CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

25004c - Verordening Sociaal Domein met toevoegingen vervoer naar school.pdf

Raadsvergadering 20 februari 2025, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 8: Vervoer naar school in Verordening Sociaal Domein25.863 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

41 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025

3. De medewerker stelt vast of het gaat om een inwoner die niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen. Om te bepalen hoe productief de inwoner op de werkplek zal zijn (welke loonwaarde hij heeft), wordt een erkende methode toegepast. De loonkostensubsidie aan de werkgever wordt op deze loonwaarde afgestemd. 4. Wanneer een werkgever of werknemer een aanvraag indient voor wettelijke loonkostensubsidie bevestigt de medewerker de aanvraag schriftelijk. Wanneer een werknemer een aanvraag indient, ontvangt de werkgever ook een bevestiging. 5. Een aanvraag voor wettelijke loonkostensubsidie wordt, als de inwoner nog niet behoort tot de doelgroep, ook behandeld als een aanvraag om vast te stellen of de inwoner tot de doelgroep behoort. Als deze aanvraag is gedaan na het begin van het dienstverband, wordt de beoordeling of de inwoner tot de doelgroep behoort gedaan door middel van de Praktijkroute. 6. De loonwaarde wordt binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag vastgesteld, behalve als in overleg met de werkgever forfaitaire loonkostensubsidie wordt toegekend. 7. De medewerker gebruikt bij het verstrekken van de wettelijke loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie. Meer informatie staat op http://www.normaalstezaak.nl.

7.2.3 Loonkostenondersteuning 1. De medewerker kan een werkgever, die een inwoner met een kleine kans op werk een arbeidsovereenkomst aanbiedt, een tijdelijke loonkostenondersteuning geven. 2. Het doel van deze ondersteuning is om werkgevers te stimuleren inwoners met een kleine kans op werk in dienst te nemen. De extra kosten die werkgevers maken voor het begeleiden van deze inwoners worden zo vergoed. 3. De hoogte van de loonkostenondersteuning wordt door de medewerker in afstemming met de werkgever bepaald. 4. De loonkostenondersteuning is maximaal € 500,- per maand. De loonkostenondersteuning duurt maximaal 6 maanden, maar kan één keer worden verlengd met maximaal 6 maanden. 5. Onder inwoners met een kleine kans op werk wordt verstaan: een inwoner die een periode va 12 maanden of langer aangewezen is geweest op inkomensondersteuning. 6. Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties.

7.2.4 Persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. De medewerker kan persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen verstrekken voor een inwoner met een arbeidsbeperking, waardoor werken anders niet of niet volledig mogelijk is. 2. Bij het toekennen van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen gelden de volgende regels: a. de inwoner behoort tot de doelgroep van de Participatiewet en is minimaal achttien jaar oud, behalve als de inwoner Voortgezet Speciaal onderwijs of Praktijkonderwijs heeft gevolgd; b. de inwoner kan zonder deze vorm van ondersteuning niet werken; c. de werkgever biedt een dienstverband aan van minimaal 6 maanden waarin de inwoner minimaal 16 uur per week werkt; d. het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is; e. het is geen voorziening die je kunt meenemen en standaard bij de werkgever gebruikt wordt of algemeen aanwezig is in een organisatie; f. het is geen werkplekaanpassing die van de werkgever kan worden verlangd; g. de kosten van de voorziening(en) zijn proportioneel, dat wil zeggen dat de investering minimaal net zoveel waard is als de opbrengsten.

42 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025

3. Een aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk en/of voor overige voorzieningen kan worden ingediend bij de medewerker door de inwoner of zijn werkgever. Het college kan hiervoor een aanvraagformulier vaststellen. 4. De medewerker bevestigt de ontvangst van de aanvraag. 5. De medewerker kan een deskundig oordeel en advies inwinnen van iemand die hier veel van af weet, als dit nodig is bij het beoordelen van een aanvraag. 6. De medewerker bepaalt, in overleg met de inwoner en als dit nodig is ook met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening het best helpt bij het goed uitvoeren van het werk door de inwoner. 7. De medewerker onderzoekt, wanneer dat voor de situatie van de inwoner nodig is, met welke verschillende partijen binnen en buiten de organisatie samengewerkt kan worden. De inwoner wordt hiermee zo goed mogelijk geholpen op een manier waarbij de verschillende vormen van ondersteuning elkaar niet tegenwerken. Daardoor worden zijn mogelijkheden om te werken vergroot.

7.2.5 Hulp op de werkplek van een jobcoach of interne werkbegeleider 1. De medewerker kan een inwoner op de werkplek een externe jobcoach aanbieden. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een jobcoach van STOER of een organisatie waarmee STOER een contract heeft, als de inwoner extra begeleiding nodig heeft om zijn werk goed te kunnen doen. 2. De medewerker kan, als hier om gevraagd wordt, de werkgever een vergoeding geven voor begeleiding door een externe jobcoach, interne jobcoach of een interne werkbegeleider als de inwoner extra begeleiding nodig heeft om zijn werk goed te kunnen doen. 3. De aanvraag voor hulp op de werkplek van een jobcoach of interne werkbegeleider moet binnen 26 weken na de start van de arbeidsovereenkomst zijn ontvangen. Dit hoeft niet als op het moment van de start van de arbeidsovereenkomst nog niet bekend was of kon zijn dat er ondersteuning nodig was. 4. Wanneer de aanvraag voor jobcoaching door de werkgever gedaan wordt, moet de werknemer weten dat er een aanvraag wordt gedaan en het eens zijn met de inzet van jobcoaching of interne werkbegeleiding. 5. Het doel van de jobcoach of de interne werkbegeleider is om de werknemer te helpen zijn werk goed te doen en waar mogelijk zichzelf te ontwikkelen. 6. De jobcoach of interne werkbegeleiding bespreekt de leerdoelen met de werknemer en de werkgever en legt dit vast in een plan van aanpak. 7.

De medewerker bespreekt met de werkgever en werknemer de manier waarop de ondersteuning wordt gegeven, hoe lang en hoeveel uren het moet zijn en legt dit vast in een beschikking aan de werkgever. 8. Het college kan nadere regels vaststellen over de eisen van het coachingsplan, welke activiteiten een jobcoach moet kunnen uitvoeren en hoe de evaluatie plaatsvindt. 9. Een jobcoach die persoonlijke ondersteuning bij werk geeft moet voldoen aan het Erkenningsen intrekkingskader uitvoering persoonlijke ondersteuning van het UWV. Deze is te lezen op www.uwv.nl. 10. Om te bepalen hoeveel uur jobcoaching nodig is wordt gebruik gemaakt van de begeleidingsregimes van het UWV. Deze staan in het protocol jobcoach 2019 artikel 2.4 die is te vinden op www.uwv.nl. 11. De medewerker kan van de begeleidingsregimes van het UWV afwijken en maatwerk leveren wanneer dit aansluit bij de persoonlijke behoeften en situatie van de inwoner.

7.2.6 Scholing 1. De medewerker kan een inwoner een cursus of opleiding aanbieden, als dat nodig is om de stap te zetten naar werk dat bij hem past.

43 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025

2. De medewerker bepaalt in overleg met de inwoner en, als dat nodig is ook met de werkgever, welke opleiding of cursus dat is, hoe deze eruit ziet en hoelang die duurt.

7.2.7 Proefplaatsing 1. De medewerker kan een inwoner bij wijze van proef tijdelijk laten werken bij een werkgever om te proberen hoe dit gaat. Dit kan terwijl de inwoner zijn gemeentelijke inkomensondersteuning blijft ontvangen. We noemen dat een proefplaatsing. 2. Het doel van de proefplaatsing is om de werkgever en de inwoner een beeld te laten krijgen van het werk en antwoord te krijgen op de vraag of de baan geschikt is voor de inwoner. 3. De duur van de proefplaatsing is twee maanden. Wanneer de doelstellingen van de proefplaatsing nog niet behaald zijn, kan deze verlengd worden met maximaal vier maanden. 4. Als de werkzaamheden op de proefplaats door ziekte tijdelijk stoppen, dan wordt deze ziekteperiode voor de maximale periode niet meegeteld. 5. De medewerker biedt de proefplaatsing alleen aan als: a. de werkgever de inwoner goed begeleid; b. de werkgever het voornemen uitspreekt om de inwoner na een geslaagde proefplaatsing een contract aan te bieden; c. de werkzaamheden passen bij wat de inwoner kan of nog kan leren; d. als hierdoor de organisatie of het bedrijf geen oneerlijk voordeel krijgt en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 6. In een schriftelijk contract tussen de medewerker, de inwoner en de werkgever wordt in ieder geval opgeschreven: a. het doel van de proefplaatsing; b. de startdatum; c. hoelang de proefplaatsing duurt; d.

het aantal uren werk per week; e. de manier van begeleiding; f. het voornemen van de werkgever om de inwoner een contract aan te bieden. 7. Een proefplaatsing kan niet ingezet worden tegelijkertijd met een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie.

7.2.8 Werkervaringsplek 1. De medewerker kan een inwoner een werkervaringsplek aanbieden. 2. Het doel van een werkervaringsplek is om de inwoner werkritme en werkervaring te laten krijgen. Ook leert de inwoner (weer) hoe het is om te werken en om zijn taal te verbeteren. De persoonlijke leerdoelen worden samen met de inwoner opgesteld. 3. De werkervaringsplek mag alleen als de werkgever de inwoner goed begeleidt tijdens de werkervaringsplek. De werkgever zorgt ervoor dat de inwoner meer ervaring krijgt met de inhoud van het werk, kennis krijgt van het vakgebied en/of werknemersvaardigheden ontwikkelt. 4. De werkervaringsplek duurt maximaal zes maanden. Dit kan één keer verlengd worden met zes maanden. 5. De medewerker biedt de werkervaringsplek alleen aan als hierdoor de organisatie of het bedrijf geen oneerlijk voordeel krijgt. Ook mag er geen verdringing van vrijwilligerswerk en/of betaalde arbeid zijn. 6. In een schriftelijk contract tussen de betrokken partijen wordt in ieder geval vastgelegd: a. het doel van de werkervaringsplek; b. Hoelang de werkervaringsplek duurt; c. de momenten waarop besproken wordt hoe het gaat; d. de manier waarop er begeleid wordt.

44 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025

7.2.9 Beschut werk 1. Het UWV kan vaststellen of een inwoner een aangepaste werkplek en aangepast werk nodig heeft. De medewerker biedt een inwoner vervolgens een beschutte werkplek aan. Dat is een werkplek die is aangepast aan de mogelijkheden van de medewerker. Daarbij gelden de regels die in de Participatiewet zijn genoemd. 2. Het doel van beschut werk is om inwoners een veilige werkplek te bieden. Die werkplek is veilig gemaakt voor werknemers die alleen in een aangepaste omgeving kunnen werken. 3. De gemeente biedt maximaal het aantal beschutte werkplekken aan, waarvoor het Rijk de gemeente opdracht geeft. 4. Het kan zijn dat een inwoner niet meteen een beschutte werkplek kan krijgen. Dat kan gebeuren als de gemeente alle beschutte werkplekken voor het kalenderjaar al ingevuld heeft. De inwoner komt dan op een wachtlijst. Wel kan de gemeente de inwoner dan helpen om zich voor te bereiden op een beschutte werkplek. 5. De medewerker biedt de volgende mogelijkheden aan, zodat een inwoner beschut kan werken: a. aanpassing van de werkplek of de werkomgeving; b. duidelijke grenzen van taken; c. aanpassingen in de werksnelheid, het aantal uren of de begeleiding bij het werk. 6. De medewerker kan een inwoner die beschut werk nodig heeft hulp aanbieden die de stap naar beschut werk makkelijker maakt. Het gaat om de volgende mogelijkheden: a. Hulp bij het invullen van de dag; b.

Sociale activiteiten; c. Scholing; d. Hulp bij schulden.

7.2.10 Opstartpremie 1. De inwoner van 27 jaar of ouder die betaald werk gaat verrichten, kan per arbeidscontract een opstartpremie krijgen. Deze premie is bedoeld om kosten bij de start van een nieuwe baan te betalen. 2. De premie is 250 euro. Het maakt niet uit hoeveel uren de inwoner werkt of hoe lang het arbeidscontract duurt. 3. De premie kan maximaal één keer per 12 maanden worden gegeven.

7.2.11 Sociale activering 1. De medewerker kan een inwoner, die een kleine kans heeft op werk, zinvolle activiteiten aanbieden die de inwoner dichter bij werk brengen. Dit heet sociale activering. 2. Het doel van sociale activering is om inwoners te helpen moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen.

7.2.12 Participatieplaats 1. De medewerker kan een inwoner met gemeentelijke inkomensondersteuning die een kleine kans heeft op werk en voorlopig niet aan het werk kan, een participatieplaats aanbieden. De inwoner moet 27 jaar of ouder zijn. De participatieplaats wordt vastgelegd in een contract tussen de medewerker, de werkgever en de inwoner. 2. In een schriftelijk contract tussen betrokken partijen wordt in ieder geval vastgelegd: a. het doel van de participatieplaats; b. de momenten waarop besproken wordt hoe het gaat; c. de manier waarop begeleid wordt. 3. Het doel van een participatieplaats is om de kans op betaald werk te vergroten. De inwoner kan lange tijd met behoud van gemeentelijke inkomensondersteuning op een bepaalde

45 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025

werkplek werken en doet zo werkervaring op. Het moet gaan om werkzaamheden die bij de inwoner passen en speciaal voor hem zijn bedacht. 4. Een participatieplaats mag niet leiden tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. 5. De inwoner kan na iedere zes maanden een premie van €100,00 ontvangen. Een voorwaarde voor de premie is dat de inwoner voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op werk. De medewerker beoordeelt dit.

7.2.13 Ondersteuning door de inzet van een vervoersvoorziening 1. De medewerker kan een vervoersvoorziening toekennen aan een inwoner die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaatsing of opleiding kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan in de vorm van natura en in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt. 2. De medewerker biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de inwoner kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en b. het vervoer is alleen voor het reizen van huis naar het werk, proefplaatsing of opleiding en weer terug. 3. De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en is maximaal het in de markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer. 4. De medewerker trekt een eventueel bedrag dat aan de medewerker verstrekt wordt door de werkgever voor de vervoersvoorziening, af van de door de gemeente te verstrekken vervoersvoorziening.

7.2.14 Ondersteuning bij een motorische handicap De medewerker kan hulp inzetten voor mensen die moeite hebben met bewegen door middel van een voorwerp/ondersteuning die hen kan helpen deze functies te vervangen of te ondersteunen.

7.2.15 Ondersteuning door de inzet van een meeneembare voorziening 1. De medewerker kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de inwoner om te kunnen werken. 2. Er is geen lijst van voorzieningen waarvan geldt dat alleen de voorzieningen die op die lijst staan toegekend kunnen worden. In principe kan elk product hier onder vallen als duidelijk gemaakt kan worden dat het echt noodzakelijk en een pluspunt is voor het werk. 3. De meeneembare voorziening wordt in principe uitgeleend. In bijzondere gevallen kan de medewerker besluiten de voorziening als bezit aan iemand te geven.

7.3 Maatschappelijke activiteiten [PW, IOAZ, IOAW] 1. De medewerker kan een inwoner maatschappelijk nuttige activiteiten of vrijwilligerswerk aanbieden. 2. Het doel van de maatschappelijke activiteiten is de inwoner te helpen actief te blijven meedoen in de samenleving. Persoonlijke groei en eenzaamheid voorkomen zijn belangrijke doelen. 3. De medewerker houdt bij hoelang de activiteiten duren en welke activiteiten worden aangeboden rekening met de wensen, de mogelijkheden, de kennis en vaardigheden van de inwoner. 4. De gemeente kan nadere regels stellen.

46 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025

5. De medewerker biedt alleen maatschappelijk nuttige activiteiten aan als het niet zorgt voor verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties.

7.4 Innovatie [PW, IOAZ, IOAW] 1. De gemeente kan – waarbij ze rekening blijven houden met wat in dit hoofdstuk staat – als experiment andere voorzieningen inzetten als dat nodig is om de kans op werk te vergroten. 2. Het doel van het experiment is om in het belang van de inwoners nieuwe voorzieningen en manieren van werken te onderzoeken. 3. Een experiment duurt niet langer dan drie jaar. 4. Wanneer de uitkomst van het experiment reden geeft om de verordening aan te passen, kan de periode van het experiment verlengd worden tot het moment dat de nieuwe verordening geldig is.

47 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025

8 Inkomen en Schulden Voor inwoners die de dagelijkse kosten niet kunnen betalen heeft de gemeente een financieel vangnet: een maandelijkse gemeentelijke inkomensondersteuning. Om deze inwoners en andere inwoners met een laag inkomen extra te ondersteunen kunnen zij bij de gemeente een aantal gemeentelijke inkomensvoorzieningen en toeslagen aanvragen. Dit hoofdstuk gaat ook over de toeslag voor inwoners die langdurig een laag inkomen hebben. Kernwaarden: • Iedereen doet mee aan de samenleving. • De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is. • De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor. • De gemeente stemt de hulp af op de inwoner. • De gemeente heeft extra zorg voor kwetsbare groepen.

8.1 Inkomenstoeslag [PW] Voor inwoners die langdurig moeten leven van een laag inkomen en geen uitzicht hebben op verbetering van hun inkomen bestaat de inkomenstoeslag. Dat is een toeslag die jaarlijks kan worden gegeven en waarmee het inkomen wordt aangevuld. Hier is beschreven voor welke inwoners de inkomenstoeslag is bedoeld en welke extra voorwaarden er gelden.

8.1.1 Doelgroep De inkomenstoeslag is bedoeld voor een inwoner die in een periode van een jaar achter elkaar en zonder dat daarin een stop is geweest (referteperiode) een inkomen heeft gehad dat lager is dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm. De kostendelersnorm wordt hierbij niet toegepast. Niet voor de inkomenstoeslag komt in aanmerking de inwoner die een opleiding volgt als bedoeld in de Wet Tegemoetkoming Onderwijsbijdrage en Schoolkosten (WTOS), of een studie volgt als genoemd in de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000), of in de referteperiode zo’n opleiding of studie volgde.

8.1.2 Hoogte van de toeslag De inkomenstoeslag is per kalenderjaar: € 450 voor een alleenstaande; € 575 voor een alleenstaande ouder; € 650 voor gehuwden of samenwonenden. Bij gehuwden en samenwonenden geldt dat als één van de partners geen recht op inkomenstoeslag heeft, de ander het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder krijgt. De gemeente bekijkt elk jaar of de inkomenstoeslag verhoogd moet worden. Die verhoging gaat dan in per 1 januari van het jaar erna. Bij het verhogen volgt de gemeente de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek.

48 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025

8.2 Schuldhulpverlening [Wgs] De gemeente heeft de taak om inwoners met schuldproblemen te helpen. Inwoners kunnen de gemeente om ondersteuning en hulp vragen bij het vinden van een oplossing voor hun schulden. Hier worden de belangrijkste punten genoemd die de gemeente toepast als inwoners om hulp vragen.

8.2.1 Schuldhulpverlening en samenwerking De gemeente biedt inwoners die moeite hebben om rond te komen of schulden hebben ondersteuning en hulp bij het op orde krijgen van hun financiën. Het doel van die ondersteuning en hulp is dat inwoners een gezonde financiële huishouding krijgen en ook houden. Inwoners met problematische schulden en of geldzorgen kunnen bij de gemeente terecht voor onder meer advies, coaching, en tot het komen van een duurzame oplossing voor de schulden. Het uitgangspunt is dat schuldhulpverlening makkelijk bereikbaar is. Gemeenten hebben sinds 1 januari 2021 een wettelijke taak voor vroegsignalering bij schulden (het vroeg herkennen van schulden). Inwoners wordt zo vroeg mogelijk een hulpaanbod gedaan zodat meer of hogere schulden kunnen worden voorkomen. Gemeenten zijn wettelijk verplicht om iets met deze signalen te doen. De gemeente wil dat inwoners met schuldenproblematiek snel en passend ondersteund worden. Inwoners kunnen daarbij ongevraagd een aanbod tot schuldhulp ontvangen van de gemeente. De gemeente werkt bij het voorkomen en tegen gaan van armoede en schulden zoveel mogelijk samen met andere organisaties. De gemeente moedigt initiatieven die zijn gericht op het bestrijden van armoede en het voorkomen en tegengaan van schulden aan.

8.2.2 Besluit De gemeente is verplicht om in een verordening te bepalen binnen welke periode na het eerste gesprek over de ondersteunings- of hulpvraag, zij een besluit neemt over of iemand voor een schuldenregeling in aanmerking komt. Van de inwoner wordt verwacht dat hij de belangrijkste documenten, waarover het college niet zelf kan beschikken, zo snel mogelijk aan de gemeente geeft om een besluit over de ondersteunings- of hulpvraag te kunnen nemen. De gemeente is verplicht binnen een redelijke termijn te reageren op de ondersteunings- en hulpvraag. De periode waarbinnen moet worden besloten is in artikel 4a, derde lid, van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening vastgesteld op acht weken. Dit is gelijk aan de maximale redelijke termijn die in artikel 4:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is vastgesteld.

49 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025

9 Inburgering De gemeente is sinds 1 januari 2022 verantwoordelijk voor de begeleiding en ondersteuning van inwoners tijdens hun inburgering. Het doel van de inburgering is dat inburgeraars zo snel mogelijk mee kunnen doen in de Nederlandse samenleving. Hiervoor worden inburgeringsvoorzieningen ingezet waarin taal en praktijk worden gecombineerd. Kernwaarden: • Iedereen doet mee aan de samenleving • De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is. • De gemeente stemt de hulp af op de inwoner. • De gemeente heeft extra zorg voor kwetsbare groepen.

9.1 Doelgroep Asielmigranten met een verblijfsstatus (statushouders) die door het COA gekoppeld worden aan de gemeente. Hierbij horen ook nareizende familieleden die een verblijfsstatus hebben gekregen. Gezinsmigranten: dit zijn de mensen vanuit de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) bericht hebben gekregen dat ze verplicht zijn om in te burgeren.

9.2 Inburgeringsvoorzieningen Om het inburgeren goed te laten verlopen zijn er in de Wet een aantal stappen vastgelegd. Sommige stappen zijn verplicht en moeten worden doorgegeven aan DUO. Het gaat om de volgende stappen: • Leerbaarheidstoets • Brede intake • Persoonlijk inburgerings- en participatieplan (PIP) • Module arbeidsparticipatie (MAP) • Participatieverklaringstraject (PVT) • Leerroute: B1 leerroute of zelfredzaamheidsroute (Z-route) of de Onderwijsroute. Daarnaast hoort ook de maatschappelijke begeleiding bij het verhuizen, wonen en financiële zelfredzaamheid (hoe werkt dit allemaal In Nederland) tot de inburgeringsvoorzieningen. De gemeente werkt samen met verschillende professionele partijen om een goed aanbod te hebben.

9.3 Handhaving Wet inburgering (Wi)

9.3.1 Waarschuwing Wanneer de inwoner die verplicht is om in te burgeren ook na een waarschuwing niet meewerkt aan de verplichte onderdelen van het inburgeringstraject dan kan hij een boete krijgen. De hoogte van de boete is vastgesteld in artikel 7.1 van het Besluit inburgering 2021. De gemeente legt geen boete op wanneer na onderzoek blijkt dat de inwoner niet schuldig is aan het niet meewerken aan de verplichte onderdelen en iedere verwijtbaarheid ontbreekt.

9.3.2 Samenhang met handhaving op grond van de Participatiewet 1. Wanneer een inwoner die verplicht is om in te burgeren gemeentelijke inkomensondersteuning (Participatiewet) ontvangt en zich niet houdt aan verplichtingen en afspraken uit het Persoonlijk inburgerings- en participatieplan (PIP), die horen bij het ontwikkelen richting werken of meedoen in de maatschappij, vindt liefst verlaging van de gemeentelijke inkomensondersteuning plaats op grond van artikel 18 Participatiewet en de verordening

50 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025

2.

3.

4.

5.

zoals bedoeld in artikel 8 eerste lid onder a Participatiewet. De gemeente legt voor dit gedrag dan geen bestuurlijke boete op grond van de Wi 2021 op. Wanneer een inburgeringsplichtige die gemeentelijke inkomensondersteuning ontvangt en zich niet houdt aan verplichtingen en afspraken in het PIP, waarin de nadruk ligt op het vergroten van de taalbeheersing en aan overige afspraken en verplichtingen in het PIP, legt de gemeente liefst een boete op grond van de Wi 2021 op. De gemeente verlaagt in dat geval voor dit gedrag de gemeentelijke inkomensondersteuning niet. Bij de keuze tussen handhaving volgens de Participatiewet door een verlaging van de gemeentelijke inkomensondersteuning en handhaving volgens de Wet inburgering 2021 via een boete bekijkt de gemeente ook welke manier van handhaving, rekening houdend met de gevolgen hiervan voor de inburgeringsplichtige, volgens haar het best helpt om het inburgeringstraject met succes af te maken. Wanneer bepaald gedrag een overtreding van de Participatiewet is en artikel 18 of 18 b van de Participatiewet laat de gemeente geen ruimte om de gemeentelijke inkomensondersteuning niet te verlagen, dan legt de gemeente een maatregel op en geen boete volgens de Wet inburgering 2021.

In de brief (beschikking) aan de inburgeringsplichtige schrijft de gemeente of er een boete volgens de Wet inburgering 2021 wordt opgelegd of dat de gemeentelijke inkomensondersteuning wordt verlaagd volgens de Participatiewet.

9.4 Verrekening boete Wi met gemeentelijke inkomensondersteuning De gemeente kan de bestuurlijke boete die volgens de Wi 2021 aan de inburgeringsplichtige is opgelegd, verrekenen met de gemeentelijke inkomensondersteuning. Onder verrekenen wordt in dit artikel verstaan verrekenen zoals geregeld in artikel 4:93 van de Awb. De gemeente houdt hierbij rekening met de beslagvrije voet volgens Artikel 475.b. e.v. Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering dit is een fictieve draagkracht van 5 procent van de bijstandsnorm die van toepassing is, met de vakantietoeslag meegerekend.

51 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025

10 Afspraken tussen inwoner en gemeente Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop de gemeente en de inwoner met elkaar omgaan. Het gaat over de manier waarop de gemeente zich moet gedragen en wat er van de inwoner wordt verwacht. Als de inwoner rechten heeft, dan staan daar vaak plichten tegenover. Houdt de inwoner daar onvoldoende rekening mee, dan kan de gemeente de maatwerkvoorziening beëindigen of terugvorderen. Kernwaarden: • De gemeente en de inwoner zijn gelijkwaardig. • De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is. • De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor. • De inwoner geeft de informatie die nodig is.

10.1 Hoe gaan we met elkaar om? 10.1.1 De rol van de gemeente en Buurtzorg Jong en Samen Sterker Thuis [Jeugdwet, Wmo, LLV, PW, Gemeentewet, Awb] De gemeente, Buurtzorg Jong (BZJ) of Samen Sterker Thuis zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor zijn hulpvraag. Gemeente/BZJ/Samen Sterker Thuis (verder: de dienstverlenende organisatie) en inwoner gaan daarbij op een manier met elkaar om waarbij zij gelijk aan elkaar zijn. De dienstverlenende organisatie zorgt voor het volgende: 1. Voor de inwoner is het duidelijk wie er namens de dienstverlenende organisatie contact met hem houdt. De dienstverlenende organisatie houdt het aantal contactpersonen zo laag mogelijk. 2. De inwoner heeft, om zijn hulpvraag te bespreken, altijd recht op een gesprek bij de dienstverlenende organisatie of bij de inwoner thuis. 3. De dienstverlenende organisatie helpt de inwoner om zijn hulpvraag bij een andere organisatie te bespreken, als het bieden van hulp bij deze hulpvraag een taak is voor die organisatie. 4. De dienstverlenende organisatie informeert de inwoner op een manier die bij hem past over de manier van werken en zorgt ervoor dat die manier van werken zo eenvoudig mogelijk is. 5. De dienstverlenende organisatie respecteert de privacy van de inwoner. 6.

De dienstverlenende organisatie maakt zoveel mogelijk gebruik van gegevens die al binnen de dienstverlenende organisatie aanwezig zijn en vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de hulpvraag. 7. De dienstverlenende organisatie wijst de inwoner op beschikbare deskundige hulp.

10.1.2 De rol van de inwoner [Jeugdwet, Wmo, LLV, PW, Gemeentewet, Awb] 1. De inwoner is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het oplossen van zijn hulpvraag. De gemeente, BZJ of Samen Sterker Thuis (verder: de dienstverlenende organisatie) vult de mogelijkheden van de inwoner en zijn sociale netwerk aan als dat nodig is. De inwoner zorgt voor het volgende: a. De inwoner gebruikt eerst de eigen mogelijkheden voordat hij hulp vraagt aan de dienstverlenende organisatie. b. Als de dienstverlenende organisatie hulp verleent bij de hulpvraag dan werkt de inwoner hieraan mee. c. De inwoner zorgt ervoor dat de hulp van dienstverlenende organisatie niet langer duurt dan nodig is. 2. De inwoner werkt mee zodat snel duidelijk is op welke manier zijn hulpvraag zo snel mogelijk kan worden opgelost. Dat betekent het volgende:

52 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025

a.

De inwoner informeert de dienstverlenende organisatie zo snel en zo compleet mogelijk over alles wat van belang is voor het beoordelen van de hulpvraag, de persoonlijke situatie en de rechten en plichten. b. De dienstverlenende organisatie ontvangt alle documenten en bewijsstukken die zij nodig heeft zo snel mogelijk van de inwoner. c. De inwoner brengt de dienstverlenende organisatie zo snel mogelijk op de hoogte van zijn beperkingen, als die van belang zijn in het contact met de dienstverlenende organisatie. d. De inwoner werkt mee aan onderzoek als dit nodig is om te bepalen of hij beperkingen heeft die invloed hebben op de aanspraak op een voorziening.

10.2 Beëindigen en terugvorderen maatwerkvoorziening 10.2.1 Beëindiging maatwerkvoorziening [Jeugdwet, Wmo, LLV, PW] 1. De gemeente/BZJ kan een maatwerkvoorziening (in zorg in natura (ZIN), geld of persoonsgebonden budget (PGB) beëindigen als: a. de maatwerkvoorziening niet langer bij de inwoners past of nodig is; b. de inwoner zich niet houdt aan regels en verplichtingen die voor de maatwerkvoorziening gelden; c. de maatwerkvoorziening is gegeven/geleverd op grond van verkeerde of niet complete gegevens van de inwoner; d. de gemeente/BZJ niet langer kan vaststellen of een maatwerkvoorziening kan worden voortgezet, omdat de inwoner onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de maatwerkvoorziening; e. de maatwerkvoorziening voor een ander doel wordt gebruikt dan waarvoor die is bedoeld; f. de inwoner niet binnen zes maanden gebruik heeft gemaakt van de maatwerkvoorziening, behalve als de inwoner dit op tijd meldt en dit de inwoner niet te verwijten valt. Als de inwoner binnen de periode van zes maanden melding maakt bij de gemeente, verlengt de gemeente bij een gegronde reden de periode. 2. De maatwerkvoorziening kan met terugwerkende kracht worden beëindigd (ingetrokken).

10.2.2 Terugvordering voorziening [Wmo, Jeugdwet, PW, Burgerlijk Wetboek] De gemeente kan de voorziening of de waarde daarvan van de inwoner terugvorderen. Dat kan vanaf het moment waarop is voldaan aan de wet en één of meer van de intrekkingsgronden die genoemd worden in artikel 10.2.1.

10.3 Hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen? 10.3.1 Controle [Jeugdwet, Wmo, LLV] 1. De gemeente/BZJ controleert regelmatig of de inwoner de maatwerkvoorziening nog nodig heeft en of hij de juiste voorziening heeft ontvangen. 2. De controle van de maatwerkvoorzieningen is ook bedoeld om de kwaliteit van de voorziening te beoordelen en om te kijken of de voorziening op de juiste manier wordt gebruikt.

53 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025

3. Bij het stoppen van de maatwerkvoorziening op verzoek van de inwoner, onderzoekt de gemeente/BZJ wat de reden is van de stopzetting. De gemeente/BZJ gaat ook na of de maatwerkvoorziening tot de einddatum terecht is verstrekt.

10.3.2 Voorkomen van oneigenlijk gebruik [Jeugdwet, Wmo, LLV, PW] De gemeente streeft ernaar om te voorkomen (preventie). Daarom informeert de gemeente inwoners op een goed passende manier over rechten en plichten en over de gevolgen van misbruik en gebruik van voorzieningen die niet volgens de regels is.

10.3.3 Privacy bij controle op oneigenlijk gebruik [Jeugdwet, Wmo, LLV, PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente/BZJ/SST/Stoer werkt volgens bepaalde regels voor het afleggen van een huisbezoek bij een inwoner die gemeentelijke inkomensondersteuning/uitkering/voorziening ontvangt. Dit heet een protocol. Dit protocol zorgt ervoor dat er niet op een onjuiste manier tegen het privéleven van inwoners wordt in gegaan. De inwoner kan dit protocol inzien. 2. Bij het uitvoeren van onderzoek zorgt de gemeente/BZJ/SST/Stoer ervoor dat er rekening wordt gehouden met persoonlijkheidsrechten, zoals op de bescherming van het privéleven, en dat de controle niet verder gaat dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is.

10.3.4 Toezichthouders [Jeugdwet, Wmo, LLV, PW, Awb] De gemeente heeft één of meer ambtenaren aangewezen die de taak hebben om erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd.

10.4 Het verlagen van gemeentelijke inkomensondersteuning [PW, IOAW, IOAZ, Awb] In dit hoofdstuk van de verordening waarin het gaat over afspraken tussen inwoner en gemeente wordt verteld over handhaving (controle) en naleving (je houden aan afspraken). De huidige Participatiewet schuurt stevig met de doelen die wij als gemeente nastreven rond werk en inkomen. En dit schuren is het meest duidelijk in het onderdeel handhaving en naleving. We gaan in onze gemeente in alle gevallen uit van vertrouwen in de inwoner tot het tegendeel bewezen wordt. Op het moment dat we iets opmerken gaan we open het gesprek aan met de inwoner om te kijken wat er aan de hand is. Hierbij houden wij duidelijk rekening met de persoonlijke situatie van een inwoner. We gaan hierbij uit van situationele gelijkheid. Dat betekent dat niet iedereen hetzelfde krijgt, maar dat iedereen krijgt wat hij nodig heeft. Daarbij kijken we zoveel mogelijk écht naar de inwoner en wat voor hem écht nodig is Dit betekent dat we ook kijken naar het effect van de eventuele verlaging op de situatie van de inwoner en zijn gezin. Daarbij bekijken we of het effect van de verlaging past bij wat de inwoner heeft gedaan Als dit zo is passen we de verlaging daarop aan. We beseffen heel goed dat het verlagen van een inkomensvoorziening een flinke ingreep/daad is.

We grijpen namelijk in op het inkomen van mensen die al op het minimumbestaansniveau moeten leven en in een ongelijke situatie zitten waarin zij afhankelijk zijn van de gemeente. Dat betekent dat we vooraf heel goed kijken of we wel of niet een verlaging toepassen.

10.4.1 Afzien van verlaging De gemeente verlaagt de gemeentelijke inkomensondersteuning niet als het gedrag van de inwoner niet zijn eigen schuld is; als het gedrag meer dan één jaar voor het nemen van een besluit heeft plaatsgevonden;

54 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025

als de gemeente binnen één jaar nadat het gedrag is opgemerkt nog geen besluit genomen heeft; als de gemeente daar dringende redenen voor ziet. De gemeente informeert de inwoner via een brief met daarin het besluit en de uitleg.

10.4.2 Zorgvuldigheid bij het besluit tot opleggen van een verlaging De inwoner wordt op tijd geïnformeerd over: zijn rechten en plichten; wat er van hem wordt verwacht; welk gedrag niet geaccepteerd wordt; wat de reactie van de gemeente is op gedrag dat niet geaccepteerd wordt; en waarom de gemeente tegen het gedrag optreedt. De gemeente geeft de inwoner de kans om zijn reactie te geven vóórdat de gemeente beslist om vanwege niet geaccepteerd gedrag van de inwoner te handelen. De gemeente zorgt dat de reactie op niet geaccepteerd gedrag past bij: de ernst van het gedrag; of het gedrag de eigen schuld van de inwoner is; en de persoonlijke omstandigheden van de inwoner. De gemeente verlaagt de gemeentelijke inkomensondersteuning als: dat volgens de regels van de wet en deze verordening past bij het gedrag van de inwoner, als het gedrag van de inwoner zijn eigen schuld is de persoonlijke omstandigheden van de inwoner geen reden zijn om niet te verlagen. Het afstemmen, zoals bedoeld in lid 3, kan ertoe leiden dat de gemeente afwijkt van de in dit hoofdstuk genoemde standaardverlagingen. De gemeente stuurt de inwoner een brief met daarin duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen.

De gemeente maakt de inwoner ook duidelijk op welke manier hij het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt. De gemeente kan op verzoek van de inwoner of na een eigen besluit de verlaging aanpassen zodra uit de houding en het gedrag van de inwoner is gebleken dat hij de niet of onvoldoende nagekomen verplichtingen alsnog nakomt.

10.4.3 Vaststellen van de verlaging 1. De verlaging wordt berekend over de gemeentelijke inkomensondersteuningsnorm die geldt voor de inwoner, met de vakantietoeslag meegerekend. 2. De verlaging wordt bij een zelfstandig wonende inwoner van 18, 19 of 20 jaar berekend over, de daadwerkelijk ontvangen inkomensondersteuning. De gemeentelijke inkomensondersteuningsnorm verhoogd met de verleende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet. 3. De verlaging gaat in vanaf de eerstvolgende kalendermaand waarover nog geen gemeentelijke inkomensondersteuning is uitbetaald. 4. Soms wordt de gemeentelijke inkomensondersteuning beëindigd en kan de gemeente de gemeentelijke inkomensondersteuning niet verlagen. Als de inwoner dan binnen zes maanden opnieuw een gemeentelijke inkomensondersteuning gaat ontvangen, kan de gemeente besluiten de verlaging alsnog toe te passen.

55 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025

5. Een verlaging die voor een periode van meer dan 3 maanden wordt opgelegd, wordt uiterlijk na 3 maanden nadat deze is in gegaan opnieuw beoordeeld.

10.4.4 Niet nakomen van de wettelijke arbeidsverplichtingen 1. Als een inwoner een verplichting zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de standaard verlaging 100 procent van de gemeentelijke inkomensondersteuningsnorm voor de periode van een maand. 2. Ook in deze situaties past de gemeente altijd artikel 18 lid 1 Participatiewet of artikel 10.4.2 van deze verordening toe, namelijk de mogelijkheid om de verlaging te laten passen bij de persoonlijke omstandigheden van de inwoner. 3. De gemeente kan daarnaast de verlaging spreiden over drie maanden na elkaar als dat door een bijzondere situatie nodig is.

10.4.5 Overige bepalingen rondom verplichtingen Als een inwoner een door de gemeente duidelijk opgelegde arbeidsverplichting en verplichtingen om participatie te bevorderen om een reden die zijn eigen schuld is niet of onvoldoende nakomt, verlaagt de gemeente de gemeentelijke inkomensondersteuning met 10% gedurende één maand. Dit gebeurt alleen als de persoonlijke omstandigheden van de inwoner geen reden zijn om niet te verlagen. Als gedrag kan leiden tot een boete op grond van de Wi 2021 én tot een verlaging op grond van deze verordening, dan past de gemeente deze verordening toe.

10.4.6 Te weinig besef van verantwoordelijkheid De gemeente verlaagt de gemeentelijke inkomensondersteuning van een inwoner die zich te weinig beseft dat hij zelf verantwoordelijk is om te zorgen dat hij voldoende geld heeft om voor zichzelf te kunnen zorgen. Door dat gedrag heeft de inwoner meer of langer gemeentelijke inkomensondersteuning nodig, dan wanneer de inwoner zich verantwoordelijk had gedragen. De gemeente heeft daardoor een nadeel. De verlaging hangt af van het bedrag dat de gemeente meer heeft uitbetaald dan nodig was (benadelingsbedrag). De gemeente kan besluiten de gemeentelijke inkomensondersteuning te verlagen, als het de eerste keer is dat de inwoner zich niet aan de verplichtingen van dit artikel houdt. De verlaging duurt één maand en is: 10% van de maandelijkse inkomensondersteuningsnorm, bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,-. 20% van de maandelijkse inkomensondersteuningsnorm, bij een benadelingsbedrag vanaf € 1.000,- tot € 2.000,-. 40% van de maandelijkse inkomensondersteuningsnorm, bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.000,- tot € 4.000,-. 100% van de maandelijkse inkomensondersteuningsnorm, bij een benadelingsbedrag vanaf € 4.000,50% van de maandelijkse inkomensondersteuningsnorm, als het benadelingsbedrag niet kan worden vastgesteld.

10.4.7 Ontoelaatbaar gedrag De gemeente verlaagt de gemeentelijke inkomensondersteuning van een inwoner die zich op een manier gedraagt tegenover personen en instanties die de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ uitvoeren die wij niet toestaan. De gemeentelijke inkomensondersteuning wordt verlaagd met 50% voor een periode van een maand.

56 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025

10.4.8 Niet nakomen van andere verplichtingen/plichten De gemeente verlaagt de inkomensondersteuning van een inwoner die een opgelegde verplichting/plicht als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet voldoende nakomt. De verlaging is 20 % van de maandelijkse inkomensondersteuning voor de duur van 1 maand als het gaat om Verplichtingen/plichten die gericht zijn op werk; Verplichtingen/plichten die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand. De verlaging is 40% van de maandelijkse inkomensondersteuning voor de duur van 1 maand als het gaat om verplichtingen/plichten die zijn gericht op vermindering van de gemeentelijke inkomensondersteuning. De verlaging is 100% van de maandelijkse inkomensondersteuning voor de duur van 1 maand als het gaat om verplichtingen/plichten die gericht zijn op het stoppen van de gemeentelijke inkomensondersteuning.

10.4.9 Samenloop van gedragingen Gedrag waardoor de inwoner meerdere verplichtingen uit deze paragraaf niet nakomt, leidt tot één verlaging. De grootste verlaging die van toepassing is voor het gedrag geldt dan net als de periode die bij die verlaging hoort. Als er sprake is van meerdere gedragingen die er voor zorgen dat één of meer verplichtingen/plichten niet worden nagekomen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden tegelijk of – als dat niet mogelijk is – na elkaar opgelegd. Ook in deze situaties past de gemeente altijd artikel 18 lid 1 Participatiewet of artikel 10.4.2 van de verordening toe. Dat is de mogelijkheid om bij de verlaging rekening te houden met de persoonlijke situatie van de inwoner.

10.4.10

Herhaling (Recidive)

De periode van de verlaging wordt verdubbeld als de inwoner zich binnen 12 maanden na het verlagingsbesluit opnieuw zo gedraagt waardoor de inkomensondersteuning wordt verlaagd. De periode wordt ook verdubbeld als de gemeente eerder alleen een waarschuwing heeft gegeven. Het moet dan gaan om een gedraging die kan leiden tot eenzelfde of grotere verlaging dan bij de eerdere gedraging. Een herhaalde verlaging volgens artikel 10.4.8 van deze verordening kan maximaal 3 maanden duren. Het bedrag van de verlaging wordt verdubbeld als de inkomensondersteuning van de inwoner is verlaagd vanwege ontoelaatbaar gedrag en de inwoner zich binnen 12 maanden na het verlagingsbesluit opnieuw gedraagt op een manier die wij niet toestaan.

57 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025

11 Inspraak en inwonersparticipatie Het beleid dat de gemeente maakt en uitvoert is bedoeld voor de inwoners. Met de ervaringen van de inwoners kan de gemeente haar beleid aanpassen en verbeteren. In dit hoofdstuk is onder andere vastgelegd hoe inwoners invloed kunnen hebben. Hier is ook geregeld op welke manier inwoners met leveranciers, zoals zorgaanbieders, kunnen overleggen over diensten en producten die bedoeld zijn voor de inwoners met een beperking. Kernwaarden: • De gemeente en de inwoner zijn gelijkwaardig. • De gemeente gaat zorgvuldig om met de inwoner.

11.1 Inspraak van de inwoners [Jeugdwet , Wmo, LLV, Gemeentewet, Participatiewet, WSW] 1. De gemeente kiest ervoor om inwoners inspraak te geven in de onderwerpen die in deze verordening worden geregeld. De regels van de Inspraakverordening zijn daarop van toepassing, maar worden aangevuld met de regels in dit hoofdstuk. Inwoners kunnen inspraak hebben bij: a. opstellen/maken van beleid en regels; b. de manier waarop de gemeente beleid en regels uitvoert; c. de manier waarop medewerkers van de gemeente omgaan met inwoners (bejegening). d. de manier waarop zorgaanbieders en leveranciers hun taken uitvoeren 2. Inspraak houdt ook in het doen van voorstellen voor ander beleid, andere regels of een andere uitvoering. 3. De gemeente kan inwoners op de volgende manier inspraak geven: a. via de Adviesraad Sociaal Domein; b. door vragen te stellen aan inwoners, bijvoorbeeld met enquêtes of bijeenkomsten; c. door samen met inwoners een plan te ontwerpen; 4. De gemeente kiest een vorm van inspraak die past bij het onderwerp en de groep die het betreft; 5. De gemeente heeft voor de Adviesraad Sociaal Domein nadere regels gesteld. 6. Voor de inwoners met een WSW-dienstverband is er de mogelijkheid tot inspraak via de Ondernemingsraad en de Onderdelencommissie bij Laborijn. Laborijn is de uitvoerende partij voor inwoners met een WSW-dienstverband.

11.2 Hulp van de gemeente bij inspraak [Jeugdwet, Wmo LLV, en Participatiewet] De gemeente zorgt voor goede inspraak en doet dat op de volgende manier: 1. het moment waarop inspraak kan worden gegeven, geeft inwoners voldoende mogelijkheid om invloed te hebben op plannen van de gemeente over beleid, regels of uitvoering daarvan. 2. de inwoners worden deskundig ondersteund zodat de inspraak volwaardig is. 3. de inwoners kunnen deelnemen aan overleg met de gemeenten over kernwaarden, beleid, regels en de uitvoering daarvan. 4. de inwoners krijgen op tijd en voldoende informatie om goede inbreng te kunnen geven.

11.3 Inspraak bij zorgaanbieders en leveranciers [Jeugdwet, Wmo, LLV]

58 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025

1. Leveranciers zijn verplicht om inwoners die gebruik maken van hun diensten, inspraak te geven en daarover regels te maken. De gemeente bepaalt over welke onderwerpen de inspraak gaat en welke vorm de inspraak heeft. 2. De gemeente controleert of de zorgaanbieder of leverancier zich houdt aan de regels voor inspraak.

59 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025

12 Niet eens met de uitvoering De gemeente probeert het beleid en de regels zo goed mogelijk uit te voeren. Toch is het mogelijk dat inwoners het niet eens zijn met hoe de gemeente dit doet. In dit hoofdstuk staan een paar regels over het indienen van een klacht, een vertrouwenspersoon te spreken of bezwaar te maken. Daarbij houden wij rekening met de visie op klachtbehandeling van de Nationale ombudsman. Kernwaarden: • De gemeente en de inwoner zijn gelijkwaardig. • De gemeente handelt professioneel en neemt de inwoner serieus. • De gemeente helpt de inwoner om op een eenvoudige manier zijn mening te geven.

12.1 Doelen klacht- en bezwaarprocedure [Awb, Gemeentewet] De gemeente ziet een klacht als: • een stimulans om de hulpvraag van de inwoner nog eens te onderzoeken; • een middel voor de inwoner om zijn mening kenbaar te maken; • een mogelijkheid om de dienstverlening aan de inwoners te verbeteren; • een manier om het vertrouwen te herstellen; • een middel om fouten bij de uitvoering van wettelijke taken te repareren. De inwoner die een klacht of bezwaar heeft ingediend, kan zijn klacht of bezwaar in een gesprek uit te leggen. Dit gebeurt niet als het voor de gemeente meer dan duidelijk is dat een uitleg in een gesprek geen enkele meerwaarde heeft. De inwoner kan kritiek op de uitvoering van wettelijke taken door de gemeente duidelijk maken via een eenvoudige en nuttige klachten- en bezwaarprocedure. De gemeente zorgt ervoor dat klachten en bezwaren zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen de wettelijke termijnen, worden afgehandeld. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die een klacht of bezwaar heeft ingediend zich gehoord voelt.

12.2 Klachtenfunctionaris gemeente [Awb, Gemeentewet] 1. De gemeente heeft een klachtenfunctionaris. De inwoner kan bij deze medewerker een klacht indienen over: • het gedrag van medewerkers en de bejegening van de inwoner; • de manier waarop de gemeente meldingen en aanvragen heeft afgehandeld; • de manier waarop de gemeente voorzieningen en diensten heeft uitgevoerd. 2. De gemeente regelt in een klachtenregeling hoe een klacht kan worden ingediend en hoe de klachtenprocedure verloopt.

12.3 Klachten over andere personen of organisaties [Awb] 1. De inwoner die een klacht heeft over het gedrag van een persoon of organisatie die door de gemeente is ingehuurd, moet zijn klacht eerst indienen bij die persoon of organisatie. Die persoon of organisatie moet een klachtenregeling hebben en deze met de gemeente hebben gedeeld. 2. De gemeente controleert of de klachtenregeling van personen of instanties die zijn ingehuurd wordt nageleefd. 3. Als de inwoner niet tevreden is over de manier waarop de klacht door de ingehuurde persoon of organisatie is afgehandeld, kan de inwoner een klacht indienen bij de gemeente.

60 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025

4. De inwoner die geraakt is door geweld of ander strafbaar gedrag van personen of instanties die de gemeente heeft ingehuurd, kan dit melden bij de gemeente. De gemeente regelt hoe die melding wordt behandeld.

12.4 Vertrouwenspersoon [Jeugdwet, Wmo, LLV, Gemeentewet] 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die hulp van de gemeente krijgt, een onafhankelijke vertrouwenspersoon kan spreken. De inwoner kan bij deze vertrouwenspersoon terecht voor een vertrouwelijk gesprek over bijvoorbeeld ongewenste omgangsvormen, problemen, klachten en vragen in verband met de geboden hulpverlening. 2. Voor de Jeugdwet geldt: de vertrouwenspersoon kan de inwoner (jeugdige, ouder of pleegouder) op verzoek ondersteunen bij problemen, klachten en vragen in verband met de hulpverlening door de gemeente, de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling jeugdbescherming en jeugdreclassering en het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (Veilig Thuis).

12.5 Bezwaar [Awb] 1. De inwoner die het niet eens is met een besluit dat is genomen op grond van de genoemde wetten en van deze verordening, kan daartegen bezwaar maken volgens de regels die zijn beschreven in de Algemene wet bestuursrecht. De inwoner kan hierbij ondersteuning krijgen van een onafhankelijke deskundige. 2. Voordat de gemeente een besluit over een bezwaarschrift neemt, neemt een medewerker telefonisch contact op met de inwoner om het bezwaar te bespreken. De medewerker geeft uitleg over het besluit van de gemeente en informeert bij de inwoner naar argumenten, feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling van het bezwaar. Dit gesprek is gericht op verbetering van de besluitvorming door de gemeente. Het kan ertoe leiden dat de inwoner het bezwaar intrekt, het besluit beter wordt begrepen of dat de gemeente een ander besluit neemt.

61 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025

13 Kwaliteit en aanbesteding De diensten en producten die de gemeente levert, moeten van goede kwaliteit zijn. Diensten moeten passen bij de behoefte van de inwoner. Producten moeten degelijk zijn en goed bruikbaar voor de inwoner. De gemeente moet zich bij de inkoop van diensten en producten aan bepaalde regels houden. Dit hoofdstuk gaat over de kwaliteit, de inkoop en de aanbesteding van diensten en producten. Kernwaarden: • Diensten en producten van de gemeente zijn kwalitatief goed en passen bij de behoefte van de inwoner. • De gemeente handelt professioneel en neemt de inwoner serieus. • De gemeente werkt efficiënt en doelgericht. • De gemeente stemt de hulp af op de inwoner.

13.1 Kwaliteit [Jeugdwet, Wmo, LLV, Gemeentewet] 1. Alle diensten en producten die de gemeente in het kader van deze verordening aanbiedt moeten van goede kwaliteit zijn. 2. De diensten en producten: a. passen bij de behoefte van de inwoner; b. zijn veilig, geschikt en makkelijk te gebruiken voor de inwoner; c. voldoen aan normen en eisen die door de beroepsgroep of in het vakgebied algemeen zijn aanvaard; d. respecteren de rechten van de inwoner; e. passen bij andere diensten of producten die aan de inwoner worden geleverd; f. worden geleverd op een bepaalde manier die op tijd aan de inwoner wordt meegedeeld. 3. De gemeente kan zorgaanbieders en leveranciers niet mee laten doen als de zorgaanbieder geregistreerd staat bij het Informatieknooppunt Zorgfraude (IKZ). 4. De gemeente stelt beleidsregels vast waarin de kwaliteitseisen worden uitgewerkt.

13.2 Kwaliteit van de dienstverlening [PW] 1. De gemeente voert regelmatig onderzoek uit naar de kwaliteit van de dienstverlening. 2. In verband met het bepaalde in lid 1 wordt minimaal éénmaal per twee jaar een klanttevredenheidsonderzoek gehouden. 3. Het onderzoek als bedoeld in lid 2 richt zich op: a. de kwaliteit van het proces; b. de kwaliteit van hoe de klant wordt behandeld; c. de kwaliteit van het geleverde product.

13.3 Inkoop en aanbesteding [Jeugdwet, Wmo, LLV, Gemeentewet] 1. De gemeente zorgt ervoor dat de kwaliteit van de diensten en producten in het kader van deze verordening een belangrijke rol speelt bij de inkoop en de aanbesteding. 2. Bij inkoop en aanbesteding verwacht de gemeente van leveranciers dat zij: a. diensten en producten leveren tegen de door hen berekende kostprijs, zonder dat de kwaliteit en de levering in gevaar komen; en b. als zij personeel hebben, dat zij zich houden aan de regels van het arbeidsrecht. 3. De gemeente baseert de vaste prijs of de reële kostprijs op de volgende elementen:

62 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025

a. b. c. d.

de aard en omvang van het diensten- of productenpakket dat wordt geleverd; de arbeidsvoorwaarden van het personeel volgens de cao die van toepassing is; een redelijke toeslag voor overheadkosten; personeelskosten die niet direct met de dienstverlening te maken hebben, zoals kosten voor bijscholing, werkoverleg, ziekte en verlof van personeel; e. reis- en opleidingskosten; f. kosten door verplichtingen voor leveranciers, zoals rapportage- en administratieve verplichtingen; g. het jaarlijks aanpassen van de kostprijs door stijging van de kosten.

63 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025

14 Van oud naar nieuw In dit hoofdstuk zijn de laatste bepalingen van deze verordening opgenomen. Hier wordt geregeld welke verordening vervangen wordt door deze verordening en wanneer deze verordening ingaat. Hier is ook opgenomen dat de gemeente bepalingen uit deze verordening kan uitwerken of verder invullen, wat de officiële naam is van deze verordening en dat de gemeente van deze verordening kan afwijken als dit echt nodig is. Kernwaarden: • De gemeente handelt professioneel en neemt de inwoner serieus. • De gemeente werkt efficiënt en doelgericht. • De gemeente stemt de hulp af op de inwoner.

14.1 Uitvoeringsregels [Gemeentewet] De gemeente kan uitvoeringsregels maken over de onderwerpen die in deze verordening zijn geregeld. Deze uitvoeringsregels kunnen de vorm hebben van beleidsregels of van een (nadere) regeling. Beleidsregels geven aan hoe de gemeente met bepaalde dingen die zij mag doen of bepalen omgaat. Met een (nadere) regeling worden bepaalde regels van de verordening verder uitgewerkt. De mogelijkheid om deze uitvoeringsregels te maken wordt begrensd door de wet. De gemeente heeft een nadere regeling in de vorm van een Besluit Sociaal Domein en beschikt over beleidsregels Sociaal Domein.

14.2 Afwijken van de verordening (hardheidsclausule) [Gemeentewet] De medewerker kan met (goede) redenen afwijken van een bepaling uit deze verordening als het toepassen van die bepaling een onredelijke uitkomst heeft voor de inwoner of voor een ander die direct bij het besluit betrokken is. Een uitkomst is in ieder geval onredelijk als de doelen van de in 1.1 genoemde wetten of de doelen van deze verordening door het toepassen van de regels juist niet worden gehaald. Er kan dan op grond van ongeschreven buitenwettelijk begunstigend beleid een besluit worden genomen ten gunste van de inwoner.

14.3 Intrekken oude verordeningen [Gemeentewet] De verordening Sociaal Domein gemeente Oude IJsselstreek 2023, zoals vastgesteld op 25 mei 2023, wordt ingetrokken met ingang van de datum waarop deze verordening ingaat. De verordening Leerlingenvervoer gemeente Oude IJsselstreek 2021, zoals vastgesteld op 22 april 2021, wordt ingetrokken met ingang van 1 augustus 2025.

14.4 Overgangsrecht [Gemeentewet] Een maandelijkse (maatwerk)voorziening die op grond van de ingetrokken verordening wordt verstrekt, blijft ook na 1 januari 2025 doorlopen. Deze (maatwerk)voorziening loopt door totdat een nieuw besluit over die voorziening heeft genomen. Een aanvraag die de inwoner heeft ingediend vóór 1 januari 2025 en waarover pas later een besluit wordt genomen wordt afgehandeld volgens deze verordening.

64 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025

Een aanvraag voor vervoer naar school die betrekking heeft op het schooljaar 2024/2025 wordt beoordeeld volgens de verordening Leerlingenvervoer gemeente Oude IJsselstreek 2021. Een aanvraag voor vervoer naar school die betrekking heeft op het schooljaar 2025/2026 en verder wordt beoordeeld volgens deze verordening.

14.5 Ingangsdatum en naam [Gemeentewet] 1. Deze verordening wordt genoemd: Verordening Sociaal Domein gemeente Oude IJsselstreek 2025. 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 maart 2025 en vervangt de eerdere Verordening Sociaal Domein gemeente Oude IJsselstreek 2025 en de Verordening Leerlingenvervoer gemeente Oude IJsselstreek 2021.

Vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Oude IJsselstreek in zijn openbare vergadering van 20 februari 2025, De raadsgriffier

De raadsvoorzitter,

M.B.J. Looman

M. Maasdam

65 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/4850/documents/30615