Toelichting.PDF
Tekst van het document
De uitstraling van de plek, met bebouwing en parkeervoorzieningen, wordt verbeterd en verhoogd en er is sprake van een zorgvuldig inrichting en gebruik van de ruimte, waardoor het geheel passend in de omgeving en op verzorgde wijze en landschappelijk zo optimaal mogelijk wordt ingepast. Zie hiervoor tevens paragraaf 5.1.2 van dit bestemmingsplan. De kwaliteitsverbetering houdt in dat de ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten Door de zorgvuldige inpassing en de verschillende inrichtingsmaatregelen draagt de herontwikkeling zelfs bij aan een versterking van de huidige kwaliteit in de omgeving, gezien de huidige gebruiksstaat. Er is sprake van een 'kwaliteitsverbetering' doordat de ruimtelijke herontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de aanwezige en potentiële kwaliteiten van de locatie. Een kwaliteits- verbeteringsberekening kan derhalve achterweg blijven.
46/122
Conclusie Er zijn géén provinciale belangen die een belemmering opleveren ten aanzien van de voorgestane planontwikkeling.
4.4
Gemeentelijke beleid
4.4.1 Structuurvisie Op 1 maart 2006 is de structuurvisie voor de gemeente Oss vastgesteld. De structuurvisie schetst de ruimtelijke koers van de gemeente op de langere termijn (tot 2020). Het is de opvolger van het Ruimtelijk Ontwikkelingsplan 1996 - 2015. In de visie zijn op het gebied van het wonen de volgende opgaven geformuleerd: het versterken van de kwaliteit en de diversiteit van de woonmilieus; het verhogen van de leefbaarheid in de wijken en de kernen; het voorzien in de woningbehoefte, met name voor ouderen en jongeren; het verhogen van de keuzemogelijkheden in het aanbod van woningen en woonmilieus; het vasthouden van de huishoudens met de hogere inkomens. Ten aanzien van het voorzieningenniveau is in de visie neergelegd dat de gemeente Oss er naar zal streven een bereikbaar voorzieningenpakket voor de wijken en de kernen in stand te houden. Beoordeling Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de structuurvisie uit 2006, aangezien op het moment van vaststelling van de structuurvisie het plangebied behoorde tot de zelfstandige gemeente Maasdonk en niet tot de gemeente Oss.
47/122
Afbeelding 4.6: planlocatie (blauwe ster) gesitueerd buiten begrenzing structuurvisie Oss (Bron: Gemeente Oss) De gemeente Maasdonk werd gevormd in 1993 door de samenvoeging van de gemeenten Geffen en Nuland, en het grootste deel van het dorp Vinkel, dat over een aantal gemeenten was verdeeld. Door een gemeentelijke herindeling is de gemeente Maasdonk per 1 januari 2015 opgeheven. Geffen en de directe omgeving, waaronder de planlocatie in onderhavig bestemmingsplan, hoort per deze datum bij de gemeente Oss. Conclusie Gesteld kan worden dat het beleid uit de structuurvisie relatief verouderd is en niet van toepassing is op het plangebied. Op dit moment wordt een nieuwe omgevingsvisie voorbereid. 4.4.2 Structuurvisie Buitengebied Oss – 2015 De gemeente Oss heeft een omvangrijk buitengebied. In de afgelopen jaren zijn de buitengebieden van Oss, Lith en Geffen samengevoegd. Voor de afzonderlijke buitengebieden waren al structuurvisies opgesteld. Het is belangrijk dat de gemeente een integrale visie heeft op het totale buitengebied van de gemeente Oss. Deze visie is samengekomen in de 'Structuurvisie Buitengebied Oss – 2015'. Het plangebied van deze structuurvisie is het totale buitengebied van de gemeente Oss, met uitzondering van motorcrosscircuit Nieuw-Zevenbergen en vakantiepark Herperduin.
De structuurvisie biedt de juridische basis voor financiële bijdragen bij ruimtelijke ontwikkelingen. In de structuurvisie zijn doelstellingen opgenomen die moeten leiden tot een robuuste en duurzame ruimtelijke structuur voor een vitaal en multifunctioneel buitengebied. Dit moet resulteren in: Een vitaal buitengebied, waar een goed evenwicht is tussen alle aanwezige functies zoals landbouw, toerisme, recreatie, natuur, water en wonen Een versterking van de ruimtelijke identiteit met aandacht voor verscheidenheid, ruimte en landelijkheid Een versterking van de aanwezige landschapstypen: uiterwaarden, oeverwal, komgebied, dekzandrand en
48/122
dekzandrug Behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische structuren en elementen Gebieden met blijvende ruimte en mogelijkheden voor (grondgebonden) landbouw, met name binnen het primaire agrarisch gebied Voldoende afstand tussen slecht verenigbare functies zoals wonen en intensieve veehouderij De instandhouding van de leefbaarheid door het zorgvuldig en afgewogen bieden van ruimte aan nieuwe economische dragers Nieuwe impulsen voor toerisme en recreatie, met bijzondere aandacht voor versterking van de recreatie in de Maashorst en het Maasgebied en het ontwikkelen van aantrekkelijke uitloopgebieden met natuur en recreatie nabij de stad Oss en toeristisch-recreatieve verbindingen tussen kernen op afstand van de Maas en de Maasdijk Het bieden van ruimte voor waterveiligheid, waterkwantiteit en waterkwaliteit De bovenstaande doelstellingen worden door vertaald naar een ontwikkelingsvisie per landschapstype. We maken onderscheid tussen: Uiterwaarden Oeverwal Komgebied Dekzandrand Dekzandrug Primair agrarisch gebied Per landschapstype is een gebiedsbeschrijving, een ruimtelijke en een functionele visie opgenomen. Naast de visies per landschapstype zijn er ook ontwikkelingsvisies opgesteld per bebouwconcentratie.
Per bebouwingsconcentratie is een beschrijving van de ruimtelijke situatie van het gebied gegeven, evenals een visie over landschappelijke kenmerken en de mogelijkheden voor ontwikkelingen en transformaties. We beschrijven in welke bebouwingsconcentraties de realisatie van nieuwe woningen ruimtelijk voorstelbaar is. Daarnaast geven we aan welke andere functies eventueel mogelijk zijn. Uitgangspunt is nieuwe burgerwoningen in het buitengebied niet gewenst zijn. In hoofdlijn zijn de mogelijkheden voor het bouwen van nieuwe burgerwoningen in het buitengebied beperkt tot drie mogelijkheden: in de vorm van een stedelijke ontwikkeling binnen zoekgebied verstedelijking, in de vorm van een ruimte-voor-ruimte woning binnen een bebouwingsconcentratie, of met de regeling kwaliteitsverbetering bebouwings- concentraties binnen zoekgebied verstedelijking. Beoordeling het plangebied is gesitueerd binnen het landschapstype dekzandrug (kamp- en heideontginning). De dekzandrug is een hoger gelegen zandgebied met een besloten tot halfopen karakter. Van oorsprong zijn deze gebieden bedekt met bos. Door de bevolkingsgroei en ontwikkeling van de landbouw zijn in plaats van bos heidegebieden ontstaan. De bosgebieden werden op sommige plekken omgevormd tot kleinschalig landbouwgebied.
De dekzandrug is onder te verdelen in een gebied dat voor een groot deel bosbouwkundig in gebruik is (het stuifduinen- en boscomplex) en een deel dat agrarisch in gebruik is genomen (de kamp- en heideontginningen), waar het plangebied onderdeel van uitmaakt.
49/122
Afbeelding 4.7: planlocatie (rode ster) gesitueerd op het dekzandrug landschapstype (Bron: Gemeente Oss) Naast natuur ten oosten van het plangebied komt ten westen van het plangebied wat niet-agrarische bedrijvigheid voor, die op grond van hun aard en/of productie niet tot de agrarische of recreatieve bedrijven behoren. Deze niet-agrarische bedrijven zijn niet aan het buitengebied gebonden. Ook op de planlocatie zelf was een niet aan het buitengebied verbonden activiteit (voormalig wegrestaurant) gevestigd. De situatie ter plaatse van het plangebied en directe omgeving kan dan ook geprofileerd worden als een gemengd landelijk gebied Het landelijk gebied is in principe horecaluw. Niettemin zijn horecabestemmingen in het buitengebied voorstelbaar mits aard en schaal van een dergelijke voorziening passend zijn. Het plangebied met de beoogde ontwikkeling betreft een langdurig in gebruik zijnde horecalocatie, die hernieuwd ingevuld gaat worden met horecavoorzieningen. Daarbij past aard en schaal van de beoogde horecavoorzieningen en additionele voorzieningen bij de locatie en omgeving, zijnde een snelweglocatie met een goede bereikbaarheid. De planontwikkeling past dan ook binnen de kaders van de Structuurvisie Buitengebied Oss.
4.5
Horeca
In het Integraal Horecabeleidsplan zijn de sociaal-maatschappelijke, economische en ook ruimtelijke aspecten van de horecabranche betrokken. Ruimtelijk gezien zijn de volgende uitgangspunten uit het horecabeleidsplan van belang: gestreefd wordt naar een clustering van horeca met andere publieksgerichte voorzieningen; gebieden met een overheersende woonfunctie zijn horecaluwe gebieden; het beleid is niet gericht op uitbreiding van de horecafuncties; in de gemengde gebieden met voorzieningen (wijk- en buurtcentra) en langs hoofdstraten waar al meerdere
50/122
publieksgerichte voorzieningen aanwezig zijn, is horeca met een gebiedsgerichte functie toelaatbaar. voor de wijk- en buurtcentra gaat het vooral om daghoreca die zich richt op het winkelende publiek, zoals een lunchroom of cafetaria. In specifieke situaties kan bij voorzieningenclusters de vestiging van een café als gerichte buurtontmoetingsplek voorstelbaar zijn. De bestaande horecavoorzieningen in de buurten en wijken liggen veelal aan de hoofdstraten waar al meerdere publieksgerichte voorzieningen aanwezig zijn. Het ruimtelijk beleid is hier consoliderend, dat wil zeggen dat deze voorzieningen overwegend gehandhaafd kunnen blijven. In het beleidsplan wordt verder aangegeven dat het streven erop is gericht om bij de actualisering van bestemmingsplannen de regels te standaardiseren aan de hand van standaardregels. Voor de horeca zijn hiertoe vijf horecabestemmingen geformuleerd. De horecabestemming categorie 1 t/m 3 omvat zogenaamde lichte, winkelondersteunende horeca, zoals een snackbar en een restaurant. De categorieën 4 en 5 betreffen de zogenaamde zware uitgaanshoreca, zoals een café, discotheek en casino (nb. de definities in dit bestemmingsplan kennen een andere categorie-indeling). De gemeente wil de horeca binnen heldere kaders mogelijkheden bieden om het horeca-aanbod naar eigentijdse maatstaven te ontwikkelen.
Een belangrijk aspect daarbij is het bieden van ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden voor de horeca. Uitgangspunt vanuit het ruimtelijke beleid is dat de horecaontwikkeling is afgestemd op de functie van het omliggende gebied. Met een gebiedsgerichte differentiatie kan worden ingespeeld op zowel de karakteristieken van de verschillende vormen van horeca, als ook de hoofdfunctie van de verschillende gebiedsdelen van Oss. In het algemeen geldt als ruimtelijk uitgangspunt voor de horeca: het streven van clustering van horeca met andere publieksgerichte voorzieningen. Dit geldt zowel voor het stadscentrum als voor andere delen binnen de gemeente. Randvoorwaarden daarbij zijn een blijvende beheersbare situatie voor de openbare orde en veiligheid, afstemming op de overige functies en een goede ruimtelijke inpassing, naast een goede bereikbaarheid en parkeervoorzieningen Beoordeling In bestaande situatie was er sprake van een wegrestaurant ter plaatse van de planlocatie, goed bereikbaar vanuit het achterland alsmede vanaf de autosnelweg met voldoende parkeervoorzieningen. Met de beoogde ontwikkeling wordt de snelweglocatie hernieuwd ingevuld met een gevarieerd aanbod aan diverse geclusterde horecamerken, afgestemd op de hedendaagse behoefte van de consument.
Tevens kan vanwege het flexibele concept ook ingespeeld worden op de toekomstige behoefte van de consument gecombineerd met een andere toenemende behoefte aan flexibel in te vullen kantoor- ruimten op strategische locaties, zoals onderhavige snelweglocatie vanwege de goede bereikbaarheid en voldoende parkeervoorzieningen. De toegelaten horeca voorzieningen zijn bovendien afgestemd op de binnen de gemeente Oss gehanteerde systematiek qua horeca-bestemmingen.
51/122
4.6
Kantoren
Eind 2011 heeft de gemeenteraad de Kantorennota 'Meer grip op de Osse Kantorenmarkt' vastgesteld. Dit is een herziening van de gemeentelijke kantorennota uit 2008. Door de economische crisis was het wenselijk de berekeningen uit 2008 opnieuw tegen het licht te houden. Uit de nota van 2010 blijkt dat er binnen de gemeente Oss nog steeds behoefte is aan nieuwe kantoorruimte. Die behoefte is wel minder dan in 2008. Daaruit volgt dat duidelijke keuzes moeten worden gemaakt over locaties. Waar in de nota van 2008 nog verschillende locaties (waaronder bedrijventerrein Euterpelaan) als geschikt voor kantoorontwikkeling werden genoemd, legt de nota uit 2010 de nadruk op het kiezen voor de beste locatie. In een veranderende kantorenmarkt is een centrum/stationslocatie het locatietype dat toekomstgericht is en het beste aansluit bij de wensen van de moderne kantoorgebruiker. Dit o.a. vanwege de dubbele bereikbaarheid, multifunctionaliteit en gebiedskwaliteit. Nieuwe kantoor- ontwikkelingen dienen plaats te vinden op centrum/stationslocaties. Vanuit de beperkte behoefte betekent dit dat met het toestaan van kantoren op andere locaties terughoudend moet worden omgegaan, zeker gezien de geconstateerde versnippering van het Osse kantooraanbod. Beoordeling De vraag naar kantoorruimte bestaat deels uit een uitbreidingsvraag maar met name uit een vervangingsvraag.
Vanwege de invloed van het ‘nieuwe werken’ neemt het ruimtegebruik per arbeidsplaats (kantoor- quotiënt) af en is er behoefte om in te kunnen inspelen op de behoefte van flexconcepten met vergaderruimte en flexibele verhuur. Daarnaast is een trend waarneembaar van niche concepten in andere economische zones dan de traditionele locaties. Een goede bereikbaarheid en aanvullende additionele voorzieningen zijn daarbij essentieel. Met het concept 'Brier59' wordt ingespeeld op een groeiende behoefte aan flexibel in te richten en af te nemen kantoorruimten, goed bereikbaar en voorzien van voldoende parkeervoorzieningen. Tevens is er sprake van een clustering met horecavoorzieningen wat meerwaarde creëert voor het verblijf ter plaatse en tevens de exploitatie- mogelijkheden van de locatie aanzienlijk verbeterd/vergroot. Daarnaast zijn de faciliteiten afgestemd op de groeiende markt aan elektrische auto's en het veranderde mobiliteitsgedrag (slim, efficiënt en doelmatig reizen). Zie tevens hetgeen hieromtrent is beschreven in de notitie 'Onderbouwing kantoorfunctie' die als bijlage 4.6 bij de toelichting van het bestemmingsplan is gevoegd. De beoogde locatie doet geen afbreuk aan het beleid van de gemeente om nieuwe kantoorlocaties zoveel mogelijk te ontwikkelen op een centrum-/stationslocatie.
De planlocatie Geffense Barrière betreft een functioneel gemengde locatie, met een hoofdaandeel aan horecavoorzieningen, waarbij de additionele omvang aan beschikbare kantoorruimte beperkt van omvang is en inspeelt op een groeiende behoefte aan kantoorruimte volgens het 'nieuwe werken' concept met een goede bereikbaarheid, niet zijnde een centrum-/stationslocatie met uitgebreide openbaar vervoer voorzieningen.
52/122
53/122
Hoofdstuk 5 5.1
Omgevingsaspecten
Landschap
5.1.1 Nota Landschapsbeleid Binnen de gemeente Oss bestaat grote aandacht voor het landschap en het landelijke gebied. De Nota Landschapsbeleid zorgt voor een beleidskader welke een sturende werking heeft bij ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied. Ruimtelijke ingrepen en nieuwe functies in het buitengebied hebben een grote uitstraling naar de omgeving. Dit betekent dat bij deze ingrepen (bijvoorbeeld de bouw van agrarische bedrijfsgebouwen) eisen aan de landschappelijke inpassing van objecten moeten worden gesteld. De gemeente wordt verder geconfronteerd met de aanleg (of juist verwijdering) van (landschaps)elementen door particulieren op agrarische percelen in het buitengebied. Dergelijke initiatieven komen vaak niet overeen met de ter plaatse aanwezige en te behouden landschappelijke kwaliteit (bijvoorbeeld behoud van openheid of gebruik van niet-inheemse boomsoorten). Goede toetsingskaders en sturingsinstrumenten zijn voor bescherming maar ook voor ontwikkeling van het landschap onmisbaar. In de Nota Landschapsbeleid wordt per deelgebied beschreven wat de landschappelijke visie is. De verschillende deelgebieden zijn: Uiterwaarden Oeverwal Komgebied Dekzandrand Dekzandrug Per deelgebied wordt aangegeven wat de ontwikkelingsvisie is. Daarbij worden aandachtspunten voor uitwerking en uitvoering geschetst.
54/122
Figuur 5.1: Landschapstypen (Bron: Gemeente Oss) Beoordeling Het plangebied aan 'Geffense Barriere' ligt in het landschapstype dekzandrug (stuifduinen- boscomplex). De kaart met landschapstypen met daarbij een globale aanduiding van het plangebied is weergegeven in figuur 5.1. 5.1.2
Kwaliteitsverbetering van het landschap
Regeling 'kwaliteitsverbetering van het landschap' De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant eist, bij een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in het landelijk gebied, een fysieke kwaliteitsverbetering van de landschappelijke kwaliteit. Dit staat in artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening. In januari 2013 is het afsprakenkader over de toepassing en uitwerking van deze regeling vastgesteld. Dit regionale afsprakenkader is oorspronkelijk bedoeld als uitwerking van regeling 'Kwaliteitsverbetering van het landschap' uit de Verordening ruimte. Het afsprakenkader geldt nog steeds. Toepassingsbereik De notitie toepassingsbereik vormt het basisdocument voor het afsprakenkader van de provincie met de gemeenten in de regio Noordoost. Deze notitie bevat de categorie-indeling voor de niet-planmatige ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied en de bijbehorende tegenprestatie. Deze notitie geeft de minimale inspanning aan die de gemeente Oss regionaal heeft afgesproken. Gemeenten hebben alle vrijheid om meer kwaliteitsverbetering te verlangen als ze dat nodig vinden op basis van beleids- of gebiedsambities. Het afsprakenkader is nadrukkelijk geen ruimtelijk afwegingskader. Gemeenten moeten zelf beoordelen of een ontwikkeling ruimtelijk gewenst is.
Vervolgens kan aan de hand van het afsprakenkader beoordeeld worden waar de kwaliteitsverbetering minimaal aan moet voldoen. Afspraken toepassingsbereik 1. de notitie Toepassingsbereik en met name de verdeling van ruimtelijke ontwikkelingen over de
55/122
verschillende categorieën is de basis voor het afsprakenkader over toepassingsbereik. 2. bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen is kwaliteitsverbetering altijd van toepassing; 3. bij niet-planmatige ontwikkelingen: tegenprestatie gerelateerd aan impact: a. cat. 1 geen impact: geen tegenprestatie b. cat. 2 beperkte impact: landschappelijke inpassing c. cat. 3 grote impact: berekende kwaliteitsverbetering van het landschap Afspraken kwaliteitsverbetering 1. Bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen: storting in een landschapsfonds of bijdrage in natura in landschapsversterkend project. 2. Bij niet-planmatige ontwikkelingen zijn gemeenten zelf verantwoordelijk voor de toepassing: in natura (op of nabij de projectlocatie), financiële bijdrage in landschapsfonds of een combinatie van beide. 3. Bij kwaliteitsverbetering in natura (op of nabij de projectlocatie) bevat het ruimtelijk plan de verantwoording van de kwaliteitsverbetering. 4. De regio kiest niet voor een (sub)regionaal landschapsfonds. Indien gemeenten een grensoverschrijdend landschapsproject willen realiseren, weten zij elkaar te vinden. Beoordeling Op dit moment verkeerd het plangebied is een slechte staat. De aanwezige bebouwing betreft een bouwval en het terrein is sedert lange tijd niet meer onderhouden.
Met de beoogde planontwikkeling wordt de planlocatie opgewaardeerd en verkrijgt een kwaliteitsimpuls met een functionele herinvulling en uitstraling passend bij de snelweglocatie. Door realisatie van de beoogde ontwikkeling op de planlocatie is er sprake van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering ten opzichte van de bestaande situatie.
5.2
Natuur
5.2.1 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Maar sommige soorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is dan ook belangrijk. Rolverdeling tussen provincies en Rijk Sinds 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur binnen de provincie. De provincies zorgen voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren en internationaal beleid (zoals Natura 2000-gebieden). Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen die invloed hebben op beschermde natuur moeten passen binnen de Wet natuurbescherming. Daarnaast gelden ook provinciale regelingen voor natuurbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de van de bij of krachtens deze wet geldende
56/122
verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Dit is anders indien uit de Wnb voortvloeit dat een passende beoordeling moet worden gemaakt. Deze dient te zijn verricht ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan. Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Sinds 1 januari 2017 bepalen de provincies in principe wat wel en niet mag in de natuur binnen de provincie. De provincies zorgen voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren en internationaal beleid (zoals Natura 2000-gebieden). Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen die invloed hebben op beschermde natuur moeten passen binnen de Wet natuurbescherming. Daarnaast gelden ook provinciale regelingen voor natuurbescherming. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: a. Natura 2000-gebieden; b. Bijzondere nationale natuurgebieden; c. Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Natura 2000-gebieden Het hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" in de Wnb heeft betrekking op de Natura 2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Per Natura 2000-gebied zijn (instandings)doelen opgesteld, voor: de leefgebieden van vogels; de natuurlijke habitats of habitats van soorten. Handelingen of activiteiten binnen en buiten beschermde natuurgebieden die schadelijk kunnen zijn voor de doelstellingen van het gebied zijn verboden, tenzij door het bevoegd gezag hier vergunning voor is verleend. Hierbij wordt het ‘Nee, tenzij’ principe gebruikt. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. De provincie dient voor deze Natura 2000-gebieden een Natuurbeheerplan op te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft dit gedaan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. Dit plan beschrijft de beleidsdoelen en de subsidiemogelijkheden voor ontwikkeling en beheer van natuurgebieden, agrarische natuur en landschapselementen in de provincie. Daarnaast staan in het beheerplan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Als door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden.
Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.
57/122
Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en 3. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Bijzondere nationale natuurgebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) kan buitenom de gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden Natura 2000, ook gebieden aanwijzen als Bijzonder nationaal natuurgebied wanneer het gebied is opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn of het gebied onderwerp is van een procedure als bedoeld in artikel 5 van de Habitatrichtlijn. De beschermende werking die geldt voor gebieden die behoren tot Natura 2000-gebieden, geldt in dat geval ook voor het bijzondere nationaal natuurgebied. Natuurnetwerk Nederland (NNN) / Natuurnetwerk Brabant (NNB) Natuurnetwerk Nederland (voorheen ecologische hoofdstructuur) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden. Het netwerk laat natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur wordt aangelegd; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; grotere wateren: meren, rivieren, de kustlijn van de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden. De verantwoordelijkheid van het natuurnetwerk ligt bij de provincies.
Het Natuurnetwerk Nederland moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen het aaneengesloten pan-Europese Ecologische Netwerk (Peen) vormen. Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. De provinciale groenstructuur in Noord-Brabant bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en
58/122
landschapswaarden via een "nee-tenzij benadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: a. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; b. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; en c. de bescherming van overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.
Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.
Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee, voor het op of in de bodem brengen van meststoffen en voor agrarische beregening uit grondwater. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis,
59/122
dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wild zwijn en woelrat. 5.2.2 Groen en natuur/biodiversiteit Natuur- en landschapsvisie 2005 De visie vormt een toetsings- en ontwikkelingskader voor het natuur- en landschapsbeleid in Oss. Zij geeft richting aan ontwikkelingen en nodigt initiatiefnemers uit om een bijdrage te leveren aan projecten. De visie heeft als bouwsteen bijgedragen aan de Structuurvisie Oss 2020. De ambities die in de visie zijn opgenomen zijn: Het realiseren van een tweetal natuur- en landschapsparken, te weten: 'Maashorst-Herperduin' en het Maaspark'. Het realiseren van stevige verbindingen tussen de natuur- en landschapsparken. Behoud en herstel van natuur- en landschapswaarden in het 'Land van Grutto en Pastinaak' en het 'Land van Dassen en Struweel'. Het realiseren van een groenblauw lint door de polder rond de Hertogswetering. Het ontwikkelen van aantrekkelijke groengebieden in en rond Oss en de dorpen, te weten de 'Groenblauwe Slinger door Oss', de 'Groene geledingszone ten zuiden van Oss', de 'Groene dorpen' en de 'Maasband'.
Routekaart Groen, Blauw en Natuur In deze nota is aangegeven dat we de natuur en de biodiversiteit willen verbeteren door in te zetten op een gemeentelijk natuurnetwerk, aanvullend op het provinciaal netwerk. Het landschap en de ontstaansgeschiedenis van de gemeente Oss vormen daarbij de basis. Daarbij onderscheiden we de vijf gebieden die ook in de Natuur- en Landschapsvisie worden genoemd. Natuurinclusief bouwen De gemeente streeft ernaar om bij (ver)bouwen zoveel als mogelijk rekening te houden met de natuur en de biodiversiteit ofwel 'natuurinclusief' te bouwen. Aan initiatiefnemers wordt gevraagd om dit ook te doen. Bijzonder waardevolle bomen In 1998 is de beleidsnota “Bijzonder waardevolle bomen” opgesteld, waarin bomen zijn opgenomen die vanwege specifieke waarden bescherming verdienen. De lijst met waardevolle bomen wordt periodiek geactualiseerd. De laatste actualisatie is opgenomen in de nota “Bijzondere bomen in Oss 2018”. In deze nota is vastgelegd dat de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de aangewezen waardevolle bomen altijd geweigerd moet worden tenzij het kappen van deze bomen vanuit het algemene belang noodzakelijk is. Dit is verder vertaald in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Op grond van de APV is voor het kappen van bomen die op de Beschermde bomenlijst staan een vergunning vereist.
De vergunning kan op grond van verschillende criteria door het college van burgemeester en wethouders worden geweigerd. Beoordeling De planlocatie is gezien de ligging nabij de snelweg A59 niet geschikt om te gaan fungeren als onderdeel van de ontwikkeling van een groene geledingszone ten zuiden van Oss. De bestaande locatie is vrijwel volledig verhard
60/122
en zal ook ten behoeve van de beoogde ontwikkeling vrijwel volledig verhard blijven. Op de planlocatie zijn bovendien geen bomen aanwezig die op de Beschermde Bomenlijst staan. In het bouwontwerp zelf en aan de randzone van de parkeervoorzieningen zal voor zover mogelijk rekening gehouden worden met een natuurinclusieve inrichting en zal er sprake zijn van een manier van duurzaam bouwen, waarbij de natuur er niet of zo min mogelijk onder leidt. 5.2.3 Natuurtoets Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Deze bescherming moet ertoe leiden dat het voortbestaan van de soort niet in gevaar komt. De gebiedsbescherming is gericht op de bescherming van kwetsbare natuurgebieden Gebiedsbescherming Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk (NNN/NNB). De afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden bedraagt ruim 11,4 kilometer tot het natura 2000-gebied gebied Rijntakken, Uiterwaarden Waal (zie afbeelding 5.2) en ruim 13,7 kilometer tot het Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek (zie afbeelding 5.3).
Figuur 5.2: Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied Rijntakken (Bron: Provincie Gelderland)
61/122
Figuur 5.3 Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek (Bron: Provincie Noord-Brabant) Gezien de grote afstand tot deze Natura 2000-gebieden (meer dan 11 respectievelijk 13 kilometer) is een externe invloed van de geplande ontwikkeling op de projectlocatie zowel voor de sloop-, aanleg- als gebruiksfase ten aanzien van de uitstoot van stikstof (depositie) op deze gebieden op voorhand uit te sluiten. Ook overige negatieve effecten, zoals toename van geluid, trilling, licht zijn op voorhand uit te sluiten, door de afstand tot deze Natura 2000-gebieden, de aard en het gebruik van het tussenliggende gebied (stedelijke woon- en gebruiksfuncties, wegen) en de aard van de beoogde ontwikkeling. Niettemin is onderzoek uitgevoerd naar de gebruiksfase. Stikstofdepositie tijdens gebruiksfase Door initiatiefnemer is een AERIUS berekening uitgevoerd ten aanzien van de stikstofuitstoot ten behoeve van de gebruiksfase (verkeersbewegingen van bezoekers/ personeel) en gebruik van het gebouw met stookinstallaties. Voor de vervoersbewegingen is worst-case uitgegaan van een verkeersgeneratie van 500 verkeersbewegingen per etmaal over de Rijksweg, waarvan 167 richting Geffen en 333 richting Oss 9 (licht verkeer - personenwagens) en 4 verkeerbewegingen middelzwaar vrachtverkeer over de Rijksweg naar Oss.
Ook bij een invoer met 1.000 motorvoertuigen is er geen sprake van een overschrijding. Uit de berekening blijkt dat er géén sprake is van depositieresultaten boven 0,00 mol/ha/jr. De berekeningen
62/122
zijn opgenomen in een separate bijlage en toegevoegd aan het bestemmingsplan als bijlage 4 van de toelichting. Stikstofdepositie tijdens aanleg- sloopfase Voor de aanlegfase (sloop- en bouwfase met mobiele werktuigen op de planlocatie en verkeersbewegingen van werk- en bouwverkeer) zijn geen berekening uitgevoerd. Het uitvoeren van een dergelijke berekening is op dit moment niet doelmatig en effectief. Daarbij zijn de volgende overwegingen van toepassing: de activiteiten zullen minder belastend zijn dan in de gebruiksfase; op dit moment is nog niet bekend wanneer de sloop- en bouwactiviteiten gaan plaatsvinden (welke periode, en/of verspreid over meerdere jaargangen); het is op dit moment nog niet bekend aan welke aannemer de sloop- en bouwactiviteiten gegund worden en met welke voertuigen en materialen de sloop- en bouwactiviteiten uitgevoerd zullen gaan worden; inmiddels heeft de tweede kamer (17 december 2020) en de eerste kamer (9 maart 2021) de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (hierna: Wsn) en het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (hierna: Bsn) aangenomen, waarvan de inwerkingtreding op 1 juli 2021 heeft plaatsgevonden. Wsn en Bsn De Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) regelt een vrijstelling van de vergunningplicht in artikel 2.7, lid 2 Wnb voor de aanlegfase van bouwwerkzaamheden.
De vrijstelling is verder uitgewerkt in het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn) met aanwijzing in het nieuwe artikel 2.5 van het Bnb. Deze partiële vrijstelling geldt alleen voor de effecten als gevolg van stikstofdepositie en niet voor eventuele andere effecten als gevolg van het project op Natura-2000 gebieden. Wat valt onder de vrijstelling: het bouwen en slopen van een bouwwerk; het verplaatsen van grond in het kader van bouwrijp maken van een terrein; de vervoersbewegingen die samenhangen met de werkzaamheden (o.a. het aan- en afvoeren van bouwmaterialen en emissies van werktuigen op de bouwplaats). “Deze partiële vrijstelling kan ook helpen bij het vaststellen van bestemmingsplannen door gemeenten. Als het bestemmingsplan dient om bepaalde bouwactiviteiten of de aanleg of wijziging van werken mogelijk te maken, zal voor dit onderdeel van het plan kunnen worden verwezen naar het feit dat al een beoordeling door de wetgever heeft plaatsgevonden die een partiële vrijstelling voor de bouwfase van het project heeft vastgesteld. Als gevolg daarvan kan bij de beschouwing van de stikstofemissies wat betreft de bouwfase gebruik worden gemaakt van de onderbouwing in de toelichting van het besluit.” (citaat uit paragraaf 5.4 Nota van Toelichting Bsn).
Gemotiveerd wordt dat de partiële vrijstelling, gelet op tijdelijkheid van emissies van activiteiten van de bouwsector (bouwfase), in het licht van de effectiviteit van de structurele aanpak het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen niet in de weg staat. Bij de vormgeving van de partiële vrijstelling is rekening gehouden met het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State. Die stelt dat een partiële vrijstelling voor tijdelijke deposities door de bouwsector verdedigbaar kan zijn in het licht van een geloofwaardig en effectief pakket van maatregelen die nodig zijn voor de verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen
63/122
van de desbetreffende Natura 2000-gebieden en om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats van soorten in het desbetreffende gebied niet verslechtert. Daaraan wordt invulling gegeven met het pakket aan natuur- en bronmaatregelen en met de waarborgen die in de Wsn zijn opgenomen, waaronder een resultaatsverplichting en de monitorings- en bijsturingssystematiek. Een vergunning in het kader van de Wnb (gebiedsbescherming) is gelet op het voorgaande in het kader van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet noodzakelijk. Natuurnetwerk Brabant (NNB) Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (NNB). De dichtstbijzijnde NNB-gebieden liggen op korte afstand ten westen (circa 150 meter) en ten oosten de Geffense Bosjes (circa 600 meter) van het plangebied. In figuur 5.4 is de ligging van het plangebied ten opzichte van deze beschermde gebieden weergegeven.
Afbeelding 5.4: Ligging plangebied ten opzichte van NNB-gebieden (Bron: Provincie Noord-Brabant) Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. De planontwikkeling heeft geen direct effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van deze NNB-gebieden. Externe effecten (belastende effecten) op deze NNB locaties worden veroorzaakt door het autoverkeer op de snelweg A59. De mogelijke effecten van verlichting aan de signaleringszuil rijken niet tot deze gebieden. Het afwegingskader van de Interimverordening Noord Brabant is niet van toepassing en vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt niet noodzakelijk geacht. Houtopstanden De Wet natuurbescherming (Wnb) beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij Gedeputeerde Staten.
64/122
De bestaande bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden, als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wnb. De te vellen bomen op de projectlocatie betreft een houtopstand op erven of in tuinen. Voor deze houtopstand geldt geen meldingsplicht en herplantplicht. Soortenbescherming Er is in het kader van de Wnb nagegaan of vaste rust- en verblijfplaatsen door de beoogde ingreep opzettelijk worden aangetast (verwijderd, ongeschikt gemaakt) of dat dieren opzettelijk worden verontrust, verjaagd of gedood. Verder is er gekeken of er invloeden zijn die leiden tot een verminderde geschiktheid als foerageergebied waarbij het een zodanig belang betreft dat bij het wegvallen van deze functie ook vaste rust- en verblijfplaatsen niet langer kunnen functioneren. Op 15 januari 2020 heeft veldinventarisatie plaatsgevonden op de planlocatie in het kader van een quikscan flora en fauna. De resultaten van deze schouw zijn verwerkt in een inventarisatierapportage die integraal als bijlage 5 bij de toelichting is opgenomen. Hieronder volgt een beknopte samenvatting. Uit de resultaten van de quickscan flora en fauna blijkt, dat het plangebied deel uitmaakt (naar verwachting) van het leefgebied van een aantal beschermde soorten.
Tijdens en na het uitvoeren van de voorgenomen ontwikkeling blijft het plangebied voor een deel van deze soorten onderdeel van het leefgebied (algemeen voorkomende soorten zoals muizen en konijn). Ten aanzien van deze soorten worden geen verbodsbepalingen overtreden. Voor een aantal soortgroepen/soorten zijn vervolgstappen nodig om overtredingen op grond van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Deze zijn in onderstaande tabel opgenomen. Soortgroep
Broedvogels
Vleermuizen
65/122
algemeen
jaarrond beschermd verblijfplaatsen
Geschiktheid habitat ja
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffings-aa Opmerkingen nvraag
mogelijk
nee
nee
nee
nee
nee
nee
ja
mogelijk
ja
mogelijk
sloop en/of groenverwijdering buiten het broedseizoen uitvoeren of voorafgaande aan de werkzaam- heden een broedvogel inspectie uitvoeren aanvullend onderzoek uitvoeren naar gebouw bewonende vleermuizen
foerageer-ge bied vliegroutes
ja
nee
nee
nee
-
mogelijk
mogelijk
ja
mogelijk
ja
mogelijk
nee
nee
Amfibieën
minimaal
mogelijk
nee
nee
Reptielen Vissen Libellen en vlinders Overige ongewervelden Vaatplanten
nee nee nee nee
nee nee nee nee
nee nee nee nee
nee nee nee nee
gezamenlijk met het onderzoek naar verblijfsfuncties uit voeren aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren als egel en diverse muizensoorten aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene amfibieën als bruine kikker en gewone pad -
nee
nee
nee
nee
-
Grondgebonden zoogdieren
Op basis van de quickscan kan het volgende worden geconcludeerd: Voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden dient tijdig duidelijkheid te worden verkregen over de eventuele aanwezigheid van mogelijke verblijfplaatsen van gebouw bewonende vleermuizen en eventuele aanwezige vliegroutes. Hierdoor wordt een vervolgonderzoek uitgevoerd. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen of voor start van de werkzaamheden een broedvogelinspectie uit te voeren. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient altijd rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Een vervolgonderzoek naar aanwezigheid van mogelijke verblijfsplaatsen van vleermuizen en broedvogels vervolgens in gang gezet. Tussenrapprtage Naar aanleiding van de uitgevoerde quikscan is er een inventarisatie ten aanzien van vleermuizen uitgevoerd volgens de daarvoor opgestelde protocollen. De eerste inventarisatieronden heeft plaatsgevonden tussen mei-juli 2021.
Volgens protocol worden in het najaar van 2021 nog twee laatste vleermuisrondes uitgevoerd.
66/122
Er zijn inmiddels vier vleermuisrondes uitgevoerd. Tijdens alle rondes zijn foeragerende gewone en ruige dwergvleermuizen (Pipistrellus pipistrellus, Ppip en Pipistrellus nathishii, Pnat) waargenomen. Gedurende de eerste ronde werd binnen de muren van het object fouragerende dieren gezien die niet direct met de batdetector waar te nemen waren. Door de dieren te benaderen is vastgesteld dat het twee gewone grootoorvleermuizen (Plecotus auritus, Paur) betrof die hun verblijfplaats tussen het plafond van de noordelijke vleugel van het object hebben. Diezelfde ronde is een overvliegende brands- of baardvleermuis (Myotis brandtii Mbra, Myotis mystacinus, Mmys) waargenomen met de batdetector. De derde en vierde ronde zijn herhaaldelijk een aantal fouragerende laatvliegers (Eptesicus serotinus, Eps) waargenomen, en een enkele overvliegende rosse vleermuis (Nyctalus noctula, Nnoc). Tijdens de derde ronde zijn een paar Zwarte roodstaarten (Phoenicurus ochruros Poch) en hun jongen in de noordwestelijke hoek van het object waargenomen. Naar aanleiding van de quickscan en de inventarisatierondes is geadviseerd meerdere vleermuiskasten op te hangen om eventueel aanwezige verblijfsfuncties te kunnen compenseren.
Dit is inmiddels uitgevoerd door het installeren van in eerste instantie vier meerlagige platte/bolle vleermuiskasten en uiteindelijk een ECOlumn (6 kraamkasten) om de potentieel aanwezige verblijfplaatsen preventief te mitigeren. Zie afbeelding 5.5.
67/122
Afbeelding 5.5: plaatsing vleermuiskasten en ECOlumn (bron: PSECOLOGIE) De groene icoontjes vormen de locaties van de reeds geïnstalleerde vleermuis kasten, de groen omlijnde rechthoek geeft de beoogde locatie voor een ECOlumn weer. De vergunning voor de plaatsing van de ECOlumn is op 30-06-2021 verleend (zie bijlage 8) en indien gegrond bezwaar uitblijft zal uiterlijk eind augustus de ECOlumn geplaatst worden, in het verlengde van de rij zomereiken (Quercus robur) aan de noordkant van het perceel. De zes kraamkasten in de ECOlumn zijn vervaardigd uit hydrothermisch gemodificeerd hout met een minimale levensduur van 20 jaar. Zo kunnen ze een duurzame compensatie vormen voor de aangetroffen soorten en uiteenlopende verblijfsfuncties. De huidige
68/122
verblijfplaats in het object gaat waarschijnlijk geen tien jaar meer mee. Conclusies Naar aanleiding van de uitgevoerde inventarisaties kan gesteld worden dat met grote zekerheid het plangebied regelmatig gebruikt wordt als foerageergebied door Paur, Ppip, Pnat en Eps. Incidenteel wordt er gebruikgemaakt van het plangebied door Mmys en Nnoc. Tussen de plafondplaten is een zomerverblijfplaats aangetroffen van drie gewone grootoorvleermuizen. Van de andere waargenomen vleermuissoorten kan met aan zekerheid grenzende mate van waarschijnlijkheid geconcludeerd worden dat deze geen zomer- of kraamverblijfplaatsen hebben in het te slopen object. De sloop van het object heeft tot gevolg dat de aangetroffen verblijfplaats verloren gaat, de geplaatste en nog te plaatsen vleermuiskasten compenseren dit verlies een op tien. Als er dus geen andere verblijfplaatsen meer aangetroffen worden, zal de duurzame staat van instandhouding voor deze groep grootoorvleermuizen niet in het gedrang komen. De aangetroffen zwarte roodstaarten zijn niet jaarrond beschermd en aangezien de ingreep buiten het broedseizoen plaats zal vinden wordt geen verstoring verwacht. Gedurende het onderzoek is meermaals overleg gepleegd met het bevoegd gezag, Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN) om te overleggen welke weg te bewandelen om zowel de beschermde soorten als het ontwikkelingstraject te ontzien.
Zowel het ingeschakeld Ecologische bureau als ODBN achten de kans op verstoring en vertraging het kleinst door bijtijds overcompensatie te plaatsen binnen 100 meter van de oorspronkelijk/ potentiële verblijfplaats. Alle geplaatste en geplande kasten zijn gesitueerd binnen 70 meter van het te slopen object. Op dit moment kan nog geen uitsluitsel gegeven worden over de af- of aanwezigheid van beschermde jaarrond beschermde paarverblijfplaatsen in het te slopen object. Indien geen verdere verblijfplaatsen of essentiële gebruiksfuncties meer aangetroffen worden tijdens het paar onderzoek, acht het Ecologisch adviesbureau en ODBN, gezien de mate van overcompensatie de aanvraag van een ontheffing op de wet natuurbescherming niet noodzakelijk. Ter voorbereiding van de sloop zal minimaal een maand gewenningsperiode van meerdere soorten aangehouden worden. Na de plaatsing van de ECOlumn zullen de oorspronkelijke verblijfsplaatsen 's nachts ongeschikt gemaakt worden zodat de verkenning van de vervangende verblijfplaatsen gestimuleerd wordt. De sloop van het object zal uitgevoerd worden onder ecologische begeleiding van ongetekende, aan de hand van een nader op te stellen ecologisch werkprotocol. De tussenrapportage is integraal als bijlage 7 bij de toelichting is opgenomen. Hieronder volgt een beknopte samenvatting.
69/122
5.3
Archeologie en Cultuurhistorie
5.3.1 Erfgoedwet en overgangsregeling omgevingswet De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. De wet is op 1 juli 2016 in werking getreden en vervangt zes wetten en regelingen. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. De Erfgoedwet vervangt de volgende zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed: Monumentenwet 1988 (deels); Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten; Wet tot behoud van cultuurbezit; Wet tot teruggave cultuurgoederen uit bezet gebied; Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 over onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen; Regeling materieel beheer museale voorwerpen. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten.
verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro. 5.3.2 Archeologiebeleid Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar 'archeologiebeleid' vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld.
70/122
Verwachting/waarde Archeologisch beschermd rijksmonument Archeologisch (AMK-) monument Beschermde stadsgezichten Historische stads-/dorpskern Hoge verwachtingswaarde Hoge verwachtingswaarde – bedrijventerrein Middelhoge verwachtingswaarde Lage verwachtingswaarde Reeds onderzocht Verstoord
Vrijstellingsgrenzen 0 m2 / 30 cm -Mv 35 m2 / 30 cm -Mv 50 m2 / 30 cm -Mv 100 m 2 / 30 cm -Mv 1000 m2 / 30 cm -Mv 5 hectare / 30 cm -Mv Afhankelijk van de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek. Geen onderzoeksplicht
Het verdient aanbeveling om aan de 'voorkant', dat wil zeggen voordat de ruimtelijke onderbouwing of plantoelichting wordt opgesteld, onderzoek te doen. Afhankelijk van de verwachtingswaarde van het gebied waarin de ontwikkeling is voorgenomen, kan dat een bureauonderzoek, een booronderzoek, een proefsleuvenonderzoek of een daadwerkelijk opgravingsonderzoek zijn. In geval van onderzoek vooraf is wellicht, uiteraard afhankelijk van de uitkomst daarvan, geen bescherming nodig door het opnemen van een zogenaamde dubbelbestemming in de planregels. Daarover hieronder meer. Indien vooraf geen onderzoek is gedaan is het in elk geval noodzakelijk dat de archeologische (verwachtings)- waarde beschermd wordt door borging in de planregels. 5.3.3 Archeologietoets Volgens de archeologische beleidskaart heeft het plangebied een hoge verwachtings- waarde. Vanuit het archeologiebeleid geldt een archeologische onderzoeksplicht als de bodemingrepen dieper zijn dan 30 centimeter beneden het huidige maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 100 m². Voor het plangebied is archeologisch onderzoek uitgevoerd (bureauonderzoek en booronderzoek). De resultaten uit het onderzoek zijn hieronder weergegeven. De volledige rapportage van het uitgevoerde onderzoek is als bijlage 9 bij de toelichting gevoegd. Bureauonderzoek 1.
Waaruit bestaan de voorgenomen bodemingrepen? De ruïne van Café-restaurant De Barrière zal worden gesloopt en vervangen door een kantorencomplex. De nieuwbouw heeft een omvang van ongeveer 1.450 m2 en de bodem zal tot ongeveer 120 cm -mv worden ontgraven voor aanleg van de funderingen. 2. Wat is de landschappelijke ligging van het plangebied in termen van geomorfologie, geologie en bodemkunde? Het plangebied ligt in een zone met dekzandruggen die waarschijnlijk tijdens de laatste ijstijd zijn ontstaan. Het dekzand behoort tot het Laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel. In het dekzand zijn waarschijnlijk laarpodzolgronden gevormd.
71/122
3. Is sprake van bekende bodemverstoringen? In het noordoosten van het plangebied hebben bouw- en sloopwerkzaamheden plaatsgevonden. Ter plaatse van (de ruïne van) Café-restaurant De Barrière is de bodem waarschijnlijk verstoord. Vermoedelijk is een pakket grond opgebracht met een dikte van ongeveer 40 tot 100 centimeter. 4. Wat is de historische ontwikkeling van het plangebied? Het plangebied ligt in een zone met dekzandruggen die geschikt zijn voor bewoning. Het plangebied ligt waarschijnlijk in een lager en wat natter deel van de zone gezien de aanwezigheid van laarpodzolgronden. In de omgeving van het plangebied zijn archeologische resten uit het Mesolithicum en Middeleeuwen gevonden. Het plangebied is nog onbebouwd op het kadastraal minuutplan uit het begin van de 19e eeuw en wordt in de tweede helft van de 19e eeuw bebouwd. De bebouwing concentreert zich in het noordoosten van het plangebied en wordt in de 20e eeuw gesloopt. De huidige bebouwing staat centraal in het plangebied stamt uit de jaren ‘60 van de 20e eeuw. 5. Is sprake van bekende archeologische waarden (zoals AMK terreinen, vondstlocaties, historische kernen) in het plangebied en directe omgeving, en zo ja welke? Bij graafwerkzaamheden aan de A59 in 1972 en 1980 zijn middeleeuwse aardewerk- fragmenten en mesolithische vuursteenfragmenten gevonden op ongeveer 200 meter ten oosten van het plangebied.
Bij overige onderzoeken is vervolgonderzoek geadviseerd op basis van een intacte bodem maar zijn (nog) geen vindplaatsen aangetroffen. 6. Kunnen archeologische resten in het plangebied aanwezig zijn? Zo ja, wat is daarvan op hoofdlijnen de omvang, ligging, aard en datering? In het plangebied kunnen archeologische resten aanwezig zijn vanaf het Laat Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. De voornaamste verwachting geldt voor het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen. Archeologische resten uit het Laat Paleolithicum en Mesolithicum zijn waarschijnlijk opgenomen in een eerdlaag. Het plangebied ligt buiten historische bewoningskernen. Ervan uitgaande dat bewoning in de Late Middeleeuwen op een vaste plaats is komen te liggen zijn archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd waarschijnlijk uitsluitend gerelateerd aan agrarisch gebruik en infrastructuur. 7. Welke vervolgstap(pen) kunnen worden genomen om rekening te houden met (mogelijke) archeologische resten? Archeologische resten manifesteren zich waarschijnlijk als sporenniveau en kunnen effectief worden opgespoord door middel van een proefsleuvenonderzoek. Er bestaat een kans dat de bodem is verstoord door werkzaamheden in de 20e eeuw.
Daarom wordt aanbevolen eerst een verkennend archeologisch onderzoek uit te voeren om de aard en intactheid van de bodem vast te stellen en de gespecificeerde verwachting te toetsen. Verkennend booronderzoek: 1. Wat is de aard (geologisch en bodemkundig) en intactheid (verstoringen) van het bodemprofiel? De bodem in het plangebied bestaat uit een laag opgebrachte grond van 65 tot 115 centimeter dik met daaronder een A-horizont van 35 tot 75 centimeter dik. De top van de C- horizont ligt tussen 95 en 215 centimeter -mv (486 en 596 centimeter NAP). De dikte van de humeuze A-horizont (35 tot 45 centimeter) komt overeen met de verwachting voor laarpodzolgronden in dekzand, met uitzonderingen van boorprofielen 1 en 5.
72/122
In boorprofiel 1 in het oosten van het plangebied is een A-horizont afwezig. In boorprofiel 5 in het westen van het plangebied is de A-horizont dikker, namelijk 75 centimeter. Er zijn geen E- of B-horizonten aanwezig wat er op wijst dat het natuurlijke podzolprofiel dat werd verwacht waarschijnlijk is vergraven of verploegd. De precieze diepte van de verstoring kan moeilijk worden ingeschat omdat de oorspronkelijke maaiveldhoogte onbekend is en sindsdien grond is opgebracht. 2. Zijn potentiële archeologische niveaus aanwezig, en zo ja, wat is de aard, diepteligging en verbreiding daarvan? De top van de C-horizont is een potentieel archeologisch niveau en ligt tussen 135 en 160 centimeter -mv (553 en 568 centimeter NAP). Ter plaatse van boorprofiel 1 in het oosten van het plangebied ligt de top van de C-horizont ondieper op 95 centimeter-mv (596 centimeter NAP). Ter plaatse van boorprofiel 5 in het zuidwesten van het plangebied ligt de top van de C-horizont dieper op 215 centimeter-mv (486 centimeter NAP). Eindoordeel: Indien (mogelijk) archeologische waarden aanwezig zijn: a) Worden deze archeologische waarden verstoord door de voorgenomen bodemingrepen? Zo ja, op welke wijze? Bij de bouwwerkzaamheden zal de bodem tot ongeveer 120 centimeter-mv worden vergraven. Boring 2 is ter plaatse van de beoogde nieuwbouw gezet.