Toelichting+regels definitief tbv vaststelling
Tekst van het document
Toetsing Het voorliggende initiatief leidt tot een aanzienlijke kwaliteitsverbetering in de cultuurhistorisch waardevolle bebouwingsconcentratie Elst. Hier wordt nader op ingegaan in paragraaf 5.1. Het initiatief past binnen de kaders van de Structuurvisie Buitengebied Oss. 4.4.3
38/110
Wonen
De Woonvisie Gemeente Oss 2020 formuleert de belangrijkste doelen en ambities voor het wonen in Oss voor de komende jaren. De woonvisie 2020 bestendigt de visie en ambities uit de Woonvisie 2013 en plaatst deze in het huidig tijdsgewricht. Daarbij geeft de Woonvisie 2020 de richting en focus op het gemeentelijk woonbeleid voor de komende jaren. Met de woonvisie wil de gemeente Oss aan vier ambities uitvoering geven: Complete woongemeente. Aandacht voor de woonomgeving in bestaande wijken en kernen. Een flexibel en gedifferentieerd woningbouwprogramma. Comfortabele woningvoorraad. Een woningvoorraad die aansluit bij de behoeften en wensen van de bewoners. De woningen zijn duurzaam en toekomstbestendig. Een (t)huis van alle groepen inwoners. Aandacht voor de groep kwetsbare inwoners met een zorgbehoefte die in de toekomst in een reguliere woning moeten blijven wonen. Ook aandacht voor de inwoners met een middeninkomen en jongeren die in de koop- en huursector buiten de boot dreigen te vallen. Versterking van de woonfunctie van Oss, ook in regionaal opzicht. Toetsing Voor het buitengebied is geen specifieke woonopgave vastgesteld. De beoogde ontwikkeling bestaat uit een concrete marktvraag op een locatie waar voor het grootste gedeelte reeds een woonbestemming van toepassing is. Het initiatief heeft daardoor geen invloed op de plancapaciteit van de gemeente.
4.4.4 Beleidsactualisatie RO buitengebied 2021 De dynamiek in het buitengebied is groot. Diverse transities en ontwikkelingen raken het gebruik, de inrichting en de beleving van ons uitgestrekte en diverse buitengebied. Deze worden geadresseerd in de Gebiedsvisie Vitaal Buitengebied, de Agrarische Visie en de Visie op het VAB-beleid. Daarbij wordt steeds gezocht naar de juiste balans tussen gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. Tegelijkertijd wordt het ambtelijk apparaat van de gemeente Oss in de dagelijkse praktijk geconfronteerd met concrete vragen en verzoeken van inwoners en ondernemers waarin het huidige beleidskader en het ruimtelijk instrumentarium niet, of niet adequaat voorziet. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan 'Buitengebied Oss - 2020' en bij de instelling van de Intaketafel is aangegeven dat de praktijk veelvormiger en dynamischer is dan dat het ambtelijk apparaat kan voorzien. Daarom is met de gemeenteraad afgesproken dat periodiek bekeken wordt tegen welke praktische vraagstukken, knelpunten en opgaves wordt aangelopen. Die zullen met de gemeenteraad worden gedeeld om te bespreken hoe hiermee omgegaan dient te worden, met als uitgangspunt dat de gemeente wil handelen in de geest van de Omgevingswet. Met deze “Beleidsactualisatie RO Buitengebied 2021” geeft de gemeente hieraan gevolg.
In de voorstellen baseren we ons mede op de recent vastgestelde Gebiedsvisie Vitaal Buitengebied en zetten wij een eenduidige en praktische beleidslijn uit. De beleidsactualisatie richt zich op een vijftal buitengebied specifieke thema's: 1. Het toevoegen van nieuwe woningen in het buitengebied en aan de randen van dorpen; 2. Het vergroten van woningen groter dan 1000 m3; 3. Bijzondere woonvormen in het buitengebied; 4. Het toestaan van niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied; 5. Kwaliteitsverbetering bij nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied.
39/110
We actualiseren ons beleid op de deze thema’s zodat we verzoeken die hierop van toepassing zijn kunnen behandelen conform de voorgestelde oplossingsrichting. Het geactualiseerde beleid is tevens input voor onze Omgevingsvisie en ons Omgevingsplan. En we gebruiken het als input voor de actualisatie van het regionale afsprakenkader over kwaliteitsverbetering en onze opstelling naar de Provincie o.m. met betrekking tot de provinciale Omgevingsverordening en de zienswijze van de provincie op ons Ontwikkelingenplan 2 buitengebied Oss. Toetsing De gemeente stelt dat het toevoegen van nieuwe woningen in het buitengebied en aan de randen van dorpen, het vergroten van woningen groter dan 1000 m3, bijzondere woonvormen, niet-agarische bedrijvigheid in het buitengebied (en aan de randen van dorpen) mogelijk is mits er sprake is van een goede inpassing en proportionele kwaliteitsverbetering. De kwaliteitsverbetering bij nieuwe ontwikkelingen kan plaatsvinden door fysieke maatregelen in het buitengebied of door middel van een afdracht aan het Groenfonds Landelijk Gebied (GLG) waarmee de gemeente zelf fysieke investeringen kan doen. Hierbij wordt de volgende voorkeursvolgorde gehanteerd: 1. Directe fysieke kwaliteitsverbetering door sanering van VAB’s of andere bebouwing of verharding; 2. Een bijdrage/afdracht in het Groenfonds Landelijk Gebied; 3.
Directe fysieke kwaliteitsverbetering in natuur- en landschapsontwikkeling. Onder het kopje 'kwaliteitsverbetering voor uitbreiding van woningen' is beschreven dat de omvang van de kwaliteitsverbetering te bepalen is door te kijken naar de bebouwingswaarde die samenhangt met de uitbreiding. De omvang van de kwaliteitsverbetering is afhankelijk van de gewenste uitbreiding. Concreet ziet er dit als volgt uit: Bebouwingswaarde uitbreiding woning
€ 250,- per m3
Uitbreiding woning 750 m3 - 1000 m3
20% kwaliteitsverbetering
Uitbreiding woning 1000 m - 1500 m 3
3
Uitbreiding woning >1500 m3
30 % kwaliteitsverbetering 40% kwaliteitsverbetering
De kwaliteitsverbetering voor voorliggende situatie is nader uitgewerkt in paragraaf 5.1.2. 4.4.5 Portefeuillemanagement 'Wonen' Voor de bepaling van het woningbouwprogramma hanteert de gemeente Oss sinds 2012 de systematiek van het Portefeuillemanagement Wonen (PFM Wonen Oss). Dit is ook vastgelegd in de Woonvisie Oss, actualisatie 2020. Er vindt periodiek een strategische afweging en prioritering van woningbouwprojecten plaats. De provinciale prognoses en de gemeentelijke doelstellingen voor woningbouw zijn de basis voor deze afweging. De systematiek van de PFM wordt steeds toegepast bij de afweging van nieuwe plannen voor woningbouw, telkens tegen de achtergrond van de meest actuele ontwikkelingen op de Osse woningmarkt. In 2019 zijn de uitgangspunten van het portefeuillemanagement Wonen geactualiseerd (PFM Wonen, actualisatie december 2019). Daarmee wordt aangesloten op de actuele behoefte, ontwikkelingen en de prognoses. Enkele uitgangspunten van PFM Wonen Oss zijn:
40/110
Met het portefeuillemanagement bepalen we het woningbouwprogramma van Oss, zowel naar omvang als kwalitatieve samenstelling. Dit programma stemmen we af op de bestaande woningvoorraad en de behoefte van de verschillende doelgroepen qua woningtype, eigendomsvorm en woonmilieus. PFM Wonen maakt het mogelijk om nieuwbouwprojecten in de hele gemeente strategisch af te stemmen in planning en prioriteit. De keuzen en prioritering maken we op basis van een afweging van beleidskeuzes uit de woonvisie. Maar ook de ruimtelijk-functionele meerwaarde voor een gebied, de verplichtingen uit het verleden en de financiën wegen we mee. De omvang van de woningbouwopgave is afgeleid van de prognose van de provincie Noord-Brabant. De meest recente prognose is van mei 2017 en geeft een bandbreedte voor de opgave: Laag (autonome opgave woningvoorraad vanuit bevolkingsprognose) en hoog (autonome opgave + inlopen huidige tekorten). We richten ons voor de komende 10 jaarsperiode op de opgave op basis van de hoge prognose. Dit is het kader waarbinnen we woningbouw in dit bestemmingsplan afwegen. De provinciale prognose is berekend op het niveau van de totale gemeente. We vertalen deze prognose door naar de woningbehoefte in de verschillende gebiedsdelen van Oss.
Voor het landelijke gebied is de opgave voor woningbouw gericht op de behoefte vanuit de natuurlijke bevolkingsontwikkeling in de landelijke kernen. Het zwaartepunt van stedelijke ontwikkelingen, waaronder woningbouw, ligt in de stedelijke zone Oss-Berghem. Dit is ook het uitgangspunt van het provinciale beleid. De kwalitatieve samenstelling van het woningbouwprogramma is afgestemd op de behoefte vanuit de verwachte ontwikkeling van de bevolkingssamenstelling en de bevindingen uit verschillende onderzoeken. De kwalitatieve opgave verschilt per gebiedsdeel (stedelijk gebied - landelijk gebied). Gezien de vergrijzing van de bevolking en de toename van kleinere huishoudens zijn starters en ouderen belangrijke aandachtgroepen. In de programmeringen liggen de hoofdaccenten bij toegankelijkheid, betaalbaarheid en duurzaamheid van de nieuwe woningen. Aandachtspunt blijft ook de verbreding naar toekomstgerichte woonmilieus, Oss als woongemeente versterken.
Voor de afweging en prioritering in het woningbouwprogramma zijn alle mogelijkheden voor woningbouw in Oss in beeld gebracht. Op de eerste plaats is dit de zogenaamde harde plancapaciteit. Woningbouw is op deze plekken al rechtstreeks mogelijk op basis van de bestaande bestemmingsplannen en bouwvergunningen. Daarnaast hebben we ook de zachte plancapaciteiten in beeld gebracht. Dit zijn concrete initiatieven voor woningbouw, die al dan niet al in procedure zijn, globale plannen die in gebiedsvisies zijn opgenomen en mogelijkheden voor woningbouw door herontwikkeling of transformatie van bestaande gebouwen of functies. Toetsing De beoogde ontwikkeling bestaat uit de vervanging van een bestaande woning in een nieuwe (grotere) woning en de bijbehorende realisatie van een duivenverblijf welke zich momenteel elders in het dorp bevindt. Aangezien dit geen invloed heeft op de plancapaciteit binnen de gemeente Oss kan verdere toetsing aan PFM Wonen Oss achterwege worden gelaten. 4.4.6
41/110
Beleid aan huis gebonden activiteiten
Op 22 november 2012 heeft de gemeenteraad het Beleid aan huis gebonden activiteiten – Actualisatie 2012 vastgesteld. Het beleid voor aan huis gebonden activiteiten is opgesteld om mogelijkheden te bieden aan ondernemen vanuit de eigen woning. Door de jaren heen zijn de activiteiten die aan huis worden ondernomen steeds meer divers geworden. Het gaat allang niet meer alleen om een huisarts of accountant aan huis. Er is een breed scala dat aan huis uitgeoefend kan worden. Voorbeelden zijn een adviesbureau, pedicure of afslanksalon. Ook komen er steeds vaker vragen om kleinschalige cursussen te mogen geven, voor kleinschalige kinderopvang, ambachtelijke bedrijfjes of een bed en breakfast. Met het beleid wordt ingespeeld op de veranderende inzichten over aan huis gebonden activiteiten. Er wordt ruimte gegeven aan deze nieuwe vormen om vanuit de thuissituatie te werken. Het gaat dus altijd om een bewoner die de activiteit uitvoert. Een andere belangrijke voorwaarde is steeds dat de activiteit zich goed verhoudt met de woonomgeving. Het beleid aan huis gebonden activiteiten is er op gericht om zoveel mogelijk rechtstreeks toe te staan. Er is een lijst opgesteld met een breed scala aan activiteiten die rechtstreeks mogen worden uitgeoefend in de woning. Deze lijst is opgenomen in bijlage 2 bij de regels van dit bestemmingsplan.
Bij het opstellen van de lijst van rechtstreeks toegestane activiteiten is de woonomgeving het uitgangspunt geweest. Dit houdt in dat er geen bedrijven op staan die veel verkeer aantrekken of activiteiten die milieuhinder veroorzaken, die niet past in een woonomgeving. Het oppervlak van de rechtstreeks toegestane activiteiten is 35 m2. Maar niet alle activiteiten kunnen rechtstreeks in een woning worden uitgevoerd. Soms is een toetsing vooraf nodig. Als dit positief is, wordt toestemming verleend in de vorm van een 'omgevingsvergunning waarbij van het bestemmingsplan wordt afgeweken'. Bij deze afweging spelen publieksaantrekkende werking en milieu- en verkeersaspecten altijd een rol. Voorbeelden van activiteiten waarbij een toetsing vooraf nodig is zijn: een groter oppervlak dan het toegestane 35 m2, andere activiteiten dan die in de lijst zijn opgenomen of groepsmatige activiteiten. In het nieuwe beleid worden de mogelijkheden voor dit afwijkend gebruik beschreven. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik moet de aanvrager een concrete aanvraag om toestemming bij de gemeente indienen. Toetsing Indien bovenstaande voor de beoogde ontwikkeling aan de orde is, zal het Beleid aan huis gebonden activiteiten – Actualisatie 2012 worden opgevolgd. 4.4.7 Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de kaders en randvoorwaarden van het provinciaal beleid.
42/110
Hoofdstuk 5 5.1
Omgevingsaspecten
Landschap
5.1.1 Nota Landschapsbeleid Binnen de gemeente Oss bestaat grote aandacht voor het landschap en het landelijke gebied. De Nota Landschapsbeleid zorgt voor een beleidskader welke een sturende werking heeft bij ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied. Ruimtelijke ingrepen en nieuwe functies in het buitengebied hebben een grote uitstraling naar de omgeving. Dit betekent dat bij deze ingrepen (bijvoorbeeld de bouw van agrarische bedrijfsgebouwen) eisen aan de landschappelijke inpassing van objecten moeten worden gesteld. De gemeente wordt verder geconfronteerd met de aanleg (of juist verwijdering) van (landschaps)elementen door particulieren op agrarische percelen in het buitengebied. Dergelijke initiatieven komen vaak niet overeen met de ter plaatse aanwezige en te behouden landschappelijke kwaliteit (bijvoorbeeld behoud van openheid of gebruik van niet-inheemse boomsoorten). Goede toetsingskaders en sturingsinstrumenten zijn voor bescherming maar ook voor ontwikkeling van het landschap onmisbaar. In de Nota Landschapsbeleid wordt per deelgebied beschreven wat de landschappelijke visie is. De verschillende deelgebieden zijn: Uiterwaarden Oeverwal Komgebied Dekzandrand Dekzandrug Per deelgebied wordt aangegeven wat de ontwikkelingsvisie is. Daarbij worden aandachtspunten voor uitwerking en uitvoering geschetst.
Toetsing Het plangebied aan Broekstraat 2a - Elst 9 te Geffen is landschappelijk zeer interessant omdat het op de overgang ligt van het zand– naar het rivierengebied. Dit is goed te zien op de kaarten met geomorfologie (figuur 5.1) en bodem (figuur 5.2). De bodemkaart laat zien dat er hoge bruine enkeerdgronden liggen, wat duidt op een oud systeem van grazende schapen op de hei waarbij mest uit de schuren werd opgebracht op de Enk.
43/110
Figuur 5.1
Geomorfologie (Bron: Rijksoverheid)
Figuur 5.2
Bodem (Bron: Rijksoverheid)
Net ten noorden van de Elst ligt de grens tussen de polders van de Maas (open komkleigebied) en het zandlandschap. Het gebied ligt aan de rand van de dekzandrug. Het noordelijk deel van de projectlocatie ligt op de zogenaamde dekzandrand, de overgang naar het open komgebied. De grens tussen de dekzandrand en het komgebied is vormgegeven door een sloot en bosschages die deze watergang volgen. Het komgebied is hier heel open en er zijn fraaie vergezichten. De kaart met landschapstypen met daarbij een globale aanduiding van het plangebied is weergegeven in figuur 5.3.
44/110
Figuur 5.3
Landschapstypen (Bron: Gemeente Oss)
Het landschapsbeleid van de gemeente Oss is erop gericht om de contrasten tussen de verschillende landschapstypen te vergroten. Voor de dekzandrug betekent dit dat het toevoegen van bosjes en brede houtsingels in dit kleinschalige, van oorsprong besloten, landschap wenselijk is. Het aantal droge ecologische verbindingszones wordt hiermee vermeerderd en de natuurwaarden in het gebied worden verhoogd. Het creëren van open plekken, al dan niet met vennen, in de besloten bosgebieden verhoogt de biodiversiteit. De dekzandrand kenmerkt zich door lange, smalle kavels met perceelsbeplanting. Deze beplanting is grotendeels verdwenen, maar kan teruggebracht worden. De dekzandrand kenmerkt zich verder door de overgang van hoog en droog naar laag en nat. De aanwezigheid van kwelwater is waardevol in dit gebied. 5.1.2 Kwaliteitsverbetering van het landschap De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant eist, bij een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in het landelijk gebied, een fysieke kwaliteitsverbetering van de landschappelijke kwaliteit. Dit staat in artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening. In januari 2013 is het afsprakenkader over de toepassing en uitwerking van deze regeling vastgesteld. Dit regionale afsprakenkader is oorspronkelijk bedoeld als uitwerking van regeling 'Kwaliteitsverbetering van het landschap' uit de Verordening ruimte.
Het afsprakenkader geldt nog steeds. Toepassingsbereik De notitie toepassingsbereik vormt het basisdocument voor het afsprakenkader van de provincie met de gemeenten in de regio Noordoost. Deze notitie bevat de categorie-indeling voor de niet-planmatige ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied en de bijbehorende tegenprestatie. Deze notitie geeft de minimale inspanning aan die de gemeente Oss regionaal heeft afgesproken. Gemeenten hebben alle vrijheid om meer kwaliteitsverbetering te verlangen als ze dat nodig vinden op basis van beleids- of gebiedsambities. Het afsprakenkader is nadrukkelijk geen ruimtelijk afwegingskader. Gemeenten moeten zelf beoordelen of een ontwikkeling ruimtelijk gewenst is. Vervolgens kan aan de hand van het afsprakenkader beoordeeld worden waar de kwaliteitsverbetering minimaal aan moet voldoen. Afspraken toepassingsbereik
45/110
1. De notitie Toepassingsbereik en met name de verdeling van ruimtelijke ontwikkelingen over de verschillende categorieën is de basis voor het afsprakenkader over toepassingsbereik. 2. Bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen is kwaliteitsverbetering altijd van toepassing; 3. Bij niet-planmatige ontwikkelingen: tegenprestatie gerelateerd aan impact: a. Cat. 1 geen impact: geen tegenprestatie b. Cat. 2 beperkte impact: landschappelijke inpassing c. Cat. 3 grote impact: berekende kwaliteitsverbetering van het landschap Afspraken kwaliteitsverbetering 1. Bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen: storting in een landschapsfonds of bijdrage in natura in landschapsversterkend project. 2. Bij niet-planmatige ontwikkelingen zijn gemeenten zelf verantwoordelijk voor de toepassing: in natura (op of nabij de projectlocatie), financiële bijdrage in landschapsfonds of een combinatie van beide. 3. Bij kwaliteitsverbetering in natura (op of nabij de projectlocatie) bevat het ruimtelijk plan de verantwoording van de kwaliteitsverbetering. 4. De regio kiest niet voor een (sub)regionaal landschapsfonds. Indien gemeenten een grensoverschrijdend landschapsproject willen realiseren, weten zij elkaar te vinden. 5. De gemeente Oss heeft een gemeentelijk Groenfonds.
Bij categorie 3 projecten kan kwaliteitsverbetering van het landschap op de eigen locatie worden uitgevoerd en/of middels storting in het Groenfonds. Toetsing De gemeente Oss staat het vergroten van het bestemmingsvlak 'Wonen' toe, mits dit gecompenseerd wordt. Ook staat de gemeente het extra vergroten van woningen en bijgebouwen in het buitengebied toe, mits dit ruimtelijk acceptabel is en er hiervoor landschappelijk gecompenseerd wordt. De gemeente Oss hanteert de volgende normbedragen: € 150/m2 voor de uitbreiding van bijgebouwen € 58,75/m³ voor de uitbreiding van het bestemmingsvlak 'Wonen' (boven de 1000 m²) € 15/m2 voor het toevoegen van de groenbestemming Een proportionele kwaliteitsverbetering voor het vergroten van woningen groter dan 750m³. In de Beleidsactualisatie RO Buitengebied (2021) wordt aangegeven: 'een woning groter dan 1000 m3 is via maatwerk mogelijk, mits er sprake is van een goede inpassing en proportionele kwaliteitsverbetering'. Hieronder wordt aangegeven hoe deze kwaliteitsverbetering voor uitbreiding van woningen er uit ziet: Bebouwingswaarde
€ 250 / m³
750 – 1000 m
20%
3
1000 m3 – 1500 m > 1500 m3
3
30% 40%
De bestaande woning aan de Broekstraat 2a heeft een inhoud van 1400 m³, en de nieuwe woning wordt maximaal 2400 m³ groot. In totaal wordt de inhoud dus met 1000 m³ vergroot. Voor de woning aan de Broekstraat betekent deze proportionele berekening, dat voor een klein percentage (100 m³) de 30% geldt (namelijk tussen 1400 en 1500 m³), en
46/110
voor de rest (900 m³) de 40% geldt (namelijk tussen 1500 en 2400 m³). 100 m³ x 30% x € 250, 900 m³ x 40% x € 250,Het totaal te compenseren gedeelte bestaat uit: Normbedrag
Grootte
Totaal
Totaalbedrag
Vergroten woning ( bestaande 30% van € 250,- = 100 m³ woning 1400 m³ naar 1500 m³) €75,-
100 x 75
€
Vergroten woning ( 1500 m³naar nieuwe woning maximaal 2400 m³)
40% x € 250,- = € 100,-
900 m³
900 x 100
€ 90.000
Plaatsen duivenverblijf à 250 m2 (200 x 2,5 m)
€150,-/m2
250 m2
250 x 150
€ 37.500
Vergroten bestemmingsvlak Wonen Broekstraat 2a aan zuidzijde (van 4450 naar 4664 m²)
€ 58,75/ m²
214 m²
214 x 58,75
€ 12.572,50
Toevoegen bestemming 'Groen' aan voorzijde Broekstraat 2a
€ 15,-/ m²
1700 m²
1700 x 15
€ 25.500
Vergroten bestemmingsvlak Wonen achter Elst 9 ten behoeve van duivenverblijf (400 m²)
€ 58,75,-/ m²
400 m²
400 x 58,75
€ 23.500
Vergroten bestemmingsvlak € 58,75,-/ m² Wonen ten behoeve van de verbinding tussen Elst 9 en het duivenverblijf (200 m²)
200 m²
200 x 58,75
€ 11.750
Totaal te compenseren
7.500
€ 208.322,50
Landschappelijke compensatie Hierna is de beoogde landschappelijke compensatie uiteengezet. Er wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten: Omzetten gronden tussen Elst 9 en Broekstraat 2a en ten noorden van Elst 9 met de bestemming Agrarisch (waarde landschap) naar Natuur. De waardedaling van de gronden bedraagt €6,- à €7,-. Provincie Noord-Brabant hanteert een afwaarderingspercentage van 20%. Landschappelijke compensatie Bosjes en houtwallen (€ 8,-
afwaarderen naar € 1,- ) (4.150m²x € 7,-x 20%)
Bloemrijk grasland ( €8,- afwaarderen naar € 2,-) (6.358m² x € 6,-x 20%)
47/110
€ 5.810,€ 7.630,-
Aanleg houtwallen, bosjes, bloemrijk grasland, boomgaard en laagte (zie bijlage 1) € 26.350,Onderhoud landschapselementen, 10 jaar (zie bijlage 1)
€ 16.120,Subtotaal € 55.910,-
Storen in Groenfonds
€ 152.412,50
TOTAAL AAN COMPENSATIE
€ 208.322,50
Er wordt dus voor ruim € 55.000,- extra geïnvesteerd in het landschap rondom Broekstraat 2A en Elst 9 in Geffen. Daarnaast zal initiatiefnemer extra compenseren met het storten van € 152.412,50 in het gemeentelijk Groenfonds.
48/110
5.2
Natuur
5.2.1 Wet natuurbescherming Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Dit is anders indien uit de Wnb voortvloeit dat een passende beoordeling moet worden gemaakt. Deze dient te zijn verricht ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan. Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Sinds 1 januari 2017 bepalen de provincies in principe wat wel en niet mag in de natuur binnen de provincie. De provincies zorgen voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren en internationaal beleid (zoals Natura2000).
Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen die invloed hebben op beschermde natuur moeten passen binnen de Wet natuurbescherming. Daarnaast gelden ook provinciale regelingen voor natuurbescherming. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: a. Natura-2000 gebieden; b. Bijzondere nationale natuurgebieden; c. Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; 2.
het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en 3. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
49/110
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Bijzondere nationale natuurgebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) kan buitenom de gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden Natura 2000, ook gebieden aanwijzen als Bijzonder nationaal natuurgebied wanneer het gebied is opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn of het gebied onderwerp is van een procedure als bedoeld in artikel 5 van de Habitatrichtlijn. De beschermende werking die geldt voor gebieden die behoren tot Natura 2000, geldt in dat geval ook voor het bijzondere nationaal natuurgebied. Natuurnetwerk Nederland (NNN) / Natuurnetwerk Brabant (NNB) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. De provincie Noord Brabant hanteert daarvoor het begrip Natuurnetwerk Brabant (NNB). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: a. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; b.
soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; en c. de bescherming van overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden.
Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee, voor het op of in de bodem brengen van meststoffen en voor agrarische beregening uit grondwater. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen,
50/110
watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wild zwijn en woelrat. 5.2.2 Groen en natuur/biodiversiteit Natuur- en landschapsvisie 2005 De visie vormt een toetsings- en ontwikkelingskader voor het natuur- en landschapsbeleid in Oss. Zij geeft richting aan ontwikkelingen en nodigt initiatiefnemers uit om een bijdrage te leveren aan projecten. De visie heeft als bouwsteen bijgedragen aan de Structuurvisie Oss 2020. De ambities die in de visie zijn opgenomen zijn: Het realiseren van een tweetal natuur- en landschapsparken, te weten: 'Maashorst-Herperduin' en het Maaspark'. Het realiseren van stevige verbindingen tussen de natuur- en landschapsparken. Behoud en herstel van natuur- en landschapswaarden in het 'Land van Grutto en Pastinaak' en het 'Land van Dassen en Struweel'.
Het realiseren van een groenblauw lint door de polder rond de Hertogswetering. Het ontwikkelen van aantrekkelijke groengebieden in en rond Oss en de dorpen, te weten de 'Groenblauwe Slinger door Oss', de 'Groene geledingszone ten zuiden van Oss', de 'Groene dorpen' en de 'Maasband'. Routekaart Groen, Blauw en Natuur In deze nota is aangegeven dat we de natuur en de biodiversiteit willen verbeteren door in te zetten op een gemeentelijk natuurnetwerk, aanvullend op het provinciaal netwerk. Het landschap en de ontstaansgeschiedenis van de gemeente Oss vormen daarbij de basis. Daarbij onderscheiden we de vijf gebieden die ook in de Natuur- en Landschapsvisie worden genoemd. Natuurinclusief bouwen De gemeente streeft er naar om bij (ver)bouwen zoveel als mogelijk rekening te houden met de natuur en de biodiversiteit ofwel 'natuurinclusief' te bouwen. Aan initiatiefnemers wordt gevraagd om dit ook te doen. Bijzonder waardevolle bomen In 1998 is de beleidsnota “Bijzonder waardevolle bomen” opgesteld, waarin bomen zijn opgenomen die vanwege specifieke waarden bescherming verdienen. De lijst met waardevolle bomen wordt periodiek geactualiseerd. De laatste actualisatie is opgenomen in de nota “Bijzondere bomen in Oss 2018”.
In deze nota is vastgelegd dat de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de aangewezen waardevolle bomen altijd geweigerd moet worden tenzij het kappen van deze bomen vanuit het algemene belang noodzakelijk is. Dit is verder vertaald in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Op grond van de APV is voor het kappen van bomen die op de Beschermde bomenlijst staan een vergunning vereist. De vergunning kan op grond van verschillende criteria door het college van burgemeester en wethouders worden geweigerd. 5.2.3
51/110
Natuurtoets
Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Deze bescherming moet er toe leiden dat het voortbestaan van de soort niet in gevaar komt. De gebiedsbescherming is gericht op de bescherming van kwetsbare natuurgebieden. Gebiedsbescherming Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 of het Natuurnetwerk (NNN/NNB). De afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied (Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek) bedraagt ruim 12,5 kilometer. De dichtstbijzijnde NNB-gebieden liggen op een afstand van ruim 2 kilometer. In figuur 5.4 is de ligging van het plangebied ten opzichte van deze beschermde gebieden weergegeven.
Figuur 5.4 Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden en NNB-gebieden (Bron: Provincie Noord-Brabant) Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen gezien de afstand worden uitgesloten. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot natuurgebieden kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Vermesting en verzuring als gevolg van stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten. Met het programma AERIUS Calculator (2022) is een berekening uitgevoerd om de gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen en te toetsen of de eventuele toename past binnen de eisen die gelden op grond van de Wet natuurbescherming. De berekening voor de gebruiksfase inclusief bijbehorende toelichting is opgenomen in bijlage 1 van voorliggend bestemmingsplan. Uit berekeningen voor de gebruiksfase blijkt dat er geen sprake is van stikstofdeposities die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jr op Natura 2000-gebied. Voor projecten die niet leiden tot een toename van depositie is geen vergunning conform de Wet natuurbescherming nodig en kan geconcludeerd worden dat dit aspect geen belemmering vormt voor het beoogde initiatief. Soortenbescherming
52/110
Aan de hand van een quickscan flora en fauna is bepaald of de ontwikkeling mogelijk van invloed is op beschermde plant- en diersoorten. Een bijbehorende rapportage van deze quickscan is bijgevoegd in bijlage 2. Op basis van de quickscan Wet natuurbescherming diende voor uitvoering van de plannen middels aanvullend veldonderzoek duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van nestlocaties van huismus, en verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Het reeds uitgevoerde nader onderzoek is bijgevoegd in bijlage 3. In de onderzoeksrapportage wordt beschreven dat de voorgenomen sloop van het woonhuis leidt tot het verloren gaan van vier nestlocaties van de huismus. Ten behoeve van de voorgenomen plannen zullen maatregelen genomen moeten worden om negatieve effecten ten aanzien van de huismus te voorkomen. Deze maatregelen dienen te worden vastgelegd in een activiteitenplan en ter goedkeurig worden voorgelegd aan de provincie Noord-Brabant, middels een ontheffingsaanvraag. In dit kader is in artikel 6.4.1 van de regels van voorliggend bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Op basis van de huidige onderzoeksinspanning kan worden uitgesloten dat de bebouwing op de onderzoekslocatie een functie heeft voor vleermuizen.
Gelet op de geschiktheid van de houtwal in de tuin, de bomenrij langs de garage, de groenstrook naast de sloot en de sloot op en naast de onderzoekslocatie als vliegroute is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Wet natuurbescherming te vermijden als deze structuren op en naast de onderzoekslocatie bij de herinrichting functioneel en duurzaam behouden blijven. Hierbij dient rekening gehouden te worden met het voorkomen van verstorende verlichting tijdens de bouwfase en eindfase. Ook dient er geen verlichtingstoename plaats te vinden richting de bomen met holtes en loshangend schors in de houtwal in de tuin, welke mogelijk geschikt zijn als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Verder is in de rapportage van de quickscan Wet natuurbescherming opgenomen dat er voor de uitvoering van de plannen in een ecologisch werkprotocol de werkwijze vastgesteld dient te worden voor de aangetroffen te verwachten (beschermde) alpenwatersalamander. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen of maatregelen op te nemen in een ecologisch werkprotocol. Het wordt geadviseerd om materiaalopslag en snoeiafval pas te verwijderen buiten het broedseizoen van broedvogels.
Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieënsoorten.
5.3
Archeologie en Cultuurhistorie
5.3.1 Erfgoedwet en overgangsregeling omgevingswet De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden.
53/110
In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro. 5.3.2 Archeologiebeleid Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van 25 oktober 2019 en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010, herzien 2016.
Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar 'archeologiebeleid' vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld. Verwachting/waarde
Vrijstellingsgrenzen
Archeologisch beschermd rijksmonument Archeologisch (AMK-) monument
0 m2 / 30 cm -Mv
Beschermde stadsgezichten
35 m2 / 30 cm -Mv
Historische stads-/dorpskern
50 m2 / 30 cm -Mv
Hoge verwachtingswaarde
100 m 2 / 30 cm -Mv
Hoge verwachtingswaarde – bedrijventerrein Middelhoge verwachtingswaarde
1000 m2 / 30 cm -Mv
Lage verwachtingswaarde
5 hectare / 30 cm -Mv
Reeds onderzocht
Afhankelijk van de resultaten van het reeds
54/110
uitgevoerde onderzoek. Verstoord
Geen onderzoeksplicht
De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. 5.3.3 Archeologietoets Conform het geldend bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020' (vastgesteld op 16 april 2020) en de in figuur 5.5 weergegeven bijbehorende archeologische beleidskaart is aan het plangebied - zoals eerder beschreven in paragraaf 1.3 - grotendeels de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie verwachtingswaarde hoog' toegekend. Voor het zuidoostelijke gedeelte van het plangebied geldt een lage archeologische verwachtingszone. De gronden met een hoge archeologische verwachtingswaarde zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor instandhouding en bescherming van op of in de gronden aanwezige archeologische waarden.
Voor het uitvoeren van bepaalde werken of werkzaamheden met een omvang van 100 m2 of meer en een diepte van 0,3 meter of meer onder het maaiveld geldt een archeologische onderzoeksplicht.
55/110
Figuur 5.5
Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart (Bron: Gemeente Oss)
Conform bovenstaande bepaling is voor het plangebied een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen deelgebied A (locatie van de beoogde woning en bijbehorende bijgebouwen) en deelgebied B (locatie duivenverblijf). Het totale onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 4. Hierna wordt volstaan met een beknopte samenvatting.
56/110
Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. In deelgebied A is over het algemeen een verstoorde laag op de dekzandafzettingen aangetroffen. In deelgebied B bevindt zich onder het plaggendek nog een B-horizont op de dekzandafzettingen. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek grotendeels gehandhaafd gebleven. Daar waar het bodemprofiel is verstoord kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek kan het grootste gedeelte van deelgebied A vrijgegeven worden. De daarmee samenhangende dubbelbestemming is voor dit gedeelte daarom niet meer van toepassing in voorliggend bestemmingsplan. Voor het zuidoostelijke deel van deelgebied A, ter plaatse van de historische bebouwing en erf op de minuutkaart, wordt geadviseerd om de dubbelbestemming archeologie te behouden. Volgens de toekomstige plannen vinden hier geen grensoverschrijdende bodemverstoringen plaats. De advieskaart is weergegeven in figuur 5.6.
57/110
Figuur 5.6
Advieskaart (Bron: Econsultancy B.V.)
Ondanks de intacte bodemopbouw van deelgebied B, worden hier geen archeologische resten verwacht vanwege de landschappelijke locatie. Er wordt geadviseerd om dit deelgebied vrij te geven voor de toekomstige ontwikkelingen en de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie verwachtingswaarde hoog' niet meer van toepassing te verklaren. Het bevoegd gezag heeft hier inmiddels mee ingestemd. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).
58/110
5.3.4 Cultuurhistorie Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening.
In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningsvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen.
De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2019. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
59/110
Met de onder het kopje 'archeologie' genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen. Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje 'archeologie: bestemmingsplanregels' verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. Toetsing Zoals eerder beschreven in paragraaf 4.3.2 wordt het plangebied conform de Interim omgevingsverordening NoordBrabant aangeduid als cultuurhistorisch waardevol gebied. Tevens hebben de agrarische gronden in het plangebied in het geldend bestemmingsplan 'Buitengebied Oss - 2020' de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden Landschapswaarden'. Gronden zijn onder meer bestemd voor het behoud, herstel en versterking van cultuurhistorische en landschappelijke waarden. Het plangebied aan Broekstraat 2a - Elst 9 maakt deel uit van de lintbebouwing grenzend aan Geffen, maar is gelegen aan de andere zijde van de spoorlijn. Het lint kenmerkt zich door verspreid gelegen bebouwing met een grote diversiteit in verschijningsvorm en bouwjaar. De landschappelijke groenstructuur van het lint wordt gekenmerkt door laanbeplanting langs de wegen en erfbeplanting op de woonerven.
In de omgeving staan tevens diverse beeldbepalende oude essen. De cultuurhistorische en landschappelijke waarden in het plangebied zullen worden beschermd via het landschappelijk inpassingsplan en de verankering daarvan in de bestemmingsplanregels.
5.4
Mobiliteit en parkeren
5.4.1 Verkeer De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg is de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. Verkeer: ontsluitingswegen Het plangebied wordt ontsloten door de Broekstraat. De Broekstraat is een smalle erftoegangsweg buiten bebouwde kom. De weg ontsluit diverse woningen, bedrijven en agrarische percelen. Er geldt hier een maximum snelheid van 60 km/uur. In zuidelijke richting leidt de weg naar de kern Geffen. In noordoostelijke richting ontsluit de weg buitengebied. Conform Duurzaam Veilig deelt het fietsverkeer op de Broekstraat de rijbaan met het gemotoriseerde verkeer. Langs de weg is geen voetpad aanwezig. Verkeer: verkeersgeneratie Ter bepaling van de hoeveelheid verkeer dat door deze ontwikkeling wordt gegenereerd, worden kencijfers van het CROW (publicatie 381, 2018) gebruikt. De omvang van de verkeersgeneratie wordt onder andere bepaald door de locatie van het plangebied.
In deze situatie ligt het plangebied in het buitengebied van een matig stedelijke gemeente (volgens de adressendichtheid van het CBS).
60/110
Ter vervanging van de bestaande woning aan Broekstraat 2a zal een nieuwe (grotere) woning worden gerealiseerd. Daarnaast zal het duivenverblijf dat zich nu nog elders in het dorp bevindt, verplaatst worden naar het landschappelijk deel van het plangebied. Een vrijstaande woning in buitengebied genereert maximaal 8,6 voertuigbewegingen per etmaal. Met de ontwikkeling wordt de bestaande woning vervangen voor een nieuwe, waarmee de verkeersgeneratie gelijk zal blijven. Het duivenverblijf zal zorgen voor een kleine verkeerstoename op de Broekstraat, maar zal niet van dusdanige omvang zijn dat er knelpunten ontstaan bij de afwikkeling van het verkeer. De mogelijke toename is dus beperkt en zal nauwelijks merkbaar zijn op de ontsluitingswegen. 5.4.2 Parkeren De gemeente Oss heeft een gemeentelijk parkeerbeleidsplan vastgesteld. De nota 'Parkeernormen 2017' geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden. Er wordt aangesloten bij de parkeernorm die hoort bij een ligging in het buitengebied. De gemeentelijke parkeernorm voor een vrijstaande koopwoning in het buitengebied bedraagt 2,4 parkeerplaatsen per woning, afgerond 3. Op eigen terrein is voldoende ruimte aanwezig om in deze parkeerbehoefte te voorzien. Voor specifieke functies als duivenverblijven zijn geen gemeentelijke parkeernormen bekend.
Deze zal echter dermate weinig gelijktijdige bezoekers aantrekken dat ook deze parkeerbehoefte op eigen terrein kan worden opgevangen.
61/110
5.5
Water
5.5.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGPR een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen.
De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische 'waterbestemmingen' komen aan bod. Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.
Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in 'Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water;
62/110
Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied.
5.5.2 Watertoets Huidige situatie Het plangebied is gelegen aan Broekstraat 2a - Elst 9 en maakt onderdeel uit van de lintbebouwing ten noordwesten van de kern Geffen in het buitengebied van de gemeente Oss. Ter vervanging van de bestaande woning aan Broekstraat 2a zal een nieuwe woning worden gerealiseerd. Het plangebied is deels verhard. Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een grondwaterbeschermings- of waterwingebied. Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de grond in de omgeving van het plangebied uit enkeerdgronden; fijn zand. Met betrekking tot grondwater is in het plangebied sprake van grondwater VII. Dit betekent dat de hoogste gemiddelde grondwaterstand (GHG) schommelt tussen 80 en 140 centimeter onder maaiveld. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) ligt op 120 centimeter onder maaiveld. Waterkwantiteit en waterkeringen Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig en bevindt zich hiermee ook niet in een beschermingszone. In figuur 5.7 is een uitsnede te zien van het plangebied in relatie tot de informatie beschikbaar via de Watertoets Viewer van het waterschap Aa en Maas.
63/110
Figuur 5.7
Uitsnede Watertoets Viewer met plangebied rood omkaderd (Bron: Waterschap Aa en Maas)
Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied is niet gelegen binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering. Afvalwaterketen en riolering De bestaande gebouwen zijn aangesloten op het gemeentelijk gemengd rioolstelsel. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie zal het bestaande huis vervangen worden en zal een duivenverblijf gerealiseerd worden. Bodem en grondwater De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater. Waterkwantiteit en compensatie In de huidige situatie bestaat de verharding uit 1.644 m2. In de toekomstige situatie zal de nieuwe woning met bijgebouwen een oppervlakte hebben van 2.550 m2 en het duivenverblijf een oppervlakte van circa 250 m2. Dit betekent een toename aan verharding van 1.156 m2. Omdat de verharding meer dan 500 m2 bedraagt, is er vanuit het waterschap een compensatieverplichting. De minimale compensatie kan berekend worden conform de rekenregel:
64/110
Benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m) 1.156 x 0,06 = 69,4 m3 Door de toename in verharding moet voor de beoogde ontwikkeling een voorziening met minimaal 69,4 m3 berging worden aangelegd. Hoe het water daadwerkelijk gecompenseerd zal worden, wordt bij de fase omgevingsvergunning voor bouwen nader uitgewerkt. Waterveiligheid De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Deze vallen ook niet in het plangebied. Watersysteemkwaliteit en ecologie Bij het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (lood, zink en zacht PVC) kunnen deze stoffen zich ophopen in het water(bodem)systeem. Hierdoor kan het gebruik hiervan een zeer nadelige invloed hebben op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem worden milieuvriendelijke bouwmaterialen gebruikt, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering.