WSD.2.9_24-001.955_rep_Bestemmingsplan-Toelichting 20240209
Tekst van het document
Afbeelding 2.10 Links: Vergunde situatie Rodruza/Natuurmonumenten;) Rechts de gewijzigde situatie
Hoogwatervluchtplaatsen (HWVP) en terpen Er worden drie hoogwatervluchtplaatsen gerealiseerd met een hoogte van +10,0 m NAP en oppervlakten van resp. 1,5 ha en 0,7 ha (bij Maasakkerstraat) en 1,5 ha (bij kruising Rulstraat/ Maasakkerstraat). Er worden
30 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
twee terpen voor bever en/of das gerealiseerd met een oppervlak van 20 bij 30 op dijkhoogte en een talud van 1:3. De Hoogte ligt op NAP +11,2 m, met op elke terp een hoogste punt van NAP +12,2 m. Verlegging fietspad ter hoogte van Haven Megen Het bestaande fietspad wordt voor een deel verlegd. Komend vanaf de Rulstraat buigt het fietspad naar het noorden en loopt het pad parallel aan de Vliet. Er wordt een nieuwe kruising ingericht met de provinciale weg zodat fietsers veiliger richting Megen of richting de veerdienst kunnen. Het fietspad zal bestaan uit asfalt. Recreatieve routestructuren en voorzieningen De inrichting van de uiterwaarden levert een bijdrage aan recreatieve mogelijkheden en beleving van het gebied. In de Diedensche Uiterdijk is in nauwe samenhang een evenwichtige mix van voorzieningen en toegankelijkheid ontworpen, waarbij ook de interactie tussen dijk en rivier nadrukkelijk is opgezocht. In Diedensche Uiterdijk worden volgende recreatieve voorzieningen en routestructuren gerealiseerd: 1 vanuit de gebiedsentrees zal een fijnmazig netwerk van vooral wandelpaden worden aangelegd richting het nieuwe natuurlandschap. De wandelpaden zijn struinpaden of vrij toegankelijke beheerpaden en sluiten aan op het netwerk van bestaande routeknooppunten en lange afstandpaden. De struinpaden zijn 2 m brede gemaaide grasbanen.
In en over natte plekken ligt er in een struinroute een vlonderpad (composietrooster). Een beheerpad is 4-5 m breed. Een beheerpad kruist met een betonnen brugdek een watergang. De beheerpaden komen 10-20 cm. hoger te liggen (zandbed) dan het omringende maaiveld om iets meer drooglegging te hebben; 2 visverenigingen behouden de visrechten (en looprechten) aan de Maas. Deze plekken blijven (te voet) toegankelijk; 3 er komt een vogelkijkhut aan de rand van de oeverzone en een uitkijktoren in het hart van de Diedensche Uiterdijk, nabij de voormalige Maasakkerhoeve; 4 er zijn enkele plekken in het gebied benoemd als ‘point of interest’. Haven Megen Ten behoeve van extensieve dagrecreatie worden bij de jachthaven Megen 24 parkeerplaatsen, 5 camperplaatsen en een fietspad aangelegd. Deze voorzieningen maken deel uit van een integrale gebiedsinrichting rondom de haven Megen.
31 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
3 WETTELIJK KADER EN BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt voor onderhavig bestemmingsplan relevant ruimtelijk beleid beschreven. Aangegeven wordt wat de relatie is tussen het plan en het beleid en getoetst wordt of het plan in overeenstemming is met het geldende beleid.
3.1
Rijk
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 is de Nationale omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Daarnaast beschrijft de NOVI nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Waar de opgaven vragen om een geïntegreerde benadering, komen deze samen in vier prioriteiten: 1 ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2 een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; 3 sterke en gezonde steden en regio’s; 4 een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. In de NOVI worden 21 nationale belangen genoemd, waaronder het waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (nr. 14) verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit (nr. 20). Toetsing Rivierverruiming Bij waterveiligheid staat preventie voorop. Hieronder valt het versterken van dijken en rivierverruimende maatregelen. De uitwerking van de waterveiligheidsopgave vergt een goede ruimtelijke inpassing, waarbij aandacht is voor integrale uitvoering.
Ruimtelijke opgaven, zoals natuurontwikkeling kunnen worden gekoppeld aan waterveiligheidsmaatregelen. Dit draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit en aan het draagvlak voor de maatregelen. Natuurontwikkeling Het behoud en herstel van natuur en biodiversiteit in Nederland dragen in belangrijke mate bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. Onderdeel van de opgave is ook de realisatie van 80.000 hectare extra natuurgebied tot en met 2027, zoals afgesproken door het Rijk met de provincies in het kader van het Natuurpact. Het is de bedoeling dat natuur niet alleen binnen natuurgebieden wordt versterkt, maar overal. Gemeenten dragen daarbij de primaire verantwoordelijkheid voor kwaliteit van de leefomgeving, waarvan natuur en landschap integraal onderdeel uit maken. Daarom spelen zij ook een cruciale rol in bescherming van de natuurdoelen via omgevingsplannen en andere instrumenten.
32 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
Het inzetten van de gronden die behoren tot het projectgebied van voorliggende bestemmingsplan voor een integrale benadering van rivierverruiming en natuurontwikkeling sluit aan bij deze nationale belangen. Daarmee is het voornemen in overeenstemming met de NOVI. Conclusie Voorliggend voornemen is in overeenstemming met de NOVI.
3.1.2
Nationaal Waterprogramma 2022-2027
Het Nationaal Waterprogramma (NWP) beschrijft het nationaal waterbeleid en -beheer. Het is een nadere invulling van de Nationale Omgevingsvisie op watergebied. Belangrijke onderdelen van het Nationaal Water Programma 2022-2027 zijn de stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee. In het ‘Rivierengebied’ spelen uiteenlopende opgaven, waaronder een grootschalige versterking van de dijken, rivierbodemerosie, de bevaarbaarheid van de rivieren en de versterking van de natuur. In de planperiode wordt het proces van de regionale voorkeursstrategieën van het Deltaprogramma Rivieren verder vormgegeven onder het programma IRM. Dit betreft onder andere de maatregelen die zijn voorbereid voor Maaswerken en Ruimte voor de Rivier en de 1e projecten van het Deltaprogramma, waaronder het project Meanderende Maas. Eén van de aspecten die behandeld wordt is waterveiligheid. Dit nationale belang van de NOVI is verder uitgewerkt in het NWP en ziet op het waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit). De ambitie is om te zorgen dat Nederland de best beschermde delta ter wereld blijft.
Om dit te bereiken zijn de volgende doelen gesteld: 1 iedereen in Nederland die achter een primaire waterkering woont, heeft uiterlijk in 2050 ten minste een basisbeschermingsniveau van 1 op 100.000 per jaar. Dat wil zeggen dat de kans voor een individu om te overlijden als gevolg van een overstroming niet groter mag zijn dan 0,001 % per jaar; 2 daarnaast wordt extra bescherming geboden op plaatsen waar kans is op: 1 grote groepen dodelijke slachtoffers; 2 en/of substantiële economische schade; 3 en/of ernstige schade door uitval van vitale en kwetsbare infrastructuur van nationaal belang. Toetsing Bij het realiseren van de waterveiligheidsdoelen staat het voorkomen van een overstroming voorop. Onderdeel van de waterveiligheidsmaatregelen zijn rivierverruimende maatregelen. Tijdens planperiode van het waterprogramma worden diverse projecten uitgevoerd of afgerond. Hiertoe is een maatregelentabel opgenomen in het waterprogramma, waarin de Meanderende Maas is opgenomen. In de planperiode wordt het proces van de regionale voorkeursstrategieën van het Deltaprogramma Rivieren verder vormgegeven onder het Programma IRM. In het rivierengebied lopen diverse initiatieven om verschillende maatschappelijke en private opgaven in een gebied te combineren. Vooruitlopend op de vaststelling van het Programma IRM is gestart met verkenningen, zoals bij Meanderende Maas.
Rijkswaterstaat toetst initiatieven aan de Beleidslijn grote rivieren (art. 6) en zoekt daarbij met de initiatiefnemer passende maatregelen om de afvoercapaciteit van de rivier te vergroten. Met voorliggend voornemen wordt rivierverruiming gerealiseerd en daarmee uitvoering gegeven aan het NWP. Conclusie Het voornemen draagt bij aan de uitvoering van het NWP.
33 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
3.1.3
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening bevestigt in juridische zin de kaderstellende uitspraken uit de NOVI ten aanzien van de daarin genoemde nationale belangen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan de versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Toetsing Rivierverruiming Titel 2.4 van het Barro gaat over het nationale belang ‘grote rivieren’. Op grond hiervan gelden er eisen aan het bestemmingsplan. Voor een bestemmingsplan zijn op grond van artikel 2.4.3 Barro enkel nieuwe bestemmingen in een rivierbed mogelijk, indien er sprake is van: 1 een zodanige situering van de bestemming dat het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam geborgd blijft; 2 geen feitelijke belemmering voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier; 3 een zodanige situering van de bestemming dat de waterstandsverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is, en; 4 een zodanige situering van de bestemming dat de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet verslechtert. Indien er sprake is van resterende waterstandeffecten of afname van het bergend vermogen, dan dient dit gecompenseerd te worden.
In het bestemmingsplan dient ook te worden vastgelegd hoe de effecten op de waterstand en de afname van het bergend vermogen wordt gecompenseerd. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op het stroomvoerend deel van het rivierbed en een wijziging mogelijk maakt ten opzichte van het voorafgaande bestemmingsplan, dan zijn er enkele specifieke activiteiten die mogelijk gemaakt mogen worden. Hieronder valt de verwezenlijking en het beheer van natuurterreinen (artikel 2.4.4 Barro). Op grond van artikel 2.4.5 Barro, zijn activiteiten die per saldo meer ruimte voor de rivier opleveren op een vanuit rivierkundig oogpunt bezien zo gunstig mogelijke locatie ook toegestaan. In dat geval moet in het bestemmingsplan worden vastgelegd welke maatregelen worden genomen. De rivierverruimende maatregelen zijn mogelijk gemaakt in de planregels. Natuurontwikkeling De voorgenomen natuurontwikkeling ziet voor wat betreft de natuurontwikkeling op het nationale belang: Natuurnetwerk Nederland (titel 2.10 Barro). Een deel van het projectgebied valt namelijk binnen het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Afbeelding 3.1 geeft dit weer.
34 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
Afbeelding 3.1 Uitsnede Natuurnetwerk Brabant-kaart
Uit deze afbeelding is op te maken dat Meander de Waarden en een klein deel van de Diedensche Uiterdijk is aangemerkt als ‘nog om te vormen’. Een groot deel van de Diedensche Uiterdijk is aangemerkt als ‘wildernis’. Op grond van artikel 2.10.4, eerste lid, Barro zijn er bij provinciale verordening regels gesteld dat bij omgevingsvergunning (buitenplans) afwijken geen activiteiten mogelijk gemaakt mogen worden, die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden of samenhang tussen gebieden, tenzij aan voorwaarden wordt voldaan. De natuurontwikkeling die met de voorliggend voornemen mogelijk wordt gemaakt, draagt juist bij aan de belangen die het Barro met betrekking tot het Nederlands Natuurwerk beschermt. Er is dus geen strijd met het Barro. Conclusie Voorliggend voornemen draagt bij aan de bescherming van het NNN. De rivierverruimende maatregelen zijn mogelijk gemaakt middels dit bestemmingsplan en dus niet strijdig met het Barro.
3.1.4
Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe laddersystematiek geldt. Deze regeling staat beschreven in artikel 3.1.6 Bro. Het bevoegd gezag moet voldoen aan een motiveringsvereiste als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt via een bestemmingsplan, uitwerkings- of wijzigingsplan, of een omgevingsvergunning. Zo bevat een dergelijk plan een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het plan een ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. De laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als een ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’.
35 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Mede aan de hand van jurisprudentie is duidelijk welke ontwikkelingen al dan niet worden aangemerkt als (nieuwe) stedelijke ontwikkeling. Toetsing Rivierverruimingsmaatregelen en natuurontwikkeling worden niet gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling, daarom hoeft niet getoetst te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Conclusie Er wordt geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt met deze ruimtelijke ontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing.
3.2
Provincie
3.2.1
Omgevingsvisie Noord-Brabant 2018
De omgevingsvisie geeft richting aan hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet komen te zien. De provincie zet voor de (middel)lange termijn onder andere in op goed wonen, werken en recreëren. Hierbij zet de provincie in op vier hoofdopgaven: 1 werken aan de Brabantse energietransitie; 2 werken aan een klimaatproof Brabant; 3 werken aan de slimme netwerkstad; 4 werken aan een concurrerende, duurzame economie. Deze hoofdopgaven staan niet op zichzelf, maar zijn verbonden. Dit is nodig om een goede basis voor wat betreft omgevingskwaliteit met een goede, veilige leefomgeving te behouden, wat wordt gezien als de basisopgave voor de hele provincie. De opgaven worden niet Brabantbreed opgepakt, maar er wordt gewerkt vanuit een gebiedsspecifieke benadering. Toetsing Rivierverruiming Het doel van de provincie Noord-Brabant voor 2050 is een klimaatbestendige provincie die waterrobuust is ingericht. De gevolgen van klimaatverandering zijn nu al te merken, zo is er frequentere schade aan land- en tuinbouw, is er sprake van verschuiving van klimaatzones en meer sprake van hittestress. De opgave langs de Maas leidt naar een robuust rivierlandschap. De provincie voorziet hier rivierverruimende maatregelen om het systeem maar robuust te maken, dit zorgt voor een lagere waterstand.
De rivierverruimingsmaatregelen die door voorliggend bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, sluiten daarmee aan bij de omgevingsvisie. Natuurontwikkeling De basisopgave is veelomvattend wanneer het gaat over milieuaspecten. Hieronder valt onder andere een landschappelijke-, cultuurhistorische aantrekkelijkheid en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Daarnaast valt onder ‘werken aan een klimaatproof Brabant’ ook de opgave langs de Maas. Deze opgave leidt naar een robuust rivierlandschap in combinatie met historische vestigingstadjes en cultuurhistorische landschappen. Dijkversterkende- en rivierverruimende maatregelen zijn nodig om het systeem meer robuust te maken. De werkzaamheden voorzien in dit bestemmingsplan dragen bij aan de basisopgave, vanwege natuurontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, en hoofdopgave ‘werken aan een klimaatproof Brabant‘ vanwege de ontwikkeling van een robuust rivierlandschap langs de Maas. Conclusie Voorliggend voornemen is in overeenstemming met de Omgevingsvisie Noord-Brabant.
36 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
3.2.2
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
De Interim omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen en is een eerste stap richting een omgevingsverordening die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en verplicht is voor provincies. Er zijn regels in opgenomen die betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Omgevingsverordening is een doorvertaling van de omgevingsvisie in regels. Deze regels gaan onder andere over de volgende relevante onderwerpen voor het projectgebied: 1 cultuurhistorisch en aardkundig waardevol gebied; 2 natuurnetwerk Brabant; 3 rivierbed; 4 groenblauwe mantel. Toetsing Deze onderwerpen komen bij de milieuaspecten in hoofdstuk 4 terug, waar ook aan de relevante regels wordt getoetst. Wat betreft het natuurnetwerk Brabant en de groenblauwe mantel wordt verwezen naar paragraaf 4.6. Rivierkunde is nader onderzocht in paragraaf 4.3 en cultuurhistorie is beschreven in paragraaf 4.8. Voor elk aspect geldt dat deze de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg staan. Conclusie De omgevingsverordening staat uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.
3.2.3
Interprovinciale structuurvisie Meanderende Maas
De interprovinciale structuurvisie vormt een integraal planologisch beleidskader voor de Meanderende Maas en focust op dijkversterking, rivierverruiming en gebiedsontwikkeling. De interprovinciale structuurvisie is eveneens een bouwsteen voor de regionale Adaptieve Uitvoeringsstrategie Maas (AUM). De interprovinciale structuurvisie geeft op basis van het voorkeursalternatief – met concrete maatregelen - verder invulling aan beide omgevingsvisies. Een interprovinciale structuurvisie is een beleidsdocument dat in beginsel alleen het bevoegd gezag (i.c. beide provincies) bindt. De bestuurlijke samenwerking tussen de partners is er evenwel op gericht dat dit provinciale beleid doorwerkt naar lokaal beleid en regelgeving (zoals gemeentelijke structuurvisies/omgevingsvisies, bestemmingsplannen/omgevingsplannen) zodat uiteindelijk een compleet planologisch kader ontstaat voor vergunningverlening. Dit geldt in ieder geval voor het maatregelenpakket 2028: 1 veilige en herkenbare dijken; 2 winterbedmaatregelen; 3 invulling van natuur- en kwaliteitswaarden; 4 routestructuren, entrees en culturele hotspots; 5 gezichten aan de Maas; 6 herstel bakenbomen; 7 toegang Burgemeester Delenkanaal; 8 duurzaamheid. Toetsing In het ontwerp voor de rivierverruiming zijn maatregelen meegenomen en verder uitgewerkt.
Voor voorliggend bestemmingsplan gaat het voornamelijk om de winterbedmaatregelen en invulling van natuuren kwaliteitswaarden. Conclusie Voorliggend voornemen is in overeenstemming met de interprovinciale structuurvisie Meanderende Maas.
37 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
3.3
Gemeente
3.3.1
Structuurvisie Buitengebied Oss
De structuurvisie heeft als doel het bieden van een integrale visie op het buitengebied van de gemeente Oss. Natuur en landschapsbeleving heeft hierin een grote rol. Ook streeft de gemeente naar duurzame ontwikkeling, waarin veiligheid, energiegebruik en leefkwaliteit centraal staan. Toetsing Rivierverruiming De ondergrond in de gemeente Oss bestaat in het noorden uit een karakteristiek rivierengebied. De Maas bepaalt voor een groot deel de identiteit van het Osse landschap. De structuurvisie buitengebied Oss onderscheidt vijf hoofdbieden, waarvan de rivier met uiterwaarden er één van is. De uiterwaarden geven ruimte aan het water en waterberging in dit gebied geeft waterveiligheid voor bewoners en bedrijven achter de dijken. De gemeente geeft aan dat de waterveiligheid op termijn in gevaar van komen door de toenemen afvoer van de Maas. In de structuurvisie zijn doelstellingen opgenomen, waaronder het bieden van ruimte voor waterveiligheid, -kwantiteit en -kwaliteit. Daarbij is ook beschreven dat de watervoerende en -bergende functie op veel plaatsen gecombineerd kan worden met natuur, zoals ook in voorliggend voornemen is voorzien. Het veiligheidsaspect is, bij strijd met andere belangen, altijd leidend. De rivierverruimingsmaatregelen zijn daarmee in overeenstemming met de structuurvisie van de gemeente.
Natuurontwikkeling In de structuurvisie is het projectgebied wat betreft het aspect natuur (deels) aangewezen als ecologische hoofdstructuur en weidevogelgebied (zie afbeelding 3.2).
Afbeelding 3.2 Natuurwaarden projectgebied
38 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
De uiterwaarden vormen natte natuurgebieden met kruiden, wilgenstruweel en riet en zijn belangrijke gebieden binnen de gemeente voor natuurontwikkeling. Ook zijn het belangrijke broed- en foerageergebieden voor watervogels, weidevogels en ganzen. De uiterwaarden van de Maas behoren bijna geheel tot de ecologische hoofdstructuur. Eén van de doelstellingen in de structuurvisie betreft het behoud, herstel en/of ontwikkeling van landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische structuren en elementen. De gemeente geeft in de structuurvisie aan dat nieuwe natuurontwikkeling vooral plaats vindt in de uiterwaarden. De natuurontwikkeling van de uiterwaarden die in dit bestemminsplan voor het projectgebied is voorzien, past daarmee binnen de Structuurvisie Buitengebied Oss. Conclusie Voorliggend voornemen is in overeenstemming met de Structuurvisie Buitengebied van de gemeente Oss.
39 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
4 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN In het kader van gemeentelijke besluitvorming dient bij een ruimtelijk plan door middel van een integrale ruimtelijke benadering nadrukkelijk rekening te worden gehouden met de consequenties van het plan voor de omgeving en omwonenden. Het bevoegd gezag is namelijk verantwoordelijk voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit gebeurt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Het beginsel van een goede ruimtelijke ordening is van toepassing voor alle ruimtelijke ontwikkelingen. De effecten op de leefomgeving worden in dit hoofdstuk door middel van de bespreking van diverse omgevingsaspecten in beeld gebracht en afgewogen, en hiermee wordt de uitvoerbaarheid van het voornemen aangetoond. Afbeelding 4.1 geeft het besluitgebied van dit bestemmingsplan weer. Dit is tevens gehanteerd als onderzoeksgebied voor de milieueffecten, met uitzondering van rivierkunde.
Afbeelding 4.1 Besluitgebied onderzoeken
40 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
4.1
M.e.r.-(beoordelings)plicht
De procedure voor milieueffectrapportage (m.e.r.) dient om het milieubelang bij plannen en besluiten een volwaardige plaats te geven. De procedure is geborgd in de Wet milieubeheer. Het doorlopen van een m.e.r.- bij plannen en/of besluiten is: - verplicht als een activiteit (al dan niet voor een bepaald geval) is opgenomen in bijlage C van het Besluit m.e.r.; - m.e.r.-beoordelingsplichtig als een activiteit is opgenomen in bijlage D. In een beoordeling wordt getoetst of mogelijk belangrijke nadelige (milieu)gevolgen kunnen optreden. Indien met ja beantwoord, volgt alsnog de plicht om een m.e.r. te doorlopen. De m.e.r.-regeling maakt onderscheid in m.e.r. voor plannen zoals een structuurvisie of bestemmingsplan (plan-m.e.r.) en m.e.r. voor besluiten zoals vergunningen (project-m.e.r.). In de m.e.r.-procedure voor Meanderende Maas is daarom een gecombineerde plan- en project m.e.r. doorlopen, waarbij: een MER 1e fase (planMER) is opgesteld voor de vastgestelde Interprovinciale Structuurvisie Meanderende Maas met de afweging en beoordeling van het voorkeursalternatief en andere kansrijke alternatieven (MER 1e fase); een MER 2e fase (projectMER) voor verschillende besluiten/vergunningen in de planuitwerkingsfase (MER 2e fase) en een aanvulling hierop naar aanleiding van het voorlopig advies van de Commissie m.e.r.
Verschillende activiteiten die voor het project Meanderende Maas nodig zijn, staan opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. Onderstaande tabel geeft aan welke categorieën en activiteiten van belang zijn, welke drempel daarvoor staat en welk plan of besluit voor het project wordt opgesteld.
Tabel 4.1 M.e.r.-(beoordelings)plicht Cat.
Activiteit
Drempel
Plan/besluit
D3.1
de aanleg, wijziging of uitbreiding van een binnenvaarweg
1
Projectplan Waterwet
2
kan worden bevaren door schepen met een laadvermogen van 900 ton of meer een oppervlakte heeft van 25 ha. of meer
D.3.2
de aanleg, wijziging of uitbreiding van werken inzake kanalisering of ter beperking van overstromingen, met inbegrip van primaire waterkeringen en rivierdijken
niet van toepassing
de goedkeuring van gedeputeerde staten van provincie Noord-Brabant op het projectplan Waterwet, of bij ontbreken daarvan, het projectplan Waterwet zelf
D9
een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan.
een functiewijziging met een oppervlakte van 125 hectare of meer van water, natuur, recreatie of landbouw
Bestemmingsplan
C/D16.1
C.
C.
bij een terreinoppervlakte van meer dan 25 ha
C.
Bestemmingsplan en ontgrondingenvergunning
D.
bij een terreinoppervlakte van 12,5 ha. of meer
D.
Bestemmingsplan en ontgrondingenvergunning
D.
de winning van oppervlaktedelfstoffen uit de landbodem de winning van oppervlaktedelfstoffen uit de landbodem
Er geldt voor de vier activiteiten in ieder geval een m.e.r.-beoordelingsplicht. Het maakt daarvoor niet uit of de drempel gehaald wordt of niet. Vanwege de omvang van het hele project is er voor gekozen om direct een (project-)MER op te stellen. Er is één integraal MER gemaakt.
41 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
Doordat een uitgebreide m.e.r.- procedure is gevolgd zijn de effecten reeds van bij het begin meegenomen in het ontwerp. In het MER (bijlage Ia hoofdstuk 3) is dit proces toegelicht.
4.1.1
Samenvatting conclusies MER
In het MER is het hele project Meanderende Maas beoordeeld. Effecten gebruiksfase Tijdens het ontwerpproces in de planuitwerking is het ontwerp steeds aangepast op basis van bijvoorbeeld de ecologische en archeologische onderzoeken. Het gaat om ontwerpoptimalisaties of toevoegen van mitigerende/compenserende maatregelen. Deze maken dus al onderdeel uit van het ontwerp. Om die reden heeft het uiteindelijke ontwerp dat in dit MER is getoetst met name neutrale en positieve effecten in de gebruiksfase, bijvoorbeeld voor de waterkwaliteit, de natuur, het landschap, cultuurhistorie, de ruimtelijke kwaliteit en recreatie. Op enkele criteria blijven er, ook na optimalisatie van het ontwerp, (licht) negatieve effecten. Het gaat om: sedimentatie en erosie, archeologie, dwarsstroming, woon- en werkfunctie en landbouw. Voor deze (licht) negatieve effecten zijn geen verdere mitigerende maatregelen in het ontwerp mogelijk/nodig). In tabel 4.2 zijn de samenvattende effecten van de gebruiksfase weergegeven.
Tabel 4.2 Samenvattende beoordeling effecten gebruiksfase Thema/criteria
Beoordeling
Bijzonderheden
Inundatiefrequentie uiterwaarden
++
mitigatie niet noodzakelijk.
Stroombeeld uiterwaarden
++
mitigatie niet noodzakelijk.
Sedimentatie en erosie zomer- en winterbed
-
daar waar risico op erosie optreedt vanwege toename stroomsnelheid, zijn oeverversterkende maatregelen in het ontwerp opgenomen. Rivierverruiming gaat praktisch altijd gepaard met sedimentatie. Het is daarom onvermijdelijk om sedimentatie te veroorzaken. Dit is beoordeeld als licht negatief effect vanwege de toename in vaargeulonderhoud.
Grondwaterstand
0
doordat de grondwatereffecten buitendijks beperkt en lokaal zijn, worden geen effecten op de buitendijkse functies verwacht. Binnendijks is geen grondwaterstijging of daling aan de orde. Lokale effecten zullen zich beperken tot de directe omgeving van de dijk. In het op te stellen uitvoeringsontwerp wordt gekeken welke lokale maatregelen gewenst zijn om effecten verder te beperken.
Oppervlaktewatersysteem/peil
0
watergangen worden teruggebracht.
Kwaliteit grond- en oppervlaktewater
+
het omzetten van landbouwkundige gebruik naar
Rivierkunde
Water
natuurfuncties en het inrichten van nieuwe KRW-geulen draagt bij aan de (ecologische) waterkwaliteit. Gerealiseerde KRW-maatregelen
42 | 98
++
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
er wordt ruim invulling gegeven aan meerdere KRWmaatregelen.
Thema/criteria
Beoordeling
Bijzonderheden
Verontreinigingen bodem en waterbodem
+
Er zijn meerdere lokale verontreinigingen in het gebied. Deze grond zal (deels) ontgraven en geborgen worden in een depot. Daardoor verbetert de bodemkwaliteit.
Aardkundige waarden
0
de aardkundige waarden Diedensche Uiterdijk en Peelrandbreuk worden niet aangetast.
Maaivelddaling
0
de potentiële maaivelddaling is geanalyseerd op basis van de geohydrologische berekeningen en als klein en derhalve als neutraal effect beoordeeld.
Beschermde gebieden: Natuurnetwerk NoordBrabant, Gelders Natuurnetwerk, ecologische verbindingszones
++
Met het ontwerp Meanderende Maas1 wordt circa 500 ha landbouwgebied, waarvan circa 460 hectare in Noord-Brabant en circa 40 hectare in Gelderland, met beperkte actuele waarden omgevormd naar hoogwaardige riviernatuur. Ruim 300 hectare hiervan betreft niet-gerealiseerde NNB- en GOnatuur. Rond de dijkversterking in het Brabantse deel en het nieuwe fietspad in het Gelderse deel is sprake van oppervlakteverlies NNB en GNN/GO. Dit wordt gecompenseerd binnen het project. Per saldo is er een oppervlakte- en kwaliteitsverbetering.
Beschermde gebieden: Wet natuurbescherming (houtopstanden)
++
op beperkte schaal is sprake van het verdwijnen van lijnvormige houtopstanden en kleine arealen bos en struweel. Circa 1.500 bomen worden gekapt waarvan er 750 worden herplant. Herplant is deels opgenomen in het ontwerp. Netto neemt het areaal houtopstanden met 90 ha toe, met name door buitendijkse ooibosontwikkeling. Ook wordt circa 750 meter aan heggen aangeplant. Bij de bakenbomen gaat het om een vervanging die vanwege de herplant uiteindelijk een neutraal effect heeft.
Beschermde gebieden: Wet natuurbescherming (Natura 2000-gebieden)
++
De transformatie van landbouwgebieden naar natuurgebied leidt na realisatie van het project tot een afname van de stikstofdepositie, waar de natuur van profiteert. Er zijn geen andere effecten op Natura 2000-gebieden
Beschermde soorten: Wet natuurbescherming – das, roek en ransuil
0
Voor das, roek en ransuil is het effect is het effect neutraal. Op alle overige soorten heeft het project een (licht) positief effect.
Beschermde soorten: Wet natuurbescherming – grote modderkruiper en vleermuizen
+
Beschermde soorten: Wet natuurbescherming - Overige soorten
++
Bodem
Natuur
Landschap, cultuurhistorie en archeologie
1
Inclusief Demen Dieden, Oeverzone Diedensche Uiterdijk en de zelfrealisatiegebieden (PAGW) in de Ossekamp en het eiland van de Waarden.
43 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
Thema/criteria
Beoordeling
Bijzonderheden
Beïnvloeding gebiedskarakteristiek, landschappelijke lijnen en elementen
++
het ontwerp draagt bij aan versterking gebied als rivier- en moeraslandschap. Landschappelijke lijnen worden behouden en versterkt. Beleving van landschap en karakteristieke elementen geoptimaliseerd.
Geografische waarden/structuren, bouwkundige waarden/objecten
++
de bestaande cultuurhistorische waarden worden behouden en/of versterkt door het ontwerp.
Archeologische waarden
--
Er is uitgebreid veldonderzoek uitgevoerd. In het ontwerp is zoveel mogelijk rekening gehouden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Op locaties waar dat niet mogelijk is, worden de werkzaamheden onder archeologische begeleiding uitgevoerd. Het effect is beoordeeld als negatief omdat het ontwerp meerdere gebieden met een hoge verwachtingswaarde doorsnijdt.
Ruimtelijke kwaliteit Toetsing aan eisen ruimtelijk kwaliteitsbeeld en provinciale verordening ++
het ontwerp voldoet aan spelregels in het Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld Meanderende Maas1 en draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit in gebied. Het ontwerp is in lijn met provinciale verordening en beleid ten aanzien van landschap en cultuurhistorie.
Woon- en leefmilieu Verkeer(sveiligheid) gebruiksfase
0
lokaal enige verbetering en verslechtering van bereikbaarheid en verkeersveiligheid in het gebied. Algehele beoordeling neutraal.
Geluidhinder (gebruiksfase)
0
te verwaarlozen effect/toename omdat het project geen of nauwelijks verkeersaantrekkende werking heeft. De recreatieve voorzieningen zijn kleinschalig, met name gericht op lokale recreanten en verspreid over het gebied
Luchtkwaliteit
0
te verwaarlozen effect/toename omdat het project geen of nauwelijks verkeersaantrekkende werking heeft. De recreatieve voorzieningen zijn kleinschalig, met name gericht op lokale recreanten en verspreid over het gebied.
Externe veiligheid
0
geen belemmeringen voor de dijkversterkingen in het kader van externe veiligheid.
Scheepvaart Gebruiksfase: verandering bevaarbaarheid recreatievaart
+
verbetering voor kleinere ongemotoriseerde recreatievaart zoals elektrische sloepen en kano’s.
Gebruiksfase: verandering bevaarbaarheid beroepsvaart
++
de invaaropening naar het Burgemeester Delenkanaal (en daarmee de haven van Oss) wordt beter toegankelijk.
0
positieve effecten (scheiding vaarverkeer, verruimen aansluiten Burg. Delenkanaal) en negatieve effecten (oversteken Maas) resulteren in een neutraal effect.
Toekomstige fase: uitbreidbaarheid
0
geen harde constructies die de uitbreidbaarheid belemmeren.
Dwarsstroming op de Maas en Burgemeester Delenkanaal
--
op een aantal locaties ontstaan aan de rand van de vaargeul dwarsstromingen welke de norm uit het rivierkundig beoordelingskader overschrijden. Dit zal niet of nauwelijks hinder of extra veiligheidsrisico’s voor de scheepvaart opleveren omdat de schepen meer in het midden van de vaargeul varen.
Gebruiksfase: verandering nautische veiligheid
Beheer en onderhoud
1
Het beeldkwaliteitsplan dat is opgesteld in een eerdere fase van het project is geactualiseerd en heeft de titel ‘Ruimtelijk Kwaliteitsbeeld Meanderende Maas’ gekregen.
44 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
Thema/criteria
Beoordeling
Inspecteerbaarheid, beheerbaarheid, veiligheidsbeoordeling
Bijzonderheden
0
op sommige locaties treedt er een negatief effect op als gevolg van bijvoorbeeld extra constructies en kunstwerken en extra areaal te beheren natuur, terwijl er op andere locaties juist sprake is van een positief effect ten aanzien van de inspecteerbaarheid en beheerbaarheid als gevolg van taludverflauwing en daarmee de mogelijkheid tot machinaal beheer van de dijktaluds
-
Voor de realisatie van Meanderende Maas worden gronden van particulieren verworven. Het gaat dan niet om woningen of bedrijven maar bijvoorbeeld om een deel van een tuin of erf.
--
ten opzichte van de referentiesituatie gaat er na realisatie van het project Meanderende Maas 132 hectare landbouwgebied verloren. De betreffende landbouwpercelen liggen, met uitzondering van enkele percelen in de Lelyzones, in de zelfrealisatiegebieden, in ‘nog te realiseren natuur’. Ten opzichte van de situatie waarin het Natuurnetwerk Brabant en Gelders Natuurnetwerk al volledig zou zijn gerealiseerd, gaat er slechts 2 hectare landbouwgebied verloren aan de Gelderse zijde.
Ruimtegebruik Woon- en werkfunctie
Landbouw
Effecten aanlegfase Daar waar er in de gebruiksfase met name positieve effecten zijn, zijn er tijdens de aanleg enkele (licht) negatieve effecten. Het gaat met name om hinder voor omwonenden door het plaatsen van een constructie of het aanbrengen van grond in de dijk. Daarnaast zijn er tijdelijke negatieve effecten op enkele beschermde soorten en is er bij de verruiming van de monding van het Burgemeester Delenkanaal hinder voor vaarweggebruikers. Om de negatieve effecten te beperken zijn er aanbevelingen gedaan voor het uitvoeringsplan en evaluatie- en/of monitoringsmaatregelen voorgesteld (zie paragraaf 9.4 van het MER). In tabel 4.3 is de beoordeling tijdelijke effecten opgenomen.
45 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
Tabel 4.3 Samenvattende beoordeling effecten tijdens aanleg Criteria
Beoordeling effect aanleg
Bijzonderheden
Oppervlaktewatersysteem
0
in het ontwerp is een tijdelijke oplossing opgenomen voor het in stand houden van de afwatering van landbouwpercelen.
Kwaliteit grond- en oppervlaktewater
0
in de gebruiksfase en in de tijdelijke situatie zijn er minder landbouwpercelen en meer natuur en KRW-geulen dan nu. Echter blijven in de tijdelijke situatie nog op twee plekken landbouwpercelen in gebruik. Verbetering van de waterkwaliteit als gevolg van de KRWmaatregelen heeft daarnaast enige tijd nodig. Het positieve effect daarvan wordt daarom niet in de aanlegfase verwacht. Er is geen sprake van tijdelijke negatieve effecten (achteruitgang KRW-waarden) tijdens de aanlegfase.
(Tijdelijke) geluidhinder en trillingsschade
--
meerdere bestemmingen binnen 60 meter van zwaardere constructieve werkzaamheden waarvoor mogelijk nadere (bron)maatregelen nodig zijn om schade (en te veel dagen geluidhinder) te voorkomen.
Luchtkwaliteit
0
de kleine toenames, voor NO2 bv maximaal 0,33 µg/m3., als gevolg van het project vallen ruim onder de niet-in-betekenende-mate grens van 1,2 µg/m3 en leiden niet tot overschrijdingen van de grenswaarden uit Wet milieubeheer.
Verkeer(sveiligheid)
-
bereikbaarheid van bestemmingsverkeer binnen werkvak dient nog uitgewerkt te worden bij de verdere voorbereiding van de realisatie.
Rivierkunde
0
de tijdelijke opstuwing van de opslaglocaties valt weg tegen deze reeds in de realisatiefase bereikte waterstandsdaling, waardoor er netto geen opstuwend effect is in de realisatiefase.
Natuur – beschermde gebieden
0
Vanwege de afstand tot Natura 2000-gebieden zijn geen directe effecten te verwachten. De aanlegfase leidt niet tot een (tijdelijke) toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Er is dan ook geen significant negatief effect (zie passende beoordeling) .
Natuur – beschermde soorten
0/-/--
voor steenmarter, steenuil, kerkuil, slechtvalk, sperwer en ooievaar zijn de tijdelijke effecten neutraal (0). Voor bever, das, kleine marterachtigen en buizerd zijn de effecten licht negatief (-). Voor vleermuizen, grote modderkruiper, ransuil, roek en poelkikker zijn de tijdelijke effecten negatief (--).
Scheepvaart: hinder voor vaarweggebruikers
-
de verruiming van de monding van het Burgemeester Delenkanaal heeft de grootste interactie met de scheepvaart gedurende de realisatiefase door bijv. tijdelijke versmalling van vaarweg. Tijdens de uitvoering is er overall slechts beperkt hinder voor de vaarweggebruikers.
Ruimtegebruik
-
tijdens de uitvoeringsfase worden er bouwwegen en tijdelijke grondopslaglocaties aangelegd. Deze liggen veelal op of vlak langs de dijk of de Maas. Dit houdt in dat er tijdelijk, in de jaren dat het project in uitvoering is, extra ruimtebeslag wordt gelegd op met name buitendijkse landbouwgronden en gronden die in gebruik zijn als weg of als talud van de dijk.
4.2
Rivierkunde
4.2.1
Toetsingskader
Het voornemen is getoetst aan criteria die genoemd zijn in het Rivierkundig beoordelingskader (RBK). Het RBK is een integraal onderdeel van het uitvoeringskader Waterwet en sluit aan op de Beleidslijn Grote Rivieren en de beheertaken van Rijkswaterstaat.
46 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
Voor het voornemen wordt een projectplan Waterwet opgesteld, dit betekent dat de rivierkundige effecten getoetst dienen te worden aan het RBK. Hiertoe is voor het voornemen een onderzoek uitgevoerd naar: inundatiefrequentie uiterwaarden; stroombeeld uiterwaarden; sedimentatie en erosie zomer- en winterbed. Het RBK maakt onderscheid tussen riviersystemen in combinatie met de grenzen van de regionale organisatieonderdelen van Rijkswaterstaat. Het plangebied valt onder Maas (Rijkswaterstaat ZuidNederland). De Maas heeft een stroomvoerend en bergend regime. Inundatiefrequentie uiterwaarden Als gevolg van een ingreep kan de frequentie van instromen van (delen van) de uiterwaard(en) veranderen. Een ingreep kan dan betekenen dat wegen of agrarische gronden in de uiterwaard vaker onder water komen te staan, waardoor (bedrijfs-) terreinen minder goed bereikbaar en bewerkbaar zijn. Minder vaak overstromen kan daarentegen nadelig zijn voor de natuur. Stroombeeld uiterwaarden Door een ingreep kunnen stroomsnelheden en -richtingen in het gebied veranderen waardoor schade en hinder kan ontstaan aan bijvoorbeeld constructies of dijklichamen die vervolgens hersteld moeten worden (mitigatie). Het stroombeeld is daarom beoordeeld. Sedimentatie en erosie zomer- en winterbed Stroomsnelheden in de rivier variëren als gevolg van veranderingen in breedte, waterdiepte en de rivierafvoer.
Ook beïnvloedt de afvoerverdeling tussen zomerbed en winterbed de stroomsnelheid. Deze afvoerverdeling verandert bijvoorbeeld door de aanleg van een nevengeul; er stroomt daardoor minder water door het zomerbed. Stroming in de rivier voert sediment (slib, zand, grind) mee. Op plekken waar een hoge stroomsnelheid is, wordt veel sediment meegevoerd. Daar waar de stroming lager is wordt juist weinig sediment getransporteerd. Het vermogen van de stroming om sediment mee te voeren wordt ook wel sedimenttransportcapaciteit genoemd. Op locaties in de rivier waar verschillen (gradiënten) zijn in de sedimenttransportcapaciteit, ontstaat erosie of sedimentatie. Simpelweg geldt: op een locatie waar meer sediment wordt aangevoerd dan afgevoerd, ontstaat sedimentatie en wordt de rivier ondieper. Het omgekeerde geldt ook: als er minder sediment wordt aangevoerd dan afgevoerd ontstaat erosie. Het proces van erosie en sedimentatie beïnvloedt de waterdiepte, en omgekeerd beïnvloedt de waterdiepte het proces van sedimentatie en erosie. De ‘feedback loop’ tussen deze verschillende processen gaat net zo lang door totdat sedimentaanvoer gelijk is aan sedimentafvoer; er is dan sprake van een evenwichtsbodemligging. Deze bodemligging, en dus de waterdiepte is van belang voor de scheepvaart. Een inschatting van de morfologische effecten van de maatregelen is berekend op basis van WAQMORF 1.
Het aantal cm aanzanding en de lengte hiervan is beoordeeld.
4.2.2
Toetsing
Het project Meanderende Maas omvat een integrale set aan maatregelen die bijdragen aan de bestuurlijke doelstelling om 14 cm waterstandsdaling bij rkm 184 te halen voor een groter geheel aan maatregelen. Die integrale set maatregelen bevat dijkversterkings- én rivierverruimingsmaatregelen waarvan de effecten zijn beoordeeld in het rapport Rivierkundige beoordeling Meanderende Maas. Met het geheel van deze totale set maatregelen in het projectplan Waterwet, de parallel ingediende aanvraag Waterwetvergunning en alle zelfrealisatiegebieden wordt (bij een afvoer van 4.118 m3/s te St. Pieter) een waterstandsdaling van 14,3 cm bij rkm 184 gehaald.
1
WAQMORF geeft op basis van WAQUA resultaten een inschatting van het evenwichtseffect in bodemligging door een lokale ingreep, rekening houdend met een gemiddelde seizoensvariatie in de afvoer [ref: Sieben (2011). methodiek inschatting morfologische effecten in het zomerbed door lokale rivieringrepen (december 2011)].
47 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
Hiermee voldoet het ontwerp aan de bestuurlijke doelstelling van een waterstandsdaling van 14 cm. Het bestemmingsplan omvat alleen de rivierverruimings- en natuurinrichtingsmaatregelen in de provincie Noord-Brabant. Hieronder wordt daarop ingegaan. Inundatiefrequentie Onderstaande tabel toont voor verschillende objecten per deelgebied de inundatiefrequentie. Ook is vermeld of de getoonde inundatiefrequentie een wijziging is ten opzichte van de referentiesituatie.
Tabel 4.4 Inundatiefrequentie per object
Deelgebied
Object
Toekomstig maaiveldniveau (eindsituatie)
Inundatiefrequentie (gemiddeld o.b.v. betrekkingslijnen 20192020)
Wijziging t.o.v. referentiesituatie
Inundatiefrequentie in referentiesituatie
Diedensche Uiterdijk
oeverzone
NAP+ 6,7 m
1 dag per jaar
ja
eens in 5-10 jaar
Rulstraat bij Megen
NAP+ 6,3 m
eens in 2 à 3 jaar
nee
camping en bewoners bij Rulstraat bij Megen
NAP+ 8,0 m
eens in 20 à 30 jaar
nee
geulen in Lelyzone
NAP+ 5,2 m
tussen 4 en 8 dagen per jaar
ja
eens per 5 jaar
overstroming svlakte
NAP+ 5,1 m
8 dagen per jaar
ja
eens in 5-10 jaar
geïsoleerde rietmoerassen
NAP+ 5,5 m
2 dagen per jaar
ja
eens in 5-10 jaar
Oeverzone Megen
-
NAP+ 5,4 m
tussen 2 en 4 dagen per jaar
ja
eens in 5-10 jaar
Ossekamp
geulen in Lelyzone
NAP+ 5,4 m
2 dagen per jaar
ja
eens per 5 jaar
De Waarden
De agrarische zones die momenteel in de referentiesituatie in de uiterwaarden aanwezig zijn, zullen in de eindsituatie plaatsmaken voor natuurontwikkeling. Dit geldt bijvoorbeeld voor overstromingsvlakte De Waarden en voor de verschillende (geïsoleerde) rietmoerassen. De verandering van inundatiefrequentie van deze gebieden zal deze functionaliteiten daarom niet negatief beïnvloeden. Een frequentere overstroming van deze gebieden is zelfs gewenst ten behoeve van de robuuste ontwikkeling van de natte natuur. Door het ontwerp verandert de inundatiefrequentie: het oppervlak dat minstens twee dagen per jaar overstroomt neemt toe en het oppervlak dat hoogstens ééns per vijf jaar of ééns per tien jaar overstroomt neemt af. Daar waar de inundatiefrequentie wijzigt, is dit passend bij de inrichting van het gebied tot natuurgebied met moeras- en rietland, natuurlijke meanders, poelen, plassen, ooibos en stroomdalgraslanden. Sedimentatie en erosie zomer- en winterbed Door de natuurlijke inrichting komt er weer wat meer stromingsdynamiek terug in de uiterwaarden. Dit is slechts relatief vanwege het gestuwde karakter van de Maas en de stromingsluwe ligging van de meanders. Meer stromingsdynamiek past bij de natuurlijke inrichting van het gebied. De stroomsnelheden nemen in het overgrote deel van het projectgebied af. Lokaal neemt de stroomsnelheid significant toe in de Lelyzone.
48 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
Op deze aandachtslocatie wordt door middel van bodem- en oeverbescherming voorkomen dat er negatieve lokale erosie effecten ontstaan bij constructies als kribben, gebouwen, kaden, wegen en langs randen van plassen en geulen. Erosiebeperkende maatregelen zijn onderdeel van het ontwerp. Eén van de doelen van het project is het behalen van een significante waterstandsdaling ten behoeve van hoogwaterveiligheid. Geulen dragen bij aan de waterstandsdaling (en dus ook aan de waterveiligheidsopgave). Een deel van de geulen heeft daarnaast ook een doelstelling vanuit de Kaderrichtlijn Water (KRW). Deze doelen zijn met het ontwerp behaald. Het neveneffect hiervan is dat er morfologische effecten optreden in het zomerbed. Rivierverruiming gaat praktisch altijd gepaard met sedimentatie. In het ontwerp is rekening gehouden met dit natuurlijk proces van sedimentatie/aanslibbing. De geulen zijn met voldoende waterdiepte ontworpen zodat grootschalig onderhoud niet nodig is binnen een periode van 25 tot 50 jaar. De gemiddelde geuldiepte van de geulen in de Lelyzone kan in een dergelijke periode met grofweg 0,5 m afnemen. Voor meander De waarden is dit minder en voor Meander Diedensche Uiterdijk is dit helemaal gering. In het zomerbed is een toename van sedimentatie op de meeste locaties acceptabel, omdat de vaarweg dieper is dan vereist (er is overdiepte).
Op drie locaties is de overdiepte minder dan de vereiste 4,9 meter, te weten bij rkm 190, rkm 192,5 en rkm 194,8. Om de knelpunten die op de drie kritische locaties ontstaan te mitigeren zal er jaarlijks circa 10.750 m3 gebaggerd worden.1 Stroombeeld Het ontwerp leidt naast veranderingen in inundatiefrequentie ook tot veranderingen in het stroombeeld. Deze veranderingen beïnvloeden mogelijk de functionaliteit van de uiterwaarden. Door ingrepen langs de rivier kunnen (lokale) stroomsnelheden in de uiterwaard veranderen. Dit kan resulteren in lokale erosie bij constructies als kribben, gebouwen, kaden, wegen, maar ook langs randen van plassen en geulen. De mate van eventuele effecten is ingeschat door het beoordelen van de verandering van de grootte en richting van de stroomsnelheden bij een afvoer van 4.118 m 3/s (zoals omschreven in aspect 2.2 van het rivierkundig beoordelingskader, RBK 5.0). Zie afbeelding 4.2 voor een 2D beeld van de absolute stroomsnelheden die optreden bij een afvoer van 4.118 m3/s.
Afbeelding 4.2 Absolute stroomsnelheid (m/s) van het ontwerp in 2D bij een afvoer van 4.118 m3/s te Borgharen
In het ontwerp is gestreefd naar een natuurlijke inrichting waar ruimte is voor natuurlijke processen. De rivierdynamiek wordt weer teruggebracht in het gebied door het herstellen van de oude meanders. Vanwege de lage dynamiek in de Maas en het stromingsluwe karakter van de meanders is deze dynamiek echter slechts relatief. De uiterwaarden blijven voor een groot deel in hoge mate stromingsluw. Wel is enige stromingsdynamiek en morfodynamiek tijdens hoogwater in de uiterwaarden toelaatbaar en zelfs gewenst.
1
Dit zijn resultaten op basis van WAQMORF. WAQMORF geeft een overschatting van het daadwerkelijk optredende aanzandingsvolume en daarmee ook een overschatting van het te baggeren volume.
49 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
Afbeelding 4.3 toont dat in de meanderbogen de stroomsnelheden bij deze extreme afvoer laag blijven. De Diedensche Uiterdijk en het zuidelijk deel van meander De Waarden zijn zeer stromingsluw (<0,25 m/s). Ook in het noordelijk deel van meander De Waarden en De Ossekamp zijn de stroomsnelheden vrij laag (circa 0,5 m/s). In de verlaagde Lelyzones zijn de stroomsnelheden al een stuk hoger met snelheden groter dan 1 tot 1,5 m/s bij deze extreme afvoer. In het zomerbed zijn de stroomsnelheden het hoogst met snelheden richting de 2 m/s.
Afbeelding 4.3 Verschil in stroomsnelheid (m/s) tussen ontwerp en referentiesituatie in 2D bij een afvoer van 4.118 m 3/s te Borgharen
Afbeelding 4.3 geeft duidelijk het effect van het ontwerp op de stroomsnelheden weer. Het is goed te zien hoe de ingrepen van het ontwerp de huidige systeemwerking versterken. In de verlaagde Lelyzones neemt de stroomsnelheid toe. Het verlagen van de Lelyzones heeft voor de systeemwerking twee effecten tot gevolg: (1) in de delen van de uiterwaarden die verder van het zomerbed afliggen dan de Lelyzones nemen de stroomsnelheden af. Hierdoor worden de gebieden die al erg stromingsluw waren dus nog stromingsluwer. (2) Op een groot deel van het traject benedenstrooms van de drempel Appeltern nemen de stroomsnelheden in het zomerbed licht af. Dit heeft geen negatieve effecten voor het stroombeeld in de uiterwaarden. Bij een afvoer van 4.118 m3/s ontstaan er stroomsnelheden die kunnen resulteren in erosie langs kades, oevers of andere objecten. Met name langs de oevers van het zomerbed kunnen er stroomsnelheden ontstaan die de kritische grens van erosie van een met grasbeklede oever of dijk (2,0 m/s over een duur van 100 uur (uit Rock Manual)) kunnen overschrijden. Analyse van kritische locaties wat betreft stroming heeft een aantal aandachtlocaties opgeleverd, welke zijn gemarkeerd in afbeelding 4.4. Op deze aandachtlocaties bestaat er een reële kans op erosie tijdens hoogwater.
Om te voorkomen dat daardoor schade kan gaan ontstaan, is op deze locaties een ontwerp van bodem- en oeververdedigingen gemaakt.
50 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
Afbeelding 4.4 Aandachtlocaties waar erosie beschermende maatregelen in het ontwerp zijn opgenomen
4.2.3
Conclusie
Door het ontwerp verandert de inundatiefrequentie: het oppervlak dat minstens twee dagen per jaar overstroomt neemt toe en het oppervlak dat hoogstens ééns per vijf jaar of ééns per tien jaar overstroomt neemt af. Daar waar de inundatiefrequentie wijzigt, is dit passend bij de inrichting van het gebied tot natuurgebied met moeras- en rietland, natuurlijke meanders, poelen, plassen, ooibos en stroomdalgraslanden. Wat betreft sedimentatie geldt dat de geulen met voldoende waterdiepte zijn ontworpen zodat grootschalig onderhoud niet nodig is binnen een periode van 25 tot 50 jaar. De gemiddelde geuldiepte van de geulen in de Lelyzone kan in een dergelijke periode met grofweg 0,5 m afnemen. Voor meander De Waarden is dit minder en voor Meander Diedensche Uiterdijk is dit helemaal gering. In het zomerbed is een toename van sedimentatie op de meeste locaties acceptabel, omdat de vaarweg dieper is dan vereist (er is overdiepte). Op drie locaties is de overdiepte minder dan de vereiste 4,9 meter, te weten bij rkm 190, rkm 192,5 en rkm 194,8. Om de knelpunten die op de drie kritische locaties ontstaan te mitigeren zal er jaarlijks circa 10.750 m3 gebaggerd worden.1 Voor het stroombeeld geldt dat er een aantal aandachtslocaties zijn waar een reële kans bestaat op erosie tijdens hoogwater.
Om te voorkomen dat er daardoor schade kan gaan ontstaan, is er op deze locaties een ontwerp van bodem- en oeververdedigingen gemaakt. Voor rivierkunde geldt dat, daar waar knelpunten zijn, er maatregelen worden getroffen om dit tegen te gaan. Daarmee staat rivierkunde het voornemen niet in de weg.
4.3
Water
Water is een belangrijk onderdeel in de ruimtelijke planvorming. Het is daarom van belang dat water vroeg in het planproces wordt betrokken. Om dit te waarborgen is wet- en regelgeving opgesteld. De watertoets is een instrument om het waterbeleid en regelgeving te waarborgen in ruimtelijke plannen. De watertoets vormt een proces dat de initiatiefnemer en de waterbeheerder zo vroeg mogelijk met elkaar in gesprek brengt. De opgestelde waterparagraaf is voorgelegd aan het waterschap.
1
Dit zijn resultaten op basis van WAQMORF. WAQMORF geeft een overschatting van het daadwerkelijk optredende aanzandingsvolume en daarmee ook een overschatting van het te baggeren volume.
51 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
4.3.1
Toetsingskader
Het watertoetsproces bestaat uit twee onderdelen: 1 initiatiefnemers van ruimtelijke plannen zijn verplicht om de waterbeheerder vroegtijdig te betrekken in de planvorming; zoals hierboven aangegeven, heeft deze afstemming plaatsgevonden; 2 initiatiefnemers van ruimtelijke plannen zijn verplicht in hun plan verantwoording af te leggen over hoe met de inbreng van de waterbeheerder wordt omgegaan. Dit is terug te vinden in de onderstaande waterparagraaf.
4.3.2
Toetsing
Voor de watertoets zijn de volgende aspecten beoordeeld: grondwaterstand; oppervlaktewatersysteem; waterkwantiteit; waterkwaliteit. Daarnaast wordt de relatie met besluiten en procedures van het Waterschap Aa en Maas (Keur, aanpassing legger) beschreven, Grondwaterstand Alle relevante informatie over de ondergrond en geohydrologie is opgenomen in een grondwatermodel. Met het grondwatermodel wordt onderzocht of de grondwaterstroming en grondwaterstanden door de maatregelen kunnen veranderen en in welke mate en tot waar die effecten kunnen reiken (direct binnendijks of ook verder). Het geohydrologisch systeem en autonome ontwikkelingen De ondergrond bestaat hoofdzakelijk uit een deklaag van kleiige rivierafzetting met daaronder zand. Deze zandlagen vormen het eerste watervoerende pakket. De Maas en oude meanders van de Maas doorsnijden de deklaag tot in het eerste watervoerende pakket. De grondwaterstroming is gericht op de Maas, ten zuiden van de Maas is de grondwaterstroming hierdoor overwegend noordwestelijk gericht. Ten noorden van de Maas is de grondwaterstroming overwegend zuidwestelijk gericht. De Maas is in dit gebied gestuwd op een peil van NAP +4,9m. In het westelijke deel van het gebied liggen de maaiveldhoogtes lager dan in het oosten. Vanwege de lagere ligging in het westen is drainage aanwezig in stedelijk- en landbouwgebied.
Hierdoor wordt de grondwaterstand lager gehouden dan de Maas en is in het zomerhalfjaar sprake van een infiltrerend effect van de Maas. In het oostelijke deel ligt het maaiveld hoger en heeft de Maas een drainerend effect. In het winterhalfjaar zijn grondwaterstanden hoger en heeft de Maas een neutraal effect. Er stroomt dus relatief weinig grondwater uit het achterliggende gebied van/naar de Maas. De grondwaterstanden in het gebied langs de Maas worden sinds 2018 intensief bemeten. Uit de gemeten reeks tot nu toe is een duidelijke dynamiek tussen winter- en zomergrondwaterstanden te zien. Aan het einde van de winter zijn de grondwaterstanden op z'n hoogst, daarna zakken de grondwaterstanden tot ze aan het einde van de zomer op z’n laagst zijn. Dat past bij een systeem dat onder invloed staat van neerslag en verdamping. Daarmee is het aannemelijk dat het grondwatersysteem wordt gestuurd door het lokale binnendijkse watersysteem, en minder door het peil op de Maas. Maatregelen die effect kunnen hebben op de grondwaterstand In het project Meanderende Maas worden rivierverruimende en dijkversterkende maatregelen genomen die invloed kunnen hebben op de grondwaterstand in het projectgebied, namelijk vergravingen in de uiterwaarden voor het creëren van nevengeulen en voor natuur.
Die kunnen als effect hebben dat de grondwaterdynamiek afneemt als gevolg van de afname in deklaagweerstand. De rivier krijgt dan een sterker dempend effect op de neerslag dynamiek .
52 | 98
Meanderende Maas | WSD.2.9_24-001.955 | Definitief 6.0
Effectbepaling De effecten van de maatregelen op het grondwatersysteem worden voor het hele projectgebied in beeld gebracht door kaarten van (zie onderstaande afbeeldingen): verandering van de gemiddeld hoogste grondwaterstanden (GHG); verandering van de gemiddeld laagste grondwaterstanden (GLG); verandering van kwel en wegzijging tussen het ondiepe grondwater in de deklaag en diepe grondwater in het watervoerend pakket. Verandering van de GHG en/of GLG geven aanwijzingen voor vernatting of verdroging. Belangrijke toename van kwel of wegzijging kan relevant zijn voor natuur en voor de belasting van het binnendijkse watersysteem. Effecten projectgebied in een gemiddelde situatie Het effect op de freatische grondwaterstanden (het eerste grondwater dat je tegenkomt als je gaat graven is normaal gesproken het freatische grondwater) is beperkt omdat er relatief weinig weerstandreductie is van de deklaag. Het grootste deel van de afgravingen is relatief ondiep en vindt daardoor plaats in de onverzadigde zone (boven de gemiddelde grondwaterstand). Omdat de weerstand in deze zone op voorhand al laag is (door scheurvorming en bodemvorming) ontstaat door het afgraven van deze laag geen belangrijke weerstandsreductie.
Op plekken waar diepere geulstructuren worden gerealiseerd, vindt de grootste weerstandsreductie plaats omdat de deklaag hier juist wel wordt afgegraven tot onder de gemiddelde grondwaterstand. Bij bestaande maar uitgediepte geulen zal de dynamiek slechts beperkt afnemen. Daar waar ontgraving plaatsvindt op locaties waar nu geen geul ligt, neemt de dynamiek af omdat de verschillen tussen GLG en GHG uitdempen. Voor de stijghoogte in het watervoerend pakket heeft het doorsnijden van de deklaag potentieel wel significante gevolgen, maar dan specifiek voor een hoogwater situatie. De afname van de grondwaterdynamiek wordt veroorzaakt door de afname in deklaagweerstand, waardoor de freatische grondwaterstand hier meer het oppervlaktewaterpeil zal volgen. Zoals zichtbaar is in afbeeldingen 4.5 en 4.6 is het effect hiervan beperkt (5 tot 30 cm). Afbeelding 4.5 laat het verschil in GHG zien als gevolg van de maatregelen. De blauwe keurtinten geven een toename weer in de GHG, waar de kaart rood kleurt neemt de GHG af als gevolg van rivierverruimende en dijkversterkende maatregelen. Zoals eerder genoemd neemt de GHG af, dus is er in afbeelding 4.5 voornamelijk een aantal roodtinten te zien. Afbeelding 4.6 geeft eenzelfde weergave echter van het verschil in de GLG. Daarop is vooral toename in de GLG te zien met blauwtinten.