Toelichting.PDF
Tekst van het document
5.2.4 Cultuurhistorie Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet
Schelversakker 1 Oss – 2022, pag. 27 van 50 ontwerp november 2021
voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening. In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt.
Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen. De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”.
Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2019. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening NoordBrabant Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen. Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden.
Schelversakker 1 Oss – 2022, pag. 28 van 50 ontwerp november 2021
5.3
Mobiliteit en parkeren
5.3.1 Verkeer De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg is de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. Het verplaatsen van de school heeft tot gevolg dat de verkeersstromen gaan veranderen. Deze veranderingen mogen niet leiden tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid. Ook heeft de vestiging van de school aan de Schelversakker gevolgen voor de parkeersituatie in de omgeving van deze nieuwe locatie. Door IV-Infra b.v. wordt in de notitie ‘Verkeersadvies Kindcentrum Nicolaas’ beschreven wat de gevolgen zijn voor verkeer en parkeren. Hieronder worden de bevindingen en conclusies van de notitie weergegeven. De volledige notitie is opgenomen in de bijlage 5 van deze toelichting. Verkeer: extra verkeersbewegingen Voor het bepalen van de verkeersgeneratie als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling is een aantal uitgangspunten gehanteerd. Er wordt daarbij gebruik gemaakt van gegevens van het CROW.
Het CROW heeft kencijfers ontwikkeld voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij nieuwe ontwikkelingen. De meest recente richtlijnen liggen vast in publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen’. De richtlijnen van het CROW gaan uit van een bandbreedte van minimale en maximale kencijfers. De te hanteren kencijfers zijn afhankelijk van de kenmerken van de locatie. De kern Oss heeft een stedelijkheidsgraad 2 (sterk stedelijk). De beoogde locatie aan de Schelversakker valt onder de ‘schil’. De toekomstige verkeersgeneratie in de ochtendspits bestaat uit 16 verplaatsingen van het personeel en uit gemiddeld 111 verplaatsingen van ouders die hun kinderen naar school brengen. Om schommelingen in het autogebruik op te vangen wordt bij de verkeersgeneratie uitgegaan van 10% extra verplaatsingen (in totaal 122 verplaatsingen). Verkeer: ontsluitingswegen Het verkeer van en naar de school zal zich via verschillende wegen verdelen. In de nieuwe situatie wordt eenrichtingsverkeer ingesteld in de Schelversakker (van zuid naar noord) en in het oostelijke deel van de Driek van Erpstraat (van oost naar west). Het autoverkeer naar school zal hoofdzakelijk naderen via het oostelijk deel van de Driek van Erpstraat (85% van de motorvoertuigen).
Deze straat vormt via de Begijnenstraat de kortste route vanaf een gebiedsontsluitingsweg (Hertogensingel). Het overige verkeer zal vanaf de kruising Driek van Erpstraat – Arendsvlucht komen. Bij het wegrijden zal het overgrote deel van het verkeer via de Schelversakker wegrijden (85%). De Hertogensingel is aangewezen en ingericht als gebiedsontsluitingsweg. Op deze weg staat een vlotte en veilige doorstroming van het gemotoriseerd verkeer centraal. De verplaatsingen als gevolg van de school betekenen relatief gezien maar een beperkte toename van de intensiteiten op deze weg. Een deel van het verkeer van en naar de school maakt overigens nu al gebruik van de Hertogensingel. De overige wegen in de directe nabijheid van de beoogde locatie van de school zijn erftoegangswegen. Op erftoegangswegen staat de verblijfsfunctie centraal en is de verkeersfunctie in principe ondergeschikt. Dit betekent dat een gebied op een veilige manier bereikbaar moet zijn, maar dat enige vertraging in de verkeersafwikkeling acceptabel is. Uiteraard mag dit laatste niet leiden tot ongewenst gedrag, zoals het
Schelversakker 1 Oss – 2022, pag. 29 van 50 ontwerp november 2021
overtreden van verkeersregels. De verwachte verkeerstoename in de Begijnenstraat, Driek van Erpstraat en Schelversakker zorgen objectief gezien niet voor verkeerskundige knelpunten. Wel kunnen bewoners overlast ervaren van deze toename: het wordt drukker en gevoelsmatig onveiliger. Dit gevoel van onveiligheid zal deels veroorzaakt worden door een toename van fietsers in de straten, onder meer schoolgaande kinderen. De toename van de verkeersdrukte en het gevoel van onveiligheid zullen ervoor zorgen dat verkeer extra alert zal zijn in deze straten. Een groot deel van het verkeer zal de Schelversakker gebruiken bij het verlaten van het gebied. Middels een microsimulatie met VISSIM is onderzocht of dit in de ochtendspits zal leiden tot een slechte verkeersafwikkeling op het kruispunt Schelversakker – Hertogensingel. De simulatie laat zien dat het niet noodzakelijk is om aanvullende maatregelen te treffen op het kruispunt Schelversakker-Hertogensingel. Incidenteel ontstaan wachtrijen, maar deze rijen lossen vrij snel op. Geconcludeerd wordt dat de wegen in de omgeving van ‘Kindcentrum Nicolaas Oss’ geschikt zijn om de verkeerstoename op te vangen. Wel is het mogelijk dat aanwonenden overlast ervaren van het extra verkeer. Daarnaast zullen de wachttijden bij het oprijden van de Hertogensingel toenemen. Deze wachttijden blijven echter acceptabel.
Enige vertraging op erftoegangswegen is acceptabel, aangezien de verkeersfunctie bij deze wegen ondergeschikt is aan de verblijfsfunctie.
5.3.2 Parkeren De gemeente Oss heeft een gemeentelijk parkeerbeleidsplan vastgesteld. De nota ‘Parkeernormen 2017’ geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden. Het parkeren bij ‘Kindcentrum Nicolaas Oss’ bestaat uit kort parkeren (halen en brengen van kinderen) en uit lang parkeren (parkeren door personeel). Lang parkeren Voor het personeel van zowel de school als de kinderopvang zijn op basis van de nota ‘Parkeernormen 2017, gemeente Oss’ in totaal afgerond 21 parkeerplaatsen nodig. Deze parkeerplaatsen zijn bij voorkeur op eigen terrein aanwezig. In het concept inrichtingsplan zijn op eigen terrein 21 parkeerplaatsen ingetekend, zodat op eigen terrein voldaan kan worden aan de parkeervraag voor lang parkeren. Buiten schooltijden kan de gymzaal verhuurd worden. De parkeervraag van de gymzaal bedraagt maximaal 11 parkeerplaatsen. Deze parkeervraag kan eveneens volledig op eigen terrein opgevangen worden. Kort parkeren Voor het halen en brengen van de leerlingen zijn volgens de kencijfers gemiddelde 42 parkeerplaatsen nodig. Om een schommeling in de parkeervraag op te vangen wordt uitgegaan van 10% extra parkeercapaciteit. Het totaal aantal plaatsen voor halen en brengen komt hiermee uit op 46 parkeerplaatsen. Dit aantal is maatgevend bij de beoordeling of in de openbare ruimte voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn om de parkeervraag op te vangen.
Op eigen terrein zijn geen parkeerplaatsen voorzien voor het tijdelijk parkeren voor halen en brengen. De parkeervraag van de kinderopvang (5 tot 8 parkeerplaatsen) is over het algemeen op niet op hetzelfde moment als de parkeervraag van de school. In de huidige situatie zijn er in de nabije omgeving onvoldoende parkeerplaatsen beschikbaar voor het halen en brengen van leerlingen. Om aan de parkeervraag te kunnen voldoen en te voorkomen dat er parkeeroverlast in de omgeving ontstaat, is het gewenst om extra parkeergelegenheid te realiseren.
Schelversakker 1 Oss – 2022, pag. 30 van 50 ontwerp november 2021
Hiernaar is onderzoek gedaan waarbij de directe omgeving is betrokken in de vorm van de verkeerswerkgroep. De verkeerswerkgroep bestaat uit omwonenden en direct belanghebbenden. Met de verkeerswerkgroep zijn diverse overleggen gevoerd. Tijdens een overleg in september 2021 zijn vier scenario’s met parkeer- en verkeersvarianten besproken. De verkeerswerkgroep heeft toen positief gereageerd op een van de vier scenario’s, met de opmerking dat verdere uitwerking absoluut noodzakelijk is. Het voorgestelde parkeer- en verkeersscenario is vervolgens in overleg met de verkeerswerkgroep nader uitgewerkt en na afstemming met partijen als de Nicolaasschool verwerkt in dit bestemmingsplan. In het huidige ontwerpplan is in de directe nabijheid van de school ruimte voor 46 parkeerplaatsen voor het halen en brengen van de leerlingen. Zo wordt aan de oostzijde van de Schelversakker een kiss & ride strook aangelegd met 9 plaatsen en aan de westzijde twee parkeerstroken met ieder 3 plaatsen. De bestaande parkeerstrook aan de Driek van Erpstraat heeft in de toekomst een capaciteit van 20 parkeerplaatsen. En aan de Arendsvlucht wordt een langsparkeerstrook aangelegd met 11 plaatsen. Die worden via een pad in de groene ruimte verbonden met een veilige oversteek in de Driek van Erpstraat naar de school.
Dit betekent dat voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zullen zijn voor het halen en brengen van de leerlingen. Om te zorgen dat de parkeerplaatsen daadwerkelijk beschikbaar zijn op het moment dat de leerlingen gebracht en gehaald worden, kan het nodig zijn om parkeer regulerende maatregelen te treffen (zoals het instellen van een maximale parkeerduur of het uitbreiden van de zone met betaald parkeren). Stallingsplaatsen voor fietsen Volgens de kencijfers bedraagt de bandbreedte voor het aantal benodigde stallingsplaatsen voor fietsen van de leerlingen 158 tot 261 plaatsen. Voor het personeel zijn volgens de kencijfers 18 stallingsplaatsen nodig. In de ontwerpplannen is op dit moment een stalling van minimaal 176 fietsen voorzien, gelegen aan de noordzijde van het schoolgebouw. De stallingsbehoefte voor fietsen is exclusief de ruimte die nodig is voor het tijdelijk plaatsen van fietsen van de ouders bij het wegbrengen en ophalen van leerlingen. Tevens moet het plan voorzien in voldoende ruimte voor wachtende ouders.
Schelversakker 1 Oss – 2022, pag. 31 van 50 ontwerp november 2021
5.4
Water
5.4.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGPR een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen.
De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.
Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m 2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: - Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; - Voorkomen van vervuiling van water; - Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer
Schelversakker 1 Oss – 2022, pag. 32 van 50 ontwerp november 2021
- Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied. 5.4.2 Watertoets De digitale watertoets is ingevuld op www.dewatertoets.nl. Het waterschap bekijkt aan de hand van de aangeleverde gegevens of in het plan voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse van het plangebied. De watertoets doorloopt de waterhuishoudkundige doelstellingen en levert mogelijk aandachtspunten en knelpunten op. Het waterschap heeft in de watertoets het volgende aangegeven.
Uit de ingevoerde gegevens blijkt dat de verhardingstoename en/of –afkoppeling maximaal 500 m2 is en het plangebied buiten de ruimtelijk begrensde waterbelangen valt. Het waterschap verwacht daarom geen of weinig inhoudelijke opmerkingen te zullen hebben. Er wordt verzocht om bij de bouw af te zien van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Hiermee worden bijvoorbeeld zink en koper in daken, gevels, goten en leidingen bedoeld. 5.4.3 Waterparagraaf Voor de nieuwbouwlocatie van ‘Kindcentrum Nicolaas Oss’ is een waterparagraaf opgesteld door Iv-Infra b.v. Het rapport is opgenomen in bijlage 6 bij deze toelichting. In het rapport wordt geconcludeerd dat de toename van het verharde oppervlak op het perceel kleiner is dan 500 m 2. Hierdoor is de Keur van het waterschap niet van toepassing. Vanuit de gemeente Oss wordt een bergingseis van 10 mm opgelegd ten opzichte van dit afwaterend verhard oppervlak. Dat betekent een minimale inhoud van de berging van 28 m3. Vooralsnog is geen rekening gehouden met de aanleg van een groen dak. Een groen dak heeft normaal gesproken een waterbergend vermogen tussen de 32 tot 150 mm afhankelijk van het type dak. De meest eenvoudige waterberging is in de vorm van een wadi. Nadeel is het ruimtebeslag en de beperkte waterdiepte in een wadi. Uitgaande van een waterdiepte van 0,30 m is een oppervlak van ca. 12 m x 12 m noodzakelijk.
Deze ruimte dient in het niet bebouwde terrein binnen de perceelgrenzen te worden gevonden. Als een wadi niet mogelijk is kan een ondergrondse waterberging worden aangelegd, met als nadeel de hogere aanlegkosten en hogere beheer/onderhoudskosten. Bijvoorbeeld onder de parkeerplaatsen op eigen terrein. Een krattenveld of een waterbergend cunet is daarbij een gangbare oplossing. Bij een (standaard) krathoogte van 0,6 m is een oppervlak nodig van 47 m2 (circa 4 parkeerplaatsen). De leeglooptijd van de infiltratievoorziening is afhankelijk van de doorlatendheid van de bodem. Die zal nader onderzocht moeten worden. De infiltratievoorziening kan waarschijnlijk net boven de hoge grondwaterstand worden aangelegd, waardoor de berging optimaal kan worden benut. Een belangrijk punt daarbij is de maximale leeglooptijd van 24 uur. Daarna dient de berging weer beschikbaar te zijn voor een volgende bui.
Schelversakker 1 Oss – 2022, pag. 33 van 50 ontwerp november 2021
5.5
Defensie
Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen.
Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden.
Schelversakker 1 Oss – 2022, pag. 34 van 50 ontwerp november 2021
5.6
Milieuaspecten
In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: - Bedrijven en milieuzonering - Bodem - Externe veiligheid - Geurhinder: agrarisch - Geur: industrieel - Luchtkwaliteit - Straling - Weg-, spoor-, en industrielawaai - Gezondheid - Spuitzones 5.6.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uitvoeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. In de nabijheid van de locatie liggen diverse bestemmingen. Ten noordwesten van de locatie zijn op circa 35 meter afstand bedrijven toegestaan.
Op grond van het bestemmingsplan zijn hier uitsluitend bedrijven toegestaan die voorkomen in de categorieën 1 en 2 van de milieuzoneringslijst. Het aanwezige tankstation zonder lpg behoort ook tot categorie 2 en is toegestaan omdat daarvoor een aanduiding is opgenomen. Geluidzoneringsplichtige en risicovolle inrichtingen, vuurwerkbedrijven en zelfstandige kantoren zijn uitgesloten. De maximale richtafstand voor categorie 2 bedrijven bedraagt 30 meter. Omdat het plangebied buiten de richtafstand van 30 meter ligt van de bedrijven in de naaste omgeving, worden op dit punt geen belemmeringen verwacht.
5.6.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. In 1997 en 2016 zijn op het terrein bodemsaneringen uitgevoerd. Het meest recente Verkennend Bodemonderzoek is opgesteld door NIPA (Rapport 15.104 d.d. 02-03-2016). In de ondergrond zijn destijds concentraties minerale olie gevonden groter dan de Interventiewaarde. Deze verontreiniging is in 2016 gesaneerd. In de Saneringsevaluatie opgesteld door NIPA (Rapportnr. 15289 d.d. 21-07-2016) is vastgesteld dat aan de saneringsdoelstelling is voldaan.
Schelversakker 1 Oss – 2022, pag. 35 van 50 ontwerp november 2021
In augustus 2021 is door NIPA een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd op het perceel Schelversakker 1. In het onderzoeksrapport zijn de volgende conclusies en aanbevelingen opgenomen. Het volledige rapport is opgenomen in bijlage 7 van deze toelichting Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat voor PFOS en DDT verhoogde gehalten zijn gemeten. Ondanks dat de op basis van waargenomen bijmengingen in de bodem de locatie als asbestverdacht is beschouwd, blijkt uit de onderzoeksresultaten dat de bodem niet is verontreinigd met asbest. Uit de indicatieve toetsing van de analyseresultaten aan het Besluit bodemkwaliteit blijkt dat de bovengrond als ‘Niet Toepasbaar’ wordt geclassificeerd. Eventuele van de locatie vrijkomende grond is derhalve niet zondermeer geschikt voor een toepassing elders. Op basis van deze resultaten dient de hypothese, zoals verwoord in paragraaf 2.4 van het onderzoeksrapport, in principe verworpen te worden. De gevolgde strategie is echter als voldoende te beschouwen. Tegen voorgenomen nieuwbouw op de onderzoekslocatie zijn geen zwaarwegende milieuhygiënische bezwaren aan te voeren. Eventueel vrijkomende ondergrond mag op de locatie worden hergebruikt.
Indien grond van de locatie afgevoerd dient te worden, is de Regeling bodemkwaliteit van toepassing: - Op basis van dit rapport is de grond binnen het gebied van dezelfde bodemkwaliteitskaart herbruikbaar; - Vrijkomende grond die elders wordt hergebruikt, dient voorafgaand aan de toepassing als een partij gekeurd te worden conform het BRL SIKB 1000 VKB protocol 1001; - Afvoer van de vrijkomende grond naar een erkende grondbank of verwerker is op basis van dit rapport eveneens mogelijk. Voor de afvoer van de grond naar elders zal een aanvullend onderzoek naar het voorkomen van PFAS noodzakelijk kunnen zijn. Na sloop van het huidige schoolgebouw wordt een actualiserend bodemonderzoek conform NEN-5740 uitgevoerd. Ook zal het terrein dan aanvullend worden onderzocht op de aanwezigheid van asbest conform NEN-5707.
5.6.3 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: - het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) - het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven.
In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij
Schelversakker 1 Oss – 2022, pag. 36 van 50 ontwerp november 2021
dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.
Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Toetsing Scholen worden in het Bevi genoemd als kwetsbare objecten, waardoor dit bestemmingsplan de realisering van een nieuw kwetsbaar object mogelijk maakt. Het plangebied is niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour (PR 10 -6/jaar). De spoorlijn Oss – Ravenstein ligt op ca. 915 meter van de projectlocatie. Over deze spoorlijn worden brandbare en toxische gassen als vloeistoffen vervoerd. Daarnaast grenst de locatie aan een gemeentelijke weg (Hertogensingel). Omdat dit bestemmingsplan de realisering van een nieuw kwetsbaar object mogelijk maakt, moet de verantwoordingsplicht verder worden ingevuld. Daarbij kan worden aangesloten bij de Beleidsvisie Externe Veiligheid Oss. De locatie ligt op een afstand >300 meter van de spoorlijn en ligt daarmee volgens de Beleidsvisie Externe Veiligheid Oss in zone IV. In zone IV geldt de standaard verantwoording uit de beleidsvisie. Volgens de beleidsvisie wordt bij zone IV alleen rekening gehouden met de effecten van een toxische gaswolk.
Vanwege de afstand tot de plaats van het mogelijke incident en de aard van het incident (blootstelling aan toxisch gas) zal het groepsrisico niet significant toenemen. Omdat de toename van de personendichtheid geen significant effect heeft op het groepsrisico en de kans op overlijden door een incident met gevaarlijke stoffen hier bijzonder klein is, is de mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid geen item. Voor deze gebieden speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op afstand van deze gebieden. Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar het door de regionale brandweer/de Veiligheidsregio opgestelde ‘risicoprofiel’. Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters.
Schelversakker 1 Oss – 2022, pag. 37 van 50 ontwerp november 2021
Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, die zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen, dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat personen tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het Waarschuwings- en AlarmeringsSysteem (WAS) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. De zone III gebieden in de bebouwde kom van Oss vallen geheel binnen het dekkingsgebied van het WAS. Gezien het voorgaande biedt het aspect externe veiligheid geen belemmeringen voor de herziening van het bestemmingsplan op deze locatie.
5.6.4 Geurhinder: agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: - de burger beschermen tegen geurhinder; - de veehouderijen niet onnodig beperken; - ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
In de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 wordt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen de gemeente Oss vastgelegd. Voor de stad Oss is de norm 1,0 Ou (zie toelichting hieronder). Conform Artikel 3 Waarden voor de geurbelasting van de verordening zijn de volgende waarden vastgelegd: Lid 1. Op grond van artikel 6, lid 1 van de wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening: A. Stad Oss
1,0 Ou
B. Woonkern met geen/enige intensieve veehouderij
2,0 Ou
C. Plangebied (bij kern A en B)
3,0 Ou
D. Woonkern met intensieve veehouderij
6,0 Ou
E. Zoekgebied + plangebied Maren-Kessel West en Liesdaal
6,0 Ou
F. Recreatiegebieden
8,0 Ou
G. Extensiveringsgebieden
8,0 Ou
Schelversakker 1 Oss – 2022, pag. 38 van 50 ontwerp november 2021
H. Bedrijventerreinen
8,0 Ou
I. Bedrijventerrein Vorstengrafdonk
12,0 Ou
J. Verwevingsgebied
14,0 Ou
K. Landbouwontwikkelingsgebied
14,0 Ou
Lid 2. De onder 1 genoemde gebieden staan aangegeven op de bij de verordening behorende kaart ‘Geurnormen Verordening 2017’. Geurbelasting door veehouderijen In juni 2018 heeft de Omgevingsdienst Brabant-Noord (Odbn) een kaart opgesteld waarin alle (agrarische) gecumuleerde achtergrondbelasting is opgenomen voor de, op dat moment, geldende situatie. Uit de kaart blijkt dat de geursituatie op het plangebied als goed beschouwd kan worden, met een achtergrondbelasting van <5 OuE/m3. In juli 2018 heeft de Odbn een kaart opgesteld waarin de voorgrondcontouren (voor bedrijven met een combi-luchtwasser) zijn opgenomen voor de, op dat moment, geldende situatie. Uit die kaart blijkt dat er geen geurcontour de projectlocatie overschrijd. Uit de kaarten blijkt dat de geursituatie, ten aanzien van geurhinder van agrarische bedrijven, op het plangebied als goed wordt beoordeeld (met een achtergrondbelasting van <5 OuE/m3). Gekeken naar het geurbeleid van Oss en de gecumuleerde achtergrondbelasting worden, wat betreft geurhinder van agrarische bedrijven, geen belemmeringen verwacht.
5.6.5 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: - als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; - als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; - de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. In de nabijheid van het plangebied liggen diverse bestemmingen.
Ten noordwesten van de locatie zijn op circa 35 meter afstand bedrijven toegestaan. Op grond van het bestemmingsplan zijn hier uitsluitend bedrijven toegestaan die voorkomen in de categorieën 1 en 2 van de milieuzoneringslijst. Geluidzoneringsplichtige en risicovolle inrichtingen, vuurwerkbedrijven en zelfstandige kantoren zijn uitgesloten. De maximale richtafstand voor categorie 2 bedrijven bedraagt 30 meter. Omdat het plangebied buiten de richtafstand van 30 meter ligt van de bedrijven in de naaste omgeving, worden op dit punt geen belemmeringen verwacht.
Schelversakker 1 Oss – 2022, pag. 39 van 50 ontwerp november 2021
5.6.6 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is.
Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM 10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit. Door Rho Adviseurs is een memo Luchtkwaliteit opgesteld, zie bijlage 8, waarin wordt onderzocht of de ontwikkeling voldoet aan de grenswaarden voor de concentratie luchtverontreinigende stoffen zoals opgenomen in de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen. Aan de hand van de verkeersgeneratie is de NIBM-tool ingevuld om te onderzoeken of de beoogde ontwikkeling onder de regeling Besluit NIBM valt.
Afbeelding 6: Resultaten NIBM-tool 2020
Schelversakker 1 Oss – 2022, pag. 40 van 50 ontwerp november 2021
Uit de berekening, zie afbeelding 6, blijkt dat de grenswaarde niet overschreden wordt. Het project draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht. Daarnaast wordt in de luchtkwaliteit memo een indicatie gegeven van de luchtkwaliteit ter plaatse van de het plangebied. Dat is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Hertogensingel. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. Er is ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar leefklimaat. Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘luchtkwaliteit’ geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
5.6.7 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Ten noorden van de locatie is op een afstand van meer dan 400 meter ter hoogte van de Bourgondiëstraat een bovengrondse hoogspanningsleiding gelegen. Gezien de ruime afstand is straling van deze leiding geen beperkende factor voor dit bestemmingsplan.
5.6.8 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de ‘Geluidsnota Oss - Geluidskwaliteit in de leefomgeving’ vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen.
De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie.
Schelversakker 1 Oss – 2022, pag. 41 van 50 ontwerp november 2021
Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluid producerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. Het plangebied ligt in de geluidszone van de Hertogensingel en deels in de 30 km zone van de Schelversakker en Driek van Erpstraat. Volgens de ‘Geluidsnota Oss’ is het plangebied gelegen in gebiedstype ‘woonwijk met hoge geluidsdruk’. In dit gebiedstype kan meer geluid worden toegestaan en een eventuele hogere grenswaarde is hier mogelijk. Het binnenniveau van de te realiseren school moet gewaarborgd zijn. Op basis van de gevelbelasting kan bepaald worden of een gevelweringsonderzoek nodig is. Dit zal uiterlijk bij de aanvraag omgevingsvergunning moeten worden aangetoond.
Daarnaast speelt het aspect geluid ook vanuit de school naar de directe omgeving. Daarbij moet gedacht worden aan geluid tijdens het halen en brengen van leerlingen, het spelen op het schoolplein en geluid van installaties in het schoolgebouw. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd waaruit blijkt dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor omliggende woningen. Om dit te waarborgen wordt in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. 5.6.9 Gezondheid Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt duidelijk naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Deze relatie is door de onderzoeker op verschillende manieren vastgesteld. Daarbij komt dichtheid van veehouderijbedrijven en afstand tot bepaalde type individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden. Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek.
Op dit moment kan er geen enkele bron-effect relatie worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is. Tot er meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen kan niet worden geadviseerd over beschermde maatregelen. Afstand houden en goed informeren is de enige maatregel die de GGD op dit moment adviseert. In afwachting van het vervolgonderzoek heeft de provincie besloten dat geitenstallen uitbreiden of in gebruik nemen niet meer is toegestaan. Het moratorium is in beginsel tijdelijk. Als de uitkomsten van het vervolgonderzoek bekend worden, wordt er gekeken of er redenen zijn het besluit in te trekken of aan te passen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het bevoegd gezag verplicht om alle bekende risico's bij een nieuwe ontwikkeling af te wegen. Er is geen sprake van een omgekeerde werking van het moratorium (met andere woorden de 'stop' op uitbreidingen van geitenbedrijven zorgt niet voor een stop op ontwikkelingen binnen de 2 km straal van een geitenhouderij), maar wel van een risico dat beoordeeld en meegewogen moet worden bij nieuwe ontwikkelingen.
Schelversakker 1 Oss – 2022, pag. 42 van 50 ontwerp november 2021
Het verantwoorden van dit verhoogde risico is aan het bevoegd gezag, in casu de gemeente. Deze geeft een oordeel over en maakt een afweging of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (m.b.t. onder andere gezondheid & geitenhouderijen). Het college van burgemeester en wethouders besloot op 5 december 2017 dat wenselijke ontwikkelingen na een zorgvuldige afweging met betrekking tot volksgezondheid kunnen worden toegestaan binnen een straal van twee kilometer rondom een geitenhouderij. Het beleid voor geitenhouderijen in Oss houdt in dat bij de realisering van een ruimtelijke ontwikkeling binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij rekening moet worden gehouden met de volgende criteria: a. het infomeren van de aanvragers over het risico b. terughoudend omgaan met ontwikkelingen betreffende het huisvest of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen c. na een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk kunnen wenselijke ontwikkelingen binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij worden toegestaan. ‘De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De zeven stappen dienen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er aandachtspunten worden gevonden.
Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling. Binnen twee kilometer van het plangebied ligt één geitenhouderij met meer dan 50 geiten. De afstand tot het bedrijf bedraagt circa 1.850 meter. In het kader van een goede ruimtelijke ordening worden risico’s bij een nieuwe ontwikkeling afgewogen. Gezien de relatief grote afstand tussen de geitenhouderij en het plangebied wordt deze ontwikkeling als aanvaardbaar beschouwd voor wat betreft volksgezondheid in relatie tot geitenhouderijen. Uit recente bevindingen in het VGO-3 onderzoek blijkt dat de associatie vooral sterk is naarmate de afstand tussen plangebied en geitenhouderij kleiner is. In dit geval betreft de afstand circa 1.850 meter, een relatief grote afstand. De toekomstige gebruikers worden geïnformeerd over de aanwezigheid van de geitenhouderij en de (mogelijk) daaruit voortkomende gezondheidsrisico’s. Geconcludeerd wordt dat de nabijheid van een geitenhouderij geen belemmeringen biedt voor het realiseren van een basisschool aan de Schelversakker 1 in Oss.
Schelversakker 1 Oss – 2022, pag. 43 van 50 ontwerp november 2021
5.7
Milieueffectrapportage (M.e.r.)
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over wordt genomen. In een milieueffectrapport worden de gevolgen voor het milieu beschreven. Zo kan de overheid die het besluit neemt de milieugevolgen bij haar afwegingen betrekken. Het doel van m.e.r. is om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over plannen en projecten. In een m.e.r.-beoordeling kijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Wanneer speelt een m.e.r.-beoordeling? In het Besluit m.e.r. staat wanneer m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het project mogelijk maakt en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de C- en D-lijst in de Bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven. Boven de C-drempel geldt een m.e.r.-plicht, tussen de C- en D-drempel geldt een plan-m.e.r.-plicht en onder de D-drempel geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient onderbouwd te worden of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen heeft.
Sinds de implementatie van de gewijzigde M.e.r.-richtlijn op 16 mei 2017 is de procedure voor de vormvrije en de formele m.e.r.-beoordeling bijna gelijk. Het enige verschil is dat van het besluit bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling geen kennisgeving wordt gedaan. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit De initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op, waarover het bevoegd gezag binnen zes weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit moet nemen. Het bevoegd gezag motiveert het besluit door in te gaan op de selectiecriteria van Bijlage III van de M.e.r.-richtlijn. Het gaat daarbij om de hoofdcategorieën: 1. kenmerken van het project 2. plaats van het project 3. kenmerken van het potentiële effect. Is het bevoegd gezag zelf initiatiefnemer, dan is het bevoegd gezag, anders dan een derde, niet verplicht een aanmeldnotitie op te stellen. Verantwoording De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject is onder onderdeel D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage opgenomen. Onderhavige ontwikkeling is stedelijk, maar niet in de zin van het m.e.r.-besluit. Uit jurisprudentie blijkt dat voor nieuwvestiging van 17.000 m 2 aan volumineuze detailhandel door de Raad van State een vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt gevraagd (ABRvS 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4648, r.o. 20.3).
In onderhavige situatie gaat het om een oppervlakte die veel kleiner is dan 17.000 m 2 en het betreft een functie met minder ruimtelijke impact dan volumineuze detailhandel. Daarnaast is sprake van herontwikkeling in plaats van primaire nieuwvestiging op maagdelijke grond. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling hoeft hier derhalve niet plaats te vinden.
Schelversakker 1 Oss – 2022, pag. 44 van 50 ontwerp november 2021
Hoofdstuk 6 6.1
Toelichting op de regels
Algemeen
Het bestemmingsplan bevat regels die het juridisch instrumentarium geven voor het regelen van het gebruik van de gronden en opstallen én bepalingen over de toelaatbaarheid van bebouwing. Het bestemmingsplan kan worden verbeeld op papier, en gaat vergezeld van deze toelichting. De toelichting heeft geen bindende werking en maakt juridisch geen deel uit van het bestemmingsplan. Wel heeft zij een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan. De Wet ruimtelijke ordening biedt zowel de mogelijkheid om een globaal bestemmingsplan te maken als de mogelijkheid van een gedetailleerd bestemmingsplan. In het bestemmingsplan ‘Schelversakker 1 – 2021’ is gekozen voor een gedetailleerde regeling. Voor de opzet van de regels is aangesloten bij de “Standaardregels bestemmingsplannen Oss”. De regels bestaan uit vier hoofdstukken. Dit zijn de inleidende regels (artikelen 1 en 2), de bestemmingsregels (artikelen 3 tot en met 6), de algemene regels (artikelen 7 tot en met 12) en de overgangsen slotregels (de artikelen 13 en 14). In de volgende paragraaf worden de diverse artikelen uit de regels toegelicht.
6.2
Regels
Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1: Begrippen In dit artikel worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard om verschillen in interpretatie te voorkomen. Artikel 2: Wijze van meten Dit artikel geeft aan op welke manier het meten van in de regels genoemde begrippen moet plaatsvinden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels De in dit hoofdstuk geregelde bestemmingen zijn achtereenvolgens: Artikel 3: Groen Openbaar en structureel groen heeft deze bestemming. Artikel 4: Maatschappelijk Binnen de bestemming ‘Maatschappelijk’ is onder andere de functie onderwijs toegestaan. De maximaal toegestane bouwhoogten en het bebouwingspercentage zijn opgenomen op de verbeelding. Artikel 5: Verkeer – Verblijf Deze bestemming is opgenomen voor het openbare gebied, waarbinnen onder andere wegen, fiets- en voetpaden en groen mogelijk zijn. Artikel 6: Waarde – Archeologie verwachtingswaarde hoog Deze dubbelbestemming is opgenomen om de archeologische waarden binnen het gebied te beschermen.
Schelversakker 1 Oss – 2022, pag. 45 van 50 ontwerp november 2021
Hoofdstuk 3: Algemene regels Dit hoofdstuk geeft een aantal gebruikelijke algemene regels. Het betreft achtereenvolgens: Artikel 7: Anti-dubbeltelregel Dit artikel regelt dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft. Artikel 8: Algemene bouwregels Dit artikel geeft een aantal bouwregels die algemene werking hebben, en dus niet in één of meerdere specifieke bestemmingen gegeven worden. Artikel 9: Algemene aanduidingsregels Dit artikel geeft een regeling voor de instandhouding van de aanwezige boom binnen de aanduiding ‘vrijwaringszone – boombiotoop’. Artikel 10: Afwijken van de bouwregels algemeen Dit artikel geeft een algemene regeling voor afwijking van de bouwregels. Artikel 11: Algemene wijzigingsregels Dit artikel geeft een regeling op grond waarvan burgemeester en wethouders bepaalde onderdelen van het plan mogen wijzigen. Artikel 12: Overige regels Dit artikel geeft aan welke regels van de bouwverordening van toepassing zijn. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 13: Overgangsrecht Dit artikel regelt het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik van gronden en bouwwerken. Artikel 14: Slotregel Dit artikel regelt de formele titel waaronder het bestemmingsplan kan worden aangehaald.