Toelichting+regels
Tekst van het document
Hooghuis Ravenstein, pag. 28 van 68 23 mei 2024
Ten zuiden van het plangebied, tussen de (oranje) bergingen en de bomen wordt een bestaande muur i.v.m. de geluidsbelasting van wegen verhoogd tot 2 meter hoogte en op de zuidoosthoek tot 3 meter hoogte. Het is de bedoeling dat de bomen die daarbij in de buurt staan behouden blijven. Het indien nodig met een halve meter opkronen van deze bomen voor het verhogen van de bestaande muur is voorstelbaar. Echter, moet te zijner tijd als meer duidelijk is over de wijze waarop de muur wordt verhoogd aan de hand van een bomeneffectanalyse beoordeeld worden of de bomen voldoende beschermd zijn voor behoud in de toekomst. 5.1.3 Natuurtoets Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Gebiedsbescherming is gericht op de bescherming van kwetsbare natuurgebieden. Soortenbescherming moet ertoe leiden dat het voortbestaan van soorten niet in gevaar komt. 5.1.3.1. Gebiedsbescherming Binnen Nederland zijn 166 Natura 2000-gebieden aangewezen. Dit zijn gebieden met een Europese beschermingsstatus. Voor de Natura 2000-gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld. Activiteiten en ontwikkelingen die een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen hebben, zijn verboden.
Voor een plan geldt op grond van artikel 2.7 lid 1 van de Wet natuurbescherming dat bepalend is of het significante gevolgen kan hebben voor een (of meer) Natura 2000-gebied(en). Is dat het geval, dan dient het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, bij de vaststelling van een plan met toepassing van artikel 2.7 Wnb, een passende beoordeling te maken, zoals bedoeld in artikel 2.8 Wnb. Veel van de Natura 2000-gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot ‘significante negatieve effecten’ op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Sinds 1 juli 2021 is de Wsn samen met het bijbehorende Besluit stikstofreductie en natuurverbetering van kracht. Deze regelgeving wijzigt de Wet en het Besluit natuurbescherming en moet voorzien in een structurele aanpak van de stikstofproblematiek. De Wsn regelt ook een aanpassing van het Besluit natuurbescherming, waardoor een vrijstelling geldt voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten van bouwprojecten. Deze vrijstelling is op 2 november 2022 echter tenietgedaan via de uitspraak van de Raad van State inzake Porthos (ECLI:NL:RVS:2022:3159). Sindsdien geldt de vrijstelling niet meer en moet zowel voor de gebruiks- als aanlegfase worden bepaald of er negatieve effecten kunnen optreden.
Een eerste toetsing (voortoets) geeft aan of er negatieve effecten kunnen optreden en zo ja of deze van dien aard kunnen zijn dat de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar kunnen komen. Indien dat het geval is, wordt een tweede toetsing verricht welke dieper ingaat op de mate van effect (passende beoordeling). Uit de ‘Handreiking Voortoets Stikstof’ (3 maart 2021) blijkt dat een voortoets moet worden overlegd bestaande uit een beschrijving van de uitgangspunten van de emissieberekening, de AERIUS-resultaten en de conclusie. In de handreiking is hierover opgenomen “Op grond van de AERIUS-resultaten kunnen significant negatieve gevolgen van een plan of project op voorhand uitgesloten worden als het plan of project niet leidt tot een depositietoename op een stikstofgevoelig habitattype of leefgebiedtype waar de KDW (bijna) wordt overschreden. De Voortoets bestaat dan enkel uit een beschrijving van de uitgangspunten van de emissieberekening, de AERIUS-resultaten en de conclusie dat significante gevolgen zijn uitgesloten”. Op basis van artikel 2.7, lid 1 en 2 jo. artikel 2.8 lid 1 van de wet Natuurbescherming geldt dat er een
Hooghuis Ravenstein, pag. 29 van 68 23 mei 2024
Passende Beoordeling moet worden gemaakt wanneer een plan of project (afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten), significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Wanneer deze gevolgen in de Voortoets op grond van objectieve gegevens met zekerheid kunnen worden uitgesloten, is geen Passende Beoordeling vereist en bij projecten geen vergunning. Het onderscheid tussen de Passende Beoordeling en de Voortoets is niet wettelijk vastgelegd. Wel zijn het Rijk en provincies akkoord gegaan met de Handreiking Voortoets stikstof en wordt deze als landelijke lijn gehanteerd. Door Buro Maerlant is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, welke is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 2). De quickscan kent op het onderdeel gebiedsbescherming de navolgende conclusies. “Het plangebied ligt niet in beschermde gebieden krachtens Natura 2000, NNN / de Provinciale Verordening. Er is voldoende aannemelijk gemaakt, dat effecten van de plannen op beschermde gebieden in de omgeving op voorhand uit te sluiten zijn.” Aanvullend op de quickscan flora en fauna zijn voor het planvoornemen voor zowel de gebruiks- als realisatiefase aeriusberekeningen uitgevoerd (bijlage 3 bij deze toelichting). Hieruit blijkt dat het planvoornemen geen significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden.
Voldaan wordt aan de Wet natuurbescherming en het aspect gebiedsbescherming is niet belemmerend is voor het planvoornemen. 5.1.3.2. Soortenbescherming De Wnb geeft kaders voor de bescherming van planten en dieren. Zo is het verboden om dieren te vangen of verwonden en om vaste rust- en verblijfplaatsen te vernielen. Dit is vastgelegd in drie vergelijkbare beschermingsregimes voor soorten. Indien deze verbodsbepalingen overtreden worden, is er een ontheffing nodig. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen. Door Buro Maerlant is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De rapportage van de quickscan is bijgevoegd bij dit bestemmingsplan (bijlage 2). De quickscan kent v.w.b. het aspect soortbescherming de navolgende conclusie: “In het plangebied of binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden, zijn de volgende potentiële natuurwaarden aangetroffen waar rekening mee gehouden dient te worden: - Kans op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in de te slopen bebouwing (spouw en betimmeringen/strips); - Algemene broedvogels (niet jaarrond beschermd). Effecten Doordat de werkzaamheden op het land plaatsvinden, beperkt van aard zijn, en preventief afdoende maatregelen kunnen worden getroffen, zijn over het algemeen géén negatieve effecten op strikter beschermde soorten te verwachten.
Echter, is het noodzakelijk nader onderzoek naar vleermuizen uit te voeren om actueel gebruik van de bebouwing vast te kunnen stellen voorafgaand aan de sloop. Indien vleermuizen worden aangetroffen kunnen op basis van deze resultaten gepaste maatregelen worden getroffen. Nader onderzoek en preventieve maatregelen Vleermuizen
Hooghuis Ravenstein, pag. 30 van 68 23 mei 2024
Voorafgaand aan de ingrepen is nader onderzoek benodigd naar vleermuizen. Het onderzoek dient volgens het huidige protocol (versie 2021) te bestaan uit diverse bezoeken in de periode medio mei tot medio september. Het onderzoek dient gericht te zijn op de volgende functies: kraamverblijf, zomerverblijf, paarverblijf en (massa)winterverblijf. Vogels algemeen Doordat de kans bestaat dat broedende vogels in de nabijheid van de werkzaamheden aanwezig zijn, wordt aanbevolen werkzaamheden als sloop en de werkzaamheden met zwaar materieel nabij beplantingen en nabijgelegen woningen uit te voeren buiten het broedseizoen (ná half juli en vóór half maart). Indien een ter zake deskundige heeft vastgesteld, dat geen in gebruik zijnde nesten aanwezig zijn, is het ook mogelijk binnen deze periode te werken. Het verstoren van broedende vogels is conform de Wet natuurbescherming niet toegestaan.” Op basis van de quickscan flora en fauna kan niet worden uitgesloten dat het planvoornemen een negatief effect heeft op beschermde soorten vanuit de Wet natuurbescherming. Daarom heeft ID Verde een nader onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 12).
Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn, een mitigatieplan opgesteld moet worden en op basis hiervan een ontheffing Wet natuurbescherming moet worden aangevraagd. Gezien het algemene belang van het planvoornemen, de mogelijkheid tot het treffen van mitigerende maatregelen alsook het toepassen van voorzieningen voor vleermuizen in de nieuwbouw maakt dat het in de rede ligt dat een ontheffing Wet natuurbescherming wordt verleend. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het aannemelijk is dat voldaan wordt aan de Wet natuurbescherming en het aspect soortbescherming niet belemmerend is voor het planvoornemen. 5.2
Archeologie en Cultuurhistorie
5.2.1 Erfgoedwet en overgangsregeling omgevingswet De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: - vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. - verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. - bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro.
Hooghuis Ravenstein, pag. 31 van 68 23 mei 2024
5.2.2 Archeologiebeleid Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van 25 oktober 2019 en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010, herzien 2016. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘archeologiebeleid’ vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld.
Verwachting/waarde Archeologisch beschermd rijksmonument Archeologisch (AMK-) monument Beschermde stadsgezichten Historische stads-/dorpskern Hoge verwachtingswaarde Hoge verwachtingswaarde – bedrijventerrein Middelhoge verwachtingswaarde Lage verwachtingswaarde Reeds onderzocht Verstoord
Vrijstellingsgrenzen 0 m2 / 30 cm -Mv
35 m2 / 30 cm -Mv 50 m2 / 30 cm -Mv 100 m 2 / 30 cm -Mv 1000 m2 / 30 cm -Mv 5 hectare / 30 cm -Mv Afhankelijk van de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek. Geen onderzoeksplicht
5.2.3 Archeologietoets Op basis van de archeologische beleidskaart van de gemeente is aan het bestemmingsplangebied een hoge verwachtingswaarde toegekend. Concreet betekent dit dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt indien de bodemingrepen dieper reiken dan 30 cm beneden huidig maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 100 m². Toetsing van de plannen Met het planvoornemen worden de vrijstellingsgrenzen overschreden. Door KSP Archeologie is daarom een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd (bijlage 4). De conclusie van het onderzoek is als volgt: “Het doel van het archeologisch bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op basis van de landschappelijke ligging in de zone op (de overgang van) de oeverwal (naar de komvlakte) van de Haren, Huisseling-Demen en Maas stroomgordels heeft het plangebied een middelhoge tot hoge verwachting voor vindplaatsen vanaf de Bronstijd t/m de Volle Middeleeuwen. Op basis van historisch kaartmateriaal is er een lage verwachting opgesteld voor huisplaatsen in de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd.
Hooghuis Ravenstein, pag. 32 van 68 23 mei 2024
In het plangebied is in de jaren ’60 een school gebouwd die diverse keren is uitgebreid. In delen van de bebouwing is de bodem op basis van bouwdossieronderzoek met zekerheid geroerd tot 1,2 m -mv. Op basis van de milieukundige boringen is de indruk dat de ca. 1,5 m dikke oeverafzettingen kunnen zijn ontgraven in delen van het onbebouwde plangebied. Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Uit het booronderzoek is gebleken dat van oorsprong een poldervaaggrond aanwezig was in zware zavel tot zware klei met daaronder beddingzand. In de helft van de boringen rondom het schoolgebouw is het potentiële archeologische niveau in de top van de B-horizont intact, in het overige deel is de B-horizont niet meer aanwezig. De verstoringen rondom het schoolgebouw zijn waarschijnlijk veroorzaakt door de graafwerkzaamheden voor de aanleg van de school en de indruk is dat de bodem onder het schoolgebouw nog minder intact is. Daarom wordt voor het plangebied de (middel)hoge verwachting voor de periode Late-Bronstijd tot en met Nieuwe tijd bijgesteld naar een lage verwachting. Tijdens een booronderzoek kan geen archeologische vindplaats worden aangetroffen, ten hoogste archeologische indicatoren die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats.
Een waardestelling conform protocol 4003, VS06 is dan ook niet van toepassing.” Op basis hiervan heeft KSP Archeologie een selectieadvies gedaan. Het selectieadvies is hierna opgenomen: “Op grond van de aangetroffen bodemverstoringen in het plangebied en daarmee lage archeologische verwachting adviseert KSP Archeologie om geen archeologische dubbelbestemming op te nemen in het nieuwe bestemmingplan. Dit betekent dat voor de sloop- en bouwwerkzaamheden geen archeologisch vervolgonderzoek nodig is.” Het bevoegd gezag (gemeente Oss) heeft het uitgevoerde archeologische bureau- en booronderzoek beoordeeld en een selectiebesluit genomen. De beoordeling en het selectiebesluit zijn toegevoegd als bijlage aan deze toelichting (bijlage 5). Op basis hiervan geldt dat voor de locatie geen verder archeologisch onderzoek nodig is. Uiteraard geldt dat indien bij graafwerkzaamheden archeologische waarden worden aangetroffen, deze conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10, bij de minister gemeld dienen te worden. In de praktijk kan de vinder terecht bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (T 033 – 4217 456 of info@cultureelerfgoed.nl) zodat de vondst geregistreerd wordt in het centraal archeologische informatiesysteem. Daarnaast is het advies om de vondst ook bij de gemeente te melden.
Bestemmingsplanregels De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. Op basis van het uitgevoerde archeologische onderzoek, de gemeentelijke beoordeling en het genomen selectiebesluit is het niet meer nodig om in het plangebied een dubbelbestemming ter bescherming van eventuele archeologische waarden op te nemen.
Hooghuis Ravenstein, pag. 33 van 68 23 mei 2024
5.2.4 Cultuurhistorie Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening.
In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen.
De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2019. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening NoordBrabant Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen.
Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje
Hooghuis Ravenstein, pag. 34 van 68 23 mei 2024
‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. In het plangebied is geen sprake van cultuurhistorische waarden, dit blijkt uit onderstaande afbeelding dat een uitsnede van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart ter hoogte van het plangebied (paarse cirkel/grijze stip) betreft.
Hooghuis Ravenstein, pag. 35 van 68 23 mei 2024
5.3
Mobiliteit en parkeren
5.3.1 Verkeer De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg is de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. Verkeer: extra verkeersbewegingen Het planvoornemen betreft de realisatie van 25 grondgebonden woningen ter plaatse van een voormalige schoollocatie in de bebouwde kom van Ravenstein. Gezien de locatie al geruime tijd niet meer als zodanig in gebruik is, is de verkeersaantrekkende werking van het planvoornemen een toename van 100%. Het gebied kan worden getypeerd als rest bebouwde kom, niet stedelijk (minder dan 500 adressen per km2). Aan de hand van deze typering is op basis van de typologieën en de bijbehorende worst-case CROWnormen de verkeersaantrekkende werking van het planvoornemen bepaald. Dit resulteert een verkeersaantrekkende werking van 171,6 mvt/etmaal (zie de tabel hieronder). Functie Huur, huis, sociale huur Koop, huis, tussen/hoek
Aantal 13 12
Norm 6 7,8
Totaal 78 93,6 171,6 mvt/ etmaal
In het verleden was een middelbare school gevestigd. De verkeersaantrekkende werking voor een middelbare school is conform CROW-normen in rest bebouwde kom, niet stedelijk per 100 leerlingen 19,7 mvt/etmaal. Op de school was plek voor 400 leerlingen. Dit resulteert in een totale worst-case verkeersaantrekkende werking van 78,8 mvt/etmaal. De reeds aanwezige infrastructuur kan de verkeerstoename van 92,8 (171,6 – 78,8) motorvoertuigen per etmaal prima afwikkelen. Belemmeringen worden derhalve niet verwacht. Het wegprofiel en de ontsluiting zijn afdoende. Verkeer: ontsluitingswegen Het plangebied is ontsloten op de Middingstraat, een 30 km/uur weg met een stoep ernaast. Op de afbeelding hieronder is dit profiel zichtbaar.
Hooghuis Ravenstein, pag. 36 van 68 23 mei 2024
Aan de noordzijde grenst het plangebied aan de Kleefsestraat/Kleverham. Het wegprofiel van die wegen is als volgt:
De ontsluiting van het plangebied is goed te noemen. Verkeer vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 5.3.2 Parkeren De gemeente Oss heeft haar parkeernormen vastgelegd in de Nota Parkeernormen Oss 2023, waarin is opgenomen welke parkeernormen voor welke gebieden gelden. De parkeereis is volgens die nota: Functie
Aantal
Totaal
13
Norm 'Berghem en Ravenstein’ 1,3 + 0,3 = 1,6
Grondgebonden huurwoning groter dan 100 m2 gbo Grondgebonden koopwoning 100-125 m2 gbo
12
1,7 + 0,3 = 2
24
20,8
44,8 (afgerond 45) Parkeerplaatsen
Hooghuis Ravenstein, pag. 37 van 68 23 mei 2024
In het plangebied worden 45 parkeerplaatsen gerealiseerd. Op onderstaande situatietekening is dit zichtbaar.
Bestaande te behouden parkeerplaatsen (geen onderdeel telling)
Met de beoogde parkeeroplossing wordt voldaan aan de parkeernormering zoals opgenomen in de Nota Parkeernormen Oss 2023. Parkeren vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Hooghuis Ravenstein, pag. 38 van 68 23 mei 2024
5.4
Water
5.4.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in december 2022 een Water- en Rioleringsprogramma vastgesteld (WRP 20222029). Het programma biedt een kader voor de gemeentelijke watertaken en regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater, doelmatige verwerking van afvloeiend (overtollig) hemelwater en overtollig grondwater. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. In bebouwd gebied vraagt de zorg voor oppervlaktewater extra aandacht. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen. De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).
Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd.
In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: - schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; - de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; - de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; - de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. ‘
Hooghuis Ravenstein, pag. 39 van 68 23 mei 2024
Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’.
Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water; Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied.
5.4.2 Watertoets Op de www.dewatertoets.nl is de digitale watertoets ingevuld. Hiervan zijn drie mogelijke uitkomsten/ procedures: - Geen waterbelang: Er is een functiewijziging zonder relevante wateraspecten - Verkorte procedure: U heeft een klein plan met weinig relevante wateraspecten - Normale procedure: U heeft een groot plan met meerdere relevante wateraspecten.
Hooghuis Ravenstein, pag. 40 van 68 23 mei 2024
Na het invullen van de digitale watertoets werd direct aangegeven dat voor het planvoornemen de normale procedure geldt. Het plangebied valt buiten de ruimtelijk begrensde waterbelangen. Bijgevoegd bij deze toelichting is het toetsresultaat en de samenvatting van www.dewatertoets.nl (bijlage 6). Dit komt onder andere omdat in het plangebied geen watergang aanwezig is, ook is geen sprake van een beschermingszone of andere relevante zaken waarmee rekening moet worden gehouden. In de huidige situatie is nagenoeg het gehele terrein verhard. Met het planvoornemen neemt de totale verharding af. Conform het waterschapsbeleid geldt ten aanzien van de verwerking van hemelwater dat van het verhard oppervlak de eerste 60 millimeter geïnfiltreerd moet worden op eigen terrein. Conform het gemeentelijk water en rioleringsplan (WRP 2023-2029) geldt de compensatie-eis dat de eerste 25 mm van de verharding moet worden gecompenseerd. Omdat het gaat om een verhardingstoename van minder dan 500 m2 is het waterschapsbeleid niet van toepassing. Voor het berekenen van de wateropgave voor het plangebied wordt uitgegaan van het gemeentelijk beleid op basis van het voorziene verhard oppervlak in de nieuwe situatie. Dit betekent dat er 2500 m2 x 0.025 = 62,5 m3 water op eigen terrein moet worden geborgen en vervolgens geïnfiltreerd.
Een en ander naar rato verdeeld over toekomstig particulier en openbaar terrein. De K-waarde (zandgronden) en GHG (dieper dan 1 m-mv) zijn zodanig dat geen sprake is van beperkingen voor de hemelwaterbergingsvoorziening. De beoogde hemelwaterbergingvoorziening ter compensatie van de openbare verharding bestaat uit een combinatie van een wadi en een infiltratieriool. De beoogde hemelwatervoorziening ter compensatie van het particulier terrein bestaat uit een combinatie van groene daken, groene lager gelegen voortuinen en infitratiekratten. Met deze voorzieningen is het mogelijk om minimaal 62,5 m3 tijdelijk te bergen om vervolgens langzaam te laten infiltreren. Van belang is hierbij een overstort/overloop op de erfgrens die er bij hevige regenval voor zorgt dat het water dat niet op eigen terrein verwerkt kan worden bij de openbare ruimte wordt aangeboden. Dit is mogelijk, bijvoorbeeld door aan te sluiten op de wadi in het openbaar gebied die eventueel weer over kan lopen op de watergang die langs het plangebied af loopt. Voor de hemelwaterbergingsvoorziening op het toekomstig openbaar terrein wordt voorgesteld om dit eenduidig aan te laten sluiten op de wijze van afkoppelen van het openbaar gebied in de aangrenzende wijk. In de verdere uitwerking moet dit meegenomen worden.
Ter voorbereiding op de aanvraag omgevingsvergunning activiteit bouwen moet de uitgewerkte hemelwaterbergingsvoorziening worden voorgelegd aan de afdeling rioolbeheer van de gemeente Oss de uitwerking zal beoordelen en erover zal adviseren richting de initiatiefnemer en vergunningverlener. Om ervoor te zorgen dat daadwerkelijk een hemelwaterbergingsvoorziening van 25 mm per m2 verhard oppervlak wordt gerealiseerd is hiervoor een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen. Het bergen van de voorgeschreven hoeveelheid hemelwaterberging en het aanleggen van een bijpassende hemelwaterbergingsvoorziening is haalbaar. Water vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Afvalwater Aangaande de afvoer van afvalwater is de gemeente bevoegd gezag. Er moet gescheiden (afvalwater apart van overstort/ overloop hemelwater) worden aangeboden.
Hooghuis Ravenstein, pag. 41 van 68 23 mei 2024
De ontwikkelaar van de woningen is ervoor verantwoordelijk dat hij een dwa (droogweerafvoer) rioolstelsel aanlegt. Daarnaast is hij ervoor verantwoordelijk dat dit wordt aangesloten op het hoofdriool (putnummer 0063 in de Walravenstraat of putnummer 0096 in de Middingstraat). Hierbij is hij ook aan zet voor de daarvoor benodigde voorzieningen en de eventueel benodigde aanpassingen op de bestaande voorzieningen buiten het plangebied. Een en ander ter realisering en aansluiting in overleg met de afdeling rioolbeheer (via een vooraf voor te leggen rioolplan) van de gemeente Oss. Verder moet de ontwikkelaar voor de te realiseren rioolaansluiting een aansluitvergunning aanvragen.
Hooghuis Ravenstein, pag. 42 van 68 23 mei 2024
5.5
Defensie
Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen.
Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden.
Hooghuis Ravenstein, pag. 43 van 68 23 mei 2024
5.6
Milieuaspecten
In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: - Bedrijven en milieuzonering - Bodem - Externe veiligheid - Geurhinder: agrarisch - Geur: industrieel - Luchtkwaliteit - Straling - Weg-, spoor-, en industrielawaai - Gezondheid - Spuitzones 5.6.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uit te voeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. Het planvoornemen maakt 25 nieuwe gevoelige objecten mogelijk. Het gaat om de functie wonen.
Het plangebied kan op basis van de gebiedstypering ter plaatse worden beoordeeld als een gemengd gebied (drukke wegen nabij, diversiteit aan functies). In een gemengd gebied geldt een verlaging met één afstandstrap als het gaat om richtafstanden zoals opgenomen in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. Ten oosten van het plangebied ligt op 70 meter een bedrijventerrein. Binnen 140 meter van het plangebied is daar slechts milieucategorie 2 toegelaten. Deze milieucategorie heeft een hoogste richtafstand van 30 meter, in een gemengd gebied geldt 10 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tussen de bedrijvigheid en het plangebied zijn reeds andere woningen gelegen, die woningen zijn maatgevend voor de bedrijvigheid. Het planvoornemen vormt geen belemmering voor de bedrijvigheid. Ten zuiden van het plangebied ligt op 47 meter een tuinderij met 60 m2 detailhandel. Voor een tuinderij van deze omvang (> 500 m2) geldt een richtafstand van ten hoogste 50 meter, in een gemengd gebied geldt 30 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Tussen het dit bedrijf en het plangebied zijn geen andere woningen gelegen, er zijn wel woningen op andere plekken dichterbij het bedrijf gelegen dan de woningen die in het plangebied worden gerealiseerd.
Gezien er in de richtafstand van het bedrijf geen gevoelige objecten worden gerealiseerd, wordt het bedrijf niet in haar bedrijfsvoering belemmerd. Op basis van voorgaande kan gesteld worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat door het planvoornemen geen bedrijven worden gehinderd in hun bedrijfsvoering. Nader onderzoek kan achterwege blijven.
Hooghuis Ravenstein, pag. 44 van 68 23 mei 2024
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen of andersom de ontwikkeling vormt geen belemmering voor omliggende bedrijvigheid. 5.6.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Door Van Oort Bodemonderzoek is voor het plangebied een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage van het onderzoek is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 7). Het onderzoek kent de navolgende samenvatting en advies. “Het doel van het onderzoek is het vastleggen van de kwaliteit van grond en grondwater en te beoordelen of er milieutechnische bezwaren zijn tegen een woonbestemming en toekomstige nieuwbouw. Bij de uitvoering van het onderzoek is gebruik gemaakt van de NEN 5725 en NEN 5740. De strategie van het onderzoek is afgestemd op het vooronderzoek (historie).
Gebruik is gemaakt van de onderzoeksopzet voor een deels verdachte en grotendeels onverdachte locatie (VEP-OO en ONV-NL). Het veldwerk is uitgevoerd op basis van de BRL SIKB 2000. De analyses (AS3000) zijn uitgevoerd door SGS Environmental Analytics BV uit Rotterdam. Zintuiglijk zijn tijdens de veldwerkzaamheden in de bodem geen verontreinigingen of andere bijzonderheden waargenomen. Met laboratoriumonderzoek is aangetoond dat de bovengrond niet tot licht verontreinigd is met kobalt en lood (>Aw). De ondergrond is licht verontreinigd met kobalt, nikkel en zink (>Aw). Het grondwater is niet verontreinigd (<Sw). Tussen de zuidgevel van het pand en de perceelsgrens/scheidingsmuur is beneden het cunetzand van de tegelverharding menggranulaat aangetroffen waarvan de kwaliteit niet bekend is. Geadviseerd wordt om tijdens een actualisatie (ná sloop) een asbestonderzoek uit te voeren volgens NEN 5897. Op basis van het totaal aan onderzoeksgegevens behoeft de bodemkwaliteit naar ons inziens geen belemmering te vormen voor een woonbestemming en het later verlenen van een omgevingsvergunning. Geadviseerd wordt de resultaten van het bodemonderzoek voor te leggen aan de gemeente Oss. Als onderzoeksbureau hebben we een adviserende taak. Het bevoegd gezag bepaald of het onderzoek volstaat en/of aanvullend onderzoek noodzakelijk is”.
Het bevoegd gezag heeft het verkennend bodemonderzoek beoordeeld en hierover het volgende geadviseerd: “De milieuhygiënische bodemkwaliteit is nog niet voldoende vastgelegd: • De locatie is grotendeels bebouwd en het bodemonderzoek is alleen buiten de bebouwing uitgevoerd. Na sloop van de bebouwing is aanvullend verkennend bodemonderzoek volgens NEN 5740 en mogelijk NEN 5707 en/of NEN 5897 wel noodzakelijk. De noodzaak voor aanvullend bodemonderzoek voor de omgevingsvergunning dient in de bodemparagraaf van de toelichting van het bestemmingsplan te worden opgenomen.
Hooghuis Ravenstein, pag. 45 van 68 23 mei 2024
•
Aan de westzijde van de locatie is een begraven puinlaag vastgesteld (boringen 6 en 7). De omvang van de puinlaag is nog niet in beeld gebracht. Voor de bestemmingsplanwijziging is het noodzakelijk een verkennend asbestonderzoek volgens NEN 5897 uit te voeren.”
Op basis van deze beoordeling is in verband met de aan de westzijde van de locatie begraven puinlaag door Van Oort Bodemonderzoek een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 8) en kent de navolgende conclusies: “Zintuiglijk zijn in de onderzochte puinfundatie geen asbestverontreinigingen waargenomen. Met laboratoriumonderzoek is aangetoond dat het menggranulaat niet asbesthoudend is. Er is geen aanleiding tot een verdergaand onderzoek. Met betrekking tot de bodemkwaliteit zijn er ons inziens geen bezwaren tegen een bestemmingsplanwijziging. Geadviseerd wordt om ná sloop van de bebouwing een aanvullend onderzoek uit te voeren.” Conclusie De gemeente Oss heeft het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek beoordeeld en geconcludeerd dat na voltooiing van de sloopwerkzaamheden een extra verkennend bodemonderzoek moet worden uitgevoerd. Hieruit moet blijken dat de kwaliteit van de bodem – ook na de sloop - voldoende geschikt is voor de beoogde functie. Om dit te borgen is hiervoor een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen. Gezien de resultaten van het reeds uitgevoerde bodemonderzoek is er geen aanleiding om aan te nemen dat het aspect bodem de financiële haalbaarheid van het planvoornemen in de weg staat.
Bodem vormt met die reden en mits na de sloop een extra verkennend bodemonderzoek wordt uitgevoerd geen belemmering voor het planvoornemen. 5.6.3 Niet gesprongen explosieven Onderzoek naar niet gesprongen explosieven is geen toetsingskader voor een goede ruimtelijke ordening. Ook kan het bevoegd gezag (gemeente Oss) een onderzoek naar munitie uit de tweede wereldoorlog niet verplicht stellen. Wel is het van belang dat op zorgvuldige wijze met het aspect ‘niet gesprongen explosieven’ om wordt gegaan. Met die reden maakt het onderdeel uit van deze toelichting. Aan de hand van gemeentebreed bureauonderzoek is bezien of het plangebied niet verdacht is op niet gesprongen explosieven. Onderstaande afbeelding, een product van het uitgevoerde gemeentebrede onderzoek, maakt inzichtelijk dat het plangebied niet verdacht is op niet gesprongen explosieven. Een nader onderzoek voorafgaand aan de uitvoering van grond- en bouwwerkzaamheden is met die reden niet nodig.
Hooghuis Ravenstein, pag. 46 van 68 23 mei 2024
In verband met toevalsvondsten die gedaan kunnen worden zodra grond- en bouwwerkzaamheden plaatsvinden is het navolgende van toepassing. Bij het vinden van een artikel wat er uit ziet als een explosief of munitie, stop de werkzaamheden, iedereen verlaat lopend het werkterrein (i.v.m. trillingen door voertuigen en machines) en bel de politie op 0900-8844. De Explosieven Verkenner (EV) of Teamleider Explosieven Veiligheid (TEV) van de politie komt op de locatie beoordelen of het om munitie gaat die moet worden geruimd. Zo ja, schakelt deze de Explosieven Opruimingsdienst van Defensie (EODD) in. Zo nee, dan kunnen werkzaamheden worden hervat. Niet gesprongen explosieven vormen geen belemmering voor het planvoornemen. 5.6.4 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: - het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) - het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben).
Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.
De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de
Hooghuis Ravenstein, pag. 47 van 68 23 mei 2024
Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Toetsing Het planvoornemen betreft de realisatie van meerdere kwetsbare objecten (25) zoals geformuleerd in het Bevi, artikel 1. Ligging plangebied Uit de risicokaart blijkt dat het planvoornemen niet is gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour (PR10-6/jaar). Het plangebied is ook niet gelegen binnen het invloedsgebied van buisleidingen. Het plangebied is wel gelegen binnen het invloedsgebied van inrichtingen. Het plangebied is ook gelegen binnen het invloedsgebied van transportroutes. Zie onderstaand de uitsnede van de risicokaart waarop het plangebied met een blauwe cirkel is aangegeven.
Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een Seveso inrichting (gasdrukverdeelstation van de Gasunie, Ganzenweg 10). Het plangebied is gelegen in het invloedsgebied van het spoortracé ’sHertogenbosch-Nijmegen en in het invloedsgebied van Rijksweg A50. Ook worden gevaarlijke stoffen vervoerd over de Dorpenweg (N277). Deze weg is niet aangewezen als route voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, er worden echter wel gevaarlijke stoffen over vervoerd. Verder ligt de locatie ook in het invloedsgebied van de Maas waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Buisleidingen zijn niet van invloed op de locatie. De afbeeldingen hieronder geven dit inzicht (1e afbeelding: uitsnede beleidsvisie externe veiligheid, 2e afbeelding uitsnede signaleringskaart EV van Ipo). De locatie is met een rode stip of pin weergegeven.
Hooghuis Ravenstein, pag. 48 van 68 23 mei 2024
Seveso inrichting Ten zuidoosten van het plangebied ligt op een afstand van circa 1 kilometer het compressorstation van de Nederlandse Gasunie NV. Deze bestaat uit een compressor/mengstation voor het op druk brengen en op de juiste kwaliteit brengen van het aardgas dat uit Noord-Nederland wordt aangevoerd. Van en naar de installatie lopen verschillende hogedruk aardgastransportleidingen. Het maatgevend scenario voor deze inrichting is een fakkelbrand. Hierbij ontstaat als gevolg van werkzaamheden een gaslekkage waarna het ontsnappende gas ontsteekt. Bij een brand van binnen deze inrichting kunnen er slachtoffers zijn tot op een afstand van 550 meter. Tot op een afstand van 300 meter kunnen secundaire branden
Hooghuis Ravenstein, pag. 49 van 68 23 mei 2024
ontstaan. Het invloedsgebied van dit station reikt daarmee over het plangebied, waardoor een verantwoording van het groepsrisico benodigd is. De plangebied is niet gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour van het compressorstation. Voor bedrijventerrein De Bulk, gelegen direct ten noordwesten van het compressorstation, is destijds het groepsrisico in kaart gebracht en berekend. Zie bijlage 11 bij deze toelichting. Uit de QRA van de Gasunie blijkt dat het groepsrisico in het gebied zich onder de oriëntatiewaarde bevindt. Dit blijft zelfs het geval als uitgegaan wordt van 500 aanwezige personen, vier keer zoveel als ingeschat op basis van het aantal bedrijven. In het kader van het planvoornemen is het realistisch om aan te nemen dat het groepsrisico in de beoogde situatie de oriëntatiewaarde (nog steeds) niet overschrijdt. Om deze reden is er geen volledige QRA uitgevoerd. Wel is een verantwoording van het groepsrisico opgesteld: Het relevante scenario i.r.t. het plangebied is een fakkelbrand. Vanwege (graaf)werkzaamheden ontstaat een breuk in een hogedruk aardgasleiding. Het aardgas stroomt onder hoge druk uit. Het brandbare gas ontsteekt waardoor een fakkelbrand optreedt. De afstand tot de inrichting is erg groot maar valt binnen de 10kW/m2 en binnen de 1% letaliteit. Beoordeling zelfredzaamheid: Voor het scenario fakkelbrand is vluchten het beste handelingsperspectief.
Dit betekent dat aanwezigen op tijd gealarmeerd en geïnstrueerd moeten worden en er voldoende vluchtwegen van de risicobron aflopend aanwezig moeten zijn. Nabij het plangebied kan van de risicobron af gevlucht worden. De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Beoordeling bestrijdbaarheid: Voor het scenario fakkelbrand bij de buisleiding is de bestrijdbaarheid slecht. Bij een incident met een Buisleiding kan de fakkelbrand alleen worden bestreden door de toevoer dicht te draaien. Hiervoor dient contact opgenomen te worden met de leidingbeheerder en dit kost veel tijd. De brandweer kan tot de leiding is afgesloten niet handelend optreden. Advies: De volgende maatregelen kunnen worden getroffen om de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in het plangebied te verhogen: Informeer de initiatiefnemers actief over het aanwezige risico en handelingsperspectief. Deze informatie zorgt er ook voor dat de bewoners op het moment dat een incident plaats vindt direct weten hoe te handelen, dit heeft een positieve invloed op de mate van zelfredzaamheid. Daarnaast wordt geadviseerd om dit te laten beoefenen.
Transportassen Maas, Spoorlijn Nijmegen-’s-Hertogenbosch en Rijksweg A50 De Maas ligt op 620 meter ten noordoosten van het plangebied. De spoorlijn Nijmegen – ‘sHertogenbosch ligt op circa 815 meter ten noordwesten van het plangebied. Op circa 320 meter ten zuidoosten van het plangebied is de Rijksweg A50 gelegen. De Maas, Spoorlijn Nijmegen-’s-Hertogenbosch en Rijksweg A50 hebben geen PR 10-6 risicocontour. Conform de beleidsvisie externe veiligheid is het plangebied in zone IV gelegen. Bij zone IV wordt alleen rekening gehouden met de effecten van een toxische gaswolk. In dit gebied zijn geen functies uitgesloten, bescherming wordt geboden door ‘ramen en deuren te sluiten’. Hiervoor hanteert de gemeente Oss de standaardverantwoording zoals opgenomen in bijlage 2 bij de beleidsvisie. Dorpenweg
Hooghuis Ravenstein, pag. 50 van 68 23 mei 2024
De Dorpenweg loopt direct langs het plangebied af. Deze weg heeft geen PR 10-6 risicocontour. Over deze weg vindt in beperkte mate vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Dit betekent dat in relatie tot het wegvervoer conform artikel 7 van het Bevt voor dit plan het groepsrisico moet worden verantwoord. In de beleidsvisie externe veiligheid Oss is hiervoor een verantwoordingskader opgesteld (zwaarte 2). Standaardverantwoording i.v.m. Maas, Spoorlijn Nijmegen-’s-Hertogenbosch en Rijksweg A50 Ontwikkeling groepsrisico Indien een ruimtelijk plan tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dit dat: - vanwege de afstand tot de plaats van het mogelijke incident, - de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas), het groepsrisico niet significant zal toenemen. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is geen item. - Toename van de personendichtheid heeft geen significant effect op het groepsrisico. - De kans op overlijden door een incident met gevaarlijke stoffen is hier bijzonder klein. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Voor deze gebieden speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op afstand van deze gebieden.
Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar het door de regionale brandweer/de Veiligheidsregio opgestelde 'risicoprofiel'. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelinginstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het Waarschuwings- en AlarmeringsSysteem (WAS) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding.
De zone III gebieden in de bebouwde kom van Oss vallen geheel binnen het dekkingsgebied van het WAS. Verantwoording Dorpenweg De verantwoording van het groepsrisico conform het verantwoordingskader (zwaarte 2) zoals opgenomen in de beleidsvisie externe veiligheid Oss volgt hieronder. 1. er hoeft geen noodzaak te worden aangetoond om de voorziening op deze plek te realiseren; 2. de zelfredzaamheid is goed De mate van zelfredzaamheid is redelijk. De ontwikkeling voorziet in het oprichten van 25 grondgebonden woningen en richt zich niet specifiek op mensen die niet of verminderd zelfredzaam zijn. Aangenomen mag worden dat deze mensen in staat zijn om op een dreiging te reageren. Het plangebied is via meerdere routes toegankelijk. Er kan van de bron af worden gevlucht. Door de beperkte afstand tussen de woningen en de weg zal een incident snel waargenomen worden, waardoor tijdig gevlucht kan worden.
Hooghuis Ravenstein, pag. 51 van 68 23 mei 2024
3. bestrijdbaarheid: In het algemeen geldt op onderhavige locatie dat externe veiligheidsincidenten per definitie moeilijk bestrijdbaar zijn, aanvullend daarop geldt per bestrijdbaarheidsonderwerp het volgende. a. er is een goede verkeerskundige ontsluiting voor hulpdiensten; De ontsluiting is goed. De ontsluiting van het plangebied betreft niet de weg waarover de gevaarlijke stoffen vervoerd worden, het plangebied grens hier alleen aan maar is er niet op ontsloten. Als op die weg een incident voorvalt, kunnen de hulpdiensten via een andere weg (Kleefsestraat/Walravensstraat of Middingstraat/Dr. Sluijtersweg) het plangebied nog steeds bereiken. b. er wordt voldaan aan de Handleiding bluswatervoorziening of een gelijkwaardig voorstel van de brandweer; De capaciteit van de ter plaatse aanwezige brandkraan is voldoende om een incident met gevaarlijke stoffen effectief te kunnen bestrijden. c. er is voldoende opvang, afvoersloten; In en rondom het plangebied zijn geen sloten aanwezig, er is wel groen/weiland aanwezig waar het water afkomstig van een eventueel noodzakelijke vuurbestrijding naartoe kan stromen, waarna het via het aanwezige slotenstelsel gemakkelijk kan worden afgevoerd. De berging van calamiteitenwater is derhalve geen probleem. d. er zijn minimaal twee vluchtroutes van de bron af; Hiervan is sprake. e.