4 Motivering_TAM-omgevingsplan Kom Gendringen Grotestraat 42 Anholtseweg 2_def.pdf
Tekst van het document
Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. 4.6.2
Onderzoek
Grotestraat 42 Het projectgebied valt niet in een van de aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 of voor alleen PM10. Nader onderzoek is daarom niet benodigd. De eisen waaraan de luchtkwaliteit dient te voldoen zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving, § 5.1.4.1 “Kwaliteit van de buitenlucht”. Uit artikel 5.53 volgt dat een plan als “niet in betekenende mate luchtkwaliteit” kan worden aangemerkt en in beginsel is vrijgesteld van toetsing aan de wettelijke omgevingswaarden als sprake is van een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie stikstofdioxide en PM10 van 1,2 μg/m3 of minder. Onderstaand plan beoogt de ontwikkeling van circa 34 levensloopbestendige woningen (met zorg), waarmee dit plan als niet in betekenende mate kan worden aangemerkt. Anholtseweg 2 Het projectgebied valt niet in een van de aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 of voor alleen PM10. Nader onderzoek is daarom niet benodigd. De eisen waaraan de luchtkwaliteit dient te voldoen zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving, § 5.1.4.1 “Kwaliteit van de buitenlucht”. Uit artikel 5.53 volgt dat een plan als “niet in betekenende mate luchtkwaliteit” kan worden aangemerkt en in beginsel is vrijgesteld van toetsing aan de wettelijke omgevingswaarden als sprake is van een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie stikstofdioxide en PM10 van 1,2 μg/m3 of minder.
Artikel 5.54 stelt vervolgens dat gebouwen met ten hoogste 1.500 woningen als niet in betekenende mate kunnen worden gezien.
TAM-omgevingsplan ‘Kom Gendringen
50
Onderstaand plan beoogt de ontwikkeling van een supermarkt, waarmee dit plan als niet in betekenende mate kan worden aangemerkt. 4.6.3
Conclusie
Vanuit het milieuaspect luchtkwaliteit is er, mede gelet op de reeds aanwezige verkeersgeneratie, sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.7
Geur
4.7.1
Toetsingskader
Geurhinder is onderdeel van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit is opgenomen in paragraaf 5.1.4.6 Bkl ‘Geur’, onderdeel van paragraaf 5.1.4 ‘Beschermen van de gezondheid en van het milieu’. Geurhinder kan door verschillende bedrijfs- of hobbyactiviteiten veroorzaakt worden. Hierbij valt te denken aan veehouderijen en andere agrarische activiteiten maar ook bijvoorbeeld rioolwaterzuiveringsinstallaties. Voor een evenwichtige toedeling van geurhinder dient het aspect geur onderzocht te worden; •
indien geurveroorzakende activiteiten in de buurt van bestaande geurgevoelige gebouwen en/of locaties worden toegelaten.
•
indien geurgevoelige gebouwen en/of locaties in de buurt van bestaande geurveroorzakende activiteiten worden toegelaten.
Geurveroorzakende activiteiten Het Bkl geeft enkel voor drie bedrijfsmatige activiteiten aan welke geurbelasting of afstand acceptabel wordt geacht: •
Zuiveringtechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2)
•
Houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3)
•
Enkele andere agrarische activiteiten (subparagraaf 5.1.4.6.4)
Voor bedrijfsmatige activiteiten zoals onder meer industrie worden geen waarden en afstanden toegekend, enkel de algemene bepalingen van subparagraaf 5.1.4.6.1 zijn hierbij van toepassing. Ook in deze gevallen dient er rekening te worden gehouden met de geur afkomstig van deze activiteiten op geurgevoelige gebouwen. De geurveroorzakende activiteiten dienen te voldoen aan de regels van het tijdelijk omgevingsplan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit die voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: •
Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS);
•
Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS);
•
Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS);
•
Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS).
Geurgevoelige gebouwen en locaties Op grond van art. 5.91 lid 1 Bkl is er sprake van een geurgevoelig gebouw als een gebouw of een gedeelte van een gebouw een van de volgende functies onderbrengt: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
TAM-omgevingsplan ‘Kom Gendringen
51
b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Echter kan de gemeente in het omgevingsplan ook andere gebouwen, zoals logiesgebouwen of gevangenissen, of gedeeltes daarvan als geurgevoelig aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (art. 5.91 lid 4 Bkl). Daarnaast wordt op grond van artikel 5.91 lid 3 Bkl een nog niet bestaand gebouw, dat mag worden gebouwd op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, ook al als geurgevoelig gebouw beschouwd. 4.7.2
Onderzoek
Grotestraat 42 Voor onderhavig project wordt een woonfunctie gerealiseerd, en is er op grond van art. 5.91 lid 1 Bkl sprake van een geurgevoelig gebouw. In de omgeving van onderhavig planvoornemen zijn geen geurveroorzakende objecten gelegen. Derhalve is er geen sprake van een belemmering voor de belangen van de geurveroorzakende activiteiten in de omgeving. Anholtseweg 2 Voor onderhavig project wordt een supermarkt gerealiseerd, en is er op grond van art. 5.91 lid 1 Bkl sprake van een geurgevoelig gebouw. In de omgeving van onderhavig planvoornemen zijn geen geurveroorzakende objecten gelegen. Derhalve is er geen sprake van een belemmering voor de belangen van de geurveroorzakende activiteiten in de omgeving. 4.7.3
Conclusie
Vanuit het milieuaspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.8
Milieubelastende activiteiten
4.8.1
Toetsingskader
Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. In de VNG-publicatie zijn gebiedstyperingen opgenomen, te weten omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied en de omgevingstype gemengd gebied: 1. Omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied; 2.
Omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden
TAM-omgevingsplan ‘Kom Gendringen
52
beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. De indicatieve bedrijvenlijst in de VNG-publicatie geeft richtafstanden, gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of gemengd gebied. De richtafstanden in de bedrijvenlijst gelden voor een rustige woonwijk. Bij een omgevingstype gemengd gebied mag de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd. Voor een rustige woonwijk geldt dat de geluidsbelasting (etmaalwaarde) 45 dB(A) op de gevels van nabijgelegen geluidsgevoelige objecten mag bedragen. Voor een gemengd gebied geldt dat de geluidsbelasting (etmaalwaarde) 50 dB(A) op de gevels van nabijgelegen geluidsgevoelige objecten mag bedragen. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die het bedrijf (of andere milieubelastende functie) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning (of andere milieugevoelige functie). Woningen zijn milieugevoelige functies.
Aangezien onderhavig plan voorziet in de realisatie van woningen dient getoetst te worden of in deze woningen sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat en of omliggende bedrijven niet worden gehinderd door de ontwikkeling. 4.8.2
Toetsing
Grotestraat 42 Externe werking De externe werking betreft de vraag of de beoogde nieuwe functie binnen onderhavig plan niet zal leiden tot hinder voor bestaande of toekomstige hindergevoelige functies. De beoogde woningen binnen het plangebied vormen geen functie die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Daarnaast dient volledigheidshalve opgemerkt te worden dat er geen sprake is van onaanvaardbare geluidhinder die wordt veroorzaakt door de nieuwe verkeersbewegingen van het planvoornemen op de omliggende reeds bestaande woningen. In paragraaf 4.5 heeft hieromtrent een toelichting plaatsgevonden. Interne werking Naast de externe werking is er ook een interne werking als het gaat om het beoogde planvoornemen. De interne werking ziet erop toe dat medewerking aan het beoogde planvoornemen pas mogelijk is indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de woningen gegarandeerd is, alsmede dat bedrijven in de omgeving door de nieuwe woonfunctie niet in hun activiteiten worden gefrustreerd. Onderhavig project gebied kan, gelet op de diverse functies in de omgeving, worden aangemerkt als gemengd gebied. De meest dichtbijgelegen bedrijven betreffen een aantal midden- en kleinbedrijven grenzend aan het plangebied en waar de bestemming ‘Centrumvoorzieningen’ vigerend is.
Dit betreft kleine bedrijvigheid hoofdzakelijk (detailhandel) voor particulieren waaronder een fietsenwinkel, bed & breakfast, een bakkerij en een poelier. Deze bedrijven vallen allen binnen milieucategorie 1. Op basis van de richtafstandenlijst van de VNG bedraagt de grootste richtafstand in gemengd gebied voor deze bedrijven 0 meter. Het plangebied valt buiten deze richtafstand, derhalve wordt er voldaan aan de milieuzonering ten opzichte van deze bedrijvigheid. Anholtseweg 2 Externe werking
TAM-omgevingsplan ‘Kom Gendringen
53
De externe werking betreft de vraag of de beoogde nieuwe functie binnen onderhavig plan niet zal leiden tot hinder voor bestaande of toekomstige hindergevoelige functies. De beoogde supermarkt binnen het plangebied vormt een functie die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. De meest dichtbijgelegen milieugevoelige functies betreffen een aantal woningen grenzend aan het plangebied en waar de bestemming ‘Wonen’ vigerend is. De supermarkt valt op basis van de VNGrichtafstandenlijst binnen milieucategorie 1. Op basis van de richtafstandenlijst van de VNG bedraagt de grootste richtafstand in gemengd gebied 0 meter. Het plangebied valt buiten deze richtafstand, derhalve wordt er voldaan aan de milieuzonering ten opzichte van deze milieugevoelige functies. Tot slot dient volledigheidshalve opgemerkt te worden dat er geen sprake is van onaanvaardbare geluidhinder die wordt veroorzaakt door het omgevingslawaai van het planvoornemen op de omliggende reeds bestaande woningen. In paragraaf 4.5 heeft hieromtrent een toelichting plaatsgevonden. Interne werking Naast de externe werking is er ook een interne werking als het gaat om het beoogde planvoornemen.
De interne werking ziet erop toe dat medewerking aan het beoogde planvoornemen pas mogelijk is indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden wanneer het gaat om milieugevoelige functies. De onderhavige ontwikkeling (supermarkt) betreft geen milieugevoelige functie waardoor nadere toetsing voor wat betreft de interne werking niet aan de orde is. 4.8.3
Conclusie
Vanuit het milieuaspect activiteiten en milieuzonering is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.9
Omgevingsveiligheid
4.9.1
Toetsingskader
Het aspect omgevingsveiligheid heeft betrekking op de mogelijkheden om een brand, ramp of crisis te voorkomen, te beperken en te bestrijden. Het beschermen van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van risicovolle activiteiten is cruciaal. Daarnaast is het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving bij een ongeval van een risicovolle activiteit van groot belang. De algemene regels van het Rijk hiervoor zijn vastgelegd in het Bkl en het Bal. Kwetsbare gebouwen en locaties In het Bkl is onderscheid gemaakt in 3 categorieën ‘gebouwen en locaties’ waarvoor de regels bescherming bieden: 1. Zeer kwetsbaar (alleen gebouwen) 2. Kwetsbaar (gebouwen en locaties) 3. Beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties) Bij het bepalen van de kwetsbaarheid wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de duur van hun aanwezigheid en in hoeverre zij zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. De aanwijzing van bovenstaande categorieën ‘gebouwen en locaties’ staat in bijlage VI van het Bkl. Risicobronnen Risicobronnen zijn activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen die risicobronnen vormen. Het gaat om de volgende soorten activiteiten:
TAM-omgevingsplan ‘Kom Gendringen
54
•
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Bal.
•
Het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor.
•
Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal.
•
Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal.
Plaatsgebonden risico De risico’s voor de omgevingsveiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan een grenswaarde, ook wel een basisbeschermingsniveau genoemd, voor het plaatsgebonden risico in acht nemen. Dit geldt met name voor zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties. De waarden voor het plaatsgebonden risico worden ruimtelijk vertaald naar afstanden tot gebouwen en locaties. De plaatsgebonden risico's worden op kaarten weergegeven met zogeheten risicocontouren. Gebouwen en locaties die als (zeer) kwetsbaar worden beschouwd, mogen niet binnen de PR-10-6-contour van een activiteit vallen. Het respecteren van de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico betekent dat de gemeente alleen onder voorwaarden die in het Bkl zijn vastgesteld, mag afwijken van deze grenswaarde. Groepsrisico, aandachtsgebieden en voorschriftengebieden Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe benadering van het groepsrisico onder de Omgevingswet.
Het groepsrisico (GR) gaat over de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied (artikel 5.15, lid 1 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Dit betekent dat binnen dat gebied levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen optreden, zelfs als de kans daarop klein is. Aandachtsgebieden worden vastgelegd in het ‘Register Externe Veiligheidsrisico’s’ en zijn digitaal raadpleegbaar. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Hierdoor zijn er ook drie typen aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl): 1. brandaandachtsgebied 2. explosieaandachtsgebied 3. gifwolkaandachtsgebied. 4.9.2
Toetsing
Grotestraat 42 Er is een quickscan omgevingsveiligheid uitgevoerd om de impact van het planvoornemen op de fysieke leefomgeving te beoordelen en vice versa. Volgens bijlage VI van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt een gebouw met een woonfunctie ingedeeld in de categorie ‘kwetsbaar’. Aangezien het gaat om de ontwikkeling van circa 34 levensloopbestendige woningen (met zorg), wordt dit beschouwd als een kwetsbaar object. Het is derhalve noodzakelijk om de externe veiligheidsrisico's te onderzoeken en na te gaan of het plangebied in een brand-,
TAM-omgevingsplan ‘Kom Gendringen
55
explosie- of gifwolkaandachtsgebied ligt. Met het planvoornemen is geen sprake van de realisatie van een risicovolle activiteit.
Figuur 4.1 aandachtsgebieden gifwolk, explosie en brand ten opzichte van het plangebied (bron: Atlas Leefomgeving)
Vanwege de realisatie van een kwetsbaar object, is onderzocht of zich in de buurt van het plangebied risicobronnen in de vorm van risicovolle bedrijvigheid, leidingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Kwetsbare gebouwen mogen niet binnen de PR-10-6-contour van een activiteit vallen. Het plangebied ligt buiten de PR-10-6-contouren van enige activiteit. Ook ligt het plangebied buiten de aandachtsgebieden, zoals bedoeld in artikel 5.2 Bkl. Dit is in figuur 4.1 weergegeven. Omdat de projectlocatie geheel buiten de aandachtsgebieden van risicovolle activiteiten ligt, is een nadere beschouwing van het aspect omgevingsveiligheid niet noodzakelijk. Ook behoeven er in dit TAMomgevingsplan geen nadere voorschriften op dit punt te worden gesteld. Anholtseweg 2 Er is een quickscan omgevingsveiligheid uitgevoerd om de impact van het planvoornemen op de fysieke leefomgeving te beoordelen en vice versa. Volgens bijlage VI van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt een supermarkt beschouwd als een beperkt kwetsbaar object. Het is derhalve noodzakelijk om de externe veiligheidsrisico's te onderzoeken en na te gaan of het plangebied in een brand-, explosie- of gifwolkaandachtsgebied ligt. Met het planvoornemen is geen sprake van de realisatie van een risicovolle activiteit.
TAM-omgevingsplan ‘Kom Gendringen
56
Figuur 4.2 aandachtsgebieden gifwolk, explosie en brand ten opzichte van het plangebied (bron: Atlas Leefomgeving)
Vanwege de realisatie van een kwetsbaar object, is onderzocht of zich in de buurt van het plangebied risicobronnen in de vorm van risicovolle bedrijvigheid, leidingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Kwetsbare gebouwen mogen niet binnen de PR-10-6-contour van een activiteit vallen. Het plangebied ligt buiten de PR-10-6-contouren van enige activiteit. Ook ligt het plangebied buiten de aandachtsgebieden, zoals bedoeld in artikel 5.2 Bkl. Dit is in figuur 4.2 weergegeven. Omdat de projectlocatie geheel buiten de aandachtsgebieden van risicovolle activiteiten ligt, is een nadere beschouwing van het aspect omgevingsveiligheid niet noodzakelijk. Ook behoeven er in dit TAMomgevingsplan geen nadere voorschriften op dit punt te worden gesteld. 4.9.3
Conclusie
Vanuit het milieuaspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Met betrekking tot mijnschachten, is er een restrisico welke geaccepteerd dient te worden.
4.10
Water
4.10.1
Toetsingskader
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Voor het omgevingsplan blijft de weging van waterbelangen verplicht en dient het milieuaspect water een integraal onderdeel van het omgevingsbeleid te vormen. Dit proces krijgt onder de naam ‘weging van waterbelangen’ een plaats bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties (voorheen bekend als de watertoets).
TAM-omgevingsplan ‘Kom Gendringen
57
Middels de weging van waterbelangen dient inzicht te worden geboden in de effecten van het initiatief op stedelijk afvalwater, grondwater en hemelwater. De weging van het waterbelang zorgt er voor dat per initiatief de klimaatbestendigheid van het watersysteem en een water robuuste inrichting van de omgeving vroegtijdig in de planvorming worden betrokken (artikel 5.37 lid 1 van het Bkl). Daarbij is het van belang dat er op een gestructureerde wijze afstemming tussen waterschap en de gemeente plaatsvindt, waarbij een constructieve en doorlopende afstemming van belang is. Voor ieder ruimtelijk plan is een formele weging van het waterbelang noodzakelijk. De weging van het waterbelang is een instrument waarmee de waterhuishoudkundige belangen een doorlopende positie krijgen in het ruimtelijke beleid, niet alleen op basis van concrete ontwikkelingen. Door samenwerking met de verschillende bevoegdheden (Gemeente, Provincie, Waterschap, Rijk) wordt gestreefd naar een duurzaam watersysteem. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet kan door het bevoegd gezag tijdelijk gebruik worden gemaakt van de regels zoals opgenomen in de bruidsschat (onder afdeling 22.3 milieubelastende activiteiten bruidsschat omgevingsplan). De regels veranderen pas op het moment dat het bevoegd gezag voor een bepaald gebied het omgevingsplan vaststelt. 4.10.2
Onderzoek
Grotestraat 42 Om de waterhuishoudkundige consequenties van het plan of omgevingsactiviteit in beeld te brengen en de waterbelangen te waarborgen c.q. te wegen is voor deze situatie de rapportage ‘watertoets’17 opgesteld. Deze rapportage vormt de basis voor het vastleggen van het wateraspect en de weging van het waterbelang zoals dat in de Omgevingswet is opgenomen. Onderstaand zijn de belangrijkste resultaten samengevat weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Ten opzichte van de huidige situatie zal ten aanzien van de ontwikkeling het verhard oppervlak afnemen met 860 𝑚2 . Het verhard oppervlak in de toekomstige situatie bedraagt ca. 1.400 𝑚2 . Vanuit waterschap Rijn en IJssel is het uitgangspunt bij de planuitwerking van nieuwe ontwikkelingen, welke groter zijn dan 1.500 m𝑚2 , dat het hemelwater in het plangebied geïnfiltreerd of geborgen wordt en vertraagd wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater. Dat betekent dus dat bij een projectgebied groter dan 1.500 𝑚2 minimaal 80 mm hemelwater in een infiltratievoorziening moet worden geborgen. Conform het beleid van waterschap Rijn en IJssel is ten aanzien van de ontwikkeling een compenserende berging benodigd van minimaal ca. 112 𝑚3 (1.400 𝑚2 x 80 mm / 1.000). Om te kunnen voorzien in voldoende waterberging zal gezocht moeten worden naar een hemelwaterbergingsvoorziening.
Op basis van de ontwateringsdiepte behoort een ondergrondse hemelwater voorzieningen tot de mogelijkheden. Hieronder wordt een mogelijke ondergrondse voorziening uitgewerkt. Voor de benodigde ondergrondse waterberging is vooralsnog gekozen voor het systeem type Watertable® van Trewatin. De Watertable® is een ondergronds modulair systeem van prefab beton elementen. Het systeem is mantoegankelijk waardoor deze is te inspecteren en te reinigen. De netto inhoud van de Watertable bedraagt circa 6.788 liter per element. Hierbij is uitgegaan van afmetingen per element: 2,0 x 2,0 m, hoogte uitwendig 2,0 m. Per 𝑚2 bedraagt de netto inhoud derhalve 1.697 liter (1,7 𝑚3 ). Om de
17
Econsultancy, Watertoets Grotestraat 42 te Gendringen, rapportnummer: 26202.002 D1, d.d. 20 december 2024.
TAM-omgevingsplan ‘Kom Gendringen
58
wateropgave van 112 𝑚3 te kunnen bergen zijn in totaal 17 elementen benodigd (112 𝑚3 / 6,788 𝑚3 ). Binnen de deellocatie is voldoende ruimte om de wateropgave te verwerken. Anholtseweg 2 Om de waterhuishoudkundige consequenties van het plan of omgevingsactiviteit in beeld te brengen en de waterbelangen te waarborgen c.q. te wegen is voor deze situatie de rapportage ‘watertoets’18 opgesteld. Deze rapportage vormt de basis voor het vastleggen van het wateraspect en de weging van het waterbelang zoals dat in de omgevingswet is opgenomen. Onderstaand zijn de belangrijkste resultaten samengevat weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Ten opzichte van de huidige situatie zal ten aanzien van de ontwikkeling het verhard oppervlak toenemen met 80 𝑚2 . Het verhard oppervlak in de toekomstige situatie bedraagt ca. 5.680 𝑚2 . Vanuit waterschap Rijn en IJssel is het uitgangspunt bij de planuitwerking van nieuwe ontwikkelingen, welke groter zijn dan 1.500 𝑚2 , dat het hemelwater in het plangebied geïnfiltreerd of geborgen wordt en vertraagd wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater. Dat betekent dus dat bij een projectgebied groter dan 1.500 𝑚2 minimaal 80 mm hemelwater in een infiltratievoorziening moet worden geborgen. Conform het beleid van het waterschap is ten aanzien van de ontwikkeling een compenserende berging benodigd van minimaal ca.
455 𝑚3 (5.680 𝑚2 x 80 mm / 1.000). Binnen de locatie is weinig ruimte beschikbaar om hemelwater bovengronds te bergen. Hierdoor zal gezocht moeten worden naar een ondergrondse voorziening. Afhankelijk van het type voorziening en de belastbaarheid hebben ondergrondse systemen een bepaalde gronddekking nodig. De GHG en de benodigde gronddekking zijn bepalend of een ondergrondse bergingsvoorziening zonder verlies van berging kan worden aangelegd. Dit kan middels infiltratiekratten of Rockflow. Om de wateropgave van 455 𝑚3 met kratten te kunnen bergen zijn in totaal 1.058 kratten benodigd. Wanneer de kratten niet worden gestapeld, is een minimaal oppervlak benodigd van ca. 762 𝑚2 (1,2 m x 0,6 m x 1.058 st). Onder de terreinverharding is voldoende ruimte om de wateropgave van de locatie te verwerken. Een element van 50 cm waarin 95% aan holle ruimte aanwezig is, heeft een bergingscapaciteit van ca. 475 liter per 𝑚2 . Om het regenwater tijdelijk te bufferen, te infiltreren of vertraagd af te voeren is voor de waterbergings-opgave van 455 𝑚3 een oppervlak benodigd van 958 m2 (455 𝑚3 / 0,475 𝑚3 ). Onder de terreinverharding is voldoende ruimte om de wateropgave van de locatie te verwerken. Advies waterschap Naar aanleiding van het planvoornemen is overleg gevoerd met het Waterschap Rijn en IJssel.
In dit overleg is het oorspronkelijke advies om 80 mm waterberging te realiseren bijgesteld. De aanleiding hiervoor is de significante afname van het verhard oppervlak op het Willem-Alexanderplein. Waar in de oude situatie sprake was van 5.600 m² verhard oppervlak (inclusief bebouwing), wordt dit in de nieuwe situatie teruggebracht naar 3.470 m². Dit betekent een afname van 2.130 m², oftewel een reductie van 38%. Deze afname van verharding heeft een positief effect op het watersysteem, omdat minder verhard oppervlak leidt tot minder afstromend hemelwater en daarmee minder belasting van het rioolstelsel. In de nieuwe situatie wordt bovendien ingezet op het zoveel mogelijk opvangen en infiltreren van hemelwater in het
18
Econsultancy, Watertoets Anholtseweg 2 te Gendringen, rapportnummer: 26202.002 D2, d.d. 20 december 2024.
TAM-omgevingsplan ‘Kom Gendringen
59
gebied zelf. Hiermee wordt niet alleen voldaan aan de wateropgave, maar wordt ook ingespeeld op de toenemende klimaatveranderingen en de noodzaak tot het vasthouden van water in de bodem. Het waterschap adviseert dan ook om, ondanks het vervallen van de 80 mm bergingseis, de infiltratiecapaciteit van het gebied optimaal te benutten. Door deze aanpak wordt bijgedragen aan een robuust en toekomstbestendig watersysteem. 4.10.3
Conclusie
Er zijn, gelet op het advies van het waterschap, geen belemmeringen te verwachten. Negatieve effecten op het waterhuishoudkundig systeem kunnen redelijkerwijs worden uitgesloten.
4.11
Mobiliteit en parkeren
4.11.1
Toetsingskader
Een toevoeging of wijziging van functies op locaties zorgt vaak voor een verandering van de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie van een gebied. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s en fietsen en wat het effect is op de bereikbaarheid en de verkeersafwikkeling. Er mag geen onaanvaardbaar effect op de omgeving optreden. Dit geldt ook bij omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Om te bepalen wat de effecten van de activiteit op de verkeersaantrekkende werking van het plangebied zijn, kan gebruik worden gemaakt van de kengetallen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW) (publicatie 2024). Deze kengetallen zijn algemeen erkend en geven een indicatie van de ontwikkeling gepaard gaande extra verkeersgeneratie. Ook bieden ze richtlijnen voor het aantal te realiseren parkeerplaatsen. De CROW-kengetallen zijn richtlijnen waarvan afgeweken kan worden. Gemeenten kunnen ervoor kiezen om zelf parkeerbeleid met parkeernormen vast te stellen waar nieuwe ontwikkelingen aan moeten voldoen. De activiteit dient in dit geval aan het gemeentelijk beleid te worden getoetst. Verder bevatten omgevingsvisies van gemeenten een visie op verkeer op gemeentelijk niveau.
Daarin worden vaak mobiliteit, bereikbaarheid en verkeersveiligheid als belangrijk geacht. Planinitiatieven dienen daaraan te worden getoetst. 4.11.2
Onderzoek
Grotestraat 42 Verkeer Het initiatief zal zorgen voor een verandering van de verkeersgeneratie. De verkeersgeneratie voor het initiatief is berekend volgens de stedelijkheidsgraad ‘weinig stedelijk’ met een ligging in de zone ‘centrum’, behorende bij de woningtypologie ‘huur, appartement, vrije sector 75-100 m2’ conform de ‘Parkeerkencijfers 2024’. Daarmee heeft het initiatief een verkeersgeneratie van minimaal 3,3 en maximaal 4,1 motorvoertuigen per etmaal (mvt/etmaal) per woning. In totaal heeft het initiatief een verkeersgeneratie van minimaal 113 en maximaal 140 mvt/etmaal. Gezien het profiel van de omliggende wegen kunnen deze de nieuwe verkeersgeneratie in voldoende mate opvangen. De extra verkeersbewegingen zorgen naar verwachting niet voor onevenredig negatieve effecten op het verkeersbeeld. Parkeren De parkeerplaatsen aan de Grotestraat behorende bij de ‘oude’ supermarkt worden gebruikt ten behoeve van de nieuwe appartementen. Om de parkeerbehoefte van de woningen te berekenen is er gebruik gemaakt van de ‘Parkeerkencijfers 2024’. De parkeerbehoefte voor het initiatief is berekend volgens de
TAM-omgevingsplan ‘Kom Gendringen
60
stedelijkheidsgraad ‘weinig stedelijk’ met een ligging in de zone ‘centrum’, behorende bij de woningtypologie ‘huur, appartement, vrije sector 75-100 m2’ conform de CROW publicatie 2024. Daarmee heeft het initiatief een parkeerbehoefte van minimaal 11 (10,2). Ter plaatse van de parkeerplaats van de ‘oude’ supermarkt zijn voldoende parkeerplaatsen aanwezig om deze parkeerbehoefte op te vangen. Anholtseweg 2 Verkeer Het initiatief zal zorgen voor een verandering van de verkeersgeneratie. De verkeersgeneratie voor het initiatief is berekend volgens de stedelijkheidsgraad ‘weinig stedelijk’ met een ligging in de zone ‘schil centrum’, behorende bij de categorie ‘Fullservice-supermarkt’ conform de ‘Parkeerkencijfers 2024’. Daarmee heeft het initiatief een verkeersgeneratie van minimaal 89,9 en maximaal 131,5 motorvoertuigen per etmaal (mvt/etmaal) per 100 m2 bvo. In totaal heeft het initiatief een verkeersgeneratie van minimaal 1.754 en maximaal 2.565 mvt/etmaal. Gezien het profiel van de omliggende wegen kunnen deze de nieuwe verkeersgeneratie in voldoende mate opvangen. De extra verkeersbewegingen zorgen naar verwachting niet voor onevenredig negatieve effecten op het verkeersbeeld. Parkeren Om de parkeerbehoefte van de supermarkt te berekenen is er gebruik gemaakt van de ‘Parkeerkencijfers 2024’.
De parkeerbehoefte voor het initiatief is berekend volgens de stedelijkheidsgraad ‘weinig stedelijk’ met een ligging in de zone ‘schil centrum’, behorende bij de categorie ‘Fullservice-supermarkt’. Daarmee heeft het initiatief een totale parkeerbehoefte van minimaal 58. Ter plaatse van de supermarkt zullen er 101 parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd. Dit betekent dat de benodigde parkeerbehoefte ruim kan worden opgevangen. 4.11.3
Conclusie
Gelet op de bovenstaande berekeningen, kan er worden geconcludeerd dat de aspecten verkeer en parkeren geen belemmering vormen voor onderhavig planvoornemen.
4.12
Trilling
4.12.1
Toetsingskader
Trilling kan nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Het kan effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt daarom (delen van) gebouwen en de mensen die daarin verblijven tegen trillingen van activiteiten. De aanwijzing van trilling gevoelige gebouwen staat in artikel 5.80 Bkl. Hieronder vallen gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie, bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en de bijbehorende nevengebruiksfuncties. Er zijn verschillende soorten trillingen met verschillende bronnen. De Omgevingswet maakt bij de instructieregels over trillinghinder door activiteiten onderscheid tussen: •
Continue trillingen (trillingen die gedurende een lange tijd aanwezig zijn, door bijvoorbeeld machines of druk wegverkeer)
•
Herhaald voorkomende trillingen (kortdurende trillingen die periodiek voorkomen, door bijvoorbeeld treinverkeer)
Bronnen van trillingen zijn verkeer over de weg of het spoor, machines in de industrie en bouw- en sloopactiviteiten. Deze bronnen veroorzaken een trilling die voelbaar is in gebouwen. Dit gebeurt bijvoorbeeld via de vloer en de wanden. Trillingen kunnen op grote afstand hinder of schade opleveren.
TAM-omgevingsplan ‘Kom Gendringen
61
In beginsel moet binnen een afstand van 100 meter van een treinspoor het risico op trillinghinder worden beoordeeld. In sommige gevallen is het nodig om het onderzoeksgebied uit te breiden tot 250 meter aan weerszijden van het spoor. Hiervan is bijvoorbeeld sprake wanneer er reeds klachten door trillinghinder van het spoor op een grotere afstand dan 100 meter bestaan 19. Omgevingsplan Het aspect trilling is vooral een lokaal probleem. Gemeenten mogen zelf regels stellen over trilling door milieubelastende activiteiten in het omgevingsplan. Hiervoor gelden de instructieregels over (continue en herhaald voorkomende) trillingen door activiteiten op trilling gevoelige gebouwen in het Bkl (paragraaf 5.1.4.4). De instructieregels voor trillingen door activiteiten gelden voor: •
het op een locatie toelaten van een activiteit en het aanpassen daarvan
•
het op een locatie toelaten van een trilling gevoelig gebouw en het aanpassen daarvan
•
een combinatie van beide
Het gaat hierbij om activiteiten die trillingen veroorzaken in een trilling gevoelige ruimte van een trilling gevoelig gebouw in een frequentie van 1 tot 80 Hz. Er zijn ook activiteiten die uitgezonderd zijn van de instructieregels: •
trilling gevoelige gebouwen op een industrieterrein waarvoor een geluidproductieplafond is ingesteld (artikel 5.79, lid 2, onder a, Bkl)
•
de activiteit wonen
•
verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen
In het omgevingsplan leggen gemeenten vast welke trillingen door een activiteit in trilling gevoelige ruimten van trilling gevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn (artikel 5.83 Bkl). Bij verlening van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit moet hier aan worden voldaan. Hierbij vindt een afweging plaats tussen het beschermen van de fysieke leefomgeving en het benutten van een locatie. Daarbij houdt de gemeente rekening met alle betrokken belangen. Trillingen zijn aanvaardbaar als de standaardwaarden voor continue en herhaald voorkomende trillingen uit de artikelen 5.87 en 5.87a van het Bkl worden overgenomen (conform artikel 5.86 Bkl). Volgens artikel 5.87 Bkl dienen continue trillingen in eerste instantie te voldoen aan de in het omgevingsplan opgenomen waarden voor die trillingen, bedoeld onder A1. Indien hieraan wordt voldaan, is er sprake van een acceptabele situatie. Wanneer niet wordt voldaan aan deze waarden, moeten de continue trillingen voldoen aan de in het omgevingsplan opgenomen waarden onder A2 en A3. Hetzelfde geldt voor artikel 5.87a Bkl over de standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. In het tijdelijk deel van het ‘Omgevingsplan gemeente Gelderland’ is het aspect trillingen in artikel 22.83 tot en met 22.89 van paragraaf 22.3.5 vermeld.
Ook is in artikel 22.18 de specifieke zorgplicht benoemd voor het gebruik van bouwwerken om overlast of hinder door trilling te voorkomen.
19
https://iplo.nl/thema/trillingen/trillingen-instrumenten/omgevingsplan/nieuwbouw-langs-spoor/
TAM-omgevingsplan ‘Kom Gendringen
62
4.12.2
Onderzoek
Grotestraat 42 Het planvoornemen maakt een trilling gevoelig gebouw mogelijk, namelijk woningen met een woonfunctie. Het is van belang dat de bewoners geen hinder ervaren van trilling door de omgeving. Uit een gedegen analyse is gebleken dat er geen bedrijven zijn gelegen in de nabije omgeving met continue of herhaald voorkomende trillingen door een activiteit, waar het gebouw hinder van kan ervaren. Tevens zijn er al diverse maatgevende woonbestemmingen rondom het plangebied gelegen. Er is geen spoorlijn in de omgeving van de nieuwe bebouwing gelegen20. Gezien het plangebied buiten het onderzoeksgebied van 100 meter en 250 meter valt, kan hinder door trillingen van het treinverkeer worden uitgesloten en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in zoverre worden geborgd. Geconcludeerd kan worden dat onderhavig planvoornemen passend is binnen de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening en het gemeentelijke omgevingsplan, en de ambities uit de gemeentelijke omgevingsvisie. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Anholtseweg 2 Het planvoornemen maakt geen (beperkt) trilling gevoelig gebouw mogelijk, namelijk een supermarkt. Het is van belang dat de gebruikers geen hinder ervaren van trilling door de omgeving.
Uit een gedegen analyse is gebleken dat er geen bedrijven zijn gelegen in de nabije omgeving met continue of herhaald voorkomende trillingen door een activiteit, waar het gebouw hinder van kan ervaren. Tevens zijn er al diverse maatgevende woonbestemmingen rondom het plangebied gelegen. Er is geen spoorlijn in de omgeving van de nieuwe bebouwing gelegen21. Gezien het plangebied buiten het onderzoeksgebied van 100 meter en 250 meter valt, kan hinder door trillingen van het treinverkeer worden uitgesloten en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in zoverre worden geborgd. Geconcludeerd kan worden dat onderhavig planvoornemen passend is binnen de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening en het gemeentelijke omgevingsplan, en de ambities uit de gemeentelijke omgevingsvisie. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. 4.12.3
Conclusie
Vanuit het milieuaspect trilling is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.13
Milieueffectrapportage
4.13.1
Toetsingskader
Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een wijziging omgevingsplan volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage op basis van paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, wordt bepaald op basis van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V bij het Omgevingsbesluit heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van projecten waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. In kolom 4 zijn de besluiten opgenomen waarvoor de mer-
20 21
https://spoorkaart.mwnn.nl/ https://spoorkaart.mwnn.nl/
TAM-omgevingsplan ‘Kom Gendringen
63
(beoordelings)plicht geldt. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Daarnaast kan de mer-(beoordelings)plicht nog gelden voor enkele bijzondere besluiten uit andere wetten, zoals de vergunning op basis van de Kernenergiewet. Of er voor het besluit een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een merbeoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Of een project, die voorkomt in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, aanzienlijke milieueffecten heeft, wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Bij de beoordeling houdt het bevoegd gezag rekening met: a. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn, b. voor zover relevant: de resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen van milieueffecten die op grond van verordeningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkregen. Een initiatiefnemer die voornemens is een project uit te voeren deelt dit voornemen zo spoedig mogelijk mee aan het bevoegd gezag (artikel 16.45 Omgevingswet). Deze mededeling kan plaatsvinden door middel van een aanmeldnotitie. 4.13.2
Conclusie
Grotestraat 42 Onderhavig planvoornemen is opgenomen in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, gezien er circa 34 levensloopbestendige woningen (met zorg) worden toegevoegd. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is er een mer-beoordeling22 opgesteld. Anholtseweg 2 Onderhavig planvoornemen is opgenomen in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, gezien er een supermarkt wordt toegevoegd. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is er een mer-beoordeling23 opgesteld.
4.14
Gezondheid
4.14.1
Toetsingskader
In artikel 1.3 van de Omgevingswet worden de maatschappelijke doelen van de wet uiteengezet, waaronder het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving. Er bestaat landelijk de wens om gezondheid meer integraal en volwaardig te betrekken in het nationale en lokale beleid over de fysieke leefomgeving. De inrichting van de fysieke leefomgeving kan direct bijdragen aan de gezondheid van inwoners. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners namelijk als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. Binnen de Omgevingswet hebben decentrale overheden de mogelijkheid om hun eigen gezondheidsambities en regels vast te leggen en uit te werken via instrumenten zoals de omgevingsvisie, omgevingsverordening en programma's. De beleidsambities met betrekking tot gezondheid kunnen sterk variëren per gemeente. Tevens hebben veel gemeenten ervoor gekozen om beleidsneutraal over te gaan naar de Omgevingswet. Dit houdt in dat voornamelijk in de beginfase na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, gemeenten nog geen tot weinig beleid zullen hebben met betrekking tot gezondheid. In een later stadium zal het beleid sterk per gemeente verschillen.
22 23
BRO, mer-aanmeldnotitie Grotestraat 42, rapportnummer P06604, d.d. 18 september 2024 BRO, mer-aanmeldnotitie Anholtseweg 2, rapportnummer P06604, d.d. 18 september 2024
TAM-omgevingsplan ‘Kom Gendringen
64
Omgevingsvisie In artikel 3.3 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag in de omgevingsvisie rekening moet houden met milieubeginselen. Artikel 191 van het 'Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie' kent 4 milieubeginselen: •
het voorzorgsbeginsel
•
het beginsel van preventief handelen
•
het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron bestreden moeten worden
•
het beginsel dat de vervuiler betaalt
In de omgevingsvisie staat dat expliciet rekening moet worden gehouden met deze vier beginselen. Samen met de algemene rechtsbeginselen dragen de milieubeginselen bij aan de kwaliteit van beleid en regelgeving, en aan het vinden van een goede balans tussen bescherming en benutting van de fysieke leefomgeving (artikel 23.6 en artikel 3.3 van de Omgevingswet). Omgevingsplan Volgens artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet moet het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies in het omgevingsplan rekening houden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Naast het waarborgen van gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag ook het belang van gezondheidsbevordering in overweging nemen. Een fysieke leefomgeving kan positieve gezondheidseffecten hebben wanneer deze uitnodigt tot gezond gedrag, mensen aanspoort tot meer bewegen, gezonder eten en sociale interactie. Het Rijk legt ondergrenzen vast voor de bescherming van de gezondheid, bijvoorbeeld door middel van instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur, trillingen, waterkwaliteit en bodem. Het Bkl bevat specifieke instructieregels voor de bescherming van de gezondheid en het milieu (paragraaf 5.1.4 Bkl). Deze randvoorwaarden worden geïntegreerd in het omgevingsplan. Gezien de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet, vereist dit aspect een brede motivering.
Milieuaspecten zoals geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit zijn nauw verweven met gezondheid. Daarom wordt in deze paragraaf ook verwezen naar andere milieuaspecten in deze motivering. 4.14.2
Onderzoek
Grotestraat 42 Aangezien het planvoornemen de realisatie van een nieuwe activiteit omvat, moet worden onderzocht en onderbouwd op welke manier dit initiatief rekening houdt met het gezondheidsaspect. Met onderhavig planvoornemen worden er circa 34 levensloopbestendige woningen (met zorg) toegevoegd en wordt de supermarktfunctie beëindigd. Met onderhavig planvoornemen wordt een versteend gebied gedeeltelijk vergroend en wordt een groenvoorziening gerealiseerd. Deze ingrepen hebben een positieve impact heeft op de gezondheid. Een groene omgeving draagt namelijk bij aan de fysieke en mentale gezondheid. Tevens heeft het een positieve impact op het sociale welzijn en heeft een groene omgeving meerdere milieuvoordelen, wat weer een doorwerking heeft op de gezondheid van de mens. Ook is van belang dat met het planvoornemen geen activiteiten mogelijk worden gemaakt die leiden tot gezondheidsrisico’s voor de omgeving. Ook zijn er in de omgeving geen functies aanwezig met een aanzienlijke negatieve impact op de gezondheid voor personen binnen het plangebied. De beoogde functie wordt dan ook op een verantwoorde locatie mogelijk gemaakt.
TAM-omgevingsplan ‘Kom Gendringen
65
Anholtseweg 2 Aangezien het planvoornemen de realisatie van een nieuwe activiteit omvat, moet worden onderzocht en onderbouwd op welke manier dit initiatief rekening houdt met het gezondheidsaspect. Met onderhavig planvoornemen worden er een supermarkt toegevoegd en worden huidige detailhandelsmogelijkheden (waaronder een meubelboulevard) beëindigd. Met onderhavig planvoornemen wordt een versteend gebied gedeeltelijk vergroend. Deze ingrepen hebben een positieve impact heeft op de gezondheid. Een groene omgeving draagt namelijk bij aan de fysieke en mentale gezondheid. Tevens heeft het een positieve impact op het sociale welzijn en heeft een groene omgeving meerdere milieuvoordelen, wat weer een doorwerking heeft op de gezondheid van de mens. Ook is van belang dat met het planvoornemen geen activiteiten mogelijk worden gemaakt die leiden tot gezondheidsrisico’s voor de omgeving. Ook zijn er in de omgeving geen functies aanwezig met een aanzienlijke negatieve impact op de gezondheid voor personen binnen het plangebied. De beoogde functie wordt dan ook op een verantwoorde locatie mogelijk gemaakt. 4.14.3
Conclusie
Vanuit het milieuaspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.15
Duurzaamheid
4.15.1
Toetsingskader
Duurzaamheid is een steeds belangrijker wordende kwestie voor onze samenleving. Het gaat hierbij om de manier waarop we omgaan met onze natuurlijke omgeving en hoe we ervoor zorgen dat we deze niet uitputten voor onze toekomstige generaties. Er bestaat geen vast omschrijving of definitie voor de term duurzaamheid, dit zorgt ervoor dat iedereen zijn eigen invulling kan hebben over wat het precies betekent. Over het algemeen wordt met duurzaamheid een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de behoeften van toekomstige generaties, zowel hier als in andere delen van de wereld in gevaar te brengen bedoeld. Duurzaamheid is een aspect wat zowel op de korte termijn als lange termijn toegepast dient te worden. Er spelen diverse trends en ontwikkelingen op het gebied van duurzaamheid binnen nieuwbouw. Duurzaamheid bij nieuwbouw verwijst naar het ontwerpen, bouwen en onderhouden van gebouwen op een manier die zo min mogelijk impact heeft op het milieu. Tegelijkertijd ook efficiënt en gezond is voor de mensen die erin wonen of werken. Duurzaamheid is dus een breed begrip en omvat verschillende aspecten: •
Energie-efficiëntie: het verminderen van energieverbruik door gebruik te maken van duurzame energiebronnen, zoals zonne-energie of windenergie;
•
Materialen: het gebruik van duurzame en milieuvriendelijke materialen, zoals gerecyclede of hernieuwbare materialen;
•
Gezondheid en comfort: het creëren van een gezonde binnen omgeving met goede ventilatie, natuurlijke verlichting en materialen die de binnen kwaliteit verbeteren;
•
Levensduur en Hergebruik: het ontwerpen van gebouwen met een lange levensduur en de mogelijkheid tot aanpassing of hergebruik van materialen om de hoeveelheid afval te verminderen.
De focus op duurzaamheid bij ruimtelijke ontwikkelingen is belangrijk om de ecologische voetafdruk van de bouwsector te verminderen, een sector die historisch gezien veel grondstoffen verbruikt en bijdraagt aan vervuiling van het klimaat.
TAM-omgevingsplan ‘Kom Gendringen
66
De eisen met betrekking tot duurzaamheid zijn opgenomen in afdeling 4.4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Van belang zijn de BENG normen en de MPG waarden. BENG Normen BENG staat voor Bijna energie neutrale gebouwen, en zijn geformuleerd met het doel om de CO2 uitstoot van nieuwbouw terug te dringen. Er zijn drie verschillende manieren waarin BENG tot uitdrukking komt. Dit zijn de volgende: •
BENG 1-eis: Terugbrengen van de energiebehoefte;
•
BENG 2-eis: Beperken van het fossiele energiegebruik (Bijvoorbeeld Gas en olie);
•
BENG 3- eis: Benutten van hernieuwbare energie.
Naast deze drie eisen is er nog één aanvullende eis die van belang is met name in samenhang met klimaatadaptatie, dit is de indicator voor verlaging van het risico op oververhitting van gebouwen genaamd TOJuli). De BENG eisen gelden alleen voor nieuwbouw, bestaande bebouwing hoeft dus niet aan deze eisen te voldoen. MPG Waarden MPG staat voor Milieuprestatie gebouwen. Een MPG berekening toont aan wat de milieu impact van een nieuw te bouwen bouwwerk is. Zo worden de waarden waaraan voldaan dient te worden bepaald aan de hand van de gebruiksfuncties van het bouwwerk. In het Bbl staat beschreven dat een woonfunctie een milieuprestatie moet hebben van maximaal 0,8 bepaald volgens de bepalingsmethode van de MPG. Voor kantoorgebouwen is de maximale milieuprestatie 1,0. Hoe lager de score is, des te beter het pand scoort op duurzaamheid. Tot slot geeft het Bbl ook regels over de laadinfrastructuur van elektrische auto. Deze regels zorgen er voor dat er voldoende leidingdoorvoeren zijn voor eventuele oplaadpunten zowel bij een woongebouw, als bij andere functies. 4.15.2
Conclusie
Grotestraat 42 Onderhavig planvoornemen voorziet in het toevoegen van nieuwbouwwoningen. Deze woningen zullen derhalve conform de BENG Normen en de MPG waarden duurzaam opgeleverd worden. De gemeente Oude Ijsselstreek stelt geen aanvullende eisen waar aan voldaan dient te worden op het gebied van duurzaamheid. Vanuit het milieuaspect duurzaamheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Anholtseweg 2 Onderhavig planvoornemen voorziet in het toevoegen van een supermarkt. Deze supermarkt zal derhalve conform de BENG Normen en de MPG waarden duurzaam opgeleverd worden. De gemeente Oude Ijsselstreek stelt geen aanvullende eisen waar aan voldaan dient te worden op het gebied van duurzaamheid. Vanuit het milieuaspect duurzaamheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
TAM-omgevingsplan ‘Kom Gendringen
67
4.16
Klimaatadaptatie
4.16.1
Toetsingskader
Het klimaat verandert in een hoog tempo. Om Nederland tegen de gevolgen van klimaatverandering te beschermen is het nodig om verschillende soorten maatregelen te nemen, vanuit verschillende beleidsvelden. Daarnaast is het nodig dat klimaatadaptatie op alle overheidsniveaus onderdeel is van het beleid en uitvoering. In Nederland is het beleid op de gevolgen van klimaatverandering nationaal geregeld aan de hand van twee programma’s: 1. De Nationale klimaatadaptatiestrategie; en 2. Het Deltaprogramma Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) De Nationale klimaatadaptatiestrategie is de overkoepelende strategie op het gebied van klimaatadaptatie in Nederland. Het doel van de NAS is om alle risico’s en gevolgen van klimaatverandering voor Nederland te beheersen en te verkleinen. Het is de koers die wordt omgezet in plannen en acties in een uitvoeringsprogramma. De werkzaamheden uit het NAS zijn gericht op de risico’s die het meest urgent zijn, enkele voorbeelden zijn: •
Meer hittestress bij mensen door extreem weer;
•
Vaker uitval van delen van het vitale en kwetsbare functies door extreem weer zoals energie, telecom en IT-voorzieningen;
•
Oogstschade en andere schade in de land- en tuinbouwsector;
•
Verschuiving van klimaatzones in combinatie met gebrek aan internationale ruimtelijke samenhang;
•
Mogelijk meer infecties en allergieën, zoals hooikoorts of andere luchtwegklachten;
•
Cumulatieve effecten - Uitval in één regio of sector heeft gevolgen voor andere sectoren of locaties.
Deltaprogramma en Deltaplan Ruimtelijke adaptatie (DPRA) In het nationaal Deltaprogramma staat beschreven hoe de overheid Nederland beschermt tegen overstromingen, zorgt voor voldoende zoetwater en werkt aan een klimaatbestendig en waterrobuuste inrichting. Alle verschillende overheidsniveaus werken vanuit het deltaprogramma samen aan deze opgaven. Het deltaprogramma is opgebouwd rond drie thema’s/programma’s. Dit zijn Waterveiligheid, Zoetwater, en ruimtelijke adaptatie die voor de verschillende regio’s zijn uitgewerkt. Alle drie de programma’s zijn weer opgebouwd uit een Deltabeslissing en een Deltaplan. In de Deltabeslissingen staan nationale kaders die voor heel Nederland gelden. De deltaplannen bestaan uit concrete maatregelen voor de uitvoering van het beleid en de planning van deze maatregelen. In het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie staan bijvoorbeeld concrete acties en doelen die ervoor zorgen dat Nederland in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is ingericht. Het Deltaprogramma controleert en evalueert elk jaar hoe de deltabeslissingen, voorkeursstrategieën en deltaplannen tot dan toe zijn uitgewerkt en uitgevoerd. In deze jaarlijkse monitor kunnen voorstellen staan om beleid aan te passen aan nieuwe ontwikkelingen en risico’s die zijn ontstaan. 4.16.2
Conclusie
Grotestraat 42 Op dit moment is de planlocatie sterk versteend en vrijwel geheel verhard. Alle bestaande opstallen en de parkeerplaats ter zijde van de Grotestraat zijn opgetrokken uit verharde materialen. Met de planontwikkeling
TAM-omgevingsplan ‘Kom Gendringen
68
wordt ingezet op vergroening. Tussen de nieuwe appartementencomplexen zal een groen, collectief parkje gerealiseerd worden. Hier is mogelijk ruimte voor een wadi; dit ten gunste van de waterbergingsopgave. Daarnaast heeft de toepassing van groen en water in de planlocatie ook een natuurlijk effect op de gevoelstemperatuur in de directe omgeving. Verder wordt er in het plangebied een aantal bomen aangeplant. Deze bomen worden op slimme plekken geplaatst, zodat er vooral op de verharde/half-verharde delen schaduw komt te vallen. De schaduwwerking heeft hierbij een positief effect op de vermindering van hittestress in het plangebied. Zodoende draagt het plan op bescheiden schaal bij aan een klimaatrobuuste leefomgeving. Anholtseweg 2 Op dit moment is de planlocatie sterk versteend en vrijwel geheel verhard. Alle bestaande opstallen en de parkeerplaats ter zijde van het Willem Alexanderplein zijn opgetrokken uit verharde materialen. Met de planontwikkeling wordt ingezet op vergroening. Rondom de supermarkt zal meer groen gerealiseerd worden. Daarnaast heeft de toepassing van groen in de planlocatie ook een natuurlijk effect op de gevoelstemperatuur in de directe omgeving. Verder wordt er in het plangebied een aantal bomen aangeplant. Deze bomen worden op slimme plekken geplaatst, zodat er vooral op de verharde/half-verharde delen schaduw komt te vallen.
De schaduwwerking heeft hierbij een positief effect op de vermindering van hittestress in het plangebied. Zodoende draagt het plan op bescheiden schaal bij aan een klimaatrobuuste leefomgeving.
TAM-omgevingsplan ‘Kom Gendringen
69
5
Juridische planopzet
5.1
Algemeen
Het voorliggende omgevingsplan is opgezet volgens een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM), namelijk TAM-IMRO. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de techniek voor planvorming zoals gebruikt onder de Wro tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening Ruimtelijkeplannen.nl. Het omgevingsplan bestaat uit een motivering, regels, en verbeelding, waarbij de planregels en de verbeelding juridisch bindend zijn. De motivering heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. Het geeft namelijk een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten, alsmede de interpretatie en toepassing van het omgevingsplan. Eventuele bijlagen maken ook onlosmakelijk onderdeel uit van het omgevingsplan. De verbeelding bestaat uit een (digitale) kaart waarop functies en aanduidingen zijn weergegeven. De planregels van het omgevingsplan zijn de juridische regels waarin is opgenomen wat juridisch-planologisch mogelijk wordt gemaakt. De planregels bevatten de navolgende onderdelen: •
Hoofdstuk I: inleidende regels, wat de begrippen en wijze van meten bevat;
•
Hoofdstuk II: regels over functies. De functies zijn op alfabetische volgorde opgenomen. De regels bevatten een omschrijving van de functie en regels voor het bouwen, gebruik en eventueel over milieu (bodem, geluid, geur enzovoort);
•
Hoofdstuk III: Algemene regels. Dit zijn de regels die gelden voor alle functies, bijvoorbeeld algemene bouwregels, algemene gebruiksregels en algemene regels voor binnenplanse omgevingsplanactiviteiten.
•
Hoofdstuk IV: overgangs- en slotbepalingen.
5.2
Toedelen van functies aan locaties
5.2.1
Wonen
De gronden ter plaatse van de functie ‘Wonen’ zijn aangewezen ten behoeve van wonen, aan huis verbonden beroepen, tuinen en erven, parkeer-, speel- en groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, straatmeubilair en nutsvoorzieningen. 5.2.2
Verkeer - verblijfsgebied
De gronden ter plaatse van de functie ‘Verkeer – verblijfsgebied’ zijn aangewezen ten behoeve van verblijfsgebieden, wegen en pleinen, voet- en fietspaden, gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, parkeer-, speel-, groenvoorzieningen en kunstwerken, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, ontmoetingsplekken en straatmeubilair, ondergrondse containers, winkelwagenstallingen, openbaar vervoersvoorzieningen en nutsvoorzieningen. 5.2.3