nieuwe IKC hier ook op kan worden aangesloten. Daarbij is wel het uitgangspunt dat hemelwater zoveel mogelijk in de bodem infiltreert en alleen het vuilwater wordt afgevoerd naar het rioolsysteem. In totaal zal er, van het IKC en de woningen samen, een toename van 0,387 m3/uur aan afvalwater zijn. Dit is gebaseerd op de piekmomenten van het IKC en de woningen. Daarnaast wordt ook aanbevolen het vloerpeil van de bebouwing minimaal 20 centimeter hoger dan de toegangsweg en het schoolplein te realiseren om te voorkomen dat water het gebouw binnenstroomt bij heftige buien. 4.9.5

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief. Wel moet de precieze invulling van de waterberging naast de wadi's worden afgestemd.

4.10

Mobiliteit en parkeren

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspecten verkeer en parkeren. 4.10.1 (Wettelijk) kader In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). Wel kan een verandering van functies zorgen voor een verkeersaantrekkende werking. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente Oude IJsselstreek heeft parkeerbeleid opgesteld met daarin parkeernormen waaraan nieuwe initiatieven/ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moeten deze aspecten onderbouwd en indien noodzakelijk onderzocht worden. De gemeente Oude IJsselstreek valt volgens de stedelijkheidsclassificatie zoals opgesteld door het CBS in de categorie 'weinig stedelijk'.

Het CROW maakt daarnaast nog onderscheid op basis van de ligging van een gebied. In een centrum is het aanbod aan alternatieve vervoersopties anders dan in een buitengebied. De kern van Silvolde wordt geclassificeerd als 'rest bebouwde kom'. In deze paragraaf wordt aan die uitgangspunten vastgehouden. 32 bestemmingsplan "TAM-Omgevingsplan Kom Silvold e, IKC Pastoor Bluemersplein 5, Silvolde" (vastgesteld)

4.10.2 Toetsing Parkeren Door Roelofs is een verkeersonderzoek uitgevoerd dat als Bijlage 9 bij deze motivering is opgenomen. De belangrijkste conclusies zijn hieronder weergegeven. Onderdeel hiervan is een parkeerdrukonderzoek om de huidige bezettingsgraad en parkeerbehoefte te bepalen. De totale parkeerbehoefte in de toekomstige situatie voor het IKC is 31,8. Dit komt ook overeen met de netto parkeervraag op het maatgevende moment (de ochtenden en middagen op een werkdag). In het onderzoek van Roelofs is nog uitgegaan van een verouderd plan met betrekking tot de wonen. Daarom is de berekening voor de woningen niet overgenomen uit het onderzoek. Voor 6 levensloopbestendige woningen bedraagt de parkeerbehoefte 12 parkeerplaatsen. Voor het hele plan zijn dat er dus 48. Aan de noordzijde van het Pastoor Bluemersplein worden 14 parkeerplaatsen gerealiseerd, naast de 14 al bestaande parkeerplaatsen. In totaal komen hier dus 28 parkeerplaatsen. Aan de westzijde van het Pastoor Bluemersplein en ter hoogte van de woningen worden nog 21 parkeerplaatsen gerealiseerd, waarmee het totaal aantal parkeerplaatsen in het projectgebied op 49 uitkomt, voor zowel het IKC als de woningen. Daarmee wordt aan de parkeerbehoefte voldaan. In deze berekening is meegenomen dat de 14 bestaande parkeerplaatsen nu ook al door de school en de kinderopvang worden gebruikt.

Op basis van de CROW-methodiek is voor het IKC een kiss & ride-plek benodigd met ruimte voor 29 plaatsen. Op basis van het onderzoek ligt het potentiële gebruik echter een stuk lager, en zijn er 19 plaatsen benodigd. In het stedenbouwkundig kader wordt uitgegaan van 25 plaatsen, waarmee de CROW-norm weliswaar niet wordt gehaald, maar wel ruimschoots wordt voldaan aan de reële behoefte. Ook wat fietsparkeren betreft ligt de reële vraag lager dan wat op basis van de parkeernorm benodigd is. De parkeernorm vraagt om 166 stallingsplaatsen (waarvan 150 voor de leerlingen van de basisschool en de rest voor het personeel van het IKC). Op basis van de parkeertellingen en het onderzoek zijn 115 stallingsplaatsen benodigd. In het stedenbouwkundig kader wordt uitgegaan van 140 stallingsplaatsen. Verkeer Met de ontwikkeling wordt de verkeerssituatie ter plaatse verbeterd. De parkeerplaatsen voor auto's komen buiten het terrein van het IKC te liggen. Het parkeren vindt daarbij geconcentreerd plaats aan de noord- en westkant van het projectgebied. De parkeerplaatsen ten zuiden van het IKC komen te vervallen. Door het projectgebied komt een langzaamverkeersroute te liggen, waardoor gemotoriseerd verkeer en fietsverkeer van elkaar gescheiden blijven. Dit komt de veiligheid en overzichtelijkheid ten goede. Met de ontwikkeling vindt ook een toename van het verkeer plaats.

De verkeersgeneratie van een kinderopvang hangt af van het aantal bvo dat de kinderopvang groot is. Uitgaande van de classificatie 'rest bebouwde kom' in een 'weinig stedelijk' gebied is dat een verkeersgeneratie van 33,0 á 38,0 voertuigbewegingen per 100 m2 bvo. Op basis van het stedenbouwkundig kader wordt uitgegaan van een omvang van ongeveer 450 m2. De verkeersgeneratie voor de kinderopvang ligt daarom op 148,5 á 171 voertuigbewegingen per etmaal exclusief kiss en ride. Voor een basisschool zijn geen vaste normen bepaald door het CROW. Vastgesteld kan worden dat bij maximale bezetting door het personeel er twee voertuigbewegingen zijn per parkeerplaats ('s ochtends bij aankomst en 's middags bij vertrek). Uitgaande van 21 parkeerplaatsen die door het personeel van de basisschool worden gebruikt (zie ook het onderzoek van Roelofs) levert dit 42 voertuigbewegingen per etmaal op. Voor het halen en brengen van leerlingen van de basisschool en het bijbehorende autogebruik wordt verwezen naar het verkeersonderzoek. Daaruit kan worden afgeleid dat er 60 leerlingen zijn die met de auto worden gebracht. Dit zijn nog eens 120 voertuigbewegingen per etmaal. Dit is een worst casebenadering, aangezien sommige leerlingen, zoals broertjes en zusjes, ook een auto zullen delen.

De verkeersaantrekkende werking tenslotte van de woningen bedraagt 6,7 á 7,5 voertuigbewegingen per etmaal per woning, in totaal dus 40,2 á 45. Alles bij elkaar wordt voor het IKC uitgegaan van een maximale verkeersgeneratie van bestemmingsplan "TAM-Omgevingsplan Kom Silvolde, IKC Pastoor Bluemersplein 5, Silvolde" (vastgesteld)

33

(171+42+120+45=) 378 voertuigbewegingen per etmaal. Dit is, zoals gesteld, een worst casebenadering, waarbij sommige voertuigbewegingen dubbel zijn geteld. Daarnaast dient voor de onderbouwing van de motivering te worden beoordeeld wat de toename is van het aantal voertuigbewegingen. De toename is vele malen lager dan de genoemde 378 voertuigbewegingen. Immers is er op de locatie al sprake van een bestaande school, waar ook al leerlingen worden gebracht en gehaald, en het personeel ook al met de auto komt. Gesteld kan worden dat de ontwikkeling niet leidt tot een onevenredige toename van het verkeer op de locatie. 4.10.3 Conclusie De aspecten mobiliteit en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.

4.11

Kabels en leidingen

4.11.1 (Wettelijk) kader Bij ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van planologisch relevante kabels en leidingen. 4.11.2 Toetsing In en om het projectgebied zijn geen kabels en leidingen gelegen, die een juridisch- planologische bescherming genieten. Het projectgebied valt niet samen met een zakelijk rechtstrook of een toetsingszone van een leiding, lijn of straalverbinding - gemeten uit het hart van een kabel, leiding of verbinding. 4.11.3 Conclusie De aspecten kabels en leidingen vormen geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.

4.12

Ontplofbare oorlogsresten

4.12.1 (Wettelijk) kader In de Tweede Wereldoorlog hebben in Nederland oorlogshandelingen plaatsgevonden. Als gevolg hiervan is het mogelijk dat er in en om het projectgebied nog Ontplofbare oorlogsresten (OO) in de bodem aanwezig zijn. 4.12.2 Toetsing Door ECG is een vooronderzoek uitgevoerd om te bepalen of er in het projectgebied een risico bestaat op het aantreffen van ontplofbare oorlogsresten. Het rapport is als Bijlage 10 bij de motivering opgenomen. Geconcludeerd wordt dat er niet voldoende aanwijzingen zijn dat zich in het projectgebied ontplofbare oorlogsresten bevinden en de locatie wordt daarom als onverdacht beschouwd. Daarnaast hebben er al verschillende bodemroerende activiteiten plaatsgevonden zoals de sloop en bouw van de aanwezige bebouwing en het aanleggen van kabels en leidingen. Bij deze werkzaamheden zijn voor zover bekend ook geen ontplofbare oorlogsresten aangetroffen. (Graaf)werkzaamheden in het projectgebied kunnen op normale wijze plaatsvinden. Wel moet altijd worden gewerkt volgens het Protocol Toevalsvondst. Bij het aantreffen van verdachte objecten moeten de werkzaamheden worden gestaakt en dient de politie te worden ingeschakeld. 4.12.3 Conclusie Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.

34 bestemmingsplan "TAM-Omgevingsplan Kom Silvold e, IKC Pastoor Bluemersplein 5, Silvolde" (vastgesteld)

4.13

Milieueffectrapportage

De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een initiatief met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van het voorgenomen initiatief, in het kader van de fysieke leefomgeving, een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. 4.13.1 (Wettelijk) kader De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een initiatief: dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project-m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit of; waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is. In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen.

Deze beoordeling is alleen verplicht als het initiatief leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op initiatieven of programma's die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd. 4.13.2 Toetsing Onder J11 in Bijlage V van het Ob staat vermeld onder welke voorwaarden sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. In kolom 2 staan de voorwaarden wanneer er een mer-plicht geldt. Daar is met deze ontwikkeling geen sprake van. In kolom 3 staan de voorwaarden wanneer een mer-beoordeling moet plaatsvinden. Daaruit blijkt dat bij aanleg, wijziging of uitbreiding een mer-beoordeling verplicht is. Met de ontwikkeling wordt de wijziging van een schoolgebouw door middel van sloop en nieuwbouw beoogd. Er is daarom een verplichting tot een mer-beoordeling. Om te beoordelen of aanzienlijke milieueffecten zijn te verwachten is een project-m.e.r.(-beoordeling) uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 11 bijgevoegd. 4.13.3 Conclusie Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.

4.14

Gezondheid

4.14.1 (Wettelijk) kader Volgens artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Dit belangrijke maatschappelijke doel is o.a. doorvertaald naar een aantal instructieregels in het Bkl die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten worden in voorgaande paragrafen gemotiveerd. In deze paragraaf wordt aangegeven op welke wijze het plan rekening houdt met enerzijds het beschermen van gezondheid en anderzijds het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).

bestemmingsplan "TAM-Omgevingsplan Kom Silvolde, IKC Pastoor Bluemersplein 5, Silvolde" (vastgesteld)

35

4.14.2 Toetsing Met het plan is sprake van een herontwikkeling van een school en kinderopvang, waarbij het huidige gebouw wordt gesloopt en vervangen door een modern IKC. Eén van de redenen om tot nieuwbouw over te gaan is er in het gebouw sprake is van een slecht binnenklimaat, waardoor het gebouw in de zomer te warm is en in de winter te koud. Daarnaast zijn de buitenruimten traditioneel van aard met enkele losse speeltoestellen. Het nieuwe gebouw zorgt ervoor dat leraren en leerlingen onder gezonde omstandigheden hun lessen kunnen voeren. De buitenruimte wordt ook verder dusdanig ingericht dat deze meer uitnodigt tot spelen en bewegen, wat de gezondheid van de leerlingen ook ten goede komt. Met een langzaamverkeersroute die langs de school komt te lopen worden de verschillende verkeersstromen gescheiden, wat een gunstig effect heeft op de veiligheid en de gezondheid. Het realiseren van 6 levensloopbestendige woningen zorgt ervoor dat oudere mensen langer zelfstandig kunnen blijven wonen, op een passende afstand van voorzieningen en daardoor langer vitaal (kunnen) zijn. Mede gelet op de overige omgevingsaspecten is er in de toekomstige situatie sprake van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. 4.14.3 Conclusie Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.

4.15

Duurzaamheid

4.15.1 (Wettelijk) kader Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen waarbij duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als: "een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen" (bijlage 1 van de Ow). 4.15.2 Toetsing Met het plan is sprake van een herontwikkeling van een school en kinderopvang, waarbij het huidige gebouw wordt gesloopt en vervangen door een modern IKC. De gebouwen zijn verouderd en de herontwikkeling biedt ruimte om een duurzamere school te ontwikkelen, met meer circulair materiaalgebruik en meer duurzame oplossingen zoals groene daken met daarop zonnepanelen. Het gebouw sluit daardoor beter aan op de moderne eisen. In de vorm van wadi's en nader te bepalen maatregelen wordt hemelwater ook beter opgevangen, en infiltreert het in de grond, waardoor dit schone water niet in het rioolsysteem verdwijnt. Specifiek geldt dat het regenwater niet via zinken dakgoten wordt verzameld, om te voorkomen dat zink uitloogt. Ook worden in het plan 6 levensloopbestendige woningen mogelijk gemaakt.

Ook deze woningen worden volgens de moderne (duurzame) eisen aan bebouwing gebouwd 4.15.3 Conclusie Het aspect duurzaamheid draagt bij aan het verduurzamen van de leefomgeving.

36 bestemmingsplan "TAM-Omgevingsplan Kom Silvold e, IKC Pastoor Bluemersplein 5, Silvolde" (vastgesteld)

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planopzet

Algemeen

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de relevante milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van dit TAM-IMRO Omgevingsplan, bestaande uit een plankaart (verbeelding) en regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit TAM-IMRO omgevingsplan. Met het TAM-omgevingsplan 'Kom Silvolde, IKC Pastoor Bluemersplein 5, Silvolde' wordt de herontwikkeling van het projectgebied mogelijk gemaakt. Deze wijziging op het tijdelijk deel van het 'Omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek' is technisch opgesteld conform het InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO) op basis van de voormalige Wet ruimtelijke ordening (Wro), maar inhoudelijk uitgewerkt op basis van de vereisten volgens de Omgevingswet. Omgevingsplan Op 1 januari 2024 is het 'Omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek' van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan.

Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen. ToepassingTAM-IMRO De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij de uitvoering van de Omgevingswet. Het bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de – onder de Wro gebruikte – IMRO-standaard en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Werkingsgebied De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op het werkingsgebied, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1509.OP000037-VA01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In paragraaf 1.2 van deze motivering is een globale begrenzing van het werkingsgebied c.q. projectgebied opgenomen.

5.2

Toedelen van functies aan locaties

Voor de inhoudelijke regels van dit TAM-omgevingsplan is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de regels van het bestemmingsplan 'Kom Silvolde', vastgesteld op 24 april 2008 door de raad van de gemeente Oude IJsselstreek. 5.2.1

Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat bepalingen die gelden voor het gehele projectgebied: Artikel 1 Toepassingsbereik: In dit artikel is opgenomen dat het TAM-omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het 'Omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek' en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen. Het artikel geeft aan voor welk werkingsgebied de regels van toepassing zijn. Tevens wordt aangegeven dat specifieke artikelen uit de Omgevingswet en het omgevingsplan van rechtswege niet van toepassing bestemmingsplan "TAM-Omgevingsplan Kom Silvolde, IKC Pastoor Bluemersplein 5, Silvolde" (vastgesteld)

37

zijn, indien strijdigheid bestaat met de regels uit het TAM- omgevingsplan. Artikel 2 Begrippen: In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen. Artikel 3 Wijze van meten: Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. 5.2.2

Specifieke regels over functies

In Hoofdstuk 2 is opgenomen welke functies binnen het projectgebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan. In dit TAM-omgevingsplan zijn de functies 'Groen', 'Maatschappelijk' en 'Verkeer' opgenomen. Navolgend worden de regels die zijn opgenomen voor deze functies nader toegelicht. Groen De gronden met de bestemming 'Groen' zijn bedoeld voor groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, bermen en beplanting, en water en voorzieningen voor de waterhuishouding, met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen en verhardingen, parkeer- en speelvoorzieningen en onbebouwde gronden. Maatschappelijk De gronden met de bestemming 'Maatschappelijk' zijn bedoeld voor maatschappelijke voorzieningen, met bijbehorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen en paden, parkeer- en groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, en onbebouwde gronden. Gebouwen moeten binnen een bouwvlak liggen. Op de verbeelding is een bouwvlak opgenomen. Gebouwen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd en kennen een maximale goot- en bouwhoogte zoals aangegeven op betreffende verbeelding. Eventuele bijgebouwen mogen niet hoger zijn dan 2 meter.

Verkeer De gronden met de bestemming 'Verkeer' zijn bedoeld voor wegen en straten, en wandel- en fietspaden, voornamelijk gericht op de afwikkeling van het doorgaande verkeer, parkeer-, groen- en speelvoorzieningen en waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen, met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde en onbebouwde gronden. Gebouwen zijn niet toegestaan. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde is maximaal 2 meter, tenzij het wegaanduidingen, geleidingen, beveiliging of regeling van het verkeer betreft. Wonen De gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bedoeld voor wonen, aan huis verbonden beroepen, bijbehorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en tuinen en erven. Hoofdgebouwen zijn uitsluitend binnen een bouwvlak toegestaan en kennen een maximale goot- en bouwhoogte zoals aangegeven op de verbeelding. Overige gebouwen en bouwwerken zijn zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan. 5.2.3

Algemene regels over functies

Hoofdstuk 3 bevat de algemene bepalingen. Deze bepalingen gelden voor het gehele projectgebied en zijn van algemene aard. Deze worden daarom niet nader toegelicht in deze paragraaf. 5.2.4

Overgangsregels

In Hoofdstuk 4 staan de overgangsregels. In Artikel 14 wordt aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met het omgevingsplan.

38 bestemmingsplan "TAM-Omgevingsplan Kom Silvold e, IKC Pastoor Bluemersplein 5, Silvolde" (vastgesteld)

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid van het plan

Economische uitvoerbaarheid

De herontwikkeling in het projectgebied ten aanzien van het nieuwe IKC gebeurt op initiatief van de initiatiefnemers (basisschool De Plakkenberg en Humankind). De gemeente Oude IJsselstreek en de initiatiefnemers sluiten een samenwerkingsovereenkomst af voor de voorgenomen ontwikkeling. De gemeente bekostigt de bouw van het onderwijsdeel en de inrichting van de openbare ruimte. Ten aanzien van de nieuwe woningen in het projectgebied wordt een anterieure overeenkomst opgesteld tussen gemeente en initiatiefnemer (projectontwikkelaar). In een anterieure overeenkomst zijn de rechten en plichten van zowel de initiatiefnemer als de gemeente opgenomen, alsmede de definitieve regeling ten aanzien van het kostenverhaal. Met de samenwerkingsovereenkomst enerzijds en de anterieure overeenkomst anderzijds is de gehele voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied verzekerd van kostendekking en kostenneutraal voor de gemeente. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Vooroverleg

In het kader van het vooroverleg is het concept van het TAM-omgevingsplan gedeeld met de verschillende overlegpartners (Waterschap Rijn en IJssel en Provincie Gelderland). Eventuele verkregen relevante opmerkingen en wijzigingen zijn verwerkt in de verdere planuitwerking. Hiermee is de voorgenomen planontwikkeling akkoord bevonden door de verschillende overlegpartners. 6.2.2

Participatie

Voor de ontwikkeling heeft een grondig participatietraject plaatsgevonden, waarbij omwonenden zowel zijn geïnformeerd als zijn uitgenodigd om mee te denken over de ontwikkeling. Hiervoor zijn bijeenkomsten georganiseerd met omwonenden, de school, de kinderopvang, de gemeente en verschillende adviseurs. Ook is een klankbordgroep gevormd met enkele omwonenden. Verder zijn omwonenden geïnformeerd via brieven en het online platform van de gemeente Oude IJsselstreek. In totaal hebben zes bijeenkomsten plaatsgevonden; drie voor de omwonenden en drie voor de klankbordgroep. Uit deze sessies zijn enkele aandachtspunten naar voren gekomen die gedurende het proces in het stedenbouwkundig kader zijn geïmplementeerd. Het gaat hierbij met name om het aanpakken van water- en parkeeroverlast en het behoud van de groenstrook tussen het IKC en de woningen. Het participatieverslag is bijgevoegd als Bijlage 12. 6.2.3

Zienswijzen

Het ontwerp van dit wijzigingsbesluit is op grond van artikel 3:11 van Algemene wet bestuursrecht gedurende zes weken voor iedereen digitaal ter inzage gelegd en tegelijkertijd elektronisch beschikbaar gesteld via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB). Dit heeft niet geleid tot wijzigingen in het plan.

bestemmingsplan "TAM-Omgevingsplan Kom Silvolde, IKC Pastoor Bluemersplein 5, Silvolde" (vastgesteld)

39

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/5042/documents/33117