WSD.2.9_24-001.955_rep_Bestemmingsplan-Toelichting 20240209
Tekst van het document
Buitendijkse effecten Al deze aangegeven locaties liggen in het buitendijkse gedeelte van het plangebied is sprake van lokale verschillen in de grondwaterstand . De verschillen op de aangewezen locaties zijn beperkt, zij verschillen aan de Brabantse zijde van de Maas tussen de 5 en 20 centimeter en welke over het algemeen een verlaging van de grondwaterstand betreffen. De verlaging van de grondwaterstand is gerelateerd aan de toename van wegzijging door (gedeeltelijke) ontgraving van de deklaag. De stijghoogteveranderingen in het watervoerend pakket zijn kleiner dan 5 cm en worden daarom niet gepresenteerd. Binnendijkse effecten Van de dijkversterkende maatregelen zijn met name de constructies relevant. Het effect hiervan is minimaal. Dit komt doordat de beoogde damwanden relatief ondiep zullen steken (4 tot 8 m in het zandpakket) in verhouding tot de grote dikte van het 1e watervoerende pakket (20-50 m diep) Het plaatsen van damwanden heeft daarmee nauwelijks gevolgen voor het doorlaatvermogen van het watervoerend pakket, waardoor het effect van damwanden op binnendijkse grondwaterstanden verwaarloosbaar is.
53 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
Afbeelding 4.5 Berekende verschil in GHG (m) als gevolg van rivierverruimende en dijkversterkende maatregelen
Afbeelding 4.6 Berekende verschil in GLG (m) als gevolg van rivierverruimende en dijkversterkende maatregelen
De verschillen in bovenstaande afbeeldingen zijn te verklaren doordat de dynamiek van de grondwaterstand (in de deklaag) groter is dan de dynamiek van de stijghoogte in het watervoerend pakket. De stijghoogte wordt namelijk sterker gereguleerd door het relatief constante Maaspeil. Door het verschil in jaarlijkse dynamiek is in het winterhalfjaar vaker sprake van infiltratie naar het watervoerend pakket, terwijl in de zomer het beeld genuanceerder is en tijdelijk omslag naar kwel kan optreden. Naast het gevolg op de GHG en de GLG is ook berekend wat het gevolg is van de maatregelen op de gemiddelde kwel/wegzijging (mm/d). Afbeelding 4.7 laat het berekende verschil in gemiddelde kwel/wegzijging zien als gevolg van de maatregelen. Afbeelding 4.8 heeft de gevolgen van de maatregelen inzichtelijk gemaakt doormiddel van een klasse kaart. Op beide kaarten is kwel en wegzijging te zien. Kwel is het verschijnsel dat water, bijvoorbeeld onder de dijk door sijpelt en via de bodem omhoog komt.
54 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
Dit komt door het peil verschil tussen het water binnen en buiten de dijk. Tijdens hoogwater is kwel een normaal en bekend verschijnsel. Wegzijging is het tegenovergestelde principe, dit vindt vaak plaats in de zomer, wanneer het water ondergronds vanuit de polder richting de rivier stroomt. Door de lage waterstand op de rivier wordt het water onttrokken van het omliggende land. Zoals te zien in de afbeeldingen 4.7 en 4.8, vinden de verschillen in toe- en afname buitendijks plaats. In het projectgebied is er een afname in de kwel in de Maas bij Stuw Lith en vindt er een afname in wegzijging plaats in Hemelrijkse waard. Deze laatstgenoemde afname is vrij licht (tot 2 mm/d) en over het algemeen lokaal, met name rond vergravingen en waterpartijen. Daarnaast is er sprake van zowel toe- als afname in Lelyzone de Ossekamp en De Waarden van kwel en wegzijging, ook verandert enkele wegzijging in kwel. In de Diedensche Uiterdijk is op een aantal locaties sprake van toename in wegzwijging. Op basis van deze gegevens en aangezien de verschillen buitendijks plaatsvinden, op plaatsen waar diepere geulstroken worden aangebracht, worden geen effecten van de maatregelen verwacht op de binnen en buitendijkse functies.
Het graven van nieuw oppervlaktewater zal leiden tot veranderingen in de waterhuishouding waarbij lokaal sprake kan zijn van meer wegzijging (zie afbeelding: Berekende verschil in gemiddelde kwel/wegzijging (mm/d) als gevolg van rivierverruimende en dijkversterkende maatregelen). In het gebied is sprake van kleine gebiedjes met zowel berekende vernatting als verdroging. De situatie verschilt ook met het jaargetijde. Een toename van wegzijging kan duiden op een iets hogere grondwaterstand en/of een iets lagere stijghoogte in het watervoerend pakket. Hieruit is geen eenduidige conclusie te trekken over verdroging. De afbeelding met de grondwaterstand geeft hier wel een beeld van. Als de kaarten op de bewuste plekken geen effecten op de grondwaterstand laten zien, wordt een neutraal effect verwacht (minder dan 5 cm). Vanwege modelonzekerheid worden effecten kleiner dan 5 cm niet getoond (deze vallen binnen de bandbreedte van modelruis).
Afbeelding 4.7 Berekende verschil in gemiddelde kwel/wegzijging (mm/d) als gevolg van rivierverruimende en dijkversterkende maatregelen
55 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
Afbeelding 4.8 Kwelklasse kaart als gevolg van rivierverruimende en dijkversterkende maatregelen
Oppervlaktewatersysteem Het buitendijkse watersysteem binnen het plangebied verandert. Dit wordt ingesteld op de deels nieuwe functie (natuur). In de uiterwaarden liggen enkele watergangen welke worden gedempt dan wel aangepast. Het gaat om een leggerwatergang in de Diedensche Uiterdijk. Hier komt een systeem van geulen te liggen. Deze geulen hebben een andere functie en dit heeft effect op de ontwatering van het gebied. Ook in De Waarden wordt een watergang vervangen door een geul (paars in afbeelding 4.9). De huidige watergangen hebben als functie de ontwatering van landbouwpercelen te regelen. De landbouwfunctie verdwijnt grotendeels in deze gebieden en wordt vervangen door natuur. De geulen passen bij deze nieuwe natuurfunctie. Voor de Diedensche Uiterdijk geldt dat er in de aanlegfase sprake is van een situatie waarbij een deel al natuur is en er geulen aanwezig zijn, maar dat er ook nog landbouw aanwezig is. Daarvoor blijft een deel van de bestaande watergang gehandhaafd. Deze wordt aangepast als tijdelijke afvoer richting de Maas (rode kader in afbeelding 4.9). Voor de twee watergangen geldt specifiek: watergang in De Waarden. Deze watergang wordt grotendeels gedempt. Eén deel van de functie van de watergang verdwijnt door het verdwijnen van de agrarische percelen.
Voor de bescherming van de waterkwaliteit van de nieuwe meander wordt er langs de resterende landbouwpercelen een greppel opgenomen om direct afstromend water op te vangen. Hiermee komt de nutriëntenbelasting niet in de nieuw aan te leggen meander; watergang De Vliet in de Diedensche Uiterdijk. Deze watergang wordt voor een deel vervangen door de nieuwe meander. Hiermee wordt de afvoerroute van het resterende deel van de watergang onderbroken. Om dit te ondervangen wordt de afvoerroute naar het noorden (om)gelegd. Dit betekent het tijdelijk verdiepen en verlengen van watergang De Vliet (deel ten noorden van Maasakkerstraat), zodat afwatering landbouwpercelen plaatsvindt richting het noorden, richting de Maas. Nabij de Maasakkerstraat blijft de watergang onvergraven (op NAP+4,8 m), en nabij de duiker in noordelijk deel wordt de watergang verdiept naar NAP+4,0 m. De watergang moet naar de Maas toe (benedenstrooms van instroom geul oeverzone DU) worden verlengd met bodemniveau op NAP+4,0 m. Bij een talud van 1:2,5 geeft dit 2,5 m extra ruimtebeslag aan weerszijden van de watergang. De watergang wordt aangetakt op de westelijk gelegen vinger. Middels een grondlichaam wordt vermengen van water met de overige twee vingers voorkomen. Uitgangspunt is dat gedempte watergangen (elders) teruggebracht worden.
Dit geldt niet voor de te dempen watergang in De Waarden; deze heeft geen functie meer en kan daarom vervallen.
56 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
Afbeelding 4.9 Overzicht hoofdwatergangen (A) en kleinere watergangen (B)
Waterkwaliteit en -kwantiteit De nieuwe inrichting van de buitendijkse gebieden leidt op verschillende manieren tot veranderingen in de waterkwaliteit: het landbouwkundig gebruik van de buitendijkse gebieden stopt en daardoor worden deze niet meer bemest. Dit betekent dat er geen sprake meer zal zijn van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Dit is positief voor de waterkwaliteit. De nieuwe functies in het gebied leiden hiermee tot een lagere belasting van het oppervlaktewater; het herinrichten van de uiterwaarden leidt tot nieuwe wateren. Vanuit het gestuwde karakter van dit riviertraject liggen er belangrijke kansen voor laagdynamische riviermoerassen en waterplantrijke/visrijke wateren, in de vorm van niet aangetakte boogmeanders en restgeulen. Op dit traject gaat het om grootschalige uitbreiding van leefgebied van alle niet-stroomminnende soorten. Het gaat hierbij om meanderende geulen welke niet meestromen met de rivier. De inrichting is dusdanig dat de geulen voor een groot deel gevoed worden door rivierkwel en alleen bij hogere rivierstanden ook direct door rivierwater. Dat de Meanders niet overal aantakken, zorgt voor diversiteit in de waterkwaliteit door onder andere kwel vanuit de Maashorst.
Door geen open verbinding met de rivier te hebben en hier een continue aanvoer van rivierwater toe te laten wordt de aanvoer van (eutroof) slib beperkt en wordt een betere waterkwaliteit nagestreefd; in de Diedensche Uiterdijk wordt een meanderboog hersteld. Deze wordt ontworpen als geïsoleerde laagdynamische geul. Dit geeft de hoogste waterkwaliteit. Om de geul te voeden door rivierkwel in plaats van directe instroom van Maaswater, dient aan beide zijden de geul te zijn begrensd met een drempel. De locaties van de instroomdrempels zijn de Rulstraat en de rand van de Lelyzone aan het bovenstroomse einde van de geul. Verlanding van de geul wordt voorkomen door de drempel benedenstrooms lager te ontwerpen dan die aan bovenstroomse zijde. Doordat landbouwkundig gebruik wordt omgezet naar natuur en er nieuwe KRW-geulen worden ingericht, zorgt dit voor een betere (ecologische) waterkwaliteit. KRW-maatregelen Voor het waterlichaam Maas, deelgebied Meanderende Maas, is het vanuit de KRW de opgave om voor eind 2027 minimaal 6,7 km geul/boogmeander te realiseren die voldoen aan de KRW-doelstelling. In een Bestuursovereenkomst planuitwerking Meanderende Maas is deze afspraak vastgelegd. Het maatregelenpakket voor de KRW bestaat uit geïsoleerde geulen met ondiep water, refugia (diep water), zandige bodems, slikkige oevers, flauwe taluds, rivierhout en dergelijke.
Voor het project is in intensief overleg met Rijkswaterstaat, als waterbeheerder van het KRW-waterlichaam Maas, bepaald wat de eisen zijn voor de te treffen KRW-maatregelen.
57 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
In het ontwerp voldoet binnen het totale ontwerp de inrichting over een lengte van bijna 10 km aan de gestelde kwantiteits- en kwaliteitseisen vanuit KRW. De totale lengte aan KRW-geul is 9,95 km. In onderstaande tabel staat een onderbouwing van de te realiseren lengte aan KRW-geulen en waar deze gerealiseerd worden.
Tabel 4.5 KRW-maatregelen KRW-geul
Lengte in definitief ontwerp (realisatie voor 2028)
Diedensche Uiterdijk
3,3 km
Meander De Waarden aangetakt
1,35 km
Meander De Waarden geïsoleerd
1,1 km
Lelyzone De Waarden geïsoleerd
1,1 km
Geul Maasbommel-West*
1,5 km
Lelyzone Ossekamp geïsoleerd
1,20 km
Lelyzone Ossekamp aangetakt
0,40 km
Totaal meetellen voor KRW
9,95 km
* Niet relevant voor dit bestemmingsplan
Met het ontwerp wordt met maatregelen invulling gegeven aan méér dan de beoogde 6,7 km ter realisatie van de KRW-doelen. Relatie met regelgeving legger en keur (Waterschap Aa en Maas) In voorliggend bestemmingsplan is op de Verbeelding nog de huidige beschermingszone van de dijk opgenomen. Na afronding van de dijkversterking wordt de aangepaste beschermingszone vastgelegd in de legger van het Waterschap en vervolgens planologisch verankerd in het omgevingsplan (de ‘opvolger’ van het bestemmingsplan onder de Omgevingswet). Op grond van de Keur van het Waterschap moet ten behoeve van beheer en onderhoud rekening worden gehouden met een strook van 5 meter ter weerszijden van A-watergangen. Er geldt een vergunningplicht (met voorvoorwaarden) voor het plaatsen van objecten en het uitvoeren van werken in de watergang en in de hiervoor genoemde beschermingszone.
4.3.3
Conclusie
Het aspect water staat het voornemen niet in de weg.
4.4
Bodem
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Met andere woorden: is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt voor de beoogde bestemming(en)/ functie(s)? Is er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, levert dit gezondheidsrisico’s, ecologische risico’s of verspreidingsrisico’s op en kan er tijdig iets aan gedaan worden? Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.
58 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
4.4.1
Toetsingskader
In de Wet bodembescherming (Wbb) is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.
4.4.2
Toetsing
Tussen 2018 en 2022 zijn verschillende bodemonderzoeken uitgevoerd, het gaat zowel om verkennend (bureau)onderzoek als om veldonderzoek, boringen en sonderingen. De resultaten van deze onderzoeken zijn opgenomen in de onderstaande rapporten (zie bijlage VII van het MER): 1 ingenieursteam Meanderende Maas, juni 2018, Conditionerend onderzoek bodem bodemkwaliteitverontreiniging en grondwater; 2 ingenieursteam Meanderende Maas, november 2020, Aanvulling conditionerend onderzoek: informatie milieu-hygiënische kwaliteit diverse deelgebieden nabij de Maas. In hoofdzaak bestaan de rivier- en uiterwaardmaatregelen in project uit de aanleg van nevengeulen in de Lelyzones, het opengraven van oude Maas meanders, het verlagen van het maaiveld en de herinrichting van het gebied met bijvoorbeeld hoogwatervluchtplaatsen (HWVP’s). Per saldo komt hierbij grond vrij. De vrijkomende grond uit deze maatregelen wordt zo veel als mogelijk intern binnen het project Meanderende Maas hergebruikt. Het project zet in op een hoogwaardig hergebruik van de vrijkomende grond. In zowel het dijkontwerp als rivierontwerp worden nuttige toepassingen voorzien voor minder goed herbruikbare materialen. Denk hierbij aan hoogwatervluchtplaatsen (hwvp’s), kwelbeperkende lagen, kleiinkassingen en pipingbermen.
Naar verwachting bieden deze nuttige toepassingen niet voldoende bergingsmogelijkheden voor de vrijkomende, veelal voedselrijke, toplagen. Aanvullocaties (ook wel omwissellocaties genoemd) bieden de mogelijkheid dit overschot eveneens binnen het project nuttig en functioneel toe te passen zodat de meer hoogwaardige grond elders kan worden ingezet waarmee de duurzaamheid van het totale project wordt vergroot.
Afbeelding 4.10 Ligging van de aanvullocaties in Brabant
De ligging van de aanvullocaties is strategisch gekozen: er zit winbare (keramische) klei. Maar de omwissellocaties zijn niet groter/dieper gedimensioneerd dan nodig voor het bergen van de klasse B grond. De omvang en roerdiepte van de aanvullocaties wordt verder bepaald door de restricties vanuit archeologische en/of aardkundige waarden en geohydrologische randvoorwaarden. Ook wordt in bepaalde gebiedsdelen
59 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
ruimte gelaten in de op te leveren eindhoogte, zodat de grondbalans (en daarmee de kostendekking) in het werk geoptimaliseerd kan worden. Overal geldt dat de beoogde doelen van het project behaald moeten blijven, de geboden ruimte in opleverhoogte mag en zal hier niets aan afdoen. Toepasbaarheid grond Er heeft milieu-hygiënisch bodemonderzoek plaatsgevonden. Daarin is geconstateerd dat op een aantal boorlocaties zodanige verontreinigingen aanwezig zijn in de waterbodem dat deze grond als ‘Niet Toepasbaar (NT)’ is geclassificeerd, te weten voor zware metalen. Met het milieu-hygiënisch onderzoek is aangetoond dat de onderliggende bodem niet slechter en vaak beter is dan de kwaliteit van de bovengrond. De ‘Niet toepasbare’ grond wordt niet hergebruikt en wordt afgevoerd naar een erkende verwerker. Daarmee verslechtert de chemische kwaliteit niet. Hiermee wordt voldaan aan het ‘geen achteruitgangsprincipe’ van de KRW. Het veldonderzoek naar de waterbodemkwaliteit heeft geleid tot een waterbodemkwaliteitskaart, zie bijlage 13 bij het projectplan waterwet geulen en weerdverlaging. In deze kaart is een deel van het gebied gelabeld als ‘afperkingsgebied’. Het betreft delen, grenzend aan locaties waar Niet Toepasbare grond (NT grond) is gevonden. Nader onderzoek kan hier nog leiden tot verdere afperking.
Deze gebieden worden bij eventueel grondverzet nader onderzocht (voorschriften daarvoor worden opgenomen in de Nota Bodembeheer, vast te stellen door RWS). Tot het tegendeel bewezen is (middels veldonderzoek conform de NEN5720) worden de afperkingsgebieden beschouwd als NT-gebied. Daarmee wordt geborgd dat er niet onnodig, toepasbare grond wordt afgevoerd of dat niet toepasbare grond onbedoeld wordt hergebruikt. Na realisatie van het project is het areaal van de waterbodem dat tot boven de interventiewaarde is verontreinigd afgenomen. Van een deel van de nieuw te graven watergangen zal de nieuwe waterbodem bestaan uit NTgrond. Om die reden is een immissietoets uitgevoerd waaruit blijkt dat de immissie in de nieuwe situatie voldoet aan de daarvoor gestelde normen. Ook PFAS is opgenomen in de waterbodemkwaliteitskaart. Alle grond is op basis van de gemiddelde gehalten PFAS toepasbaar conform het Handelingskader PFAS (2021). In verband met hergebruik in het gebied zijn aanvullende beperkingen opgenomen voor de locaties met uitschieters conform de Richtlijn voor bodemkwaliteitskaarten. Dit om invulling te geven aan het voorzorgbeginsel. Deze worden opgenomen in de eerder genoemde Nota Bodembeheer. Er treedt dus een verbetering op door het project, omdat NT-materiaal uit het gebied verwijderd wordt en wordt afgevoerd naar een erkend verwerker.
Middels gebiedsspecifiek beleid conform paragraaf 1 e.v. van het Besluit Bodemkwaliteit worden voorwaarden voor toepassing van de vrijkomende grond vastgesteld. Dit zal separaat in een Nota Bodembeheer gepubliceerd worden. De gemeente Oss brengt ook een Nota Bodembeheer in procedure die hergebruik van milieukundig toepasbare grond uit de uiterwaarden binnendijks in de dijk regelt.
4.4.3
Conclusie
Door het ontwerp geraakte verontreinigingen worden gesaneerd. Dit zorgt voor een betere bodemkwaliteit. Het aspect bodem staat het voornemen daarmee niet in de weg.
4.5
Natuur
In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het ontwerp vanuit het oogpunt van natuur.
60 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
4.5.1
Toetsingskader
De Wet natuurbescherming regelt op hoofdlijnen drie zaken: 1 bescherming van planten- en diersoorten; 2 bescherming van de in het kader van Europees natuurbeleid aangewezen Natura 2000-gebieden; 3 bescherming van bos en houtopstanden. Daarnaast wordt het Natuurnetwerk Nederland beschermd op basis van provinciale verordeningen. Het NNN is een samenhangend netwerk van bestaande en nieuw te ontwikkelen grotere natuurgebieden. De NNN is bedoeld om de biodiversiteit in Nederland te behouden, te herstellen en te ontwikkelen. In de provincie Brabant gaat het om het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Soortenbescherming Ten aanzien van soortenbescherming maakt de Wet natuurbescherming onderscheid in drie categorieën: 1 vogels: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn; 2 Habitatrichtlijnsoorten: dit zijn soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn; 3 andere soorten: dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om een aantal zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten.
Voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving zoals foerageergebieden of vliegroutes) van beschermde soorten uit de eerste en tweede categorie mogen niet (opzettelijk) verstoord of vernietigd worden. Daarnaast mag geen enkele beschermde soort (opzettelijk) worden gedood of verwond. Bij vogels zijn daarnaast de nesten van belang. Er zijn vijf categorieën broedvogels waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn (categorie 1-4) of waarvan de nesten beschermd zijn als er onvoldoende alternatieven zijn (categorie 5). De categorie ‘andere soorten’ gaat om soorten die niet onder de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn vallen. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren beschermd moeten worden. De overige soorten uit deze bijlage worden om ecologische redenen beschermd. Hiermee wordt door Nederland uitvoering gegeven aan het Biodiversiteitsverdrag om de staat van instandhouding van dier- en plantsoorten te garanderen. Gebiedsbescherming Natura 2000 De Minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000.
Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Ten aanzien van gebiedsbescherming geldt dat de Wet natuurbescherming de bescherming van Natura 2000-gebieden regelt. Het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden nagenoeg gelijk blijft aan de bepalingen uit de voormalige Natuurbeschermingswet 1998. Voor beschermde natuurmonumenten geldt echter dat de beschermingsstatus van deze gebieden in de nieuwe wet is komen te vervallen. Toetsing aan (oude doelen van) beschermde natuurmonumenten is derhalve vanaf het moment van inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming niet meer noodzakelijk. Natuurnetwerk Brabant Het NNB, de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS), zorgt voor een aaneengesloten netwerk van natuurgebieden en natuurontwikkelingsgebieden die met elkaar verbonden worden door ecologische verbindingszones.
61 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
Houtopstanden Het omhakken of rooien van bossen is niet zomaar toegestaan in de Wet natuurbescherming. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. Onder bos wordt verstaan: 1 alleen bossen die buiten de 'bebouwde kom Boswet' liggen; 2 alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m2); 3 bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. De gemeente stelt de grenzen van de 'bebouwde kom Boswet' bij besluit vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de 'bebouwde kom Verkeerswet'. Het besluit wordt door de provincie goedgekeurd.
4.5.2
Toetsing
Soortenbescherming Gebruiksfase Voor vrijwel alle kenmerkende soorten en soortgroepen zal het belang van het gebied op termijn sterk toenemen. Een uitzondering vormen de das en roek. Voor das blijft de situatie ongeveer hetzelfde als in de huidige situatie. Er treden geen negatieve effecten op door de volgende maatregelen die in het ontwerp zijn opgenomen: aanleg hoogwatervluchtplaatsen; versterken vegetatiestructuur rondom burchten; gedeeltelijk behoud van foerageergebied; aanplant vruchtdragende bomen en struiken; gedeeltelijk behoud lijnvormige geleiding in landschap; aanbieden vergraafbare hogere gronden buiten dijkzone (hoogwatervluchtplaatsen); inrichten verstoringsvrije zones om (potentiële) burchten en burchtlocaties (met name voorkomen verstoring door honden en daarnaast wandelaars). Voor roek geldt dat nestbomen worden gekapt. Op lange termijn zal het foerageergebied van betere kwaliteit zijn en is er voldoende plek voor nestlocaties van roek. Aanlegfase Grondgebonden zoogdieren – bever In de Diedensche Uiterdijk, De Waarden en De Ossenkamp zijn beverburchten en foerageergebied van de bever aanwezig. Tijdelijke verstoring van te behouden burchten kan optreden door de werkzaamheden. Ook een groot deel van de vegetatie welke onderdeel is van het foerageergebied blijft behouden in deze uiterwaarden, maar een deel verdwijnt bij de werkzaamheden.
De beverburchten in de Diedensche Uiterdijk, De Waarden, Lelyzone Ossekamp en Lelyzone Maasbommel blijven grotendeels behouden. In het zuidelijke territorium in de Diedensche Uiterdijk wordt een verblijfplaats waarschijnlijk aangetast. Burchten in steile oevers bij de kleiwinpunt in het noordelijke deel van de Diedensche Uiterdijk vallen buiten het werkgebied van Meanderende Maas. Dit geldt ook voor eventuele burchten in steile oevers bij de kleiwinpunt in het noordelijke deel van de Diedensche Uiterdijk. Bij het territorium aan de Ossekamp gaat een klein deel foerageergebied en één oeverhol verloren. Bij het territorium aan het Burgemeester Delenkanaal gaat slechts een klein deel van het foerageergebied verloren, de burchten blijven behouden. Het territorium op Appeltern gaat volledig verloren. Doordat geschikt leefgebied in de omgeving al bezet is door andere bevers, is het moeilijk om voor dit territorium alternatief leefgebied te zoeken in de directe omgeving. Een permanente indringing van een andere bever zorgt voor conflict. Ondanks dat er geen compensatie van leefgebied kan plaatsvinden is een negatief effect op de staat van instandhouding, gezien de goede staat van instandhouding van de soort, uitgesloten.
62 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
Maatregelen ten gunste van bevers zijn: aanbieden steile wanden buiten dijkzone (minimaal 50 cm waterdiepte ervoor); inrichten verstoringsvrije zones om (potentiële) burchten en burchtlocaties; aanbieden verstoringsvrije (geen mensen en honden) hoogwatervluchtplaatsen op geschikte locaties. Door de inrichting van de uiterwaarden verdwijnen burchten en oeverholen. Ook bestaat de mogelijkheid dat tijdens de aanleg individuen worden verstoord of gedood. Dit is een overtreding van de Wet natuurbescherming (artikel 3.5 lid 1, 2 en 4). Hiervoor wordt ontheffing aangevraagd. Het doden van individuen wordt zoveel mogelijk voorkomen door de genoemde maatregelen. Grondgebonden zoogdieren – das De belangrijkste dassenburchten in de Diedensche Uiterdijk, De Waarden, De Ossekamp en bij Maasbommel blijven in het ontwerp behouden. Wel gaat minimaal één vluchtpijp in de Diedensche uiterdijk verloren tijdens de werkzaamheden. Een groot deel van het foerageergebied van das verdwijnt door het afgraven van de uiterwaarden, belangrijke delen worden behouden en er wordt gefaseerd gewerkt zodat er te allen tijde voldoende foerageergebied aanwezig is. Een deel van het huidige foerageergebied bestaat uit de locaties waar waterhoudende geulen worden aangelegd.
Een groot deel van de vegetatie (onder andere meidoorn, sleedoorn, mais), welke onderdeel is van het foerageergebied, gaat tijdelijk verloren in de Diedensche Uiterdijk, De Waarden en Maasbommel. Dit zorgt ook dat beschutting en geleidende elementen verdwijnen, die de das gebruikt bij het foerageren. Op locaties waar waterhoudende geulen worden aangelegd gaat permanent foerageergebied van de das verloren. De verlaging bij Appeltern heeft tot effect dat de belangrijkste burchten en essentieel foerageergebied van het dassenterritorium ter plaatse verloren gaan. Recreatieve activiteiten, zoals wandelpaden en fietspaden, worden niet aangelegd om verstoring van dassen in de permanente situatie te voorkomen. Het verlies van de burcht bij Appeltern wordt gecompenseerd door de aanleg van een kunstburcht. Voor das geldt dat een negatieve effect wordt voorkomen door de volgende maatregelen die in het ontwerp zijn opgenomen: versterken vegetatiestructuur rondom burchten; gedeeltelijk behoud van foerageergebied; gedeeltelijk behoud lijnvormige geleiding in landschap; aanbieden vergraafbare hogere gronden buiten dijkzone (hoogwatervluchtplaatsen); inrichten verstoringsvrije zones om (potentiële) burchten en burchtlocaties (met name voorkomen verstoring door honden en daarnaast wandelaars).
De effecten op het foerageergebied en het verwijderen van de burcht en vluchtpijp vormen een overtreding van artikel 3.10 lid 1b van de Wet natuurbescherming. Hier wordt een ontheffing voor aangevraagd. Grondgebonden zoogdieren – kleine marterachtigen Verspreid door het gehele plangebied is geschikt leefgebied aanwezig voor kleine marterachtigen; de bunzing, hermelijn en wezel. In dit geschikte leefgebied wordt aangenomen dat er verblijfplaatsen van deze soorten aanwezig zijn. Het gaat om locaties met dichte bosschages, struiken en takkenhopen/takkenrillen. De werkzaamheden hebben als effect dat er verblijfplaatsen van de kleine marterachtigen verloren gaan, ook gaat er foerageergebied van de kleine marterachtigen verloren. Dit zal tijdelijk minder prooien bevatten en van mindere kwaliteit zijn, omdat er gefaseerd wordt gewerkt zijn de effecten beperkt. Voor wat betreft de verblijfplaatsen van kleine marterachtigen is ook sprake van een tijdelijk licht negatief effect, er verdwijnen verblijfplaatsen door de werkzaamheden.
Door het nemen van de volgende maatregelen kan aantasting van het leefgebied deels worden voorkomen, het gaat dan voornamelijk om gefaseerd werken: het rooien van struweel/bosschages wat potentieel onderdeel is van het leefgebied van marters vindt plaats buiten de kwetsbare periodes; ter compensatie van verblijfplaatsen van kleine marterachtigen worden, op de locaties waar compensatie nodig is, voorafgaand aan de ontwikkeling takkenrillen of-hopen gerealiseerd. Dit geldt slechts voor delen die verloren gaan en waar geen alternatief leefgebied in de buurt aanwezig blijft;
63 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
-
-
takkenrillen worden opgebouwd uit natuurlijk materiaal (stammen, takken, bladeren), door deze op elkaar te stapelen. De onderlaag bestaat uit dikkere stammen (10-15 cm dikte) en (half ingegraven) wortelkluiten; het compenseren van leefgebied van kleine marterachtigen wordt uitgevoerd door het gefaseerd aanleggen van takkenrillen of hopen voorafgaand aan de werkzaamheden. Dit wordt leefgebied voor de kleine marters waar verblijfplaatsen kunnen voorkomen. Om deze takkenril of takkenhoop kan spontaan ruige vegetatie ontstaan die voldoende dekking biedt.
Essentieel leefgebied en verblijfplaatsen verdwijnen door de ontwikkeling. Dit is een overtreding van artikel 3.10 lid1 onder b van de Wet natuurbescherming. Hiervoor wordt ontheffing aangevraagd. Vleermuizen – alle soorten Tijdelijk effecten zijn het verlies aan verblijfplaatsen en voedselbeschikbaarheid, vliegroutes en foerageergebied (met name voor gewone en ruige dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis). Door het nemen van de volgende maatregelen in het ontwerp wordt aantasting van verblijfplaatsen en verstoring van vleermuizen voorkomen. inpassen en behouden bomen met verblijfplaatsen; aanbieden alternatieve verblijfplaatsen (kasten, faunatoren); herplanten struweel/bomen als vliegroutes; permanent aanleggen van stapstenen ten behoeve van (essentiële) vliegroutes. Het vernietigen van paarverblijfplaatsen en essentiële vliegroutes en foerageergebieden is een overtreding van de Wet natuurbescherming artikel 3.5 lid 2 en 4, hiervoor wordt ontheffing aangevraagd. Het doden van dieren wordt door het nemen van maatregelen voorkomen. Vogels – Buizerd Buizerd heeft vijf nesten in en nabij het plangebied. In de Diedensche Uiterdijk blijft in de uiterwaard één nest behouden en gaat één nest verloren. Van de vier te behouden nesten is het worst-case nodig om deze nesten voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt te maken om verstoring gedurende het broedseizoen te voorkomen.
Op lange termijn zal het foerageergebied van betere kwaliteit zijn, met meer prooidieren zoals muizen en bieden de ooibossen nestlocaties. Door de kap van bomen worden jaarrond beschermde nesten van buizerd vernietigd, het ongeschikt maken van nesten geldt als het tijdelijk niet functioneel zijn van een nest. Dit is een overtreding van, artikel 3.1, lid 2 en 4 van de Wet natuurbescherming. Hier wordt ontheffing voor aangevraagd. Door het nemen van bovenstaande maatregelen wordt een overtreding van andere verbodsbepalingen in relatie tot buizerds voorkomen. Vogels – Ooievaar Ooievaar heeft één nest in en drie nesten naast het plangebied. Tijdens de werkzaamheden wordt één nestlocatie (Maasbommel) mogelijk verstoord tijdens het broedseizoen. Door de volgende maatregelen in het ontwerp wordt aantasting en verstoring van nestlocaties voorkomen: 1 afschermende maatregelen bij verstoringsgevoelige verblijfplaatsen; 2 buiten kwetsbare periode werken binnen een verstoringsafstand van het nest. Op lange termijn zal het foerageergebied van betere kwaliteit zijn, met meer prooidieren zoals muizen en amfibieën. Vogels - roek Roek komt voor bij Lithoijen in een metakolonie bestaande uit drie subkolonies. Eén van deze subkolonies blijft behouden, twee van deze kolonies gaan verloren door de kap van de nestbomen.
Er blijven in de omgeving voldoende potentiële nestlocaties over voor het voortbestaan van de metakolonie. Het kappen van de nestbomen vormt een overtreding van artikel 3.1 lid 2 en 4 Wet natuurbescherming. Hiervoor wordt ontheffing aangevraagd.
64 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
Vogels - Ransuil Op verschillende locaties worden bomen gekapt, met daarin nesten van ransuil. Een tijdelijk en permanent effect op het foerageergebied van ransuilen is uitgesloten, omdat er te allen tijde voldoende alternatief foerageergebied aanwezig is. Dit komt omdat de uitvoering van de werkzaamheden gefaseerd is. Hierdoor blijven grote delen van de uiterwaard per fase ongemoeid en krijgen reeds afgegraven delen de tijd om begroeid te raken. De fasering van de werkzaamheden wordt op een later moment, jaarlijks vastgelegd in een ecologisch werkprotocol. Bij een aantal nesten van ransuil wordt er het worst-case in het broedseizoen binnen 70 m van de nestlocatie gewerkt, het gaat om grondverzet, transport en het intrillen van damwanden. Hierbij raken mogelijk nesten van ransuil verstoord. Echter is het (indirect) doden van jongen uitgesloten. De volgende maatregelen worden getroffen ten behoeve van de ransuil: - het kappen van bosschages met nesten vindt plaats buiten het broedseizoen (dus in september t/m januari). Door de kap van bomen worden 5 jaarrond beschermde nesten van ransuil vernietigd. Daarnaast wordt, in worst-case, mogelijk nesten van ransuil verstoord. Dit is een overtreding van de Wnb, artikel 3.1, lid 2 en 4 hiervoor wordt ontheffing aangevraagd.
Door het nemen van bovenstaande maatregelen wordt een overtreding van andere verbodsbepalingen (verstoring door werkzaamheden) tot ransuilen voorkomen. Vogels – Slechtvalk, sperwer, kerkuil, steenuil Deze vogelsoorten hebben allemaal nesten in of nabij het plangebied. In het ontwerp worden deze nestlocaties niet aangetast. Verstoring van foerageergebied en nesten is uitgesloten. Daarmee is verstoring van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding uitgesloten. Er worden geen verbodsbepalingen van de Wnb overtreden. Amfibieën – poelkikker Er worden watergangen vergraven of gedempt, waardoor voortplantingshabitat verloren gaat. Ook worden de uiterwaarden en bosschages vergraven, waarbij individuen gedood kunnen worden. Maatregelen die getroffen worden zijn: de bestaande watergangen en poelen waar poelkikker in voorkomt worden in eerste instantie buiten het kwetsbare voortplantingsseizoen van poelkikker gedempt. Er kan worden gedempt in de periode van half september tot en met half maart; voor leefgebied (voortplantingswater) van poelkikkers dat wordt gedempt, wordt minstens één jaar van tevoren nieuw habitat gerealiseerd. Het nieuwe leefgebied heeft daardoor minstens één geheel groeiseizoen (maart tot en met oktober) om te ontwikkelen; indien het dempen van een watergang echt nodig is binnen de voortplantingsperiode, zijn aanvullende maatregelen nodig.
Rondom het te dempen water wordt tussen 1 november en 28 februari een amfibieënscherm geplaatst om te voorkomen dat amfibieën in het voortplantingswater kunnen komen. Bij werkzaamheden waar poelen, watergangen en hogere delen worden vergraven en werkzaamheden waarbij bosschages worden gerooid, kunnen individuen worden verstoord, gedood en gaat leefgebied verloren. Dit is een overtreding van artikel 3.5 lid 1, 2 en 4 Wet natuurbescherming. Hiervoor wordt ontheffing aangevraagd. Vissen – grote modderkruiper Voor grote modderkruiper geldt dat leefgebied (soms tijdelijk) wordt aangetast bij een deel van de oude watergang bij de Benedeneind in Ossenkamp, de poelen in De Waarden en de agrarische watergangen binnendijks aan de teen van de dijk ten zuidoosten van Megen én een teensloot binnendijks ten oosten van huis te Dieden. Hiervoor worden de volgende maatregelen getroffen: inrichten nieuw water als leefgebied buitendijks en binnendijks: . indien leefgebied (watergangen) van grote modderkruipers worden gedempt, wordt in principe voorafgaand nieuw habitat gerealiseerd, minstens één jaar van te voren.
Het nieuwe leefgebied heeft daardoor minsten één geheel groeiseizoen (maart tot en met oktober) om te ontwikkelen; voorafgaand aan werkzaamheden en/of het dempen van (delen) van de watergangen met grote modderkruipers, worden de grote modderkruipers door een ter zake kundige ecoloog afgevangen en
65 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
-
verplaatst naar nieuwe (of tijdelijke) leefgebieden. Dit gebeurt door de wateren indien nodig op te delen in compartimenten van 100 à 200 m, waarna de waterstand wordt verlaagd tot circa 15-20 cm. Hierna kunnen de grote modder kruipers worden afgevangen. Als laatste wordt de modder uit de watergang geschept en dun uitgespreid op het land en direct gecontroleerd op nog aanwezige grote modderkruipers; het afvangen gebeurt buiten de kwetsbare periode van grote modderkruiper, het afvangen kan worden uitgevoerd in de periode van september tot en met maart, mits er geen sprake is van vorst; als in de toekomst sloten waarin grote modderkruiper voorkomt geschoond moeten worden, dient dit gefaseerd in ruimte en tijd te gebeuren. Werk bijvoorbeeld 1 jaar slechts aan 1 zijde van de watergang, ontzie de laatste 15 m bij doodlopende watergangen en ontzie diepere delen met modder die als overwinteringslocatie dienen.
De in te richten permanente poelen en watergangen moeten aan onderstaande voorwaarden voldoen, voordat de grote modderkruipers worden overgeplaatst. De wateren: zijn binnendijks minimaal van dezelfde omvang en afmeting (en oeververloop) als in de huidige situatie; hebben een rijke oever- en onderwatervegetatie, met buitendijks verlandingszones met verlandingsvegetatie; hebben rijk begroeide, en zonbeschenen delen; hebben een sliblaag/goede modderbodem. Dit betekent een hardere bodem met een laag stevige modder van 10-30 cm dikte. Een deel van het slib uit de huidige locaties met grote modderkruipers wordt mee overgeheveld vanuit wateren die gedempt worden; hebben in het aansluitende watersysteem diepe delen (>150 cm) die voldoende water houden van goede kwaliteit en niet bevriezen voor winterperiode; zijn overstromingsarm, van belang is dat grote vissen geen stand kunnen houden in de watergang; in het beheer van de nieuwe wateren wordt niet grootschalig uniform geschoond of gebaggerd door elk jaar minimaal 1/3de van de wateren ongeschoond te laten. Dit dient te worden opgenomen in het beheerplan. Binnendijks en buitendijks worden geschikte gebieden voor grote modderkruiper ingericht. De soort is daarnaast zeer afhankelijk van verbindingen tussen wateren om zich te kunnen verspreiden.
Buitendijks kan dit resulteren in een toename van leefgebied voor deze soort, waarmee de effecten op de lange termijn licht positief zijn. Bij werkzaamheden waar poelen en watergangen worden vergraven, kunnen individuen worden gedood en gaat leefgebied van grote modderkruipers verloren. Dit is een overtreding van artikel 3.10 lid 1a en 1b Wet natuurbescherming. Hiervoor wordt ontheffing aangevraagd. Conclusie Voor verschillende soorten worden in de aanlegfase verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden. Hiervoor wordt een ontheffing aangevraagd. Ten behoeve van deze aanvraag is een activiteitenplan opgesteld, met een nadere uitwerking van bovenstaande maatregelen. Gebiedsbescherming Natura 2000: gebruiksfase Voor het integrale project Meanderende Maas is door de afstand (van minimaal 5 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Rijntakken) geen sprake is van directe effecten. Ook externe effecten, door bijvoorbeeld licht of geluid, zijn niet aan de orde. De stikstofemissie/-depositie ná realisatie van het project Meanderende Maas (in de ‘gebruiksfase’) neemt als gevolg van project Meanderende Maas af. Het gebied transformeert voor een groot deel van een agrarisch naar een natuur- en waterrijkgebied, met een versterkte dijk en verhoogde bescherming tegen hoogwater.
In het Gelderse deel van het plangebied Meanderende Maas worden geulen gegraven, fiets- en wandelpaden en parkeerplaatsen aangelegd, maar geen voorzieningen gerealiseerd die een relevante verkeersaantrekkende werking hebben. Er worden geen wegen verbreed of opnieuw aangelegd.
66 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
Recentelijk zijn berekeningen uitgevoerd op basis van de meest actuele inzichten met de meest recente versie van de Aerius-calculator. De uitgevoerde berekeningen hebben aangetoond dat er per saldo sprake is van een afname van de stikstofdepositie op 4 Natura 2000 gebieden in de gebruiksfase. Het betreft de gebieden Rijntakken (afname 0,20 mol/ha/jr), Veluwe (afname 0,08 mol/ha/jr), Binnenveld (afname 0,02 mol/ha/jr) en Sint-Jansberg (afname 0,01 mol/ha/jr) (zie het MER). Natura 2000: aanlegfase Door de afstand (van minimaal 5 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Rijntakken) is geen sprake van directe effecten en zijn ook externe effecten, door bijvoorbeeld licht of geluid, niet aan de orde. Alleen stikstofdepositie kan op deze afstand een relevant effect veroorzaken. Als rekening wordt gehouden met de berekende afname vanwege het uit productie nemen van bemeste landbouwgronden (‘intern salderen’), dan is voor de aanlegfase geen toename berekend op Natura 2000 gebieden in de omgeving).1 Er is dan ook geen sprake van significant negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden. NNB Aan de Noord-Brabantse zijde vindt de dijkversterking plaats, wat de grootste ruimtelijke ingreep binnen het NNB betreft. Door de verzwaring van de dijk verschuift deze in overwegend buitendijkse richting.
Langs een groot deel van het dijktraject maakt het dijktalud ook onderdeel uit van het NNB. Op sommige plekken komt de versterkte dijk enkele meters in het NNB te liggen. In totaal gaat het om 5,4 hectare: 5,3 ha buitendijks en 0,1 hectare binnendijks. Dit wordt gecompenseerd door het toevoegen van de volgende nieuwe gebieden2 aan het NNB: 1,5 ha natuur in de uiterwaarden Diedensche Uiterdijk en De Waarden ter plaatse van Maasakkerstraat, Hoogduinstraat en Tienmorgenstraat; 4,0 hectare op enkele locaties op het binnentalud. Met deze wijziging is een herbegrenzing gemoeid, die per saldo leidt tot een kleine areaaltoename (0,1 hectare) van het NNB door de provincie Noord-Brabant. Hiervoor wordt gebruikt gemaakt van de saldobenadering. Daarnaast is er op 1,3 ha NNB-gebied door de binnenwaartse dijkversterking sprake van een kwaliteitswijziging, van ‘N14.03 Haagbeuken- en essenbos’ naar ‘N12.01 Bloemdijk’. Ondanks de kwaliteitswijziging is er door het bestemmingsplan geen verlies van kwaliteitswaarden van het NNB als geheel. Dit komt omdat er binnen het totale project Meanderende Maas circa 90 ha hardhoutooibos (90 ha) en heggen (circa 750 m) worden gerealiseerd. Alsmede andere natuurbeheertypen welke kenmerkend zijn voor riviergebonden natuur. Dit betreft onder andere ‘N01.03 Rivier- en moeraslandschap’ en ‘N12.01 Bloemdijk’.
Hiermee is sprake van een netto verbetering van de kwaliteit en kwantiteit van het Natuur Netwerk Brabant als geheel. De te realiseren natuurwaarden zijn geborgd in dit bestemmingsplan. Houtopstanden Het beschermingsregime voor houtopstanden uit de Wnb heeft een puur kwantitatief karakter. Voor het integrale project Meanderende Maas geldt dat op beperkte schaal lijnvormige houtopstanden en kleine arealen bos en struweel verdwijnen. Daarnaast neemt het bosareaal met name buitendijks sterk toe in de vorm van natuurlijk ooibos met ook een grote ecologische meerwaarde. De noodzakelijke herplant wordt binnen het project gerealiseerd. Uit populieren bestaande beplantingen langs (water)wegen, zoals de bakenbomen langs de Maas, vallen niet onder de Wnb-bescherming en deze blijven hier verder buiten beschouwing.
1
In het ontwerpbestemmingsplan was een kleine toename van 0,02 mol/ha/jr berekend op het Natura 2000 gebied Rijntakken. Ten behoeve van de vaststelling van de besluiten is een nieuwe berekening gemaakt met de meest recente versie van de Aeriuscalculator. Hiermee is geen toename meer berekend.
2
Deze gebieden maken in de referentiesituatie geen onderdeel uit van het NNB.
67 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
Op enkele plekken, zoals bij Ravenstein, worden bomen binnen de bebouwde kommen gekapt, waardoor ook sprake is van een gemeentelijke kapvergunning. Hiervoor geldt vanuit de gemeente Oss een herplantplicht.
4.5.3
Conclusie
Voor het overtreden van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming met betrekking tot soorten, wordt een ontheffing aangevraagd. Verloren NNB-gebied wordt gecompenseerd en voor te kappen bomen met een herplantplicht, worden bomen herplant. Door het treffen van de genoemde maatregelen staat het aspect natuur uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.
4.6
Landschap
In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet in de planvorming rekening worden gehouden met het aspect landschap. Hierbij gaat het onder andere om kenmerkende ruimtelijke patronen en/of structuren, karakteristieke beplantingsvormen en gebruikte soorten, de ruimtelijke opbouw van bebouwing in een gebied en de natuurwaarden in de omgeving. De uiterwaarden in de huidige situatie bestaan deels uit landbouw, deels uit natuur. In het definitieve ontwerp transformeert het gehele uiterwaardengebied naar een divers en afwisselend rivier- en moeraslandschap, passend bij het karakter van een rivierenlandschap. Op deze manier wordt de gebiedskarakteristiek versterkt.
4.6.1
Toetsing
Ontwerpprincipes meanderlobben Het ontwerp voor de rivier en de uiterwaarden bestaat uit een gebied waarin is geïnvesteerd in waterveiligheid, de kwaliteit van natuur en landschap. In de uiterwaarden wordt maaiveldvolgend ontgraven waarbij minimaal de nutriëntrijke toplaag wordt afgegraven en waar mogelijk tot het zand wordt gegraven. Dit draagt positief bij aan het benadrukken van de morfologie en het microreliëf. Steilranden zijn aangezet als overgang naar de Lelyzone. In de meanderlobben is de oude Maasloop deels hersteld en zijn er verschillende geulen toegevoegd waarin de dynamiek van de rivier de ruimte krijgt. Dit versterkt de landschappelijke eenheden van de gebiedskarakteristiek. De geulen hebben natuurlijke oevers met een flauw talud en in stroomluwe delen en hoge gronden worden substantiële oppervlaktes ooibos ontwikkeld. Dit draagt positief bij aan het natuurlijke karakter van het rivierengebied. In de geulen zijn onder andere laagwatervluchtplaatsen en zandige bodems opgenomen. Zo blijft er ook bij droogte water in de geulen staan, wat bijdraagt aan de jaarronde beleving van de rivierdynamiek. Diedensche Uiterdijk In de Diedensche Uiterdijk wordt de historische Maasloop (volgens kaarten uit 1895) weer herkenbaar gemaakt door een aaneenschakeling van geulen, poelen en plassen.
Het bestaand oppervlaktewater met KRW-waarde in de Diedensche Uiterdijk is geïsoleerd behouden en niet gekoppeld aan de nieuwe geuldelen, onder andere om landschappelijke kwaliteiten te behouden of zo min mogelijk aan te tasten. In het ontwerp is te allen tijde het geomorfologisch profiel van de meander als uitgangspunt genomen. Het bijzondere patroon van oude kronkelwaardgeulen en oude oeverwallen in de ondergrond van het centrale deel tussen de meander wordt zichtbaar gemaakt door subtiele verschillen in het maaiveld van de bovengrond. Dit leidt tot een vegetatiebeeld van vochtig grasland, waarmee het onderscheid met de meanderboog goed zichtbaar is. Dit draagt bij aan het versterken van de gebiedskarakteristiek. Meander De Waarden In het definitief ontwerp wordt in Meander De Waarden de historische Maasloop hersteld. Hiertoe is onderscheid aangebracht in geïsoleerde geulen met een prioritiet op KRW-waarden en een bevaarbare zone waar de KRW-waarden gecombineerd worden met recreatievaart. De binnenbocht van de geul heeft oevers
68 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
van 1:15, de buitenbocht is steiler met oevers van 1:8. Dit sluit aan op de landschappelijke patronen. Daarnaast wordt het gebied tot de veiligheidszone van de dijk maaiveldvolgend afgegraven en is er ruimte voor recreatie en recreatieve voorzieningen. De zonering draagt bij aan een optimale ontwikkeling van de moeras- en riviernatuur in de geulen, wat de gebiedskarakteristiek ondersteunt. Het ontwerp heeft een positief effect op de landschappelijke beleving, omdat de natte natuur in de geïsoleerde geulen en de bevaarbare geul vanaf het water extra goed te beleven is. Kerngebied Ossekamp en De Waarden In de ‘kerngebieden’ van De Waarden en de Ossekamp wordt het geomorfologische kronkelwaardpatroon teruggebracht en komt er meer ruimte voor natte natuur (rietmoeras en ooibos) in de stroomluwe delen. Hierdoor ontstaat in wat nu vooral agrarisch gebied met open akkers is een overgangsgebied van een meestromend en open, naar stroomluw en bossig landschap. Dit heeft een positief effect op het karakter van de gebiedskarakteristiek rivier- en moeraslandschap en uiterwaard als landschappelijke eenheid, omdat het contrast tussen het binnen- en buitendijks gebied wordt vergroot. De Tienmorgenstraat blijft op hoogte, wat als gevolg heeft dat de weg een barrière vormt in de verlaagde kronkelwaard.
Het negatieve effect van de hoge weg wordt gemitigeerd met duikers onder de weg en in de kanaaloever. De duikers zorgen voor een geleidelijke in- en uitstroom van water in de kronkelwaard tijdens hoog water in de Maas. Hierdoor is er bij hoog water beleving van de rivierdynamiek mogelijk vanaf de weg, wat de gebiedskarakteristiek versterkt. Rietmoeras De beplanting in het gebied volgt de natuurlijk hoogtes en laagtes om het water bij hoge peilen niet te hinderen. Landschapsvormende processen worden toegepast, zoals peilfluctuatie en beheer van begroeiing door begrazing. Peilfluctuatie is cruciaal voor ontwikkeling van een robuust areaal rietmoeras. Daarom is voor het definitieve ontwerp een strategie ontwikkeld om dit te faciliteren. Eens per vijf jaar wordt het waterpeil in de niet aangetakte geulen daarom verlaagd om het rietmoeras te behouden en goed te laten ontwikkelen. Peilfluctuatie vindt plaats door het in de zomer met kleine windwatermolentjes in de rietlanden aflaten of wegpompen van het wateroverschot naar elders. Op de hoge delen staan robuuste stukken ooibos en in de dynamische lage delen langs het water ontwikkelt zich rietmoeras. Dit draagt positief bij aan het karakter van het moeras- en rivierlandschap. Hoogwatervluchtplaatsen Om in Meanderende Maas ruimte te geven aan de natuurontwikkeling onder invloed van natuurlijke processen, is jaarrondbegrazing nodig.
Dit betekent dat er als onderdeel van het beheerregime grazers worden ingezet om het gewenste vegetatiebeeld te ontwikkelen en behouden. Verder zijn er nu al verschillende families bevers en dassen aanwezig in het gebied. Zowel deze bestaande dieren als de toekomstige grazers en wilde fauna in het gebied zullen bij hoogwaterstanden gebruikmaken van hoogwatervluchtplaatsen. In totaal zijn er zes hoogwatervluchtplaatsen opgenomen. Deels zijn deze gepositioneerd op natuurlijke hoogtes in het landschap, maar ze hebben een dusdanige hoogte (vergelijkbaar met de dijkhoogte) dat ze inbreken op de reliëfvolgende verlaging van de uiterwaard. In het ontwerp zijn de hoogwatervluchtplaatsen zorgvuldig ingepast in het maaiveld en met vegetatie. Lelyzones Ossekamp en De Waarden en Geul Maasbommel De Lelyzones Ossekamp, De Waarden, Megen en Maasbommel worden met circa 1 meter verlaagd tot NAP +5,4 m Lelyzone Megen wordt verlaagd tot NAP +5,8 m om archeologische waarden te behouden. Door de maaiveldverlaging en het benadrukken van de steilrand wordt de Lelyzone beter herkenbaar in het landschap. Dit heeft een positief effect op de beleving van het Maaskanaal ter hoogte van Ossekamp, De Waarden, Megen en Maasbommel.
Ter hoogte van Maasbommel-West (rkm 193-194) blijft een deel van het maaiveld in de Lelyzone op de huidige hoogte om de aanwezige dassenburchten en de cultuurhistorische wasplaats langs de rivier te behouden. Geulen in Lelyzone In de Lelyzones van Ossekamp en De Waarden liggen vijf geïsoleerde geulen die bijdragen aan de gewenste waterstandsdoelstelling. Bij Maasbommel komt er één langgerekte geul in de Lelyzone. Dit is een eigentijdse toevoeging in de Lelyzone vanuit waterveiligheid en zorgt ervoor dat de Lelyzone als ruimtelijke entiteit beleefbaar blijft en versterkt wordt. De geulen hebben een positief effect op de ontwikkeling van de uiterwaarden als doorlopend natuurgebied langs de Maas.
69 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
Bakenbomen De bakenbomen als lijnvormig element zijn een belangrijk onderdeel van de gebiedskarakteristiek van Meanderende Maas en een waardevolle historische groenstructuur voor de Provincie Noord-Brabant. De huidige beplanting is veelal aan het einde van de levensduur en op steeds meer plaatsen zijn gaten ontstaan in de structuur. Belangrijke uitgangspunten in de vervangingsstrategie voor de gewenste ruimtelijke kwaliteit zijn gelijkjarigheid, uniformiteit en volledigheid binnen de nieuwe boomstructuur. Op plaatsen waar het maaiveld verlaagd wordt, worden bestaande bomen en planten verwijderd en nieuwe bakenbomen aangeplant op de nieuwe maaiveldhoogte. Op plaatsen waar het maaiveld onveranderd blijft worden waar mogelijk de nieuwe bomen tussen de bestaande bomen geplant, zodat de oude bomen nog even kunnen blijven staan. Om te anticiperen op oevererosie hangt de exacte plek van de nieuwe boom af van de aanwezige oeverbeschoeiing. Daarom staan de bomen bij natuur(vriende)lijke oevers 15 m uit de oeverlijn en bij steenbestorte oevers 10 m. De onderlinge afstand tussen de bomen wordt zoveel mogelijk gelijk gehouden voor een uniform beeld. Met deze strategie zal er een nieuwe generatie bakenbomen het beeld overnemen, wat positief bijdraagt aan de versterking van de beeldbepalende landschappelijke lijnen van de gebiedskarakteristiek.
Deze uitgangspunten vragen om vervanging van de hele structuur aan beide zijdes van de rivier binnen een kort tijdsbestek. Het wegvallen van de bomen tijdens de uitvoering heeft tijdelijk een negatief effect op de gebiedskarakteristiek, maar het terugplaatsen van een nieuwe generatie bomen zal uiteindelijk positief bijdragen aan de leesbaarheid van het landschap.
4.6.2
Conclusie
Het reliëfvolgend ontgraven van de uiterwaarden en het aanzetten van de steilranden in de Lelyzone dragen positief bij aan het benadrukken van de morfologie en het microreliëf. Het deels herstellen van de oude Maasloop in de meanders en het toevoegen van verschillende geulen waarin de dynamiek van de rivier de ruimte krijgt, versterkt de landschappelijke eenheden van de gebiedskarakteristiek. De geulen met natuurlijke oevers en het toevoegen van substantiële oppervlaktes ooibos in stroomluwe delen en op hoge gronden draagt positief bij aan het natuurlijke karakter van het rivierengebied. Het feit dat er dankzij laagwatervluchtplaatsen en zandige bodems ook bij droogte water in de geulen blijft staan, draagt bij aan de jaarronde beleving van de rivierdynamiek. Door de hoogwatervluchtplaatsen zorgvuldig in te passen in het maaiveld en met vegetatie is zoveel mogelijk tegemoet gekomen aan het karakter van de uiterwaard als continue landschappelijke eenheid. Per saldo is sprake van een versterking van de gebiedskarakteristiek, landschappelijke lijnen en elementen van de huidige dijk en uiterwaarden.
4.7
Cultuurhistorie en aardkundige waarden
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het verplicht om bij een ruimtelijke ontwikkeling een beschrijving op te nemen van de manier waarop er rekening is gehouden met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden (gebouwd erfgoed en cultuurlandschap). Hierbij gaat het om zowel beschermde objecten en structuren, als niet beschermde objecten als structuren.
4.7.1
Toetsingskader
De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet, die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet, die in 2024 van kracht is geworden. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet een overgangsregeling opgenomen.
70 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
Het uitgangpunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is om het binnen een projectgebied aanwezige cultuurhistorische erfgoed te behouden. Dit houdt in dat bescherming moet worden geboden aan de aanwezige Rijksmonumenten, provinciale en gemeentelijke monumenten. Met als doel cultuurhistorische belangen te laten meewegen in de ruimtelijke ordening is per 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Daarmee zijn gemeenten verplicht in een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Dat betekent dat een analyse moet worden verricht naar de cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied en dat daar conclusies aan moeten worden verbonden die in een ruimtelijk plan verankerd worden.
4.7.2
Toetsing
Er is sprake van een versterking van de cultuurhistorische/geografische waarden en structuren, bouwkundige waarden/ objecten van de uiterwaarden. Hieronder is deze conclusie per uiterwaard toegelicht. In de Diedensche Uiterdijk sluit het ontwerp aan op de cultuurhistorische waarden van deze uiterwaard, namelijk vochtige graslanden en beemdgronden met waardevol microreliëf van een oude bedding met enkele broekbosjes. In het ontwerp zijn zichtlijnen opgenomen tussen de markante cultuurhistorische plekken Huize Maasakker, Huis te Dieden en Megen. Verder versterkt het ontwerp de beleving van de meanders als onderdeel van de waterstaatkundige geschiedenis. Restanten van oude sluisjes in de oever van de westelijke meanderboog worden behouden en het monument aan de Vliet voor de slachtoffers van een onweersbui wordt weer bereikbaar gemaakt voor wandelaars. De contextwaarde van kasteel Huis te Dieden wordt versterkt door de inrichting met open en natuurlijke graslanden en het zo veel mogelijk behouden van de bestaande heggenstructuur. Rondom de archeologische vindplaats ‘Maasakker’ blijven historische heggen (zaagtand) behouden. Met het herstellen van de meander komt De Waarden als schiereiland in de Maas te liggen. Door het historisch profiel van de Maas als basis te nemen, versterkt dit de cultuurhistorische waarden.