Toelichting Obrechtstraat Palestrinastraat Oss - 2024 vastgesteld
Tekst van het document
-
Planning af te stemmen op de kwetsbare periode van vleermuizen (bijvoorbeeld vleermuisvrij maken buiten de winterrust en de voortplantingsperiode: tussen 1 april en 1 augustus of tussen 1 oktober en 15 november).
-
Treffen van nieuwe permanente voorzieningen in de nieuwbouw in de vorm van inbouw vleermuiskasten, minimaal 24 stuks geclusterd;
-
Uitvoer van de beoogde groene inrichting van het plan en het gebruik van vleermuisvriendelijke armaturen als buitenverlichting wordt toegepast.
Slimme fasering Het plangebied heeft een relatief groot oppervlak, waarbij het aannemelijk lijkt dat de feitelijke realisatie gefaseerd zal worden uitgevoerd. Men kan overwegen éérst delen aan bod te laten komen waar geen vleermuizen zijn aangetroffen en hier alvast voorzieningen te treffen. In het meest gunstige geval zullen vleermuizen de nieuwbouw spontaan betrekken.” Rondom het plangebied zijn in 2023 - voor de voortplantingsperiode voor vleermuizen - tijdelijke vleermuiskasten geplaatst. Gezien het niet de bedoeling is te slopen voordat dit bestemmingsplan onherroepelijk is, hangen de kasten in ieder geval een geruime periode waardoor naast het reeds aanwezige alternatieve aanbod ruim extra aanbod voor de vleermuis is gecreëerd. De fasering van het planvoornemen verloopt daarnaast van noordoost naar zuidwest. De verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden zich hoofdzakelijk in het zuidwesten van het planvoornemen (voormalig schoolgebouw). Door in de nieuwbouw de voorgestelde voorzieningen voor vleermuizen te treffen ontstaan daarnaast – alvorens het voormalige schoolgebouw wordt gesloopt - ook nieuwe permanente verblijfplaatsen. Verder wordt in het plangebied meer groen gerealiseerd dan nu het geval is (o.a. twee pocketparks), wat positief is voor de vleermuis en andere al dan niet beschermde soorten.
In verband met de daadwerkelijke sloop en realisatie van het planvoornemen zal een mitigatieplan moeten worden opgesteld. Omdat voor de sloop van de bebouwing in het plangebied een vergunning nodig is en in dat kader getoetst wordt aan de Wet natuurbescherming is via die weg geborgd dat een mitigatieplan wordt opgesteld, ernaar wordt gehandeld en er geen sprake zal zijn van overtredingen met de Wet natuurbescherming. Natuur vormt – mits een mitigatieplan i.v.m. vleermuizen wordt opgesteld, door het bevoegd gezag akkoord bevonden en door de initiatiefnemer nageleefd - geen belemmering voor het planvoornemen.
5.2
Archeologie en Cultuurhistorie
5.2.1 Erfgoedwet en overgangsregeling omgevingswet De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden.
Obrechtstraat/Palestrinastraat Oss – 2024, pag. 55 van 90 23 mei 2024
In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: - vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. - verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. - bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro. 5.2.2 Archeologiebeleid Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van 25 oktober 2019 en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010, herzien 2016.
Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘archeologiebeleid’ vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld. Verwachting/waarde Archeologisch beschermd rijksmonument Archeologisch (AMK-) monument Beschermde stadsgezichten Historische stads-/dorpskern Hoge verwachtingswaarde Hoge verwachtingswaarde – bedrijventerrein Middelhoge verwachtingswaarde Lage verwachtingswaarde
Vrijstellingsgrenzen 0 m2 / 30 cm -Mv
35 m2 / 30 cm -Mv 50 m2 / 30 cm -Mv 100 m 2 / 30 cm -Mv 1000 m2 / 30 cm -Mv 5 hectare / 30 cm -Mv
Obrechtstraat/Palestrinastraat Oss – 2024, pag. 56 van 90 23 mei 2024
Reeds onderzocht Verstoord
Afhankelijk van de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek. Geen onderzoeksplicht
Volgens de archeologische beleidskaart is het plangebied aangeduid als (middel)hoge archeologische verwachtingswaarde. 5.2.3 Archeologietoets Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente is het bestemmingsplangebied als (middel)hoge archeologische verwachtingswaarde aangeduid. Volgens het gemeentelijke archeologiebeleid geldt voor gebieden met deze verwachtingswaarde dat er (in beginsel) een onderzoekverplichting is bij projectgebieden groter dan 100 m2 binnen een aaneengesloten, onverstoord gebied van 0,5 ha en bij bodemingrepen dieper dan 30 cm. Toetsing van de plannen In de toelichting van het vigerende bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Euterpelaan Oss 2013’ wordt onder het aspect archeologie echter geconstateerd dat dit bestaande gebied nagenoeg geheel bebouwd en dus reeds verstoord is. Aansluitend wordt geconcludeerd dat daarmee de archeologische verplichting vervalt. In de vigerende situatie is op dit moment dan ook geen dubbelbestemming ter bescherming van eventuele archeologische waarden van kracht. Concreet betekent dit dat er, ook al wordt er meer dan 100 m2 dieper dan 30 cm geroerd, geen noodzaak is tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek. Bestemmingsplanregels De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid door in standaard bestemmingsplanregels.
Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. In onderhavige situatie is het niet nodig om een dubbelbestemming ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden op te nemen. Uiteraard blijft gelden dat indien bij graafwerkzaamheden archeologische waarden worden aangetroffen, deze conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10, bij de minister gemeld dienen te worden. In de praktijk kan de vinder terecht bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (T 033 – 4217 456 of info@cultureelerfgoed.nl) zodat de vondst geregistreerd wordt in het centraal archeologische informatiesysteem. Daarnaast is het advies om de vondst ook bij de gemeente te melden.
5.2.4 Cultuurhistorie Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het
Obrechtstraat/Palestrinastraat Oss – 2024, pag. 57 van 90 23 mei 2024
gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening. In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt.
Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen. De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten.
Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2019. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening NoordBrabant Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen. Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. In het plangebied is geen sprake van cultuurhistorische waarden.
Obrechtstraat/Palestrinastraat Oss – 2024, pag. 58 van 90 23 mei 2024
5.3
Mobiliteit en parkeren
5.3.1 Verkeer De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg is de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. In juli 2023 is aanvullend hierop de Koersnota Mobiliteit vastgesteld. Door Megaborn is een notitie opgesteld i.v.m. de verkeersgeneratie en ontsluiting van het planvoornemen. De notitie is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 4) en kent de navolgende conclusie. “De nieuwe ontwikkeling zorgt naar verwachting voor ongeveer 370 minder motorvoertuigverplaatsingen per etmaal dan in de huidige situatie. Door de afsluiting van de Obrechtstraat zal de Palestinastraat drukker worden. Deze toename van verkeer is acceptabel.” Gezien de conclusie van de notitie vormt het aspect verkeer geen belemmering voor de ontwikkeling. 5.3.2 Parkeren De gemeente Oss heeft haar parkeernormen vastgelegd in de Nota Parkeernormen Oss 2023, waarin is opgenomen welke parkeernormen voor welke gebieden gelden. Het plangebied is gelegen in het centraal stedelijk woonmilieu.
Parkeerbehoefte In het plangebied zijn woon- en werkfuncties en voorzieningen voorzien. In de tabel hieronder is aan de hand van de parkeernormen die gelden in het centraal stedelijk woonmilieu en de voorziene invulling van het werken en de voorzieningen in het plangebied de parkeervraag opgenomen. Voor deze functies is een realistische inschatting van de daadwerkelijke invulling is gedaan.
In de tabel hieronder is aan de hand van de parkeernormen die gelden in het centraal stedelijk woonmilieu en de voorziene invulling van het wonen in het plangebied de parkeervraag opgenomen.
Obrechtstraat/Palestrinastraat Oss – 2024, pag. 59 van 90 23 mei 2024
De totale parkeervraag bestaat uit afgerond 416 parkeerplaatsen. Omdat in het plangebied sprake is van meerdere functies is bezien wat de parkeervraag is in de maatgevende periode (werkdag avond). Zie hiervoor de tabel hieronder.
Obrechtstraat/Palestrinastraat Oss – 2024, pag. 60 van 90 23 mei 2024
Dit resulteert in een totale parkeerbehoefte van 319 parkeerplaatsen. Indien alle parkeerplaatsen voor elke functie beschikbaar zijn, moet dit aantal parkeerplaatsen in het plangebied aanwezig zijn. In het plangebied zijn 335 parkeerplaatsen voorzien. Voldaan wordt daarmee aan de parkeerbehoefte. Conclusie In het plangebied is sprake van een sluitende parkeerbalans. Voldaan wordt aan de Nota Parkeernormen Oss 2023. Parkeren vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Obrechtstraat/Palestrinastraat Oss – 2024, pag. 61 van 90 23 mei 2024
5.4
Water
5.4.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in december 2022 een Water- en Rioleringsprogramma vastgesteld (WRP 20232029). Het programma biedt een kader voor de gemeentelijke watertaken en regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater, doelmatige verwerking van afvloeiend (overtollig) hemelwater en overtollig grondwater. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. In bebouwd gebied vraagt de zorg voor oppervlaktewater extra aandacht. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen. De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).
Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd.
In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: - schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; - de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; - de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; - de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. ‘
Obrechtstraat/Palestrinastraat Oss – 2024, pag. 62 van 90 23 mei 2024
Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’.
Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water; Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied.
Gemeentelijk beleid Conform het gemeentelijk beleid geldt de vereiste dat bij nieuwe plannen 25 mm van de verharding (inclusief bebouwing) moet worden gecompenseerd. In geval sprake is van meer dan 500 m2 toename van verharding gelden voor het totaal de vereisten van het waterschap.
Obrechtstraat/Palestrinastraat Oss – 2024, pag. 63 van 90 23 mei 2024
5.4.2 Watertoets Hemelwater Op de www.dewatertoets.nl is de digitale watertoets ingevuld. Hiervan zijn drie mogelijke uitkomsten/ procedures: • Geen waterbelang: Er is een functiewijziging zonder relevante wateraspecten • Verkorte procedure: U heeft een klein plan met weinig relevante wateraspecten • Normale procedure: U heeft een groot plan met meerdere relevante wateraspecten. Na het invullen van de digitale watertoets werd direct aangegeven dat voor het planvoornemen de normale procedure geldt. Ook doet het waterschap enkele algemene aanbevelingen voor de planvorming, welke bij de verdere uitwerking van het planvoornemen in acht moeten worden genomen. Het plangebied valt buiten de ruimtelijk begrensde waterbelangen. Dit komt onder andere omdat in het plangebied geen watergang aanwezig is, ook is geen sprake van een beschermingszone of andere relevante zaken waarmee rekening moet worden gehouden. Verder is het plangebied op dit moment volledig verhard, waardoor geen sprake is van toename van verharding en de Keur op basis daarvan niet van toepassing is voor wat betreft eisen in het kader van hemelwaterberging. Bijgevoegd bij deze toelichting is het toetsresultaat en de samenvatting van www.dewatertoets.nl (bijlage 5). Conform het gemeentelijk beleid geldt voor het plangebied een compensatieplicht voor hemelwaterberging, omdat sprake is van een herontwikkeling (nieuw plan).
Dit betekent dat voor alle verharding in de toekomstige situatie 25 mm per m2 verhard oppervlak aan hemelwater tijdelijk moet worden geborgen in het plangebied. In de nieuwe situatie gaat het om circa 10.000 m2 verhard oppervlak en 7000 m2 niet verhard oppervlak. Dit resulteert in een bergingsopgave van 250 m3. Om deze bergingsopgave te realiseren is in het plangebied voldoende ruimte voor wadi’s in de geplande pocketparks (onderdeel van de 7000 m2 aan niet verhard oppervlak) in combinatie met de toepassing van sedum- dan wel groene daken. Om te borgen dat van al het verhard oppervlak 25 mm per m2 wordt geborgen is in de regels van dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Afvalwater Aangaande de afvoer van afvalwater is de gemeente bevoegd gezag. Er moet gescheiden (afvalwater apart van overstort/ overloop hemelwater) worden aangeboden. De initiatiefnemer is ervoor verantwoordelijk dat hij een dwa (droogweerafvoer) rioolstelsel aanlegt. Daarnaast is hij ervoor verantwoordelijk dat dit wordt aangesloten op het hoofdriool. Hierbij is hij ook aan zet voor de daarvoor benodigde voorzieningen en de eventueel benodigde aanpassingen op de bestaande voorzieningen buiten het plangebied. Een en ander ter realisering en aansluiting in overleg met de afdeling IBOR van de gemeente Oss. Voor de te realiseren rioolaansluiting moet de initiatiefnemer (i.h.k.v.
de Wet milieubeheer) advies vragen bij het waterschap en een aansluitvergunning aanvragen. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
Obrechtstraat/Palestrinastraat Oss – 2024, pag. 64 van 90 23 mei 2024
5.5
Defensie
Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen.
Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden.
Obrechtstraat/Palestrinastraat Oss – 2024, pag. 65 van 90 23 mei 2024
5.6 Milieuaspecten In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: - Bedrijven en milieuzonering - Bodem - Externe veiligheid - Geur: industrieel - Luchtkwaliteit - Straling - Weg-, spoor-, en industrielawaai - Trillingen 5.6.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uit te voeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. Het plangebied is gelegen op het bedrijventerrein Euterpelaan, een terrein met een oppervlakte van circa 18 hectare. Het bedrijventerrein kenmerkt zich door een menging van functies.
Binnen dit gemêleerde karakter is plaats voor zowel lichte als zwaardere bedrijvigheid, woon-werkpercelen en sociaalmaatschappelijke functies. Qua karakteristiek en uitstraling zijn drie gebiedsdelen te onderscheiden. Langs de oost-, zuid- en westkant van het bedrijventerrein bevinden zich de meer representatieve functies uit verhoudingsgewijs lagere milieucategorieën, zoals kantoren, (perifere) detailhandel en functies op het gebied van cultuur en ontspanning. Op het binnenterrein liggen vooral bedrijven uit de verhoudingsgewijs hogere milieucategorieën. Een overzicht van hindercontouren (o.b.v. een gemengd gebied) van de bestaande toegelaten functies binnen het bedrijventerrein Euterpelaan is weergegeven op de afbeelding hieronder.
Richtafstanden vormen in eerste instantie indicaties voor de aan te houden afstand tussen milieugevoelige bestemmingen en milieubelastende (bedrijfs)activiteiten. Aan de hand van aanvullend
Obrechtstraat/Palestrinastraat Oss – 2024, pag. 66 van 90 23 mei 2024
(concreet) maatwerk kan nader inzicht worden verkregen in de feitelijke en uiteindelijk maatgevende situatie. Op voorhand en in algemene zin gaat het daarbij om de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. In het plangebied worden zowel gevoelige als milieubelastende functies toegelaten. De milieubelastende functies zijn van dien aard dat ze nabij gevoelige functies kunnen worden uitgeoefend. Deze functies vormen met die reden geen belemmering voor de in het plangebied te realiseren gevoelige functies (woningen) dan wel eventuele gevoelige functies rondom het plangebied. Geluid De nieuwe gevoelige functies worden geprojecteerd binnen in acht te nemen richtafstanden van milieubelastende functies rondom het plangebied, waarvoor het geluidsaspect maatgevend is. Daarnaast zijn in het plangebied naast gevoelige functies ook milieubelastende functies voorzien die geluid produceren. Door Nipa Milieutechniek is onderzoek uitgevoerd naar industrielawaai waarin de nieuwe gevoelige functies in het plangebied zijn betrokken, alsook de nieuwe milieubelastende functies in het plangebied en de milieubelastende functies in de omgeving. Het onderzoek bevat ook de onderdelen railen wegverkeerslawaai en is bijgevoegd als bijlage 6 bij deze toelichting. Voor wat betreft het aspect industrielawaai kent het onderzoek de navolgende conclusie.
“Uit de berekening volgt dat niet in alle rekenpunten wordt voldaan aan de toetsingswaarde (voorkeursgrenswaarde) voor de optredende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus van 50 dB(A) voor industrielawaai overeenkomstig hoofdstuk 2. De hoogste geluidbelasting van industrielawaai is 58 dB(A). Bij een geluidbelasting hoger dan 55 dB(A) moet in stap 3 van (conform bedrijven en milieuzonering) worden gemotiveerd waarom de geluidbelasting toelaatbaar is waarbij maatregelen en cumulatie van geluid aan de orde moet komen.” De Geluidnota Oss maakt het mogelijk om ten aanzien van industrielawaai een maximale ontheffingswaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Lar, LT van 55 dB(A) toe te staan/ te vergunnen. Het gaat dan om een maximale ontheffingswaarde voor een woning in een woonwijk met hoge geluidsdruk. De Geluidnota voorziet in beginsel echter niet in de ontwikkeling van woningen op bedrijventerrein Euterpelaan. Met inachtname van de gebiedsvisie Euterpepark en in het kader van onderhavige planvorming heeft de gemeente Oss op ambtelijk niveau echter aangegeven uit te gaan van algemene uitgangspunten voor het verlenen van hogere grenswaarden uit haar beleid.
Vanuit het vertrekpunt dat bestaande bedrijvigheid op bedrijventerrein Euterpelaan maatgevend is voor het aspect industrielawaai vormen de uitgangspunten op basis waarvan deze bedrijven zijn gevestigd de basis voor het akoestisch toetsingskader in het plangebied. Op basis hiervan wordt de woonomgeving van de bedrijvigheid getypeerd als ‘Burgerwoningen op een niet-gezoneerd industrieterrein’, waarvoor de geluidwaarde ‘streven naar 55 dB(A) doch maximaal 65 dB(A)’ geldt. Voor de gevels van de woningen aan de noordzijde van het plangebied wordt de maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A) voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau niet overschreden. Voor enkele andere gevels in het plangebied wel tot een maximale waarde van 58dB(A). De geluidsbelasting overschrijdt dan wel de maximale ontheffingwaarde, maar dit is van tijdelijke duur omdat toegewerkt wordt naar een volledige transformatie van het bedrijventerrein tot een aantrekkelijk woon-werkgebied. En, er kan een aanvaardbaar binnengeluidsniveau worden gecreëerd van 33 dB(A). Een gevel van een woning/appartement heeft bij de toepassing van een ventilatiesysteem met natuurlijke toevoer en mechanische afvoer in de basis een minimale geluidwering van 20 dB(A). Door toepassen een gebalanceerd ventilatiesysteem wordt in de regel al een geluidwering van de gevel van 25 dB(A) bereikt.
Op basis van deze motivatie ligt een hogere geluidgrenswaarde voor het aspect industrielawaai in de rede. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd en bedrijvigheid wordt niet in haar bedrijfsvoering belemmerd.
Obrechtstraat/Palestrinastraat Oss – 2024, pag. 67 van 90 23 mei 2024
Omdat in de motivering voor het verlenen van een hogere geluidgrenswaarde niet alleen het aspect ‘maatregelen’, maar ook het aspect cumulatie betrokken moet worden en de aspecten weg- en railverkeerslawaai in onderhavige situatie ook relevant zijn wordt voor de integrale eindconclusie en motivatie verwezen naar paragraaf 5.6.8 van deze toelichting. Geurhinder Het aspect geurhinder is ter hoogte van het gedeelte van bedrijventerrein Euterpepark waar het planvoornemen is gelegen niet aan de orde en vormt met die reden geen belemmering voor het planvoornemen. Voor de motivatie hiervan wordt verwezen naar paragraaf 5.6.4 van deze toelichting. Gevaar Het aspect gevaar afkomstig van inrichtingen is in onderhavige situatie alleen vanuit het tankstation met LPG aan de Euterpelaan 33 mogelijk aan de orde. Uit onderzoek dat in verband met het aspect externe veiligheid voor onderhavige planvoornemen is uitgevoerd blijkt dat deze inrichting geen belemmering voor het planvoornemen vormt. Een en ander is nader uiteengezet in paragraaf 5.6.3 van deze toelichting. Voor de motivatie van dit aspect wordt met die reden verwezen naar die paragraaf en het onderzoek in bijlage 8. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt op basis van voorgaande en hetgeen in paragrafen 5.6.3, 5.6.4 en 5.6.8 van deze toelichting geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.6.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Door Van Oort Bodemonderzoek is voor het planvoornemen een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage (7) bijgevoegd bij deze toelichting. De samenvatting en advies van dit onderzoek zijn als volgt: “Het doel van het onderzoek is het vastleggen van de kwaliteit van grond en grondwater en te beoordelen of er milieutechnische bezwaren zijn tegen een woonbestemming en toekomstige nieuwbouw. Bij de uitvoering van het onderzoek is gebruik gemaakt van de NEN 5725 en NEN 5740. De strategie van het onderzoek is afgestemd op het vooronderzoek (historie). Gebruik is gemaakt van de onderzoeksopzet voor een onverdachte niet lijnvormige locatie (ONV-NL). Het veldwerk is uitgevoerd op basis van de BRL SIKB 2000. De analyses (AS3000) zijn uitgevoerd door SGS Environmental Analytics BV uit Rotterdam.
Zintuiglijk zijn tijdens de veldwerkzaamheden in de bodem geen verontreinigingen, bijmengingen of andere bijzonderheden waargenomen. Met laboratoriumonderzoek is aangetoond dat de boven- en ondergrond niet verontreinigd zijn (<Aw). Het grondwater is plaatselijk licht verontreinigd met cadmium (>Sw).
Obrechtstraat/Palestrinastraat Oss – 2024, pag. 68 van 90 23 mei 2024
De resultaten van het onderzoek geven geen aanleiding tot een vervolgonderzoek. Op basis van het totaal aan onderzoeksgegevens behoeft de bodemkwaliteit naar ons inziens geen belemmering te vormen voor een woonbestemming en het verlenen van een omgevingsvergunning.” De gemeente Oss heeft ingestemd met het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek en heeft geconcludeerd dat de bodem op de onderzochte plekken geschikt is voor de beoogde functies. Gezien ter plaatse van de bebouwde delen van het plangebied geen bodemonderzoek is uitgevoerd, moet dit nadat de sloop heeft plaatsgehad aanvullend nog gedaan worden. Dit onderzoek moet bij de aanvraag omgevingsvergunning i.v.m. de activiteit ‘Bouwen’ onderdeel uitmaken van de stukken die gepaard gaan met de aanvraag. Bodem vormt – mits na sloop een aanvullend verkennend bodemonderzoek wordt uitgevoerd en hieruit blijkt dat de bodem geschikt is voor de beoogde functies - geen belemmering voor het planvoornemen. Ontplofbare Oorlogsresten WOII Het plangebied is geheel onverdacht van ontplofbare oorlogsresten uit WOII op basis van de bodembelastingkaart ontplofbare oorlogsresten en het daaraan gekoppelde vooronderzoek van AVG uit 2016. De afbeelding hieronder – een uitsnede van de kaart behorende bij dit onderzoek ter hoogte van het plangebied - maakt dit inzichtelijk.
Dit wil zeggen dat de kans dat tijdens grondwerkzaamheden binnen het plangebied explosieven of munitie wordt gevonden zeer klein is. Het is niet nodig om hier onderzoek naar te doen.
Echter kan het voorkomen dat bij toeval toch een artikel wordt gevonden wat er uit ziet als een explosief of munitie. In dat geval geldt het protocol toevalsvondsten: stop de werkzaamheden, iedereen verlaat lopend het werkterrein (i.v.m. trillingen door voertuigen en machines) en bel de politie op 0900-8844. De Explosieven Verkenner (EV) of Teamleider Explosieven Veiligheid (TEV) van de politie komt op de locatie beoordelen of het om munitie gaat die moet worden geruimd. Zo ja, schakelt deze de Explosieven Opruimingsdienst van Defensie (EODD) in. Zo nee, dan kunnen werkzaamheden worden hervat.
Obrechtstraat/Palestrinastraat Oss – 2024, pag. 69 van 90 23 mei 2024
Ontplofbare oorlogsresten vormen geen belemmering voor het planvoornemen.
5.6.3 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: - het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) - het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven.
In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit.
Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Toetsing planvoornemen Door Antea Group is een onderzoek naar externe veiligheid in verband met het planvoornemen uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 8) en kent de navolgende conclusie.
Obrechtstraat/Palestrinastraat Oss – 2024, pag. 70 van 90 23 mei 2024
“Het plangebied zal ruimte bieden voor 4575 m2 commerciële en maatschappelijke functies en 281 woningen (combinatie van grondgebonden, maisonnette en appartementen). De bestaande bebouwing zal worden geamoveerd. In het kader van de ruimtelijke procedure dient onder andere het aspect externe veiligheid te worden beschouwd. In de omgeving van het plangebied bevinden zicht de risicobronnen: - Spoorlijn Den Bosch- Nijmegen; - LPG-tankstation de Ruwaard; - A59. Risicobeschouwing Spoorlijn Den Bosch- Nijmegen - De spoorlijn heeft een 10-6/jaar plaatsgebonden risicocontour van 0 meter. Het plangebied ligt op circa150 meter afstand van de spoorlijn. Daarmee wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden ten aanzien van het plaatsgebonden risico; - De spoorlijn heeft geen plasbrandaandachtsgebied (PAG). Er gelden daarmee geen aanvullende eisenconform het Bouwbesluit; - Het groepsrisico van de spoorlijn bevindt zich onder de oriëntatiewaarde en neemt nihil toe te gevolgevan de ontwikkeling. - Verantwoording van het groepsrisico is conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing. LPG-tank station de Ruwaard - LPG-tankstation de Ruwaard heeft een wettelijk vastgesteld invloedsgebied van 150 meter. De afstandvan de risicobron tot het plangebied bedraagt 280 meter. Het valt daarmee buiten het invloedsgebiedvan het LPG-tankstation.
A59 - De A59 heeft een invloedsgebied van 880 meter (stofcategorie: LT2). De afstand van de risicobron tothet plangebied bedraagt 2200 meter. Het valt daarmee buiten het invloedsgebied van de A59. Verantwoording groepsrisico Verantwoording van het groepsrisico is voor de spoorlijn Den Bosch-Nijmegen verplicht. In deze rapportage is een aanzet gedaan voor de verantwoording van het groepsrisico. Het bevoegd gezag, de gemeenteraad van Oss, kan deze elementen betrekken bij de besluitvorming ten aanzien van de ruimtelijke procedure. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico stelt gemeente Oss in het kader van de ruimtelijke procedure de veiligheidsregio Brabant-noord in gelegenheid advies uit te brengen.” Advies Veiligheidsregio De Veiligheidsregio is gevraagd om op onderhavig plan te reageren. Dit hebben zijn op 13 september 2023 gedaan. De reactie van de Veiligheidsregio is hieronder (integraal) overgenomen. “In het plan wordt in § 5.6.3 ingegaan op het aspect externe veiligheid. Door adviesbureau Antea is een onderzoek extern veiligheid uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat met een beperkte groepsrisicoverantwoording kan worden volstaan. De paragraaf externe veiligheid en het onderzoek geven ons geen aanleiding tot het maken van op-of aanmerkingen.
Obrechtstraat/Palestrinastraat Oss – 2024, pag. 71 van 90 23 mei 2024
Dit advies vervolgt met een korte beschrijving van de scenario’s met daarbij het slachtoffer- en schadebeeld, een beoordeling t.a.v. de mate van zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid en sluit af met een advies. > Scenario’s De relevante scenario’s i.r.t het plangebied zijn een BLEVE en toxische wolk BLEVE Een BLEVE wordt veroorzaakt doordat een aanwezige brand de druk in de tank doet oplopen of door een hoge mechanische impact de tankwand verzwakt en bezwijkt. Brandbaar gas komt vrij en ontsteekt. Er ontstaat een vuurbal en een drukgolf. Het slachtoffer-en schadebeeld is afhankelijk van de afstand tussen incidentlocatie en het plangebied. Het slachtoffer- en schade beeld wordt zichtbaar gemaakt in de tabel in de bijlage. Uit tabel 1 en 2 blijkt dat de kans op letaal- of ernstig letsel beperkt is Toxische wolk Een toxische wolk wordt veroorzaakt door een mechanische impact op de tank als gevolg van bijv. een ontsporing Hierdoor ontstaat een gat in de tank. waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stofvrijkomt en met de wind mee wordt verspreidt. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Uit tabel 3 blijkt dat de kans op letaal-of ernstig letsel beperkt is. In algemeenheid geldt dat de kans op het plaatsvinden van dit type incidenten als gevolg van veiligheidsmaatregelen rondom het vervoer bijzonder klein is.
> Beoordeling zelfredzaamheid Het plangebied ligt ingeklemd tussen de Euterpelaan en de spoorlijn. Dit betekent dat men afhankelijk vanaf de locatie waar een BLEVE in een andere richting moet vluchten. Uit de afbeelding op pagina 25 van het plan blijkt dat er voldoende mogelijkheden zijn om het plangebied is verschillende richtingen te ontvluchten. Het plangebied ligt binnen het bereik van een WAS sirene. Alarmering en instructies kunnen ook via NL Alert en andere social media worden gegeven. Voor het scenario toxisch is schuilen het beste handelingsperspectief. Nieuwe gebouwen bieden als gevolg van energieprestatie een prima bescherming tegen het binnen dringen van toxisch stoffen. Het is wel van belang dat ventilatieopeningen afgesloten kunnen worden. Gezien de aard en de activiteiten van de bestemming mag aangenomen worden dat de mate van zelfredzaamheid van de personen van het plangebied voldoende is. > Beoordeling bestrijdbaarheid Om effectief en efficiënt hulp te kunnen bieden zijn de opkomsttijd, de aanwezigheid van bluswater en de bereikbaarheid van belang. De opkomsttijd van de brandweer bedraagt ca. 6 minuten. Het plangebied kan via twee onafhankelijke routes bereikt worden.
Indien met de inrichting van het plangebied rekening wordt gehouden met de richtlijnen beschreven in de Handreiking bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen is er ook sprake van voldoende bereikbaarheid voor de hulpdiensten binnen het plangebied. Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. Tankwagens die LPG aanleveren zijn voorzien van een isolerende bekleding. Dit betekent dat afhankelijk van de vulgraad van de tank een explosie na 75 minuten kan plaats vinden. De brandweer zal om deze
Obrechtstraat/Palestrinastraat Oss – 2024, pag. 72 van 90 23 mei 2024
reden een redelijke tijd hebben om de tank te kunnen koelen en het gebied te ontruimen. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als goed beoordeeld. Spoorketelwagons zijn niet voorzien van een isolerende bekleding. Een BLEVE als gevolg van een mechanische impact op de tankwand is niet te bestrijden. Een BLEVE als gevolg van een hoge hittestraling kan na 15 minuten plaats vinden. Het is niet mogelijk om binnen dit tijdsbestek een effectieve koeling te starten. Om deze reden zullen de hulpdiensten defensief optreden. De bestrijdbaarheid voor dit scenario wordt als slecht beoordeeld. > Advies Uit de beoordelingen volgt dat het beste ingezet kan worden op het optimaliseren van de zelfredzaamheid in het plangebied. -
De individuele woningen worden waarschijnlijkheid van een eigen ventilatie unit worden voorzien. De bewoners moet bekend zijn op welke manier hun unit uit schakelen is. In het technisch ontwerp van de ventilatie units moet rekening worden gehouden dat dit op een simpele eenvoudige manier mogelijk is bijvoorbeeld d.m.v. een schakelaar of het verwijderen van een stekker.
-
Er is sprake van twee verschillende handelingsperspectieven, vluchten v.s. binnen blijven én er is sprake van twee verschillende vluchtroutes Het is van belang om de aanwezige personen te wijzen op de verschillende handelingsperspectieven en voorkeurs vluchtroute bij een dreigende BLEVE en bij een toxische wolk. Informeer de toekomstige bewoners actief over de risico’s en het handelingsperspectief. Dit kan bijv. door het aanbieden van een informatiebrief / meterkastkaart door de ontwikkelende partij aan (potentiële) kopers / huurders. Deze informatie kan worden meegewogen in het besluit om zich hier te vestigen. De bewoners zijn zich bewuster van het risico en weten beter hoe te reageren op een dreiging. Dit heeft een positief effect op het veiligheidsbewustzijn en de mate van zelfredzaamheid.
-
Belangrijke veiligheidswinst kan bereikt worden door het saneren van het LPG tankstation. Hiermee vervallen de risicocontouren liggend aan de route waarover LPG wordt aangevoerd. Dit betekent dat bij de toekomstige ontwikkeling aan deze route van delen geen rekening meer hoeft te worden gehouden met externe veiligheidsrisico's in relatie met het vervoer en de verlading van LPG over de weg. Ook de veiligheidssituatie voor de woningen en andere objecten liggend aan deze wegen verbetert hierdoor.
-
Houdt bij de inrichting van het plangebied rekening met de richtlijnen beschreven in de Handreiking bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen. Omdat er sprake is van hoogbouw dient in de gebiedsinrichting ook rekening worden gehouden met opstelmogelijkheden voor dit type hulpverlenings-voertuigen.
-
Uit het plan blijkt dat onderwerpen zoals klimaatadaptie, duurzaamheid belangrijke thema's zijn bij de transformatie van het gebied. Onder de woongebouwen zal een parkeergarage voor 245 auto’s gesitueerd worden. Aangenomen kan worden dat dit op termijn grotendeels auto’s aangedreven door alternatieve energiebronnen zijn. Wij adviseren graag over de (nieuwe) risico’s en maatregelen die meegenomen kunnen worden in het ontwerp van het plan.”
Conclusie Door Antea Group is een onderzoek naar Externe Veiligheid uitgevoerd. Hieruit blijken geen belemmeringen voor het planvoornemen. Ook de Veiligheidsregio heeft positief geadviseerd. Externe veiligheid vormt – mits het advies van de Veiligheidsregio in acht wordt genomen - geen belemmering
Obrechtstraat/Palestrinastraat Oss – 2024, pag. 73 van 90 23 mei 2024
voor het planvoornemen. 5.6.4 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: -
als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is.
Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. Het enige bedrijf in de nabijheid van het plangebied dat mogelijk industriële geurhinder veroorzaakt is Dalco Food en het daar nabij gelegen bedrijf Halal Food. Voor deze bedrijven is in het kader van de ontwikkeling aan Corellistraat 10 (voormalige laboratoriumschool), eveneens een transformatielocatie op Bedrijventerrein Euterpelaan, een onderzoek naar industriële geurhinder uitgevoerd. Ter plaatse van de op zeer korste afstand hiervan gelegen planontwikkeling aan Corellistraat 10 blijkt geen sprake te zijn van geurhinder. Het is op basis hiervan aannemelijk dat op veel verder weg gelegen afstand van Dalco Food en Halal Food ter plaatse van onderhavig planvoornemen eveneens geen sprake is van geurhinder.
Geurhinder ten gevolge van industriële bedrijvigheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 5.6.6 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling).
De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBM-project is. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.
Obrechtstraat/Palestrinastraat Oss – 2024, pag. 74 van 90 23 mei 2024
Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM 10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten.
Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit. Grenswaarden luchtkwaliteit Voor de meest voorkomende stoffen zijn de luchtkwaliteitsnormen als volgt:
In de tabel hieronder zijn de waarden weergegeven van NO2, PM10 en PM2,5 van het dichtstbijzijnde meetpunt (zie meetpunt (rood omcirkeld) op de afbeelding eronder). Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit in het plangebied aanvaardbaar is. De totale concentratie is als volgt: Stof NO2
Waarde ter plaatse 17,5154 ug/m3
Obrechtstraat/Palestrinastraat Oss – 2024, pag. 75 van 90 23 mei 2024
PM10 PM2,5
17,9305 ug/m3 10,5767 ug/m3
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; • kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Aangezien het hier een ruimtelijke ontwikkeling betreft die kleiner is dan hetgeen genoemd staat in de Regeling NIBM en het planvoornemen aan verkeersaantrekkende werking afneemt t.o.v. de vigerende situatie (-370 mvt/etmaal), kan geconcludeerd worden dat de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project NIBM is. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen.
Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleegen bejaardentehuizen. Woningen, kantoren en ziekenhuizen zijn geen gevoelige bestemmingen.
Obrechtstraat/Palestrinastraat Oss – 2024, pag. 76 van 90 23 mei 2024
De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Het planvoornemen betreft niet het mogelijk maken van een gevoelige bestemming zoals in het kader ‘luchtkwaliteit’ is bedoeld. Het besluit gevoelige bestemmingen is in onderhavige situatie niet aan de orde. Bedrijven Binnen de directe nabijheid van de locatie liggen geen veehouderijen of zijn andere bedrijven gevestigd die van invloed zijn op de luchtkwaliteit. Conclusie Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het planvoornemen draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 5.6.7 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008.