15122023_Toelichting_Rabelingstraat 10.pdf
Tekst van het document
4.2
Archeologie & Cultuurhistorie
In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening worden gehouden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie. Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn. Cultuurhistorie Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages.
Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De aandacht voor cultuurhistorie is ook wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 3.1.6 onder 2 van dit Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan moet worden opgenomen.
25
Beoordeling initiatief Archeologie Het plan betreft de uitbreiding van een bestaande zeugenhouderij. In het plangebied geldt binnen het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologische verwachting 1’. Volgens deze bestemming zijn bij bouwplannen vanaf 250 m2 en 30 cm diep archeologisch onderzoek nodig. De bodemingrepen zijn ruim groter dan 250 m2, waardoor archeologisch onderzoek is uitgevoerd. In opdracht van WIK Adviesgroep heeft Lycens op 3 juli 2023 een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (BO en IVO-O, verkennende fase) uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn in deze ruimtelijke onderbouwing samengevat weergegeven. De volledige rapportage van het archeologisch onderzoek is weergegeven in bijlage 4 van deze toelichting. Resultaten bureau- en inventariserend veldonderzoek De basis bestaat uit matig fijn licht geelgrijs, matig siltig zand. Deze C-horizont is ijzerhoudend, er zijn roestvlekken aanwezig en in boring 3 is een oerbrok aangetroffen. Ook zijn er leemlaagjes aangetroffen en was de laag soms zwak grindhoudend, mogelijk is het verspoeld (Afb. 12). De top van het dekzand is aan de zuidkant van het plangebied aangetroffen op 15,60 tot 15,91 m +NAP en aan de noordkant op 16,30 tot 16,40 m +NAP. In boringen 1 tot en met 3 is boven de c-horizont een zwak humeuze oude bouwvoor aanwezig (A-horizont of AC-horizont).
Dee laag is ook ijzerhoudend en licht grijsbruin van kleur. Bij boringen 5 en 6 is deze laag sterk humeus, donkergrijsbruin van kleur en een duidelijke A-horizont) De bovenste lagen bestaan uit matig fijn tot zeer fijn zwak siltig sterk humeus zand. Dit zijn opgebrachte eerdlagen (Aa-horizont). Het zand is fijner en minder siltig dan de C-horizont. Soms zijn er 2 lagen in te onderscheiden. In deze eerdlagen zijn geen puinresten of andere indicatoren aangetroffen die zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van bewoning. Boring 4 is uitgevoerd in de paardenbak, de bodem is hier tot in de C-horizont verstoord. Er is in het dekzand geen bodemvorming of (restant van) een podzol aanwezig. De eerdgrond is ontstaan in een gebied met vlakvaaggronden. De aanwezigheid van een podzol geeft aan dat de waterhuishouding in een bodem goed is en regenwater naar onder wordt afgevoerd. In (vlak)vaaggronden is de grondwaterstand vaak hoger, waardoor geen bodemvorming ontstaat. Uit het veldonderzoek kan worden geconcludeerd dat het plangebied is een vlak en laaggelegen gebied lag, mogelijk met microreliëf. Op de iets hogere delen is men akkers gaan aanleggen die zijn opgehoogd door plaggen uit potstalbemesting. De kans op het aantreffen van bewoningsresten uit het laat-paleolithicum tot de vroege middeleeuwen is klein.
Conclusie van het onderzoek Op basis van het bureauonderzoek wordt geconcludeerd dat in het plangebied een hoge archeologische verwachting geldt voor de top van het dekzand onder de enkeerdgrond. Hierin kunnen resten worden aangetroffen vanaf het laat-paleolithicum. Er is in het dekzand geen bodemvorming of (restant van) een podzol aanwezig. De eerdgrond is ontstaan in een gebied met vlakvaaggronden. De aanwezigheid van een podzol geeft aan dat de waterhuishouding in een bodem goed is en regenwater naar onder wordt afgevoerd. In (vlak)vaaggronden is de grondwaterstand vaak hoger, waardoor geen bodemvorming ontstaat. Uit het veldonderzoek kan worden geconcludeerd dat het plangebied in een vlak en laaggelegen gebied lag, mogelijk met microreliëf. Op de iets hogere delen is men akkers gaan aanleggen die zijn opgehoogd door plaggen uit potstalbemesting. De kans op het aantreffen van bewoningsresten uit het laat-paleolithicum tot de vroege middeleeuwen is klein. Ook in de eerdgrond, vanaf het maaiveld, is geen archeologische indicator aangetroffen die wijst op bewoning vanaf de middeleeuwen.
26
Aanbeveling op basis van het onderzoek Op basis van de resultaten van het hier gerapporteerde onderzoek kan worden gesteld dat de kans op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats in het plangebied klein is. Geadviseerd wordt om de locatie vrij te geven voor de voorgenomen ingreep. Ook in een vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016 dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het plan is daarmee uitvoerbaar met betrekking tot het aspect archeologie. Cultuurhistorie Het plan betreft de uitbreiding van een bestaande zeugenhouderij. Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Het plan heeft daarmee geen invloed op eventuele aanwezige cultuurhistorische waarden. Het plan is daarmee uitvoerbaar met betrekking tot het aspect cultuurhistorie.
4.3
Flora en fauna
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied. Soortenbescherming Voorts is in de Wet natuurbescherming de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren geregeld: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Onderzocht moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden.
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook voor het voorliggende plan, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Beoordeling initiatief Gebiedsbescherming Natura 2000 Om de gevolgen van gebiedsbescherming te beoordelen is de website https://www.natura2000.nl/gebieden geraadpleegd. Op afbeelding 12 zijn de aanwezige Natura-2000 gebieden rondom het plangebieden weergegeven. Natura 2000 gebieden hebben een externe werking.
27
Afbeelding 12. Uitsnede natuurkaart Nederland (bron: https://www.natura2000.nl/gebieden)
Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden Korenburgerveen en Rijntakken bevinden zich op circa 18 km afstand ten oosten en westen van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen binnen het plangebied zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Vanwege de afstand tot de te beschermen gebieden kunnen significante negatieve effecten op het natuurgebied worden uitgesloten. Stikstof Voor de uitvoerbaarheid van het plan is een Aerius berekening uitgevoerd voor de aanleg en gebruiksfase (zie bijlage 8). De Aerius-berekening laat zien dat er voor de aanlegfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het plan is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. Uit de resultaten van de berekening met Aerius Calculator blijkt dat er geen gekarteerd oppervlak in de Natura 2000 gebieden waar een toename van de stikstofdepositie is.
Er zijn alleen gebieden waar de stikstofdepositie gelijk blijft of afneemt. Er zijn daardoor alleen positieve milieueffecten en een bijdrage aan de verbetering van de natuurwaarden te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Soortenbescherming Het plan betreft de uitbreiding van een bestaande varkenshouderij. Met het plan worden bestaande stallen gesloopt en een nieuwe kraamstal gebouwd. Voor de uitvoerbaarheid van het plan is op 18 maart 2022 door Ecochore Natuurtechniek een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De volledige rapportage van de quickscan flora en fauna is weergegeven in bijlage 5 van deze toelichting.
28
Resultaten quickscan flora en fauna Flora Beschermde soorten ontbreken binnen de planlocatie, waardoor geen schade aan deze soorten te verwachten is en geen nader onderzoek of een ontheffing noodzakelijk is. Vogels Binnen de te slopen gebouwen zijn geen broed- en verblijfplaatsen van vogels aanwezig. Wel zijn er in de directe omgeving soorten uit categorie 1-4 soorten aanwezig. Dit betreffen huismussen in de woning. De geplande werkzaamheden zullen echter niet resulteren in het verdwijnen van deze nestlocaties. Door het ontbreken van nestlocaties van categorie 1-4 soorten in de te slopen stallen, is voor vogels geen nader onderzoek of ontheffing noodzakelijk. Indien de fysieke werkzaamheden binnen een broedseizoen worden uitgevoerd (globaal genomen binnen de periode 1 maart-15 juli), kunnen maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat door de werkzaamheden broedende vogels worden verstoord of nesten worden vernield doordat enkele soorten (naast de huismus) als broedvogel in de directe omgeving en binnen de invloedssfeer niet zijn uit te sluiten. Bij twijfel is het raadzaam dit door een ecoloog te laten beoordelen. Herpetofauna en vissen Er zijn geen strikt beschermde vissen, amfibieën en reptielen binnen het plangebied te verwachten. Hierdoor is voor deze soortgroepen geen nader onderzoek of ontheffing noodzakelijk.
Binnen de begrenzing van het plangebied is er geen geschikt leefgebied en voortplantingshabitat aanwezig. Grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied zijn geen vaste rust– of verblijfplaatsen van soorten uit deze groep aanwezig. Doordat vaste verblijfplaatsen ontbreken en er geen negatieve effecten te verwachten zijn op beschermde soorten, is geen nader onderzoek of ontheffing noodzakelijk. Vleermuizen Van soorten uit deze groep zijn binnen het erf verblijfplaatsen in de woning met aanbouwen niet uit te sluiten. In de te slopen schuren zijn echter geen verblijfplaatsen te verwachten. Hierdoor zullen de geplande werkzaamheden niet resulteren in het verdwijnen van eventueel aanwezig verblijfplaatsen waardoor voor vleermuizen geen nader onderzoek of ontheffing noodzakelijk is. Ongewervelden Voor de groep ongewervelden zijn geen nadere maatregelen noodzakelijk. Gezien het bovenstaande is geen nader onderzoek naar beschermde soorten noodzakelijk. Wel dient tijdens de werkzaamheden verstoring van broedende vogels tijdens het broedseizoen te worden voorkomen. Bij twijfel is afstemming met een ecoloog noodzakelijk om de situatie te beoordelen. Beoordeling initiatief Het plan is daarmee uitvoerbaar met betrekking tot het aspect flora en fauna.
4.4
Geluid
De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh): • •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);
29
•
andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh): o een verzorgingstehuis; o een psychiatrische inrichting; o een kinderdagverblijf.
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wgh worden geregeld, zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en/of industrieterreinen. Beoordeling initiatief
In de zin van de Wgh voorziet dit plan niet in een geluidgevoelig object. Wel is van belang dat voor de omgeving een goed woon- en leefklimaat wordt gewaarborgd. Dit aspect valt onder bedrijfs- en milieuzonering. Dit onderdeel is in paragraaf 4.6 verder toegelicht. Het plan is daarmee uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.
4.5
Luchtkwaliteit
De Wet milieubeheer biedt het kader om te toetsen aan luchtkwaliteitseisen. Een uitzondering op deze verplichting om de gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen op de luchtkwaliteit mee te wegen, vormen bepaalde typen projecten die niet in betekende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit. Het begrip NIBM is uitgewerkt in het "Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)", en de bijbehorende "Regeling niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)". Een plan draagt niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging wanneer aannemelijk is (door berekening of motivering) dat de "3% grens" niet wordt overschreden. Deze grens is 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1.2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2. De Regeling NIBM geeft voor een aantal categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen een invulling aan de NIBM grens. Indien er binnen de getalsmatige begrenzing van de Regeling wordt gebleven, is er geen nader onderzoek nodig. Bij de ruimtelijke ontwikkeling is er dan automatisch sprake van een niet in betekende mate bijdrage aan de luchtkwaliteit. Beoordeling initiatief Op en rondom het plangebied is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer.
De Regeling niet in betekenende mate bijdragen (nibm) is in dit geval van toepassing. Het plan betreft de uitbreiding van een zeugenhouderij. Het aantal dieren binnen het bedrijf blijft ongewijzigd. De uitbreiding van het bedrijf is enkel bedoeld voor een meer duurzame bedrijfsvoering en dierenwelzijn. Doordat het aantal dieren en het werkverkeer gelijk blijft, wordt 3% grens niet overschreden. Het plan is daarmee uitvoerbaar met betrekking tot het aspect lucht.
4.6
Bedrijven en milieuzonering
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand
30
tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Het is gebruikelijk om voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid gebruik te maken van de afstanden uit de publicatie Bedrijven en milieuzonering (VNG-uitgeverij, 2009). Andersom is deze publicatie te gebruiken voor het verantwoord inpassen van bedrijvigheid in een woon- of werkomgeving. De publicatie geeft informatie over de milieukenmerken van vrijwel alle voorkomende bedrijfstypen. Het biedt daarmee een hulpmiddel om ruimtelijke ordening en milieu op elkaar af te stemmen. In tabel 2 zijn de afstanden uit de publicatie van de VNG weergegeven.
Rela%e tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype rus7ge woonwijk en buitengebied 1 10 m 2 30 m 3.1 50 m 3.2 100 m 4.1 200 m 4.2 300 m 5.1 500 m 5.2 700 m 5.3 1.000 m 6 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Tabel 1: Richtafstanden uit de VNG publicatie
De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn. Het is niet de bedoeling om de in deze publicatie genoemde richtafstanden zonder meer toe te passen. De afstanden zijn namelijk afhankelijk van de omgevings- en bedrijfskenmerken. Dit leidt tot een gemotiveerd toepassen van de afstanden. Uitgangspunt is dat de in de bedrijvenlijst genoemde afstanden gelden tussen enerzijds de perceelgrens van het bedrijf en anderzijds de gevel van de woning. De richtafstanden gelden ten opzichte van rustige woongebieden. Dit kan zowel een rustige woonwijk als een rustig buitengebied zijn. Het kan zo zijn dat specifieke wet- en regelgeving andere afstanden voorschrijft. Deze gaan dan voor de afstanden uit de VNG-publicatie. Te denken valt aan de Wet geurhinder en veehouderij, het Activiteitenbesluit of het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Beoordeling initiatief Het plan betreft de vergroting van het bouwvlak van een bestaande zeugenhouderij. Vanuit de handreiking Bedrijven en milieuzonering geldt voor een inrichting een minimale richtafstand van 200 m tussen de mestbassin en een geurgevoelig object ten aanzien van het aspect geur (lijst 2 van bijlage l, NR.10.3).
De 200 m afstand geldt volgens de VNG tabel voor het aspect geur in dit geval enkel voor de nieuwe mestbassin voor veehouderijen.
31
Er wordt aan deze 200 m richtafstand voldaan. Dit onderdeel is in paragraaf 4.2.6 ook nader toegelicht. Daarnaast gelden richtafstanden voor de aspecten stof (30 m) en geluid (50 m). De dichtstbijzijnde woonbestemming ligt op meer dan 50 m afstand van het plangebied. Voor het aspect stof geldt dat dit ruimschoots voldoet aan de minimale richtafstand. Voor geluid is dit de richtafstand die minimaal geldt. In principe is daarom voor geluid géén akoestisch onderzoek noodzakelijk. Desondanks, er wel een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit om te bevestigen dat er daadwerkelijk sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Door Sain milieuadvies is op 6 november 2018 een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage hiervan is weergegeven in bijlage 3 van deze toelichting. Resultaten akoestisch onderzoek Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voldoet in de representatieve bedrijfssituaties aan de richtwaarde voor een landelijke omgeving. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau is tijdens het langdurig scheiden van mest (op maximaal 2 dagen per jaar, gedurende in totaal 16 uur) hoger dan in de representatieve bedrijfssituatie. Deze situatie kan beschouwd worden als incident, zoals bedoeld in het 12-dagencriterium. Het maximale geluidsniveau voldoet in alle onderzochte situaties aan de grenswaarde. Het is praktisch niet mogelijk om aan de voorkeurswaarde te voldoen.
Het inrichtingsgebonden verkeer zal ter hoogte van relevante woningen in het heersend verkeersbeeld zijn opgenomen. De geluidsbelasting ten gevolge van de indirecte hinder is daarom niet berekend. Beoordeling initiatief Het plan is daarmee uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bedrijfs- en milieuzonering.
4.7
Externe Veiligheid
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Het transporteren van stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 32
Plaatsgebonden risico (PR) In het Bevi zijn grenswaarden en richtwaarden opgenomen voor het plaatsgebonden risico (PR). De grenswaarde voor kwetsbare objecten is de plaatsgebonden risicocontour 10-6/jr. Het plaatsgebonden risico is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Een plaatsgebonden risico van 10-6 betekent dat omwonenden van bijvoorbeeld een LPG-tankstation op die plaats een kans van één op een miljoen hebben om als gevolg van een ramp te overlijden. Groepsrisico (GR) Binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting kan de verantwoordingsplicht van het groepsrisico van toepassing zijn. Dit blijkt uit artikel 12 en 13 uit het Bevi. Het gaat dan om de oprichting of wijziging van een Bevi-inrichting en het oprichten van (beperkt) kwetsbare objecten binnen het invloedsgebied van zo'n inrichting. Dit is de kans dat een groep mensen overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Groepsrisico wordt niet uitgedrukt in een risicocontour maar in een FN-curve, waarbij het aantal slachtoffers wordt afgezet tegen de cumulatieve kans die ze als groep hebben om te overlijden. Het groepsrisico moet worden gezien als een maat voor maatschappelijke ontwrichting.
Beoordeling initiatief Het uitbreiden van de zeugenhouderij wordt niet gezien als het mogelijk maken van een nieuw beperkt kwetsbaar object. Tevens ligt het plangebied niet in een risicobron aan de hand van de Risicokaart. Op afbeelding 13 is de ligging van het plangebied binnen de risicokaart globaal weergegeven.
Afbeelding 13. Uitsnede risicokaart, plangebied rood aangeduid (bron: ev-signaleringskaart.nl)
Een groepsrisicoanalyse kan achterwege blijven omdat het plan niet voorziet in het toevoegen van een kwetsbaar object of een toename van kwetsbare personen binnen het invloedsgebied. Het plan is daarmee uitvoerbaar met betrekking tot het aspect externe veiligheid.
4.8
Water
Vanuit het leidend principe ‘Water en mens in hun element’ draagt het waterschap bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht en is continu in beweging. Dat doet het waterschap door het (grond)waterpeil
33
te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten, rivieren en te zorgen voor stevige dijken. Als belangrijkste speerpunt voor de periode 2022-2027 ziet het waterschap de opgave om ons gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor werkt het waterschap toe naar een andere balans van vasthouden-bergen-afvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering. Waterbeheerprogramma 2022-2027 In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft het waterschap de doelen en werkzaamheden weergegeven in vier thema’s. Klimaatrobuust gebied Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. Veilig gebied Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. De ambitie is dat in 2050 de keringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat het waterschap daarbij wendbaar inspeelt op ontwikkelingen. Het waterschap voert beheer op een duurzame wijze uit en werkt aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken.
Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil in het uitvoeren van de primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil het waterschap in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin ze taken klimaatneutraal uitvoeren. Gezonde leefomgeving Als waterschap zorgen ze voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Zij streven ernaar dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico’s oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert. De samenhang van de wateropgaven met andere opgaven in het gebied vraagt om nauwe samenwerking met partners zoals gemeenten en provincies, inwoners en bedrijven. Om de waterbelangen bij ruimtelijke ontwikkelingen tijdig en goed in beeld te krijgen en mee te kunnen wegen, gebruikt het waterschap de (digitale) watertoets. Voor de uitvoerbaarheid van het plan is de digitale watertoets ingevuld. De uitkomst van de digitale watertoets is weergegeven in bijlage 6. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenaamde ‘normale procedure’ van de watertoets van toepassing is.
Gemeentelijk rioleringsplan Afvalwater wordt geloosd op het gemeentelijk rioleringssysteem. De bestaande capaciteit van de gemeentelijke riolering dient dit op te kunnen vangen. Hemelwater afkomstig van verhard oppervlak (daken of verharding) zal op de bodem worden opgevangen en geïnfiltreerd in de bodem conform het beleid van het Waterschap Rijn en IJssel. Daarnaast wordt voor de opvang van regenwater binnen het plangebied een wadi gerealiseerd. Zie hiervoor ook bijlage 6. 34
Inrichting en beheer Op het perceel zijn geen watergangen aanwezig in het beheer van het waterschap. Wel in de nabijheid van het plangebied. Hierop wordt echter niet aangesloten. Zie voor nadere toelichting ook bijlage 6. Beoordeling initiatief Het plan is daarmee uitvoerbaar met betrekking tot het aspect water.
4.9
Parkeren en verkeer
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient het effect van de beoogde ontwikkeling op de verkeersstructuur inzichtelijk te worden gemaakt. Verkeer Met de uitbreiding van het bedrijf blijft het aantal dieren ongewijzigd, waardoor geen sprake is van een verkeerstoename. Verkeersontsluiting Het verkeer ten behoeve van het agrarisch bedrijf kan zonder verkeerskundige maatregelen via de bestaande inrit worden afgewikkeld via de Grote Hurks Heuvelpad op de Rabelingstraat. Parkeren Het plan betreft de uitbreiding van een kraamstal, waarbij het aantal dieren ongewijzigd blijft. De parkeerbehoefte van het agrarisch bedrijf blijft daarmee gelijk aan de huidige situatie. In de huidige situatie is er plek voor zeker 16 auto’s. Alle landbouwvoertuigen worden geparkeerd in de werktuigenbergingen. Het GVVP van de gemeente Oude IJsselstreek geeft voor het parkeren in het buitengebied géén parkeernormering op. Enkel voor schil centrum en rest bebouwde kom. Aangezien er 3 externe personeelsleden zijn en er een bedrijfswoning op het perceel aanwezig is – waarvoor in het buitengebied volgens CROW een parkeernorm geldt voor het gebied ‘niet stedelijk’ en ‘vrijstaande woning’ van 2,8 per woning – is er een parkeernorm van minimaal 6 auto’s aangehouden in de planregels.
Afbeelding 14: parkeren (bron: Pit Bouwadvies)
35
In het gemeentelijk beleid (GVVP) is de regel opgenomen dat parkeren op eigen terrein moet worden opgelost. Binnen het plangebied is meer dan voldoende parkeerruimte aanwezig. De realisatie van de benodigde parkeerplaatsen (te noemen 6) is in de regels van dit bestemmingsplan door middel van artikel 8.2 verplicht gesteld. In werkelijkheid is er veel meer parkeerplek aanwezig. Er is dus zelfs sprake van overcapaciteit. Beoordeling initiatief Het plan is daarmee uitvoerbaar met betrekking tot het aspect verkeer.
4.10 Kabels en leidingen In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient inzichtelijk te worden gemaakt of er kabels en leidingen in het gebied aanwezig zijn die een belemmering kunnen vormen voor de beoogde ontwikkeling. De Klic-melding laat zien dat bestaande kabels- en leidingen geen belemmering vormen voor de uitbreiding van de kraamstal. Een aantal nieuwe leidingen zullen mogelijk gelegd moeten worden door initiatiefnemer.
4.11 Geur Voor de beoordeling van geurhinder van veehouderijen gelden de volgende kaders: Wet geurhinder en veehouderij, Activiteitenbesluit milieubeheer. Wet geurhinder en veehouderij De wet Geurhinder en Veehouderij (Wgv) dient als toetsingskader voor geurhinder. De Wgv bevat grenswaarden en afstanden voor geurbelasting vanwege dierenverblijven van veehouderijen en stelt één land dekkend beoordelingskader met een indeling in categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wgv dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden te worden aangehouden: • •
ten minste 100 m indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en; ten minste 50 m indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
Bij ruimtelijke planvorming is het van belang de volgende vragen te beantwoorden: • •
is ter plaatse van geurgevoelige objecten een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd? Wordt een eigenaar/gebruiker van omliggende gronden onevenredig in zijn belangen geschaad?
Wanneer geurgevoelige objecten op voldoende afstand van veehouderijen zijn gepland, vindt er geen onevenredige beschadiging van belangen plaats en kan er een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft het toetsingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen die raakvlakken hebben met mogelijke geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt 36
onderscheid tussen dieren met geuremissiefactoren en dieren zonder geuremissiefactor. Dieren met geuremissiefactoren (niet-vaste afstandsdieren) Voor dieren waarvoor een geuremissiefactor is opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv), wordt de geurhinder beoordeeld aan hand van artikel 3 van de Wgv. In dat geval mag de geurbelasting op een ‘geurgevoelig object’ een bepaalde waarde niet overschrijden en gelden minimumafstanden voor (voormalige) bedrijfswoningen. In bijgevoegde tabel zijn de normen ten behoeve van vergunningverlening voor dieren met een geuremissiefactor weergegeven. Locatie geurgevoelig object:
Maximaal toegestane geurbelasting (odour units per m3 lucht):
concentratiegebied binnen bebouwde kom
3,0 ouE/m3
concentratiegebied buiten bebouwde kom
14,0 ouE/m3
niet-concentratiegebied binnen bebouwde kom
2,0 ouE/m3
niet-concentratiegebied buiten bebouwde kom
8,0 ouE/m3
Tabel 2 met normen ten behoeve van vergunningverlening voor dieren met een geuremissiefactor (bron: Wgv)
Dieren waarvoor geen geuremissie is vastgelegd vallen onder de vaste afstandsdieren. Voor dieren waarvoor geen geuremissiefactor is opgenomen in de Rgv, wordt de geurhinder beoordeeld op grond van artikel 4, van de Wgv. In dat geval dient tenminste een minimale afstand tussen veehouderij en ‘geurgevoelig object’ te worden aangehouden. Het gaat hierom de afstand tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de buitenzijde van het geurgevoelig object. De afstanden betreffen binnen de bebouwde kom 100 m en buiten de bebouwde kom 50 m. De afstand tussen dierenverblijven en geurgevoelige objecten voor vaste afstandsdieren moet binnen de bebouwde kom minstens 100 meter zijn. Buiten de bebouwde kom betreft deze afstand 50 meter. Activiteitenbesluit milieubeheer Agrarische bedrijven hebben geen vergunning nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Daarnaast zijn er bedrijven die nog wel een omgevingsvergunning milieu nodig hebben. Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Voor de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling moet de geuruitstoot (emissie) van omliggende (agrarische) bedrijven worden onderzocht.
Bij geurbelasting (of immissie) gaat het om de hoeveelheid geur (uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht), die op een geurgevoelig object terecht komt. Bij het afwegen welke afstand voldoende is tussen geurbronnen en geurgevoelige objecten moet rekening worden gehouden met de ligging van de geurcontour behorend bij het aanvaardbare hinderniveau. Dit bedrijf heeft een omgevingsvergunning activiteit milieu. Daarom is hier getoetst aan de Wet geurhinder en veehouderij. Beoordeling initiatief Het plan betreft de uitbreiding van een varkenshouderij door de bouw van een nieuwe kraamstal. Het aantal aanwezige dieren binnen het bedrijf blijft ongewijzigd. Enkel de oppervlakte van de kraamstal wordt vergroot en een mestbassin (al tijdelijk vergund) wordt definitief gemaakt. Met het plan komt de stal dichterbij de ten noorden gelegen woningen van het erf. Vanuit het onderdeel geur is beoordeeld of kan worden voldaan aan een goed woon- en leefklimaat.
37
Beoordeling onderdeel geur van de varkenshouderij op omliggende woningen en andere geurgevoelige objecten Een intensieve veehouderij met varkens in het buitengebied valt onder het Activiteitenbesluit en vanaf 750 zeugen onder een vergunningsplicht omgevingsvergunning milieu. Deze type inrichting heeftook vaste afstanden waarvoor 50 m in het buitengebied en 100 m in de bebouwde kom gelden. De varkenshouderij heeft een omgevingsvergunning activiteit milieu, die aangeeft hoeveel geurbelasting het bedrijf maximaal op haar omgeving mag hebben. In de toekomstige situatie betreft de afstand tussen de stallen en de dichtstbijzijnde woning circa 80 m. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de minimale richtafstand van de VNG. In de neiuwe situatie neemt de geurbelasting sterk af.Een onderdeel van de herontwikkeling van het bedrijf betreft het plaatsen van een luchtwasser op de nieuwe stal. De nieuwe stal met luchtwasser vervangt twee oude stallen zonder emissiebeperkend systeem. Deze oude stallen zijn nog uitgevoerd met ventilatoren en gedeeltelijk natuurlijke ventilatie. De nieuwe kraamstal De nieuwe stal wordt uitgevoerd met één grote kap of met een dubbele kap. Dit is nu nog niet te bepalen. De plaatsing van de luchtwasser zal zijn in het midden van de stal, hoger bij één kap of lager bij een dubbele kap. Ook kan de luchtwasser achter de stal geplaatst worden.
In alle situaties wordt de geurbelasting beduidend lager dan de huidige situatie. Mestbassin Op de locatie Rabelingstraat 10 te Silvolde is een mestbassin aanwezig van 4000 m3. Volgens de VNGbrochure dient, bij dit type mestopslagen qua geur een afstand van 200 meter aangehouden te worden (lijst 2 van bijlage I, NR.10.3). Zoals uit de tekening in bijlage 7 blijkt, is de afstand tot het eerste geurgevoelige object (Rabelingstraat 8) 200 m. Hiermee wordt de richtafstand van de VNG gehaald naar het dichtstbijzijnde gevoelige object.
38
Afbeelding 15: afstand van mestbassin tot aan geurgevoelig object (Bron: Pit Bouwadvies)
NH3 Om de NH3 emissie te bepalen is uitgegaan van de volgende uitgangspunten: •
Volgens de dwarsdoorsnede van het mestbassin in bijlage 7 is de gemiddelde oppervlakte van het mestbassin 1194,7 m2. met de hoogte van de mest. Gemiddeld is het bassin half vol;
•
Volgens de notitie mestsilo’s van BIJ12 bevat varkensmest 407 mg N/h/m2*;
•
Het mestbassin heeft een drijvend zijl wat dus meebeweegt met de mesthoogte. Volgens de notitie mestsilo’s van BIJ12 reduceert deze afdekking 85 % emissie;
•
De ontluchting van het mestbassin wordt aangesloten op de 70 % luchtwasser van stal 1 die ernaast gesitueerd is. (biologisch luchtwassysteem 70% ammoniak emissiereductie en 75% fijn stof (BWL 2006.02.V7; );
•
Het mestbassin wordt 2 tot 3x per jaar geleegd. Wanneer het bassin leeg is duurt het ongeveer een maand voordat deze weer gevuld wordt. Eerst wordt de mest opgevangen in de mestkelders, wanneer deze vol zijn wordt dus overgepompt in het mestbassin. Gemiddeld is het mestbassin 285 dagen in het jaar gevuld.
•
De emissie van het mestbassin is 1194,7 m2 x 407 mg N/h/m2 x 24 uur x 15 % (afdekking) x 30 % (luchtwasser) x 285 dgn. (gevuld) = 149,7 kg. NH3.
•
Aerius-berekeningen zijn toegevoegd voor de mestbassin. Hieruit blijkt dat er geen toename is van depositie op de Natura 2000 gebieden. Zie hiervoor bijlage 8.
39
Beoordeling onderdeel geur van omliggende veehouderijen op deze locatie De varkenshouderij ligt buiten de bebouwde kom. Binnen het plangebied bevindt zich een bedrijfswoning, aangebouwde bijgebouwen, een werktuigenberging, kraamstallen en mestbassins. De bedrijfswoning is aan te merken als een geurgevoelig object (niet voor eigen bedrijf, maar wel voor omliggende veehouderijen). Deze bedrijfswoning is ten opzichte van omliggende veehouderijen op voldoende afstand gelegen. Verdere berekeningen kunnen achterwege blijven. Het plan is daarmee uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur.
4.12 Milieuefffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. De m.e.r.-procedure is gekoppeld aan de “moederprocedure”. Dit is in dit geval de bestemmingsplanprocedure. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Bepalend hierbij is de activiteit (of zijn de activiteiten) waarop het plan of besluit betrekking heeft. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten m.e.r-plichtig zijn en voor welke activiteiten een m.e.r-beoordeling moet worden verricht. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht is. In onderdeel D van de bijlage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Als een activiteit op grond van onderdeel D m.e.r.-beoordelingsplichtig is, geldt voor een kaderstellend (bestemmings)plan dat die activiteit mogelijk maakt, een plan-m.e.r-plicht. Beoordeling initiatief: vormvrije m.e.r.
beoordeling Het onderhavige plan betreft de uitbreiding van een zeugenhouderij, waarmee het aantal dieren ongewijzigd blijft. Het plan blijft (ver) onder de drempel van een project met een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer (Besluit m.e.r. bijlage D.14). Daarom kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voorliggend bestemmingsplan is die vormvrije m.e.r.-beoordeling omdat in het kader van dit bestemmingsplan de belangrijkste milieuaspecten in beeld zijn gebracht. In lijn met 'Bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten' wordt in Hoofdstuk 2 van dit plan ingegaan op de kenmerken van de activiteit en de locatie van de activiteit. In hoofdstuk 4 wordt de aard en omvang van de milieueffecten beschreven. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling welke een forse invloed heeft op het milieu in de omgeving. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Hetgeen beschreven wordt in dit plan geeft voldoende inzicht op de milieu gevolgen om een gewogen besluit omtrent dit plan te nemen. Verder onderzoek in het kader van het Besluit milieueffectrapportage is niet nodig: het plan is niet mer-plichtig.
40
Hoofdstuk 5 Juridische planopzet 5.1
Algemeen
Een bestemmingsplan is een instrument waarmee gemeenten bestemmingen aan gronden toekennen. De bestemming geeft rechten voor bouw- en gebruiksmogelijkheden. Door bestemmingen toe te kennen aan gronden kunnen gemeenten sturing geven aan een goede ruimtelijke ordening zodat er voor eenieder een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Een bestemmingsplan is opgezet volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Een bestemmingsplan bestaat daarbij uit drie onderdelen namelijk, een verbeelding, regels en een toelichting. Zo geldt dit ook voor voorliggend document. Van deze drie onderdelen vormen de digitale verbeelding en de regels het juridisch bindende deel van het plan. Eventuele bijlagen maken ook onlosmakelijk onderdeel uit van dit bestemmingsplan. De verbeelding bestaat daarbij uit een digitale kaart waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven). De toelichting heeft daarbij geen rechtskracht, maar maakt wel een belangrijk onderdeel uit van het plan. Het geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten. Daarnaast geeft het weer hoe de interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan gelezen kunnen worden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie.
Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (het overgangsrecht is hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve: 1. het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: 2. het bebouwen van de gronden; 3. het verrichten van werken (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Bouwverordening zijn ook van toepassing voor het uitoefenen van het ruimtelijke beleid.
Opbouw van de regels van het bestemmingsplan Het bestemmingsplan is conform de daaraan te stellen wettelijke eisen zoals vastgelegd in de Standaard voor Bestemmingsplannen 2012 opgesteld. De regels hebben een vaste opbouw en de hoofdstukken zijn als volgt verdeeld:
41
Hoofdstuk 1 Inleidende regels In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsbepalingen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsbepalingen ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.
Alleen zo is een volledig beeld te verkrijgen van hetgeen is geregeld. Hoofdstuk 3 Algemene regels In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een antidubbeltelbepaling, algemene gebruiksregels en algemene afwijkingsen wijzigingsregels. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotbepalingen In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
5.2
Wijze van bestemmen
De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen in de toelichting is beschreven. In deze paragraaf is als bedoeld in artikel 3.1.3. van het Besluit ruimtelijke ordening een beschrijving opgenomen van de bestemmingen die in het bestemmingsplan voorkomen. Agrarisch De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor agrarische doeleinden, een grondgebonden agrarisch bedrijf en een niet grondgebonden agrarisch bedrijf. Gebouwen zijn binnen het bouwvlak toegestaan. De maximale goot- en bouwhoogte zijn vastgelegd in de regels van dit bestemmingsplan. Ten aanzien van de bestaande bedrijfswoning is de functieaanduiding ‘bedrijfswoning’ opgenomen. Dubbelbestemming Archeologische verwachting 1
42
De voor 'Waarde - Archeologische Verwachting 1' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, ook bestemd voor het behoud, bescherming en veiligstelling van te verwachten archeologische waarden in de bodem.
43
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid van het plan In dit hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid van het plan beschreven, zowel de economische uitvoerbaarheid als de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
6.1
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien: • • •
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Beoordeling initiatief Het voorliggende plan heeft voor de gemeente Oude IJsselstreek geen financiële consequenties, aangezien de plannen voor rekening en risico van de initiatiefnemer komen. Het vaststellen van een exploitatieplan is niet noodzakelijk. Er wordt een anterieure overeenkomst en een planschadeovereenkomst gesloten. Het plan is daarmee economisch uitvoerbaar.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan geldt dat overleg moet worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het gaat dan tenminste om de betrokken waterschappen en diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. De omgevingsdialoog die is gevoerd, is toegevoegd in bijlage 10 bij deze toelichting. Dit bestemmingsplan is voorgelegd aan de provincie Gelderland. Dit bestemmingsplan voorgelegd aan het waterschap Rijn en IJssel. Zie voor een nadere onderbouwing de watertoets in paragraaf 4.6. Conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht ligt het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken ter inzage. Eenieder kan dan een zienswijze indienen op het plan. Deze zienswijzen worden vervolgens voorzien van een reactie en bij de (al dan niet gewijzigde) vaststelling van het bestemmingsplan beantwoord. Na vaststelling door de gemeenteraad ligt het bestemmingsplan opnieuw 6 weken ter inzage voor de beroepstermijn. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden om beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State.
Het bestemmingsplan treedt in werking daags na afloop van de tervisielegging, als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld? Dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de 44
inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
45
Bijlagen bij toelichting Bijlage 1
Toekomstige situatie plangebied
Bijlage 2
Landschappelijke inpassing
Bijlage 3
Akoestisch onderzoek
Bijlage 4
Archeologisch onderzoek
Bijlage 5
Quickscan flora en fauna
Bijlage 6
Resultaat watertoets
Bijlage 7
Afstand en doorsnede mestbassin aspect geur
Bijlage 8
AERIUS
Bijlage 9
V-Stacks berekening
Bijlage 10 Omgevingsdialoog
46
47