CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

15122023_Toelichting_Rabelingstraat 10.pdf

Raadsvergadering 22 mei 2025, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 6: Bestemmingsplan Buitengebied, locatie Rabelingstraat 10 Silvolde15.773 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting partiële herziening Buitengebied, locatie Rabelingstraat 10, Silvolde

Datum: 15 december 2023 Opgesteld door: EKG ruimtelijk advies & omgevingsmanagement

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1

Inleiding ................................................................................................................................ 4

1.1

Aanleiding ..................................................................................................................................... 4

1.2

Ligging planlocatie ........................................................................................................................ 4

1.3

Geldende plannen......................................................................................................................... 5

1.4

Leeswijzer ..................................................................................................................................... 6

Hoofdstuk 2

Beschrijving van het plan ...................................................................................................... 7

2.1

Huidige situatie ............................................................................................................................. 7

2.2

Toekomstige situatie ..................................................................................................................... 8

Hoofdstuk 3

Beleid .................................................................................................................................. 13

3.1

Rijksbeleid................................................................................................................................... 13

3.2

Provinciaal beleid ........................................................................................................................ 15

3.3

Regionaal beleid ......................................................................................................................... 17

3.4

Gemeentelijk beleid .................................................................................................................... 19

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten ........................................................................................................... 25

4.1

Bodem......................................................................................................................................... 25

4.2

Archeologie & Cultuurhistorie ..................................................................................................... 25

4.3

Flora en fauna ............................................................................................................................. 27

4.4

Geluid.......................................................................................................................................... 29

4.5

Luchtkwaliteit .............................................................................................................................. 30

4.6

Bedrijven en milieuzonering ........................................................................................................ 30

4.7

Externe Veiligheid ....................................................................................................................... 32

4.8

Water .......................................................................................................................................... 33

4.9

Parkeren en verkeer ................................................................................................................... 35

4.10

Kabels en leidingen..................................................................................................................... 36

4.11

Geur ............................................................................................................................................ 36

4.12

Milieuefffectrapportage ............................................................................................................... 40

Hoofdstuk 5

Juridische planopzet ........................................................................................................... 41

5.1

Algemeen .................................................................................................................................... 41

5.2

Wijze van bestemmen................................................................................................................. 42

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid van het plan .............................................................................................. 44

6.1

Economische uitvoerbaarheid..................................................................................................... 44

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid .............................................................................................. 44

Bijlagen bij toelichting .............................................................................................................................. 46

2

Bijlage 1

Toekomstige situatie plangebied ........................................................................................ 46

Bijlage 2

Landschappelijke inpassing ................................................................................................ 46

Bijlage 3

Akoestisch onderzoek ........................................................................................................ 46

Bijlage 4

Archeologisch onderzoek ................................................................................................... 46

Bijlage 5

Quickscan flora en fauna .................................................................................................... 46

Bijlage 6

Resultaat watertoets ........................................................................................................... 46

Bijlage 7

Afstand en doorsnede mestbassin aspect geur ................................................................. 46

Bijlage 8

AERIUS .............................................................................................................................. 46

Bijlage 9

V-Stacks berekening .......................................................................................................... 46

Bijlage 10

Omgevingsdialoog .............................................................................................................. 46

3

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1

Aanleiding

Aan de Rabelingstraat 10 in het buitengebied van Silvolde is een zeugenhouderij met paardenhouderij gevestigd. De eigenaar van bedrijf (hierna initiatiefnemer) heeft de wens om zijn bedrijf in oppervlakte voor de dieren te vergroten vanwege welzijn van de varkens. Concreet, worden stallen vernieuwd en de kraamstallen vergroot. Het aantal varkens dat wordt gehouden blijft gelijk aan de huidige situatie. De investering maakt het bedrijf juist duurzamer, geeft een beter welzijn voor de varkens en een reductie in milieubelasting op de omgeving. In de nieuwe opzet is de hygiëne beter op het bedrijf, doordat de diergroepen beter uit elkaar gehouden worden en de looplijnen hiermee ook. Daarnaast komt er een mestbassin naast de stallen, waardoor de mestwagens niet bij alle stallen mest hoeven te halen, wat een groot risico voor insleep van ziekten is. Ter compensatie van de uitbreiding wordt uitvoering gegeven aan een landschappelijk inpassingsplan. Met het plan neemt de bestaande oppervlakte van de bebouwing toe. De toename van de bebouwing past niet binnen het huidige bouwvlak, waardoor een groter bouwvlak nodig is. Om dit mogelijk te maken is een bestemmingsplanherziening voor de locatie nodig. Omdat het plan passend is op de locatie en aansluit op de uitgangspunten van het geldende (plussen)beleid, wordt medewerking verleend aan een herziening van het bestemmingsplan (3.1 Wro).

In dit document wordt toegelicht en gemotiveerd waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

1.2

Ligging planlocatie

Het plangebied is gelegen aan de Rabelingstraat 10 in het buitengebied van Silvolde. De locatie ligt circa 900 m ten noordoosten van het dorp Silvolde. De omgeving van het plangebied kenmerkt zich als agrarisch gebied met bomenlanen. In de directe omgeving van het plangebied zijn meerdere burgerwoningen gelegen. Het plangebied staat kadastraal bekend gemeente Wisch, Oude IJsselstraat, sectie B, perceelnummer(s) 3533 en 3647 (gedeeltelijk). Op afbeelding 1 en 2 zijn de globale ligging en de omgeving van het plangebied weergegeven.

Afbeelding 1. Globale ligging plangebied rood omcirkeld (bron: openstreetmap.org)

4

Het plangebied zelf bestaat uit een bedrijfswoning met daaraan vast een berging, garage, kantine, kantoor, een zadelhok en deel. Er zijn drie grote stallen voor de varkens (kraamhokken). Er is een werktuigenberging en een paardenstal aanwezig. Twee mestopslagen liggen aan de voorzijde van het plangebied. Aan de achterzijde ligt een paardenbak. De bebouwing is compact gesitueerd op het erf. Dit om de bedrijfsvoering zo efficient mogelijk te houden. Onderstaande luchtfoto geeft weer hoe de huidige situatie is van het plangebied.

Afbeelding 2. Luchtfoto bestaande situatie, plangebied globaal rood omlijnd (bron: pdok.nl)

1.3

Geldende plannen

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oude IJsselstreek 2017’, vastgesteld op 28 juni 2018. Ter plaatse van het plangebied geldt de bestemmingen ‘Agrarisch’. Binnen de agrarische bestemming ligt een bouwvlak en de functieaanduiding ‘bedrijfswoning’. Binnen deze bestemming zijn onder andere agrarische doeleinden, een bedrijfswoning, een grondgebonden en (onder voorwaarden) een nietgrondgebonden agrarische bedrijf toegestaan. Een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf is toegestaan met dien verstande dat maximaal 1 hectare van het bouwvlak mag worden bebouwd en gebruikt ten behoeve van de niet-grondgebonden veehouderij(tak) dan wel de bestaande grotere oppervlakte. Deze regel is niet van toepassing is op een niet-grondgebonden (melk)rundveebedrijf en een nietgrondgebonden (melk)rundveetak.

Daarnaast geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 1’ ten behoeve van de mogelijke aanwezige archeologische waarden. Met deze bestemming is geregeld dat bij de oprichting van bouwwerken met een oppervlakte groter dan respectievelijk 250 m2 en 30 cm diep een archeologisch rapport dient te worden opgesteld.

Aan de zuidkant van het plangebied is een mestbassin gerealiseerd buiten het bouwvlak. Dit is geregeld door middel van een tijdelijke omgevingsvergunning. Dit mestbassin wordt permanent geregeld in de regels van dit bestemmingsplan.

5

Met het plan neemt de bestaande oppervlakte van de bebouwing toe, waardoor een groter bouwvlak nodig is. Om dit mogelijk te maken is een bestemmingsplanherziening voor de locatie nodig. Op afbeelding 3 is een uitsnede van het geldende bestemmingsplan weergegeven.

Afbeelding 3. Uitsnede geldend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.4

Leeswijzer

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. De toelichting is opgebouwd uit 6 hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het plan beschreven. In hoofdstuk 3 wordt het plan getoetst aan het beleidskader, waarna in hoofdstuk 4 de uitvoerbaarheid van het plan wordt aangetoond aan de hand van relevante milieu- en omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 volgt de wijze van bestemmen, waarin uiteen wordt gezet hoe het plan juridisch is vertaald naar de verbeelding en de regels. Hoofdstuk 6 gaat in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6

Hoofdstuk 2 Beschrijving van het plan 2.1

Huidige situatie

Het plangebied is gelegen aan de Rabelingstraat 10 in het buitengebied van Silvolde, gemeente Oude IJsselstreek. Het plangebied betreft een zeugenhouderij met paardenhouderij. Het bouwvlak betreft een oppervlakte van 1,4 ha, waarvan ongeveer 7.800 m2 aan bedrijfsbebouwing. Binnen het plangebied staan een bedrijfswoning met daaraan vast een berging, garage, kantine, kantoor, een zadelhok, deel en natuurlijk tuin. Er staan drie stallen voor het houden van varkens. Verder is er een werktuigenberging aanwezig. Vóór de bedrijfswoning, aan de wegzijde, staat een paardenstal. Aan de achterzijde ligt een paardenbak. Op het erf zijn twee mestopslagen te vinden. Eén mestopslag ligt aan de voorzijde. Deze ligt 1 meter onder het maaiveld. De tweede opslag bestaat uit een mestkelder. Er is ook een derde mestbassin aanwezig aan de voorzijde van het perceel die eerder dit jaar middels een tijdelijke vergunning is vergund. Deze mestbassin is op de luchtfoto (nog) niet zichtbaar. De bebouwing is compact gesitueerd. De buitenruimte wordt gebruikt ten behoeve van parkeren en bedrijfsverkeer. Onderstaande luchtfoto geeft weer hoe de huidige situatie is van het plangebied.

Afbeelding 4. Luchtfoto bestaande situatie plangebied (bron: pdok.nl)

7

2.2

Toekomstige situatie

Het agrarische bedrijf gaat in de komende jaren de stallen vernieuwen. Concreet gaat hiervoor het volgende gebeuren: 1. De twee bestaande kraamstallen aan de noordzijde van het plangebied worden gesloopt. Zie

onderstaande luchtfoto met rode omlijning waarop aangegeven is welke kraamstallen worden gesloopt:

N

Afbeelding 5. Luchtfoto bestaande situatie plangebied met rode omlijning voor de te slopen kraamstallen (bron: pdok.nl)

2. Hier komt één nieuwe kraamstal voor terug. Zie de volgende afbeelding met groene omlijning

waarop aangegeven is waar een nieuwe kraamstal wordt gebouwd:

N

Afbeelding 6: Uitsnede van de nieuwe situatie nieuwe stal (Bron: Pit Bouwadvies)

8

3. De nieuwe kraamstal is groter in oppervlakte dan de oude twee kraamstallen. De paardenbak aan de noordzijde van het gebied verdwijnt door de nieuwe stal.

4. In de nieuwe stal aan de noord-westzijde krijgen de varkens nieuwe losloopkraamhokken van +/7,5 m2. Deze hokken zijn groter dan de kraamhokken in de huidige stallen aan de noordwestzijde. 5. Het aantal varkens ten opzichte van de huidige situatie blijft gelijk. De varkens krijgen enkel meer leefruimte per varken dan in de huidige situatie. 6. De nieuwe stal is gezonder en veiliger voor mens en dier. In de nieuwe opzet worden dezelfde leeftijden van dieren bij elkaar gehouden. Dit geeft minder kans van overdracht van infecties van de dieren onderling. De nieuwe stal houdt daarmee ziekten beter buiten het bedrijf. Daarnaast ontvangt de stal de nieuwste (luchtwasser) installaties die geuroverlast in de omgeving beter tegengaan dan in de huidige situatie. 7. De brandveiligheid wordt vergroot omdat de nieuwe stal op een grotere afstand wordt geplaatst van de bestaande stallen in het midden van het erf (zie rode pijl). Hierdoor is de kans op brandoverslag kleiner.

N

Afbeelding 7: Uitsnede van de nieuwe situatie afstand nieuwe stal tot bestaande stal (Bron: Pit Bouwadvies)

8. Aan de zuidkant van het plangebied is een mestbassin (1852,41 m2) gerealiseerd (zie blauwe vlak) via een tijdelijke vergunning die eerder dit jaar is afgegeven. Van dit mestbassin is 1.644,01 m2 buiten het bestaande bouwvlak gelegen. Dit bestemmingsplan regelt dit mestbassin nu permanent door het bouwvlak te vergroten, zodat de mestbassin binnen het bouwvlak komt te liggen. In deze mestopslag wordt op een natuurlijke manier mestscheiding toegepast. Dit is een stap in duurzaamheid. De mest kan hierdoor met minder energie worden gescheiden. Het mestbassin is in de bestaande situatie al geregeld door middel van een tijdelijke omgevingsvergunning. De ruimtelijke afweging voor het toestaan van dit mestbassin is hierdoor al eerder gemaakt. Dit bestemmingsplan regelt dit permanent.

9

N

Afbeelding 8: Uitsnede van de nieuwe situatie mestbassin (Bron: Pit Bouwadvies)

9. Aan de voorzijde van het plangebied wordt een nieuwe (tweede) werktuigenberging gerealiseerd. Hier kan eigen materieel worden gestald (zie paarse vlak). Door het bouwvlak aan de zuidzijde te vergroten, komt de werktuigenberging binnen het bouwvlak te liggen.

N

Afbeelding 9: Uitsnede van de nieuwe situatie werktuigenberging (Bron: Pit Bouwadvies)

10

10. De plek van de mestbassin en werktuigenberging zijn vanuit logistiek oogpunt optimaal. Door deze locatie kan door (externe) vrachtwagens het ophalen van de mest met zo min mogelijk riscio in hygiene, gezondheid en overlast worden uitgevoerd. 11. In de toekomstige situatie betreft de oppervlakte van de nieuwe kraamstal 4.511 m2. Met de sloop van de oude kraamstallen verdwijnen er bestaande stallen (circa 2.100 m2). Om de nieuwe kraamstal te bouwen komt de helft van de kraamstal, exact te noemen 2.255,43 m2, buiten het bestaande bouwvlak te liggen. De nieuwe werktuigenberging is 774 m2.

Afbeelding 10. 3D-aanzicht plangebied nieuwe situatie(Bron: Pit bouwadvies)

In bijlage 1 zijn de inrichting en de functies van de gebouwen binnen het plangebied weergegeven. Ten behoeve van de toevoeging van de kraamstal en het mestbassin wordt het bouwvlak vergroot.

Afbeelding 11. Bouwvlak oud en nieuw

11

Landschappelijke inpassing Met de uitbreiding van de varkenshouderij wordt het plangebied landschappelijk ingepast. Voor het plan is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Met het inpassingsplan worden een struweel, vogelbosje, houtsingel, struweelranden, bloemrijke akkerranden, een hoogstamboomgaard, knotbomen en een knip- en scheerheg aangelegd. Aan alle zijden van het plangebied worden landschapselementen aangelegd. Aan de zuidoostzijde worden een vogelbosje, bloemrijke akkerranden en een struweel aangelegd. De noordoostzijde van het plangebied wordt landschappelijk ingepast door middel van een struweelrand en een houtsingel. De zuidwestzijde wordt landschappelijk ingepast door een hoogstamfruitgaard. Ten noorden van het plangebied worden langs de percelen van de daar gelegen burgerwoningen struweelranden aangelegd. In bijlage 2 is het beplantingsplan bij het landschappelijke inpassingsplan weergegeven.

12

Hoofdstuk 3 Beleid In dit hoofdstuk komen het rijks-, provinciaal, regionaalen gemeentelijk beleid aan bod. Deze beleidsstukken vormen het beleidskader waarbinnen dit bestemmingsplan moet passen.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1. de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Met betrekking tot het Rijksbeleid is op gemeentelijk niveau de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van toepassing.Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld als structuurvisie. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft de landelijke overheid richting aan de grote opgaven, zoals het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. De NOVI schetst een duurzaam toekomstperspectief voor de leefomgeving in Nederland in 2050: Een klimaatbestendige delta, waarbij Nederland beschermd is tegen de negatieve gevolgen van klimaatverandering, waterveiligheid (ook voor de laaggelegen gebieden in het westen) gegarandeerd is en voldoende zoetwater beschikbaar is van goede kwaliteit; Duurzaam, concurrerend en circulair: een toekomstbestendige en volledig circulaire economie zonder vervuilende manieren van produceren en consumeren, met een uitstekend vestigingsklimaat en een hoge quality of life, met een zo goed mogelijke inpassing van duurzame energie in onze leefomgeving en slimme combinaties van functies zonder de risico's en milieunadelen te vergroten.

Een economie die veel maatschappelijke winst oplevert in termen van banen, innovatie en nieuwe bedrijvigheid en exportmogelijkheden; Kwaliteit van leven in stad en dorp: met een aantrekkelijke woon- en leefomgeving en een goede verbondenheid van stad en land. De ontwikkelingen zijn gericht op kwaliteit, met gecontroleerde en doordachte groei waar dat nodig is, waardoor diversiteit in wonen, een stedelijk netwerk, prettige woonmilieus, met rust en ruimte maar ook vitale en leefbare regio's ontstaan. Nabijheid en betrouwbare verbindingen: een uitstekende bereikbaarheid wordt met een goede en betrouwbare infrastructuur gegarandeerd, waarbij wordt ingespeeld op locatiekeuzes voor wonen en werken (nabijheid). De infrastructuur is onderdeel van een mobiliteitssysteem dat een meer divers patroon van mobiliteit veilig, robuust en duurzaam afhandelt. Luchthavens blijven belangrijk voor een sterk internationaal netwerk voor de lange afstanden. De uitdaging is om het vliegverkeer net als het goederenvervoer op een zo veilige, efficiënte en duurzame manier vorm te geven. Veilig en gezond, herkenbaar en natuurlijk: een veilig en gezond leven voor iedereen staat voorop. De leefomgeving nodigt uit om te bewegen, elkaar te ontmoeten en te ontspannen.

Daarbij horen een goede milieukwaliteit, robuuste natuur, klimaatbestendigheid en voor iedereen goede toegang tot wonen, werken en voorzieningen. Het realiseren van een fysieke leefomgeving die dit toekomstperspectief mogelijk maakt, is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle overheden. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten. Deze prioriteiten vormen complexe, omvangrijke en dringende opgaven die voortkomen uit of samenhangen met grote transities. Deze prioriteiten zijn: • •

Naar een ruimte voor klimaat adaptatie en energietransitie. Naar een duurzaam economisch groeipotentieel.

13

• •

Naar sterke en gezonde steden en regio's. Naar een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Deze vier opgaven kunnen alleen in samenhang verder worden gebracht wanneer aandacht is voor thema's die hier dwars doorheen lopen, zoals omgevingskwaliteit, gezondheid, cultuurhistorie, klimaatadaptatie, water, bodem, (nationale) veiligheid en milieukwaliteit. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De basis van juridische borging van de realisatie van de nationale belangen ligt in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is in werking sinds 2011 en bevat onderwerpen die van rijksbelang zijn. Het gaat om onder andere de volgende nationale belangen: Rijksvaarwegen, grote rivieren, defensie, ecologische hoofdstructuur, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en primaire waterkeringen. Het Barro is concreet normstellend bedoeld en wordt geacht direct of indirect, dat wil zeggen door tussenkomst van de provincie, door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming.

3.1.2. Ladder voor duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR: voorganger van de NOVI) is de 'ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. Op 1 oktober 2012 is de Ladder in werking getreden als motiveringsvereiste onder artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het vormt daarmee een nadere invulling van artikel 3:2 van de Awb. Het Bro bepaalt dat wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, deze moet worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Voordat de ladder voor duurzame verstedelijking wordt toegepast, moet een afweging plaatsvinden of het 'plan' een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' betreft. De Bro definieert het begrip 'stedelijke ontwikkeling' als volgt: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen”. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er dus sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voorziet het plan in de toevoeging van een gebouw, dan ligt de ondergrens 'in beginsel' bij een brutovloeroppervlakte van minder dan 500 m2.

Voor ontwikkelingen in de vorm van een terrein is 'in beginsel' geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als het ruimtebeslag minder dan 500 m2 bedraagt. Doordat in dit plan de uitbreiding meer dan 500 m2 bruto-vloeroppervlakte betreft is sprake van een stedelijke ontwikkeling. De vervolgstap is de toetsing of de stedelijke ontwikkeling ‘nieuw’ is. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Met het plan wordt meer bebouwing mogelijk gemaakt dan is geregeld in het geldende bestemmingsplan, waardoor sprake is van een ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkeling. In dit geval dient de behoefte van het plan te worden aangetoond. Toetsing aan de ladder vindt plaats onder het kopje ‘beoordeling initiatief’. Beoordeling initiatief De ladder voor duurzame verstedelijking Het bouwvlak van het bedrijf moet worden uitgebreid zodat de sloop en nieuwbouw van een stal mogelijk wordt, de bouw van een werktuigenberging mogelijk wordt en een mestbassin permanent kan worden toegestaan. De stal wordt vernieuwd ten behoeve van het dierenwelzijn en duurzaamheid. Het aantal varkens neemt op het bedrijf dus niet toe. De mestbassin was al tijdelijk vergund. Deze wordt nu permanent vastgelegd.

Voor de nieuwbouw van de stal is een uitbreiding van het bouwvlak benodigd. 14

De uitbreiding van het bouwvlak betreft meer dan 500 m2 oppervlakte. Als de ontwikkeling van een bedrijventerrein buiten bestaand stedelijk gebied is gepland, moet volgens artikel 3.1.6 lid 2 Bro worden gemotiveerd waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een specifieke nieuwe stedelijke ontwikkeling is de uitbreiding van een bedrijf dat al is gevestigd op een locatie. Belangrijke motiveerlijnen voor de Ladder hebben betrekking op het onderbouwen dat verhuizing naar een nieuwe locatie in redelijkheid geen optie is voor de onderneming, noch ruimtelijk, noch financieel. Een verhuizing van dit agrarische bedrijf naar een bedrijventerrein is noch financieel, noch ruimtelijk niet haalbaar. Het bedrijf heeft op het bedrijventerrein onvoldoende ruimte om te kunnen functioneren zowel ruimtelijk als in financiele zin. Bovendien is het, vanwege het agrarische karakter van het bedrijf, niet logisch het bedrijf te laten verhuizen naar een bedrijventerrein in het kader het aspect geur of geluid. Ook zijn de percelen van deze grootte niet beschikbaar op het bedrijventerrein. Het plan betreft een ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkeling, dat voorziet in behoefte, dat niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd, waardoor wordt voldaan aan de voorwaarden van de ladder duurzame verstedelijking.

De NOVI De NOVI gaat niet concreet in op kleinschalige lokale ontwikkelingen zoals de uitbreiding van de kraamstal. In algemene zin draagt het project bij aan de kwaliteit van het leven in stad en land. Dit door een aanzienlijke vermindering van milieuoverlast voor de omgeving en een verbetering van dierenwelzijn. De beoogde ontwikkeling heeft geen betrekking op de nationale belangen en is daarmee ook niet in strijd met het Barro.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland, vastgesteld op 19 december 2018 gaat over ‘Gaaf Gelderland’. ‘Gaaf’ is een woord met twee betekenissen. ‘Gaaf’ betekent ‘mooi’ en gaat over wat historisch en landschappelijk gezien heel en mooi en ongeschonden is. Het beschermen waard! Maar ‘Gaaf’ verwijst ook naar dat wat ‘cool’ en nieuw en vernieuwend is; aantrekkelijk voor nieuwe generaties. Het ontwikkelen waard! Beide kanten zijn van toepassing op Gelderland en onlosmakelijk verbonden met de Gelderlanders. Beide aspecten zijn dan ook opgenomen in de Gelderse Omgevingsvisie. In de Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' is benoemd wat voor de provincie van waarde is en wat moet worden beschermd. Daarnaast geeft de provincie richting aan wat ze willen en ook moeten veranderen en ontwikkelen. In de visie staan de volgende begrippen centraal: gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Met gezond en veilig worden een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna gestimuleerd. Daarmee bereidt de provincie zich voor op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. Om deze doelen te bereiken moet met name aandacht worden besteed aan verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.

Met schoon en welvarend worden een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen gestimuleerd. Daarmee bereidt de provincie zich voor op het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. Om deze doelen te bereiken moet met name aandacht worden besteed aan het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.

15

Beoordeling initiatief Het initiatief om het bouwvlak uit te breiden ten behoeve van de bouw van een nieuwe kraamstal past binnen de Omgevingsvisie. De bouw van de nieuwe kraamstal geeft namelijk ook de mogelijkheid voor het doorvoeren van een verduurzaming binnen het bedrijf zoals nieuwe (luchtwasser) installaties, natuurlijke mestscheiding en verbetering hemelwateropvang. Daarnaast brengt de bouw van de nieuwe kraamstal een verbetering op het gebied van dierenwelzijn, hygiëne en een beperking van gezondheids(gescheiden messtromen) en veiligheidrisico’s (brandoverslag). De voorgenomen ontwikkeling sluit daarmee aan bij de doelstellingen om een passend en duurzaam ondernemersklimaat in de provincie te garanderen.

3.2.2. Omgevingsverordening Gelderland Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld op 24 september 2014. Daarna hebben nog enkele actualisaties plaatsgevonden. De laatste in januari 2023. De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, delen of gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De regels in de verordening zijn gebaseerd op de hierboven beschreven Omgevingsvisie Gelderland. Beoordeling initiatief De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. In artikel 2.30 en 2.31 van de provinciale verordening is het plussenbeleid opgenomen. Hierin staat het volgende aangegeven: Artikel 2.30 (uitbreiding niet-grondgebonden veehouderijbedrijf of veehouderijtak: handreiking beleidsregels Plussenbeleid) •

Gedeputeerde Staten stellen in een handreiking een algemeen kader vast voor de door het gemeentebestuur op te stellen beleidsregels Plussenbeleid.

•

De handreiking Plussenbeleid bevat in ieder geval als kader dat: a. uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf of niet-grondgebonden veehouderijtak alleen mogelijk is als door de aanvrager plusmaatregelen worden getroffen; b. de investering in de te treffen plusmaatregelen aantoonbaar € 15,- tot € 20,- per vierkante meter bruto stalvloeroppervlakte van de uitbreiding bedraagt; c. de plusmaatregelen getroffen worden in de volgende rangorde: i.

ter plaatse op het erf; deze worden getroffen, zowel op het erf als nabij het erf

ii.

in de directe omgeving van het erf; deze worden getroffen, zowel op het erf als nabij het erf

iii.

in de omgeving van de direct-omwonenden; deze worden getroffen op en nabij het erf.

d. de te treffen plusmaatregelen geborgd worden in: i.

16

een privaatrechtelijke overeenkomst, inclusief een boetebeding; maakt onderdeel uit van dit bestemmingsplan.

ii.

een voorwaardelijke plicht in het bestemmingsplan, of

iii.

de voorschriften van een omgevingsvergunning: een voorwaardelijk plicht middels inpassing landschappelijk maakt onderdeel uit van dit bestemmingsplan.

Artikel 2.31 (instructieregel bestemmingsplan Plussenbeleid) 1. Een bestemmingsplan maakt een uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf of niet-grondgebonden veehouderijtak alleen mogelijk als de uitbreiding voldoet aan door het gemeentebestuur in overeenstemming met de handreiking Plussenbeleid vastgestelde beleidsregels: het plan is in overeenstemming met de handreiking Plussenbeleid vastgestelde beleidsregels van het gemeentebestuur. Zie hiervoor ook de lokale uitwerking onder het gemeentelijk beleid. 2. Een bestemmingsplan kan eens per vijf jaar een uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf of veehouderijtak mogelijk maken met een omvang van ten hoogste 500 vierkante meter, waarop de vastgestelde beleidsregels niet van toepassing zijn: dit plan valt onder de vastgestelde beleidsregels van de gemeente. Daarmee zijn de beleidsregels op deze locatie wel van toepassing. Dit betekent dat de instructieregel met het maximum van 500 m2 uitbreiding hier niet van toepassing is. Onder gemeentelijk beleid gaan we nader in op de lokale uitwerking hiervan. Onder gemeentelijk beleid in paragraaf 3.4.3 gaan we in op de lokale uitwerking van het plussenbeleid. Klimaatadaptatie In artikel 2.65b van de Omgevingsverordening is een instructieregel opgenomen met betrekking tot klimaatadaptatie.

Deze instructieregel houdt in dat in de toelichting op een bestemmingsplan wordt aangeven welke afweging er is gemaakt t.a.v. klimaatadaptatie, waarbij in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: 1. 2. 3. 4.

waterveiligheid; wateroverlast; droogte; hitte.

Voor dit plan is de digitale watertoets van het waterschap Rijn & IJssel doorlopen. Hieruit volgt dat er voor dit plangebied geen bijzondere aandachtspunten zijn als het gaat om waterveiligheid. Dit sluit ook aan bij de ligging van het plangebied. Waterveiligheid hangt met name samen met overstromingsgevaar vanuit zee of de grotere rivieren. Het waterschap Rijn & IJssel verwijst naar de website www.overstroomik.nl als het gaat om het aspect waterveiligheid. Uit de raadpleging van deze website blijkt dat een overstroming in dit plangebied niet waarschijnlijk is. Wateroverlast ontstaat wanneer bij hevige regenval het hemelwater niet goed kan weglopen. Hierdoor blijft het hemelwater (tijdelijk) op het maaiveld staan waardoor wegen onbegaanbaar worden of het hemelwater zelfs woningen kan binnendringen met schade tot gevolg. Dit type problemen neemt toe naarmate een gebied meer verhard is. In dit geval wordt er een wadi aangelegd. Ook is er een hemelwaterberekening uitgevoerd. Het plan sluit daarmee aan bij de uitgangspunten de Omgevingsverordening Gelderland.

3.3

Regionaal beleid

3.3.1 Regionale Structuurvisie Achterhoek 2012 De gemeenteraden van Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en 17

Winterswijk hebben in hun vergaderingen van april/mei 2012 de 'Regionale structuurvisie Achterhoek 2012' vastgesteld. De gemeenteraad van Montferland heeft de visie niet formeel vastgesteld, maar daaraan wel instemming betuigd, omdat Montferland voor ruimtelijke ordening tevens deel uitmaakt van de Stadsregio. De Regionale structuurvisie is een actualisatie van de visie uit 2004. Er is gekozen voor een actualisatie, omdat in de Achterhoek zich een aantal belangrijke en ingrijpende economische en maatschappelijke ontwikkelingen voordoen, zoals: − energietransitie en het inspelen op de gevolgen van de klimaatveranderingen; − bevolkingsverandering, krimp, vergrijzing en ontgroening; − de veranderingen in de landbouw en het landelijk gebied; − positionering van de Achterhoek in (inter)nationaal perspectief. Deze ontwikkelingen zullen gevolgen hebben voor de manier waarop er nu gewoond, geleefd en gewerkt wordt in de Achterhoek. Ze hebben ook invloed op de wijze waarop geld verdiend wordt in de regio. Wijzigingen hierin kunnen ruimtelijke consequenties hebben. De geactualiseerde visie geeft richting aan het regionaal ruimtelijk beleid om de transitieopgaven goed te kunnen faciliteren. Dit door belangrijke ruimtelijke thema’s te agenderen en hierop afstemming tussen gemeenten te zoeken.

Het doel is, dat de Achterhoek ook in de toekomst een vitale, regionale economie heeft en een zeer prettige omgeving blijft om in te wonen en te recreëren. De visie sluit aan bij de Agenda 2020 van Regio Achterhoek en de provinciale regio verkenningen. Inhoudelijk beschrijft de structuurvisie: − Samenwerking op volkshuisvesting, bedrijfsvestigingen en functieveranderingsbeleid. − Bereikbaarheid van de regio, zowel fysiek als digitaal. − Balans tussen bestaande en nieuwe kwaliteiten in de landbouw/het landschap. − Innoveren van de maakindustrie en landbouw en het verduurzamen van productieprocessen en energievoorziening. − Ruimtelijk wordt de 'ja, mits' benadering leidend. Deze visie is geen blauwdruk voor hoe het allemaal zou moeten. Respect voor het Achterhoekse landschap staat voorop, maar het ruimtelijk beleid mag innovatieve en duurzame ontwikkelingen niet in de weg staan. Van belang is om flexibel te blijven. Beoordeling initiatief De ruimtelijke kwaliteit en het behoud van kleinschaligheid in het landschap zijn speerpunten voor de leefomgeving. Het plan voorziet in een kwaliteitssprong met het vernieuwen van de twee oude stallen. Door de modernere techniek en meer ruimte voor hetzelfde aantal varkens, betreft het plan een verbetering van duurzaamheid en het dierenwelzijn. Er komen minder schadelijke stoffen in de natuur door de natuurlijke mestverwerking en scheiding.

Er zal door nieuwe installaties voor de omgeving minder stank overlast zijn. Met het plan wordt uitvoering gegeven aan een landschappelijk inpassingsplan. De uitvoering en instandhouding van dit plan zorgt voor een versterking van de landschappelijke kwaliteit van het gebied. Het landschappelijk inpassingsplan en het beplantingsplan zijn toegelicht in paragraaf 2.2. Het plan sluit daarmee aan bij de uitgangspunten van de Regionale Structuurvisie Achterhoek 2012.

18

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Oude IJsselstreek 2025 De gemeenteraad van Oude IJsselstreek heeft op 12 mei 2011 de Structuurvisie Oude IJsselstreek 2025 vastgesteld. De Structuurvisie geeft richting aan het ruimtelijke, economische en maatschappelijke beleid van de gemeente en laat in grote lijnen zien hoe Oude IJsselstreek zich tot het jaar 2025 zal gaan ontwikkelen. De gemeente Oude IJsselstreek wil zich graag verder ontwikkelen als een dynamische gemeente. Deze boodschap blijft voor de komende jaren een belangrijk uitgangspunt voor het gemeentelijke woonbeleid. Naast het motto “de juiste woning op de juiste plaats”, spelen onder andere kwaliteit van de leefomgeving en de leefbaarheid hierbij een belangrijke rol. Achteruitgang en verloedering van de woon- en leefomgeving moet worden tegengegaan. De bijstelling van de bouwopgave voor de gemeente vraagt om aanpassing van beleid en bestaande bouwplannen. De juiste woning op de juiste plek is hierbij leidend. De gemeente Oude IJsselstreek streeft ernaar dat de agrarische sector de belangrijkste economische drager van het buitengebied blijft. De ontwikkelingen in het verleden en het cultuurlandschap van heden hebben ervoor gezorgd dat Oude IJsselstreek bij uitstek een Achterhoekse gemeente is, waar de landbouw gemiddeld betere kansen heeft om zich te ontwikkelen, ten opzichte van andere gemeenten in Gelderland.

Om de ontwikkelingen in de agrarische sector te faciliteren geeft de gemeente ruimte voor grootschalige landbouw in een open landschap. De landbouw in Oude IJsselstreek bestaat met name uit veehouderijbedrijven: de grondgebonden (melk)rundveehouderij en intensieve veehouderij (met name varkenshouderij). Beoordeling initiatief Het plan betreft het uitbreiden van een zeugenhouderij in het buitengebied. Met de uitbreiding van het bedrijf blijft het aantal dieren ongewijzigd ten opzichte van de huidige situatie. De uitbreiding heeft als doelstelling om de duurzaamheid van het bedrijf én het dierenwelzijn te verbeteren en toekomstbestendig te maken. Er komen minder schadelijke stoffen in de natuur komen er zal voor de omgeving minder stank overlast zijn. Binnen de structuurvisie is aangegeven ruimte te geven aan de ontwikkeling van agrarische bedrijven. Een ander speerpunt is het behouden van de kwaliteit van het bestaande landschap. Het plan betreft een positieve ontwikkeling van een agrarisch bedrijf. Doordat het bedrijf landschappelijk wordt ingepast in haar omgeving onstaat er een versterking van de kwaliteit van het landschap ten opzichte van de huidige situatie. Het plan sluit daarmee aan bij de uitgangspunten van de Structuurvisie Oude IJsselstreek 2025.

3.4.2 Toekomstvisie Oude IJsselstreek 2030 Op 25 maart 2021 heeft de gemeenteraad van Oude IJsselstreek de gemeentelijke omgevingsvisie vastgesteld. Hierin beschrijft de gemeente Oude IJsselstreek haar visie aangaande het behouden en versterken van een aantrekkelijke woon-, werk-, leef en recreatieomgeving. Hierbij wordt nadrukkelijk aandacht besteed aan wat bewoners, ondernemers en recreanten belangrijk vinden. Er zijn zeven opgaven genoemd: • • • • • •

benut de stroom van de ‘Oude IJssel’ met bijvoorbeeld recreatie of ecologie; florerende Smart Industry, de gemeente moet goed bereikbaar zijn en een aantrekkelijk vestigingsklimaat hebben; vitaal platteland, met onder andere lokale voedselketen en nieuwe (woon)erven; de allernieuwste energie met duurzaamheid en hernieuwbare energie als gedachtegang; groene parels, de biodiversiteit en het groene karakter moeten versterkt worden; gezond oud worden en gezond jong zijn, bewegen, ontmoeten, goed kunnen wonen; 19

•

het witte vel is de onbekende toekomst. Dat wil zeggen experimenteren, samen toekomst maken.

Beoordeling initiatief Het plan betreft het uitbreiden van een zeugenhouderij in het buitengebied. Met de uitbreiding van het bedrijf blijft het aantal dieren ongewijzigd. De uitbreiding heeft als doelstelling om de duurzaamheid van het bedrijf en het dierenwelzijn te verbeteren. Er komen minder schadelijke stoffen in de natuur en minder stank overlast. Het bedrijf wordt een landschappelijk ingepast. Dit plan zorgt voor een versterking van de landschappelijke waarde en biodiversiteit van het gebied. Het plan sluit daarmee aan bij de uitgangspunten van de Structuurvisie Oude IJsselstreek 2025.

3.4.3 Plussenbeleid Oude IJsselstreek Het Plussenbeleid is van toepassing bij grotere uitbreiding van een niet-grondgebonden (onderdeel van een) veehouderij, waarbij de planologische mogelijkheid om stallen te bouwen met meer dan 500 m2 bruto-staloppervlak toeneemt. Een kleinere uitbreiding is eenmaal binnen een periode van 5 jaar toegestaan zonder toepassing van het Plussenbeleid. Doel van het Plussenbeleid is stimuleren van een duurzame niet-grondgebonden veehouderij en het verbreden van maatschappelijk draagvlak door het aangaan van de dialoog met de omgeving, het bieden van transparantie en stimuleren van extra investeringen. Niet-grondgebonden veehouderijen kunnen groeiruimte verdienen door maatschappelijke tegenprestaties (plus-maatregelen) welke leiden tot een betere kwaliteit voor de leefomgeving en verduurzaming van de niet-grondgebonden veehouderij. Hiermee wordt beoogd dat er meer innovatieve, duurzame niet-grondgebonden veehouderijen ontstaan die kunnen rekenen op meer draagvlak vanuit de omgeving. Binnen het plussenbeleid zijn vier aspecten van belang, namelijk: dialoog, investering, plusmaatregel en borging uitvoering maatregelen. Dialoog De initiatiefnemer voert de omgevingsdialoog op een manier die past bij het gebied en zijn plan en nodigt daarbij de omwonenden en/of eigenaren van omliggende percelen uit die daarvan invloed zullen ondervinden.

Dit kan in het ene geval een bijeenkomst zijn en in het andere geval kan de initiatiefnemer dit individueel aan de keukentafel bij de buren bespreken. Dit wordt voorafgaand samen met het basisuitbreidingsplan in een dialoogvoorstel voorgelegd aan de gemeente. De dialoog moet daarbij vooral gaan over de plusmaatregelen. Uitgangspunt is dat de initiatiefnemer de plusmaatregelen nog niet heeft ingevuld maar in dialoog met de omgeving verkent, weegt en bepaald. Investering Het Plussenbeleid gaat uit van aanvullende maatregelen (plusmaatregelen) die door de initiatiefnemer getroffen moeten worden. Op grond van het Provinciale Plussenbeleid bedraagt de vereiste investeringsbijdrage een bedrag tussen de € 15 en € 20 per vierkante meter bruto staloppervlakte van de uitbreiding. Hierbij geldt dat het bestaand recht volgens artikel 3.1 lid c.1 van het geldend bestemmingsplan ‘Buitengebied Oude IJsselstreek 2017’, niet wordt meegenomen in de investeringsberekening. Dus maximaal 1 ha van het bouwblok, dan wel het bestaand legaal bebouwd oppervlak groter dan 1 ha, is het vertrekpunt van de berekening van de investeringsbijdrage. De investering vindt bij voorkeur plaats op of nabij het erf van de initiatiefnemer. Plusmaatregelen De te nemen aanvullende duurzaamheidsmaatregelen moeten passen binnen een goede ruimtelijke ordening.

Dit vergt maatwerk en is afhankelijk van het gebied waar de uitbreiding plaatsvindt. De

20

ondernemer moet aantonen waarom zijn maatregel voor een plus in aanmerking komt en moet dat expliciet maken. Het is aan de gemeente om deze afweging te beoordelen. Alle aanvullende maatregelen op het gebied van ruimtelijke kwaliteit, milieu en dierenwelzijn zijn denkbaar. Prioriteit heeft echter het extra versterken van landschappelijke inpassing. Borging uitvoering maatregelen De plusmaatregelen worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer. Aan de uitvoering en instandhouding van deze maatregelen is dan een boetebeding gekoppeld. Daarnaast dient voor de uitvoering van de plusmaatregelen een voorwaardelijke verplichting opgenomen in het bestemmings- of wijzigingsplan dat de uitbreiding mogelijk maakt. Zo is ook in dit plan een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels. Beoordeling initiatief Dialoog De initiatiefnemer is met alle buren in gesprek geweest en heeft hierbij de plannen overlegd. De omgevingsdialoog heeft plaatsgevonden in de Corona tijd. Vanwege de Corona zijn de buren bij de initiatiefnemer per 2 paar buren op de deel op bezoek geweest. De initiatiefnemer heeft hier met een presentatie en een gesprek de buren betrokken bij de plannen. De buren zijn over het algemeen positief. Een enkele buurtbewoner is neutraal van mening.

Het belang dat bij omwonenden voornamelijk speelt is dat zij niet benadeeld willen worden in het woongenot door middel van overlast. Zij hebben het vertrouwen dat dit plan ook daadwerkelijk een verbetering gaat brengen voor de milieulast op de omgeving. De verslaglegging van de dialoog is (geanonimiseerd) in bijlage 10 bij deze toelichting opgenomen. Investering Met de sloop van de oude kraamstallen verdwijnen er circa 2.100 m2 aan bestaande stallen. De nieuwe kraamstal heeft een oppervlakte van 4.511 m2. Door de bouw van de nieuwe kraamstal wordt 2.255 m2 buiten het bouwvlak toegevoegd. De nieuwe werktuigenberging is 774 m2. De mestbassin is 1852 m2. Van deze 1852 m2 is 1.644,01 m2 buiten het bestaande bouwvlak gelegen. Totale toevoeging van bebouwing aan het bouwvlak is dus 4673 m2. Dit komt neer op een benodigde investering vanuit het plussenbeleid op € 70.095,- tot € 93.460 (€ 15,- tot € 20,- m2 extra bebouwing). Voor het plan wordt een investering gemaakt door de bouw van een nieuwe duurzame kraamstal waarbij ingezet wordt op extra dierenwelzijn, gezondheid (meer hygiëne) en veiligheid (brandveiligheid). Naast deze investering. Wordt nog een landschappelijk inpassing gerealiseerd. Deze landschappelijke inpassing komt als investering dus bovenop de gevraagde plusmaatregelen. Deze is weergegeven in bijlage 2 van deze toelichting.

De landschappelijke inpassing van de gemeente is bij iedere ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied van toepassing. Op basis van de grootte van het plangebied moet er een minimum aan nieuwe landschapselementen worden toegevoegd. De extra landschapselementen kunnen daarom ook worden gezien als plusmaatregel. Met deze investeringen wordt ruim voldaan aan de minimaal gestelde eisen van het Plussenbeleid van de gemeente Oude IJsselstreek. De kosten voor de uitvoering van het gehele plan (kraamstal, mestbassin) komt overeen met de minimaal benodigde investering volgens het plussenbeleid. Plusmaatregelen De uitbreiding van het bedrijf is passend in de schaal van het landschap. Belangrijk aspect is dat het bedrijf wordt uitgebreid ten behoeve van duurzaamheid en dierenwelzijn. De volgende plusmaatregelen worden toegepast: •

Toepassing van nieuwe en duurzame technieken: de nieuwe stal wordt met betere en meer duurzame technieken gerealiseerd. Dit komt de duurzaamheid van de bedrijfsvoering ten goede. 21

•

•

•

•

• •

Toename van leefruimte per dier: Per varken neemt het aantal m2 aan leefruimte toe. Dit wordt nu 7,5 m2 per kraamhok. Dat is meer dan de huidige wettelijke eisen in Nederland voorschrijven. Daarmee loopt de initiatiefnemer vooruit op de eisen. Er wordt een nieuwste soort luchtwassersysteem toegepast: De nieuwe stal zal uitgevoerd worden met een 70% luchtwasser. Wat t.o.v. de huidige situatie een sterke verbetering geeft op het gebied van uitstoot van geur, ammoniak en fijn stof. Warmteterugwinning met de luchtwasser wordt (wijst zich definitief uit bij fase omgevingsvergunning bouw) toegepast: initiatiefnemer is zich aan het oriënteren op het koppelen van warmteterugwinning met de luchtwasser. Dit in samenwerking met de Wageningen Universiteit. De zeugenhouderij vraagt veel energie voor warmte en ventilatie, dus dit is een belangrijk aandachtspunt om het bedrijf ook toekomstbestendig te maken. Een mestbassin met natuurlijke scheiding: het mestbassin wordt dusdanig uitgevoerd, dat er al voor een groot gedeelte natuurlijke scheiding optreedt. Dit geeft een besparing van tijd en dus energie voor de mechanische mestscheiding. Met betrekking tot de mestopslag in de nieuwe stal wordt gekeken naar duurzame oplossingen. Er worden nieuwe systemen in proefstallen getest. Dit komt ten behoeve van de duurzaamheid en emissiebeperking binnen het bedrijf.

De komende jaren worden de ontwikkelingen voor deze systemen goed in de gaten gehouden door initiatiefnemer. Interressante ontwikkelingen zullen indien mogelijk door hem toegepast worden. Door het landschappelijk inpassingsplan wordt het bedrijf bovendien beter ingepast in de omgeving. De biodiversiteit en landschappelijke kwaliteit van het gebied wordt hierdoor versterkt. Naast de investeringen die worden gemaakt binnen het bedrijf. Borging uitvoering maatregelen De plusmaatregelen zijn vastgelegd in een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer. De uitvoering en instandhouding van het landschappelijk inpassingsplan zijn voorwaardelijk verplicht gesteld in de regels van dit bestemmingsplan. Het plan sluit daarmee aan bij de uitgangspunten van het Plussenbeleid Oude IJsselstreek.

3.4.4 Visie op Landschap, Natuur en Groene Kernen De Visie op Landschap, Natuur en Groene Kernen (VLNGK) biedt een gewenst toekomstbeeld. De visie is in een interactief proces met bewoners, maar ook organisaties en verenigingen tot stand gekomen. De visie geeft richting aan de gewenste ontwikkeling van het landschap voor zowel het buitengebied als de kernen. De visie gaat in op de wijze waarop de kenmerkende landschappen voor de toekomst verder versterkt worden, in samenhang met de ontwikkelingen die de komende jaren spelen. Ook gaat de visie in op de gewenste groenstructuur in de kernen. De gemeente realiseert de visie niet alleen, een groot aantal zaken pakt zij zelf op, maar de visie moet vooral ook anderen stimuleren om mee te werken aan een groene en gezonde leefomgeving. Beoordeling initiatief Met het plan wordt een landschappelijk inpassingsplan en een beplantingsplan uitgevoerd. De uitvoerbaarheid en instandhouding van het landschappelijk inpassingsplan is voorwaardelijk verplicht gesteld in de regels van dit bestemmingsplan. Het landschappelijk inpassingsplan is in paragraaf 2.2 reeds toegelicht. Het plan sluit daarmee aan bij de uitgangspunten van de Visie op Landschap, Natuur en Groene Kernen.

22

3.4.5 Oude IJsselstreek Klimaatbestendig – Klimaatagenda 2022 -2026 Het klimaat in Nederland verandert. Het KNMI verwacht hogere temperaturen, nattere winters, hevigere regenbuien en kans op drogere zomers. Dit verhoogt het risico op wateroverlast, grondwaterproblemen en hittestress in dorpen, steden en in het landelijk gebied. Dat levert risico’s op voor onze economie, gezondheid en veiligheid. Het is belangrijk dat we ons aanpassen aan deze veranderingen. In het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie hebben rijk, provincies, gemeenten en waterschappen als mijlpaal bepaald dat in 2050 sprake moet zijn van een klimaatbestendige inrichting van de omgeving. Hierin hebben overheden, maatschappelijke organisaties, bedrijven en inwoners ieder hun eigen verantwoordelijkheid. "De klimaatatlas” helpt bij het bepalen hoe we klimaatbestendig kunnen worden. Waar kan Oude IJsselstreek droogte, wateroverlast en hittestress verwachten in 2050? Om goed voorbereid te zijn op toekomstige weersextremen hebben gemeente Oude IJsselstreek en waterschap Rijn en IJssel de klimaatatlas samengesteld. Deze atlas brengt de verwachte klimaateffecten voor 2050 op het gebied van wateroverlast, overstroming, droogte en hitte in kaart.

Op basis hiervan gaat de gemeente samen met inwoners, bedrijven en andere betrokkenen aan de slag om er voor te zorgen dat Oude IJsselstreek in de toekomst voorbereid is op deze weersextremen. Beoordeling initiatief Met het plan wordt een bestaand agrarisch bedrijf uitgebreid. Een onderdeel van het plan is het uitvoeren van een landschappelijk inpassingsplan en een beplantingsplan. Met het plan neemt de verharding binnen het plangebied met circa 1.450 m2 toe. Wateroverlast en overstromingen De kans op overstromingen of wateroverlast neemt echter niet toe op deze locatie. Voor de opvang van regenwater wordt namelijk een wadi binnen het plangebied gerealiseerd. Aan de wadi wordt een overloop gemaakt naar de sloot aan de andere kant van de zandweg. Bij hoosbuien kan deze overloop ervoor zorgen, dat de wadi en het terrein niet overloopt. Hittestress Met het plan worden meerdere bomen, beplanting en struwelen aangelegd. De aanleg en instandhouding van de beplanting compenseert de toename van verharding binnen het plangebied. De aan te leggen wadi houdt hemelwater beter vast. Dit draagt bij aan compensatie van hittestress door toename verharding. Het plan heeft daarmee per saldo geen negatief effect op de hittestress. Droogte Droogte kan gevolgen hebben voor de grondwaterstand, waardoor de geboorde put in het plangebied niet gebruikt kan worden.

In geval van een brand is dan weinig bluswater beschikbaar. Extra infiltratie van hemelwater door middel van de wadi kan helpen om de grondwaterstand op peil te houden. Het plan sluit daarmee aan bij de uitgangspunten van de Oude IJsselstreek Klimaatbestendig – Klimaatagenda 2022 -2026.

3.4.6 Welstandsnota Het welstandsbeleid van de gemeente Oude IJsselstreek is omschreven in de Welstandsnota Gemeente Oude IJsselstreek. De nota is op 19 september 2013 vastgesteld. In de nota staan welstandscriteria die worden gebruikt bij de beoordeling of een bouwplan redelijkerwijs voldoet aan de eisen van welstand. Gebiedstype: Overige erven Voor de uitbreiding van het bedrijf is gekeken in welk gebied het plangebied is gelegen binnen het

23

welstandsbeleid van de gemeente Oude IJsselstreek. Hieruit komt naar voren dat het plangebied is gelegen binnen de welstandseisen die gelden voor het buitengebied. De locatie is volgens de Welstandsnota een erf dat valt onder de: Overige erven. Deze ‘Overige erven’ zijn ontstaan na de Tweede Wereldoorlog. Vanaf de jaren 50 heeft de agrarische sector een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Dat heeft zich in het buitengebied van Oude IJsselstreek ook geuit in de agrarische bouwvormen. Vanaf dat tijdstip werden boerderijen anders gebouwd dan het traditionele boeren erf. De functionaliteit staat hier voorop in vergelijking met de traditionele boerenerven. Veelal bestaat de bebouwing uit bedrijfsgebouwen en een losstaande bedrijfswoning. De bedrijfsgebouwen zijn veel grootschaliger dan het geval is bij de traditionele erven. Grote silo's, hallen en verharde terreinen voor opslag en parkeren bepalen op de ‘Overige erven’ het beeld. De bebouwingsopzet van Overige erven Over het algemeen dient de bebouwing in samenhang geclusterd te zijn op het erf, omdat dit van oudsher al zeer bepalend is voor het landschappelijke beeld. Bij het bepalen van de erfopzet en de groepering van de gebouwen dient ingespeeld te worden op de aanwezige karakteristieke landschappelijke structuren en ruimtelijke/landschappelijke elementen.

Daarbij gaat het ondermeer om het aanwezige landschapstype, de schaal van het gebied, het verkavelingspatroon de eventueel aanwezige hoogteverschillen. Ten aanzien van de inrichting van het erf dient er zorggedragen te worden voor een logische ontsluiting van het bouwperceel, waarbij de hoeveelheid verhard terrein zoveel mogelijk beperkt wordt. Ook dient er zorgvuldig omgegaan te worden met (tijdelijke) opslag van goederen. Voor een goede inpassing van overige erven in het landschap is erfbeplanting onmisbaar. De afzonderlijke gebouwen op een perceel dienen samen, qua oriëntatie(richting) en silhouet, een samenhangend ensemble te vormen. Het hoofdgebouw, de boerderij of het woonhuis, dient zich duidelijk als hoofdgebouw te manifesteren. De bedrijfsgebouwen dienen daarom teruggelegen ten opzichte van de boerderij of het woonhuis te worden gesitueerd. Ook 'ondergeschikte' gebouwen en objecten dienen ondergeschikt gesitueerd te worden. Bij gebouwen met meerdere 'voorzijden' en/of gebouwen die vanaf meerdere wegen zichtbaar zijn, wordt voor elke wand de geldende gebiedscriteria gehanteerd. Toepassing van moderne materialen past bij de moderne vormgeving van de overige (boeren)erven, mits de schaal, maat en kleur geen contrast vormt met de omgeving, landschappelijke inpassing speelt ook hier een centrale rol.

Welstandsniveau 2 Voor overige erven in het buitengebied is welstandsniveau 2 van toepassing. Hieronder vallen gebieden, die vanuit het perspectief van de gehele gemeente geen zware toetsing nodig hebben, maar waar wel aanleiding is om alert te blijven op de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. De welstandsbeoordeling richt zich op het handhaven of gericht veranderen en verbeteren van de basiskwaliteit van het gebied. Welstandsniveau 2 geldt uitsluitend voor bouwwerken die zichtbaar zijn vanuit het openbare gebied. Waar dit niet het geval is geldt welstandsniveau 3. Over alle regulier vergunningplichtige bouwplannen wordt een welstandsadvies gevraagd. Alleen ingrijpende plannen gaan door naar de commissie ruimtelijke kwaliteit. Minder ingrijpende plannen kunnen onder mandaat afgehandeld worden. Beoordeling initiatief Het bedrijf wordt landschappelijk ingepast. Dit zorgt voor een versterking van de landschappelijke waarde en biodiversiteit van het gebied. De basiskwaliteit van het gebied wordt hierdoor versterkt. Het bouwplan is vergunningplichtig. Er dient hier nog welstandsadvies over te worden afgegeven in de volgende fase. Het plan sluit daarmee aan bij de uitgangspunten van de Welstandsnota.

24

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten Diverse elementen binnen en buiten het plangebied kunnen een eventuele randvoorwaarde vormen voor de uitvoering van dit bestemmingsplan. Het betreffen voornamelijk milieutechnische aspecten, die in geval van een nieuwe ontwikkeling een onderzoek vergen.

4.1

Bodem

Bij een bestemmingsplanprocedure wordt op grond van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vastgesteld of de bodemkwaliteit een belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan. Aan de hand van beschikbare bodeminformatie wordt onderbouwd wat de verwachte bodemkwaliteit is, of bodemonderzoek nodig is en of er maatregelen nodig zijn om de bodemkwaliteit geschikt te maken voor het beoogde gebruik. Deze paragraaf betreft de Wet bodembescherming, het Besluit Asbestwegen, het Besluit bodemkwaliteit, de Woningwet/bouwverordening en de Arbowet. Beoordeling initiatief Het plan betreft een vergroting van het bouwvlak met de bestemming 'Agrarisch'. Met het plan wordt geen gevoelig object toegevoegd, waardoor verder bodemonderzoek niet noodzakelijk is. Het plan is daarmee uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/4875/documents/31277