CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting.PDF

Gemeenteraad 24 februari 2022, gemeente OssBij agendapunt: A Vaststelling bestemmingsplan Geffense Barriere27.344 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

De top van de C-horizont ligt hier op 155 centimeter-mv wat inhoudt dat er een bufferzone van 35 centimeter tussen het archeologisch niveau en de bodemingreep ligt. Waarschijnlijk zullen bij de bouw geen archeologische resten worden vergraven. Bij de aanleg van de parkeerplaats zal de bodem 40 tot 50 centimeter diep worden vergraven. Deze werkzaamheden reiken niet tot in de C-horizont. b) Welke maatregelen kunnen worden genomen om voldoende rekening te houden met deze archeologische waarden? Om rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische resten en sporen wordt geadviseerd een bufferzone van 20 centimeter te hanteren boven het potentieel archeologisch niveau. Indien werkzaamheden plaatsvinden waarbij tot in de bufferzone of dieper wordt gegraven wordt geadviseerd een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren. c) Indien vervolgonderzoek wordt geadviseerd: Welke methode(n), techniek(en) en strategie(ën) van Inventariserend veldonderzoek zijn hiervoor geschikt? Aangezien archeologische resten zich waarschijnlijk zullen manifesteren als een sporenniveau is proefsleuvenonderzoek de meest geschikte methode om te bepalen of archeologische resten in het plangebied aanwezig zijn. Advies De top van de C-horizont is een potentieel archeologisch niveau en ligt tussen 95 en 215 centimeter-mv (486 en 596 cm NAP).

Om verstoring van eventuele archeologische resten te voorkomen wordt geadviseerd een bufferzone van 20 centimeter boven de C-horizont aan te houden en geen graafwerkzaamheden uit te voeren die reiken tot in de bufferzone of dieper. Het onderzoek is met grote zorgvuldigheid uitgevoerd. Het is echter nooit uit te sluiten dat bij de

73/122

graafwerkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen op plaatsen en dieptes waar die niet worden verwacht. Eventuele archeologische resten is men verplicht te melden bij de Minister van OCW in overeenstemming met de Erfgoedwet uit 2015. In dit geval wordt aangeraden om contact op te nemen met de gemeente Oss. Reactie gemeente Het rapport van dit onderzoek is door de gemeente beoordeeld en naar aanleiding daarvan is een besluit genomen. Het rapport van 13 september 2021 is door gemeente akkoord bevonden. Het rapport bevat voldoende informatie om tot een besluit ten aanzien van het vervolgtraject te kunnen komen. Selectiebesluit / Besluit ten aanzien van vervolgtraject De gemeente Oss neemt het herziene advies van Bureau voor Archeologie over. In het plangebied is archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuvenonderzoek noodzakelijk, maar alleen als het archeologisch vlak wordt geraakt over een oppervlakte die groter is dan 100 m2. Zie bovenstaande figuur voor de diepteligging van het archeologisch vlak (rekening houdend met een buffer van 20 centimeter). Voor de verdere (plan)procedure betekent dit het volgende:. Indien een proefsleuvenonderzoek aan de orde is, dient dit onderzoek dient vóórafgaand aan de vergunningsaanvraag te worden uitgevoerd.

De uitkomst van het onderzoek kan namelijk leiden tot aanvullende voorwaarden in de vergunning (archeologische begeleiding, opgraving, bescherming). Gravend onderzoek dient te worden uitgevoerd op basis van een Programma van Eisen (PvE) dat dient te zijn goedgekeurd door de gemeentelijk archeoloog (mw. M. Peeters, gemeente Oss). Idealiter bevat dit PvE direct een doorstart naar een opgraving (verkort de doorlooptijd en scheelt in de kosten. De aanvang van het archeologisch onderzoek dient twee weken voor de start aan de gemeentelijk archeoloog te worden gemeld per email (m.peeters@oss.nl). Er geldt ten alle tijden een meldingsplicht bij het aantreffen van archeologische resten. Het plangebied dient beschermd te blijven door middel van heen dubbelbestemming 'waarde - Archeologie verwachtingswaarde hoog' Borging archeologie middels bestemmingsplanregels De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbel- bestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde.

Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. Om het eventuele archeologische vervolgtraject te borgen is aan het gebied een dubbelbestemming 'Waarde Archeologie verwachtingswaarde hoog toegekend. Voor het gebied geldt dat bij bodemverstoringen groter dan 100 m² en dieper dan 30 centimeter beneden huidig maaiveld archeologisch onderzoek nodig is.

74/122

Meldingsplicht (opnemen in de omgevingsvergunning) Er geldt ten alle tijden een meldingsplicht bij het aantreffen van archeologische resten. Hiertoe zullen de volgende teksten worden opgenomen in de omgevingsvergunning: 1. De start van de werkzaamheden dient minimaal twee weken voor aanvang aan de gemeentelijk archeoloog te worden gemeld. 2. De mogelijkheid dat er in het plangebied archeologische vondsten worden gedaan, wordt niet uitgesloten. Er bestaat een wettelijke verplichting (Erfgoedwet) om archeologische vondsten te melden. 5.3.4

Cultuurhistorie

Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening.

In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen erop neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen.

De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude

75/122

verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Maasdonk. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2009. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Met bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen. Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. Beoordeling In het plangebied en de directe omgeving zijn géén rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en/of beeldbepalende panden/objecten gesitueerd waarmee in dit bestemmingsplan rekening moet worden gehouden.

Het plangebied is bovendien niet gesitueerd in een cultuurhistorisch waardevol gebied of cultuurhistorisch waardevol landschap en maakt geen onderdeel uit van een complex van cultuurhistorisch belang volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart CHW) van de provincie Noord-Brabant. Daarnaast is het plangebied niet gesitueerd aan historisch-geografisch belangrijke (zicht)lijnen en/of wegen. Zie hiervoor afbeelding 5.8.

Afbeelding 5.8: plangebied op CHW-kaart van de provincie Noord-Brabant

76/122

Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt géén belemmering voor de uitvoerbaarheid van de planontwikkeling op basis van dit bestemmingsplan.

5.4

Mobiliteit en parkeren

5.4.1 Verkeer De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan 'Wegen' werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg is de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. Verkeer: extra verkeersbewegingen De ontwikkeling en realisatie van de Geffense Barrière met een herinvulling zal theortisch gezien extra verkeerswegingen genereren ten opzichte van de bestaande huidige situatie, waarin op de planlocatie geen actief functioneel gebruik aanwezig is met een daaraan gekoppelde verkeersintensiteit. De toename van deze verkeersbewegingen kan opgevangen worden op de aanwezige ontsluitingswegen en veroorzaakt géén stagnatie in de doorstroming en/of creëert geen verkeersonveilige situatie danwel verslechterd de verblijfsomgevingskwaliteit in onevenredige mate. Verkeer: ontsluitingswegen De planlocatie is gesitueerd aan een snelweglocatie met een stroomfunctie voor het verkeer (=stroomweg buiten de bebouwde kom). Het betreft de A59 die Oss verbindt met het stedelijke gebied van ’s-Hertogenbosch en het stedelijke knooppunt Arnhem-Nijmegen.

De aard (wegindeling) en inrichting van de autosnelweg ter plaatse maakt het mogelijk extra verkeer dat gegenereert wordt door de planontwikkeling eenvoudig op te vangen op deze weg. Het extra verkeer gaat zonder problemen op in het overheersende doorstroomings verkeersbeeld op deze weg.

77/122

Afbeelding 5.9: afbeelding wegencategorisering binnen de gemeente Oss (bron; gemeente Oss) De planlocatie is alzijdig bereikbaar. Vanaf de snelweg aan de oostzijde, zonder directe afslag maar via een doorsteek vanuit de 'Verzorgingsplaats De Geffense Barrière', alsmede vanaf de Rijksweg aan de westzijde in de zuidwesthoek van de planlocatie, waar een bestaande ontsluiting (in- en uitrit) al aanwezig is. Er is een notitie opgesteld naar de ontsluitingsmogelijkheden van de planlocatie op de snelweg A59 met een onderbouwing van het daarbij behorende schetsontwerp (zie bijlage 15 bij de toelichting) en tevens paragraaf 3.4). De ontsluiting van de planlocatie vanuit het achterland via de Rijksweg betreft een gebieds- ontsluitingsweg met bestemmingsverkeer. De verkeersbelasting op deze weg is beperkt en zal door de ontwikkeling van de planlocatie enigszins toenemen, met name door toekomstige gebruikers uit de kern Geffen. De meerderheid van consumenten/ kantoorruimte gebruikers zullen de planlocatie echter gaan bereiken vanuit de autosnelweg uit een oogpunt van efficiency, doelmatigheid en snelheid. Beoordeling De ontsluiting voldoet aan de normen van het Mobiliteitsplan 2020. Het aspect verkeer is geen beperkende factor voor de planontwikkeling. 5.4.2 Parkeren De gemeente Oss heeft een gemeentelijk parkeerbeleidsplan vastgesteld.

De nota 'Parkeernormen 2017' geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden. De gemeente Oss heeft haar parkeerbeleid vastgelegd in de nota 'Parkeernormen 2017 gemeente Oss' op 13 december 2016 door het college van Burgemeester en Wethouders. Met behulp van de daarin opgenomen gemeentelijke parkeernormen wordt de parkeereis berekend. De parkeereis betreft het aantal parkeerplaatsen dat minimaal gerealiseerd moet worden op eigen terrein behorend bij de te ontwikkelen functies. Het is mogelijk om te voldoen aan het gemeentelijke parkeerbeleid en af te wijken van de parkeereis, door: het leveren van een financiële bijdrage (alleen voor het centrum van de stad Oss); het opvangen in de omgeving (middels een parkeeronderzoek de huidige bezetting aantonen); het aanleggen van parkeerplaatsen elders in de openbare ruimte; op advies van het college van Burgemeester en Wethouders. Dit parkeerbeleid wordt enerzijds gehanteerd om te beoordelen in hoeverre voldaan kan worden aan het oplossen van parkeerbehoefte op eigen terrein, anderzijds wordt het beleid toegepast bij het toetsen van een aanvraag omgevingsvergunning ten aanzien van het parkeren of stallen van auto ten gevolge van een bouwplanontwikkeling.

Beoordeling Door ontwikkelaar Stein Ontwikkelt B.V is een nieuwe ontwikkeling voorzien (te weten: 'Brier59') op een terrein bij de verzorgingsplaats langs de A59, ter plaatse waar het voormalige wegrestaurant 'De Geffense Barrière' was gesitueerd. De ontwikkeling voorziet in een modern nieuw gebouw met een foodprint van 1.985 m2, voor circa 1.400 m2 netto vloeroppervlak aan horecavoorzieningen, bestaande uit diverse units voor verschillende gebruikers en circa 800

78/122

m2 aan dienstverlenende functies (flexibel in te richten en af te nemen kantoorruimten met en vergaderunits en spreekkamers). De voorzieningen zijn beschikbaar voor alle passanten tussen Nijmegen en 's-Hertogenbosch alsmede bezoekers vanuit het omliggende achterland. Op het terrein wordt tevens voorzien in de aanleg en instandhouding van 143 parkeerplaatsen voor weggebruikers (gemotoriseerd verkeer) alsmede in fietsparkeervoorzieningen en gelegenheid voor het opladen van elektrische voertuigen. Zie hiervoor tevens hetgeen beschreven is in hoofdstuk 3.

Afbeelding 5.10: parkeersituatie op de planlocatie (bron: Goudappel Coffeng) Om te kunnen beoordelen of de ontwikkeling voorziet in de parkeerbehoefte die op eigen terrein kan worden opgevangen en er geen sprake zal zijn van een ongewenste parkeerdruk c.q. ongewenste afwikkeling van parkeren buiten het eigen terrein is door Goudappel Coffeng (adviseurs in mobiliteit) een notitie opgesteld waarin inzicht wordt gegeven in de parkeerbalans binnen het plangebied. In deze notitie is rekening gehouden met de maximaal beoogde planontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 3, de gemeentelijke parkeernormen alsmede ervaringscijfers vanuit vergelijkbare referentie- projecten. De bevindingen zijn integraal terug te vinden in bijlage 1 bij de toelichting van het plan. De beoogde ontwikkeling vraagt om een maatwerk benadering en geen standaard cijfermatige (theoretische) benadering. Uit de opgestelde notitie blijkt dat het voorgenomen aantal parkeerplaatsen dat ter plaatse gecreëerd zal worden op de planlocatie in voldoende mate voldoet aan de verwachte behoefte. Hieronder wordt kort ingegaan op de belangrijkste bevindingen uit de notitie: Op basis van de gemeentelijke parkeernormen bedraagt het benodigde parkeeraanbod voor de horeca 210 parkeerplaatsen. Op basis van de gemeentelijke parkeernormen bedraagt het benodigde parkeeraanbod voor de kantoorfuncties 21 parkeerplaatsen.

Rekening houdend met dubbelgebruik en aanwezigheid betreft het maatgevende moment zaterdagavond.

79/122

Op het maatgevend moment kan er cijfermatig sprake zijn van een tekort van 67 parkeerplaatsen (143 parkeerplaatsen aanwezig afgezet tegen de 210 benodigde parkeerplaatsen conform normering). Dit betreft een worstcase berekening, waarin de volledige omvang van de horeca als restaurant functioneert. Conform het gemeentelijke parkeerbeleid is 20% van het benodigde aantal parkeerplaatsen benodigd voor personeel. De ervaring leert echter dat het personeel, op de leidinggevende functies na, over het algemeen uit jongeren bestaat die niet in het bezit zijn van een rijbewijs of eigen auto. Deze doelgroep wordt geworven in de omgeving en maakt gebruik van alternatieve vervoerwijzen. Hiermee rekening houdend kan het benodigde aantal parkeerplaatsen met 15% worden gecorrigeerd. Op basis van ervaringscijfers is een functie specifiek benodigd parkeeraanbod berekend. Dit functie specifieke parkeerkencijfer past bij een gemêleerd aanbod van fastfoodachtige functies (café/cafetaria) en meer traditionele restaurants. Voor de horeca zijn dan 122 parkeerplaatsen benodigd waarvan 104 parkeerplaatsen benodigd zijn voor bezoekers en leidinggevend personeel dat gebruik maakt van de auto. Het realiseren van relatief veel fietsparkeerplaatsen kan bijdragen aan een verlaging van het benodigde aantal parkeerplaatsen, met name voor het personeel.

Dit is echter sterk afhankelijk van het type horeca dat uiteindelijk ter plaatse gerealiseerd wordt. Een andere doelgroep die een dempend effect hebben op het benodigde aantal parkeerplaatsen zijn de vrachtwagenchauffeurs die gebruik maken van de naastliggende verzorgingsplaats. Conclusie Het te realiseren parkeeraanbod van 143 parkeerplaatsen voldoet en is voldoende om in principe op alle momenten van de week het benodigde aantal parkeerplaatsen te faciliteren. Er is sprake van een overschot aan parkeervoorzieningen op het terrein en er is geen sprake van een mogelijke onaanvaardbare parkeerdruk buiten het terrein op openbaar gebied. Op basis van de omvang van de geplande ontwikkeling leidt de parkeercapaciteit tot een functie specifiek parkeerkencijfer voor 'Brier59' van ongeveer 10 parkeerplaatsen per 100 m² bvo. Deze functie specifieke norm kan gebruikt worden bij de advisering aan het college van burgemeester en wethouders ten behoeve van de behandeling c.q. toetsing van de aanvraag omgevingsvergunning.

5.5

Water

5.5.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGPR een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is

80/122

verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen. De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische 'waterbestemmingen' komen aan bod. Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwater- beheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger.

De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in 'Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Voor een toename van het verhard oppervlak groter dan 500 m2 (sinds 1 april 2021) dient de vereiste compensatie berekend te worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water; Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2.

De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties;

81/122

4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied. 5.5.2

Watertoets

Huidige situatie Het plangebied is gelegen aan Rijksweg en de A59 en ligt ten zuidoosten van de kern Geffen en ten zuidwesten van de kern Oss in het buitengebied van de gemeente Oss. Ter vervanging van de bebouwing (het voormalig wegrestaurant De Geffense Barrière) zal een nieuw etablissement worden gerealiseerd. Het plangebied is vrijwel volledig verhard. Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een grondwaterbeschermings- of waterwingebied. Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de grond in de omgeving van het plangebied uit zandgronden; fijn zand. Met betrekking tot grondwater is in het plangebied sprake van grondwatertrap (GT) VI. Dit betekent dat de hoogste gemiddelde grondwaterstand (GHG) schommelt tussen 40 en 80 centimeter onder maaiveld. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) ligt op 120 centimeter onder maaiveld. De GHG, GLG, en GT zijn bepaald aan de hand van de digitale wateratlas van de provincie Noord-Brabant. Waterkwantiteit en waterkeringen Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig en bevindt zich hiermee ook niet in een beschermingszone. Op afbeelding 5.11 is een uitsnede te zien van het plangebied in relatie tot de informatie beschikbaar via de Watertoets Viewer van het waterschap Aa en Maas.

Afbeelding

5.11:

Uitsnede viewer waterschap met plangebied rood omkaderd (Bron: Waterschap Aa en Maas) Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen

82/122

in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied is niet gelegen binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering. Afvalwaterketen en riolering De bestaande bebouwing is aangesloten op het gemeentelijk gemengd rioolstelsel. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie zal de bestaande opstal verwijderd worden en vervangen door een nieuw gebouw. Bodem en grondwater De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater. Waterkwantiteit en compensatie In de huidige situatie beslaat de planlocatie een oppervlak van 6.725,60 m2 , bestaande uit verhard oppervlak in de vorm van gesloten verharding (4.838,6 m2), bestaande bebouwing (793,7 m2) en groen-onverhard (circa 1.093,3 m2).

Afbeelding 5.12: bestaande situatie met oppervlakten

83/122

Afbeelding 5.13: toekomstige situatie met oppervlakten In de toekomstige situatie zal de nieuwe bebouwing (hoofdgebouwen met bijbehorende gebouwen) een oppervlak hebben van circa 1.699 m2. De omvang van de bestaande gesloten verharding op het terrein zal na een doorgevoerde herinrichting met circa 1.286 m2 afnemen tot 4.710 m2. Al met al betekent dit een totale toename aan verhard oppervlak, rekening houdende met het grondoppervlak van de bebouwing en niet verharde buitenruimte op de planlocatie, van circa 566,80 (afgerond 557) m2. Omdat de toename aan verharding meer dan 500 m2 bedraagt, is er sprake van een compensatieverplichting. Op basis van de toekomstig verhard oppervlak en de bergingseis volgens het Keur (60 mm) bedraagt de waterbergingsopgave voor het plangebied in totaal circa 33,42 m³ (557 m² x 0,06 m). Water vasthouden op eigen terrein Ter voorkoming van overlast en schade op particulier terrein en met oog op doelmatigheid heeft de gemeente in het verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP +) een inspanning voor particulieren geformuleerd. Bij ver- en nieuwbouw in bebouwd gebied moet minimaal de eerste 10 mm regen van een bui ten opzichte van het totaal verhard oppervlak op het eigen terrein kunnen worden vastgehouden en lokaal worden verwerkt door infiltratie of lozing op het oppervlak (vijver, wadi of lager gelegen grond).

Alles wat meer valt kan in het openbaar gebied worden opgevangen en daar in de bodem infiltreren of via het bestaande systeem worden geborgen en afgevoerd. Dit is de gebruikelijke werkwijze in Oss. De eigenaar is verantwoordelijk om bij de omgevingsvergunning aan te tonen dat water vastgehouden wordt op eigen terrein. Met Rijkswaterstaat is uitrukkelijk overeengekomen dat bij een afkoppeling van het hemelwater van de riolering, er geen hemelwater zal worden geloosd op het terrein in eigendom en beheer van Rijkswaterstaat. Waterveiligheid

84/122

De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Deze vallen ook niet in het plangebied. Watersysteemkwaliteit en ecologie Bij het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (lood, zink en zacht PVC) kunnen deze stoffen zich ophopen in het water(bodem)systeem. Hierdoor kan het gebruik hiervan een zeer nadelige invloed hebben op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem worden milieuvriendelijke bouwmaterialen gebruikt, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-) filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Er zal sprake zijn van een oppervlakkige overloop naar de openbare ruimte. Conclusie Het plangebied bevindt zich niet in een beschermingszone van een watergang of waterkering.

Er is sprake van 557 m2 aan toename verharding bij uitvoering van de voorgestane ontwikkeling. Er geldt vanuit het waterschap derhalve een compensatieverplichting tot waterberging van circa 34 m3. Bij de uitvoering van de herinrichting van de terreininrichting zal hiervoor een oplossing ingebracht worden, zodat de ontwikkeling daarmee uitvoerbaar wordt, rekening houdende met de waterhuishoudkundige opgave.

5.6

Defensie

Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: radarverstoringsgebieden; obstakelbeheergebieden; laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Beoordeling Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel (zie paragraaf 4.1.3). Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het

85/122

belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. De maximaal toegestane bebouwingshoogte voor een zend-/ontvangstinstallatie en een reclamemast bedraagt 40 meter. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen. Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden. Conclusie Vanuit defensie oogpunt zijn er geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

5.7

Milieuaspecten

Het al dan niet voldoen aan verschillende randvoorwaarden en uitgangspunten is bepalend voor de vraag of een nieuwe ontwikkeling ook daadwerkelijk uitvoerbaar is. In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de planlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: Bedrijven en milieuzonering Bodem Externe veiligheid Geurhinder: agrarisch Geur: industrieel Luchtkwaliteit Straling Weg-, spoor-, en industrielawaai Gezondheid Spuitzones 5.7.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uitvoeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen.

86/122

De twee belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten in bijlage 1 van de VNG-publicatie. Voor een scala aan milieubelastende activiteiten (lijst 1) en opslagen en installaties (lijst 2) zijn richtafstanden aangegeven ten opzichte van een rustige woonwijk. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden uit de VNG-publicatie). Omgevingstype Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten, is onder meer afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk en 'rustig buitengebied'. Een rustig buitengebied is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: agrarische bedrijfsactiviteiten afgewisseld met (bedrijfs)woningen, Er komen vrijwel geen andere functies voor en er is weinig verstoring door verkeer.

Wanneer sprake is van het omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende functies en richtafstanden met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. De planlocatie ligt in de directe nabijheid van een drukke verkeersader (A59), de Rijksweg en bedrijfsmatige activiteiten. Er is dus geen sprake van een 'rustig buitengebied'. Vanwege de aanwezigheid van de autosnelweg en de verkeersaantrekkende werking van de horecavoorziening heeft het aspect geluid vanuit deze bron het meeste effect op de omliggende woonbebouwing. Op basis de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' kan in deze situatie de in acht te nemen richtafstand gemotiveerd met één afstandsstap worden verlaagd. Voor het aspect geluid betekent dit voor de meeste horeca-activiteiten een in acht te nemen afstand van 10 meter (met verlaging van 1 stap 0 meter) en voor discotheken/muziekcafe's 30 meter (met verlaging van stap 10 meter) en voor parkeerterreinen/parkeergarages 30 meter (met verlaging van stap 10 meter). Functies plangebied en omgeving De planlocatie ligt in het buitengebied van Oss. In de omgeving van het plangebied zijn woningen en bedrijven toegestaan c.q. gevestigd.

Het betreft onder meer: Oude Baan 1 (woonperceel) op circa 30 meter en de bestaande woning op circa 76 meter; Kraaijeven 6 (woonperceel) op circa 25 meter van de planlocatie en de bestaande woning op circa 45 meter; Kraaijeven 8 (woonperceel) op circa 29 meter van de planlocatie en de bestaande woning op circa 38 meter; Kraaijeven 9 (woonperceel) op circa 49 meter van de planlocatie en de bestaande woning op circa 62 meter; Kraaijeven 11 (woonperceel) op circa 21 meter van de planlocatie en de bestaande woning op circa 37 meter; Bedrijvigheid (Kraaijeven 36 - autohandel en sloperij - milieucategorie 3.1/3.2), met het bedrijfsperceel op circa 15 meter en de feitelijke bedrijvigheid op circa 100 meter van de planlocatie.

87/122

Afbeelding 5.14: planlocatie met omliggende functies Huidige planologische situatie In de bestaande situatie op de planlocatie vigeert de bestemming 'Horeca'. Binnen de bestemming 'Horeca' (Rijksweg 38) zijn de bouw- en gebruiksrechten vastgelegd. De toegestane oppervlakte bedrijfsgebouwen staat een maximaal oppervlak van 2.000 m2 aan horecavoorziening toe, en wel voor horeca in de categorieën horeca 1, horeca 2, horeca 3 en horeca 4 en horeca in de vorm van zaalaccommodatie. De maximale toegestane goot- en bouwhoogte voor het bedrijfsgebouw bedraagt 6,6 respectievelijk 11 meter, de bebouwing kan op vrijwel elke plek van het bestemmingsvlak worden gebouwd. In de huidige situatie kan er dus al gebouwd worden en kan elke horecavestiging zich vestigen met parkeervoorzieningen, waarbij de inrichting gemeld wordt via het Activiteitenbesluit en getoetst wordt of voldaan kan worden aan de voorwaarden ten aanzien van geluid volgens het Activiteitenbesluit. Potentiële hinder bij woningen kan onder meer door bouwkundige ingrepen of door toepassing van bouwtechnische voorzieningen worden ingeperkt. Dit wordt nader beoordeeld bij de verlening van de omgevingsvergunning. Ook in het kader van het Activiteitenbesluit en het vergunningenregime voor horeca worden de horeca-activiteiten gereguleerd.

De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van horecavoorzieningen met buitenterras en kantoorfuncties (milieucategorie 1) en een omvangrijk parkeerterrein (milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 meter ten aanzien van het aspect geluid). Het parkeerterrein met parkeervoorzieningen betreft een voortzetting van het gebruik binnen het plangebied zoals aanwezig ten tijde van het wegrestaurant De Geffense Barriere. In voorliggend plan wordt derhalve opnieuw een horeca bestemming op gronden van toepassing verklaard voor maximaal 2.000 m2 aan horecavoorzieningen. De bebouwing wordt gereguleerd binnen een bouwvlak. Planologisch wordt niets veranderd aan de horeca-gebruiksfunctie.

88/122

Tussen de planlocatie en de woningen aan de Kraaijeven 6 en 8 is een geluidwal gesitueerd die de overheersende geluidseffecten vanuit de A59 dempt. Zie afbeelding 5.15 en 5.16.

Afbeelding 5.15: overzicht situatie planlocatie en omgeving

Afbeelding 5.16: situatie tussen woningen aan de Kraaijeven - Rijksweg en planlocatie Ook tussen de bestaande woningen Kraaijeven 9 en 11 en de planlocatie is een brede groenzone aanwezig die het geluid fors dempt. Zie afbeelding 5.15 en 5.17.

89/122

Afbeelding 5.17: situatie tussen woning aan de Kraaijeven 11 - Rijksweg en planlocatie Aan de in acht te nemen milieuzonering wordt derhalve ruimschoots voldaan (gelet op de ligging van de woningen in de omgeving). Alleen indien er getwijfeld zou kunnen worden dat een te vestigen horecavoorziening niet zou kunnen voldoen aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit moet specifiek onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat het bedrijf (in een representatieve bedrijfssituatie) aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit kan voldoen. Dit uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening (verantwoord woon- en leefklimaat voor omliggende woningen). Activiteitenbesluit en bestemmingsplan Of er bij vestiging van milieubelastende functies in een bestemmingsplan een redelijk woon- en leefklimaat aan milieugevoelige functies wordt geboden, wordt in beginsel bepaald aan de hand van de richtafstanden uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Wordt aan de VNG-richtafstand voldaan, dan hoeft er geen toets meer aan het Activiteitenbesluit plaats te vinden, tenzij er twijfel bestaat over het kunnen voldoen aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit.

In dat geval en in geval niet aan de richtafstand kan worden voldaan, moet specifiek onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat het bedrijf (in een representatieve bedrijfssituatie) aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit kan voldoen. Dit vanuit de gedachte dat indien aan het Activiteiten- besluit wordt voldaan er in beginsel sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Voor milieuaspecten die niet in het Activiteitenbesluit worden geregeld, geldt dat ze bij de belangenafweging ten behoeve van het bestemmingsplan worden meegewogen en zo nodig in het bestemmingsplan worden geregeld. Het Activiteitenbesluit stelt regels aan bedrijfsactiviteiten. Deze normering heeft in principe geen 'omgekeerde werking'. Dit betekent dat de normen die het Activiteitenbesluit bevat, zich alleen richten op de milieubelastende functies als zodanig. Het Activiteitenbesluit bevat geen normen voor een redelijk woon- en leefklimaat voor milieugevoelige functies. Het besluit creëert ook geen 'rechten' op milieugebruiksruimten. De 'omgekeerde werking' is pas aan de orde bij de afweging die wordt gemaakt in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij speelt ook de milieugebruiksruimte een rol en wel bij de afweging in hoeverre milieubelastende functies (verder) worden beperkt door nieuwe milieugevoelige functies in hun directe omgeving.

In dit verband moet een onderscheid worden gemaakt in situaties waarin a) geen ruimtelijke afweging meer nodig is en b) situaties waarin wel een ruimtelijke afweging is vereist. Horecabedrijven Alle horecabedrijven vallen onder de milieuwetgeving. De meeste horecabedrijven hoeven echter geen

90/122

milieuvergunning aan te vragen, maar kunnen volstaan met een kennisgeving (meldingsplicht). Horecabedrijven dienen echter wel aan milieunormen te voldoen. Deze normen zijn voor alle niet vergunningplichtige horecabedrijven opgenomen in het zogenaamde 'Activiteitenbesluit' de eisen uit het 'Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer' ofwel het 'Activiteitenbesluit' (BARIM)). Een restaurant betreft veelal een type B-inrichting als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer en valt daarmee onder de algemene regels van het besluit. Bij de vestiging van het horecabedrijf (restaurant) dient een melding bij de gemeente te worden gedaan, met informatie over onder andere de bereiding van eten, afvalwater en geluid. De bedrijfsactiviteiten van de inrichting worden getoetst aan de voorschriften vanuit het activiteitenbesluit. Met name van belang zijn de algemene regels op het gebied van de geluidsoverlast en afvoer van afvalwater, oliën en vetten (m.n. de plaatsing van een vetafscheider). Daarbij wordt beoordeeld of de inrichting geen nadelige invloed heeft op het akoestisch woon- en leefklimaat ter plaatse van geluidgevoelige bestemmingen rond een planlocatie. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is bekeken of piekgeluiden (dichtslaande portieren) op de planlocatie (met name in de avonduren) nadelige effecten zouden kunnen opleveren effecten.

Dit is het meest belastende element (piek geluid) waarmee omwonenden geconfronteerd zouden kunnen worden in de avond en nacht periode ofschoon een avondopenstelling (=nacht) vanaf 23.00-07.00 niet aannemelijk lijkt. Het onderzoek is uitgevoerd en daaruit blijkt dat voldaan kan worden aan de richtwaarden (zie bijlage 12 bij de toelichting). Deze richtwaarden hebben geen wettelijke status, maar zijn algemeen aanvaarde waarden. Het is bovendien nog mogelijke hiervan door middel van een bestuurlijke afweging van af te wijken volgens het stappenplan van de VNG-brochure. Tevens kan het volgende nog worden opgemerkt: Horeca lawaai-inrichting Binnen de ruimte zal rustige achtergrondmuziek ten gehore worden gebracht. Het te verwachten equivalente muziekgeluidniveau zal niet meer dan 75 dB(A) bedragen. Bij een dergelijk geluidsniveau is binnen de betreffende ruimte de muziek goed hoorbaar, maar niet overheersend en kan een goed verstaanbaar gesprek worden gevoerd. Horeca lawaai-terrassen Op een terras zal geen versterkte muziek ten gehore worden gebracht. Normaal wordt het geluid dat afkomstig is van een horecagelegenheid getoetst aan de normen uit het Activiteitenbesluit. Bij een dergelijke toetsing mag het stemgeluid van personen op een onverwarmd of onoverdekt terrein buiten beschouwing worden gelaten. Indirecte hinder (geluid i.v.m.

de verkeersaantrekkende werking Geluidhinder veroorzaakt door de verkeersaantrekkende werking van de horeca- voorziening zal beschouwd dienen te worden in het kader van de zorgplicht van het activiteitenbesluit (artikel 12.1 lid 2, onder f en k). Het betreft het rijden van personenauto's naar de parkeervoorzieningen bij het restaurant en de bevoorrading van het restaurant met een vrachtwagen. Voor de indirecte hinder als gevolg van het wegverkeer geldt volgens de 'circulaire “Beoordeling geluidhinder wegverkeer in verband met de vergunningverlening Wet milieubeheer”. Conclusie

91/122

Er wordt voldaan aan de richtafstanden. In de omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven (bestaand en gepland) aanwezig die mogelijk het leefklimaat op de planlocatie in ernstige mate verstoren. Omgekeerd veroorzaken de beoogde functies op de planlocatie geen onevenredige verslechtering op voor het woon- en leefklimaat van de omliggend woningen. Uit het oogpunt van milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de planontwikkeling. 5.7.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. In 2010 heeft er bodemonderzoek plaatsgevonden op de planlocatie in verband met een aankoop van de locatie. Het onderzoek geeft inzicht op de bodemkwaliteit van de locatie op dat moment na de brand. In de meest verdachte bodemlaag zijn toen licht verhoogde concentraties lood, minerale olie en PAK aangetroffen, welke vermoedelijk verband hielden met de aangetroffen puinlaag en puinbijmengingen.

In het grondwater zijn toen geen parameters in verhoogde concentraties aangetroffen. De milieuhygienische bodemkwaliteit was op dat moment geen belemmering voor een aankoop van het perceel. De locatie is sindsdien niet meer in gebruik geweest. Gelet op de gedateerdheid van het laatst plaatsgevonden bodemonderzoek is in het kader van de beoogde ontwikkeling op de planlocatie een bodemonderzoek uitgevoerd ter beoordeling van de huidige bodemkwaliteit ter plaatse. De volledige rapportage met resultaten is opgenomen in bijlage 11 van voorliggend bestemmingsplan. Hierna wordt volstaan met een beknopte samenvatting. Bodemonderzoek Door Milon is in april 2021 een verkennend bodem- en asbest onderzoek en een indicatief asfalt onderzoek uitgevoerd volgens de onderzoeksprotocollen NEN 5725, NEN 5740, met als doel: inzicht te verkrijgen in de bodem opbouw en actuele milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater in het plangebied; met een relatief geringe onderzoeksinspanning, na te gaan of de verdenking van de bodem met asbest terecht is. Het doel van het indicatieve asfalt onderzoek is het bepalen of het op de locatie aanwezige asfalt teerhoudend is. De resultaten van het onderzoek zijn hieronder kort samengevat: Verkennend bodemonderzoek Tijdens de veldwerkzaamheden zijn in de boven- en ondergrond bijmengingen waargenomen aan puin, beton, bakstenen en slakken.

Boringen 12 en 13 zijn gestaakt op leidingwerk. Er zijn licht verhoogde gehalten aan PAK en minerale olie in de bodem aangetoond.

92/122

In MM2 (halfverhardingslaag) zijn een matig verhoogd gehalte aan PAK en licht verhoogde gehalten aan lood en PCB aangetoond. Deze laag is niet geclassificeerd als bodem, derhalve is vervolgonderzoek hiervoor niet zinvol. In het grondwater zijn geen verhoogde concentraties gemeten. In onderstaande tabel zijn de analyseresultaten samengevat. Tabel: Onderzoeksresultaten grond en grondwater Bodemlaag Parameter* Toetsing Wbb Bodemfunctieklasse PFAS lood, PCB, minerale olie licht verhoogd bovengrond Natuur/landbouw PAK matig verhoogd** ondergrond PAK licht verhoogd Natuur/landbouw grondwater niet verhoogd n.v.t. *: uitsluitend de verhoogde parameters zijn weergeven ** betreft geen bodem maar een halfverhardingslaag Wbb: Wet Bodembescherming Indicatief asfaltonderzoek Op basis van de uitgevoerde werkzaamheden en analyses wordt geconcludeerd dat de toplaag van het asfalt met een dikte van 2 mm teerhoudend is. Geadviseerd wordt, gezien de minimale dikte, om al het asfalt als teerhoudend te beschouwen en als zodanig af te voeren. Gezien de relatief dunne asfaltlaag zal het scheiden van het teerhoudend asfalt en het niet- teerhoudend asfalt meer kosten met zich meebrengen dan het volledig laten afvoeren als teerhoudend asfalt. Verkennend asbestonderzoek Tijdens de veldwerkzaamheden is op het maaiveld geen asbestverdacht materiaal aangetroffen.

In inspectiegat 15 zijn drie plaatjes asbestverdacht materiaal aangetroffen. Uit het laboratorium- onderzoek blijkt dat in het mengmonster met bijmengingen van baksteen geen verhoogd asbestgehalte is aangetoond in de fijne fractie. In inspectiegat 15 is een berekend asbestgehalte van 17,3 mg/kg/d.s. aangetoond. Dit gehalte ligt ruim onder de grens voor nader asbestonderzoek. De locatie is daarmee niet verdacht op het voorkomen van een verontreiniging met asbest. Beoordeling De kwaliteit van de grond, het grondwater, de funderingslaag en het asfalt is voldoende bepaald. In de grond zijn maximaal licht verhoogde waarden gemeten. Het grondwater is geheel vrij van verontreinigingen. Vervolgonderzoek is niet noodzakelijk. 5.7.3

Externe veiligheid

Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico's kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

93/122

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risico-ontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat eronder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest.

Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (hierna: PR) en het groepsrisico (hierna: GR). Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader In de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten.

Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Beoordeling In het kader van het plan moet bekeken worden of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan. LPG-tankstation De Geffense Barrière

94/122

Afbeelding

5.18:

situering LPG vulpunt op verzorgingsplaats De Geffense Barrière (bron: risico atlas) In de nabijheid van het plangebied bevindt zich het BP Tankstation de Geffense Barrière (zie afbeelding 5.18). Dit tankstation beschikt over LPG brandstof met daarbij behorende afleverzuilen en een LPG-vulpunt. Voor LPG-tankstations zijn in het Bevi en de daarbij behorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) normen voor het PR opgenomen als aan te houden afstanden. De afstandseisen betreffen grenswaarden waarvan niet kan worden afgeweken. Dit wordt aangeduid als de PR 10-6 contour. Onderscheiden kunnen worden PR contouren in het kader van de ruimtelijke ordening (hierna: RO) en PR contouren in het kader van de Wet milieubeheer (hierna: Wm). Binnen de PR 10-6 contour in het kader van RO mogen geen nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden.

De PR contouren ten aanzien van vulpunt en afleverzuilen zijn gebaseerd op de in de omgevingsvergunning vastgelegde LPG doorzet per jaar en reiken tot aan de planlocatie, waardoor het PR van de LPG-tankstations géén belemmering vormt voor onderhavige planontwikkeling. Daarnaast zijn voor het GR bepalingen opgenomen voor de bevolkingsdichtheid rondom een risico- volle inrichting. De norm ten aanzien van de bevolkingsdichtheid betreft geen harde norm, maar een

95/122

oriëntatiewaarde. Hiervoor bestaat een verantwoordingsplicht. Bij de beoordeling is ook het gebruik van de objecten binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit van belang. Er worden kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten onderscheiden. Kwetsbare objecten hebben een hoger beschermingsniveau dan beperkt kwetsbare objecten. Het invloedsgebied van het station waarbinnen het groepsrisico berekend dient te worden heeft een straal van 150 meter rondom het station. De afstand vanaf het plangebied tot het tankstation is ruim 350 meter. De planlocatie met bebouwing bevindt zich echter op een afstand van ruim 200 meter van het vulpunt. Conform het BEVI en de beleidsvisie EV hoeft het groepsrisico dan niet verantwoord te worden. De verantwoordingsplicht geldt voor ontwikkelingen binnen een afstand van 150 meter. A59 De afstand tussen de A59 en het plangebied is circa 25 meter. Conform artikel 7 Besluit externe veiligheid transportroutes dient in de toelichting van een bestemmingsplan ingegaan te worden op de mogelijkheden t.a.v. zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid ten tijde van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Bij een calamiteit op de snelweg kan men naar de noordzijde van het gebouw, weg van de autosnelweg.

Dit geldt voor zowel de horecafuncties op de begane grondlaag alsmede de kantoorfuncties op de verdieping De opvangen doorstroomcapaciteit in het gebouw is zodanig dat binnen 5-10 minuten na het starten van een ontruiming, de locatie ontruimd kan zijn. In geval van een calamiteit waarbij een toxische wolk vrij komt kan de ventilatie direct worden uitgeschakeld zodra de sirene (waarschuwings- en alarmeringssysteem) en/of een NL-alertmelding binnenkomt. Dit wordt opgenomen in een bedrijfsnoodplan en ontruimingsplan. 5.7.4 Geurhinder: agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”.

Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: de burger beschermen tegen geurhinder; de veehouderijen niet onnodig beperken; ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 wordt de maximale waarde voor de

96/122

geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen de gemeente Oss vastgelegd. Conform Artikel 3 Waarden voor de geurbelasting van de verordening zijn de volgende waarden vastgelegd: Lid 1. Op grond van artikel 6, lid 1 van de wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening: A. Stad Oss B. Woonkern met geen/enige intensieve veehouderij C. Plangebied (bij kern A en B) D. Woonkern met intensieve veehouderij E. Zoekgebied + plangebied Maren-Kessel West en Liesdaal F. Recreatiegebieden G. Extensiveringsgebieden H. Bedrijventerreinen I. Bedrijventerrein Vorstengrafdonk J. Verwevingsgebied K. Landbouwontwikkelingsgebied

1,0 Ou 2,0 Ou 3,0 Ou 6,0 Ou 6,0 Ou 8,0 Ou 8,0 Ou 8,0 Ou 12,0 Ou 14,0 Ou 14,0 Ou

Beoordeling In de directe omgeving van het plangebied is geen (agrarische) bedrijvigheid aanwezig die (geur)hinder veroorzaakt. Afstanden van bestaande agrarische bedrijvigheid tot het plangebied zijn dusdanig groot dat overschrijdingen van de geurnormen uit te sluiten zijn. Voldaan wordt aan de minimale afstand tot veehouderijen van 200 meter (fokken en houden van varkens/pluimvee en nertsdieren) en 100 meter (fokken en houden van rundvee), zoals deze is opgenomen in de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Het aspect ‘geurhinder’ vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling op de planlocatie. 5.7.5 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniek-principe; de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=97cde2ff-cb6f-408a-9009-20904f4cc0ac