25004c - Verordening Sociaal Domein met toevoegingen vervoer naar school.pdf
Tekst van het document
3.3.3 Advisering [Jeugdwet, Wmo, LLV, Awb] De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die een melding of aanvraag behandelt voldoende weet en kan om deze melding of aanvraag goed te kunnen behandelen. Als de medewerker onvoldoende weet en kan, zorgt de gemeente ervoor dat een onafhankelijk persoon met de juiste kennis een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente bij het beoordelen van de aanvraag. De gemeente vraagt in beginsel niet zelf het advies op. Want de inwoner is zelf als eerste aan zet om uit te leggen waarom hij hulp of ondersteuning nodig heeft. Bovendien kan de gemeente veel adviezen vanwege de privacywetgeving (AVG) alleen opvragen als de inwoner vooraf toestemming heeft gegeven en zijn er veel deskundigen die deze toestemming rechtstreeks van de inwoner willen ontvangen. Daarom vertelt de gemeente aan de inwoner welke informatie nodig is en van welke deskundigen deze informatie gevraagd kan worden. Als dat handig is voor iedereen, geeft de gemeente de inwoner een formulier dat de deskundige kan invullen. Het formulier is opgesteld dat de inwoner de deskundige toestemming kan geven om het advies rechtstreeks aan de gemeente te sturen, of om het advies alleen aan de inwoner zelf te sturen (blokkeringsrecht).
In uitzonderlijke gevallen kan de gemeente de inwoner oproepen voor een medische keuring van de inwoner, de jeugdige of de leerling. Dit doet de gemeente als een beperking of aandoening bepalend is
20 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
voor het recht op de voorziening die de inwoner en de inwoner niet voldoende onderbouwing kan aanleveren.
3.3.4 Beoordelen aanvraag [Jeugdwet, Wmo, LLV, Awb] Bij het beoordelen van de aanvraag betrekt de gemeente/Buurtzorg Jong (BZJ) alle gegevens die belangrijk zijn voor de hulpvraag. Het gaat onder meer om gegevens over: • de behoeften en hulpvraag van de inwoner; • de persoonlijke situatie van de inwoner; • de omgeving van de inwoner (het sociale netwerk); • de (on)mogelijkheden van de inwoner; • de (on)mogelijkheden van de omgeving van de inwoner (het sociale netwerk); • de mogelijkheden van andere organisaties en de gemeente. Om te bepalen of de gemeente hulp moet inzetten loopt de gemeente/BZJ de volgende onderdelen langs: • De gemeente stelt vast wat de vraag om hulp van de inwoner is; • De gemeente onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om de hulpvraag te beantwoorden (eigen kracht), wel of niet met gebruikelijke hulp van een naaste, hulp van anderen uit het sociale netwerk en van andere voorzieningen of organisaties. • De gemeente bepaalt welke aanvullende hulp er dan nog nodig is om de hulpvraag te beantwoorden en het gewenste effect te bereiken. • De gemeente bepaalt of de voorziening voor lange tijd noodzakelijk is. • De gemeente bepaalt of de inwoner niet kon zorgen dat er geen hulp nodig is; • De gemeente bepaalt of de voorziening te verwachten was, maar van de inwoner redelijkerwijs niet verwacht kon worden dat hij maatregelen nam die de hulpvraag niet nodig maakt.
• Voor ieder onderdeel geldt, dat de gemeente/BZJ voldoende weet om dat onderdeel goed te kunnen afronden. Is er bijzondere kennis nodig, dan zet de gemeente/BZJ die in. De gemeente/BZJ stelt de inwoner op de hoogte van welke kennis er op welk moment nodig is en ingezet wordt.
3.3.5 Eigen kracht [Jeugdwet, Wmo, LLV] Dit artikel geeft betekenis over eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de ouders en jeugdige/Leerling(Jeugdwet, LLV) en de inwoner (Wmo 2015) wat betreft de eigen kracht . 1. In de Jeugdwet is het uitgangspunt dat de jeugdige en de ouders verantwoordelijk zijn voor het opvoeden en het veilig opgroeien van de jeugdige. Ouders met gezag zijn op basis van het Burgerlijk Wetboek verantwoordelijk voor de verzorging en opvoeding van hun kind. In dat kader mag het college verwachten dat ouders en jeugdige alles doen wat in hun vermogen ligt om ervoor te zorgen dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien. Ook in het kader van de Wmo 2015 gaat het college er vanuit dat op de eerste plaats gekeken moet worden wat betrokkene zelf (eigen kracht), met behulp van zijn huisgenoten (gebruikelijke en nietgebruikelijke hulp), mantelzorg, anderen vanuit het netwerk bij kunnen dragen aan de oplossing van de problemen bij zelfredzaamheid en participatie. Pas als dat niet voldoende is komt de gemeente in beeld om een jeugdhulpvoorziening of maatwerkvoorziening te verstrekken. 2. Bij het beoordelen of zowel de ouders en jeugdige of cliënt en zijn omgeving al dan niet voldoende in staat zijn via de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen het
21 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
probleem zelf op te lossen toetst het college of dit voldoende is om de hulp die nodig is te bieden. Het afwegingskader hiervoor wordt gevormd door de criteria in artikel 3.3.6, lid 3 3. Als de jeugdhulpvoorziening of de maatwerkvoorziening die na het volgen van het stappenplan kan worden toegekend gewenst wordt in de vorm van een pgb zal het college, los van alle voorwaarden die wettelijk gelden voor de toekenning van een pgb, uitgaan van het uitgangspunt dat een pgb niet bedoeld is als (gezins)inkomen maar om daarmee de hulp in te kopen die nodig is als de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn gebleken. Het inzetten van een jeugdhulp- of maatwerkvoorziening dat verstrekt zal worden in de vorm van een pgb in en situatie van overbelasting zal gericht zij op het doel als geschetst in lid 3 van dit artikel
3.3.6 Criteria voor beoordeling van de eigen kracht en gebruikelijke hulp [Jeugdwet, Wmo, LLV] 1. Voor de beoordeling van de eigen kracht van de jeugdigen, ouders, de volwassene of andere huisgenoten zodat er geen jeugdhulp of maatwerkvoorziening verstrekt hoeft te worden, weegt het college in ieder geval de volgende belangen af: a. De behoeften en mogelijkheden van de jeugdige of de volwassene; b. De voor de jeugdige of inwoner benodigde ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan; c. De mate van planbaarheid van de hulp; d. De mogelijkheden, draagkracht en de belastbaarheid van de ouders of de volwassene; en e. De manier van omgaan van ouders en volwassene met de problemen (van de jeugdige); f. De vaardigheden van de ouders om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond); g. Of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of schulden h. Welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen i. Het belang van ouders of volwassene om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen; j. De samenstelling van de cliënt, het gezin en de woonsituatie. k. De samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet); l.
Is er een sociaal netwerk en zo ja wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige en/of zijn ouders of volwassene te ondersteunen; m. Overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouders of volwassene worden ingebracht; 2. Bieden de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten aan de jeugdige of zijn ouders (Jeugdwet) of een volwassene (Wmo 2015) gebruikelijke hulp en bovendien nietgebruikelijke hulp, dan wordt geen jeugdhulp- of een maatwerkvoorziening verstrekt als: a. de gebruikelijke helper aanwezig is; b. de gebruikelijke helper de hulp kan bieden; c. de gebruikelijke helper niet overbelast is; d. het niet gaat om professionele hulp; en e. er geen medische contra-indicaties zijn. 3. Als onderdeel van de eigen kracht onderzoekt het college ook of de jeugdige, ouders of volwassene gebruik kunnen maken van algemene voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen en andere wetten of regelingen. Is hiervan sprake, dan wordt geen jeugdhulp- of maatwerkvoorziening verstrekt. 4. Als het gaat om het begrip overbelasting, zoals genoemd in eerste lid van dit artikel zal bij twijfel een medisch advies worden ingewonnen.
22 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
5. Als (al dan niet na een medisch advies) is vastgesteld dat er sprake is van dreigende overbelasting onderzoekt het college wat er gedaan kan worden om deze (dreigende) overbelasting te beëindigen. Is dat een al dan niet tijdelijke jeugdhulp- of maatwerkvoorziening, dan wordt deze verstrekt met de bedoeling om de (dreigende) overbelasting te beëindigen. 6. Indien het gaat om professionele hulp, zoals genoemd in het eerste lid, onder d en de huisgenoot of naaste is een professional op het terrein waarop de professionele hulp nodig is, zal deze combinatie voor het college aanleiding zijn geen jeugdhulpvoorziening of geen maatwerkvoorziening te verstrekken die ingevuld wordt door de professional in verband met de systeemproblemen die goede professionele hulp in de weg staat
3.3.7 Deskundig onderzoek, deskundige toeleiding en beoordeling. [Jeugdwet, Wmo] 1. Bij het beoordelen of en zo ja welke jeugdhulpvoorziening in welke vorm en omvang het college gaat toekennen wordt het stappenplan van CRvB gehanteerd. 2. De beoordeling zoals in lid 1 genoemd vindt plaats door SKS-geregistreerde personen met specifieke deskundigheid die in het concrete geval noodzakelijk is, indien nodig in overleg of na samenspraak met de gedragswetenschapper van de gemeente. 3. Ook in het kader van de Wmo 2015 draagt het college zorg voor voldoende deskundig en ervaren medewerkers. 4. Bij een onafhankelijk advies dient het college zich ervan te vergewissen dat het onderzoek zorgvuldig is verricht en de conclusies logisch en concluderend zijn (vergewisplicht).
3.3.8 Beslistermijn [Jeugdwet, Wmo, LLV, Awb] De gemeente beslist binnen 2 weken nadat de aanvraag voor een Wmo maatwerkvoorziening of vervoer naar school is ontvangen. De gemeente beslist binnen 2 weken op het advies van BZJ over een maatwerkvoorziening op grond van de Jeugdwet. De beslistermijn kan schriftelijk uitgesteld worden als de inwoner niet voldoende gegevens heeft verstrekt of als de gemeente de aanvraag niet binnen de termijn kan behandelen.
3.4 Stap 4. Beslissing 3.4.1 Inhoud besluit [Jeugdwet, Wmo, LLV, PW, Awb] 1. De gemeente stelt een besluit per brief vast en stuurt deze brief naar de inwoner. Het doel van dit besluit is dat de inwoner te weten komt of er wel of geen hulp wordt gegeven om zijn vraag om hulp om hulp te beantwoorden. Als de gemeente hulp geeft, staat in het besluit ook of de hulp in natura, in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb), in geld of op een andere manier wordt gegeven. 2. Geeft de gemeente hulp in natura, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd: a. wat de hulp inhoudt en waarvoor de hulp bedoeld is (gewenst effect en doelen); b. wanneer de hulp ingaat en hoe lang de hulp duurt; c. hoe (en misschien ook door wie) de hulp wordt gegeven; d. welke voorwaarden en verplichtingen er voor de hulp gelden. 3. Geeft de gemeente hulp in de vorm van een pgb, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd.
23 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
a. waarvoor het pgb bedoeld is (gewenst effect en doelen); b. hoe hoog het pgb is en waarom het deze hoogte heeft; c. wanneer het pgb ingaat en wanneer het pgb stopt; d. hoe de besteding van het pgb verantwoord wordt; e. welke voorwaarden en verplichtingen er voor het pgb gelden. 4. Geeft de gemeente hulp in de vorm van geld, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd: a. voor welk doel het geld wordt gegeven; b. wanneer het geld wordt betaald; c. hoe vaak het geld wordt betaald; d. welke voorwaarden en verplichtingen er gelden. 5. Besluit de gemeente geen hulp te geven, dan wordt in het besluit in ieder geval uitgelegd waarom geen hulp wordt verleend. 6. Het besluit geeft aan hoe en binnen welke periode de inwoner in bezwaar kan gaan tegen dit besluit.
3.4.2 Buiten behandeling stellen [Jeugdwet, Wmo, LLV] De gemeente kan een aanvraag van een inwoner buiten behandeling stellen wanneer de verstrekte gegevens en documenten onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag en dit niet op tijd hersteld is zoals genoemd in artikel 4:5 van de Awb en/of als de inwoner de gevraagde gegevens niet heeft aangeleverd.
3.4.3 Verval van recht [Jeugdwet, Wmo, LLV, Awb] Het recht op hulp vervalt als de inwoner niet binnen zes maanden na het besluit begint met het gebruikmaken van de hulp, tenzij de inwoner dit tijdig meldt en dit niet de schuld van de inwoner is. Als de inwoner binnen de termijn van zes maanden doorgeeft aan de gemeente dat hij nog geen gebruik heeft gemaakt van de hulp, dan kan de gemeente de periode verlengen. Deze voorwaarde wordt ook in het hierboven genoemde besluit opgenomen.
3.5 Uitzonderingen 3.5.1 Jeugdhulp via arts en anderen [Jeugdwet, Awb] De gemeente zorgt ervoor dat de jeugdige jeugdhulp krijgt, als de huisarts, jeugdarts, medisch specialist, Gecertificeerde Instelling (GI) de jeugdige doorverwijst naar een jeugdhulpaanbieder. De gemeente maakt afspraken met de huisartsen, de jeugdartsen, de medisch specialisten, de GI’s en de zorgverzekeraars over zulke doorverwijzingen. Op verzoek van de jeugdige of zijn ouders stuurt de gemeente over de jeugdhulp op verwijzing van de hierboven genoemde personen en organisaties een besluit per brief. Dit besluit voldoet aan dezelfde eisen als het besluit na een aanvraag bij de gemeente zelf.
3.5.2 Dringende situaties [Jeugdwet, Wmo, LLV] 1. In dringende situaties zorgt de gemeente/Buurtzorg Jong/Samen Sterker Thuis ervoor dat de inwoner de hulp krijgt die nodig is, zonder dat de normale procedure wordt gevolgd. Het kan dan gaan om de volgende hulp:
24 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
a. het bieden van hulp en zorg aan ouders en hun kinderen; b. het vragen van een machtiging aan de kinderrechter voor gesloten jeugdhulp; c. het bieden van een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning. d. het bieden van een voorziening door Samen Sterker Thuis. 2. Er is sprake van een dringende situatie als de uitkomst van de normale procedure voor een aanvraag om hulp niet afgewacht kan worden.
25 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
4 Gezond en veilig opgroeien Jeugdigen in Nederland moeten gezond en veilig kunnen opgroeien. Dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van jeugdigen, hun ouders en hun netwerk. Als zij daarbij hulp nodig hebben, dan kunnen zij ondersteuning krijgen van de gemeente. De gemeente wil dat gezinnen en jeugdigen die hulp of ondersteuning nodig hebben dat eenvoudig en dichtbij kunnen krijgen. Ook wil de gemeente dat die hulp aansluit bij wat het gezin of de jeugdige nodig heeft. Om dat te kunnen doen is het belangrijk om de vraag of het probleem te onderzoeken. Daarom heeft de gemeente besloten om Buurtzorg Jong vanaf 1 januari 2020 de Jeugdhulp te laten uitvoeren. Buurtzorg Jong heeft jeugd- en gezinswerkers met veel kennis en ervaring die dit samen met de inwoner doen. Zo wordt de hulp zo vroeg mogelijk aangeboden. Daardoor kunnen grotere problemen worden voorkomen en kan het gebruik van dure, gespecialiseerde hulp worden verminderd. Daarbij staat het versterken van de eigen kracht van de jeugdige en het versterken van wat het gezin en de sociale omgeving zelf kunnen doen om de zorg te bieden of het probleem op te lossen voorop. Bij opgroeien hoort ook naar school gaan. Meestal gaan kinderen zelfstandig naar school of worden ze door hun ouders gebracht. In bepaalde gevallen draagt de gemeenten bij in de kosten.
Als de leerling niet zelf kan reizen én de ouders niet zelf kunnen brengen, zet de gemeente aangepast vervoer in. Dit speelt vooral als de leerling is aangewezen op een vorm van speciaal onderwijs, omdat die scholen meestal op grote afstand van huis zijn. Met jeugdigen bedoelen we in deze verordening kinderen en jeugdigen tot 18 jaar en jongvolwassenen van 18 tot 23 die al jeugdhulp ontvingen toen zij 18 waren en die deze hulp vanaf hun 18e nog nodig hebben. Dit zijn de jeugdigen zoals beschreven in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Een voorziening voor vervoer naar school kan worden verstrekt vanaf de start van het basisonderwijs en stopt bij het einde van het voortgezet onderwijs, ongeacht de leeftijd. Kernwaarden: • De jeugdige moet gezond en veilig kunnen opgroeien en veilig naar school kunnen gaan. • De jeugdige en zijn ouders zijn zelf verantwoordelijk en de gemeente helpt als dat nodig is. • De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de jeugdige en zijn ouders gaan voor. • De gemeente stemt de hulp af op de jeugdige en zijn ouders en zorgt voor goede aansluiting met andere hulp. • De gemeente heeft extra zorg voor kwetsbare groepen. • (Gratis) voor iedereen beschikbare hulp gaat voor maatwerkvoorzieningen.
4.1 Preventieve maatregelen [Jeugdwet, LLV] De gemeente zorgt ervoor dat jeugdigen zoveel mogelijk gezond, kansrijk en veilig kunnen opgroeien. Om dat te bereiken helpt de gemeente alle jeugdigen, hun ouders en hun sociale netwerk met de volgende voor iedereen (gratis) beschikbare vormen van hulp. De inwoner heeft hiervoor geen besluiten van de gemeente en ook geen verwijzing door een huisarts, jeugdarts, een medisch specialist of een Gecertificeerde Instelling (GI) nodig. 1. het versterken van de opvoed- en opgroeiomgeving, waarin gezinnen, wijken, scholen, kinderopvang samenwerken en elkaar aanvullen; 2. informatie, advies, trainingen en lichte tot gemiddelde begeleiding; 3. jeugdgezondheidszorg (consultatiebureau, schoolarts); 4. talentonwikkeling door jeugd- en jeugdigenwerk; 5. jeugd- en gezinswerk; 6. generalistische basis GGZ; 7. sociaal raadsliedenwerk;
26 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
8. algemeen maatschappelijk werk; 9. advies, hulp en ondersteuning bij (vermoedens van) huiselijk geweld en kindermishandeling (Veilig Thuis). Veilig Thuis biedt 24 uur per dag, 7 dagen per week advies en ondersteuning aan iedereen die direct of indirect is betrokken bij huiselijk geweld en kindermishandeling; 10. een vertrouwenspersoon.
4.2 Uitgangspunten bij het bieden van hulp [Jeugdwet, LLV] 1. Bij het bieden van hulp houdt de medewerker redelijkerwijs rekening met de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en zijn ouders. 2. Bij het bieden van hulp houdt de medewerker rekening met het geloof, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en de ouders. 3. Alle hulp is gericht op het versterken van de eigen mogelijkheden en het kunnen oplossen van het probleem door de jeugdige, zijn ouders en hun sociale netwerk. 4. De medewerker betrekt de wensen van de jeugdige en zijn ouders bij de keuze welke jeugdhulp wordt ingezet. 5. Pleegouders kunnen voor hulp in eerste instantie bij de pleegzorgorganisatie terecht. Als het nodig is kan de pleegzorgorganisatie extra hulp vragen aan de gemeente. 6. Als het gewenste effect van de jeugdhulp niet op eigen kracht of met het sociale netwerk bereikt kan worden, maar wel met hulp die voor iedereen toegankelijk is, dan wordt die hulp ingezet. Het gaat dan bijvoorbeeld om hulp door het maatschappelijk werk of een praktijkondersteuner GGZ van de huisarts. Kan het gewenste effect niet bereikt worden met die hulp, dan wordt een maatwerkvoorziening ingezet. 7.
Buurtzorg Jong (BZJ) zorgt ervoor dat signalen over zorgen bij opgroei- en opvoedingsproblemen en/of kindermishandeling/huiselijk geweld zo vroeg mogelijk worden opgevangen en dat daar ook zo vroeg mogelijk hulp wordt geboden. Waar mogelijk biedt BZJ jeugdhulp op vrijwillige basis. Wanneer de rechter daar uitspraak over doet, zet de gemeente jeugdhulp in de vorm van een maatwerkvoorziening onder dwang in. 8. Bij signalen van kindermishandeling kan iedere inwoner hiervan melding maken via de website: www.ikvermoedhuiselijkgeweld.nl
4.3 Maatwerkvoorziening [Jeugdwet] De gemeente kan de volgende maatwerkvoorzieningen aanbieden: 1. ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien in de vorm van advies en trainingen; 2. specialistische jeugdhulp in de vorm van begeleiding, ondersteuning of behandeling; 3. specialistische geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen; 4. een plek in een pleeggezin, gezinshuis of verblijf in een instelling; 5. persoonlijke verzorging; 6. dyslexiezorg bij ernstige enkelvoudige dyslexie; 7. vervoer van de jeugdige van en naar de plek waar jeugdzorg wordt aangeboden. Deze hulp is niet vrij toegankelijk. De inwoner heeft daarvoor op basis van het advies van Buurtzorg Jong een besluit van de gemeente of verwijzing door een huisarts, een jeugdarts, een medisch specialist of een GI nodig. [LLV] De gemeente kan voor vervoer naar school de volgende mogelijkheden aanbieden: -bekostiging van eigen vervoer, openbaar vervoer en/of carpoolen -aangepast vervoer (collectief taxivervoer of touringcarvervoer) -een andere oplossing, als de kosten voor de gemeente lager zijn.
27 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
4.4 Overgang van 18- naar 18+ [Jeugdwet, Wmo] 1. De gemeente is er verantwoordelijk voor dat jeugdigen uit de jeugdhulp ondersteund blijven worden als ze 18 jaar zijn geworden. Dat wil zeggen dat Buurtzorg Jong zorgt voor een plan voor de jeugdige op alle belangrijke leefgebieden. 2. De jeugdhulp kan worden verlengd als dat nodig is. Dit kan maximaal tot de dag dat de jeugdige 23 jaar wordt. Deze verlenging is dan een onderdeel van het plan. 3. Als er sprake is van pleegzorg, dan wordt in alle gevallen onderzocht of dit langer nodig is. Pleegkinderen kunnen standaard tot 21 jaar in hun pleeggezin verblijven, tenzij het pleegkind aangeeft hier geen gebruik van te willen maken. Verlengde jeugdhulp is mogelijk tot de dag dat de jeugdige 23 jaar wordt.
4.5 Afstemming met andere vormen van hulp [Jeugdwet] De gemeente zorgt ervoor dat de hulp aansluit bij andere vormen van hulp die aan de jeugdige of zijn ouders wordt gegeven. Om dat te bereiken maakt de gemeente afspraken met hulpverleners, instellingen, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties. Die afspraken gaan over: • procedures die gelden bij doorverwijzing naar hulp; • communicatie met andere organisaties en de gemeente; • aangeven waar de grens is van taken en verantwoordelijkheden; • wie er regie voert bij betrokkenheid van meerdere organisaties; • aansluiting tussen vrij toegankelijke hulp en maatwerkvoorzieningen bij elkaar passen en op elkaar aansluiten; • Op welke manier er verslag uitgebracht moet worden over of en hoe de hulp heeft geholpen om de afgesproken doelen te behalen. • De afspraken worden vastgelegd in een protocol of in een andere geschikte vorm.
4.6 Bijzondere bepaling voor vervoer naar school [LLV]
4.6.1 Ouders en leerling 1. De ouders zijn verantwoordelijk om te zorgen dat de leerling naar school gaat. Met “de ouders” bedoelen we degenen die met het gezag over de leerling zijn belast. Meestal zijn dat de moeder en vader, soms zijn het de voogd(en) of de verzorger(s). 2. De ouders doen de aanvraag voor vervoer naar school. Als de ouders op verschillende adressen wonen en de leerling deels bij beide ouders woont, doet iedere ouder apart een aanvraag voor het vervoer van en naar het eigen adres. 3. Als de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, beslist de leerling zelf. In dat geval bedoelen we in deze verordening “de leerling”op alle plekken waar wordt gesproken over “de ouder”.
4.6.2 Passende school dichtbij 1. De gemeente vergoedt of verstrekt vervoer naar de passende school dichtbij. Dit is de school met de kortste schoolafstand die de leerling feitelijk het onderwijs kan bieden waarop de leerling is aangewezen. 1. Als de ouders voor een school kiezen op grond van godsdienst of levensbeschouwing beschouwt de gemeente dit als de passende school dichtbij. 2. Als een vervoersvoorziening naar een andere school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen, kan de gemeente die voorziening verstrekken als de ouders daar vooraf schriftelijk mee instemmen.
28 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
4.6.3 Passende vervoerswijze 1. Kinderen jonger dan 11 jaar kunnen doorgaans niet zelfstandig naar school reizen. Het is de verantwoordelijkheid van ouders om te zorgen dat de leerling de school bezoekt. 2. Van een leerling van 11 jaar of ouder wordt verwacht dat hij zelfstandig naar school kan reizen met openbaar vervoer of fiets. Voor zover de leerling dit nog niet kan, brengen en halen de ouders de leerling. 3. Voor sommige leerlingen is openbaar vervoer geen optie voor het schoolgaan. Dit is van belang voor de keuze van de passende vervoerswijze en voor de vraag of er sprake is van een eigen bijdrage. Openbaar vervoer is voor een leerling geen optie: a. vanwege de reistijd voor de leerling. Dit geldt als de enkele reistijd langer is dan 90 minuten en deze met 50% of meer kan worden ingekort met een andere voor de leerling passende vervoerswijze. b. vanwege een beperking van de leerling. De beperking kan uitsluitend de reden hiervoor zijn als de school vanaf de woning met openbaar vervoer of de fiets bereikbaar en als de leerling 11 jaar of ouders is en als gevolg van de beperking niet zelfstandig met openbaar vervoer of de fiets naar de school kan reizen. Of jonger dan 11 jaar is en als gevolg van de beperking in het geheel niet met openbaar vervoer of de fiets naar de school kan reizen, ook niet als de ouders de leerling zouden begeleiden.
4.6.4 Vergoeding van kosten Ouders betalen in beginsel zelf de kosten van het vervoer naar school. 1. De gemeente vergoedt de kosten vanaf een schoolafstand van 6 kilometer. Dit geldt alleen als de leerling naar de passende school dichtbij gaat. Als de leerling naar een VO-school gaat is er helemaal geen vergoeding. 2. De gemeente vergoedt ook de kosten tot maximaal 6 kilometer: a. als het inkomen van de ouders onder het wettelijk drempelbedrag ligt. De gemeente berekent jaarlijks het actuele drempelbedrag. b. als de leerling een school voor S.B.O. bezoekt op een loopafstand van meer dan 6 kilometer. c. als de leerling een school S.O. of V.S.O. op een loopafstand van meer dan 6 kilometer. d. als openbaar vervoer geen optie is voor het schoolgaan, vanwege een beperking van de leerling, zoals beschreven in 4.6.3.b (passende vervoerswijze). In deze situatie is er ook vergoeding voor vervoer naar een V.O school. 3. Bij een vervoersvoorziening naar een B.O school komen de kosten van vervoer voorbij een schoolafstand van 20 kilometer voor rekening van de ouders. Dit geldt echter niet: a. als het inkomen van de ouders onder een drempelbijdrage ligt. Het college stelt dit drempelbedrag jaarlijks vast. b.
als de leerling vanwege een uitzonderlijke onderwijsbehoefte is aangewezen op een specifiek onderwijsaanbod en er geen scholen met een kortere schoolafstand zijn die dit onderwijsaanbod feitelijk kunnen bieden of c. als openbaar vervoer geen optie is voor het schoolgaan, vanwege een beperking van de leerling, zoals beschreven in 4.6.3 (passende vervoerswijze).
4.6.5 Aangepast vervoer 1. Voor zover de leerling niet zelfstandig naar school kan reizen én de ouders niet kunnen brengen en halen, zet het college aangepast vervoer in. De gemeente stelt aan de hand van de artikelen over eigen kracht (artikel 3.3.5 en 3.3.6) vast welke inzet redelijkerwijs van de ouders verlangd kan worden. 2. De leerling maakt gebruik van het aangepast vervoer vanaf een opstapplaats op maximaal 1000 meter van de woning. De ouders zijn verantwoordelijk dat de leerling tijdig op de opstapplaats is en dat de leerling veilig van huis naar de opstapplaats en terug reist.
29 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
4.6.6 Weekend- en vakantievervoer 1. Als een leerling doordeweeks in een internaat of pleeggezin verblijft vanwege het bezoek van een S.O.- of V.S.O-school ver van huis, verstrekt de gemeente een vervoersvoorziening voor de reis van en naar huis voor de weekeinden en vakanties. 2. De aanvraag wordt beoordeeld volgens dezelfde uitgangspunten als een aanvraag voor vervoer naar school, rekening houdend met de volgende bijzonderheden: a. de ouders hebben doordeweeks niet de zorg voor de leerling. Dit betekent in algemene zin dat zij geacht worden de leerling zelf te vervoeren van en naar het internaat of pleeggezin; b. een eventuele voorziening voor vervoer naar school is een zaak van de gemeente waar het internaat of het pleeggezin is gevestigd; c. wanneer de leerling in een internaat of pleeggezin verblijft om een andere reden (bijvoorbeeld een uithuisplaatsing) is deze regeling niet van toepassing.
4.6.7 Tijdelijk verblijf buiten de gemeente Als een leerling die in de gemeente Oude IJsselstreek woont door een crisissituatie tijdelijk op een ander verblijft en naar dezelfde school blijft gaan, wordt door het college gedurende maximaal zes weken: 1. de school beschouwd als de passende school dichtbij, ook al woont de leerling tijdelijk dichter bij andere scholen die passend onderwijs bieden; 2. met spoed een andere voorziening toegekend voor vervoer vanaf het tijdelijke adres, ook als dit in een andere gemeente is; 3. de eigen kracht van leerling en ouders op dezelfde wijze getoetst als bij een gewone aanvraag, rekening houdend met de crisissituatie.
4.6.8 Bijzondere situaties De gemeente stelt beleidsregels op voor het vervoer naar school. Die beleidsregels leggen uit hoe de regels in deze verordening worden uitgelegd en toegepast in allerlei specifieke situaties. Daarbij besteedt het college in ieder geval aandacht aan: 1. vervoer naar stage; 2. vervoer van en naar B.S.O. in plaats van de opstapplaats 3. andere voorzieningen voor vervoer naar school
30 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
5 Wonen in een veilige en gezonde omgeving Inwoners met een beperking en/of met langdurige psychosociale problemen hebben soms hulp nodig om zo lang en zelfstandig mogelijk in hun eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen. De gemeente heeft de taak om inwoners te helpen als ze niet in staat zijn om zelf oplossingen te vinden voor problemen in hun woning, bij normale dagelijkse activiteiten, het deelnemen aan de samenleving en in de huishouding. De gemeente kijkt hierbij niet alleen naar het hier en nu, maar ook naar de hoe de toekomst er waarschijnlijk uit gaat zien. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen over de hulp die de gemeente aan deze inwoners kan geven. Kernwaarden: • Inwoners met een beperking moeten zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen en leven. • De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is. • De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor. • De gemeente stemt de hulp af op de inwoner. • De gemeente heeft extra zorg voor kwetsbare groepen. • De gemeente maakt de hulp makkelijk bereikbaar.
5.1 Uitgangspunten [Wmo] 1. De gemeente zet zich ervoor in, dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen, de normale dagelijkse activiteiten kunnen uitvoeren en een eigen huishouding kunnen voeren. 2. De gemeente stelt, daar waar de hulpvorm dit toestaat, normen vast voor het beoordelen van aanvragen voor een maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo 2015. Deze normen moeten zijn gebaseerd op onderzoek dat door deskundigen is gedaan die niet onder invloed van iemand staan en die geen mening over de situatie hebben. De gemeente hanteert voor de maatwerkvoorziening ‘schoon en leefbaar huis’ het normenkader: Richtlijn indicatieadvisering hulp bij het huishouden (januari 2011) van de MO-zaak. De normen maken duidelijk welke concrete hulp er voor inwoners in hun situatie nodig is. De gemeente kan afwijken van deze normen als dat nodig is voor een goed niveau van wonen en leven dat goed past bij de situatie.
5.2 Zelfstandig en veilig wonen 5.2.1 Geschikte woning [Wmo] 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner een maatwerkvoorziening kan krijgen als het normale gebruik van zijn woning door een beperking niet mogelijk is. De inwoner moet voldoen aan de voorwaarden genoemd bij artikel 3.3.4 ‘beoordelen aanvraag’ van deze verordening. 2. De maatwerkvoorziening houdt in dat de woning bereikbaar en geschikt wordt gemaakt. Dit kan gebeuren door de woonkamer, slaapkamer, keuken, badkamer, berging en de gang(en), hal of overloop in de woning volgens de regels van het bouwen aan te passen of door hulpmiddelen die mogelijk verstrekt worden 3. Als de woning van de inwoner niet of alleen tegen zeer hoge kosten aangepast kan worden, dan zal de gemeente van de inwoner verwachten dat hij verhuist naar een woning die (beter) bij hem past, als deze beschikbaar is. De woning waar hij al woont wordt dan niet door de gemeente aangepast. De gemeente heeft hiervoor regels vastgelegd in het Besluit Sociaal Domein. 4. De gemeente zorgt voor een vergoeding in de verhuis- en herinrichtingskosten als de inwoner verhuist naar een woning die (beter) bij hem past en daarbij voldoet aan de voorwaarden
31 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
genoemd in artikel 3.3 ‘beoordelen aanvraag’ van deze verordening. De gemeente heeft voor deze voorwaarden regels vastgelegd in het Besluit Sociaal Domein. 5. De maximale vergoeding voor het verhuizen en herinrichtingskosten als de inwoner verhuist naar een geschikte(re) woning zijn terug te vinden in het Besluit Sociaal Domein. De kosten van herinrichting zijn de kosten van vloerbedekking, gordijnen, vitrages, behang en verf.
5.2.2 Een schone en leefbare woning [Wmo] 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner een maatwerkvoorziening kan krijgen als hij door een beperking zijn woning niet schoon en goed om in te leven kan houden. De inwoner moet daarbij voldoen aan de regels genoemd in artikel ‘beoordelen aanvraag’ van deze verordening. 2. De maatwerkvoorziening houdt in dat de woonkamer, slaapkamer, keuken, badkamer (de leefruimten) en de gang(en) tussen die ruimten voor zover nodig regelmatig schoongehouden worden. Ook het aanbrengen van structuur in de huishouding, het doen van boodschappen, het zorgen voor eten en drinken, en het wassen, drogen en strijken van kleding, bedden- en linnengoed kan deel uitmaken van de maatwerkvoorziening. 3. Als er in het huishouden van de inwoner minderjarige kinderen zijn, dan kan de maatwerkvoorziening ook bestaan uit het overnemen van de noodzakelijke zorg voor deze kinderen. Deze hulp is vooral bedoeld om de periode tot er andere hulp (bv. kinderopvang) is door te komen. Dit beoordeelt de gemeente op basis van het normenkader uit artikel 5.1, lid 2 van deze verordening. 4. Als er in het huishouden van de inwoner volwassen en jeugdige huisgenoten zijn, dan bekijkt de gemeente welke hulp van deze huisgenoten gevraagd kan worden. Dit beoordeelt de gemeente op basis van het normenkader uit artikel 5.1, lid 2 van deze verordening.
5.2.3 Beschermd wonen [Wmo] De inwoner kan in aanmerking komen voor een vorm van beschermd wonen als: • de inwoner een beschermende woonomgeving, gelet op complexe problematiek; • de complexe problematiek niet voortkomt uit een (acute) crisissituatie waarbij de gemeente nog geen indicatie voor beschermd wonen kan vaststellen; • de maatwerkvoorziening(en) begeleiding of dagbesteding, al dan niet gecombineerd met ambulante diensten vanuit de Zorgverzekeringswet geen passende oplossing bieden; • het beschermd wonen (ook) het doel heeft om de inwoner de kans te geven om zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Een beschermende woonomgeving betekent in het geval van beschermd wonen en beschut wonen een (noodzakelijk) verblijf in een woonplek van een aanbieder waar 24-uurs toezicht is en dagelijks aangewezen (geplande en ongeplande) ondersteuning wordt geboden. Afhankelijk van de aard en omvang van de complexe problematiek kan onder een beschermende woonomgeving in het geval van beschut wonen of beschermd thuis ook een woning al dan niet in de eigen omgeving worden verstaan. Hierbij wordt het toezicht en de ondersteuning in de directe nabijheid geboden. Doetinchem is als centrumgemeente verantwoordelijk voor de betalingen aan de aanbieders.
Voor de eigen bijdrage die door de inwoner zelf betaald moet worden gelden de regels uit de geldende verordening maatschappelijke ondersteuning van de gemeente Doetinchem.
32 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
5.2.4 Maatschappelijke opvang [Wmo] Voor inwoners die een maatwerkvoorziening in de vorm van maatschappelijke opvang nodig hebben, gelden de regels die zijn vastgelegd in de geldende verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Doetinchem door het college van de gemeente Oude IJsselstreek vastgesteld. De gemeente Doetinchem is als centrumgemeente verantwoordelijk voor de uitvoering van maatschappelijke opvang.
5.3 Dagbesteding en begeleiding 5.3.1 Een ingevulde dag hebben [Wmo] 1. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die vanwege een beperking onvoldoende in staat zijn om de dag goed in te vullen, een maatwerkvoorziening kunnen krijgen. Zij moeten wel voldoen aan de voorwaarden die zijn genoemd in artikel 3.3. ‘beoordelen aanvraag’ van deze verordening. 2. De maatwerkvoorziening houdt in dat inwoners mee kunnen doen aan arbeidsmatige, recreatieve of andere begeleide groepsactiviteiten voor maximaal 9 dagdelen per week. 3. De gemeente kan als dat nodig is het vervoer naar de maatwerkvoorziening organiseren.
5.3.2 Veiligheid bij deelname aan de samenleving [Wmo] 1. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die hulp nodig hebben om veilig de dag door te komen, een maatwerkvoorziening kunnen krijgen. Zij moeten wel voldoen aan de voorwaarden die zijn genoemd in artikel 3.3’beoordelen aanvraag’ van deze verordening. 2. De maatwerkvoorziening houdt in dat inwoners begeleid worden. De begeleiding kan één-opéén of in een groep plaatsvinden. Het betekent dat de begeleider toezicht houdt op de dagelijkse gang van zaken en de inwoner helpt om op een goede manier met zijn omgeving te communiceren. De begeleider kan ook helpen bij normale (dagelijkse) activiteiten, zoals het structureren van de dag, het doen van de administratie en het beheren van de financiën.
5.4 Meedoen aan de samenleving 5.4.1 Verplaatsen in en om de woning [Wmo] De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die zich vanwege een beperking niet goed genoeg kunnen verplaatsen in en om de woning, een maatwerkvoorziening kunnen krijgen. De maatwerkvoorziening houdt in dat de inwoner een rolstoel kan krijgen die geschikt is voor dagelijks zittend en blijvend gebruik door de inwoner.
5.4.2 Verplaatsen dichtbij huis [Wmo] 1. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die vanwege een beperking niet genoeg mogelijkheden hebben om binnen redelijke grenzen contact met anderen te hebben, hulp-op maat kunnen krijgen. Zij moeten wel voldoen aan de regels die zijn genoemd in artikel 3.3. ‘beoordelen aanvraag’ van deze verordening.
33 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
2. De maatwerkvoorziening houdt in dat inwoners geholpen worden bij het vervoer dicht bij huis, zodat ze mee kunnen doen met recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten en zelf de dagelijkse boodschappen kunnen doen. Die hulp kan bestaan in het aanbieden van: a. de mogelijkheid om te reizen met collectief taxivervoer (ZOOV); b. taxivervoer; c. een scootmobiel, of d. het gebruik van een ander vervoermiddel. 3. Het moet gaan om: a. het zich verplaatsen rondom de woning; b. het zich verplaatsen over een redelijke afstand bij huis; of c. het zich verplaatsen over reguliere verharde paden en wegen. 4. Om collectief taxivervoer voor inwoners die dat nodig hebben beschikbaar en betaalbaar te houden kijkt de gemeente eerst of een vervoersvraag opgelost kan worden met collectief taxivervoer, voordat andere een maatwerkvoorziening voorzieningen aan de orde kunnen komen. Dit is mede afhankelijk van de vervoersbehoefte van de inwoners en de af te leggen reisafstanden.
5.5 Weigeringsgronden [Wmo] Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt als: • de inwoner de gevraagde voorziening vóór de melding of de aanvraag zelf al heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er sprake is van een directe noodsituatie waardoor het voor de inwoner dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen; • de inwoner de gevraagde voorziening na de melding en vóór datum van het besluit van de gemeente zelf al heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij de gemeente daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de gemeente de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen.
5.6 Mantelzorg 5.6.1 Ondersteuning en waardering mantelzorger [Wmo] 1. Voor inwoners die mantelzorg geven, is er vrij toegankelijke advies of ondersteuning beschikbaar. De gemeente kan indien nodig ook een maatwerkvoorziening voor de hulpontvangende inwoner beschikbaar stellen waardoor de mantelzorger ontlast wordt. 2. De gemeente waardeert de inzet van mantelzorgers voor inwoners die hulp nodig hebben. Daarom stelt de gemeente jaarlijks een mantelzorgwaardering vast. Het doel van de mantelzorgwaardering is om waardering uit te spreken voor hun inzet en het belang van mantelzorgers voor de samenleving te onderstrepen.
5.6.2 Voorwaarden mantelzorgwaardering [Wmo] 1. Mantelzorgwaardering kan worden aangevraagd door de inwoner die mantelzorg ontvangt of door de mantelzorger zelf. Dat kan in onderstaande situaties: a. De hulpontvanger is een inwoner van de gemeente Oude IJsselstreek; b. De mantelzorg wordt vrijwillig en zonder dat daarvoor wordt betaald verleend vanwege een tussen de personen bestaande sociale relatie (bijvoorbeeld familie, vrienden of buren).
34 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
2. De gemeente maakt jaarlijks via de gemeentepagina in het huis-aan-huis-blad bekend op welke wijze mantelzorgers worden gewaardeerd, hoe de waardering aangevraagd kan worden en voor wanneer de aanvraag ingediend moet zijn. Een mantelzorger kan één keer per jaar voor zijn hulp aan één hulpontvangende inwoner mantelzorgwaardering ontvangen. Een mantelzorger die mantelzorg verleende aan een hulpontvangende inwoner die in de loop van het jaar is overleden, komt in datzelfde kalenderjaar nog in aanmerking voor mantelzorgwaardering.
35 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
6 De vorm van de hulp De hulp die de gemeente geeft is in principe ‘in natura’: de gemeente zorgt ervoor dat er een vorm van hulp komt. Dat kan in de vorm van een dienst zijn (bijvoorbeeld hulp in de huishouding), maar het is ook mogelijk dat er een product wordt gegeven (bijvoorbeeld een rolstoel). In bepaalde gevallen kan de hulp niet in natura, maar in de vorm van geld worden gegeven (inkomenstoeslag) of als een persoonsgebonden budget waarmee iemand zelf hulp kan inkopen. In dit hoofdstuk is geregeld op welke manier de gemeente de hulp geeft. Ook is geregeld wanneer de gemeente een financiële bijdrage aan de inwoner kan vragen. Kernwaarden: • De gemeente versterkt de zelfredzaamheid van de inwoner. • De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is. • De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor. • De gemeente stemt de hulp af op de inwoner. • De gemeente maakt de hulp makkelijk bereikbaar.
6.1 Hulp in natura [Jeugdwet, Wmo, LLV, Gemeentewet] 1. De inwoner die hulp van de gemeente krijgt, ontvangt hulp in natura (een dienst of een product), tenzij in de wet of in deze verordening anders is bepaald. Een product wordt in de regel uitgeleend en niet geschonken. 2. De gemeente zorgt ervoor dat de leverancier van een product de inwoner voldoende helpt om het product goed te kunnen gebruiken. 3. De gemeente zorgt ervoor dat de leverancier van een product zich houdt aan wat in de wet staat over de garantie. 4. De leverancier informeert de inwoner over alles wat nodig is om te weten over de dienst of het product.
6.2 Hulp in geld [Wmo, LLV, Gemeentewet, Awb] De inwoner die hulp van de gemeente krijgt ontvangt hulp in de vorm van geld, als dat in de wet of in deze verordening zo is bepaald.
6.3 Persoonsgebonden budget 6.3.1 Voorwaarden [Jeugdwet, Wmo] 1. In plaats van hulp in natura kan de inwoner een persoonsgebonden budget (pgb) krijgen als het om hulp uit de Wmo 2015 of jeugdhulp gaat. Dit kan alleen als er voldaan is aan de regels die in de Wmo 2015 en de Jeugdwet staan. 2. Om gebruik te kunnen maken van een pgb moet de inwoner een pgb-plan opstellen. 3. Het pgb is bedoeld voor hulp, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden uitgegeven. Het pgb kan niet worden uitgegeven aan: a. kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers. De uitzondering zijn de bemiddelingskosten uit artikel ‘Pgb bij hulp door personen uit het sociale netwerk’; b. het voeren van een pgb-administratie; c. ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb-administratie; d. kosten voor een feestdagenuitkering aan de hulpverlener(s).
36 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
4. De gemeente verstrekt geen pgb in de volgende situaties: a. De kosten zijn gemaakt vóórdat de aanvraag is ingediend en het is niet meer na te gaan of die hulp nodig was. De gemeente maakt een uitzondering voor acute situaties. b. Voorzieningen waarvoor ook een vrij toegankelijke voorziening aanwezig is. c. Uit het door de inwoner ingediende pgb-plan blijkt niet dat de kwaliteit van de hulp voldoende gewaarborgd is. d. De inwoner kan het pgb niet zelf beheren en de persoon die dat gaat doen is dezelfde persoon als de persoon die de hulp gaat verlenen . 5. De gemeente heeft in het Besluit sociaal domein nadere regels vastgelegd over de voorwaarden van het pgb.
6.3.2 Pgb bij hulp door personen uit het sociale netwerk [Jeugdwet, Wmo] Voor de persoon die hulp verleent vanuit het sociale netwerk van de inwoner berekent de gemeente een bedrag volgens de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (ECLI:NL:CRVB:2023:1580) Door deze uitspraak over te nemen wordt de hoogte van het PGB tarief vastgesteld aan de hand van de CAO’s die gelden voor hulp bij het huishouden en begeleiding.
6.3.3 Pgb bij hulp door zorgaanbieder [Jeugdwet, Wmo] De zorgaanbieder die hulp geeft houdt zich aan de volgende regels: De gemeente rekent voor hulp bij het huishouden een bedrag dat maximaal 100% is van het laagste bedrag per uur dat een door de gemeente gecontracteerde leverancier hiervoor zou krijgen. De gemeente rekent voor begeleiding, persoonlijke verzorging of logeren een bedrag dat maximaal 100% is van het laagste bedrag per uur dat een door de gemeente gecontracteerde leverancier hiervoor zou krijgen. Als hulp wordt geboden door een professionele aanbieder, dan moet deze persoon hiervoor zijn opgeleid en moet deskundigheid bezitten op het gebied van de hulpvraag van de inwoner en/of zijn ziekte of beperking.
6.3.4 Hoogte en tarief pgb [Jeugdwet, Wmo] 1. Het pgb wordt door de gemeente vastgesteld aan de hand van een plan over de besteding van het pgb dat de inwoner heeft gemaakt (pgb-plan). Het plan moet goedgekeurd zijn door de gemeente. 2. De hoogt van het pgb wordt gebaseerd op een offerte voor de aangegeven kosten én op basis van de kosten die de gemeente gemaakt zou hebben als er hulp in natura zou zijn verstrekt. Gaat het om een product, dan houdt de gemeente bij de hoogte van het pgb rekening met een reële termijn voor de technische afschrijving en met de onderhouds- en verzekeringskosten. 3. De gemeente staat het niet toe dat een pgb als “maandloon-optie” wordt ingezet. 4. De gemeente stelt het bedrag voor hulp door iemand uit het sociale netwerk vast met de informatie uit artikel 6.3.2. ‘Pgb bij hulp door personen uit het sociale netwerk’ van deze verordening. 5. Als de hulp wordt gegeven door een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad, wordt dit altijd als hulp door iemand uit het sociale netwerk gezien. Wordt de hulp gegeven door een ander uit het sociale netwerk die beroepsmatig als zorgaanbieder de hulp verleent, dan gelden de regels voor beroepsmatig verleende hulp.
37 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
6. De gemeente rekent voor een pgb voor vervoer (inclusief rolstoelvervoer) om deel te nemen aan groepsondersteuning een vast tarief. Dit tarief is gebaseerd op het laagste toepasselijke tarief per uur dat een door de gemeente gecontracteerde leverancier hiervoor zou rekenen. 7. De gemeente kan de pgb-tarieven jaarlijks indexeren conform de indexering van de zorg in natura bedragen. 8. De gemeente heeft nadere regels in het Besluit sociaal domein vastgelegd over de hoogte en het tarief van het pgb en het voorbeeld van het pgb-plan.
6.3.5 Verantwoording pgb [Jeugdwet, Wmo] De gemeente kan de inwoner vragen om duidelijk te maken hoe het pgb is besteed en welke resultaten de hulp voor de inwoner heeft gehad.
6.4 Tegemoetkoming meerkosten persoon met beperking of chronische problemen 6.4.1 Voorwaarden tegemoetkoming [Wmo] De gemeente kan op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie. Hierbij gelden de volgende regels: 1. een inwoner kan geen gebruik maken van vrij toegankelijke hulp, een algemeen gebruikelijke of maatwerkvoorziening om de betreffende beperking te compenseren. 2. er zijn extra kosten verbonden aan de ziekte of beperking.
6.4.2 Mogelijke tegemoetkoming [Wmo] 1. De gemeente verstrekt een tegemoetkoming in de kosten voor taxi en rolstoeltaxi wanneer het collectief taxivervoer (ZOOV) en andere voorliggende vervoersvoorzieningen niet toereikend zijn. a. De hoogte van de tegemoetkoming wordt vastgesteld in het Besluit Sociaal Domein. b. Het normbedrag is van toepassing voor het gebruik van een (eigen) auto of vervoer door derden; voor het gebruik van een bruikleenauto en voor het gebruik van een (rolstoel)taxi. c. Wanneer de tegemoetkoming wordt toegekend aan beide getrouwde of samenwonende partners dan is de tegemoetkoming 75% per persoon van het onder a genoemde bedrag. d. De gemeente kan de tegemoetkoming voor meerkosten evenredig bijstellen als de inwoner een lagere vervoersbehoefte heeft. e. De gemeente kan de inwoner aan wie een tegemoetkoming is toegekend, verplichten een overzicht bij te houden van de gereden kilometers in het kader van de voorziening. 2. De tegemoetkoming voor: a. het kopen en onderhouden van een sportvoorziening is niet hoger dan het in het Besluit Sociaal Domein opgenomen bedrag. Deze tegemoetkoming wordt maximaal één keer per drie jaar gegeven. b. het bezoekbaar maken van een woning (voor een Wlz bewoner) bedraagt maximaal het in het Besluit Sociaal Domein opgenomen bedrag.
Het gaat om het toegankelijk maken van de woning via de voor- of achterdeur om zo de woonkamer, badkamer en toilet te bereiken.
38 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
3. De tegemoetkoming die de gemeente aan een inwoner kan verstrekken is niet altijd genoeg om alle kosten van te kunnen betalen.
6.4.3 Wat is de bijdrage in de kosten? [Wmo] 1. De gemeente kan voor een aantal voorzieningen aan de inwoner een bijdrage in de kosten vragen. Dat kan bij de volgende maatwerkvoorziening: a. het schoon en leefbaar houden van een woning (hulp in de huishouding); b. het aanpassen van een woning (woonvoorzieningen); c. bij een verhuiskostenregeling als verhuizen noodzakelijk en goedkoopst-adequaat blijkt te zijn; d. het op een verantwoorde manier kunnen deelnemen aan de samenleving (begeleiding); e. een ingevulde dag hebben (dagbesteding); f. het wonen in een beschermde woonomgeving; g. het zich kunnen verplaatsen dichtbij huis (niet voor een rolstoel). 2. De gemeente zorgt ervoor dat de wettelijke regels voor het vaststellen van een bijdrage in de kosten worden toegepast. Een bijdrage is nooit hoger dan de wat de maatwerkvoorziening echt kost. 3. De bijdrage in de kosten wordt vastgesteld volgends de regels van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De inwoner die tegen Wmo-tarief gebruik maakt van het collectief taxivervoer (ZOOV) is aan de gemeente een jaarlijkse bijdrage verschuldigd. De hoogte van deze bijdrage staat in het Besluit Sociaal Domein Oude IJsselstreek
6.5 Eigen bijdrage bij vervoer naar school [LLV] 1. Als de ouders een voorziening ontvangen voor vervoer naar school en de kosten van het vervoer tot 6 kilometer voor rekening komen van ouders, brengt de gemeente hiervoor een bijdrage in rekening. Deze noemen we de “eigen bijdrage tot 6 kilometer”. 2. Als de ouders een voorziening ontvangen en het vervoer over de afstand voorbij 20 kilometer voor rekening komt van ouders, brengt de gemeente een eigen bijdrage in rekening. Deze noemen we de “eigen bijdrage vanaf 20 kilometer”. 3. De eigen bijdrage wordt in mindering gebracht op de vergoeding die ouders ontvangen. Als ouders een voorziening in natura ontvangen (zoals een ov-abonnement of aangepast vervoer), wordt de eigen bijdrage in rekening gebracht bij ouders. 4. Beide eigen bijdragen kunnen tegelijk van toepassing zijn op een voorziening voor één leerling. Als ouders voor meerdere leerlingen voorzieningen ontvangen, worden eventuele eigen bijdragen in rekening gebracht voor ieder leerling apart. 5. De eigen bijdrage tot 6 kilometer wordt als volgt bepaald: a. de basis van de eigen bijdrage zijn de kosten die de ouders zouden maken om de leerling met de auto te vervoeren over een afstand van 6 kilometer; b.
het bedrag onder a mag niet hoger zijn (maar wel lager) dan de kosten die de ouders zouden maken voor het schoolgaan van de leerling met openbaar vervoer over een afstand van 6 kilometer, zo nodig met een begeleider; c. het college kan bij nadere regels één bedrag vaststellen dat in alle gevallen voor de eigen bijdrage wordt gerekend. 6. De hoogte van de eigen bijdrage voorbij 20 kilometer is afhankelijk van de schoolafstand en van het inkomen van de ouders. De inkomensgrenzen en bedragen worden door het college bij nadere regels vastgesteld, zo nodig op basis van het jaarlijkse advies van de VNG hierover.
39 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
7 Werk en Participatie STOER voert activiteiten uit die behoren tot de werkzaamheden op grond van de Participatiewet. Zij doet dit binnen de visie die beschreven is in de ‘Transformatie in de kijk op werk’. Onze dienstverlening kent de volgende uitgangspunten: Wij werken vanuit het gezichtspunt van de inwoners Werken vanuit het gezichtspunt en de logica van de inwoners betekent dat we aansluiten op hun leven en het lokale zorgnetwerk. Ook willen we compleet werken: behalve de Participatiewet kunnen ook schuldhulpverlening, de Wmo en Jeugdhulp oplossingen geven. Dit betekent ook dat een inwoner altijd een beroep kan doen op ons voor ondersteuning. Het maakt niet uit of iemand wel of niet tot de “doelgroep” behoort. Bij de inzet van voorzieningen zoals beschreven in dit hoofdstuk, houden we wel rekening met de geldende wetgeving en financiën. Wij schenken veel aandacht aan hoe wij met onze inwoners om gaan Dit betekent voor ons werken vanuit vertrouwen, ons “gezond Achterhoeks verstand” gebruiken en een positieve grondhouding. Hieronder verstaan wij dat ieder mens waardevol is en recht heeft op een respectvolle ontvangst. We noemen dat bejegening. Wij willen dat inwoners zich gehoord, gezien en welkom voelen wanneer ze contact met ons hebben.
We kennen onze inwoner Onze ervaring is dat mensen in beweging komen en blijven op het moment dat er aandacht is voor hen als persoon en hun situatie. Daarom helpen we de inwoner bij het op een rij zetten van zijn kansen en mogelijkheden. We ondersteunen bij het opstellen van een persoonlijk ontwikkelplan en begeleiden daarna de vervolgstappen. De werkgever geeft werk en wij faciliteren Wij geloven dat starten met werk de juiste volgorde is. Van daaruit gaan we kijken wat er nodig is om dat werk te behouden en om verder te ontwikkelen. Werk kan voor de één een betaalde baan zijn en voor de ander een vorm van dagbesteding. Wij zien voor onszelf met name een rol weggelegd in het met elkaar in contact brengen van de werkzoekende inwoner en werkgever. Samen met de werkgever en de inwoner kijken we wat er nodig is om het verschil tussen de benodigde en de aanwezige kwaliteiten van de inwoner kleiner te maken. We moedigen de inwoner aan om zich te ontwikkelen en als dat nodig is helpen we daarbij. Werk moet lonen Inzet dient beloond te worden. Bij belonen kan het gaan een voordeel in de vorm van geld, maar nog meer gaat het om ervaren dat je waardevol bent. Kansen voor persoonlijke ontwikkeling horen bij deze beloning. We blijven volgen hoe het gaat, ook als de inkomensondersteuning gestopt is Dit betekent dat we met de inwoner (en eventueel de werkgever) afspraken maken.
Nadat de inkomensondersteuning is gestopt, blijven we zo lang als nodig in contact om te kijken hoe het gaat op de werkplek. Als het nodig is helpen we door de inzet van voorzieningen zoals beschreven in dit hoofdstuk. De werkgever is daar als eerste verantwoordelijk voor.
Wederkerigheid in plaats van tegenprestatie Wij gaan ervan uit dat mensen waardevol zijn en hun kwaliteiten gebruiken. Dus vragen wij van onze inwoners dat zij maatschappelijk actief zijn. We doen dat vanuit een positieve gedachte en niet als een soort straf voor het hebben van een inkomensondersteuning. Daarnaast verwachten we van werkgevers dat zij ook moeite doen om onze inwoners onderdeel te laten zijn van hun organisatie.
40 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
We staan in verbinding met onze omgeving Dit betekent dat we de inwoner niet alleen benaderen vanuit een “Participatiewet bril” maar breder kijken. Als het nodig is zetten we onze kennis, ervaring en voorzieningen in voor inwoners die niet vallen onder de doelgroep van de Participatiewet.
7.1 Voor wie [PW, IOAZ, IOAW] De medewerkers helpen de volgende inwoners: 1. Inwoners met een gemeentelijke inkomensondersteuning. 2. Inwoners met een indicatie voor beschut werk en/of die zijn opgenomen in het Doelgroepregister. 3. Inwoners die geen ondersteuning kunnen krijgen van andere instanties, zoals UWV, SVB of werkgevers. Per situatie beoordeelt de medewerker of er ondersteuning wordt gegeven. 4. Jeugdigen tot 27 jaar die geen werk en/of uitkering of gemeentelijke inkomensondersteuning en geen diploma’s hebben. De medewerker helpt hen een passende (geschikte) opleiding of passend werk te vinden, of leidt hen naar hulpverlening of zorg. 5. Inwoners die vlak voor het dienstverband een gemeentelijke inkomensondersteuning ontvingen.
7.2 Inzet voorzieningen loopbaanbegeleiding [PW, IOAZ, IOAW] 1. De medewerker bekijkt per inwoner welke ondersteuning nodig is. Daar hoort bij de mogelijkheid om een stapje terug te doen als het even wat minder gaat. 2. De medewerker biedt professionele ondersteuning. Samen met de inwoner wordt bekeken wat nodig is, wordt de inwoner begeleid en worden extra voorzieningen ingezet als dat nodig is. 3. Soms is een extra voorziening nodig. Dan beoordeelt de medewerker welke voorziening ingezet wordt en voor hoe lang. Daarbij kijkt de medewerker naar verschillende dingen zoals de omstandigheden van de inwoner en zijn mogelijkheden. Daarnaast wordt ook rekening gehouden met zaken zoals de zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplichtingen en het beschikbare budget. 4. In een activiteitenplan legt de medewerker, in overleg met de inwoner, vast welke hulp de inwoner krijgt. In dit plan staat welke afspraken er met de inwoner zijn gemaakt.
7.2.1 Detacheringsbaan 1. De inwoner kan via STOER of een andere organisatie werken bij een werkgever. Dit heet detachering. Die detachering wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de betrokken partijen. 2. Het doel van een detacheringsbaan is dat de inwoner na afloop in dienst komt van de werkgever. 3. Een voorwaarde is dat de detacheringsbaan niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever. Verdringing betekent dat door de detacheringsbaan iemand anders een baan verliest. Ook moet het niet leiden tot oneerlijke concurrentie met een andere organisatie.
7.2.2 Wettelijke loonkostensubsidie 1. De medewerker geeft de werkgever een wettelijke loonkostensubsidie als de werknemer wel kan werken, maar niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. 2. Het doel van deze subsidie is om werkgevers aan te moedigen om inwoners met een beperking in dienst te nemen. De subsidie geeft werkgevers een vergoeding voor productieverlies.